Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2010, 4981Besluiten van algemene strekking

Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 maart 2010, nr. PLW/2010/5453, houdende een nadere beschrijving van de wijze waarop en de voorwaarden waaronder EVC-verklaringen worden afgegeven (Beleidsregel afgifte EVC-verklaringen)

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

a. Minister:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

b. EVC:

Erkenning Verworven Competenties;

c. EVC-aanbieder:

een organisatie die volgens de principes en uitgangspunten van de Kwaliteitscode EVC EVC-procedures aanbiedt en als zodanig is opgenomen in het register van erkende EVC-aanbieders;

d. EVC-standaard:

landelijk erkend profiel dat de EVC-aanbieder in zijn EVC-procedure als beoordelingskader gebruikt;

e. Ervaringscertificaat:

het document waarin het resultaat van het EVC-onderzoek aan de hand van een EVC-standaard van een individu in een EVC-procedure is beschreven;

f. EVC-verklaring:

de aanwijzing, bedoeld in artikel 40a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, artikel 28 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 en artikel 12bb van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering;

g. EVC-procedure:

de door de EVC-aanbieder geprogrammeerde processtappen, instrumenten en werkwijzen voor, tijdens en na een EVC-onderzoek, om conform de eisen in de normtekst bij de Kwaliteitscode EVC te handelen;

h. Kwaliteitscode EVC:

code waarin de principes en uitgangspunten voor de kwaliteit van EVC-procedures zijn vastgelegd;

i. Normtekst:

vertaling van de in de Kwaliteitscode EVC geformuleerde richtlijnen naar een instrument waarin de criteria voor de beoordeling van EVC-procedures bij EVC-standaarden expliciet en meetbaar zijn geformuleerd;

j. Beoordelende organisatie:

de organisatie die de kwaliteit van een EVC-aanbieder, diens EVC-procedures de uitvoering daarvan en ervaringscertificaten beoordeelt.

Artikel 2. Reikwijdte

Deze beleidsregel heeft betrekking op de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de Minister EVC-verklaringen afgeeft.

Artikel 3. EVC-register

De Minister draagt er zorg voor dat alle afgegeven EVC-verklaringen worden bijgehouden in een register.

Artikel 4. Procedure van afgifte EVC-verklaring

  • 1. De Minister geeft een EVC-verklaring niet af dan nadat ten minste is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a. het verzoek is schriftelijk ingediend;

    • b. het verzoek bevat de aanduiding van de EVC-standaard(en) waarvoor de verklaring wordt gevraagd en de naam van de beoogde EVC-aanbieder;

    • c. het verzoek gaat vergezeld van een schriftelijk beoordelingsrapport van een beoordelende organisatie, en

    • d. de EVC-aanbieder voldoet aan alle onderdelen van de normtekst (zie bijlage 1).

  • 2. Indien de EVC-verklaring betrekking heeft op activiteiten die behoren tot het domein landbouw en natuurlijke omgeving vindt tevens afstemming plaats tussen de Minister en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit alvorens de verklaring wordt afgegeven.

Artikel 5. Besluit tot afgifte EVC-verklaring

  • 1. Het besluit tot afgifte van een EVC-verklaring bevat een aanduiding van de EVC-standaard waarop de verklaring betrekking heeft en de naam van de EVC-aanbieder aan wie de verklaring wordt verstrekt.

  • 2. Het besluit tot afgifte van een EVC-verklaring vervalt drie jaar na de datum waarop het genomen is.

  • 3. Een EVC-aanbieder kan tot uiterlijk twee maanden voor de datum waarop het besluit tot afgifte van een EVC-verklaring vervalt een verzoek tot verlenging indienen.

  • 4. Voor het verzoek, bedoeld in het derde lid, gelden dezelfde procedurele voorwaarden als genoemd in artikel 4.

Artikel 6. Verzoeken die niet voldoen aan alle onderdelen van de normtekst

  • 1. Indien de Minister ten aanzien van een verzoek vaststelt dat niet wordt voldaan aan de normteksten, behorende bij code 1, wijst hij het verzoek af.

  • 2. Indien de Minister ten aanzien van een verzoek vaststelt dat niet wordt voldaan aan alle onderdelen van de normtekst, maar ten minste wordt voldaan aan de onderdelen bij code 1, besluit hij:

    • a. tot afgifte van een voorlopige EVC-verklaring onder de voorwaarde dat binnen een jaar een geheel nieuwe beoordeling plaatsvindt;

    • b. tot afgifte van een EVC-verklaring met een geldigheidsduur van een jaar indien uit de nieuwe beoordeling, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat ten minste wordt voldaan aan de onderdelen 1.1 tot en met 1.3, de onderdelen 3.1, 3.2, 3.3, 3.4, 3.5 en de onderdelen 4.1 tot en met 4.7 van de normtekst, onder de voorwaarde dat er binnen een jaar een gedeeltelijke nieuwe beoordeling plaatsvindt;

    • c. het verzoek om afgifte van een EVC-verklaring af te wijzen indien uit de geheel nieuwe beoordeling, bedoeld in onderdeel a, niet blijkt dat ten minste wordt voldaan aan de onderdelen 1.1 tot en met 1.3, de onderdelen 3.1, 3.2, 3.3, 3.4, 3.5 en de onderdelen 4.1 tot en met 4.7 van de normtekst of uit de nieuwe, gedeeltelijke beoordeling, bedoeld in onderdeel b, niet blijkt dat alsnog is voldaan aan alle onderdelen van de normtekst.

  • 3. Indien de Minister ten aanzien van een verzoek vaststelt dat niet wordt voldaan aan alle onderdelen van de normtekst, maar ten minste wordt voldaan aan de onderdelen 1.1 tot en met 1.3, de onderdelen 3.1, 3.2, 3.3, 3.4, 3.5 en de onderdelen 4.1 tot en met 4.7 van de normtekst, besluit hij tot afgifte van een voorlopige EVC-verklaring onder de voorwaarde dat binnen een jaar een gedeeltelijk nieuwe beoordeling plaatsvindt. Het tweede lid, onderdeel c, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Indien de Minister ten aanzien van een verzoek vaststelt dat nog niet kan worden voldaan aan de Kwaliteitscode EVC omdat er door de aanbieder nog geen ervaringscertificaten zijn uitgereikt voor de betreffende EVC-standaard, geeft de Minister een voorlopige EVC-verklaring af als de EVC-aanbieder voldoet aan alle onderdelen van de normtekst, met uitzondering van de onderdelen 3.9, 4.6 en 5.2, onder de voorwaarde dat binnen een jaar een geheel nieuwe beoordeling plaatsvindt.

    Het tweede lid, onderdelen b en c, is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Een besluit als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, het derde lid, respectievelijk het vierde lid, vervalt een jaar na de datum waarop het is genomen.

  • 6. Indien de in het tweede lid, onderdeel a, het derde lid, respectievelijk het vierde lid bedoelde nieuwe beoordeling leidt tot de conclusie dat het verzoek alsnog voldoet aan de Kwaliteitscode EVC wordt de geldigheidsduur van het besluit met drie jaar verlengd. Artikel 5, derde en vierde lid, is ten aanzien van het verlengde besluit van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7. Wijzigen of intrekken EVC-verklaring

De Minister kan het besluit tot afgifte van een EVC-verklaring wijzigen of intrekken. Dat is in ieder geval mogelijk indien naar zijn oordeel:

  • a. de verstrekte gegevens achteraf zodanig onjuist blijken te zijn dat op het verzoek een ander besluit zou zijn genomen, indien bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;

  • b. het besluit in strijd met wettelijke voorschriften of richtlijnen is genomen, of

  • c. sprake is van verandering van wetgeving, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten.

Artikel 8. Overgangsbepaling

  • 1. Een EVC-verklaring die is afgegeven voor de inwerkingtreding van deze beleidsregel blijft haar waarde behouden tot de in die verklaring aangegeven uiterste termijn.

  • 2. Een ervaringscertificaat dat is uitgegeven door een erkende EVC-aanbieder die zijn verklaring later heeft verloren, blijft zijn waarde en geldigheid behouden.

Artikel 9. Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant.

Artikel 10. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel afgifte EVC-verklaringen.

Artikel 11. Bekendmaking

Deze beleidsregel zal met de bijlage en toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart.

BIJLAGE 1

Deze bijlage behoort bij artikel 4.

Normtekst Kwaliteitscode EVC

Code 1 Doel

Code

 

Normtekst

Het doel van EVC is het zichtbaar maken, waarderen en erkennen van individuele competenties. Het erkennen van verworven competenties heeft een waarde in zichzelf en draagt bij aan employability. EVC leidt in veel gevallen tot verdere loopbaangerelateerde persoonlijke ontwikkeling.

1.1

De EVC-aanbieder richt zijn EVC-procedures in om competenties van kandidaten te beoordelen aan de hand van een landelijke standaard en de erkenning die daarvan het resultaat is te vertalen in een overdraagbaar ErVaringsCertificaat.

1.2

Scholing, certificering en diplomering maken geen deel uit van EVC-procedures.

1.3

De EVC-aanbieder is eindverantwoordelijk voor iedere EVC-procedure waarvoor hij een ErVaringsCertificaat afgeeft, ook als hij (delen van) EVC-procedures inkoopt of uitvoert in samenwerking met andere organisaties of instellingen.

Code 2 Rechten

Code

 

Normtekst

EVC beantwoordt aan de behoefte van het individu. Rechten en afspraken zijn duidelijk verwoord.

2.1

Informatie over EVC-procedures is vastgelegd, voor iedereen toegankelijk en bevat tenminste een beschrijving van de onderdelen van de procedure, de methode van onderzoek, een indicatie van de benodigde investering in tijd en middelen, de maximale doorlooptijd van een EVC-procedure, voorwaarden voor deelname en de rechten van de kandidaat.

 

2.2

De EVC-aanbieder neemt in zijn vastgelegde afspraken met de kandidaat de benodigde investeringen in tijd en middelen, de maximale doorlooptijd van de EVC-procedure, de toe te passen standaard(en) en de doelstelling(en) van de kandidaat op.

 

2.3

Afspraken tussen kandidaat en EVC-aanbieder zijn voor aanvang van een EVC-procedure vastgelegd en door beide partijen ondertekend.

 

2.4

De EVC-aanbieder waarborgt dat iedere kandidaat recht heeft op een afsluitend gesprek en zich kan beroepen op een specifieke en deugdelijke klachtenprocedure.

 

2.5

De EVC-aanbieder rapporteert bevindingen uit een EVC-procedure uitsluitend aan de EVC-kandidaat. Het mede verstrekken van bevindingen of het ErVaringsCertificaat aan derden vindt alleen plaats met schriftelijke toestemming van de kandidaat.

Code 3 Onderzoek

Code

 

Normtekst

Procedure en instrumenten zijn betrouwbaar en gebaseerd op erkende standaarden.

Vertrouwen is het sleutelbegrip. Vertrouwen heeft te maken met civiel effect, goed gedefinieerde standaarden, duidelijke informatie over de manier waarop assessments worden uitgevoerd en op basis van welke argumenten conclusies zijn getrokken.

3.1

Taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van functionarissen binnen de EVC-organisatie zijn vastgelegd, bekend aan alle betrokkenen en functioneel in de praktijk.

3.2

De in de EVC-procedure te hanteren landelijke standaard is een actuele CREBO- of CROHO-standaard of een door het beroepenveld erkende standaard met civiel effect.

3.3

In de EVC-procedure wordt al het bewijs dat een kandidaat aandraagt in behandeling genomen.

3.4

Het in de EVC-procedure gebruikte bewijs voldoet aan vastgelegde criteria betreffende variatie, relevantie, actualiteit, authenticiteit en kwantiteit.

 

3.5

De instrumenten en beoordelingscriteria in een EVC-procedure zijn afgestemd op en dekkend voor de toe te passen landelijke standaard en zijn leerwegonafhankelijk.

 

3.6

De beoordeling bevat waarborgen voor een optimale transparantie, betrouwbaarheid en onafhankelijkheid.

 

3.7

De inhoudelijke afwegingen die deel uitmaken van een beoordeling (zoals de beoordeling van bewijzen en de keuze voor beoordelingsinstrumenten) worden tijdens de EVC-procedure overzichtelijk vastgelegd en blijven daarna gedurende 3 jaar beschikbaar binnen de organisatie van de EVC-aanbieder.

 

3.8

De EVC-aanbieder bewaart gedurende 3 jaar een afschrift van het relevante bewijsmateriaal van de kandidaat op basis waarvan een ErVaringsCertificaat is afgegeven.

 

3.9

Een EVC-procedure resulteert in een ErVaringsCertificaat waarin tenminste zijn opgenomen: de doelstelling van de kandidaat, de toegepaste landelijke standaard, de doorlopen stappen van de EVC-procedure en de daarin gehanteerde instrumenten, de erkende competenties, een duidelijke onderbouwing van deze erkenningen en een conclusie die past bij de doelstelling van de kandidaat. Een onderbouwing van de erkenningen in een ErVaringsCertificaat bevat de volgende drie elementen die leesbaar en begrijpelijk zijn geschreven:

  

a. een specifieke opgave voor welke onderdelen van de gehanteerde landelijke standaard erkenningen worden verstrekt. Deze onderdelen worden apart benoemd (voor mbo-standaarden bijvoorbeeld per deelkwalificatie, kerntaak of werkproces);

  

b. op basis van welke bewijzen erkenning plaatsvindt. Waarmee of hoe toont de kandidaat per onderdeel van de landelijke standaard aan dat hij competent is?

  

c. de relatie tussen a en b: waarom leidt het bewijs dat de kandidaat aandraagt bij de assessor(en) per onderdeel van de landelijke standaard tot de overtuiging dat er reden is voor erkenning?

Code 4 Assessoren en begeleiders

Code

 

Normtekst

Assessoren en begeleiders zijn competent, onafhankelijk en onpartijdig.

Onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn cruciale factoren binnen de beoordeling en zijn ingebed in de rollen en verantwoordelijkheden van de betrokken assessoren. Het is van groot belang om onnodige vermenging van rollen te voorkomen. Onpartijdigheid kan versterkt worden door training en het gebruik van netwerken.

4.1

In de EVC-procedure zijn de rollen van begeleiders en assessoren strikt gescheiden, zowel op papier als in de praktijk.

4.2

Kandidaten worden door een begeleider begeleid bij het inzichtelijk maken van hun competenties.

4.3

De begeleider en de assessoren hebben voldoende vakinhoudelijke kennis van en inzicht in de gehanteerde standaard en de EVC-procedure.

4.4

De begeleider en de assessoren hebben voldoende kennis van en inzicht in de criteria die gelden voor deugdelijk bewijs.

4.5

De assessoren zijn voldoende vaardig in het gebruik van de toegepaste beoordelingsvormen en de bijbehorende instrumenten.

 

4.6

De assessoren dragen bevindingen zowel mondeling als schriftelijk effectief over.

 

4.7

Tussen assessor en kandidaat is geen relatie anders dan die onvermijdelijk en voor de werkzaamheden van assessoren noodzakelijk is.

Code 5 Kwaliteitszorg

Code

 

Normtekst

De kwaliteit van EVC-procedures is geborgd en wordt continu verbeterd.

De kwaliteit en het bij de procedure gehanteerde instrumentarium zijn geborgd. Er vinden regelmatig evaluaties plaats. De resultaten daarvan worden verwerkt in verbeteracties.

5.1

De EVC-aanbieder evalueert op deugdelijke wijze de kwaliteit van de eigen EVC-procedures systematisch onder alle betrokkenen, waaronder in ieder geval kandidaten, opdrachtgevers, begeleiders en assessoren en instanties waar kandidaten ErVaringsCertificaten ter verzilvering aanbieden. Standaard onderdelen van de evaluaties zijn de kwaliteit van de informatie, gemaakte afspraken, gehanteerde beoordelingsinstrumenten, de mate van competentie van begeleiders en assessoren, het ErVaringsCertificaat, het verloop van de EVC-procedure, de afwikkeling van eventuele klachten, beheer en administratie.

5.2

De EVC-aanbieder zet de uitkomsten van de evaluaties om in verbeteracties en ziet toe op de effectiviteit daarvan. Dit geheel verantwoordt hij in rapportagevorm.

TOELICHTING

Algemeen

Deze beleidsregel heeft betrekking op de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna ook: de minister) EVC-verklaringen afgeeft. In de brief van Staatssecretaris Van Bijsterveldt van 15 december 2009 (TK 2009–2010, 30 012, nr. 30) was al aangekondigd dat de regie bij de afgifte van EVC-verklaringen de komende drie jaar bij de rijksoverheid zal komen te liggen. Een en ander is afgesproken na overleg met de verschillende partijen die zijn betrokken bij het ‘Convenant betreffende de vrijwillige kwaliteitscode voor het Erkennen van Verworven Competenties’.

In de beleidsregel zijn de criteria opgenomen voor afgifte van de EVC-verklaring en een beschrijving van de wijze waarop de besluitvorming terzake plaatsvindt. Het achterliggende doel is de kwaliteit van EVC te bevorderen door de betrouwbaarheid van afgegeven EVC-verklaringen te vergroten.

Artikelsgewijs

Artikel 3. EVC-register

In het EVC-register worden alle erkende EVC-verklaringen zichtbaar gemaakt door de minister. Het EVC-register wordt gepubliceerd op www.ervaringscertificaat.nl.

Artikel 4. Procedure van afgifte EVC-verklaring

Aan het besluit tot afgifte van een EVC-verklaring gaat een advies van een beoordelende organisatie vooraf. De beoordelende organisatie moet voorkomen op de lijst van de convenantpartners zoals opgenomen op www.kenniscentrumevc.nl. Doorgaans zal de minister het advies volgen maar hij kan daar ook gemotiveerd van afwijken, rekening houdend met de zorgvuldigheidseisen vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. De minister heeft om het anders te formuleren een zelfstandige beoordelingsvrijheid. Als de EVC-verklaring betrekking heeft op activiteiten die behoren tot het domein landbouw en natuurlijke omgeving wordt ook de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij de afgifte van de verklaring betrokken.

Artikel 6. Verzoeken die niet voldoen aan alle onderdelen van de normtekst

Staatssecretaris Van Bijsterveldt heeft in de brief van 15 december 2009 (TK 2009–2010, 30 012, nr. 30) een viertal categorieën benoemd van EVC-standaarden van aanbieders:

  • 1. EVC-standaarden van aanbieders die niet of nauwelijks voldoen aan fundamentele onderdelen van de kwaliteitscode. Deze aanbieders worden niet in het EVC-register opgenomen respectievelijk uit het EVC-register geschrapt.

  • 2. EVC-standaarden van aanbieders waarbij meerdere tekortkomingen zijn geconstateerd. Zij krijgen een erkenning voor één jaar en worden binnen dat jaar opnieuw volledig beoordeeld.

  • 3. EVC-standaarden van aanbieders met enkele tekortkomingen. Zij krijgen een erkenning voor één jaar en worden binnen dat jaar opnieuw beoordeeld, maar dan uitsluitend met betrekking tot die onderdelen waarop tekortkomingen zijn geconstateerd.

  • 4. EVC-standaarden van aanbieders die voldoen aan alle onderdelen van de normteksten bij de kwaliteitscode EVC. De EVC-standaarden van deze aanbieders krijgen een erkenning voor drie jaar.

Bij het kwaliteitsbeleid EVC wordt ten aanzien van deze categorieën uitgegaan van het principe ‘up-or-out’. Hiermee wordt bedoeld dat een EVC-aanbieder maximaal 1 jaar in categorie 2 of 3 kan vallen en dat in het volgende jaar, na een nieuwe beoordeling, sprake moet zijn van verbetering zodat een EVC-aanbieder van categorie 2 naar categorie 3, respectievelijk van categorie 3 naar categorie 4 moet doorgroeien. Indien een EVC-aanbieder in categorie 2 of 3 na een nieuwe beoordeling niet in staat is gebleken om door te groeien naar een hogere categorie, geeft de minister geen nieuwe EVC-verklaring af.

In het eerste lid is vastgelegd dat de minister het verzoek afwijst indien hij vaststelt dat het verzoek niet voldoet aan de normtekst behorende bij code 1. De desbetreffende EVC-aanbieder behoort daarmee tot categorie 1 en komt dus met deze standaard niet in het EVC-register terecht.

Bij het besluit tot afgifte van de voorlopige EVC-verklaring – onder de voorwaarde dat binnen een jaar een geheel nieuwe beoordeling plaatsvindt, als bedoeld in categorie 2, – moet de EVC-aanbieder voldoen aan de normteksten bij code 1. Dit is bepaald in het tweede lid.

Binnen dat jaar moet vervolgens een geheel nieuwe beoordeling plaatsvinden en moet de EVC-aanbieder ten minste voldoen aan de normering van een categorie 3 EVC-aanbieder voor afgifte van een nieuwe EVC-verklaring door de minister; de EVC-aanbieder moet dan voldoen aan de onderdelen 1.1, 1.2, 1.3, de onderdelen 3.1, 3.2, 3.3, 3.4, 3.5 (als het om kwalificatiedossiers in het CREBO-domein gaat met uitzondering van Nederlands, modern vreemde talen en Leren Loopbaan en Burgerschap (LLB)) en de onderdelen 4.1 tot en met 4.7 van de normtekst. Voldoet de EVC-aanbieder niet hieraan, dan geeft de minister geen nieuwe EVC-verklaring af.

Met het voorgaande wordt uitdrukkelijk vastgelegd dat voor categorie 2 geldt dat binnen één jaar na afgifte van de voorlopige EVC-verklaring de EVC-aanbieder minimaal voldoet aan de hogere normering van een categorie 3 EVC-aanbieder. Indien de nieuwe beoordeling leidt tot de conclusie dat het verzoek alsnog voldoet aan alle onderdelen van de normtekst wordt de geldigheidsduur van het besluit met drie jaar verlengd conform het zesde lid.

Bij het besluit tot afgifte van een voorlopige EVC-verklaring voor 1 jaar, bedoeld in het derde lid, moet de EVC-aanbieder voldoen aan ten minste de onderdelen 1.1 tot en met 1.3, de onderdelen 3.1, 3.2, 3.3, 3.4, 3.5 (als het om kwalificatiedossiers in het CREBO-domein gaat met uitzondering van Nederlands, modern vreemde talen en Leren Loopbaan en Burgerschap (LLB)) en de onderdelen 4.1 tot en met 4.7 van de normtekst.

Binnen dat jaar moet vervolgens een gedeeltelijk nieuwe beoordeling plaatsvinden met betrekking tot die onderdelen waarop tekortkomingen zijn geconstateerd en moet de EVC-aanbieder voldoen aan alle onderdelen van de normtekst. Indien de EVC-aanbieder niet voldoet aan alle onderdelen van de normtekst, geeft de minister geen nieuwe EVC-verklaring af.

Met het voorgaande wordt uitdrukkelijk vastgelegd dat binnen één jaar na afgifte van de EVC-verklaring de geconstateerde tekortkomingen weggenomen moeten zijn en door de EVC-aanbieder moet worden voldaan aan alle onderdelen van de normtekst.

In het vierde lid gaat het om een entreetoets, een beoordelingsonderzoek waarin onderzocht wordt of (nieuwe) EVC-standaarden waarvoor (nog) geen ervaringscertificaten zijn uitgereikt, voldoen aan de normtekst. Bij het besluit tot afgifte van de voorlopige EVC-verklaring als in dit lid bedoeld, moet de EVC-aanbieder voldoen aan alle onderdelen van de normtekst, uitgezonderd de onderdelen 3.9 (Ervaringscertificaten), 4.6 (schriftelijke en mondelinge overdracht bevindingen door assessoren) en 5.2 (verbeteracties naar aanleiding van evaluaties en rapportages), omdat dit onderdelen zijn die zonder uitvoeringsproducten niet (goed) te beoordelen zijn. Alle overige onderdelen van de normtekst zijn aantoonbaar en beoordeelbaar op basis van het informatiedossier dat de EVC-aanbieder dient aan te leveren. Voldoet de EVC-aanbieder niet aan alle onderdelen van de normtekst, uitgezonderd 3.9, 4.6 en 5.2, dan geeft de minister geen EVC-verklaring af.

Binnen hetzelfde jaar moet vervolgens een geheel nieuwe beoordeling plaatsvinden en moet de EVC-aanbieder voldoen aan ten minste de onderdelen 1.1 tot en met 1.3, de onderdelen 3.1, 3.2, 3.3, 3.4, 3.5 (als het om kwalificatiedossiers in het CREBO-domein gaat met uitzondering van Nederlands, modern vreemde talen en Leren Loopbaan en Burgerschap (LLB)) en de onderdelen 4.1 tot en met 4.7 van de normtekst. De minister geeft dan opnieuw een verklaring af voor 1 jaar. Binnen dat jaar moet vervolgens een gedeeltelijk nieuwe beoordeling plaatsvinden met betrekking tot die onderdelen waarop tekortkomingen zijn geconstateerd en moet de EVC-aanbieder voldoen aan alle onderdelen van de normtekst. Indien de EVC-aanbieder niet voldoet aan alle onderdelen van de normtekst, geeft de minister geen nieuwe EVC-verklaring af.

Artikel 7. Wijziging of intrekking EVC-verklaring

Onze minister kan het besluit tot afgifte van een EVC-verklaring wijzigen of intrekken indien er sprake is van feiten of omstandigheden als bedoeld onder a tot en met c van dit artikel. Het betreft hier een niet-limitatieve opsomming. Er kan bijvoorbeeld ook reden zijn om te komen tot een herbeoordeling van het verzoek indien de minister serieuze signalen van de inspectie of derden bereiken over een ernstig gebrek aan kwaliteit van het werk van de EVC-aanbieder.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart.