Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2012
Nr. 24575

Gepubliceerd op 30 november 2012 09:00



Advies Raad van State inzake het ontwerp voor een tweede nota van wijziging bij het voorstel van wet tot Vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Wet forensische zorg)

Nader Rapport

5 november 2012

nr. 305659

Directie Wetgeving en Juridische Zaken

Aan de Koningin

Nader rapport inzake het ontwerp voor een tweede nota van wijziging bij het voorstel van wet tot Vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Wet forensische zorg)

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 25 juli 2012, nr. 12.001695, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake de tweede nota van wijziging bij het voorstel van wet tot vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 9 augustus 2012, nr. W03.12.0268/II, bied ik U, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, hierbij aan.

Ik ben de Afdeling advisering erkentelijk voor de voortvarendheid waarmee het advies inzake het bovenvermelde ontwerp is uitgebracht.

Naar aanleiding van het advies merk ik het volgende op.

1. Splitsing

Anders dan de Afdeling advisering ben ik van oordeel dat de regeling inzake de rapportage ter vaststelling van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de verdachte, met inbegrip van de regeling met betrekking tot weigerende observandi, in het wetsvoorstel tot vaststelling van een Wet forensische zorg thuishoort. De rapportage in het kader van de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling is thans geregeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht. Het wetsvoorstel wijzigt dat artikel dusdanig, dat de regeling van de rapportage overgeheveld dient te worden naar artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht. Als zodanig maakt de regeling van de rapportage dan ook integraal onderdeel uit van het wetsvoorstel. De regeling met betrekking tot de weigerende observandi als onderdeel van die rapportage is dan ook geen wezensvreemd onderdeel van het wetsvoorstel. Om deze reden geef ik geen gevolg aan het advies van de Afdeling advisering om de regeling voor de verkrijging van medische gegevens van weigerende observandi in het huidige wetsvoorstel te schrappen en in een afzonderlijk wetsvoorstel op te nemen.

2. Advisering

Overeenkomstig het advies van de Afdeling advisering zal de gewijzigde tweede nota van wijziging voor (spoed)advies worden voorgelegd aan de bij de strafrechtspleging betrokken organisaties, het College bescherming persoonsgegevens, de landelijke artsenfederatie KNMG, de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, GGZ Nederland en het Landelijk Platform GGz. De adviezen zullen vervolgens – voorzien van een passende reactie – worden doorgestuurd naar de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Aan het advies van de Afdeling advisering om in de toelichting een uiteenzetting op te nemen over de verenigbaarheid van de voorgestelde regeling met de artikelen 10 van de Grondwet en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en met de Wet bescherming persoonsgegevens is eveneens gevolg gegeven.

Van de gelegenheid is voorts gebruik gemaakt om in het wetsvoorstel en de toelichting nog enkele redactionele wijzigingen en aanvullingen van ondergeschikte aard door te voeren.

Ik moge U, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verzoeken in te stemmen met toezending van de gewijzigde tweede nota van wijziging en de gewijzigde toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven.

Advies Raad van State

’s-Gravenhage, 9 augustus 2012

No. W03.12.0268/II

Aan de Koningin

Bij Kabinetsmissive van 25 juli 2012, no.12.001695, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt de tweede nota van wijziging bij het voorstel van wet tot vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Wet forensische zorg), met toelichting.

De tweede nota van wijziging bevat deels (technische) wijzigingen in verband met onder meer het onderbrengen van de forensische zorg onder de Wet marktordening gezondheidszorg. Deze geven geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

Belangrijk onderdeel van de tweede nota van wijziging betreft een procedure tot verkrijging zonder hun toestemming van medische gegevens van verdachten die niet mee willen werken aan pro justitia onderzoek.1 Zonder de vaststelling van de stoornis bij betrokkene ten tijde van het plegen van het delict is het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) niet mogelijk.2 De medische gegevens zijn in het bijzonder van belang, indien andere gedragskundige rapporten ontbreken of onvoldoende informatie bevatten. Het medisch beroepsgeheim wordt hiermee doorbroken.

Een voorloper van de thans voorgestelde regeling is vervat in de eerste nota van wijziging, die op 23 december 2011 aan de Tweede Kamer is aangeboden.3 Op de toen voorgestelde regeling is kritiek geuit door onder andere de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) en de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG). Voorts is van de zijde van verschillende fracties uit de Tweede Kamer tijdens het wetgevingsoverleg over de Wet forensische zorg op 2 april 2012 kritiek geuit op het toen voorliggende voorstel. Deze kritiek heeft aanleiding gegeven tot de thans voorgestelde regeling.

De spoed die de Minister van Veiligheid en Justitie met de voorgestelde nota van wijziging wenst te betrachten, is niet zozeer ingegeven door het genoemde onderdeel van de nota van wijziging, maar door de wens om de forensische zorgverlening (de plaatsing, indicatiestelling en bekostiging) per 1 januari 2013 te laten beheersen door de Wet forensische zorg en niet nog een jaar door het Interimbesluit forensische zorg. De telkens voor een jaar verleende subsidies worden immers op grond van de Wet forensische zorg gewijzigd in inkooprelaties.

De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert om het ingrijpende voorstel met betrekking tot de verkrijging zonder hun toestemming van medische gegevens van weigerende observandi, die een doorbreking van het medisch beroepsgeheim meebrengt, in een afzonderlijk wetsvoorstel op te nemen en dat voorstel eerst aan de geëigende adviesorganen voor advies te doen toekomen. Deze werkwijze komt zowel de te betrachten zorgvuldigheid als een spoedige totstandkoming van de Wet forensische zorg ten goede. Voorts adviseert de Afdeling om in de toelichting, in het licht van artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in het bijzonder de proportionaliteit en subsidiariteit van het voorstel met betrekking tot de verkrijging van medische gegevens van weigerende observandi dragend te motiveren.

1. Splitsing

Het wetsvoorstel forensische zorg is een kaderwet die de hoofdlijnen van de organisatie van forensische zorg regelt, waaronder de inkoop, bekostiging, tariefstelling en toewijzing, en het toezicht op de verleende zorg en het inkoopstelsel.4 De problematiek van de verkrijging van medische gegevens over weigerende observandi, in het geval dat bestaande onderzoeken of gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van een mogelijke psychische stoornis bij betrokkene ontbreken, is een wezensvreemd onderdeel van de Wet forensische zorg.

Het opnemen van een regeling omtrent genoemde problematiek is ingrijpend van aard en belast derhalve het wetsvoorstel. Daardoor kan de beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2013 in verband met de omzetting van de subsidierelaties met de forensisch psychiatrische centra, die per boekjaar worden verleend, in inkooprelaties in gevaar komen. De Afdeling adviseert daarom het onderdeel dat ziet op de verkrijging van medische gegevens van weigerende observandi, in het huidige voorstel te schrappen en in een afzonderlijk wetsvoorstel op te nemen.

2. Advisering

De Afdeling stelt vast dat over genoemd onderdeel van de tweede nota van wijziging slechts het College van Procureurs-Generaal advies heeft uitgebracht en dat uit de toelichting niet blijkt dat adviezen van andere bij de strafrechtspleging betrokken organisaties en van de KNMG zijn ingewonnen. Organen en organisaties als het College Bescherming Persoonsgegevens, de Raad voor de Rechtspraak, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de RSJ en de Nederlandse Orde van Advocaten hebben zich niet kunnen uitlaten over de tweede nota van wijziging. Een ordentelijke wetgevingsprocedure brengt mee dat over een dermate ingrijpende wijziging, die een doorbreking van het medisch beroepsgeheim meebrengt, advies wordt gevraagd aan de genoemde organen. De Afdeling adviseert daartoe. Ook om deze reden is afsplitsing van dit onderdeel van het voorstel gewenst.

Onverminderd het vorengaande merkt de Afdeling het volgende op.

3. Verkrijging van medische gegevens zonder toestemming verdachte

Het voorgestelde artikel 37a, derde tot en met negende lid, van het Wetboek van Strafrecht biedt de mogelijkheid bestaande medische gegevens te gebruiken van een weigerachtige observandus. Volgens de voorgestelde regeling vraagt de officier van justitie advies aan een multidisciplinaire commissie5 omtrent de bruikbaarheid van de beschikbare medische gegevens van een weigerende observandus.6 De artsen die over medische gegevens van betrokkene beschikken, worden verplicht op verzoek van de commissie persoonsgegevens vertrouwelijk aan de commissie te verstrekken. De rechter-commissaris kan op vordering van de officier van justitie machtiging verlenen voor het gebruik van de door de commissie bruikbaar geoordeelde medische gegevens ten behoeve van een rapportage over betrokkene. Daartoe legt de officier van justitie het advies van de commissie omtrent de bruikbaarheid van de beschikbare gegevens over aan de rechter-commissaris. De rechter-commissaris ontvangt de gegevens zelf niet, maar kan, indien hij dat voor zijn oordeelvorming nodig acht, de voorzitter van de commissie nadere vragen stellen over de inhoud van bepaalde persoonsgegevens. Betrokkene wordt op de hoogte gebracht van de adviesaanvraag, het advies en de beslissing van de rechter-commissaris. Tegen de beslissing van de rechter-commissaris staat voor de officier van justitie en betrokkene hoger beroep en cassatie open.

De Afdeling merkt op dat de voorgestelde mededelingsplicht van de arts aan de commissie het medisch beroepsgeheim7 doorkruist. Ingevolge artikel 457, eerste lid, derde volzin, van Boek 7 BW kan het beroepsgeheim doorbroken worden op grond van een wettelijk voorschrift.8 Voorbeelden hiervan zijn de mededeling van verdenking van kindermishandeling9 of die van besmettelijke ziekten.10 De Afdeling wijst erop dat bij wettelijke doorbreking van het beroepsgeheim grote terughoudendheid dient te worden betracht. Alleen gewichtige maatschappelijke belangen kunnen het beroepsgeheim doen wijken. De toelichting vermeldt dat de informatie die de arts dient te verstrekken, kan bijdragen aan de vaststelling of betrokkene een psychische stoornis heeft die gevaar voor de veiligheid (de gezondheid) van anderen met zich brengt. Het te beschermen belang dat met de onderhavige regeling wordt gediend, is dat van de fysieke en geestelijke gezondheid van mogelijke toekomstige slachtoffers. Het verstrekken van bestaande gegevens kan slechts als een ultimum remedium worden gebruikt, als niet op andere wijze een psychische stoornis kan worden vastgesteld.11 Daarnaast wordt in procedurele waarborgen voorzien.

De Afdeling is van oordeel dat de voorgestelde regeling in zoverre met waarborgen is omkleed en recht doet aan de belangen van weigerende observandi. Zij wijst er evenwel op dat de voorgestelde wettelijke regeling een inmenging impliceert in het privéleven van betrokkene in de zin van artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM. Daarnaast gaat het om verwerking van bijzondere persoonsgegevens in de zin van in het bijzonder de artikelen 16, 21 en 23 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Artsen dienen immers medische gegevens van betrokkene aan de leden van de multidisciplinaire commissie te verstrekken zonder diens toestemming en de multidisciplinaire commissie beoordeelt de verstrekte gegevens op bruikbaarheid voor de vaststelling van de stoornis. De Afdeling mist in de toelichting een uiteenzetting over de verenigbaarheid van de voorgestelde regeling met de eisen van artikel 10 van de Grondwet, artikel 8 van het EVRM, in het bijzonder waar het de proportionaliteit en subsidiariteit betreft, en de Wbp. De Afdeling adviseert de toelichting in verband met het voorgaande aan te vullen.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging goed te vinden dat de nota van wijziging wordt gezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De waarnemend Vice-President van de Raad van State, P. van Dijk.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: 32398 Vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Wet forensische zorg)

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, onder g, wordt na ‘instelling’ ingevoegd: als.

2. In het eerste lid, onderdeel o, sub 2°, wordt geschrapt: en.

3. In het eerste lid, onderdeel q, wordt na ‘zorgaanbieder’ ingevoegd: als.

4. In het tweede lid, laatste volzin, vervalt ‘bedoeld in het eerste lid, onder c,’.

B

De titel van hoofdstuk 2 komt te luiden:

HOOFDSTUK 2. DOELSTELLING, REIKWIJDTE, ZORGCONTINUÏTEIT EN ALGEMENE BEPALINGEN

C

Artikel 2.2, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De tweede volzin vervalt.

2. In de tweede volzin (nieuw) wordt de komma vervangen door een punt.

3. In de tweede (nieuw) en derde volzin (nieuw) wordt ‘het innen’ vervangen door: het vaststellen en innen.

D

Artikel 2.3 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, sub 3°, wordt de komma geschrapt.

2. De aanduiding ‘1’ voor het eerste lid, alsmede het tweede lid vervallen.

E

Artikel 2.4 wordt vervangen door de volgende artikelen:

Artikel 2.4
  • 1. Het openbaar ministerie is belast met het toezicht op de naleving van de voorwaarden inzake de verlening van forensische zorg, gesteld bij of krachtens:

    • a. artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht;

    • b. artikel 15a van het Wetboek van Strafrecht;

    • c. artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht;

    • d. artikel 38g van het Wetboek van Strafrecht;

    • e. artikel 38p van het Wetboek van Strafrecht;

    • e. artikel 80 van het Wetboek van Strafvordering;

    • f. artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering;

    • g. artikel 13 Gratiewet.

  • 2. Onverminderd artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht, kan Onze Minister een reclasseringsinstelling bedoeld in dat artikel, opdracht geven begeleiding te bieden bij en toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden.

  • 3. Indien noodzakelijk ten behoeve van het toezicht op de naleving van de voorwaarden inzake de verlening van forensische zorg verstrekt de zorgaanbieder aan het openbaar ministerie dan wel aan de reclasseringsinstelling gegevens betreffende de data dat de forensische patiënt zorg heeft genoten, dan wel afwezig was. Tevens geeft hij na het voltooien van de behandeling, of op verzoek van het openbaar ministerie in een eerder stadium, een advies over de kans op herhaling van het gedrag in verband waarmee de forensische zorg is opgelegd.

  • 4. Indien een voorwaarde niet wordt nageleefd, doet de reclasseringsinstelling daarvan onverwijld mededeling aan het openbaar ministerie.

Artikel 2.5

Zes weken voor afloop van de justitiële titel treft de zorgaanbieder voorbereidingen voor aansluitende zorg, indien de zorgverlener of de behandelaar van oordeel is dat na afloop van de strafrechtelijke titel verdere zorg krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of de Zorgverzekeringwet nodig is.

Artikel 2.6
  • 1. Ten behoeve van de indicatiestelling, de plaatsing van forensische patiënten aan zorgaanbieders, de verlening van forensische zorg, de declaratie en de betaling van de forensische zorg en het toezicht op de forensische zorg zoals deze op grond van deze wet wordt verleend, worden persoonsgegevens van forensische patiënten, met inbegrip van bijzondere persoonsgegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens, verwerkt.

  • 2. Onze Minister, het orgaan, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, en de zorgaanbieder zijn verantwoordelijk voor de verwerking, bedoeld in het eerste lid, in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens.

  • 3. De zorgaanbieder neemt ten behoeve van de plaatsing van de forensische patiënt bij die zorgaanbieder, de zorgverlening aan deze patiënt, de declaratie en de betaling van de forensische zorg, het strafrechtsketennummer van de forensische patiënt of bij het ontbreken van dit nummer, zijn bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen ander persoonsidentificerend nummer voor strafvorderlijke en penitentiaire doeleinden, alsmede de strafrechtelijke titel en de duur daarvan op in zijn administratie.

  • 4. Bij de verwerking van gegevens ten behoeve van de declaratie wordt het strafrechtsketennummer van de forensische patiënt of bij het ontbreken van dit nummer, zijn bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen ander persoonsidentificerend nummer voor strafvorderlijke en penitentiaire doeleinden gebruikt, wordt de strafrechtelijke titel en de duur daarvan verwerkt alsmede de verleende forensische zorg. Ten behoeve van de declaratie en de betaling van de forensische zorg is de zorgaanbieder bevoegd de in de voorgaande volzin genoemde gegevens te verstrekken aan Onze Minister.

  • 5. Ten behoeve van de begeleiding en het toezicht op de forensische zorg ontvangt de reclassering gegevens, waaronder bijzondere persoonsgegevens, betreffende de strafrechtelijke titel en duur daarvan en betreffende de in het kader van de strafrechtelijke titel te verlenen forensische zorg, van het openbaar ministerie.

  • 6. Bij besluit van Onze Minister worden ambtenaren aangewezen die bij uitsluiting van andere functionarissen en andere personen belast zijn met de verwerking van persoonsgegevens die krachtens het vierde lid zijn verkregen. Deze ambtenaren verrichten deze werkzaamheden, onverminderd de verantwoordelijkheid van Onze Minister, onder verantwoordelijkheid van de medisch adviseur van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst.

Artikel 2.7

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

  • a. de gevallen waarin de eigen bijdrage in de forensische zorg wordt geheven;

  • b. de vaststelling en de inning van de eigen bijdrage;

  • c. tot welke gegevens de verplichting, bedoeld in artikel 2.6, zich in ieder geval uitstrekt;

  • d. op welke wijze de gegevens, bedoeld in artikel 2.6, worden verwerkt;

  • e. volgens welke technische standaarden gegevensverwerking plaatsvindt;

  • f. aan welke beveiligingseisen gegevensverwerking voldoet;

  • g. de omvang van de gegevensverstrekking, de wijze waarop de reclasseringsinstelling en de zorgaanbieder forensische zorg gegevens van forensische patiënten verwerken in hun administratie en over de gegevensverwerking ten behoeve van statistiek en onderzoek;

  • h. het uit te oefenen toezicht, bedoeld in artikel 2.4, tweede lid;

  • i. de aard van de gegevens bedoeld in artikel 2.4, derde lid, die de zorgaanbieder forensische zorg verstrekt aan het openbaar ministerie, dan wel aan de reclasseringsinstelling die met begeleiding en toezicht is belast, ten behoeve van het toezicht op de naleving van de voorwaarden inzake de verlening van forensische zorg.

F

In artikel 3.1, tweede lid, wordt na ‘aanwijzing’ en na ‘eerste lid’ een komma geplaatst.

G

Artikel 3.3 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt na ‘aanwijzing’ een komma geplaatst.

2. In het derde lid, wordt ‘een’ vervangen door: de.

3. In het derde en het vierde lid wordt na ‘instelling’ en na ‘lid’ telkens een komma geplaatst.

4. In het vijfde lid wordt ‘wordt’ vervangen door: worden.

5. In het zesde lid wordt na ‘aanwijzing’ een komma geplaatst en wordt de puntkomma aan het slot van de zin vervangen door een punt.

H

In artikel 3.4, eerste en tweede lid, wordt na ‘aanwijzing’ een komma geplaatst.

I

In artikel 3.5 wordt na ‘instellingen’ ingevoegd: als.

J

De titel van hoofdstuk 4 komt te luiden:

HOOFDSTUK 4. INKOOP

K

Artikel 4.1 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het tweede lid wordt na ‘in’ een komma geplaatst.

2. In het derde lid wordt na ‘taak’ een komma geplaatst.

L

Artikelen 4.2 en 4.3 vervallen.

M

Artikel 4.4 wordt vernummerd tot artikel 4.2 en komt te luiden:

Artikel 4.2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de inhoud van het contract, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid.

N

Artikel 5.1 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het tweede lid, tweede volzin, wordt na ‘orgaan’ een komma geplaatst.

2. Onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid, wordt een nieuw vierde lid ingevoegd, luidende:

  • 4. In het geval eerst ter zitting blijkt dat forensische zorg moet worden verleend en er geen indicatiestelling voorhanden is, kan de rechter in afwijking van het tweede lid beslissen dat forensische zorg wordt verleend. In dat geval gelast Onze Minister zo spoedig mogelijk na de beslissing van de rechter een indicatiestelling ten behoeve van het plaatsingsbesluit als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid.

3. In het vijfde lid (nieuw) wordt ‘patiënt’ vervangen door: ‘patiënt’ en wordt ‘geplaatste’ vervangen door: geplaatst.

O

De aanduiding ‘6’ voor het derde lid van artikel 5.3 wordt vervangen door: 3.

P

In artikel 6.1, tweede lid, wordt na ‘beslissing’ een komma geplaatst.

Q

Artikel 6.2 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt na ‘plaatsing’ een komma geplaatst.

2. In het vierde lid wordt na ‘voorwaarden’ een komma geplaatst.

3. In het vijfde lid wordt na ‘besluit’ een komma geplaatst.

R

In artikel 6.3, eerste lid, wordt na ‘plaatsing’ een komma geplaatst.

S

Artikel 6.4 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het derde lid, onderdeel b, wordt geschrapt: indien.

2. In het derde lid, onderdeel c, wordt vóór ‘ter beschikking gestelden aan wie’ ingevoegd: de beëindiging van de behandeling en het onslag betrekking hebben op.

3. In het derde lid, onderdeel c wordt ‘richting’ vervangen door: instelling.

T

In artikel 6.5, derde lid, wordt na ‘plaatsing’ en na ‘lid’ een komma geplaatst.

U

In artikel 6.6 wordt na ‘beginselenwet’ een komma geplaatst.

V

Artikel 6.7 wordt gewijzigd als volgt:

1. In de eerste volzin wordt ‘een instelling, niet zijnde een private instelling’ vervangen door: een private instelling, niet zijnde een private instelling met een bijzondere aanwijzing als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid,.

2. In de tweede volzin wordt na ‘machtiging’ ingevoegd: als.

W

Artikel 6.10 vervalt.

X

Artikel 6.11 wordt gewijzigd als volgt:

1. Artikel 6.11 wordt vernummerd tot artikel 6.10

2. In onderdeel a, wordt na ‘boete’ een komma geplaatst.

3. In onderdeel c wordt de puntkomma vervangen door een punt.

4. De onderdelen d en e vervalllen.

Y

Artikel 7.1, onderdeel F, komt te luiden:

F

Artikel 37a wordt gewijzigd als volgt:

1. Na het vervallen van het derde lid en het vernummeren van het vierde lid tot het achtste lid, worden de volgende leden ingevoegd:

  • 3. De rechter geeft een last als bedoeld in het eerste lid, slechts nadat hij zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de betrokkene hebben onderzocht. Zodanig advies dient door de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel door ieder van hen afzonderlijk te zijn uitgebracht. Indien dit advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend, kan de rechter hiervan slechts gebruik maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte.

  • 4. Het derde lid blijft buiten toepassing, indien de betrokkene weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht. Voor zover mogelijk rapporteren de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel een ieder van hen afzonderlijk over de reden van de weigering. De rechter doet zich zoveel mogelijk een ander advies of rapport overleggen dat hem over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van een last als bedoeld in het eerste lid kan voorlichten en aan de totstandkoming waarvan de betrokkene wel bereid is om medewerking te verlenen.

  • 5. Indien betrokkene weigert medewerking te verlenen aan enig onderzoek als bedoeld in het vierde lid kan de officier van justitie voorzitter van de multidisciplinaire commissie, bedoeld in het negende lid, gelasten dat die commissie aan hem een advies uitbrengt over de aanwezigheid en de bruikbaarheid van persoonsgegevens betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van betrokkene, ten aanzien waarvan de verdachte niet bereid is om medewerking te verlenen aan de verstrekking. De leden van de multidisciplinaire commissie zijn bevoegd persoonsgegevens, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid, op te vragen van artsen en daarvan kennis te nemen. Op een verzoek van de multidisciplinaire commissie is de arts verplicht de persoonsgegevens van betrokkene aan de multidisciplinaire commissie te verstrekken. De multidisciplinaire commissie brengt uiterlijk binnen 30 dagen na de last, bedoeld in de eerste volzin, gemotiveerd advies uit aan de officier van justitie over de bruikbaarheid van de persoonsgegevens in relatie tot de aanwezigheid van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens tijdens het begaan van het feit. Van een last, bedoeld in de eerste volzin, doet de officier van justitie mededeling aan de verdachte, onder medezending van het advies van de multidisciplinaire commissie.

  • 6. De persoonsgegevens van betrokkene die aan de multidisciplinaire commissie zijn verstrekt, kunnen worden gebruikt ten behoeve van een rapport of advies als bedoeld in het vierde of achtste lid. Voor de toepassing van de eerste volzin behoeft de officier van justitie een schriftelijke machtiging, op diens vordering te verlenen door de rechter-commissaris. Bij deze vordering legt de officier van justitie het advies van de multidisciplinaire commissie over. Indien de officier van justitie, op basis van het advies van de multidisciplinaire commissie, afziet van het doen van een vordering, doet hij hiervan mededeling aan de verdachte en de commissie.

  • 7. Alvorens te beslissen, hoort de rechter-commissaris de verdachte. De rechter-commissaris kan de voorzitter van de multidisciplinaire commissie horen. De rechter-commissaris doet schriftelijk mededeling van zijn beslissing aan de verdachte. De gegevens blijven onder de multidisciplinaire commissie, totdat de rechter-commissaris een onherroepelijke beslissing heeft genomen. Indien de rechter-commissaris machtiging verleent voor het gebruik van de persoonsgegevens, verstrekt de voorzitter van de multidisciplinaire commissie onverwijld de persoonsgegevens aan de gedragsdeskundigen, bedoeld in het vierde lid. Binnen negentig dagen na een onherroepelijke afwijzende beslissing van de rechter-commissaris of een mededeling van de officier van justitie aan de commissie dat geen vordering wordt gedaan als bedoeld in het zesde lid, worden de persoonsgegevens betreffende de gezondheid van betrokkene die de commissie onder zich heeft, vernietigd. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris staat voor het openbaar ministerie of de verdachte hoger beroep en beroep in cassatie open. De artikelen 446 tot en met 448 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

2. Na het achtste lid (nieuw) wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 9. Onze Minister stelt een multidisciplinaire commissie in die tot taak heeft te adviseren over de aanwezigheid en de bruikbaarheid van persoonsgegevens betreffende de gezondheid. De multidisciplinaire commissie bestaat uit een tweetal artsen, onder wie een psychiater, een gedragsdeskundige en een tweetal juristen. De voorzitter van de commissie is een arts, die tevens psychiater is. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de werkwijze, de geheimhouding, en de besluitvorming van de multidisciplinaire commissie, alsmede over de gegevens in het advies.

Z

In artikel 7.4, onderdeel A, wordt ’wordt een tweede, derde en vierde lid’ vervangen door: worden drie leden.

AA

Artikel 7.7, onderdeel I, komt te luiden:

I

Aan artikel 37, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: Onze Minister kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels stellen aan instellingen met een bijzondere aanwijzing als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, over de toelating en weigering van bezoek aan ter beschikking gestelden en over de toegang van personeel werkzaam bij die instelling met het oog op de veiligheid in de instelling en de naleving van de bij of krachtens de wet gegeven regels.

BB

Artikel 7.8 wordt gewijzigd als volgt:

1. In onderdeel B, onder a, wordt in artikel 15, derde lid, eerste volzin na ‘overplaatsing’ ingevoegd: ‘als’ en wordt na ‘beslissingen’ een komma geplaatst.

2. In onderdeel B, onder c, wordt in artikel 15, vijfde lid, tweede volzin, na ‘forensische zorg’ een komma geplaatst.

CC

Artikel 7.10 wordt gewijzigd als volgt:

1. In onderdeel B wordt na ‘penitentiaire inrichting’ ingevoegd: als bedoeld in artikel 9 van de Penitentiaire beginselenwet.

2. In onderdeel B wordt ‘forensische instelling’vervangen door: een instelling als bedoeld in artikel 1.1, onderdelen j en k, van de Wet forensische zorg.

3. In onderdeel B wordt ‘ een instelling voor gesloten jeugdzorg’ vervangen door: een accommodatie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg.

4. In onderdeel E, onderdeel 2 wordt ‘vierde en vijfde lid’ vervangen door ‘vierde tot en met zesde lid’ en wordt ‘derde en vierde lid’ vervangen door: derde tot en met vijfde lid.

DD

In artikel 7.11, onderdeel 2, in het tweede lid, wordt ‘Het tweede lid is niet’ vervangen door: Het eerste lid is niet.

EE

In artikel 7.13 wordt na ‘instelling’ ingevoegd: als.

FF

Artikel 7:13B wordt gewijzigd als volgt:

1. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Op forensische zorg als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, van de Wet forensische zorg, verleend in een rijksinstelling of een private instelling met een bijzondere aanwijzing als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg, zijn hoofdstuk 5, paragraaf 2, en artikel 44, voor zover het betreft goed bestuur en jaarrekening en jaarverslag van deze wet niet van toepassing.

2. Het zesde komt te luiden:

  • 6. Op instellingen met een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, van de Wet forensische zorg, is hoofdstuk 5, paragraaf 1, van deze wet niet van toepassing. Indien op justitiabelen de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van toepassing is, is deze wet niet van toepassing.

GG

Artikel 7:13C wordt gewijzigd als volgt:

1. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Op forensische zorg als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, van de Wet forensische zorg zijn hoofdstuk 5, paragraaf 2, en artikel 44, voor zover het betreft goed bestuur en jaarrekening en jaarverslag, van deze wet niet van toepassing. Indien op justitiabelen de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de Penitentiaire beginselenwet dan wel de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van toepassing is, is deze wet niet van toepassing.

2. Het tweede lid komt te luiden:

2. Het zesde lid komt te luiden:

  • 6. Op instellingen met een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, van de Wet forensische zorg, is hoofdstuk 5, paragraaf 1, niet van toepassing.

HH

Artikel 7:13D wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, wordt ‘artikel 1’ vervangen door artikel 1.1.

2. In het tweede lid wordt aan het slot van de laatste volzin de puntkomma vervangen door een punt.

II

In artikel 7.21 wordt ‘artikel 1’ vervangen door: artikel 1.1.

JJ

Na artikel 7.13D wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7.13E

Indien het bij koninklijke boodschap van 21 december 2011 ingediende voorstel van wet tot Wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning in verband met de uitbreiding van gemeentelijke taken op het terrein van de begeleiding en een gewijzigde verdeling van de bestuurlijke verantwoordelijkheid (33 127), tot wet is verheven en die wet eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet, wordt deze wet als volgt gewijzigd:

1. In artikel 1.1, tweede lid, eerste volzin wordt na ‘Onder forensische zorg wordt verstaan’ ingevoegd: begeleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder j, van de Wet maatschappelijke ondersteuning en.

2. In artikel 2.3, tweede lid, wordt ‘of de Zorgverzekeringswet’ vervangen door: , de Zorgverzekeringswet of de Wet maatschappelijke ondersteuning.

KK

Artikel 8.3 komt te luiden:

Artikel 8.3

De artikelen, hoofdstukken van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen, hoofdstukken of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

TOELICHTING

B, D, E, L, M, W, X

De hoofdstuk 2 is aangevuld met de artikelen over het toezicht (artikel 2.4 (was artikel 6.10)) en de gegevensuitwisseling (2.6 (was artikel 4.3)). Deze artikelen hebben een algemeen karakter en passen systhematisch gezien minder goed in respectievelijk hoofdstukken 4 (over de inkoop en financiering) en 6 (over de plaatsing, overplaatsing en overbrenging). De artikelen zijn inhoudelijk niet gewijzigd. In verband met de overheveling van de artikelen naar hoofdstuk 2 zijn de titel van dat hoofdstuk alsmede de onderwerpen in de delegatiebepaling (artikel 2.7 voorheen 2.4) aangevuld. Het tweede lid van artikel 2.3 is ondergebracht in een apart artikel (artikel 2.5), omdat de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder voor de zorgcontinuiteit in aansluiting op een forensische titel ook vrijwillige aansluitende zorg omvat, en als zodanig niet past in het artikel dat betrekking heeft op de gevallen dat rechter al dan niet in aansluiting op een forensische titel onvrijwillige zorg kan opleggen.

C

Nu in artikel 2.7 (voorheen 2.4) is geregeld dat bij algemene maatregel van bestuur de gevallen waarin de eigen bijdrage in de forensische zorg wordt geheven, is de tweede volzin overbodig geworden. Deze delegatiemogelijkheid is soortgelijk aan die in de AWBZ.

J tot en met M

In de nota van wijziging is artikel 7:13A ingevoegd en is de forensische zorg onder het bereik van de Wet marktordening gezondheidszorg gebracht. De NZa zal onder andere de prestatiebebeschrijvingen vaststelleen, net als in de reguliere zorg. Daarmee is een regeling van de bekostiging in hoofdstuk 4 overbodig geworden. De titel van het hoofdstuk is aangepast, artikel 4.2 vervalt en de delegatiebepaling is eveneens aanpast aan dit gegeven.

N

In het nieuwe vierde lid van artikel 5.1 wordt een regeling getroffen voor de situatie dat de rechter zonder indicatiestelling forensische zorg oplegt, in het geval dat pas op de zitting duidelijk wordt dat forensische zorg nodig is en ook welke forensische zorg nodig is. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als ter zitting blijkt dat betrokkene al in zorg is of is geweest, bij lichte strafrechtelijke delicten of lichtere vormen van forensische zorg. Hiermee wordt vertraging in de procedure voorkomen,. De rechter hoeft daarmee niet te wachten op een indicatiestelling, als er op de zitting duidelijkheid bestaat over de forensische zorgverlening. In dat geval wordt na het vonnis van de rechter door de minister een indicatiestelling gelast ten behoeve van het plaatsingsbesluit. Het bepaalde in het eerste en tweede lid, blijft het uitgangspunt bij de oplegging van de forensische zorg.

Y

Het in de eerste nota van wijziging voorgestelde artikel 7.1, onderdeel F, tweede lid, dat een nieuw zesde lid aan artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht toevoegde, biedt de mogelijkheid aan de rechter om bestaande medische gegevens te gebruiken bij een weigerachtige observant. Dat artikel kent de volgende inhoud.

Allereerst moet er sprake zijn van een observant die weigert om mee te werken aan de rapportage. In een deel van de gevallen is dit voor de rapporteurs geen beletsel om tot een rapportage over de weigering te komen, waarin ook inhoudelijke informatie is opgenomen over de geestestoestand van betrokkene. De rapporteurs baseren zich dan bijvoorbeeld op hun observaties van het gedrag van betrokkene, aangevuld met informatie uit eerdere rapportages of adviezen die bij justitie beschikbaar zijn, of als betrokkene daarmee instemt met informatie uit bestaande medische dossiers. Een probleem doet zich voor als het niet lukt om te rapporteren over de geestestoestand van betrokkene, omdat betrokkene weigert mee te werken aan enig onderzoek en ook niet toestaat dat inzage wordt verleend in bestaande medische dossiers, die mogelijk aanvullende informatie kunnen bevatten om tot een advies met betrekking tot de geestestoestand van betrokkene (de aanwezigheid van een psychische stoornis) te komen. In het voorgestelde zesde lid (oud) wordt vervolgens geregeld dat indien geen medewerking wordt verleend, de officier van justitie een vordering kan doen bij de rechter, tot gebruik van die gegevens. De officier van justitie moet dan aantonen dat de gegevens beschikbaar zijn en aannemelijk maken dat deze relevant zijn voor de rapportage of advisering. De rechter kan dan gelasten dat de gegevens worden verstrekt en hieraan voorwaarden stellen.

Door middel van deze nota van wijziging wordt deze procedure aangepast en wordt een multidisciplinaire commissie geïntroduceerd, die een belangrijke rol krijgt in de beoordeling van de relevantie van bestaande persoonsgegevens over de gezondheid van betrokkene bij de beoordeling van de geestestoestand van de betrokkene (aanwezigheid van een psychische stoornis) bij het begaan van het feit of het gevaar. In deze commissie zullen een tweetal artsen en een gedragsdeskundige (psycholoog) zitting hebben. Onder de artsen bevindt zich tenminste één gedragskundige. In de situatie dat de rapporteurs niet tot een advies over de geestestoestand of het gevaar kunnen komen vanwege een weigerende observant (en deze observant tevens weigert bestaande gegevens over te leggen of aan die overlegging mee te werken) kan de officier van justitie de commissie gelasten een advies te geven over het bestaan en de bruikbaarheid van bestaande gegevens, welke van belang zijn voor de vaststelling van de geestestoestand van betrokkene (aanwezigheid van een psychische stoornis) dan wel of er sprake is van gevaar. Het gaat dan om beschikbare medische gegegevens, waarbij betrokkene zich verzet tegen verstrekking. De officier van justitie doet mededeling van zijn last aan de verdachte of diens wettelijke vertegenwoordiger.

De artsen uit de commissie gaan na of dergelijke gegevens er zijn, en indien aanwezig betrekken zij de gegevens van andere artsen, nemen daarvan kennis en geven een advies over de bruikbaarheid ervan voor een rapportage of advies aan de rechter. De commissie stelt een advies op voor de officier van justitie.

Op basis van het advies van de commissie kan de officier van justitie bij de rechter-commissaris een machtiging vragen voor gebruik van de gegevens ten behoeve van de rapportage van de rapporteurs of het alternatieve rapport of advies. Zowel de officier van justitie als de rechter-commissaris nemen kennis van het beargumenteerde advies over de bruikbaarheid van de gegevens voor de rapportage of het advies. In het advies zal de commissie aangeven waarom zij van oordeel zijn dat de bekende persoonsgegevens over de gezondheid van betrokkene al dan niet bruikbaar zijn voor de beoordeling van de aanwezigheid van een psychische stoornis bij betrokkene bij het begaan van het feit of het gevaar. Het zal afhankelijk zijn van de psychische stoornis of al dan niet oudere gegevens daarvoor bruikbaar zijn. De officier van justitie neemt geen kennis van de onderliggende medische gegevens. De rechter-commissaris kan indien hij dat nodig oordeelt om tot een juiste beslissing te komen de voorzitter van de commissie nadere vragen stellen over de inhoud van de persoonsgegevens. Immers, de rechter-commissaris beslist, op vordering van de officier van justitie, over de gebruikmaking van de gegevens door de rapporteurs (van het NIFP) of voor het gebruik voor een ander advies of rapport. Indien de rechter-commissaris besluit dat de medische gegevens kunnen worden vrijgegeven ten behoeve van de rapportage of het alternatieve rapport of advies, worden de gegevens door de voorzitter van de commissie ter beschikking gesteld aan de rapporteurs van het NIFP en de alternatieve rapporteurs/adviseurs. Na verwerking ervan in een rapport of advies kunnen de officier van justitie en de rechter, die de zaak behandeld, van die gegevens kennis nemen. Betrokkene krijgt kennis van het advies van de commissie, als de officier van justitie een last voor een schriftelijke machtiging bij de rechter-commissaris indient. Voor de medische gegevens kan hij zich wenden tot de arts.

De officier van justitie doet mededeling aan de verdachte of diens wettelijke vertegenwoordiger en aan de commissie als hij geen schriftelijke machtiging vordert. Aan de mededeling van de officier van justitie aan de commissie dat hij geen vordering doet, is de verplichting gekoppeld voor de commissie om de persoonsgegevens over de gezondheid van betrokkene welke zij onder zich hebben, binnen negentig dagen te vernietigen. Deze vernietiging van gegevens bij de commissie dient ook plaats te vinden na een onherroepelijke afwijzende beslissing van de rechter-commissaris. In de overige gevallen vindt doorzending plaats aan de rapporteurs/adviseurs.

De rechter-commissaris hoort de verdachte of diens wettelijke vertegenwoordiger en stelt hem in kennis van zijn beslissing. Tegen de beslissing kan de verdachte en het openbaar ministerie op grond van artikel 446 van het Wetboek van Strafvordering binnen veertien dagen hoger beroep in stellen. Daartoe zijn de artikelen 446 tot en met 448 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing verklaard. Anders dan het College adviseerde, is er niet voor gekozen de procedure op te nemen in het Wetboek van Strafvordering, omdat de procedure voor de rapportage in het kader van een tbs van oudsher is opgenomen in het Wetboek van Strafrecht en zich beperkt tot de vaststelling van een psychische stoornis tbs in het kader van de oplegging daarvan.

Het horen van de verdachte of diens wettelijke vertegenwoordiger stelt de rechter-commissaris in staat om de opvatting van de verdachte te vernemen over het gebruik van bestaande medische gegevens. Het horen geeft uitdrukking aan de positie van de rechter-commissaris. Niettegenstaande het advies van de commissie en de vordering van de officier van justitie, moet de rechter-commissaris namelijk een eigen afweging maken, waarbij het belang van de verdachte wordt betrokken. Dit geldt zowel bij een positief advies als bij een negatief advies van de commissie. Het is namelijk ook denkbaar dat de commissie een negatief advies geeft, en dat de officier van justitie om redenen van maatschappelijk belang toch een vordering instelt. De officier van justitie zal dan zeer zwaarwegende argumenten moeten inbrengen. Door het horen wordt de rechter-commissaris in staat gesteld om de beweegredenen van de verdachte te onderzoeken. De rechter-commissaris kan ook de voorzitter van de commissie horen voor een nadere uiteenzetting over het advies en de persoonsgegevens.

In het negende lid is een delegatiebepaling opgenomen voor de werkwijze, de besluitvormingsprocedure, de gegevens die het advies opgenomen worden en de geheimhouding van de leden van de commissie ten aanzien van de medische gegevens. Het advies zal niet de medische gegevens bevatten, maar informatie geven over de vraag of er gegevens zijn die van belang zijn voor het kunnen vaststellen van een psychische stoornis. Daarbij dient te worden vermeld bij welke soort arts (bijvoorbeeld huisarts of psychiater) de gegevens zijn betrokken. De leden van de commissie zijn gehouden tot geheimhouding. Met uitzondering van de voorzitter, voor zover die door de rechter-commissaris wordt gehoord of indien na machtiging van de rechter-commissaris de gegevens worden verstrekt aan de rapporteurs of adviseurs.

De onderhavige regeling brengt voor de arts met zich mee dat hij niet gehouden is aan zijn beroepsgeheim of zich kan beroepen op zijn verschoningsrecht in het geval de commissie een verzoek doet tot verstrekking van persoonsgevens. Hij is verplicht de gegevens aan de commissie te verstrekken.De gegevens blijven geheim tot het moment dat de rechter-commissaris een machtiging geeft voor het doorgeleiden van de gegevens naar de rapporteurs. Bij een afwijzende beslissing van de rechter-commissaris worden de gegevens door de commissie vernietigd. Voor het verstrekken van informatie op grond van de onderhavige regeling heeft de arts geen toestemming van zijn client nodig.

In de onderhavige regeling gaat het om informatie die kan bijdragen aan de vaststelling of betrokkene een psychische stoornis heeft die gevaar voor de veiligheid (de gezondheid) van anderen met zich mee brengt. Het gaat uitdrukkelijk om de vaststelling van een psychische stoornis, met het oog op het oplegggen van de maatregel van tbs met dwangverpleging. Er dient sprake te zijn van een delict dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (38e van het Wetboek van Strafrecht), zoals levensdelicten, zware mishandeling en ernstige zedendelicten. In het geval een gevaarzettende psychische stoornis kan worden vastgesteld, kan in het kader van de maatregel van tbs met dwangverpleging behandeling plaatsvinden gericht op het reduceren en weggenemen van het gevaar dat van de stoornis uit gaat, zodat de kans op herhaling wordt teruggedrongen. Het te beschermen belang dat met de onderhavige regeling wordt gediend, is dat van de fysieke en geestelijke gezondheid van mogelijke toekomstige slachtoffers. Het verstrekken van bestaande gegevens kan slechts als een ultimum remedium worden gebruikt, als niet op andere wijze een psychische stoornis kan worden vastgesteld. De regeling is met grote waarborgen omkleed, door de toetsing van de commissie, de rechterlijke toets en het feit dat de gegevens zijn afgeschermd en onder de geheimhouding van de leden van de commissie vallen, totdat de rechter een machtiging geeft. Bij een afwijzende beslissing van de rechter-commissaris worden de gegevens vernietigd.

Met de onderhavige regeling wordt beoogd te voorkomen dat indien er gegevens zijn die kunnen bijdragen aan de vaststelling van een mogelijke psychische stoornis, die gegevens door de rapporteurs kunnen worden gebruikt. In het geval die gegevens niet zouden worden verstrekt, kunnen de rapporteurs geen psychische stoornis vaststellen. In dat geval kan de rechter geen tbs met dwangverpleging opleggen (HR 9 januari 2001, NJ 2001, 112). De consequentie daarvan is dat betrokkene na afloop van de detentie onvoldoende behandeld in de samenleving terugkeert, en mogelijk wederom slachtoffers maakt, met ernstige gezondheidsschade.

De procedure waarbij de commissie betrokken wordt, heeft geen betrekking op rapporten of adviezen die in een eerdere strafzaak tegen betrokkene zijn opgemaakt. Deze rapporten en adviezen kunnen door de rechter en rapporteurs (van het NIFP) worden gebruikt, mits zij toegevoegd zijn aan het strafdossier.

Bij opzet van de procedure en de rol van de rechter-commissaris is acht geslagen op het wetsvoorstel herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken (Kamerstukken I, 2010–2011, 32 468, A). In dit wetsvoorstel is een procedure opgenomen voor het voegen onderscheidenlijk de kennisneming daarvan, welke verloopt via een machtiging van de rechter-commissaris, op vordering van het openbaar ministerie. Ook hierin is de waarborg opgenomen dat de betrokkene wordt gehoord en een kennisgeving ontvangt.

Deze procedure zal worden betrokken bij de evaluatie welke op grond van artikel 8.1 binnen drie jaar na inwerkingtreding van het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer zal worden gezonden.

JJ

Als gevolg van het voorstel van wet tot Wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning in verband met de uitbreiding van gemeentelijke taken op het terrein van de begeleiding en een gewijzigde verdeling van de bestuurlijke verantwoordelijkheid (33 127) wordt de begeleiding overgeheveld van de AWBZ naar de Wet maatschappelijke ondersteuning. Omdat deze zorgvorm ook als forensische zorg wordt verleend en gefinancierd is in de omschrijving van de forensische zorg, in artikel 1.1, tweede lid, begeleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder j, van de Wet maatschappelijke ondersteuning aan het forensische zorgbegrip toegevoegd. In artikel 2.3, tweede lid, dat gaat over de zorgcontinuiteit is eveneens de Wet maatschappelijke ondersteuning toegevoegd, voor het geval verdere zorg (waaronder begeleiding) krachtens deze wet nodig is.

KK

De inwerkingtredingsbepaling is aangepast. Gelet op de samenloop met een aantal wetsvoorstellen is gekozen voor een inwerkingstredingsbepaling die de mogelijkheid openlaat dat onderdelen van het wetsvoorstel op een later tijdstip in werking te laten treden.

De overige wijzigingen zijn zuiver redactioneel.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,


X Noot
1

Per jaar betreft dit ongeveer 35 verdachten (Kamerstukken II 2010/11, 29 452, nr. 138, p. 6).

X Noot
2

Naast de andere voorwaarden die artikel 37a Wetboek van Strafrecht (Sr) stelt.

X Noot
3

Deze nota van wijziging is niet ter advisering aan de Afdeling advisering voorgelegd.

X Noot
4

De thans voorgestelde regeling maakte geen onderdeel uit van het wetvoorstel forensische zorg zoals dat in juni 2010 bij de Tweede Kamer is ingediend. De in dat wetvoorstel opgenomen wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht waren van technische aard.

X Noot
5

De commissie bestaat uit twee artsen, onder wie een psychiater, die tevens de voorzitter is, een gedragskundige en twee juristen.

X Noot
6

Voorgesteld artikel Y, dat artikel 37a Wetboek van Strafrecht wijzigt.

X Noot
7

De geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht van artsen vormen samen het beroepsgeheim en zijn bedoeld om de toegang tot de gezondheidszorg en de privacy van patiëntengegevens te beschermen. De geheimhoudingsplicht houdt in dat de hulpverlener aan anderen geen inlichtingen verstrekt over de patiënt zonder toestemming van de patiënt.

X Noot
8

Daarnaast is doorbreking mogelijk bij toestemming van de patiënt (of diens nabestaanden) voor het verstrekken van gegevens en bij een conflict van plichten. In het belang van waarheidsvinding in het strafrecht zijn volgens wet en rechtspraak de twee navolgende extra uitzonderingen mogelijk: bij een zwaarwegend belang en in zeer uitzonderlijke omstandigheden. HR 26 mei 2009, LJN BG5979.

X Noot
9

Artikel 53, derde lid, van de Wet op de jeugdzorg. Het gaat hier om een meldrecht inzake kindermishandeling. Voorts bevat het wetsvoorstel verplichte meldcode huiselijk geweld en mishandeling (Kamerstukken 33 062) en de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg meldingsplichten die het beroepsgeheim doorbreken.

X Noot
10

Wet Publieke Gezondheid.

X Noot
11

Toelichting op artikel Y.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl