Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 20 december 2011, nr. AT-EL&I/6621235, tot wijziging van de Regeling gebruik van frequentieruimte zonder vergunning 2008 in verband met de implementatie van twee besluiten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en het vergunningvrij maken van het gebruik van grond- en muur penetrerende radar

De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

Gelet op artikel 3.4, eerste lid, onderdeel a, van de Telecommunicatiewet, alsmede artikel 18 van het Frequentiebesluit en het besluit nr. 2010/166/EU van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 19 maart 2010 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden inzake het gebruik van radiospectrum voor mobiele communicatiediensten aan boord van vaartuigen (MCV-diensten) in de Europese Unie (PbEU L 2010, 72) en het besluit nr. 2010/368/EU van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 30 juni 2010 tot wijziging van beschikking 2006/771/EG inzake de harmonisatie van het radiospectrum voor gebruik door korteafstandsapparatuur (PbEU L 2010, 166);

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling gebruik van frequentieruimte zonder vergunning 2008 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel r door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • s. zeemijl: 1852 meter.

B

Artikel 2, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel f, vervalt: (trunkinginstallatie).

2. Onderdeel k komt als volgt te luiden:

  • k. radiozendapparaten die onderdeel uitmaken van, dan wel bestemd zijn voor aansluiting op, een mobiel elektronisch communicatienetwerk (basisstation) aan boord van vliegtuigen, mits de in bijlage 7 aangegeven frequentiebanden worden gebruikt boven een vlieghoogte van 3000 meter;

3. De onderdelen l tot en met n worden geletterd m tot en met o.

4. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • l. radiozendapparaten die onderdeel uitmaken van, dan wel bestemd zijn voor aansluiting op, een mobiel elektronisch communicatienetwerk (basisstation) aan boord van schepen, mits de in bijlage 7a aangegeven frequentiebanden worden gebruikt met inachtneming van de daarbij behorende gebruiksvoorschriften;

C

In artikel 10 wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel i door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • j. er vinden geen uitzendingen door een maritiem mobiel radiozendapparaat plaats met een onjuiste of misleidende identificatie.

D

Bijlage 1. behorend bij artikel 2, tweede lid, onder c, wordt gewijzigd als volgt:

1. De onderdelen B en C vervallen.

2. Onderdeel D wordt geletterd tot onderdeel B.

E

Bijlage 5. behorend bij artikel 2, tweede lid, onder i, komt te luiden:

BIJLAGE 5. BEHOREND BIJ ARTIKEL 2, TWEEDE LID, ONDER I

(zie voor opmerkingen voor een goed begrip van de tabellen het aanhangsel bij de bijlagen 1 tot en met 9)

Randapparaten, zijnde satellietgrondstations
 

Frequentieband

Vermogen

Kanaalraster

Duty-cycle

A

14,00–14,25 GHz

60 dBW e.i.r.p.1

B

14,25–14,50 GHz2, 3

50 dBW e.i.r.p.4

C

29,50–30,00 GHz

60 dBW e.i.r.p.1

1 Voor het gebruik van satellietgrondstations gelden de volgende reducties in vermogen in relatie met de afstand tot de begrenzing van een luchthaven als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet luchtvaart:

Vermogen

< 34 dBW e.i.r.p

Tot 50 dBW e.i.r.p.

Tot 55,3 dBW e.i.r.p.

Tot 57 dBW e.i.r.p.

Tot 60 dBW e.i.r.p.

Minimum afstand tot de luchthaven

Geen beperking

500 meter

1800 meter

2300 meter

3500 meter

2 De randapparaten mogen uitsluitend gebruikt worden op een afstand van ten minste 500 meter buiten de begrenzing van een luchthaven als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet luchtvaart.

3 Voor randapparaten aan boord van vliegtuigen geldt:

  • dat het gebruik niet is toegestaan tijdens opstijgen, landen en taxiën van het vliegtuig;

  • dat het gebruik aan de gate van de luchthaven is toegestaan.

4 Het maximaal toegestane uitgangsvermogen van het randapparaat is 2 Watt.

F

Bijlage 7. behorend bij artikel 2, eerste lid, onder k, komt te luiden:

BIJLAGE 7. BEHOREND BIJ ARTIKEL 2, TWEEDE LID, ONDER K

Mobiel elektronisch communicatienetwerk aan boord van vliegtuigen (basisstations)
 

Frequentieband

Vermogen

Duty-cycle

A

1805–1880 MHz

B

1710–1785 MHz

G

Tussen bijlage 7 behorend bij artikel 2 , tweede lid, onder k, en bijlage 8. behorend bij artikel 2, tweede lid, onder l, wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

BIJLAGE 7A. BEHOREND BIJ ARTIKEL 2, TWEEDE LID, ONDER L

Radiozendapparaten die onderdeel uitmaken van, dan wel bestemd zijn voor aansluiting op, een mobiel elektronisch communicatienetwerk (basisstation) aan boord van schepen

 

Frequentieband

Vermogen

Additionele voorschriften

Randapparaten:

A

880–915 MHz

5 dBm

Voorschriften voor toegang tot en bezetting van het kanaal:

Om interferentie te onderdrukken moeten technieken worden gebruikt die ten minste evengoed presteren als de volgende onderdrukkingsfactoren gebaseerd op gsm-normen:

– tussen twee en drie zeemijlen van de basislijn, de gevoeligheid van de ontvangstapparatuur en de drempel voor het verbre+7+7ken van de verbinding (ACCMIN(1) en min RXLEV (2)-niveau) van het randapparaat dat gebruikt wordt aan boord van het vaartuig moet gelijk zijn aan of hoger dan – 70 dBm/200 kHz en tussen drie en twaalf zeemijl van de basislijn gelijk aan of hoger dan – 75 dBm/200 kHz;

– in de uplink-richting van het Mobiele Communicatie aan boord van Vaartuigen (MCV)-systeem moet onderbroken zending (3) geactiveerd zijn;

– de timing advance (4)-waarde van het basisstation aan boord van vaartuigen moet op de minimale waarde zijn ingesteld.

(1) ACCMIN (RX_LEV_ACCESS_MIN); zoals beschreven in gsm-norm ETSI TS 144 018.

(2) RXLEV (RXLEV-FULL-SERVING-CELL); zoals beschreven in gsm-norm ETSI TS 148 008.

(3) Onderbroken zending of DTX; zoals beschreven in gsm-norm ETSI TS 148 008.

(4) Timing advance; zoals beschreven in gsm-norm ETSI TS 144 018.

B

1710–1785 MHz

0 dBm

Basisstations.1

C

925–960 MHz

–80 dBm/200 kHz 2, 3

D

1805–1880 MHz

–80 dBm/200 kHz2, 3

1 Basisstations dienen te worden uitgeschakeld op een afstand van minder dan twee zeemijl van de basislijn zoals gedefinieerd in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee.

2 Voor basisstations aan boord van vaartuigen, de maximale vermogensdichtheid gemeten in externe zones van het vaartuig, gecorrigeerd voor een meetantenne met een antennewinst van 0 dBi.

3 In het bereik tussen twee en twaalf zeemijl van de basislijn mogen alleen binnenantenne(s) bij basisstations aan boord van vaartuigen worden gebruikt.

H

Bijlage 8. behorend bij artikel 2, tweede lid, onder l, wordt gewijzigd als volgt:

1. Het opschrift van de bijlage komt te luiden:

BIJLAGE 8. BEHOREND BIJ ARTIKEL 2, TWEEDE LID, ONDER M

2. Categorie 2 komt te luiden:

Categorie 2

Radiozendapparaten bestemd voor spoorweg gerelateerde toepassingen (Automatic Vehicle Identification (AVI))
 

Frequentieband

Vermogen

Kanaalraster

Duty-cycle

A

2446–2454 MHz1

500 mW e.i.r.p.

2

B

27,095 MHz

42 dBµA/m op 10 m afstand

C

984–7484 kHz

9 dBµA/m op 10 m afstand

< 1%

D

7,3–23,0 MHz3

–7 dBµA/m op 10 m afstand

1 Uitzendingen mogen alleen plaatsvinden ter identificatie van een trein.

2 5 kanalen, elk van 1,5 MHz breed, in de frequentieband 2446–2454 MHz.

3 Maximum veldsterkte gespecificeerd in een bandbreedte van 10 kHz, gemiddeld over elke 200 meter van de lus. Zenden is alleen toegestaan als een trein binnen bereik is.

3. Categorie 8 komt te luiden:

Categorie 8

Radiozendapparaten bestemd voor actieve medische implantaten met een extreem laag vermogen

 

Frequentieband

Vermogen

Kanaalraster

Duty-cycle

A

401–402 MHz

25 µW e.r.p.

25 kHz1

2

B

402–405 MHz

25 µW e.r.p.

25 kHz3

C

405–406 MHz

25 µW e.r.p.

25 kHz1

2

D

9–315 kHz

30 dBµA/m op 10 m afstand

< 10%

E

315–600 kHz4

–5 dBµA/m op 10 m afstand

< 10%

F

12,5–20 MHz4

–7 dBµA/m op 10 m afstand

< 10%

G

30,0–37,5 MHz5

1 mW e.r.p.

< 10%

1 Individuele zenders kunnen aangrenzende kanalen combineren voor meer bandbreedte tot ten hoogste 100 kHz.

2 Technieken om toegang te krijgen tot spectrum en om interferentie te onderdrukken met een vermogen dat ten minste equivalent is aan dat van de technieken die zijn beschreven in de geharmoniseerde normen welke zijn vastgesteld in het kader van richtlijn nr. 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit (PbEG L 91) zijn verplicht. Eventueel kan ook een maximale duty cycle van 0,1% worden gebruikt.

3 Individuele zenders kunnen aangrenzende kanalen combineren voor meer bandbreedte tot ten hoogste 300 kHz. Andere technieken om toegang te krijgen tot spectrum of om interferentie te onderdrukken, met inbegrip van bandbreedtes van meer dan 300kHz, kunnen worden gebruikt mits zij een vermogen hebben dat ten minste equivalent is aan dat van de technieken die zijn beschreven in de geharmoniseerde normen welke zijn vastgesteld in het kader van richtlijn nr. 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit (PbEG L 91) zodat deze verenigbaar zijn met andere gebruikers en met name met meteorologische radiosondes

4 Deze frequentieband is alleen bestemd voor dier-implantaten.

5 Deze frequentieband is bestemd voor medische implantaten om de bloeddruk te meten.

4. In categorie 11 worden de volgende wijzigingen aangebracht;

a. In de tabel: ‘Radiozendapparaten bestemd voor laagvermogen draadloze audioverbindingen’ wordt in onderdeel D ‘630–637’vervangen door: 614–637.

b. De tabel ‘Microfonen voor hulpbehoevende’, komt te luiden als volgt:

 

Frequentieband

Vermogen

Kanaalbreedte

Duty-cycle

F

173,05–175,05 MHz

2 mW e.r.p.

50 kHz

G

169,4000–169,4750 MHz

500 mW e.r.p.

Max. 50 kHz

H

169,4875–169,5875 MHz

500 mW e.r.p.

Max. 50 kHz

5. Categorie 13 komt te luiden:

Categorie 13

Radiozendapparaten bestemd voor inductieve systemen
 

Frequentieband

Vermogen

Antenne

Kanaalraster

Duty-cycle

A

9–90 kHz

72 dBµA/m op 10 m afstand1

B

90–119 kHz

42 dBµA/m op 10 m afstand1

C

119–135 kHz

66 dBµA/m op 10 m afstand1

D

135–140 kHz

42 dBµA/m op 10 m afstand

E

140–148,5 kHz

37,7 dBµA/m op 10 m afstand

F1

6615–6765 kHz

9 dBµA/m op 10 m afstand

F2

6765–6795 kHz

42 dBµA/m op 10 m afstand

F3

6795–6945 kHz

9 dBµA/m op 10 m afstand

G

7400–8800 kHz

9 dBµA/m op 10 m afstand

H1

13,403–13,553 MHz

9 dBµA/m op 10 m afstand

H2

13,553–13,567 MHz

42 dBµA/m op 10 m afstand

H3

13,553–13,567 MHz2

60 dBµA/m op 10 m afstand

H4

13,567–13,712 MHz

9 dBµA/m op 10 m afstand

I

26,957–27,283 MHz

42 dBµA/m op 10 m afstand

J

10,2–11 MHz

9 dBµA/m op 10 m afstand

K

3155–3400 kHz

13,5 dBµA/m op 10 m afstand

L

148,5–5000 kHz

–15 dBµA/m per 10 kHz op 10 m afstand3

M

5–30 MHz

–20 dBµA/m per 10 kHz op 10 m afstand3

N

400–600 kHz2

–8 dBµA/m per 10 kHz op 10 m afstand

1 Het vermogen moet worden gereduceerd tot 42 dBµA/m op 10 meter afstand van het radiozendapparaat op de volgende frequenties:

Frequentie

60 kHz +/– 250 Hz

66,6 kHz +/– 750 Hz

75 kHz +/– 250 Hz

77,5 kHz +/– 250 Hz

129,1 kHz +/– 500 Hz

2 Alleen voor identificatie toepassingen (RFID en anti-diefstal systemen).

3 De maximaal toelaatbare veldsterkte voor toepassingen met een bandbreedte groter dan 10 kHz is –5 dBµA/m op een afstand van 10 meter van het radiozendapparaat.

I

Bijlage 9. behorend bij artikel 2, eerste lid, onder m, wordt gewijzigd als volgt:

1. Het opschrift van de bijlage komt te luiden:

BIJLAGE 9. BEHOREND BIJ ARTIKEL 2, TWEEDE LID, ONDER N.

2. Na onderdeel 2.2. wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

2.3. Grond- en muur penetrerende radar1

Het uitgestraalde vermogen is gelijk aan het in de lucht uitgestraalde vermogen als gevolg van de door de apparatuur uitgezonden signalen die niet werden geabsorbeerd door het bestudeerde materiaal.

Frequentieband

Maximale gemiddelde e.i.r.p.-dichtheid

Onder 230 MHz

– 65,0 dBm/MHz

230 tot 1 000 MHz

– 60,0 dBm/MHz

1 000 tot 1 600 MHz

– 65,0 dBm/MHz

1 600 tot 3 400 MHz

– 51,3 dBm/MHz

3 400 tot 5 000 MHz

– 41,3 dBm/MHz

5 000 tot 6 000 MHz

– 51,3 dBm/MHz

Boven 6 000 MHz

– 65,0 dBm/MHz

1 GPR / WPR beeldvormende systemen worden als volgt gedefinieerd:

  • Bodemradar (GPR) beeldvormend systeem. Een veldverstoringsensor die is ontworpen om alleen te werken wanneer ze in contact is met, of binnen een meter van de grond, voor de opsporing van of het verkrijgen van de beelden van begraven voorwerpen of het bepalen van de fysische eigenschappen in de grond. De energie van de GPR is met opzet naar beneden in de grond gericht voor dit doel.

  • Muur indringende radar (WPR) beeldvormend systeem. Een veld verstoring sensor die is ontworpen om de locatie van objecten binnen een ‘muur’ op te sporen of om de fysieke eigenschappen te bepalen binnen de ‘muur’. De ‘muur’ is een betonnen structuur, de zijkant van een brug, de muur van een mijn of een andere fysieke structuur die massief en dik genoeg is om het grootste deel van het signaal dat door de radar wordt uitgezonden te absorberen.

2 Er geldt een aanvullende beperking van de maximale gemiddelde e.i.r.p.-dichtheid van –75dBm/kHz in geval er sprake is van spectraallijnen in de frequentiebanden tussen 1164 en 1215 MHz en tussen 1559 en 1610 MHz.

J

Bijlage 10. Radiozendamateurs, komt te luiden:

BIJLAGE 10. RADIOZENDAMATEURS

Beperkingen en voorschriften als bedoeld in artikel 8, onder a, en examenvereiste als bedoeld in artikel 5, tweede lid

Categorie registratie2

Toegestane zendvermogen in watt (PEP)1

Frequentiebanden in MHz

Bijzondere bepalingen3

F

400

0,1357

0,1378

Alleen de klasse A1A

100

0,501

0,505

Alleen A1A, F1A, G1A, J2A; contesten zijn niet toegestaan.

400

1,81

1,85

 

400

1,85

1,88

 

400

3,5

3,8

 

400

7,0

7,1

 

250

7,1

7,2

 

400

10,1

10,15

Alleen A1A, F1A, G1A, J2A; contesten zijn niet toegestaan

400

10,14

10,15

Data, bandbreedte max, 500 Hz

400

14,0

14,35

 

400

18,068

18,168

 

400

21,0

21,45

 

400

24,89

24,99

 

400

28,0

29,7

 

120

50,0

50,45

Alleen A1A en J3E

30

50,0

50,45

 

30

50,45

52,0

Crossband- en duplexverbindingen zijn niet toegestaan

50

70,0

70,5

Crossband- en duplexverbindingen zijn niet toegestaan.

400

144,0

146,0

 

400

430,0

436,0

 

400

436,0

440,0

 
 

120

1240,0

1300,0

 

120

2320,0

2400,0

 

120

2400,0

2450,0

Uitsluitend satellietverkeer (aarde naar ruimte)

120

3400,0

3410,0

 

120

5650,0

5850,0

 

120

10000,0

10500,0

 

120

24000,0

24050,0

 
 

120

24050,0

24250,0

 

120

47000,0

47200,0

 

120

75500,0

76000,0

 

120

76000,0

77500,0

 

120

77500,0

78000,0

 

120

78000,0

81500,0

 
 

120

122250,0

123000,0

 

120

134000,0

136000,0

 

120

136000,0

141000,0

 

120

241000,0

248000,0

 

120

248000,0

250000,0

 

N

25

7,050

7,1

 

25

14,0

14,25

 

25

28,0

29,7

 

25

144,0

146,0

 

25

430,0

436,0

 

25

436,0

440,0

 

1 zendvermogen: het door de direct met de antenne-inrichting te koppelen trap van het radiozendapparaat afgegeven gemiddeld vermogen, gerekend over één periode van de hoogfrequente uitgangswissel-spanning tijdens het maximum van de omhullende (Peak Envelope Power);

2 Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Examenregeling frequentiegebruik worden de examens voor radiozendamateurs onderscheiden in twee categorieën, radiotechniek en voorschriften I, en radiotechniek en voorschriften II. Het met een goed gevolg afgelegd hebben van examen I is vereist voor volledige toegang van de voor radiozendamateurs beschikbare frequentieruimte.

Radiozendamateurs die examen II met goed gevolg hebben afgelegd kunnen slechts frequentieruimte gebruiken onder de in de tabel vermelde beperkingen. Een registratie met volledige toegang wordt aangemerkt als F (full), terwijl een registratie met beperkte toegang wordt aangemerkt als N (novice). Degene aan wie in het verleden een zogenaamde A- of C-vergunning was verleend, had dezelfde rechten als vergunninghouders van de categorie F en zal derhalve thans, bij de omzetting van vergunningen in registraties, een F-registratie verkrijgen.

3 De gebruiker van een zelfgebouwd radiozendapparaat voorkomt dat een vermogen wordt geproduceerd dat de onderstaande limieten overschrijdt voor de onderdrukking van ongewenste hoogfrequente uitstralingen.

Limieten zelfgebouwde amateurapparatuur
Tabel 1: Antenne-uitgangslimieten in zendmode

Frequentieband

Limieten (de hoogste waarde is van toepassing)

Opmerkingen

0,15 MHz tot 1,7 MHz

– 36 dBm of – 60 dBc

 

1,7 MHz tot 35 MHz

– 36 dBm of – 40 dBc

 

35 MHz tot 50 MHz

– 40 tot – 60 dBc of – 36dBm De hoogste waarde is van toepassing

(opmerking 1)

50 MHz tot 1 000 MHz

– 36 dBm of – 60 dBc De hoogste waarde is van toepassing

 

1 000 MHz tot 40 GHz

–30 dBm of – 50 dBc De hoogste waarde is van toepassing

 

Opmerking 1: De limiet in dBc neemt lineair af met de logaritme van de frequentie in het bereik van 35 MHz tot 50 MHz.

Voor de limieten aangegeven in dBc geldt dat het referentieniveau het maximale RF-outputsignaal in PEP van de zender is, gemeten aan de antenne-uitgang.

Tabel 2: Antenne-uitgangslimieten in ontvangst- of zendstandbymode

Frequentieband

Limieten (de hoogste waarde is van toepassing)

Opmerkingen

0,15 MHz tot 1 000 MHz

–57 dBm

 

1 000 MHz tot 40 GHz

–47 dBm

 

Voor metingen aan frequenties hoger dan 40 GHz zijn geen testlimieten vastgesteld.

Begrippen:

PEP is het daadwerkelijke toegepaste zendvermogen;

Ongewenste hoogfrequente uitstralingen zijn: alle uitstralingen op andere frequenties dan:

  • a. de zendfrequentie;

  • b. de frequenties die noodzakelijkerwijs in verband met het modulatieproces in beslag worden genomen).

dBc. Decibel ten opzichte van het vermogen van de draaggolf (carrier). dBC of dB(C) betekent ook wel: decibel gewogen met een C-filter.

dBm. Decibel met als referentieniveau 1 milliwatt, gemeten bij een impedantie van 50 ohm.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2012.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 20 december 2011

De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M.J.M. Verhagen.

TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

De onderhavige regeling strekt tot wijziging van de Regeling gebruik van frequentieruimte zonder vergunning 2008 (hierna: de regeling). In de eerste plaats worden met de onderhavige wijzigingsregeling een tweetal besluiten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen geïmplementeerd.

In de tweede plaats wordt het gebruik van de toepassing ‘bodemradar en muurradar’ vergunningvrij toegestaan en worden de technische parameters van een aantal toepassingen verruimd en geharmoniseerd binnen Europa. In de derde plaats worden er twee frequentiebanden beschikbaar gesteld aan de amateur radiodienst. De laatste twee wijzigingen worden toegelicht in de artikelswijze toelichting.

2. Implementatie beschikkingen Commissie

Met de regeling wordt het Besluit 2010/166/EU van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 19 maart 2010 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden inzake het gebruik van radiospectrum voor mobiele communicatiediensten aan boord van vaartuigen (MCV-diensten) in de Europese Unie (PbEU L72/38) (hierna: besluit nr. 2010/166/EU), volledig geïmplementeerd. Besluit nr. 2010/166/EU heeft tot doel de voorwaarden voor de beschikbaarheid van frequentieruimte voor mobiele communicatiediensten aan boord van schepen in de Gemeenschap te harmoniseren. Het Nationaal Frequentieplan 2005 (hierna: NFP 2005) zal worden gewijzigd, in deze wijziging wordt bepaald dat ten aanzien van de betroffen frequentiebanden voor het gebruik van basisstations aan boord van schepen geen vergunning vereist is. In de wijziging van het NFP 2005 zal worden opgenomen dat onderdelen die samenhangen met de wijziging van de regeling pas in werking treden na inwerkingtreding van de wijziging van de regeling. Ten gevolge hiervan zijn de normen die in besluit nr. 2010/166/EU ten aanzien van het gebruik van basisstations aan boord van schepen zijn gesteld nu in de regeling opgenomen.

Voorts strekt de onderhavige wijzigingsregeling tot de volledige implementatie van Besluit 2010/368/EU van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 30 juni 2010 tot wijziging van Beschikking 2006/771/EG inzake de harmonisatie van het radiospectrum voor gebruik door korteafstandsapparatuur (PbEU L166/33) (hierna: besluit nr. 2010/368/EU). Het gaat hierbij om een ‘restonderdeel’ van besluit nr. 2010/368/EU. De overige onderdelen zijn al door middel van een eerdere wijziging van de Regeling geïmplementeerd, omdat voor die onderdelen geen wijziging van het NFP 2005 nodig was. Met de implementatie van dit laatste onderdeel wordt extra frequentieruimte beschikbaar gesteld voor actieve medische implantaten.

3. Notificatie

Deze wijzigingsregeling is op 8 augustus 2011 voorgelegd aan de Europese Commissie in verband met Richtlijn nr. 1998/34/EG betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L204; Notificatierichtlijn) zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L217). Deze notificatie heeft nummer 2011/0424/NL gekregen.

4. Administratieve lasten

Deze wijziging heeft geen gevolgen voor administratieve lasten of andere vormen van regeldruk.

5. Vaste verandermomenten

Ten aanzien van het beleid met betrekking tot de vaste verandermomenten zij er op gewezen dat hiervan wordt afgeweken, omdat met deze regeling bindende Europese regelgeving wordt geïmplementeerd. In het beleid is hiervoor een speciale uitzonderingsgrond opgenomen. De regeling treedt in werking op 1 januari 2012.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

In de lijst met definitiebepalingen wordt aangegeven wat wordt verstaan onder een zeemijl.

Onderdeel B

Door het begrip ‘trunkinginstallatie’ te verwijderen, wordt het mogelijk om ook randapparaten die onder controle staan van een netwerk met dynamische frequentietoewijzing, waar bij het betreffende netwerk geen trunkinginstallatie is, vergunningvrij te kunnen gebruiken. Hiermee wordt een einde gemaakt aan een technische inperking die niet meer in overeenstemming is met de huidige technische mogelijkheden van netwerken met dynamische frequentietoewijzing en wordt verder invulling gegeven aan het streven om frequentiegebruik technologieneutraal te maken.

Aan de opsomming van artikel 2 wordt een nieuwe toepassing toegevoegd die vergunningvrij gebruikt mag worden. De toelichting hierop volgt bij onderdeel G.

Onderdeel C

Aan artikel 10 wordt een voorschrift toegevoegd waaraan voldaan moet worden bij gebruik van frequentieruimte met de bestemming ‘maritiem mobiele communicatie’ aan boord van een schip. Op grond van artikel 19 van het Radioreglement bestaat de toegevoegde verplichting reeds. Deze wordt nu in de nationale regelgeving opgenomen om beter handhaafbaar te maken.

Onderdeel D

Sinds 31 december 2008 is het gebruik van twee soorten koordloze telefoons niet meer toegestaan. De vermelding van de daarmee corresponderende frequentiebanden in deze regeling is daarmee overbodig geworden en zij worden daarom verwijderd uit Bijlage 1 van de Regeling.

Onderdeel E

Door deze wijziging van Bijlage 5 wordt het gebruik van enkele satelliet uplink-frequenties geharmoniseerd met de gebruiksvoorwaarden in Europa. Op voorwaarde dat er voldoende afstand met luchthavens bestaat, mag nu meer vermogen worden gebruikt dan tot dusverre was toegestaan.

Onderdeel F

Het doel van de wijziging van Bijlage 7 is om het gebruik van mobiele communicatieapparatuur aan boord van vliegtuigen te verruimen. Dit gebruik was beperkt tot GSM en wordt nu technologieneutraal geformuleerd.

Onderdeel G

Door het invoegen van Bijlage 7A wordt het gebruik van mobiele communicatiediensten aan boord van schepen geregeld. Hiermee wordt de implementatie van Beschikking nr. 2010/166/EU gerealiseerd.

Deze wijziging is met name van belang voor passagiers aan boord van cruiseschepen. Door deze wijziging kunnen passagiers aan boord van cruiseschepen gebruik maken van hun eigen mobiele telefoon. Voorwaarde is wel dat het (cruise)schip ten minste 2 zeemijl is verwijderd van de basislijn zoals gedefinieerd in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van zee.

Onderdeel H

De aanpassing van categorie 2 in bijlage 8 dient om het gebruik van Automatische Vehicle Identification (AVI) voor spoorvoertuigen in Nederland in overeenstemming te brengen met aanbeveling ERC/REC 70-03 van het Europese radio comité (ERC). Daarnaast worden in categorie 8 van bijlage 8 ter implementatie van Besluit nr. 2010/368/EU actieve medische implantaten in de frequentieband 401–402 MHz vergunningvrij gebruik van die implantaten geregeld. Verder wordt categorie 11 van bijlage 8 die over gehoorapparaten gaat aangepast. Om innovatie en efficiënt spectrumgebruik mogelijk te maken, wordt nu alleen de maximale bandbreedte vermeld en is er geen sprake meer van vaste bandbreedtes. In categorie 13 van bijlage 8 wordt het toegestane vermogen voor inductieve toepassingen aangepast. Door deze wijzigingsaanpassing worden minder stringente limieten opgelegd aan dit frequentiegebruik. In voetnoot 1 bij de tabel onder categorie 13 zijn aanvullende eisen opgenomen ter bescherming van stations die tijdseinen uitzenden: dat wil zeggen stations die aan horloges en klokken radiografisch de juiste tijd doorgeven.

Onderdeel I

In bijlage 9 worden twee nieuwe soorten ultra Wide band-toepassingen geïntroduceerd. De grond penetrerende radar wordt vooral gebruikt voor milieuonderzoek en archeologisch onderzoek van de bodem. De muur penetrerende radar wordt gebruikt om de constructie van muren te kunnen controleren en eventuele zwakke punten, bewapening en leidingen in de muur te kunnen opsporen.

Onderdeel J

De aanpassing van bijlage 10 behelst het voorzien in de gebruiksvoorwaarden voor de amateurdienst op secundaire basis. Twee banden worden aan de amateurdienst toegevoegd en enkele redactionele aanpassing vinden plaats.

De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M.J.M. Verhagen.

Naar boven