Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van FinanciënStaatscourant 2010, 21111Besluiten van algemene strekking

Wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen, van enige overige uitvoeringsregelingen en van de Wet op de accijns

23 december 2010

Nr. DB 2010/281 M

Directoraat-generaal voor fiscale zaken, Directie directe belastingen, Directie douane en verbruiksbelasting

De Staatssecretaris van Financiën,

Handelende wat de artikelen 3.13, eerste lid, onderdeel g en 3.34 van de Wet inkomstenbelasting 2001 betreft, in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

Handelende wat de artikel 3.42, 5.14, zevende lid, en 10.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001 betreft, in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu en de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

Handelende wat artikel 5a, eerste lid, van het besluit van 24 december 1986, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 5 van de Ziektewet, artikel 5 van de Werkloosheidswet (Stb. 655) en artikel 2.3, derde lid, van het Besluit Wet financiering sociale verzekeringen betreft, in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Handelende wat artikel 28, tweede lid, onderdeel d, van de Wet belasting op milieugrondslag en artikel 3 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat betreft, in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu;

Handelende wat artikelen 21c en 34g van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en artikelen 34c en 69a van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal betreft, in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

Gelet op de artikelen 3.13, eerste lid, onderdeel g, 3.17, 3.34, 3.38, 3.42, 3.55, 3.56, 3.57, 3.119a, 4.17a, negende lid, 4.41, 5.14, eerste, vijfde, zevende en achtste lid, 5.15, eerste, vijfde en zevende lid, 5.17, derde lid, onderdeel b, 5.18a, eerste, vijfde en zevende lid, 6.15, 6.17, eerste lid, onderdeel f, 6.26, 6.33, onderdelen b en c, 9.6 en 10.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de artikelen 14 en 14a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001, de artikelen 5b, 6, 11a, 11b, 13, 15a, tweede lid, 19a, eerste lid, onderdeel e, onder 1°, 19g, 25, vierde lid, 27, 28, eerste lid, onderdelen a en g, 29, 31a, 32ba, 35, 35g en 39c van de Wet op de loonbelasting 1964, de artikelen 8, 10ca en 10d van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, de artikelen 5, zevende lid, 6, derde lid, en 14, eerste lid, onderdeel d, en zevende lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, de artikelen 7, 14a, 14b en 23c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de artikelen 4, 9 en 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965, de artikelen 33, onder 5° en 6° en 35e, zesde lid, van de Successiewet 1956, artikel 15, eerste lid, onderdelen n en o van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970, de artikelen 10 en 13 van de Registratiewet 1970, de artikelen 15, zesde lid, 21, onderdeel d, artikel 25, eerste lid, 28p en 28zb, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968, de artikelen 9, elfde lid, 9a, tweede lid, 9b, derde lid, 9c, vierde lid en 10, achtste lid, van de Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, artikel 15, derde lid, van de Wet motorrijtuigenbelasting 1994, de artikelen 11, derde lid en 14a, achtste lid, van de Wet belasting zware motorrijtuigen, artikel 2:1 van de Algemene douanewet, de artikelen 7, achtste lid, 26, achtste lid, 35a, 56, zesde lid, 63, eerste lid, 68, tweede lid, 69a, derde lid, 70, zesde lid, 71, tweede lid, 71a, tweede lid, 71b, vierde lid, 71c, vierde lid, 71d, vierde lid, 71e, vierde lid, 71f, vierde lid, 71g, eerste lid, 71h, tweede en vijfde lid, 76a, derde lid, 78, vierde lid, 79, derde lid en 84, tweede lid, van de Wet op de accijns, artikel 28, tweede lid, onderdeel d, van de Wet belastingen op milieugrondslag, de artikelen 7, eerste lid, 32, vierde lid, 33, tweede lid, 35, tweede lid, en 36 van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten, de artikelen 2, 3, 6, 19, 21k, 38, 39, 47b, 53, 67en 84 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 2, eerste lid, onderdeel i, 25, vijfde, zesde, achtste, negende en twintigste lid, 26, eerste, tweede en derde lid en 67 van de Invorderingswet 1990, de artikelen 21a en 31 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de artikelen 2 en 4a van de Wet op internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken, artikel 8.1 van de Belastingwet BES, artikel 5a, eerste lid, van het besluit van 24 december 1986, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 5 van de Ziektewet en artikel 5 van de Werkloosheidswet (Stb. 655), artikel 2.3, derde lid, van het Besluit Wet financiering sociale verzekeringen, artikel 3 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat, artikelen 21c en 34g van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, de artikelen 34c en 69a van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal en artikel XXVI van het Belastingplan 2011;

Besluit:

ARTIKEL I

De Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt ‘2.5, 2.14, 2.14a’ vervangen door: 2.5, 2.14a.

B

Artikel 4 vervalt.

C

In artikel 6, tweede lid, onderdeel b, wordt ‘ de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij’ vervangen door: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

D

In artikel 8, eerste lid, wordt ‘verhuist naar een woning binnen een afstand van 10 kilometer van de nieuwe vestigingsplaats van de onderneming terwijl hij op een afstand groter dan 25 kilometer van deze vestigingsplaats woonde’ vervangen door: door verhuizing de afstand tussen zijn woning en de vestigingsplaats van de onderneming met ten minste 60% verkleint terwijl tot die verhuizing de afstand tussen zijn woning en de vestigingsplaats van de onderneming ten minste 25 kilometer bedroeg.

E

In artikel 11 wordt ‘IJsland en Noorwegen’ vervangen door: IJsland, Noorwegen en Liechtenstein.

F

In artikel 17a, tweede lid, wordt ‘het Rijk’ vervangen door: de rijksoverheid.

G

In artikel 26b, tweede lid, wordt ‘artikel 4.17a, vierde lid, onderdeel a, van de wet’ vervangen door: artikel 4.17a, derde lid, onderdeel a, van de wet.

H

In artikel 28, eerste lid, onderdeel b, wordt ‘Regeling groenprojecten 2005’ vervangen door: Regeling groenprojecten 2010.

I

In artikel 29, eerste lid, onderdeel b, wordt de puntkomma vervangen door: , dan wel, ingeval artikel 3:2, eerste lid, onderdeel c, van die wet van toepassing is, een afschrift van de in dat lid bedoelde bankgarantie,.

J

Artikel 29a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

Informatievoorziening en administratieplicht

2. Onder vernummering van het vierde lid tot zesde lid, worden na het derde lid twee leden ingevoegd, luidende:

  • 4. Indien een fonds indirect een krediet verstrekt ten behoeve van een project, blijkt uit de administratie van de inlenende rechtspersoon ten behoeve van welk project het krediet is verstrekt.

  • 5. Indien een fonds een krediet verstrekt ten behoeve van een project door tussenkomst van een ander fonds, elimineert het inlenende fonds het kredietbedrag uit het overzicht van zijn bezittingen en schulden, bedoeld in het eerste lid.

K

In artikel 31, onderdeel a, onder 1°, wordt ‘is opgericht naar het recht van de Nederlandse Antillen, Aruba,’ vervangen door: is opgericht naar het op Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden geldende recht, of naar het recht van.

L

Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt ‘€ 295’ vervangen door: € 290.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘€ 355’ vervangen door: € 350.

3. In het eerste lid, onderdeel c, wordt ‘€ 415’ vervangen door: € 410.

4. In het eerste lid, onderdeel d, wordt ‘€ 355’ vervangen door: € 350.

5. In het tweede lid, onderdeel a, wordt ‘€ 710’ telkens vervangen door: € 700.

6. In het tweede lid, onderdeel b, wordt ‘€ 1065’ telkens vervangen door: € 1050.

M

Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:

1. De in het eerste lid opgenomen tabel wordt vervangen door:

Voor het dieet bij het ziektebeeld en

de aandoening

op welk dieet de in deze kolom genoemde typering van toepassing is

bedragen de extra uitgaven

Algemene symptomen

groeiachterstand bij kinderen

energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

€ 950

energieverrijkt

€ 650

ondervoeding

energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

€ 950

energieverrijkt

€ 650

decubitus

energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

€ 950

Hartziekten

decompensatio cordis, hartfalen

natriumbeperkt

€ 100

Infectieziekten

aids

energieverrijkt in combinatie met eitwitverrijkt

€ 950

Luchtwegen

chronische obstructieve longziekten (COPD)

energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

€ 950

  

energieverrijkt

€ 650

Maag-, darm- en leverziekten

dumping syndroom

lactosebeperkt/lactosevrij

€ 150

chronische pancreatitis

energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

€ 950

cystic fibrosis

energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

€ 950

energieverrijkt

€ 650

coeliakie en ziekte van Dühring

glutenvrij

€ 1350

glutenvrij in combinatie met lactosebeperkt/lactosevrij

€ 1450

overige

energieverrijkt (met en zonder vitaminepreparaat)

€ 650

  

energieverrijkt in combinatie met

MCT-vetverrijkt (met en zonder vitaminepreparaat)

€ 1350

 

energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

€ 950

energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt en lactosebeperkt/lactosevrij

€ 1150

Metabole ziekten

hypercholesterolemie

verzadigd vetbeperkt in combinatie met fyto/plantensterolenverrijkt

€ 100

vetstofwisselingsstoornis

vetbeperkt in combinatie met

MCT-vetverrijkt

€ 800

galactosemie

galactosevrij

€ 100

 

sacharase isomaltase deficiëntie

sterk sacharosebeperkt in combinatie

met (iso)maltosebeperkt

€ 3700

eiwitstofwisselings-

stoornis (zoals PKU en hyperlysinemie )

sterk eiwitbeperkt

€ 2600

Nierziekten

nierziekten

natriumbeperkt

€ 100

chronische nier-

insufficiëntie met hemodialyse

eiwitverrijkt in combinatie met natriumbeperkt

€ 250

nefrotisch syndroom

natriumbeperkt

€ 100

Oncologie

oncologie

energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

€ 950

  

energieverrijkt

€ 650

Overige

voedselovergevoelig

heid

koemelkeiwitvrij

€ 150

soja-eiwitvrij

€ 50

kippenei-eiwitvrij

€ 50

lactosebeperkt/lactosevrij

€ 150

tarwevrij

€ 950

tarwevrij in combinatie met kippenei-eitwitvrij

€ 1050

koemelkeiwitvrij in combinatie met kippenei-eiwitvrij

€ 150

koemelkeiwitvrij in combinatie met soja-eiwitvrij

€ 300

koemelkeiwitvrij in combinatie met kippenei-eiwitvrij en soja-eiwitvrij

€ 300

koemelkeiwitvrij in combinatie met kippenei-eiwitvrij, soja-eiwitvrij en tarwevrij

€ 1200

koemelkeiwitvrij in combinatie met glutenvrij

€ 1400

 

koemelkeiwitvrij in combinatie met glutenvrij en tarwevrij

€ 1400

brandwonden

energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

€ 950

 

lymfe lekkage

eiwitverrijkt in combinatie met sterk (LCT-)vetbeperkt en MCT-vetverrijkt

€ 1100

 

epilepsie

sterk eiwitbeperkt en koolhydraatbeperkt in combinatie met vetverrijkt en MCT-vetverrijkt

€ 550

2. In het tweede lid, onderdeel d, wordt ‘mg’ vervangen door: milligram.

3. In het tweede lid, onderdelen g en j, wordt ‘MCT-vet verrijkt’ vervangen door: MCT-vetverrijkt.

4. Het tweede lid, onderdeel k, vervalt onder verlettering van de onderdelen l tot en met o tot onderdelen k tot en met n.

5. In het tweede lid, onderdeel l (nieuw), wordt ‘mg’ vervangen door: milligram.

6. In het tweede lid, onderdelen m (nieuw) en n (nieuw), wordt ‘MCT-vet verrijkt’ vervangen door: MCT-vetverrijkt.

N

In artikel 40, eerste lid, onderdeel a, wordt ‘€ 9’ vervangen door: € 10.

O

Het opschrift van artikel 41d komt te luiden: Aangewezen mogendheden buiten de EU, Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de BES eilanden.

P

Artikel 45aa wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef komt te luiden:

De inspecteur vermindert ambtshalve een belastingaanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld zodra hem dat is gebleken, tenzij:.

2. In onderdeel a wordt ‘zeven jaren’ vervangen door: vijf jaren.

ARTIKEL II

De Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, eerste volzin wordt ‘in het kalenderjaar 2009 of 2010, en het bedrijfsmiddel vóór 1 januari 2012, onderscheidenlijk vóór 1 januari 2013, door hem in gebruik wordt genomen’ vervangen door: in het kalenderjaar 2009, 2010 of 2011, en het bedrijfsmiddel vóór 1 januari 2012, vóór 1 januari 2013 onderscheidenlijk vóór 1 januari 2014, door hem in gebruik wordt genomen.

2. In het eerste lid, tweede volzin wordt ‘in het kalenderjaar 2010, is de eerste volzin slechts van toepassing indien de winst met betrekking tot dit schip ten minste tot 1 januari 2020 niet wordt bepaald’ vervangen door: in het kalenderjaar 2010 of 2011, is de eerste volzin slechts van toepassing indien de winst met betrekking tot dit schip ten minste tot 1 januari 2020, onderscheidenlijk ten minste tot 1 januari 2021, niet wordt bepaald.

3. In het derde lid wordt ‘De in het eerste lid genoemde datum van 1 januari 2012, onderscheidenlijk 1 januari 2013’ vervangen door: De in het eerste lid genoemde datum van 1 januari 2012, 1 januari 2013 onderscheidenlijk 1 januari 2014.

B

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘eindigt de periode waarbinnen het bedrijfsmiddel in gebruik genomen moet zijn op 31 december 2011, onderscheidenlijk op 31 december 2012’ vervangen door: eindigt de periode waarbinnen het bedrijfsmiddel in gebruik genomen moet zijn op 31 december 2011, op 31 december 2012 onderscheidenlijk op 31 december 2013.

2. In het tweede lid wordt ‘vanaf enig moment vóór 1 januari 2020 de winst wordt bepaald’ vervangen door: vanaf enig moment vóór 1 januari 2020, onderscheidenlijk vóór 1 januari 2021, de winst wordt bepaald.

ARTIKEL III

De Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 zoals deze per 31 december 2010 luidde, wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt ‘Nederlandse Antillen of Aruba’ vervangen door: Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden.

2. In het eerste lid wordt ‘de Nederlandse Antillen of Aruba’ vervangen door: Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden.

3. In het tweede lid, onderdeel b, wordt ‘de Nederlandse Antillen of Aruba’ vervangen door: Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden.

4. In het tweede lid, onderdeel c, wordt ‘de Nederlandse Antillen of Aruba’ vervangen door: Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden.

B

In artikel 25, eerste lid, wordt ‘verhuist naar een woning binnen een afstand van 10 kilometer van de nieuwe plaats van zijn dienstbetrekking terwijl hij op een afstand groter dan 25 kilometer van deze plaats woonde’ vervangen door: door verhuizing de afstand tussen zijn woning en de plaats van zijn dienstbetrekking met ten minste 60% verkleint terwijl tot die verhuizing de afstand tussen zijn woning en de plaats van zijn dienstbetrekking ten minste 25 kilometer bedroeg.

C

In artikel 27, eerste lid, onderdeel c, wordt ‘(waaronder de Nederlandse Antillen en Aruba)’ vervangen door: (waaronder Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de BES eilanden).

D

Artikel 34, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b worden ‘€ 72,00’, ‘€ 16,50’ en ‘€ 3,30’ vervangen door respectievelijk € 53,75, € 12,50 en € 2,50.

2. In onderdeel c worden ‘€ 39,75’, ‘€ 9,25’ en ‘€ 1,85’ vervangen door respectievelijk € 29,75, € 6,75 en € 1,35.

3. In onderdeel d wordt ‘€ 14,00’ vervangen door: € 13,75.

E

In artikel 35, eerste lid, worden ‘€ 157,50’, ‘€ 36,25’ en ‘€ 7,25’ vervangen door respectievelijk € 162,00, € 37,50 en € 7,50.

F

In artikel 51 wordt de tabel vervangen door:

Huisvesting:

per maand

per week

per dag

a. aan boord van binnenschepen – andere dan vissersschepen – en baggermaterieel:

   

1. voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont

   

– van een schip van meer dan 2000 ton:

€ 148,00

€ 34,00

€ 6,80

– van een schip van meer dan 500, doch niet meer dan 2000 ton:

€ 111,00

€ 25,50

€ 5,10

– van een ander schip of van baggermaterieel:

€ 74,00

€ 17,00

€ 3,40

2. voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft:

€ 60,00

€ 13,75

€ 2,75

    

b. aan boord van zeeschepen – andere dan vissersschepen – en op boorplatforms:

   

1. voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont:

  

€ 10,35

2. voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft – voor een kapitein en voor een officier:

  

€ 4,80

– voor een andere werknemer:

  

€ 2,40

c. aan boord van vissersschepen: voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft:

  

€ 3,30

d. in pakwagens van kermisexploitanten: voor de werknemer die in een pakwagen woont en geen gezin heeft:

€ 60,00

€ 13,75

€ 2,75

e. voor de werknemer die niet is aangeduid in de onderdelen a, b, c en d:

nihil

nihil

nihil

G

In artikel 55 wordt ‘€ 4,20’ vervangen door: € 4,25.

ARTIKEL IV

De Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.1 wordt ‘artikel 26, zesde lid, 28’ vervangen door ‘artikel 26, zesde lid, 27, 28’. Voorts wordt ‘33, 35d, 35e, 35k, 35l en 35m ‘ vervangen door ‘33, 35, 35d, 35e, 35g, 35k, 35l, 35m en 39c, eerste lid,’ en wordt ‘de artikelen 2e en 8’ vervangen door: de artikelen 2e en 10e.

B

Artikel 2.3 komt te luiden:

Artikel 2.3 Niet-inhoudingsplichtigen

  • 1. Niet als inhoudingsplichtige worden beschouwd:

    • a. United Nations:

      • 1°. International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (ICTY);

      • 2°. International Criminal Tribunal for Rwanda (ICTR);

      • 3°. International Court of Justice (ICJ);

      • 4°. United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR);

      • 5°. Maastricht Economic and social Research and training centre on Innovation and Technology (UNU-MERIT);

      • 6°. International institute for Infrastructural, Hydraulic and Environmental Engineering, Institute for Water Education (UNESCO-IHE);

      • 7°. Special Tribunal for Lebanon;

      • 8°. Special Court for Sierra Leone;

    • b. International Criminal Court (ICC);

    • c. Permanent Court of Arbitration;

    • d. Hague Conference on Private International Law;

    • e. North Atlantic Treaty Organization (NATO):

      • 1°. NATO C3 Agency;

      • 2°. Joint Force Command Headquarters Brunssum (JFC HQ Brunssum);

      • 3°. NATO AEW&C Programme Management Agency (NAPMA);

    • f. European Union:

      • 1°. Vertegenwoordiging van de Europese Commissie;

      • 2°. Voorlichtingsbureau van het Europese Parlement;

      • 3°. European Police Office (Europol);

      • 4°. European Union’s Judicial Cooperation Unit (Eurojust);

    • g. Office of the High Commissioner on National Minorities of the Organisation for Security and Cooperation in Europe (HCNM/OSCE);

    • h. Eurocontrol;

    • i. European Space Agency / European Space Research and Technology Center (ESA/ESTEC);

    • j. European Patent Organisation;

    • k. Technical Centre for Agriculture and Rural Cooperation (CTA);

    • l. Iran-United States Claims Tribunal;

    • m. African Management Services Company BV (AMSCO);

    • n. International Organisation for Migration (IOM);

    • o. Common Fund for Commodities (CFC);

    • p. Organisation for the Prohibition of Chemical Weapons (OPCW);

    • q. Benelux Office for Intellectual Property;

    • r. Institute for Energy;

    • s. Centre for Integrated Surveys: International Institute for Aerial Survey and Earth Sciences (ITC-UNESCO);

    • t. Nederlandse Taalunie.

  • 2. De leden en functionarissen van de in het eerste lid genoemde volkenrechtelijke organisaties die diplomatieke voorrechten genieten en geen Nederlander zijn, worden niet als inhoudingsplichtige beschouwd ten aanzien van degenen die in hun persoonlijke dienst werkzaam zijn.

C

In artikel 3.4 wordt de in het eerste lid opgenomen tabel vervangen door:

Ingeval de gerechtigde tot de uitkeringen, bedoeld in artikel 11a, derde lid, van de wet bij ingang van de uitkeringen, een leeftijd heeft bereikt van

 

maar nog niet de leeftijd heeft bereikt van

 

bedraagt de minimale periode tussen de eerste en de laatste uitkering het in deze kolom vermelde aantal jaren

 
 

I

 

II

 

III

 

 

25

 

18

 

25

 

30

 

15

 

30

 

35

 

12

 

35

 

40

 

9

 

40

 

45

 

6

 

45

 

50

 

4

 

50

 

55

 

3

 

55

 

60

 

2

 

60

 

 

1

D

Het gereserveerde artikel 3.5 komt te luiden:

Artikel 3.5 Niet tot het loon gerekende premie

Tot het loon behoort niet de krachtens de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen verstrekte premie, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, onderdeel b, van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen, mits in het jaar waarin de premie is verstrekt geen vergoeding is genoten als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, onderdeel c, van dat besluit.

E

Artikel 3.7, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel c komt te luiden:

  • c. ter beschikking gestelde kleding die:

    • 1°. uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om tijdens de vervulling van de dienstbetrekking te worden gedragen;

    • 2°. per kledingstuk is voorzien van een of meer duidelijk zichtbare, aan de inhoudingsplichtige gebonden beeldmerken met een oppervlakte van tezamen ten minste 70cm², of

    • 3°. achterblijft op de werkplek;.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • g. huisvesting en inwoning, met inbegrip van – indien mede verstrekt – het genot van energie, water en bewassing, ter vervulling van de dienstbetrekking, indien de werknemer niet op de werkplek woont en zich redelijkerwijs niet aan deze voorziening kan onttrekken.

F

In artikel 3.10, derde lid, vervalt ‘, indien de werknemer deze fiets, elektrische fiets of elektrische scooter in overwegende mate gebruikt in het kader van woon-werkverkeer’.

G

In artikel 4.2 wordt ‘IJsland en Noorwegen’ vervangen door: IJsland, Noorwegen en Liechtenstein.

H

In artikel 5.11, tweede lid, tweede volzin, wordt ‘IJsland of Noorwegen’ vervangen door: IJsland, Noorwegen of Liechtenstein.

I

In artikel 6.2, eerste lid, onderdeel a, wordt ‘260/230’ vervangen door: 260/231.

J

Het gereserveerde artikel 7.1 komt te luiden:

Artikel 7.1 In de onderneming van de ouder werkzame kinderen

  • 1. Ten aanzien van een in artikel 27, zesde lid, van de wet bedoeld kind, kan de inspecteur onder door hem te stellen voorwaarden toestaan dat de belasting wordt ingehouden op de eerste werkdag van het volgende kalenderjaar, met toepassing van de loonbelastingtabellen voor het kalenderjaar waarin het loon is verstrekt. Alsdan wordt het in dat kalenderjaar verstrekte loon geacht in gelijke delen te zijn verstrekt over de kalenderkwartalen waarin het kind werkzaam is geweest, en vinden artikel 26 van de wet en de krachtens dat artikel vastgestelde loonbelastingtabellen voor bijzondere beloningen geen toepassing.

  • 2. Voor de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de belasting, bedoeld in het eerste lid, geacht te zijn ingehouden in het kalenderjaar waarin het loon is verstrekt.

  • 3. Indien de belasting wordt ingehouden op de voet van het eerste lid, zijn ten aanzien van het in dat lid bedoelde kind de artikelen 7.2 en 7.9 niet van toepassing.

K

Het gereserveerde artikel 7.7 komt te luiden:

Artikel 7.7 Einde inhoudingsplicht

Indien een inhoudingsplichtige in enig tijdvak voorziet dat hij gerekend vanaf het einde van dat tijdvak ten minste 12 maanden geen inhoudingsplichtige zal zijn, doet hij daarvan binnen een maand na afloop van dat tijdvak mededeling aan de inspecteur.

L

Artikel 7.9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het derde tot en met vijfde lid tot tweede tot en met vierde lid, vervalt het tweede lid.

2. In het tweede lid (nieuw) wordt ‘de in de vorige leden bedoelde gegevens’ vervangen door: de in het eerste lid bedoelde gegevens.

M

In artikel 8.3, eerste lid, wordt ‘artikel 8, tweede lid, onderdeel c, onder 4°, van het besluit’ vervangen door: artikel 10e, tweede lid, onderdeel c, onder 4°, van het besluit.

N

Het gereserveerde artikel 10.1 komt te luiden:

Artikel 10.1 Consumpties tijdens werktijd

  • 1. Vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een maaltijd, behoren in ieder geval niet tot de gage, bedoeld in artikel 35 van de wet, indien deze vergoedingen € 0,55 per gewerkte dag niet te boven gaan.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien tijdens de werktijd consumpties die geen deel uitmaken van een maaltijd, worden verstrekt.

O

Het gereserveerde artikel 11.2 komt te luiden:

Artikel 11.2 Consumpties tijdens werktijd

  • 1. Vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een maaltijd, behoren in ieder geval niet tot de gage, bedoeld in artikel 35g van de wet, indien deze vergoedingen € 0,55 per gewerkte dag niet te boven gaan.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien tijdens de werktijd consumpties die geen deel uitmaken van een maaltijd, worden verstrekt.

P

In artikel 12.1, derde en vierde lid, wordt ‘artikel 7.9, tweede lid,’ vervangen door: artikel 23, eerste lid, van de wet.

Q

Na artikel 12.2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 12.2a Overgangsregeling gedeeltelijk drukkende uitkering, bijdrage of premie ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding

  • 1. Voor de toepassing van artikel 32ba, derde lid, van de wet, blijven bedragen die de inhoudingsplichtige van werknemers heeft ingehouden voor de helft buiten aanmerking, voor zover deze bedragen ingevolge de op het moment van inhouding ter zake van deze inhouding geldende tekst van artikel 11 van de wet voor de helft niet tot het loon behoren.

  • 2. Voor de toepassing van artikel 32ba, derde lid, van de wet, blijven bijdragen en premies die de inhoudingsplichtige van andere inhoudingsplichtigen voldaan heeft gekregen voor de helft buiten aanmerking, voor zover artikel 32ba, eerste lid, van de wet bij die andere inhoudingsplichtigen naar een tarief van 26% van toepassing is op deze bijdragen en premies.

R

Het gereserveerde artikel 12.7 komt te luiden:

Artikel 12.7 Toepassing keuzeregime

Ingeval de inhoudingsplichtige artikel 39c, eerste lid, van de wet toepast:

  • a. zijn niet van toepassing:

    • 1°. hoofdstuk 4a van het besluit;

    • 2°. de artikelen 3.7, 3.8, 3.9, 3.10, 3.11, 7.3, 8.2, 8.3, 8.4, 8.5, 10.1, 11.2 en 12.7a;

  • b. blijven van toepassing:

    • 1°. de artikelen 8 tot en met 10 en 10f van het besluit, zoals deze op 31 december 2010 luidden;

    • 2°. de artikelen 2, 8, 9, 20, 21, 21a, 21b, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 32a, 33, 34, 35, 36, 37, 41, 43, 44, 45, 46, 47, 51, 52, 55, 56, 59, 68, 82, 82a, 84 en 84a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, zoals deze op 31 december 2010 luidden, met inachtneming van de krachtens artikel 39c, derde lid, van de wet aangebrachte wijzigingen.

S

Na artikel 12.7 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 12.7a Overgangsregeling saldering reiskosten

Ingeval de inhoudingsplichtige in het aan het kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar artikel 10f, eerste of vierde lid, van het besluit, zoals dat luidde op 31 december 2010, heeft toegepast, wordt het in dat voorafgaande kalenderjaar in artikel 10f, tweede of vierde lid, van het besluit, zoals dat luidde op 31 december 2010, bedoelde bedrag geacht te behoren tot het loon van het eerste loontijdvak van het kalenderjaar en geacht te zijn betaald op de laatste werkdag in januari van het kalenderjaar.

ARTIKEL V

De Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3 wordt ‘op de voet van artikel 64, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001’ vervangen door: op de voet van artikel 6.3, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011.

B

In artikel 6 wordt de in het eerste lid opgenomen tabel vervangen door:

Indien hij de leeftijd heeft bereikt van

doch niet de leeftijd van

 

15 jaren

16 jaren:

€ 5 524

16 jaren

17 jaren:

€ 6 353

17 jaren

18 jaren:

€ 7 274

18 jaren

19 jaren:

€ 8 378

19 jaren

20 jaren:

€ 9 667

20 jaren

21 jaren:

€ 11 324

21 jaren

22 jaren:

€ 13 349

22 jaren

23 jaren:

€ 15 651

23 jaren

 

€ 18 418

C

Artikel 11c komt te luiden:

Artikel 11c

Als bedrijfssectoren als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel d, van de wet worden aangewezen, onder vermelding van de desbetreffende code in de Standaard Bedrijfsindeling uit 2008 van het Centraal Bureau voor de Statistiek:

  • a. landbouw, jacht en dienstverlening voor de landbouw en jacht (A 01);

  • b. bosbouw, exploitatie van bossen en dienstverlening voor de bosbouw (A 02);

  • c. visserij en kweken van vis en schaaldieren (A 03);

  • d. winning van aardolie en aardgas (B 06);

  • e. winning van delfstoffen met uitzondering van olie en gas (B 08);

  • f. dienstverlening voor de winning van aardolie en aardgas (B 09.1);

  • g. vervaardiging van voedingsmiddelen (C 10);

  • h. vervaardiging van dranken (C 11);

  • i. vervaardiging van tabaksproducten (C 12);

  • j. vervaardiging van textiel (C 13);

  • k. vervaardiging van kleding (C 14);

  • l. vervaardiging van leer, lederwaren en schoenen (C 15);

  • m. primaire houtbewerking en vervaardiging van artikelen van hout, kurk, riet en vlechtwerk met uitzondering van meubels (C16);

  • n. vervaardiging van papier, karton en papier- en kartonwaren (C 17);

  • o. drukkerijen, reproductie van opgenomen media (C 18);

  • p. vervaardiging van cokesovenproducten en aardolieverwerking (C 19);

  • q. vervaardiging van chemische producten (C 20);

  • r. vervaardiging van farmaceutische grondstoffen en producten (C 21);

  • s. vervaardiging van producten van rubber en kunststof (C 22);

  • t. vervaardiging van overige niet-metaalhoudende minerale producten (C 23);

  • u. vervaardiging van metalen in primaire vorm (C 24);

  • v. vervaardiging van producten van metaal met uitzondering van machines en apparaten (C 25);

  • w. vervaardiging van computers en van elektronische en optische apparatuur (C 26);

  • x. vervaardiging van elektrische apparatuur (C 27);

  • y. vervaardiging van overige machines en apparaten (C 28);

  • z. vervaardiging van auto’s, aanhangwagens en opleggers (C 29);

  • aa. vervaardiging van overige transportmiddelen (C 30);

  • bb. vervaardiging van meubels (C 31);

  • cc. vervaardiging van overige goederen (C 32);

  • dd. reparatie en installatie van machines en apparaten (C33);

  • ee. productie en distributie van en handel in elektriciteit, aardgas, stoom en gekoelde lucht (D 35);

  • ff. winning en distributie van water (E 36);

  • gg. voorbereiding tot recycling (E 38.3);

  • hh. bouwnijverheid (F);

  • ii. handel in en reparatie van auto’s, motorfietsen en aanhangers (G 45);

  • jj. groothandel en handelsbemiddeling met uitzondering van auto’s en motorfietsen (G 46);

  • kk. detailhandel met uitzondering van auto’s (G 47);

  • ll. vervoer over land (H49);

  • mm. vervoer over water (H 50);

  • nn. luchtvaart (H 51);

  • oo. opslag en dienstverlening voor vervoer (H 52);

  • pp. post en koeriers (H 53);

  • qq. logies-, maaltijd- en drankverstrekking (I);

  • rr. uitgeverijen (J 58.1);

  • ss. maken en uitgeven van geluidsopnamen (J 59.2);

  • tt. telecommunicatie (J 61);

  • uu. dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatietechnologie (J 62);

  • vv. dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatie (J 63);

  • ww. financiële instellingen met uitzondering van verzekeringen en pensioenfondsen (K 64);

  • xx. verzekeringen en pensioenfondsen met uitzondering van verplichte sociale verzekeringen (K 65);

  • yy. overige financiële dienstverlening (K 66);

  • zz. verhuur van en handel in onroerend goed (L);

  • aaa. rechtskundige dienstverlening, accountancy, belastingadvisering en administratie (M 69);

  • bbb. holdings met uitzondering van financiële en concerndiensten binnen eigen concern (M 70.1);

  • ccc. advisering op het gebied van management en bedrijfsvoering (M 70.2);

  • ddd. architecten, ingenieurs en technisch ontwerp en advies (M 71.1);

  • eee. speur- en ontwikkelingswerk (M 72);

  • fff. markt- en opinieonderzoeksbureaus (M 73.2);

  • ggg. verhuur en lease van auto’s, consumentenartikelen, machines en overige roerende goederen (N 77);

  • hhh. reisbemiddeling, reisorganisatie, toeristische informatie en reserveringsbureaus (N 79);

  • iii. landschapsverzorging (N 81.3);

  • jjj. gezondheidszorg (Q 86) met uitzondering van medische laboratoria, trombosediensten en overig behandelingsondersteunend onderzoek (Q 86.92.4);

  • kkk. verpleging, verzorging en begeleiding met overnachting (Q 87);

  • lll. thuiszorg (Q 88.10.1);

  • mmm. reparatie van computers en consumentenartikelen (S 95).

D

In artikel 12, derde lid, onderdeel b, wordt ‘voor ten minste 32 uur per week beslaat, dan wel ten minste twee keer 4 maanden praktijk voor ten minste 32 uur per week’ vervangen door: dan wel ten minste twee keer 4 maanden praktijk beslaat.

ARTIKEL VI

In de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 wordt in artikel 2c ‘IJsland en Noorwegen’ vervangen door: IJsland, Noorwegen en Liechtenstein.

ARTIKEL VII

De Regeling functionele valuta wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b wordt ‘De Nederlandsche Bank N.V.’ vervangen door ‘de Europese Centrale Bank’. Voorts wordt ‘wordt gepubliceerd in de Officiële prijscourant van de Nederlandse effectenbeurs’ vervangen door: wordt gepubliceerd op een voor het publiek algemeen toegankelijke informatiedrager van deze instelling.

2. Onder verlettering van de onderdelen d en e tot onderdelen e en f, wordt na onderdeel c een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • d. gemiddelde koers van de andere geldeenheid over het desbetreffende jaar: het rekenkundige gemiddelde van de maandkoersen van de andere geldeenheid gedurende het desbetreffende jaar, waarbij de maandkoers wordt gesteld op het rekenkundige gemiddelde van de dagkoersen gedurende de desbetreffende maand.

B

Aan artikel 2, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: Indien artikel 362, zevende lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek niet op de belastingplichtige van toepassing is, is de eerste volzin van overeenkomstige toepassing indien de belastingplichtige de jaarrekening opstelt in een andere geldeenheid en dit wordt gerechtvaardigd door de werkzaamheid van de belastingplichtige of de internationale vertakking van zijn groep.

C

In artikel 3, zesde lid, wordt ‘Wet op de inkomstenbelasting 1964’ vervangen door: Wet inkomstenbelasting 2001.

D

Artikel 5 vervalt.

ARTIKEL VIII

De Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1a wordt ‘IJsland en Noorwegen’ vervangen door: IJsland, Noorwegen en Liechtenstein.

B

Artikel 1b wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt ‘nota – hierna te noemen: dividendnota –’ vervangen door: dividendnota.

2. In onderdeel a wordt ‘nota’ vervangen door: dividendnota.

3. In onderdeel e wordt ‘nota’ vervangen door: dividendnota.

C

Artikel 2 vervalt.

D

Artikel 3 vervalt.

ARTIKEL IX

De Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt ‘1a, achtste lid, 16, derde lid’ vervangen door: 16, derde lid.

B

Artikel 2 vervalt.

C

Artikel 5 komt te luiden:

Artikel 5 Schenking ter zake van een eigen woning

Een vrijstelling als bedoeld in artikel 33, onder 5° en 6°, van de wet voor een schenking ter zake van de verwerving van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste of derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, ter zake van de kosten voor verbetering of onderhoud van die woning, ter zake van de afkoop van rechten van erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot die woning dan wel voor de aflossing van een eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt slechts verleend indien:

  • a. de schenking is gedaan:

    • 1°. onder de opschortende voorwaarde dat de begunstigde een eigen woning heeft verworven als bedoeld in artikel 3.111, eerste of derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, een recht van erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot die woning heeft afgekocht dan wel een eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a van de Wet inkomstenbelasting 2001, of een deel daarvan, heeft afgelost, of

    • 2°. onder de ontbindende voorwaarde dat de schenking vervalt voor zover het geschonken bedrag niet in het jaar van de schenking of in de twee daarop volgende kalenderjaren is besteed aan verbetering of onderhoud van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste of derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 van de begunstigde;

  • b. van de schenking een notariële akte is opgemaakt, waarin is opgenomen dat het geschonken bedrag bestemd is voor een van de doeleinden, genoemd in onderdeel a, en

  • c. desgevraagd met schriftelijke bescheiden wordt aangetoond dat het bedrag van de schenking daadwerkelijk door de schenker is betaald en door de begunstigde is aangewend voor een van de doeleinden, genoemd in onderdeel a.

ARTIKEL X

In artikel 7 van de Uitvoeringsbeschikking Registratiewet 1970 wordt ‘gedurende zes uren’ vervangen door: van 9.00 uur tot 17.00 uur.

ARTIKEL XI

De Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt ‘28p’ vervangen door: 28p, 28zb, vierde lid.

B

Na Hoofdstuk III wordt een hoofdstuk ingevoegd luidende:

HOOFDSTUK IIIA Regeling voor reisbureaus

Artikel 4d

De keuze, bedoeld in artikel 28zb van de wet, geldt voor een periode van tenminste vijf opeenvolgende jaren en geldt vanaf het begin van een aangiftetijdvak.

C

Aan artikel 11 wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:

4. De in artikel 15, eerste lid, laatste alinea, van de wet bedoelde aftrek over uitgaven in verband met een onroerende zaak wordt berekend op basis van het werkelijke gebruik van die onroerende zaak.

D

In artikel 16b worden na het eerste lid, onder vernummering van het tweede lid tot zesde lid, vier leden ingevoegd, luidende:

  • 2. De verlening van de vergunning, bedoeld in het eerste lid, is gebonden aan de volgende voorwaarden:

    • a. degene die de goederen invoert, verstrekt aan de inspecteur zijn btw-identificatienummer dat is toegekend door Nederland of ingeval de belasting wordt voldaan door zijn fiscaal vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 33g van de wet het btw-identificatienummer dat is toegekend door Nederland aan deze fiscaal vertegenwoordiger en het btw-identificatienummer waaronder degene die de goederen intracommunautair afneemt in een andere lidstaat is geregistreerd of ingeval van overbrenging van eigen goederen het btw-identificatienummer waaronder degene die de goederen invoert zelf in de lidstaat van aankomst van het vervoer is geregistreerd;

    • b. de inspecteur kan bepalen dat degene die de goederen invoert, onder de in het vierde lid genoemde voorwaarden, zekerheid stelt tot het beloop van een door de inspecteur vastgesteld bedrag per invoer van goederen;

    • c. degene die de goederen invoert, verstrekt op verzoek aan de inspecteur de inlichtingen die noodzakelijk zijn om het beloop van de zekerheid vast te stellen.

  • 3. Ten aanzien van de goederen die worden ingevoerd kan door de inspecteur bewijs worden verzocht dat de ingevoerde goederen bestemd zijn om naar een andere lidstaat te worden vervoerd of verzonden.

  • 4. Met betrekking tot de te stellen zekerheid zijn de bepalingen van Titel VII, hoofdstuk 1, van het Communautair douanewetboek van overeenkomstige toepassing.

  • 5. De inspecteur kan de vergunning intrekken of wijzigen:

    • a. op verzoek van de vergunninghouder;

    • b. indien de vergunninghouder niet voldoet aan de aan de vergunning verbonden voorwaarden.

E

In artikel 25, zesde lid, wordt ‘tweede tot en met vierde lid’ vervangen door: tweede, derde en vijfde lid.

F

In artikel 25a, onderdeel b, wordt ‘vierde lid’ vervangen door: vijfde lid.

G

Artikel 29a vervalt.

H

Bijlage L vervalt.

ARTIKEL XII

De Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt ‘9b, vierde lid,’ vervangen door: 9b, derde lid,.

B

Artikel 6a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid vervalt, alsmede de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid.

2. In de aanhef wordt ‘9c, vierde lid, ‘ vervangen door: 9c, derde lid,.

3. In onderdeel a wordt ‘Wegenverkeerswet 1994’ vervangen door: Wegenverkeerswet 1994, dan wel het door de fabrikant ter zake afgegeven certificaat van overeenstemming.

4. In onderdeel b wordt ‘verleend’ vervangen door: verleend, en ter zake evenmin een certificaat van overeenstemming is afgegeven.

5. De onderdelen c en d komen te luiden:

  • c. indien voor de auto geen typegoedkeuring is verleend, geen certificaat van overeenstemming is afgegeven en ook geen individuele goedkeuring is verleend: een testrapport van een individuele keuring van de auto, waarbij de CO2-emissie is gemeten overeenkomstig de ter zake in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen geldende voorschriften;

  • d. in andere gevallen dan bedoeld in de onderdelen a, b en c: een goedkeuring van de auto waaruit de CO2-emissie van de auto blijkt, gemeten overeenkomstig de voorschriften van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, dan wel een gelijkwaardig internationaal reglement.

C

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid vervalt, alsmede de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid.

2. In de aanhef wordt ‘artikel 9b, tweede lid,’ vervangen door: artikel 9b, eerste lid,.

3. In onderdeel a wordt ‘Wegenverkeerswet 1994’ vervangen door: Wegenverkeerswet 1994, dan wel het door de fabrikant ter zake afgegeven certificaat van overeenstemming.

4. In onderdeel b wordt ‘verleend’ vervangen door: verleend, en ter zake evenmin een certificaat van overeenstemming is afgegeven.

5. De onderdelen c en d komen te luiden:

  • c. indien voor de auto geen typegoedkeuring is verleend, geen certificaat van overeenstemming is afgegeven en ook geen individuele goedkeuring is verleend: een testrapport van een individuele keuring van de auto, waarbij de emissies van de auto zijn gemeten overeenkomstig de geldende ter zake in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen geldende voorschriften;

  • d. in andere gevallen dan bedoeld in de onderdelen a, b en c: een goedkeuring van de auto waaruit de emissies van de auto blijken, gemeten overeenkomstig de voorschriften van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, dan wel een gelijkwaardig internationaal reglement.

D

In artikel 8, vijfde lid, onderdeel b, wordt ‘door een onafhankelijke, erkende taxateur aan de hand van een fysieke opname van het motorrijtuig in de staat waarin het op dat tijdstip verkeert, waaruit inzichtelijk en gedetailleerd de waarde blijkt bij inkoop van het motorrijtuig door een wederverkoper in Nederland’ vervangen door: door een onafhankelijke, erkende taxateur in de staat waarin het motorrijtuig op dat tijdstip verkeert, waaruit inzichtelijk en gedetailleerd de waarde blijkt bij inkoop van het motorrijtuig door een wederverkoper in Nederland, voorzien van een verklaring van de taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig onder vermelding van plaats, datum en begin- en eindtijdstip van deze fysieke opname, alsmede, indien de inspecteur daar om verzoekt, een kopie van de aankoopfactuur en het betalingsbewijs van het gebruikte motorrijtuig.

ARTIKEL XIII

In de Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994 vervalt in artikel 4c, vierde lid, onderdeel a, het zinsdeel ‘of een bijzonder tarief als bedoeld in artikel 29 en artikel 30 van de wet’.

ARTIKEL XIV

De Uitvoeringsregeling belasting zware motorrijtuigen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 komt te luiden:

Artikel 3

  • 1. Als aangiftepunten, bedoeld in artikel 11, derde lid, van de wet, worden aangewezen:

    • a. het internationale digitale aangiftepunt op internetadres https://www.eurovignettes.eu;

    • b. de aangiftepunten opgenomen op een door mij bijgehouden lijst van aangiftepunten, te raadplegen op internetadres www.belastingdienst.nl/tiny/61623_073.

  • 2. Voor bedrijven die daarvoor een overeenkomst hebben afgesloten met de Belastingdienst wordt naast de aangiftepunten in het eerste lid als aangiftepunt, bedoeld in artikel 11, derde lid, van de wet aangewezen het digitale aangiftepunt van de Belastingdienst op internetadres https://secure.eurovignet.nl/nluserportal/login.

B

In artikel 3a, eerste lid, wordt ‘de stations genoemd in bijlage II’ vervangen door: de stations opgenomen op de door mij bijgehouden lijst van stations van in- en uitlading, te raadplegen op internetadres www.belastingdienst.nl/tiny/61623_080.

C

In artikel 3b wordt ‘Ministerie van Verkeer en Waterstaat’ vervangen door: Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

D

Bijlage I en bijlage II vervallen.

ARTIKEL XV

De Algemene douaneregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1:2, sub e, wordt ‘Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit’ vervangen door: Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

B

In artikel 1:11 wordt aan het eerste lid een zin toegevoegd, luidende: De technische specificaties van de aangiften en berichten worden vastgesteld door de inspecteur.

C

In artikel 1:15, eerste lid, sub c, wordt ‘Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit’ vervangen door: Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

D

In artikel 1:17 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘Ministers van Economische Zaken, van Financiën en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit’ vervangen door: Ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Financiën.

2. In het derde lid wordt ‘Minister van Economische Zaken’ vervangen door: Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

E

Artikel 5:2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘vergunning van de Minister van Economische Zaken’ vervangen door: toezichtdocument van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

2. In het tweede lid, onderdeel a, wordt ‘invoervergunning’ vervangen door: toezichtdocument.

3. In het tweede lid wordt onderdeel c vervangen door:

  • c. op de invoer van producten waarvan het nettogewicht niet meer bedraagt dan 2.500 kilogram.

F

In artikel 5:3 vervalt het vierde lid.

G

Artikel 5:4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘Verordening (EG) nr. 1531/2007 van de Raad van 10 december 2007 betreffende de handel in bepaalde ijzer- en staalproducten tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Kazachstan (PbEG L 337)’ vervangen door: Verordening (EG) nr. 1340/2008 van de Raad van 8 december 2008 betreffende de handel in bepaalde ijzer- en staalproducten tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Kazachstan (PbEG L 348).

2. In het eerste lid wordt voorts ‘Minister van Economische Zaken’ vervangen door: Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

H

Artikel 5:5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na ‘Noord-Korea’ toegevoegd: en Belarus.

2. In het eerste lid wordt voorts ‘Minister van Economische Zaken’ vervangen door: Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

I

Artikel 5:7 vervalt.

J

Artikel 7:17 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b wordt ‘48,6%’ vervangen door: 50,6%.

2. In onderdeel c wordt ‘57%’ vervangen door: 57,0%.

K

In artikel 7:29, derde lid, wordt ‘Minister van Economische Zaken’ vervangen door: Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

L

In artikel 7:30 wordt ‘Minister van Economische Zaken’ vervangen door: Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

M

In artikel 10:1, eerste lid, wordt ‘Minister van Economische Zaken’ vervangen door: Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

ARTIKEL XVI

In de Wet op de accijns wordt artikel 35 als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, worden ‘€ 92,17’ en ‘€ 144,00’ vervangen door onderscheidenlijk € 99,85 en € 156,00.

2. In het eerste lid, onderdeel c, worden ‘16,33’, ‘€ 39,48’ en ‘€ 59,44’ vervangen door onderscheidenlijk 17,34, € 43,10 en € 65,54.

ARTIKEL XVII

De Uitvoeringsregeling accijns wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt ‘71h, vijfde lid’ vervangen door: 71h, tweede en vijfde lid.

B

Artikel 22, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Het accijnsbelang is de som van het bedrag aan accijns dat wordt vertegenwoordigd door de hoeveelheid accijnsgoederen die:

    • a. gemiddeld in de accijnsgoederenplaats voorhanden is;

    • b. gemiddeld in een aangiftetijdvak wordt uitgeslagen tot verbruik;

    • c. gemiddeld in een aangiftetijdvak met een e-AD of een ander daartoe aangewezen bescheid wordt overgebracht naar een accijnsgoederenplaats, een entrepot of het buitenland; en

    • d. gemiddeld in een aangiftetijdvak met toepassing van artikel 2a van het besluit wordt overgebracht naar een andere accijnsgoederenplaats.

C

Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid, aanhef, komt te luiden: Degene die de accijnsgoederen met vrijstelling uitslaat tot verbruik neemt in zijn administratie tevens op:.

2. Het tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

b. ingeval de na afloop van het onderzoek, de controle of de smaaktest resterende accijnsgoederen worden overgebracht naar een derde land: afdrukken van het uitvoergeleidedocument of de aangifte ten uitvoer alsmede van de bevestiging van uitgang, welke documenten zijn vereist op grond van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet;

3. In het tweede lid, onderdeel c, wordt ‘lid-staat’ vervangen door: lidstaat.

4. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Degene die de accijnsgoederen met vrijstelling invoert neemt in zijn administratie tevens een afdruk op van de voor de desbetreffende accijnsgoederen ingevolge de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, gedane aangifte voor het vrije verkeer.

D

In hoofdstuk IV, afdeling 2, wordt vóór artikel 33 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 32b

  • 1. Voor een verzoek om teruggaaf van accijns wordt gebruik gemaakt van een van rijkswege beschikbaar gesteld elektronisch formulier.

  • 2. Tenzij anders bepaald wordt een verzoek om teruggaaf van accijns ingediend bij de inspecteur uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin het recht op teruggaaf is ontstaan.

  • 3. Degene die verzoekt om teruggaaf van accijns neemt in zijn administratie de aankoopfacturen van de desbetreffende accijnsgoederen op alsmede alle andere bescheiden die in verband met het verzoek om teruggaaf zijn vereist.

  • 4. De administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van accijns is voorts zodanig ingericht, dat daarin op overzichtelijke wijze alle van belang zijnde gegevens zijn opgenomen voor de beoordeling van het bedrag van de teruggaaf.

E

Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Een verzoek om teruggaaf van accijns als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de wet wordt ingediend uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin:

    • a. de in artikel 64 van de wet bedoelde accijnsgoederen zijn vervaardigd;

    • b. de accijnsgoederen zijn gebruikt overeenkomstig de in de artikelen 64 of 65, eerste lid, onderdeel b, van de wet bedoelde bestemming;

    • c. de minerale oliën de in artikel 66 van de wet bedoelde bestemming hebben gevolgd;

    • d. de halfzware olie of gasolie is gebruikt voor andere doeleinden dan voor het aandrijven van motorrijtuigen op de weg of van pleziervaartuigen;

    • e. de accijnsgoederen de in artikel 66a van de wet bedoelde bestemming hebben gevolgd;

    • f. de levering van minerale oliën, bedoeld in artikel 70, eerste lid, onderdeel e, van de wet heeft plaatsgevonden.

2. Het vijfde lid vervalt.

F

Artikel 34 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Een verzoek om teruggaaf van accijns als bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet voor accijnsgoederen die zijn verloren gegaan of onder ambtelijk toezicht zijn vernietigd wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin de accijnsgoederen zijn verloren gegaan of onder ambtelijk toezicht zijn vernietigd.

2. Het tweede lid, aanhef, komt te luiden: In de administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van accijns zijn de volgende gegevens opgenomen:.

G

Artikel 35 komt te luiden:

Artikel 35

Een verzoek om teruggaaf van accijns als bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdelen c, e en f, van de wet wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin de accijnsgoederen hun bestemming hebben bereikt.

H

Artikel 35a vervalt.

I

Artikel 35b komt te luiden:

Artikel 35b

Uit de administratie van de verbruiker, bedoeld in artikel 71f, eerste lid, van de wet, blijkt:

  • a. het tijdvak waarover teruggaaf van accijns is verzocht;

  • b. de hoeveelheid en de soort minerale olie waarvoor teruggaaf van accijns is verzocht;

  • c. de datum van ontvangst van de desbetreffende minerale oliën; en

  • d. dat deze minerale oliën voor eigen verbruik zijn betrokken.

J

Artikel 35c komt te luiden:

Artikel 35c

Artikel 26 van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag is van overeenkomstige toepassing op de teruggaafregeling, bedoeld in artikel 71g, eerste lid, van de wet, met dien verstande dat in artikel 26, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel c, voor ‘eindfactuur’ wordt gelezen: aankoopfactuur. De in artikel 26, eerste lid, onderdelen a en c, en tweede lid, onderdelen a, c en d, genoemde bescheiden moeten zijn opgenomen in de administratie. Hetgeen op grond van artikel 26, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel b, moet worden verklaard wordt aangetoond aan de hand van de administratie.

K

Artikel 35d wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, aanhef, komt te luiden: In de administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van accijns op grond van artikel 71b, eerste lid, van de wet is opgenomen:.

2. Het eerste lid, onderdeel a, vervalt.

3. Het eerste lid, onderdelen b tot en met f, wordt geletterd a tot en met e.

4. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Het verzoek om teruggaaf van accijns wordt ingediend uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin de desbetreffende afleveringen in de brandstoftanks van de autobussen hebben plaatsgevonden.

5. In het derde lid vervalt de zinsnede ‘en die overeenkomstig artikel 33 van het besluit bij het verzoek om teruggaaf van accijns worden overgelegd’.

6. Het zesde lid komt te luiden:

  • 6. Op het verzoek om teruggaaf bedoeld in het vijfde lid zijn het eerste lid, met uitzondering van onderdeel d, en het tweede lid van overeenkomstige toepassing. In de administratie van degene die verzoekt om teruggaaf zijn opgenomen de locatie van de afleveringspomp en de gemiddelde verbruikscijfers van de autobussen waarop het verzoek betrekking heeft.

L

Artikel 35f wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, aanhef, komt te luiden: In de administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van accijns op grond van artikel 71d, eerste lid, van de wet is opgenomen:.

2. Het eerste lid, onderdeel a, vervalt.

3. Het eerste lid, onderdelen b tot en met e, wordt geletterd a tot en met d.

4. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Het verzoek om teruggaaf van accijns wordt ingediend uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin de desbetreffende afleveringen in de brandstoftanks van de luchtvaartuigen hebben plaatsgevonden.

5. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde lid tot het derde lid.

M

In artikel 35g, eerste lid, wordt ‘indien deze bij het verzoek om teruggaaf een machtiging overlegt’ vervangen door: indien deze in zijn administratie een machtiging heeft opgenomen.

N

In artikel 35h, eerste lid, aanhef, wordt ‘in afwijking in zoverre van artikel 35f’ vervangen door: in afwijking in zoverre van artikel 32b, eerste lid, en van artikel 35f.

O

Artikel 35i komt te luiden:

Artikel 35i

  • 1. Het verzoek om teruggaaf van accijns, bedoeld in artikel 69a, eerste lid, van de wet, wordt ingediend uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin het gebruik voor het opwekken van elektriciteit in een installatie met een vermogen van minimaal 1 MW heeft plaatsgevonden.

  • 2. In de administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van accijns is opgenomen:

    • a. het tijdvak waarover teruggaaf van accijns is verzocht;

    • b. de hoeveelheid en de soort minerale olie waarvoor teruggaaf van accijns is verzocht; en

    • c. de datum van ontvangst van de desbetreffende minerale oliën.

P

Artikel 35j komt te luiden:

Artikel 35j

  • 1. Het verzoek om teruggaaf van accijns, bedoeld in artikel 71a, eerste lid, van de wet, wordt ingediend uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin de accijns door de andere lidstaat is geheven.

  • 2. In de administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van accijns zijn opgenomen:

    • a. de soort en de hoeveelheid accijnsgoederen waarvoor teruggaaf van accijns is verzocht; en

    • b. bescheiden waarmee wordt aangetoond dat de accijns door de andere lidstaat is geheven en is geïnd.

Q

Artikel 35k komt te luiden:

Artikel 35k

  • 1. Het verzoek om teruggaaf van accijns, bedoeld in artikel 71h, eerste lid, van de wet, wordt ingediend uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin de uitslag tot verbruik heeft plaatsgevonden.

  • 2. In de administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van accijns is opgenomen:

    • a. de hoeveelheid duurzaam geproduceerde E85 waarvoor teruggaaf is verzocht en het bedrag waarvoor teruggaaf is verzocht; en

    • b. de periode waarop het verzoek om teruggaaf betrekking heeft.

  • 3. Uit de administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van accijns blijkt dat:

    • a. de E85 ten minste 70 percent en ten hoogste 85 percent bio-ethanol bevat;

    • b. de in de E85 aanwezige bio-ethanol voldoet aan duurzaamheidseisen, bedoeld in artikel 3, derde lid, van het Besluit hernieuwbare energie vervoer; en

    • c. de E85 is afgeleverd als brandstof voor het aandrijven van motorrijtuigen op de weg.

  • 4. Het voldoen aan de duurzaamheidseisen, bedoeld in het vorige lid, blijkt uit een audit, bedoeld in artikel 3, derde lid, van het Besluit hernieuwbare energie vervoer, die is uitgevoerd door een onafhankelijke deskundige.

  • 5. Bij een verzoek om teruggaaf van accijns voor duurzaam geproduceerde E85 op grond van artikel 71 van de wet wordt de teruggaaf verleend naar het tarief van ongelode lichte olie genoemd in artikel 27, eerste lid, onderdeel a, van de wet, met inachtneming van de vermindering die op grond van artikel 71h van de wet op dat tarief is toegepast.

R

In artikel 43, derde lid, worden ‘AY02’, ‘BY02’ en ‘CY02’ vervangen door onderscheidenlijk AQ10, BQ10 en CQ10.

S

Artikel 52 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. In de administratie van degene die de accijnszegels heeft aangevraagd zijn alle benodigde bescheiden ter staving van het verzoek om teruggaaf opgenomen zoals een ambtelijk relaas van vernietiging of een door G4S Value Services BV verstrekt verrekenbewijs.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Het verzoek om teruggaaf van accijns wordt ingediend uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin de accijnszegels zijn teruggezonden, zijn verloren gegaan of onder ambtelijk toezicht zijn vernietigd dan wel uiterlijk drie maanden na het tijdstip waarop de accijns, overeenkomstig artikel 76a, eerste lid, van de wet, in een andere lidstaat is geïnd.

T

In artikel 55a wordt ‘Minister van Justitie’ vervangen door: Minister van Veiligheid en Justitie.

U

Artikel 56 komt te luiden:

Artikel 56

Een op grond van artikel 84 van de wet gevorderd monster wordt:

  • a. genomen onder toezicht van de inspecteur of een door hem aangewezen ambtenaar;

  • b. zodanig verpakt, dat de identiteit van het monster is gewaarborgd; en

  • c. onderzocht in of in opdracht van het Laboratorium van de Belastingdienst met gebruikmaking van internationaal erkende onderzoeksmethoden.

V

In artikel 63, onderdeel c, wordt ‘artikelen 45, 46, 48 en 49’ vervangen door: artikelen 45, 48 en 49.

W

In Bijlage B., opschrift, wordt ‘bier als bedoeld in artikel 4’ vervangen door: bier, bedoeld in artikel 5.

X

In Bijlage MO.1., opschrift, wordt ‘olie als bedoeld in’ vervangen door: olie, bedoeld in.

ARTIKEL XVIII

De Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 8 komt te luiden:

Artikel 8

Voor de toepassing van artikel 28, tweede lid, onderdeel d, van de wet worden aangewezen:

  • a. residuen afkomstig van vertical technology (VERTEC) voor het reinigen van zuiveringsslib;

  • b. regeneratiezandstof dat vrijkomt bij het stralen van voorwerpen of bij het vervaardigen van zandvormen in het productieproces van aluminium- en ijzergieterijen;

  • c. anorganische residuen van de destillatie of ontwatering van verontreinigd boorgruis;

  • d. residuen van zuivering in een afvalwaterbehandelingsinstallatie van afvalwater afkomstig van de rookgasontzwaveling van een kolengestookte elektriciteitscentrale;

  • e. residuen afkomstig van installaties voor het verbranden van specifiek ziekenhuisafval, en

  • f. poreuze perliteresiduen, poreuze vermiculiteresiduen, perlitestof en vermiculitestof afkomstig van de thermische en mechanische bewerking van het gesteente perlite en het mineraal vermiculite.

B

Hoofdstuk VII vervalt.

ARTIKEL XIX

De Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 20, eerste lid, aanhef, wordt ‘binnen drie maanden nadat’ vervangen door: uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin.

B

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Een verzoek om teruggaaf van belasting als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet, voor alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak, die zijn verloren gegaan of onder ambtelijk toezicht zijn vernietigd, wordt ingediend uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin de alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak zijn verloren gegaan of onder ambtelijk toezicht zijn vernietigd.

2. Het tweede lid, aanhef, komt te luiden: In de administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van belasting zijn de volgende gegevens opgenomen:.

C

Artikel 22 komt te luiden:

Artikel 22

Een verzoek om teruggaaf van belasting als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdelen c en e, van de wet wordt ingediend uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin de alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak hun bestemming hebben bereikt.

D

Artikel 39 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. In de administratie van degene die de belastingzegels heeft aangevraagd worden alle benodigde bescheiden ter staving van het verzoek om teruggaaf opgenomen zoals een ambtelijk relaas van vernietiging of een door G4S Value Services BV verstrekt verrekenbewijs.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Het verzoek om teruggaaf van belasting wordt ingediend uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin de belastingzegels zijn teruggezonden, zijn verloren gegaan of onder ambtelijk toezicht zijn vernietigd.

E

Artikel 42 komt te luiden:

Artikel 42

Een op grond van artikel 36 van de wet gevorderd monster wordt:

  • a. genomen onder toezicht van de inspecteur of een door hem aangewezen ambtenaar;

  • b. zodanig verpakt, dat de identiteit van het monster is gewaarborgd; en

  • c. onderzocht in of in opdracht van het Laboratorium van de Belastingdienst met gebruikmaking van internationaal erkende onderzoeksmethoden.

F

In de Bijlage, opschrift, wordt ‘vruchtenmoes als bedoeld in’ vervangen door: vruchtenmoes, bedoeld in.

ARTIKEL XX

De Regeling vrijstelling overdrachtsbelasting stedelijke herstructurering wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, tweede lid, sub c, wordt ‘Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer’ vervangen door: Minister van Infrastructuur en Milieu.

B

In artikel 2, tweede lid, wordt ‘Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer’ vervangen door: Minister van Infrastructuur en Milieu.

C

In artikel 4, derde lid, wordt ‘Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer’ vervangen door: Minister van Infrastructuur en Milieu.

ARTIKEL XXI

In artikel 1, tweede lid, sub d, van de Regeling vrijstelling overdrachtsbelasting voor investeringen in stedelijke herstructurering wordt ‘Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer’ vervangen door: Minister van Infrastructuur en Milieu.

ARTIKEL XXII

De Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4a wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Indien de aangifte ingevolge artikel 20 langs elektronische weg wordt gedaan, kan de aangiftebrief langs elektronische weg verzonden worden.

B

In artikel 29, onderdeel c, wordt ‘volgens artikel 10g van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965’ vervangen door: volgens artikel 27, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.

C

Artikel 30b wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef komt te luiden:

De inspecteur vermindert ambtshalve een inkomensgegeven dat op een te hoog bedrag is bepaald zodra hem dat is gebleken, tenzij:.

2. In onderdeel a wordt ‘zeven jaren’ vervangen door: vijf jaren.

D

In artikel 31a wordt ‘IJsland en Noorwegen’ vervangen door: IJsland, Noorwegen en Liechtenstein.

E

In artikel 41, onderdeel a, wordt ‘niet een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, dan wel de Belastingregeling voor het Koninkrijk, van toepassing is’ vervangen door: niet een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is en ook de Belastingregeling voor het Koninkrijk en de Belastingregeling voor het land Nederland niet van toepassing zijn.

F

Artikel 43a komt te luiden:

Artikel 43a

Aan de verplichting, bedoeld in artikel 47b, tweede lid, van de wet, wordt voldaan uiterlijk op het moment waarop de gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 53, tweede en derde lid, van de wet, door een administratieplichtige als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 aan de inspecteur worden verstrekt.

G

Artikel 43c wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel a, onder 1o, komt te luiden:

  • 1°. gegevens die worden gebruikt door de Rijksauditdienst ten behoeve van controles en onderzoeken als bedoeld in hoofdstuk VI van de Comptabiliteitswet 2001, of ten behoeve van door de Belastingdienst aan de Rijksauditdienst opgedragen werkzaamheden;.

2. In het eerste lid, onderdeel a, onder 2o, wordt ‘de dienst Domeinen’ vervangen door: het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf.

  • 3. In het eerste lid, onderdeel b, vervallen de onderdelen 1o en 2o, onder vernummering van de onderdelen 3o tot en met 6o tot onderdelen 1o tot en met 4o.

4. In het eerste lid, onderdeel d, aanhef, wordt ‘Minister van Economische Zaken’ vervangen door: Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

5. In het eerste lid, onderdeel d, onder 1o, wordt ‘het Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997’ vervangen door: hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen.

6. Aan het eerste lid, onderdeel d, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • 3°. gegevens over het inkomen van uitgetreden vissers, ten behoeve van het controleren van de juistheid van de aan die vissers toegekende financiële tegemoetkoming, bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel d, van de Regeling LNV-subsidies door de Dienst Regelingen;.

7. Het eerste lid, onderdeel e, komt te luiden:

  • e. de Minister van Veiligheid en Justitie:

    • 1°. gegevens over mogelijke ongebruikelijke transacties ten behoeve van de uitvoering en de handhaving van de Wet ter voorkoming van witwassen financieren van terrorisme door de Financial Intelligence Unit Nederland;

    • 2°. gegevens die van belang kunnen zijn bij het uitwisselen van rechtshulpverzoeken in het kader van de aanpak van grensoverschrijdende, zware criminaliteit door het Korps landelijke politiediensten/Dienst IPOL;

    • 3°. gegevens die worden gebruikt voor de uitvoering van de Politiewet 1993 door de Rijksrecherche;.

8. In het eerste lid, onderdeel g, wordt ‘Minister van Verkeer en Waterstaat’ vervangen door ‘Minister van Infrastructuur en Milieu’ en wordt ‘Ministerie van Verkeer en Waterstaat’ vervangen door: Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

9. Aan het eerste lid, onderdeel g, worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • 3°. gegevens omtrent rechthebbenden van auto’s, welke rechthebbenden eerste kentekenhouder zijn van een nieuw motorrijtuig met een roetfilter, ten behoeve van de uitvoering en handhaving door Agentschap NL van de Subsidieregeling voor motorrijtuigen met emissiearme dieselmotor en recht op teruggaaf BPM;

  • 4°. specifieke branche- en productkennis, resultaten en bevindingen van ingestelde onderzoeken en acties alsmede gegevens van burgers en bedrijven die behoren tot de doelgroep vuurwerkimporteurs, groothandelaren en detailhandelaren, ten behoeve van het selecteren van door de VROM-inspectie te inspecteren vuurwerkbedrijven;.

10. Het eerste lid, onderdeel h, komt te luiden:

  • h. de voorzitter van het managementteam van de FIOD: gegevens die door de FIOD worden gebruikt in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde ingevolge artikel 3 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;.

11. Het eerste lid, onderdeel i, komt te luiden:

  • i. de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Holland Midden: gegevens die worden gebruikt in het kader van de aan dit organisatieonderdeel toegewezen niet-fiscale toezichts- en opsporingstaken, doch met uitzondering van gegevens die worden gebruikt in het kader van de uitvoering en handhaving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme;.

12. In het eerste lid, onderdeel m, vervalt de zinsnede ‘(convenanten waarbij bestuursorganen een gemeenschappelijk handhavingstekort bestrijden)’.

13. Het eerste lid, onderdeel z, vervalt onder verlettering van de onderdelen aa en ab tot onderdelen z en aa.

14. Aan het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel aa (nieuw) door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • ab. de Minister van Infrastructuur en Milieu of het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting: de resultaten van bestandsbevragingen ter verificatie van bij de VROM-inspectie of het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting aanwezige informatie, voor zover niet afkomstig uit opsporingsonderzoeken, ten behoeve van het toezicht op woningcorporaties.

15. In het tweede lid wordt ‘onderdelen i en t’ vervangen door: onderdelen h, i en t.

16. In het derde lid, onderdeel b, wordt ‘gemiddelde rendementsgrondslag’ vervangen door: rendementsgrondslag.

ARTIKEL XXIII

Op subsidieaanvragen die zijn ingediend onder toepassing van het Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997 blijft artikel 43c, eerste lid, onderdeel d, onder 1o, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994, zoals dat luidde op 31 december 2008, van toepassing.

ARTIKEL XXIV

De Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt ‘artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen’ vervangen door ‘artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen’ en wordt ‘artikel 13, derde en vierde lid, van de Wet geldstelsel BES’ vervangen door: de artikelen 8.1 en 1.3, onderdeel k, van de Belastingwet BES.

B

Artikel 2, derde lid, vervalt.

C

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b1. Belastingdienst/Douane Landelijk Kantoor;

  • b2. Douaneregio’s:

    • Belastingdienst/Douane Amsterdam;

    • Belastingdienst/Douane Eindhoven;

    • Belastingdienst/Douane Groningen;

    • Belastingdienst/Douane Nijmegen;

    • Belastingdienst/Douane Roosendaal;

    • Belastingdienst/Douane Rotterdam Haven;

    • Belastingdienst/Douane Rotterdam Rijnmond;

    • Belastingdienst/Douane Schiphol Cargo;

    • Belastingdienst/Douane Schiphol Passagiers;.

2. Aan het eerste lid, onderdeel d, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • Belastingdienst/Central Liaison Office (B/CLO);.

3. In het eerste lid, onderdeel e, vervalt ‘– Belastingdienst/Central Liaison Office (B/CLO);’.

4. In het derde lid, aanhef, wordt ‘Het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel is’ vervangen door: Het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde organisatieonderdeel Belastingdienst/Caribisch Nederland en de in het eerste lid, onderdelen b1 en b2, genoemde organisatieonderdelen zijn.

5. Het derde lid, onderdeel c, komt te luiden:

c. de omzetbelasting, indien artikel 28 van de Wet op de omzetbelasting 1968 toepassing vindt, de omzetbelasting bij invoer, tenzij artikel 23 van de Wet op de omzetbelasting 1968 toepassing vindt, alsmede de algemene bestedingsbelasting bij invoer.

D

Artikel 3a wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. In de aanhef van het eerste lid (nieuw) wordt ‘Het in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel is’ vervangen door: De in artikel 3, eerste lid, onderdelen b1 en b2, genoemde organisatieonderdelen zijn.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. De in artikel 3, eerste lid, onderdelen b1 en b2, genoemde organisatieonderdelen zijn mede belast met de heffing en invordering van de omzetbelasting, indien artikel 7, zesde lid, of artikel 17h, tweede of derde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 toepassing vindt.

E

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt ‘artikel 3, eerste lid, onderdelen a, c, d en f’ vervangen door: artikel 3, eerste lid, onderdelen a, c1, c2, d en f.

2. Het derde lid komt te luiden:

3. De organisatieonderdelen, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdelen b1, b2 en e, staan onder leiding van de algemeen directeur Douane.

F

In artikel 5, eerste lid, wordt ‘de algemeen directeur van het in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel’ vervangen door ‘de algemeen directeur van de in artikel 3, eerste lid, onderdelen b1, b2 en e, genoemde organisatieonderdelen’. Voorts wordt ‘artikel 13c, derde lid, van de Wet geldstelsel BES’ vervangen door: artikel 1.3, onderdeel k, van de Belastingwet BES.

G

In artikel 5a, eerste lid, wordt ‘de algemeen directeur van het in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel’ vervangen door: de algemeen directeur van de in artikel 3, eerste lid, onderdelen b1, b2 en e, genoemde organisatieonderdelen’.

H

In artikel 6a, aanhef, wordt ‘artikel 2, eerste lid, onderdeel d’ vervangen door: artikel 2, eerste lid, onderdeel e.

I

In artikel 7 wordt ‘de algemeen directeur van het in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel’ vervangen door: de algemeen directeur van de in artikel 3, eerste lid, onderdelen b1, b2 en e, genoemde organisatieonderdelen.

J

In artikel 8 wordt ‘de algemeen directeur van het in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel’ vervangen door: de algemeen directeur van de in artikel 3, eerste lid, onderdelen b1, b2 en e, genoemde organisatieonderdelen.

K

In artikel 9 wordt ‘de algemeen directeur van het in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel’ vervangen door: de algemeen directeur van de in artikel 3, eerste lid, onderdelen b1, b2 en e, genoemde organisatieonderdelen.

L

In artikel 10 wordt ‘de artikelen 40, 41, 42, 45 en 48 van de in de overgangsperiode, bedoeld in artikel 13a, onderdeel b, van de Wet geldstelsel BES, als wet geldende Algemene Landsverordening Landsbelastingen’ vervangen door: de artikelen 8.83, 8.84, 8.85, 8.87 en 8.91 van de Belastingwet BES.

M

In artikel 11, tweede en derde lid, wordt ‘de algemeen directeur van het in artikel 3, eerste lid, onderdeel b genoemde organisatieonderdeel’ vervangen door: de algemeen directeur van de in artikel 3, eerste lid, onderdelen b1, b2 en e, genoemde organisatieonderdelen.

N

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt ‘Aruba of de Nederlandse Antillen’ vervangen door: Aruba, Curaçao of Sint Maarten.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Indien een lichaam op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Belastingwet BES, artikel 1, zesde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 of artikel 17, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 geacht wordt te zijn gevestigd in Nederland, ressorteert dit lichaam onder de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Limburg.

O

In artikel 18 wordt ‘artikel 53, tweede en derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen’ vervangen door: artikel 53, tweede en derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 8, derde lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen.

P

Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De onder de NAVO vallende organisaties, met uitzondering van het NATO C3 Agency te Den Haag, alsmede de in Nederland gestationeerde buitenlandse NAVO-militairen, ressorteren onder:

    • a. de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Haaglanden met betrekking tot de directe belastingen en de omzetbelasting op diensten; en

    • b. onder de algemeen directeur van de in artikel 3, eerste lid, onderdeel b1, b2 en e, genoemde organisatieonderdelen, met betrekking tot alle andere rijksbelastingen.

2. In het tweede lid wordt ‘de in het eerste lid genoemde voorzitter’ vervangen door: de in het eerste lid genoemde voorzitter en algemeen directeur.

Q

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdelen a tot en met aa, wordt vervangen door:

  • a. United Nations:

    • 1°. International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (ICTY);

    • 2°. International Criminal Tribunal for Rwanda (ICTR);

    • 3°. International Court of Justice (ICJ);

    • 4°. Maastricht Economic and social Research and training centre on Innovation and Technology (UNU-MERIT);

    • 5°. International institute for Infrastructural, Hydraulic and Environmental Engineering, Institute for Water Education (UNESCO-IHE);

    • 6°. Special Tribunal for Lebanon;

    • 7°. Special Court for Sierra Leone;

  • b. International Criminal Court (ICC);

  • c. Permanent Court of Arbitration (PCA);

  • d. Hague Conference on Private International Law (HCCH);

  • e. NATO C3 Agency;

  • f. European Union:

    • 1°. Vertegenwoordiging van de Europese Commissie;

    • 2°. Voorlichtingsbureau van het Europese Parlement;

    • 3°. European Police Office (Europol);

    • 4°. European Union’s Judicial Cooperation Unit (Eurojust);

    • 5°. Institute for Energy (IE);

  • g. Office of the High Commissioner on National Minorities of the Organisation for Security and Cooperation in Europe (HCNM/OSCE);

  • h. European Organisation for the Safety of Air Navigation (Eurocontrol);

  • i. European Space Agency / European Space Research and Technology Center (ESA/ESTEC);

  • j. European Patent Organisation (EPO);

  • k. Technical Centre for Agriculture and Rural Cooperation (CTA);

  • l. Iran-United States Claims Tribunal;

  • m. African Management Services Company B.V. (AMSCO);

  • n. International Organisation for Migration (IOM);

  • o. Common Fund for Commodities (CFC);

  • p. Organisation for the Prohibition of Chemical Weapons (OPCW);

  • q. het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Aruba;

  • r. het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao;

  • s. het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Sint Maarten;

  • t. diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen.

2. Het tweede lid, onderdeel a, komt te luiden:

  • a. de Nederlandse Taalunie;.

3. Het tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. Benelux Office for Intellectual Property;.

4. Het tweede lid, onderdeel c, komt te luiden:

  • c. Joint Aviation Authorities (JAA TO);.

5. In het tweede lid, onderdeel d, komt ‘te IJsselstein’ te vervallen.

R

De bijlage wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘A.’ geplaatst.

2. De regels die aanvangen met ‘Abcoude’, ‘Andijk’, ‘Bolsward’, ‘Breukelen’, ‘Lith’, ‘Loenen’, ‘Maarssen’, ‘Margraten’, ‘Nijefurd’, ‘Reeuwijk’, ‘Sneek’, ‘Wervershoof’, ‘Wunseradiel’ en ‘Wymbritersadiel’ vervallen.

3. In de regel die aanvangt met ‘Bodegraven’ wordt ‘Bodegraven’ vervangen door: Bodegraven-Reeuwijk.

4. In de regel die aanvangt met ‘Dalfsen’ wordt in de derde kolom ‘Nijmegen’ vervangen door: Groningen.

5. In de regel die aanvangt met ‘Eijsden’ wordt ‘Eijsden’ vervangen door ‘Eijsden-Margraten’.

6. In de regel die aanvangt met ‘Landsingerland’ wordt ‘Landsingerland’ vervangen door: Lansingerland.

7. In de regel die aanvangt met ‘Ommen’ wordt in de derde kolom ‘Nijmegen’ vervangen door: Groningen.

8. In de regel die aanvangt met ‘Putten’ wordt in de derde kolom ‘Amsterdam’ vervangen door: Nijmegen.

9. In de regel die aanvangt met ‘Pijnacker-Nootdorp’ wordt in de derde kolom ‘Nijmegen’ vervangen door: Amsterdam.

10. Na de regel die aanvangt met ‘Stein’ wordt een regel ingevoegd met in de eerste kolom ‘Stichtse Vecht’, in de tweede kolom ‘Utrecht-Gooi’ en in de derde kolom ‘Nijmegen’.

11. Na de regel die aanvangt met ‘Strijen’ wordt een regel ingevoegd met in de eerste kolom ‘Súdwest Frylân’, in de tweede kolom ‘Noord’ en in de derde kolom ‘Groningen’.

12. In de regel die aanvangt met ‘Teylingen’ wordt in de derde kolom ‘Groningen’ vervangen door: Amsterdam/Schiphol Cargo.

13. In de regel die aanvangt met ‘Texel’ wordt in de derde kolom ‘Amsterdam/Schiphol Cargo’ vervangen door: Groningen.

14. In de regel die aanvangt met ‘Zuidplas’ wordt in de derde kolom ‘Nijmegen/Rotterdam Rijnmond/Rotterdam Haven/Amsterdam’ vervangen door: Nijmegen/Rotterdam Rijnmond.

15. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • B. In afwijking in zoverre van hoofdstuk 3, ressorteert degene die belastingplichtig is op grond van de Belastingwet/BES of de Douane- en Accijnswet onder de Belastingdienst/Caribisch Nederland.

ARTIKEL XXV

De Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 wordt als volgt gewijzigd:

A

Het opschrift van afdeling 1 van hoofdstuk IB komt te luiden: Uitstel van betaling van inkomstenbelasting ter zake van stakingswinst die bestemd is voor herinvestering in een andere onderneming.

B

In artikel 1e, tweede lid, onderdeel b, wordt ‘in Noorwegen of in IJsland’ vervangen door: in Noorwegen, in IJsland of in Liechtenstein.

C

In artikel 1f, tweede lid, vervalt de tweede volzin.

D

In artikel 1g, eerste lid, tweede volzin, wordt ‘Noorwegen of IJsland’ vervangen door: Noorwegen, IJsland of Liechtenstein.

E

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. Op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige kan in geval van een vervreemding in het kader van een aandelenfusie als bedoeld in artikel 3.55 van de Wet inkomstenbelasting 2001, een splitsing als bedoeld in artikel 3.56 van die wet of een fusie als bedoeld in artikel 3.57 van die wet, het uitstel worden voortgezet, in welk geval de aandelen in of de winstbewijzen van de verkrijgende vennootschap voortaan worden geacht aan het verleende uitstel ten grondslag te liggen.

2. In het tiende lid wordt ‘Noorwegen en IJsland’ vervangen door: Noorwegen, IJsland en Liechtenstein.

F

In artikel 3, zevende lid, wordt ‘IJsland en Noorwegen’ vervangen door: IJsland, Noorwegen en Liechtenstein.

G

In artikel 4 vervallen het tweede lid alsmede de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid.

H

Het opschrift van hoofdstuk IC komt te luiden: Uitstel van betaling van schenk- of erfbelasting.

I

Na het opschrift van hoofdstuk IC wordt ingevoegd:

Afdeling 1 Uitstel van betaling van schenk- of erfbelasting bij bedrijfsopvolging

J

Na artikel 6b worden een afdeling en een artikel ingevoegd, luidende:

Afdeling 2 Uitstel van betaling van erfbelasting ter zake van de verkrijging van de blote eigendom van een woning, bedoeld in artikel 35 g van de Succesiewet 1956

Artikel 6c

  • 1. De ontvanger verleent de belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek uitstel van betaling voor belastingaanslagen betreffende de erfbelasting, bedoeld in artikel 25, twintigste lid, eerste volzin, van de wet, mits wordt ingestemd met door de ontvanger nader te stellen voorwaarden.

  • 2. Ingeval zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 25, twintigste lid, derde volzin, van de wet stelt de belastingschuldige de ontvanger daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.

K

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel c, onder 4°, komt te luiden:

  • 4°. de premie, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Wet werk en bijstand, alsmede een daarmee naar aard, strekking en omvang overeenkomende premie;.

2. Aan het eerste lid, onderdeel c, worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel 8° door een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • 9°. de inkomsten uit arbeid, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel n, van de Wet werk en bijstand;

  • 10°. een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk tot ten hoogste de bedragen, genoemd in artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.

L

In artikel 15, eerste lid, onderdeel f, wordt ‘€ 10,10’ vervangen door: € 9,30.

M

Artikel 16, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘verhoogd met € 43,18 onderscheidenlijk € 21,59’ vervangen door: verhoogd met € 36,46 onderscheidenlijk € 18,23.

2. In onderdeel b wordt ‘verhoogd met € 21,59’ vervangen door: verhoogd met € 18,23.

N

In artikel 28, tweede lid, onderdeel e, wordt ‘Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit’ vervangen door: Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

O

Artikel 40d vervalt.

ARTIKEL XXVI

De Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt ‘17, tweede lid, 25’ vervangen door: 17, tweede lid, 21a, 25.

B

Na artikel 5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5a Herziening in het voordeel van belanghebbende

De Belastingdienst/Toeslagen herziet in het voordeel van de belanghebbende een toegekende of herziene tegemoetkoming die onherroepelijk is geworden zodra de Belastingdienst/Toeslagen is gebleken dat die tegemoetkoming op een te laag bedrag is vastgesteld, tenzij:

  • a. vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft;

  • b. de onjuistheid van de tegemoetkoming voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die tegemoetkoming onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën, zonodig in overeenstemming met de Ministers die het aangaat, anders heeft bepaald;

  • c. de onjuistheid van de tegemoetkoming voortvloeit uit beleidsregels van de Minister van Financiën of van de Ministers die het aangaat, die eerst zijn uitgevaardigd nadat die tegemoetkoming onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën, zonodig in overeenstemming met de Ministers die het aangaat, anders heeft bepaald;

  • d. de onjuistheid van de tegemoetkoming voortvloeit uit de omstandigheid dat eerst nadat die tegemoetkoming onherroepelijk vast is komen te staan een beroep wordt gedaan op een faciliteit, waarop een beroep moet worden gedaan op een eerder wettelijk voorgeschreven moment; of

  • e. sprake is van enig feit waardoor de tegemoetkoming op een te laag bedrag is vastgesteld en een andere tegemoetkoming, al dan niet van dezelfde belanghebbende, ter zake van datzelfde feit op een te hoog bedrag is vastgesteld en ter zake daarvan niet is of kan worden teruggevorderd, met dien verstande dat in dat geval wel in het voordeel van belanghebbende wordt herzien voor zover het te laag vastgestelde bedrag van de tegemoetkoming het te hoog vastgestelde bedrag van de andere tegemoetkoming dat niet is of kan worden teruggevorderd te boven gaat.

C

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt ‘bezwaar’ vervangen door: bezwaar of herzieningsverzoek.

2. In het eerste lid wordt ‘bezwaar’ vervangen door: bezwaar of verzoek om herziening als bedoeld in artikel 21a van de wet.

3. Aan het tweede lid wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Onder een verzoek om ambtshalve vermindering wordt mede verstaan een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 9.5, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

ARTIKEL XXVII

In de Uitvoeringsregeling internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen wordt artikel 2a, eerste lid, als volgt gewijzigd:

1. Onder verlettering van de onderdelen b tot en met g tot onderdelen g tot en met l, worden na onderdeel a vijf onderdelen ingevoegd, luidende:

  • b. Curaçao;

  • c. Sint Maarten;

  • d. Bonaire;

  • e. Sint Eustatius;

  • f. Saba;.

2. Onderdeel l (nieuw) vervalt, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel k (nieuw) door een punt.

ARTIKEL XXVIII

Inde Regeling Stuf-WOZ komt artikel 2 te luiden:

Artikel 2

Het college van burgemeester en wethouders of de in artikel 1, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken bedoelde gemeenteambtenaar levert de gegevens volgens het uitwisselingsformaat, bedoeld in artikel 1, aan afnemers door het op elektronische wijze toezenden, mits de desbetreffende afnemer zich met de gebruikte infrastructuur akkoord heeft verklaard, met dien verstande dat de levering van gegevens over feiten of omstandigheden die geen inhoudelijke wijziging betekenen van de genomen beschikking op papier kan plaatsvinden.

ARTIKEL XXIX

De Uitvoeringsregeling investeringsaftrek Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de BES eilanden 2010 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef, vervalt ‘met dien verstande dat voor investeringen in categorie B, apparatuur en processen, een energiebesparingsnorm van ten minste 0,3 Nm3 aardgasequivalenten per jaar per geïnvesteerde € 0,45 geldt,’.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘voor zover een vergunning voor het bouwen noodzakelijk is’ vervangen door: voor zover sprake is van een investering in een of meerdere voorzieningen als bedoeld in artikel 1, onderdeel D, onder 2.1.A, onder a, van die bijlage.

3. Het eerste lid, onderdeel c, komt te luiden:

  • c. – voor zover sprake is van een investering in een of meerdere voorzieningen als bedoeld in bijlage 1 van deze regeling in artikel 1, onderdeel A, onder 1.2.J, onder c, of in artikel 1, onderdeel A, onder 1.2.K, of in artikel 1, onderdeel B, onder 1.2.L, onder c, of in artikel 1, onderdeel B, onder 1.2.M, of in artikel 1, onderdeel B, onder 1.2.O, of in artikel 1, onderdeel D, onder 5.1.A, of in artikel 1, onderdeel D, onder 5.1.B, of in artikel 1, onderdeel D, onder 5.1.E – door het bevoegde gezag voor het bedrijfsmiddel of onderdeel daarvan een milieuvergunning of een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is afgegeven ten tijde van de aanmelding, bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet.

4. Het eerste lid, onderdeel d, vervalt.

B

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt ‘artikel 3, eerste lid, onderdeel b respectievelijk onderdeel c’ vervangen door: artikel 3, eerste lid, onderdeel b.

2. In het vijfde lid wordt ‘artikel 3, onderdeel d’ vervangen door: artikel 3, onderdeel c.

3. In het zesde lid wordt ‘artikel 3, onderdelen b, c en d’ vervangen door: artikel 3, onderdelen b en c.

ARTIKEL XXX

De Regeling groenprojecten buitenland 2002 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘artikel 5.14, zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001’ vervangen door: artikel 5.14, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

2. In het tweede lid, onderdeel e, wordt ‘de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer’ vervangen door: de Minister van Infrastructuur en Milieu.

3. In het tweede lid, onderdeel h, wordt ‘de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer’ vervangen door ‘de Minister van Infrastructuur en Milieu’. Voorts wordt ‘onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de Minister van Economische Zaken en de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking’ vervangen door: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de Minister van Buitenlandse Zaken.

B

In artikel 6, tweede, derde, vierde en vijfde lid, wordt ‘de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer’ vervangen door: de Minister van Infrastructuur en Milieu.

C

In artikel 7, onderdelen a, d en g, wordt ‘de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer’ vervangen door: de Minister van Infrastructuur en Milieu.

D

In artikel 8, onderdelen a en b, wordt ‘de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer’ vervangen door: de Minister van Infrastructuur en Milieu.

E

In artikel 10, vierde lid, wordt ‘de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer’ vervangen door ‘de Minister van Infrastructuur en Milieu’. Voorts wordt ‘onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de Minister van Economische Zaken en de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking’ vervangen door: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de Minister van Buitenlandse Zaken.

ARTIKEL XXXI

In de Aanwijzing als werkgever en uitzondering verzekeringsplicht werknemersverzekeringen wordt in artikel 5a‘bedoeld in artikel 2b, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001’ vervangen door: bedoeld in artikel 2.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011.

ARTIKEL XXXII

In de Regeling Wet financiering sociale verzekeringen wordt in artikel 3.13, derde lid, onderdeel d, ‘als bedoeld in artikel 64, tweede lid, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001’ vervangen door: als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011.

ARTIKEL XXXIII

In de Kaderregeling subsidies duurzaamheid verkeer en waterstaat wordt in artikel 12, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, ‘ingevolge artikel 67 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001’ vervangen door: ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011.

ARTIKEL XXXIV

De Tijdelijke subsidieregeling innovatie binnenvaart wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 6, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, wordt ‘ingevolge artikel 67 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001’ vervangen door: ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011.

B

In artikel 25, tweede lid, wordt ‘ingevolge artikel 67 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001’ vervangen door: ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011.

ARTIKEL XXXV

In de Tijdelijke subsidieregeling maritieme innovatie wordt in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, ‘ingevolge artikel 67 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001’ vervangen door: ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011.

ARTIKEL XXXVI

In de Tijdelijke subsidieregeling Wereldwijd Werken met Water wordt in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, ‘ingevolge artikel 67 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001’ vervangen door: ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011.

ARTIKEL XXXVII

In de Levensloopregeling rijkspersoneel wordt in artikel 2.2.1‘artikel 61k van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001’ vervangen door: artikel 5.11 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011.

ARTIKEL XXXVIII

In de IKAP-regeling rijkspersoneel wordt in artikel 1.1,onderdeel l, ‘artikel 29 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001’ vervangen door: artikel 29 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, zoals dit op 31 december 2010 luidde.

ARTIKEL XXXIX

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2011, met dien verstande dat:

    • a. de artikelen I, onderdelen A en B, en XXII, onderdeel G, onder 5, terugwerken tot en met 1 januari 2009;

    • b. artikel I, onderdeel G, terugwerkt tot en met 1 januari 2010;

    • c. artikel I, onderdeel H, eerste volzin, terugwerkt tot en met 30 maart 2010;

    • d. de artikelen I, onderdelen F, K en O, III, onderdelen A en C, XXII, onderdeel E, en XXVII, terugwerken tot en met 10 oktober 2010;

    • e. artikel III, onderdeel B, terugwerkt tot en met 31 december 2010;

    • f. artikel XXVI, onderdelen A, B en C, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot beschikkingen waarvan de dagtekening ligt na 31 december 2010;

    • g. artikel IV, onderdeel C, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot uitkeringen die op of na 1 januari 2011 zijn ingegaan.

  • 2. In afwijking van het eerste lid treden de artikelen XV, onderdeel J, XVI en XVII, onderdeel R, in werking met ingang van 1 maart 2011.

  • 3. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XXVIII in werking met ingang van 1 april 2011.

  • 4. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XI, onderdelen A en B, in werking met ingang van 1 april 2012.

  • 5. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XVII, onderdelen A en Q, in werking op hetzelfde tijdstip als waarop artikel XIV, onderdeel B, van Overige fiscale maatregelen 2011 in werking treedt.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 23 december 2010

De Staatssecretaris van Financiën,

F.H.H. Weekers.

TOELICHTING

Algemeen

De onderhavige regeling bevat wijzigingen van enige fiscale uitvoeringsregelingen, van enkele overige uitvoeringsregelingen en van de Wet op de accijns, waarbij een deel voortvloeit uit het Belastingplan 2011 (hierna: BP 2011), Overige fiscale maatregelen 2011 (hierna: OFM 2011) en de Fiscale verzamelwet 2010. Daarnaast betreft het zelfstandige wijzigingen en de implementatie van Europese regelgeving of internationale verdragen. Ook zijn bedragen en percentages geactualiseerd en aangepast aan loon- of prijsontwikkelingen, zijn redactionele wijzigingen doorgevoerd en zijn enige omissies hersteld.

In de onderhavige regeling zijn wijzigingen aangebracht in: de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: URIB 2001), de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001, de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (hierna: URLB 2001), de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (hierna: URLB 2011), de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering, de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971, de Regeling functionele valuta, de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965, de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting (hierna: URSEB), de Uitvoeringsbeschikking Registratiewet 1970, de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (hierna: UB OB 1968), de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: UR BPM 1992), de Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: UR MRB 1994), de Uitvoeringsregeling belasting zware motorrijtuigen (hierna: UR BZM), de Algemene douaneregeling, de Uitvoeringsregeling accijns (hierna: UR accijns), de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag (hierna: UR Wbm), de Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten (hierna: UR VB), de Regeling vrijstelling overdrachtsbelasting stedelijke herstructurering, de Regeling vrijstelling overdrachtsbelasting voor investeringen in stedelijke herstructurering, de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (hierna: UR AWR 1994), de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 (hierna: URBD 2003), de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (hierna: UR IW 1990), de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: UR Awir), de Uitvoeringsregeling internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, de Uitvoeringsregeling investeringsaftrek Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de BES eilanden 2010, de Regeling groenprojecten buitenland 2002, de Aanwijzing als werkgever en uitzondering verzekeringsplicht werknemersverzekeringen, de Regeling Wet financiering sociale verzekeringen, de Kaderregeling subsidies duurzaamheid verkeer en waterstaat, de Tijdelijke subsidieregeling innovatie binnenvaart, de Tijdelijke subsidieregeling maritieme innovatie, de Tijdelijke subsidieregeling Wereldwijd Werken met Water, de Levensloopregeling rijkspersoneel en de IKAP-regeling rijkspersoneel.

De meeste wijzigingen in de onderhavige regeling betreffen technische wijzigingen. Deze houden onder meer verband met de invoering van de werkkostenregeling, de uitvoering van de motie Jurgens c.s.1, het doortrekken van een bestaande anti-ontgaansbepaling inzake de VUT-heffing, de modernisering van de dividendnota, de inlichtingenuitwisselingsovereenkomst met Liechtenstein2, de implementatie van de Technische Herzieningsrichtlijn3, de implementatie van de Frauderichtlijn4, de per 1 april 2012 in werking tredende reisbureauregeling, de kortingsregeling voor Euro-6 dieselauto’s, de nieuwe uitstelfaciliteit in de Invorderingswet 1990 (hierna IW 1990) en wijziging van de termijn voor herziening in het voordeel van de belastingplichtige van zeven naar vijf jaren.

Ook worden diverse regelingen aangepast in verband met de vervanging van de URLB 2001 door de URLB 2011. Ten slotte worden enkele terminologische aanpassingen doorgevoerd in verband met de staatskundige herziening van het Koninkrijk per 10 oktober 2010 en in verband met de wijziging van de namen van enkele ministeries sinds het aantreden van het nieuwe kabinet.

Aan de wijzigingen van de diverse regelingen zijn geen zelfstandige budgettaire, nalevings- of uitvoeringseffecten verbonden.

Tevens wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om mee te delen dat – net als in 2010 – ook in 2011 de uitzonderingsmogelijkheid op het vlagvereiste van artikel 3.22, zesde lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 niet van toepassing is. Op basis van artikel 3.22, tiende lid, van de Wet IB 2001 is in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld dat op landelijk niveau de nettotonnage van voor de tonnageregeling kwalificerende schepen die de vlag voeren van een van de lidstaten gedurende de periode 2007 tot en met 2009 is afgenomen ten opzichte van de periode 2006 tot en met 2008. Het driejaarsgemiddelde is in de periode 2007 tot en met 2009 ten opzichte van het herberekende cijfer over de periode 2006 tot en met 2008 gemiddeld gedaald van 68,533% naar 66,480%. Voor schepen die in het kalenderjaar 2011 in gebruik worden genomen, houdt dit in dat de voorwaarde dat het schip de vlag voert van een van de lidstaten wel geldt, tenzij een van de uitzonderingsgronden van artikel 3.22, zesde lid, onderdeel a of b, van de Wet IB 2001 van toepassing is. Er wordt op dit punt derhalve ook in 2011 geen bepaling in de URIB 2001 opgenomen.

Als bijlage bij deze toelichting zijn de bij de toelichting op de URLB 2011 behorende transponeringstabellen opgenomen in verband met de in de onderhavige regeling ter zake van de URLB 2011 opgenomen wijzigingen.

De in deze regeling opgenomen wijzigingen houden rekening met de voorziene vaste verandermomenten per de eerste van een kwartaal. Het merendeel van de wijzigingen treedt in werking op 1 januari 2011, waarvan enkele met terugwerkende kracht. De invoeringstermijn van twee maanden wordt niet gehaald nu de onderhavige regeling nauw samenhangt met het BP 2011. Het tijdstip waarop de maatregelen uit het BP 2011 en de daarmee samenhangende wetsvoorstellen door de Staten-Generaal zijn aanvaard, laat niet toe dat de invoeringstermijn in dit geval in acht wordt genomen.

Artikelsgewijs

Artikel I

Artikel I, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Ingevolge de Fiscale verzamelwet 2010 vervalt de in artikel 2.14 van de Wet IB 2001 opgenomen delegatiebevoegdheid met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2009. Ingevolge de onderhavige regeling vervalt ook het daarop gebaseerde artikel 4 van de URIB 2001 met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2009. Omdat de URIB 2001 dan niet langer uitvoering geeft aan artikel 2.14 van de Wet IB 2001, vervalt de in artikel 1 van de URIB 2001 opgenomen verwijzing naar artikel 2.14 van de Wet IB 2001 eveneens met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2009.

Artikel I, onderdeel B (artikel 4 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Artikel 4 van de URIB 2001 ziet op de splitsing in een box 1-gedeelte en een box 3-gedeelte van lijfrenten of andere periodieke uitkeringen of verstrekkingen uit een inkomensvoorziening, waarvan de premie niet geheel als uitgave voor een inkomensvoorziening in aanmerking is genomen. In het Belastingplan 2009 is de Wet IB 2001 zodanig gewijzigd dat een dergelijke splitsing met ingang van 1 januari 2009 niet meer aan de orde is. Artikel 4 van de URIB 2001 kan daarom met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2009 vervallen.

Artikel I, onderdeel C (artikel 6 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

De wijziging van artikel 6, tweede lid, onderdeel b, van de URIB 2001 houdt verband met de nieuwe benamingen van een aantal ministeries sinds het aantreden van het nieuwe kabinet. Inhoudelijk verandert er niets.

Artikel I, onderdeel D (artikel 8 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Bij het bepalen van de winst komen ten behoeve van de belastingplichtige zelf gemaakte kosten en lasten in verband met een verhuizing naar een andere woonruimte op grond van artikel 3.17, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, van de Wet IB 2001 in aftrek tot de kosten van het overbrengen van de inboedel, vermeerderd met € 7750. Voor aftrek is vereist dat de belastingplichtige in het kader van de onderneming is verhuisd.

Met ingang van 1 januari 2009 geldt op grond van artikel 8, eerste lid, van de URIB 2001 dat de ondernemer in ieder geval in het kader van de onderneming is verhuisd als hij binnen twee jaar na verplaatsing van de onderneming is verhuisd naar een woning binnen een afstand van 10 kilometer van de nieuwe vestigingplaats van de onderneming terwijl hij op een afstand groter dan 25 kilometer van deze vestigingsplaats woonde. In andere situaties geldt de gebruikelijke bewijslastverdeling.

Met de wijziging van artikel 8 van de URIB 2001 wordt een nadere invulling gegeven aan de beschrijving van de situaties waarbij in ieder geval wordt aangenomen dat de ondernemer in het kader van de onderneming is verhuisd. Gebleken is namelijk dat er meer verhuizingen zijn waarbij op voorhand op basis van de verkleining van de woon-werkafstand kan worden gezegd dat sprake is van een verhuizing in het kader van de onderneming.

In de praktijk wordt de verhuizing die binnen twee jaar na verplaatsing van de onderneming plaatsvindt als zakelijk aangemerkt, als door de verhuizing de tot die verhuizing ten minste 25 kilometer belopende afstand tussen zijn woning en de vestigingsplaats van de onderneming met ten minste 60% is verkleind. Dit geldt ongeacht of de ondernemer is verhuisd naar een woning binnen een afstand van 10 kilometer van de nieuwe vestigingsplaats van de onderneming.

Met de wijziging van artikel 8 van de URIB 2001 wordt dit gecodificeerd. Hiermee wordt vastgelegd dat iedere verhuizing binnen twee jaar na verplaatsing van de onderneming waarbij de woon-werkafstand voor de verhuizing ten minste 25 kilometer was en door de verhuizing de woon-werkafstand met ten minste 60% wordt verkleind, wordt beschouwd als een verhuizing in het kader van de onderneming. Hierdoor wordt de verhuizing waarbij de woon-werkafstand wordt teruggebracht van ten minste 25 kilometer naar 10 kilometer of minder nog steeds zonder nadere toets als een verhuizing in het kader van de onderneming aangemerkt, maar is vastgelegd dat dit bijvoorbeeld ook geldt voor de verhuizing waarbij de woon-werkafstand van 100 kilometer wordt teruggebracht naar 40 kilometer of minder.

In artikel III, onderdeel B, is voor artikel 25 van de URLB 2001, zoals deze regeling tot 1 januari 2011 luidt, een overeenkomstige wijziging opgenomen.

Artikel I, onderdeel E (artikel 11 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In artikel 11 van de URIB 2001 wordt Liechtenstein toegevoegd als aangewezen staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. De aanwijzing van Liechtenstein houdt verband met de inwerkingtreding van het op 10 november 2009 te Brussel tot stand gekomen verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Vorstendom Liechtenstein inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen (Trb. 2010, 14, en Trb. 2010, 107).

Artikel I, onderdeel F (artikel 17a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In de tot de onderhavige wijziging geldende tekst van artikel 17a van de URIB 2001 is de term ‘Rijk’ opgenomen. Bedoeld wordt het Rijk in de publiekrechtelijke betekenis. Om eventuele onduidelijkheid te voorkomen wordt de genoemde term vervangen door ‘de rijksoverheid’.

Artikel I, onderdeel G (artikel 26b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Bij de regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 2009, nr. DB 2009-735M, tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen (Stcrt. 20549), is per 1 januari 2010 artikel 26b in de URIB 2001 opgenomen. In het tweede lid van dit artikel is per abuis verwezen naar artikel 4.17a, vierde lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 in plaats van naar artikel 4.17a, derde lid, onderdeel a, van die wet. Deze omissie wordt hierbij hersteld.

Artikel I, onderdeel H (artikel 28 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

De Regeling groenprojecten 2005 is met ingang van 30 maart 2010 vervangen door de Regeling groenprojecten 2010. Met de onderhavige wijziging wordt de in artikel 28 van de URIB 2001 opgenomen verwijzing hiermee in overeenstemming gebracht. Deze wijziging werkt terug tot en met 30 maart 2010.

Artikel I, onderdeel I (artikel 29 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Bij een verzoek om aanwijzing als groenfonds, sociaal-ethisch fonds of cultureel fonds (hierna: fonds) moet op grond van artikel 29, eerste lid, onderdeel b, van de URIB 2001 een afschrift worden overgelegd van de inschrijving in het register, bedoeld in artikel 1:107 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft). Deze eis wordt gesteld omdat uit het register het toezicht van de Nederlandsche Bank op de bancaire instelling blijkt. Voor instellingen die onder de vrijstelling van artikel 3:2, eerste lid, onderdeel c, van de Wft vallen, heeft de Nederlandsche Bank echter bepaald dat er geen toezicht van de Nederlandsche Bank nodig is, omdat dergelijke instellingen een bankgarantie hebben als bedoeld in dat onderdeel. Om de aanwijzing als fonds ook mogelijk te maken voor instellingen die onder de vrijstelling van artikel 3:2, eerste lid, onderdeel c, van de Wft vallen, wordt aan artikel 29, eerste lid, onderdeel b, van de URIB 2001 een zinsnede toegevoegd. Daarmee wordt bewerkstelligd dat in die situatie kan worden volstaan met het overleggen van een afschrift van de bankgarantie.

Artikel I, onderdeel J (artikel 29a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Vanaf 1 januari 2011 wordt het op grond van artikel 5.14, tweede lid, onderdeel a, artikel 5.15, tweede lid, onderdeel a, en artikel 5.18a, tweede lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 mogelijk dat banken ook als groenfonds, sociaal-ethisch fonds onderscheidenlijk cultuurfonds als bedoeld in die artikelen kunnen kwalificeren wanneer zij in voldoende mate indirect kredieten verschaffen aan groene, sociaal-ethische of culturele projecten.5

Om de inspecteur inzicht te bieden of het kredietbedrag daadwerkelijk aan een project ten goede komt, wordt in het op grond van de onderhavige wijziging aan artikel 29a van de URIB 2001 toe te voegen vierde lid bepaald dat uit de administratie van de inlenende rechtspersoon moet blijken ten goede van welk project het krediet is gekomen. Voor een indirecte kredietverstrekking ten behoeve van een project is het noodzakelijk dat de inlenende rechtspersoon het krediet voor hetzelfde bedrag en met dezelfde looptijd aan het project verstrekt.

Om dubbeltellingen te voorkomen, wordt in het op grond van de onderhavige wijziging aan artikel 29a van de URIB 2001 toe te voegen vijfde lid geregeld dat, als de inlenende rechtspersoon een fonds is, het inlenende fonds het geleende bedrag elimineert bij de vaststelling van de bezittingen en schulden. Het uitlenende fonds rekent met het oog op de vaststelling of aan het hoofdzakelijkheidscriterium is voldaan de desbetreffende vordering tot de bezittingen die zijn aangewend ten behoeve van een project.

Artikel I, onderdeel K (artikel 31 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In artikel 31 van de URIB 2001 zijn de voorwaarden opgenomen waaraan een rechtspersoon moet voldoen om te kwalificeren als een beginnende ondernemer in de zin van artikel 5.17, derde lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001. Een van die voorwaarden is dat die rechtspersoon is opgericht naar het recht van bepaalde staten. In de opsomming van die staten wordt het sinds 10 oktober 2010 niet meer bestaande land Nederlandse Antillen vervangen door de drie landen en de drie openbare lichamen waarin de Nederlandse Antillen per die datum uiteen gevallen zijn.

Artikel I, onderdeel L (artikel 36 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

De bedragen van de maximumaftrek voor levensonderhoud van kinderen zoals opgenomen in artikel 36 van de URIB 2001, worden per 1 januari 2011 geactualiseerd. De bijstelling vindt zoals gebruikelijk plaats op basis van de mutatie van het bedrag van de uitkering ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet en de tabelcorrectiefactor.

Artikel I, onderdeel M (artikel 37 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In artikel 37, eerste lid, van de URIB 2001 is de zogenoemde dieetkostentabel opgenomen. De dieetkostentabel bevat een limitatieve opsomming van de meerkosten die behoren bij de combinatie van type dieet, ziektebeeld en aandoening. Deze meerkosten zijn aftrekbaar als dieetkosten binnen de regeling uitgaven voor specifieke zorgkosten. De wijzigingen in de tabel vloeien hoofdzakelijk voort uit een prijsactualisatie voor het jaar 2011 die is uitgevoerd door het Nibud. Daarbij worden de meerkosten van een dieet bepaald door het verschil tussen de prijs van het referentiedieetadvies en die van de referentievoeding, omgerekend naar een bedrag per jaar. De meerkosten worden daarbij op 50 euro naar boven afgerond. Verschillen in meerkosten kunnen optreden doordat de kosten van bepaalde producten in de referentievoeding of de kosten van dieetproducten hoger of lager uitvallen ten opzichte van het voorgaande jaar. De overige wijzigingen in artikel 37, eerste en tweede lid, van de URIB 2001 zijn technisch van aard.

Artikel I, onderdeel N (artikel 40 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Het bedrag van de maximumaftrek voor weekenduitgaven voor gehandicapten zoals opgenomen in artikel 40 van de URIB 2001, wordt per 1 januari 2011 geïndexeerd op basis van de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet IB 2001.

Artikel I, onderdeel O (artikel 41d van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In de tot de onderhavige wijziging geldende tekst van het opschrift van artikel 41d van de URIB 2001 worden de Nederlandse Antillen en Aruba genoemd. Als gevolg van het niet meer bestaan van het land Nederlandse Antillen wordt dit in het genoemde opschrift vervangen door ‘Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de BES eilanden’.

Artikel I, onderdeel P (artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Tot en met 31 december 2010 gelden er voor de verschillende belastingen uiteenlopende termijnen voor het doen van een verzoek om ambtshalve vermindering. Een verzoek om ambtshalve vermindering van een belastingaanslag inkomstenbelasting of een inkomensgegeven moet zijn gedaan binnen zeven jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag respectievelijk het inkomensgegeven betrekking heeft. Voor de loonheffing geldt op basis van het beleidsbesluit Besluit ambtshalve verminderen of teruggeven dezelfde termijn; voor de overige aangiftebelastingen geldt daarentegen op basis van datzelfde beleid een termijn van vijf jaren. In het kader van de eenvoud wordt gekozen voor één termijn van vijf jaren voor alle belastingen. Deze termijn wordt ook gehanteerd bij de nieuwe herzieningsregeling in het voordeel van belanghebbende voor toeslagen (artikel XXVI, onderdeel B). Tevens worden artikel 45aa van de URIB 2001 en artikel 30b van de UR AWR 1994 aangepast. Het hanteren van één termijn voor belastingen en toeslagen bij herziening in het voordeel van belanghebbenden leidt tot vereenvoudiging en uniformering. Dit betekent ook een stroomlijning met de, voor belastingen en toeslagen, bestaande reguliere termijn die wordt gehanteerd bij herzieningsregelingen in het nadeel van belanghebbenden (naheffen, navorderen en terugvorderen). Deze herzieningen zijn immers ook slechts mogelijk gedurende een termijn van vijf jaren.

Voor de goede orde wordt opgemerkt dat met de toegevoegde zinsnede ‘zodra de inspecteur is gebleken’ zowel wordt gedoeld op de situatie dat belastingplichtige informatie heeft aangedragen, als op de situatie dat de Belastingdienst zelf op welke manier dan ook een onjuistheid op het spoor is gekomen. De Belastingdienst is niet verplicht onherroepelijk vaststaande belastingaanslagen inkomstenbelasting of inkomensgegevens te onderzoeken als er geen enkele aanleiding toe is.

Artikel II

Artikel II, onderdelen A en B (artikelen 13 en 15 van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001)

Om de liquiditeits- en financieringspositie van bedrijven die voor vervangings- of uitbreidingsinvesteringen staan te verbeteren, heeft het vorige kabinet voor de kalenderjaren 2009 en 2010 een zogenoemde tijdelijke willekeurige afschrijving ingevoerd voor investeringen in het belang van de bevordering van de economische ontwikkeling. Gezien de economische situatie heeft het kabinet besloten om deze maatregel ook te laten gelden voor investeringen die in 2011 worden verricht. Met de wijzigingen van de artikelen 13 en 15 van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 wordt bewerkstelligd dat de tijdelijke willekeurige afschrijving met een jaar wordt verlengd en daarmee ook geldt voor investeringen die zijn gedaan in 2011. In samenhang daarmee wordt voor investeringen uit 2011 de uiterste termijn voor ingebruikname gesteld op 31 december 2013. Voor investeringen in schepen in het kalenderjaar 2011 wordt als aanvullende voorwaarde gesteld dat de winst met betrekking tot het schip niet vóór 1 januari 2021 mag worden bepaald aan de hand van het tonnageregime van artikel 3.22 van de Wet IB 2001.

Artikel III

Artikel III, onderdeel A (artikel 2a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

In artikel 2a van de URLB 2001, die met ingang van 1 januari 2011 vervalt, wordt enkele malen verwezen naar de Nederlandse Antillen en Aruba. In verband met de staatkundige herziening van het Koninkrijk per 10 oktober 2010, worden deze verwijzingen met terugwerkende kracht tot en met die datum vervangen door verwijzingen naar Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de BES eilanden.

Artikel III, onderdeel B (artikel 25 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Op grond van artikel 15a, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964), zoals dit tot 1 januari 2011 luidt, behoren tot de vrije vergoedingen vergoedingen, in redelijkheid, ter zake van verhuizing, ter omvang van de kosten van het overbrengen van de inboedel vermeerderd met € 7750. Hierbij is vereist dat de werknemer in het kader van de dienstbetrekking is verhuisd.

Met ingang van 1 januari 2009 geldt op grond van artikel 25, eerste lid, van de URLB 2001 dat de werknemer in ieder geval in het kader van de dienstbetrekking is verhuisd als hij binnen twee jaar na aanvaarding van een nieuwe diensbetrekking of na overplaatsing binnen de bestaande dienstbetrekking is verhuisd naar een woning binnen een afstand van 10 kilometer van de nieuwe plaats van zijn dienstbetrekking terwijl hij op een afstand groter dan 25 kilometer van deze plaats woonde. In andere situaties geldt de gebruikelijke bewijslastverdeling.

Overeenkomstig de wijziging van artikel 8 van de URIB 2001 wordt ook artikel 25 van de URLB 2001 gewijzigd teneinde een nadere invulling te geven aan de beschrijving van de situaties waarbij in ieder geval wordt aangenomen dat de werknemer in het kader van de dienstbetrekking is verhuisd. Ook hier betreft het een codificatie van situaties die nu reeds op basis van de huidige wet- en regelgeving in aanmerking kunnen komen voor een onbelaste verhuiskostenvergoeding. Hiermee wordt vastgelegd dat iedere verhuizing binnen twee jaar na de aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking of na overplaatsing binnen de bestaande dienstbetrekking waarbij de woon-werkafstand voor de verhuizing meer dan 25 kilometer was en door de verhuizing de woon-werkafstand met ten minste 60% wordt verkleind, wordt beschouwd als een verhuizing in het kader van de dienstbetrekking. Hierdoor wordt de verhuizing waarbij de woon-werkafstand wordt teruggebracht van ten minste 25 kilometer naar 10 kilometer of minder nog steeds zonder nadere toets als een verhuizing in het kader van de dienstbetrekking aangemerkt, maar is vastgelegd dat dit bijvoorbeeld ook geldt voor de verhuizing waarbij de woon-werkafstand van 100 kilometer wordt teruggebracht naar 40 kilometer of minder.

Met ingang van 1 januari 2011 is de werkkostenregeling van kracht. In de per die datum geldende tekst van artikel 8.4 van de URLB 2011 is een overeenkomstige beschrijving opgenomen van situaties waarbij in ieder geval wordt aangenomen dat de werknemer in het kader van de dienstbetrekking is verhuisd. Indien een werkgever echter gebruik maakt van het in artikel 39c van de Wet LB 1964 opgenomen keuzeregime, kan de werkgever geen beroep doen op artikel 8.4 van de URLB 2011 maar zal hij terug moeten vallen op artikel 25 van de URLB 2001. Met het oog op het genoemde keuzeregime werkt de wijziging van artikel 25 van de URLB 2001, zoals deze regeling tot 1 januari 2011 luidt, terug tot en met 31 december 2010.

Artikel III, onderdeel C (artikel 27 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

In artikel 27, eerste lid, onderdeel c, van de URLB 2001, die met ingang van 1 januari 2011 vervalt, wordt verwezen naar de Nederlandse Antillen en Aruba. In verband met de staatkundige herziening van het Koninkrijk per 10 oktober 2010 wordt deze verwijzing met terugwerkende kracht tot en met die datum vervangen door een verwijzing naar Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de BES eilanden.

Artikel III, onderdeel D (artikel 34 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De bedragen van het in artikel 34 van de URLB 2001 zoals deze per 31 december 2010 luidde, opgenomen waarderingsvoorschrift van genot van bewassing, energie en water worden ingevolge artikel 39c, derde lid, van de Wet LB 1964 ook per 1 januari 2011 geactualiseerd. Door de combinatie van een geringe mutatie in de onderliggende indexcijfers en de wijze van afronding blijven de bedragen per dag en per week voor energie ten behoeve van andere dan verwarmings- en kookdoeleinden ongewijzigd. Om dezelfde reden blijven de in genoemd artikel 34, eerste lid, onderdelen a en e, opgenomen bedragen voor bewassing en water eveneens ongewijzigd.

Artikel III, onderdeel E (artikel 35 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De bedragen van het in artikel 35 van de URLB 2001 zoals deze per 31 december 2010 luidde, opgenomen waarderingsvoorschrift voor inwoning worden ingevolge artikel 39c, derde lid, van de Wet LB 1964 ook per 1 januari 2011 geactualiseerd.

Artikel III, onderdeel F (artikel 51 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De bedragen van het in artikel 51 van de URLB 2001 zoals deze per 31 december 2010 luidde, opgenomen waarderingsvoorschrift voor huisvesting aan boord van schepen en op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten worden ingevolge artikel 39c, derde lid, van de Wet LB 1964 ook per 1 januari 2011 geactualiseerd.

Artikel III, onderdeel G (artikel 55 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De bedragen van het in artikel 55 van de URLB 2001 zoals deze per 31 december 2010 luidde, opgenomen waarderingsvoorschrift voor maaltijden in bedrijfskantines worden ingevolge artikel 39c, derde lid, van de Wet LB 1964 ook per 1 januari 2011 geactualiseerd. Door de combinatie van een geringe mutatie in de onderliggende indexcijfers en de wijze van afronding blijven de bedragen met betrekking tot een ontbijt en een koffiemaaltijd ongewijzigd.

Artikel IV

Artikel IV, onderdeel A (artikel 1.1 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

De URLB 2011 geeft met ingang van 1 januari 2011 eveneens uitvoering aan de artikelen 27, 35, 35g en 39c, eerste lid, van de Wet LB 1964 en artikel 10e van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: UBLB 1965) en niet meer aan artikel 8 van dat besluit. Artikel 1.1. van de URLB 2011 wordt op dat punt aangepast.

Artikel IV, onderdeel B (artikel 2.3 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

De in artikel 2.3 van de URLB 2011 opgenomen lijst met internationale organisaties die niet-inhoudingsplichtig zijn, wordt door de onderhavige wijziging geactualiseerd en opnieuw ingedeeld. Bij de actualisering is het uitgangspunt gehandhaafd dat organisaties op de lijst worden opgenomen waarmee op enigerlei wijze, bijvoorbeeld in een zetelverdrag, is overeengekomen dat de betreffende organisatie geen inhoudingsplichtige voor de loonbelasting is. Bij de indeling is, voor zover overeenkomstig, de indeling aangehouden van de Regeling aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland 2010.

Artikel IV, onderdeel C (artikel 3.4 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

De tabel in artikel 3.4 van de URLB 2011 ter zake van de minimale uitkeringsperiode bij een stamrechtspaarrekening of een stamrechtbeleggingsrecht, wordt met deze wijziging geactualiseerd. De minimale periode tussen de eerste en de laatste uitkering, zoals genoemd in de derde kolom van de tabel, is gebaseerd op de door het Actuarieel Genootschap gepubliceerde overlevingstafels 2003–2008. De levensverwachting is gestegen voor met name mannen en vrouwen in de leeftijdscategorieën tot 45 jaar.

De geactualiseerde tabel is uitsluitend van toepassing in situaties waarin de eerste uitkering op of ná 1 januari 2011 plaatsvindt. Voor situaties waarin de eerste uitkering reeds vóór 1 januari 2011 heeft plaatsgevonden, blijft de tabel zoals opgenomen in artikel 12 van de URLB 2001 zoals die per 31 december 2010 luidde, van toepassing.

Artikel IV, onderdeel D (artikel 3.5 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

Door het gereserveerde artikel 3.5 wordt geregeld dat de krachtens de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen toegekende eenmalige premie, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, onderdeel b, van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen, niet tot het fiscale loon wordt gerekend, mits niet tevens een vergoeding voor vrijwilligerswerk wordt genoten als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, onderdeel c, van dat besluit. Met deze bepaling wordt invulling gegeven aan de met ingang van 1 januari 2011 in artikel 11b, onderdeel b, van de Wet LB 1964 opgenomen delegatiegrondslag. De eenmalige premie, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, onderdeel b, van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen, betreft de premie van ten hoogste € 2253 per kalenderjaar die door burgemeester en wethouders kan worden toegekend in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

Artikel IV, onderdeel E (artikel 3.7 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

In het kader van het BP 2011 is een verruiming van de werkkostenregeling aangekondigd met betrekking tot werkkleding met een bedrijfslogo, waarvan de nadere invulling thans plaatsvindt in lagere regelgeving. In artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, onder 2°, van de URLB 2011 wordt bepaald dat ook de waarde van ter beschikking gestelde kleding die per kledingstuk is voorzien van een of meer duidelijk zichtbare, aan de inhoudingsplichtige gebonden beeldmerken met een oppervlakte van tezamen ten minste 70cm² op nihil wordt gesteld. Van de gelegenheid is derhalve gebruik gemaakt om, zoals dat ook in de jurisprudentie is bevestigd ter zake van de tot 1 januari 2011 op grond van de URLB 2001 geldende regeling, ter verduidelijking in de tekst op te nemen dat de logo-eis per kledingstuk geldt. Ingevolge de aanhef van artikel 3.7, eerste lid, van de URLB 2011 geldt tevens de voorwaarde dat deze kleding geheel of gedeeltelijk op de werkplek gebruikt wordt. De afbakening middels de grootte van het bedrijfslogo vormt een werkbaar handvat voor de uitvoeringspraktijk en beperkt het aantal situaties aanzienlijk dat overleg met de inspecteur nodig is om te bepalen in hoeverre sprake is van kleding die niet in de vrije tijd draagbaar is of op de werkplek achterblijft. De waardering op nihil blijft namelijk eveneens gelden voor geheel of gedeeltelijk op de werkplek gebruikte kleding die niet voldoet aan de logo-eis, maar die wel anderszins uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om tijdens de vervulling van de dienstbetrekking te worden gedragen, of die achterblijft op de werkplek.

Voorts wordt aan artikel 3.7, eerste lid, van de URLB 2011 een nieuw onderdeel toegevoegd. In het nieuwe onderdeel g wordt bepaald dat de waarde van huisvesting en inwoning, met inbegrip van – indien mede verstrekt – het genot van energie, water en bewassing, op de werkplek ter vervulling van de dienstbetrekking op nihil wordt gesteld indien de werknemer niet op de werkplek woont en het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is zich aan deze voorziening te onttrekken. Daarbij moet gedacht worden aan het overnachten op de werkplek waarbij het, ook praktisch gezien, niet goed mogelijk is elders te overnachten, zoals dat het geval is aan boord van zeeschepen, op boorplatforms, bij parate diensten in een ziekenhuis of in een brandweerkazerne of bij slaapdiensten in de gehandicaptenzorg.

Artikel IV, onderdeel F (artikel 3.10 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

Het rentevoordeel van een personeelslening ter zake van de aanschaf van een fiets, elektrische fiets of elektrische scooter, wordt met ingang van 1 januari 2011 zonder nadere voorwaarden omtrent gebruik gesteld op nihil. In het kader van vereenvoudiging en ter bevordering van uitvoerbaarheid en controleerbaarheid vervalt de aanvankelijk in de per 1 januari 2011 geldende tekst opgenomen voorwaarde dat deze fiets, elektrische fiets of elektrische scooter, in overwegende mate gebruikt moet worden in het kader van woon-werkverkeer.

Artikel IV, onderdeel G (artikel 4.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

Met de onderhavige wijziging wordt in artikel 4.2 van de URLB 2011 Liechtenstein toegevoegd als aangewezen staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. De aanwijzing van Liechtenstein houdt verband met de inwerkingtreding van het op 10 november 2009 te Brussel tot stand gekomen verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Vorstendom Liechtenstein inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen (Trb. 2010, 14, en Trb. 2010, 107).

Artikel IV, onderdeel H (artikel 5.11 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

Met de wijziging van artikel 5.11 van de URLB 2011 wordt geregeld dat onder de in dat artikel gestelde voorwaarden het stellen van een uitwinbare zekerheid door een kredietinstelling, verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling die is gevestigd in Liechtenstein voor aanwijzing in de zin van dat artikel achterwege kan blijven, net zoals dat geldt voor een in een lidstaat, anders dan Nederland, van de Europese Unie of in IJsland of Noorwegen gevestigde kredietinstelling, verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling. De aanwijzing van Liechtenstein houdt verband met de inwerkingtreding van het op 10 november 2009 te Brussel tot stand gekomen verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Vorstendom Liechtenstein inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen (Trb. 2010, 14, en Trb. 2010, 107).

Artikel IV, onderdeel I (artikel 6.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

De wijziging van artikel 6.2 van de URLB 2011 houdt verband met de vaststelling van de factor ten behoeve van de berekening van een afwijkend loontijdvak bij een werknemer met vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of daarmee overeenkomende aanspraken. Voor het jaar 2011 wordt de factor voor de werknemer met vakantiebonnen voor 20 of meer vakantiedagen per jaar gesteld op 260/231. De factor voor de werknemer met vakantiebonnen voor 19 of minder vakantiedagen per jaar blijft ongewijzigd, namelijk 260/245.

Artikel IV, onderdeel J (artikel 7.1 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

In de op 14 september 2010 vastgestelde URLB 2011 is artikel 7.1 gereserveerd, omdat nog niet voor alle onderdelen van het op te nemen artikel een adequate delegatiegrondslag in de Wet LB 1964 was opgenomen. Ingevolge de Fiscale verzamelwet 2010 wordt per 1 januari 2011 in artikel 27 van de Wet LB 1964 een delegatiebepaling opgenomen, welke met de onderhavige wijziging wordt ingevuld in artikel 7.1 van de URLB 2011.

In het kader van de eerder aangehaalde motie Jurgens c.s. is artikel 10g van het UBLB 1965 (waarin een afwijkend tijdstip van inhouding van loonbelasting voor in de onderneming van de ouder werkzame kinderen is geregeld) in gewijzigde vorm opgenomen in de URLB 2011. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de tekst van artikel 76 van de URLB 2001 en de tekst van artikel 10g van het UBLB 1965 in dat kader te integreren, nu artikel 76 van de URLB 2001 eveneens ziet op in de onderneming van de ouder werkzame kinderen. Deze geïntegreerde tekst wordt opgenomen in artikel 7.1 van de URLB 2011. Het eerste en tweede lid van artikel 7.1 van de URLB 2011 zijn gebaseerd op artikel 27, zesde lid, van de Wet LB 1964. Het derde lid is gebaseerd op artikel 28, aanhef en onderdelen a, c en e, van de Wet LB 1964. Inhoudelijk is met deze aanpassingen geen wijziging beoogd.

Artikel IV, onderdeel K (artikel 7.7 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

In de op 14 september 2010 vastgestelde URLB 2011 is artikel 7.7 gereserveerd, omdat voor het op te nemen artikel nog geen adequate delegatiegrondslag in de Wet LB 1964 was opgenomen. Ingevolge de Fiscale verzamelwet 2010 wordt per 1 januari 2011 in artikel 28, onderdeel g, van de Wet LB 1964 een delegatiebepaling opgenomen, welke met de onderhavige wijziging wordt ingevuld in artikel 7.7 van de URLB 2011.

De tekst van artikel 7.7 van de URLB 2011 is ontleend aan artikel 73 van de URLB 2001, met dien verstande dat aan het begrip ‘tijdelijk’ invulling is gegeven. Ingeval een inhoudingsplichtige voorziet dat hij binnen 12 maanden weer werknemers in dienst neemt, zoals bij seizoensarbeid voorkomt, hoeft hij geen mededeling te doen van het einde van zijn inhoudingsplicht.

Artikel IV, onderdeel L (artikel 7.9 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

Ingevolge de Fiscale verzamelwet 2010 wordt de bepaling die tot en met 31 december 2010 is opgenomen in artikel 65, tweede lid, van de URLB 2001, verplaatst naar artikel 23, eerste lid, van de Wet LB 1964. De tekst van artikel 65, tweede lid, van de URLB 2001 was in de op 14 september 2010 vastgestelde URLB 2011 opgenomen in artikel 7.9, tweede lid, van de URLB 2011. De onderhavige wijziging houdt verband met het verplaatsen van de inhoud van dat tweede lid naar de Wet LB 1964.

Artikel IV, onderdeel M (artikel 8.3 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

Vanwege de vernummering van artikel 8 van het UBLB 1965 tot artikel 10e van dat besluit wordt de in de aanhef van artikel 8.3 van de URLB 2011 opgenomen verwijzing naar artikel 8 van het UBLB 1965 eveneens aangepast. Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel IV, onderdeel N (artikel 10.1 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

Artikel 10.1, eerste lid, van de URLB 2011 geeft uitvoering aan artikel 35, derde lid, onderdeel a, van de Wet LB 1964, zoals dit met ingang van 1 januari 2011 komt te luiden, en bepaalt in het kader van de belastingheffing van artiesten en beroepssporters in welke gevallen vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een maaltijd, niet tot de gage van artiesten en beroepssporters behoren. In artikel 10.1, tweede lid, van de URLB 2011 wordt vervolgens geregeld dat het eerste lid niet van toepassing is ingeval (naast de vergoeding) tevens sprake is van tijdens de werktijd verstrekte consumpties die geen deel uitmaken van een maaltijd. Inhoudelijk komen de bepalingen van artikel 10.1 van de URLB 2011 overeen met artikel 46 van de URLB 2001 dat als gevolg van het vervallen van de URLB 2001 per 1 januari 2011 zal vervallen.

Artikel IV, onderdeel O (artikel 11.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

Artikel 11.2, eerste lid, van de URLB 2011 geeft uitvoering aan artikel 35g, derde lid, onderdeel a, van de Wet LB 1964, zoals dit met ingang van 1 januari 2011 komt te luiden, en bepaalt in het kader van de belastingheffing van buitenlandse gezelschappen in welke gevallen vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een maaltijd, niet tot de gage behoren. In artikel 11.2, tweede lid, van de URLB 2011 wordt vervolgens geregeld dat het eerste lid niet van toepassing is ingeval (naast de vergoeding) tevens sprake is van tijdens de werktijd verstrekte consumpties die geen deel uitmaken van een maaltijd. Inhoudelijk komen de bepalingen van artikel 11.2 van de URLB 2011 overeen met artikel 46 van de URLB 2001 dat als gevolg van het vervallen van de URLB 2001 per 1 januari 2011 vervalt.

Artikel IV, onderdeel P (artikel 12.1 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

Ingevolge de Fiscale verzamelwet 2010 wordt de bepaling die tot en met 31 december 2010 is opgenomen in artikel 65, tweede lid, van de URLB 2001, per 1 januari 2011 verplaatst naar artikel 23, eerste lid, van de Wet LB 1964. De onderhavige wijziging houdt verband met deze verplaatsing.

Artikel IV, onderdeel Q (artikel 12.2a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

Ingevolge de tot 1 januari 2011 geldende tekst van artikel 32ba, eerste lid, van de Wet LB 1964 wordt een door een inhoudingsplichtige gedane en op hem drukkende uitkering ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding alsmede een door een inhoudingsplichtige voldane en op hem drukkende bijdrage of premie aan een fonds dat of een verzekeraar die een zodanige regeling uitvoert, aangemerkt als loon dat als een eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief van 26% (VUT-hefffing). Het tarief van 26% is een – bij wijze van overgangsrecht geïntroduceerd – verlaagd tarief voor de VUT-heffing. Dit overgangsrecht loopt af op 31 december 2010. Vanaf 1 januari 2011 geldt het op grond van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling geïntroduceerde tarief van 52%.

In artikel 32ba, derde lid, van de Wet LB 1964 is geregeld wanneer een uitkering, bijdrage of premie geacht wordt niet op de inhoudingsplichtige te drukken. Daarmee wordt beoogd om cumulatie van VUT-heffingen te voorkomen. Daartoe is bepaald dat een uitkering, een bijdrage of een premie wordt beschouwd niet te drukken op een inhoudingsplichtige voor zover de inhoudingsplichtige ter zake bedragen van werknemers heeft ingehouden of van andere inhoudingsplichtigen bijdragen of premies voldaan heeft gekregen; in die situatie zijn die bedragen en bijdragen of premies – althans in de structurele situatie – immers reeds in de heffing betrokken.

Om oneigenlijk gebruik van de laatstgenoemde bepaling te voorkomen, is in 2005 een regeling in artikel 106 van de URLB 2001 opgenomen, waarmee werd voorkomen dat het uiterst aantrekkelijk zou worden om in 2005 extra premies in een bestaand VUT-fonds te storten en deze bedragen na 2005 te gebruiken voor het doen van uitkeringen, waarbij tot het bedrag van de in 2005 gestorte bedragen de in artikel 32ba van de Wet LB 1964 bedoelde eindheffing niet zou gelden voor die uitkeringen. De tot 1 januari 2011 in artikel 106 van de URLB 2001 opgenomen regeling, wordt met ingang van die datum in artikel 12.2 van de URLB 2011 opgenomen.

De bovengenoemde mogelijkheid van oneigenlijk gebruik van de in artikel 32ba, derde lid, van de Wet LB 1964 opgenomen mogelijkheid zou zonder nadere bepaling mutatis mutandis eveneens gelden voor de inhouding van werknemersbijdragen of de voldoening van bijdragen of premies door een andere inhoudingsplichtige op een tijdstip dat de inhouding bij de werknemer op grond van de getroffen overgangsregeling nog voor de helft aftrekbaar was of dat ter zake van de voldoening van de bijdragen of premies nog een eindheffing op de voet van artikel 32ba van de Wet LB 1964 was verschuldigd van 26%. In situaties waarin naar verwachting ook na 31 december 2010 nog uitkeringen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding zullen worden gedaan, zou het uiterst aantrekkelijk worden om de daarvoor benodigde premies uiterlijk op 31 december 2010 in het VUT-fonds te storten. Daarbij zou – tot het bedrag van de tot en met die datum gestorte bedragen – voor die uitkeringen (feitelijk) nog steeds het overgangsregime blijven gelden. Om ook deze ontgaansmogelijkheden te voorkomen, wordt met ingang van 1 januari 2011 een met artikel 12.2 van de URLB 2011 vergelijkbare regeling in artikel 12.2a van de URLB 2011 opgenomen. Deze bepaling is evenals artikel 12.2 van de URLB 2011 gebaseerd op de in artikel 32ba, achtste lid, van de Wet LB 1964 opgenomen delegatiebevoegdheid.

Artikel 12.2a, eerste lid, van de URLB 2011 ziet – net als artikel 12.2, eerste lid, van de URLB 2011 – op de uitkeringen, premies of bijdragen die geheel of gedeeltelijk worden gefinancierd uit van de werknemers ingehouden bedragen en het tweede lid ziet – net als artikel 12.2, tweede lid, van de URLB 2011 – op uitkeringen, premies of bijdragen die geheel of gedeeltelijk worden gefinancierd uit bijdragen of premies die de inhoudingsplichtige voldaan heeft gekregen van andere inhoudingsplichtigen. Er is net als bij artikel 12.2 van de URLB 2011 bewust voor gekozen om de toepassing van deze bepalingen niet te koppelen aan de vraag in hoeverre daadwerkelijk heffing heeft plaatsgevonden, maar in hoeverre die heffing had moeten plaatsvinden op grond van de op het moment van inhouding of voldoening ter zake geldende wetgeving. De toets of de heffing daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is voor de inhoudingsplichtige – zeker in de situatie dat de inhouding of voldoening langer geleden heeft plaatsgevonden – in het algemeen immers niet goed mogelijk.

Artikel IV, onderdeel R (artikel 12.7 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

Artikel 12.7 van de URLB 2011 is gebaseerd op artikel 39c, eerste lid, van de Wet LB 1964 en geeft vorm aan de overgangsbepaling van de werkkostenregeling in lagere regelgeving. Indien de inhoudingsplichtige bij aanvang van het kalenderjaar, of bij aanvang van de inhoudingsplicht, ervoor kiest het oude regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen toe te passen, zijn de op dit punt relevante artikelen in lagere regelgeving, zoals deze luidde op 31 december 2010, van toepassing en gelden de met de werkkostenregeling samenhangende artikelen in deze regelgeving niet.

Ingeval wordt gekozen voor het overgangsregime, is in artikel 12.7, onderdeel a, onder 1°, van de URLB 2011 opgenomen dat hoofdstuk 4a van het UBLB 1965 niet van toepassing is. In artikel 12.7, onderdeel a, onder 2°, van de URLB 2011 is bepaald welke artikelen van de URLB 2011 niet van toepassing zijn. Tevens gelden bij toepassing van het overgangsregime nog wel de in artikel 12.7, onderdeel b, onder 1°, van de URLB 2011 genoemde artikelen 8 tot en met 10 en 10f van het UBLB 1965, zoals deze luidden op 31 december 2010. Ook de in artikel 12.7, onderdeel b, onder 2°, van de URLB 2011 genoemde artikelen van de URLB 2001 zoals die artikelen op 31 december 2010 luidden, blijven, met inachtneming van de krachtens artikel 39c, derde lid, van de Wet LB 1964 aangebrachte wijzigingen, van toepassing voor de inhoudingsplichtige die kiest voor het overgangsregime.

Artikel IV, onderdeel S (artikel 12.7a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

In verband met de eerder aangehaalde motie Jurgens c.s. en de invoering van de werkkostenregeling per 1 januari 2011 wordt artikel 10f van het UBLB 1965 per die datum in gewijzigde vorm opgenomen in de Wet LB 1964. Eén van de inhoudelijke wijzigingen in de bepaling is dat het op de voet van artikel 10f van het UBLB 1965 als loon in aanmerking te nemen bedrag (in terminologie van de werkkostenregeling: de vergoedingen voor reiskosten voor zover deze de gerichte vrijstelling overstijgen) niet wordt geacht te behoren tot het loon van het eerste loontijdvak van het volgende kalenderjaar, maar tot het loon van het laatste loontijdvak van het kalenderjaar waarin de vergoedingen worden verstrekt. Artikel 12.7a van de URLB 2011 bepaalt dat het bedrag dat als gevolg van de toepassing van artikel 10f, tweede of vierde lid, van de UBLB 1965 tot het loon moet worden gerekend, in aanmerking wordt genomen in het eerste loontijdvak van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de vergoeding is verstrekt. Hiermee wordt voorkomen dat de afrekening bij saldering van de reiskosten in het jaar dat de overstap naar de werkkostenregeling (2011, 2012, 2013 of 2014) wordt gemaakt, achterwege zou blijven.

Artikel V

Artikel V, onderdeel A (artikel 3 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

De wijziging van artikel 3 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering houdt verband met de vervanging van de URLB 2001 door de URLB 2011 per 1 januari 2011.

Artikel V, onderdeel B (artikel 6 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

De toetsbedragen ten behoeve van de inkomensevenredige herleiding van de afdrachtvermindering voor deeltijdwerkers zoals opgenomen in de tabel van artikel 6 van de Uitvoeringsregeling afdrachtverminderingen, worden per 1 januari 2011 geactualiseerd.

Artikel V, onderdeel C (artikel 11c van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

In artikel 11c van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering zijn de bedrijfssectoren aangewezen waarin de op de opleiding aansluitende arbeid moet worden verricht voor de toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs van artikel 14, eerste lid, onderdeel d, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: WVA) ingeval sprake is van werkend leren op hbo-niveau. De bedrijfssectoren zijn in de tot 1 januari 2011 geldende tekst ontleend aan de Standaard Bedrijfsindeling 1993 (SBI ‘93) van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Inmiddels is de SBI '93 echter vervangen door de Standaard Bedrijfsindeling 2008 (SBI 2008). Als gevolg daarvan wordt de in artikel 11c van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering opgenomen opsomming van de bedrijfssectoren met de onderhavige wijziging aangepast aan de SBI 2008. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd van de sectoren waarvoor de afdrachtvermindering kan worden toegepast.

Artikel V, onderdeel D (artikel 12 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

In artikel 12, derde lid, van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering is bepaald welke gegevens in de onderwijsarbeidsovereenkomst moeten zijn opgenomen om in aanmerking te komen voor de afdrachtvermindering onderwijs van artikel 14, eerste lid, onderdeel d, van de WVA ingeval sprake is van werkend leren op hbo-niveau. Daarbij is in de tot 1 januari 2011 geldende tekst van artikel 12, derde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering bepaald dat de periode of perioden waarop de overeenkomst betrekking heeft ten minste 6 maanden praktijk voor ten minste 32 uur per week dan wel ten minste twee keer 4 maanden praktijk voor ten minste 32 uur per week moet beslaan. De hiervoor genoemde perioden zijn ingesteld om continuïteit in de praktijk te realiseren, waarvoor een zekere mate van aaneengeslotenheid van de praktijkperiode bij één werkgever noodzakelijk is. De perioden geven de minimumomvang van de praktijkblokken aan. Een langere periode is dus mogelijk. De eis van ten minste 32 uur per week belemmert echter toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs ingeval sprake is van werkend leren op hbo-niveau bij een werkweek van minder dan 32 uur, terwijl beoogd is de afdrachtvermindering ook van toepassing te kunnen laten zijn voor werknemers die in het kader van een initiële opleiding aan een hogeschool in deeltijd op de opleiding aansluitende arbeid verricht. Om de genoemde belemmering te voorkomen, komt de eis van 32 uur per week te vervallen. De eis van de minimumperioden aan praktijk blijft bestaan.

Artikel VI

Artikel VI (artikel 2c van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971)

In artikel 2c van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 wordt Liechtenstein toegevoegd als aangewezen staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. De aanwijzing van Liechtenstein houdt verband met de inwerkingtreding van het op 10 november 2009 te Brussel tot stand gekomen verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Vorstendom Liechtenstein inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen (Trb. 2010, 14, en Trb. 2010, 107).

Artikel VII

Artikel VII, onderdeel A (artikel 1 van de Regeling functionele valuta)

De definitie van het begrip ‘andere geldeenheid’ in artikel 1, onderdeel b, van de Regeling functionele valuta wordt aangepast. In de huidige regeling wordt hieronder verstaan ‘geldeenheid van een Mogendheid waarvan de door de Nederlandsche Bank N.V. vastgestelde informatieve wisselkoers wordt gepubliceerd in de Officiële prijscourant van de Nederlandse effectenbeurs.’ Inmiddels worden de wisselkoersen van buitenlandse valuta door de Europese Centrale Bank in plaats van door de Nederlandse Bank N.V. vastgesteld. In het nieuwe artikel 1, onderdeel b, wordt geregeld dat onder ‘andere geldeenheid’ wordt verstaan de geldeenheid van een Mogendheid waarvan de door de Europese Centrale Bank vastgestelde informatieve wisselkoers wordt gepubliceerd op een voor het publiek algemeen toegankelijke informatiedrager. De Europese Centrale Bank publiceert dagelijks informatieve wisselkoersen op zijn website (thans: http://www.ecb.int/stats/exchange/eurofxref/html/index.en.html). Deze lijst bevat alle in de Officiële prijscourant van Euronext Amsterdam opgenomen informatieve wisselkoersen en een enkele andere buitenlandse wisselkoers.

Er is niet gekozen voor codificatie van de in het besluit van 2 augustus 2006, nr. CPP 2006/1094M, IFZ 2006/531, Stcrt. 152, onderdeel 3, opgenomen goedkeuring om de Regeling functionele valuta toe te passen voor alle op de website van de Nederlandsche Bank N.V. gepubliceerde valuta. Dit hangt samen met de informatiesystemen van de Belastingdienst.

Omdat de Belastingdienst in zijn informatiesystemen uitgaat van de informatieve wisselkoersen gepubliceerd door de Europese Centrale Bank, is geautomatiseerde verwerking van de aangiften door de Belastingdienst alleen mogelijk indien wordt aangesloten bij deze wisselkoersen.

Voorts wordt in artikel 1 van de Regeling functionele valuta een nieuw onderdeel d ingevoegd. In dit onderdeel wordt het begrip ‘gemiddelde koers van de andere geldeenheid over het desbetreffende jaar’ gedefinieerd. Dit begrip is in artikel 3, vijfde en zesde lid, en in artikel 4 van de Regeling functionele valuta opgenomen. Voor de in artikel 1, onderdeel b, van de Regeling functionele valuta bedoelde geldeenheden wordt de gemiddelde koers over het desbetreffende jaar berekend met behulp van de rekenkundige gemiddelden van de dagkoersen over de betreffende maanden. De gemiddelde koers over het desbetreffende jaar wordt berekend door het rekenkundige gemiddelde te nemen van deze (twaalf) maandkoersen. Deze berekeningwijze sluit aan bij de geautomatiseerde berekeningswijze van de wisselkoersen door de Belastingdienst.

Artikel VII, onderdeel B (artikel 2 van de Regeling functionele valuta)

De Regeling functionele valuta kan in beginsel worden toegepast voor alle binnenlandse belastingplichtigen in de zin van artikel 2 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet VPB 1969). Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wet VPB 1969 is artikel 7, vijfde lid, van die wet van overeenkomstige toepassing ten aanzien van buitenlandse belastingplichtigen. In artikel 2 van de Regeling functionele valuta wordt vastgelegd dat ook binnenlandse en buitenlandse belastingplichtigen waarop artikel 362, zevende lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is, gebruik kunnen maken van de functionele valuta. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan fondsen voor gemene rekening of aan buitenlandse rechtsvormen. In deze gevallen wordt als voorwaarde gesteld dat de jaarrekening wordt opgemaakt in de functionele valuta en dat (materieel) wordt voldaan aan de eis van artikel 362, zevende lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, namelijk dat de werkzaamheid van het lichaam of de internationale vertakking van zijn groep het gebruik van de vreemde valuta rechtvaardigt. Hiermee is de goedkeuring uit het besluit van 2 augustus 2006, nr. CPP 2006/1094M, IFZ 2006/531, Stcrt. 152, onderdeel 1, in de Regeling functionele valuta gecodificeerd.

Artikel VII, onderdeel C (artikel 3 van de Regeling functionele valuta)

De in artikel VII, onderdeel C, opgenomen wijziging is redactioneel van aard en houdt verband met de invoering van de Wet IB 2001 per 1 januari 2001.

Artikel VII, onderdeel D (artikel 5 van de Regeling functionele valuta)

Door middel van dit onderdeel wordt artikel 5 van de Regeling functionele valuta, dat geen materiële betekenis meer heeft, geschrapt.

Artikel VIII

Artikel VIII, onderdeel A (artikel 1a van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965)

In 1a van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 wordt Liechtenstein toegevoegd als aangewezen staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. De aanwijzing van Liechtenstein houdt verband met de inwerkingtreding van het op 10 november 2009 te Brussel tot stand gekomen verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Vorstendom Liechtenstein inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen (Trb. 2010, 14, en Trb. 2010, 107).

Artikel VIII, onderdeel B (artikel 1b van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965)

Artikel 1b van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 geeft aan welke gegevens op de dividendnota moeten worden vermeld. De wijzigingen van dit artikel zijn redactioneel van aard.

Artikel VIII, onderdeel C (artikel 2 van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965)

In het tot 1 januari 2011 geldende artikel 2 van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 is geregeld dat ingeval degene die ingevolge artikel 9 van de Wet dividendbelasting 1965 (hierna: Wet DB 1965) verplicht is een dividendnota uit te reiken, tevens de rechthebbende is, hij een dividendnota voor zichzelf vervaardigt. Artikel 2 van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 kan vervallen, omdat in de gevallen waarop het artikel betrekking heeft, de dividendnota voor de rechthebbende geen (aanvullende) informatie- of bewijsfunctie zal vervullen.

Artikel VIII, onderdeel D (artikel 3 van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965)

In het tot 1 januari 2011 geldende artikel 3 van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 zijn verplichtingen opgenomen voor degene die ingevolge artikel 9 van de Wet DB 1965 gehouden is dividendnota’s uit te reiken. Het betreft de verplichtingen om (i) de dividendnota’s doorlopend te nummeren, al dan niet in series, (ii) bepaalde dividendnota’s afzonderlijk doorlopend te nummeren, en (iii) dubbelen van de dividendnota’s te vervaardigen en deze gedurende vijf jaren op serie en nummer te bewaren. Deze verplichtingen met betrekking tot de dividendnota voldoen niet meer aan de eisen van deze tijd in verband met het sterk toegenomen (elektronische) effectenverkeer, de internationalisering en automatisering en kunnen vervallen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat voor de inhoudingsplichtige de algemene bepalingen uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gelden inzake het voeren van een administratie, waarbij onder meer een bewaarplicht is opgenomen.

Artikel IX

Artikel IX, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting)

In artikel 1 van de URSEB vervalt de verwijzing naar de delegatiebevoegdheid van artikel 1a, achtste lid van de Successiewet 1956 (hierna: SW 1956). Artikel 1a, achtste lid van de SW 1956 vervalt per 1 januari 2011 in verband met de invoering van artikel 5a, zevende lid, van de AWR.

Artikel IX, onderdeel B (artikel 2 van de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting)

Het tot 1 januari 2011 geldende artikel 2 van de URSEB geeft uitvoering aan het eveneens tot die datum geldende artikel 1a, achtste lid, van de SW 1956 en betreft de uitzondering in het kader van het partnerbegrip voor personen die door de opname in een verpleeg- of verzorgingshuis vanwege medische redenen of ouderdom niet meer op hetzelfde adres staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Deze personen kunnen op grond van genoemd artikel 2 alsnog aangemerkt worden als partners. Deze uitzondering wordt per 1 januari 2011 opgenomen in artikel 5a, zevende lid, van de AWR en wordt van overeenkomstige toepassing op de partnerregeling van de SW 1956. In dat kader komen artikel 1a, achtste lid, van de SW 1956 en artikel 2 van de URSEB te vervallen. Het vervallen van het laatstgenoemde artikel wordt met de onderhavige wijziging geregeld.

Artikel IX, onderdeel C (artikel 5 van de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting)

De wijziging van artikel 5 van de URSEB strekt ertoe dit artikel aan te passen aan de uitbreiding van de eenmalig verhoogde vrijstelling in de schenkbelasting voor kinderen voor schenkingen ter zake van de eigen woning (artikel 33, onder 5°, van de SW 1956). Artikel 5 van de URSEB bevat voorwaarden waaraan dergelijke schenkingen moeten voldoen om voor de vrijstelling in aanmerking te komen. De voorwaarden in artikel 5 gelden met ingang van 1 januari 2011 tevens voor de overgangsregeling van artikel 33, onder 6°, van de SW 1956. Met dit laatste wordt een omissie hersteld.6 Gezien het grote aantal wijzigingen in het artikel is er omwille van de leesbaarheid voor gekozen de bepaling in zijn geheel te vervangen. Tot 1 januari 2011 zag de vrijstelling alleen op schenkingen die strekken tot de verkrijging van een eigen woning door het kind. Dergelijke schenkingen vallen nog steeds onder de vrijstelling en het regime daarvoor is in beginsel ongewijzigd gebleven. Wel is de tekst op dit punt zodanig aangepast dat deze aansluit bij de per 1 januari 2011 geldende tekst van artikel 33, onder 5°, van de SW 1956: het moet gaan om een eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001, dat is een eigen woning waar de begiftigde zijn hoofdverblijf heeft, of om een eigen woning in de zin van het derde lid van dat artikel. Bij dat laatste lid gaat het om een woning die leeg staat of in aanbouw is en uitsluitend bestemd is om de begiftigde in het lopende kalenderjaar of de twee kalenderjaren daarna als eigen woning als bedoeld in het eerste lid van dat artikel ter beschikking te staan. In verband met de uitbreiding van de werkingssfeer van de vrijstelling is artikel 5, onderdeel a, van de URSEB in twee delen opgesplitst. Artikel 5, onderdeel a, onder 1°, van de URSEB is van toepassing op schenkingen die zijn gedaan onder de opschortende voorwaarde dat de begunstigde een eigen woning heeft verworven, een recht van erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot die eigen woning heeft afgekocht of een eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a van de Wet IB 2001 geheel of gedeeltelijk heeft afgelost.

Bij schenkingen die zien op de kosten van onderhoud en verbetering van de eigen woning zou het regime zoals dat geldt voor de verwerving van de eigen woning en voor onder meer de aflossing van de eigenwoningschuld op praktische bezwaren kunnen stuiten. Verbouwingen aan de eigen woning en onderhoud kunnen geruime tijd in beslag nemen en lopen soms onverwacht uit zonder dat de begunstigde dat altijd in de hand heeft. Als hier evenals in artikel 5, onderdeel a, onder 1°, van de URSEB de voorwaarde zou gelden dat de schenking onder opschortende voorwaarde moet worden gedaan, zou een dergelijke vertraging problemen kunnen opleveren voor een begunstigde die de maximumleeftijd nadert waarbij de vrijstelling nog geldt (tot 35 jaar). De schenking komt immers voor de toepassing van de SW 1956 pas tot stand op het moment dat de voorwaarde wordt vervuld. Als de voorwaarde pas wordt vervuld nadat de leeftijdgrens is overschreden, zou de vrijstelling niet meer gelden. Daarom is voor schenkingen die zien op kosten voor onderhoud en verbetering van de eigen woning in artikel 5, onderdeel a, onder 2°, van de URSEB gekozen voor een ander regime. Dat regime houdt in dat deze schenkingen moeten worden gedaan onder de ontbindende voorwaarde dat de schenking vervalt voor zover het geschonken bedrag niet binnen twee kalenderjaren na het jaar waarin de schenking is gedaan, is besteed aan de voldoening van de kosten voor verbetering of onderhoud van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste of derde lid, van de Wet IB 2001 van de begunstigde. De schenking komt op deze wijze ook voor de SW 1956 onmiddellijk tot stand, maar de vrijstelling voor de schenkbelasting wordt teruggenomen indien het geschonkene niet tijdig volgens de voorwaarden is besteed.

De tot 1 januari 2011 geldende onderdelen b en c van artikel 5 van de URSEB zijn tekstueel aangepast aan de uitbreiding van onderdeel a van dat artikel. De in onderdeel a, onder 1° en 2°, bedoelde schenkingen moeten derhalve bij notariële akte worden aangegaan en desgevraagd moet met schriftelijke bescheiden worden aangetoond dat het bedrag van de schenking daadwerkelijk door de schenker is betaald en door de begunstigde is aangewend voor een van de doeleinden, genoemd in onderdeel a.

Artikel X

Artikel X (artikel 7 van de Uitvoeringsbeschikking Registratiewet 1970)

Artikel 7 van de Uitvoeringsbeschikking Registratie 1970 regelt de openingstijden van de inspecties voor het aanbieden van de akten ter registratie. Op grond van de tot 1 januari 2011 geldende tekst van die bepaling zijn de genoemde inspecties hiervoor dagelijks gedurende zes uren geopend. Met de onderhavige wijziging wordt aangesloten bij de algemene openingstijden van de belastingkantoren.

Artikel XI

Artikel XI, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

Met ingang van 1 april 2012 geeft de UB OB 1968 tevens uitvoering aan artikel 28zb, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB 1968). Dit gebeurt door artikel 4d van de UB OB 1968 dat op grond van artikel XI, onderdeel B, toegevoegd wordt aan die uitvoeringsbeschikking.

Artikel XI, onderdeel B (artikel 4d van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

Op grond van artikel 28zb van de Wet OB 1968 kunnen reisbureaus kiezen of ze de winstmarge per reis of de winstmarge per tijdvak van aangifte, de omzetbelasting niet daaronder te begrijpen, als belastinggrondslag nemen. De ondernemer hoeft de Belastingdienst niet vooraf te informeren over zijn keus, wel moet deze keuze blijken uit de administratie. Artikel 4dvan de UB OB 1968 bevat de voorwaarden voor de duur die aan de keuze is gebonden om de winstmarge per reis of per tijdvak te bepalen. Uit oogpunt van handhaving en de gevolgen van de wisselwerking tussen de beide mogelijkheden van winstbepaling wordt een periode van minimaal vijf opeenvolgende jaren (5 x 12 maanden) gehanteerd. Voor deze periode is aansluiting gezocht bij hetgeen bij de margeregeling voor gebruikte goederen en de landbouwregeling is bepaald.

Na die vijfjaarsperiode mag bij de start van ieder aangiftetijdvak de keus herzien worden. Wel gaat na het herzien van de keuze een nieuwe vijfjaarsperiode in. Deze keuze geldt in beginsel vanaf het begin van een aangiftetijdvak. De reisbureauregeling treedt in werking met ingang van 1 april 2012. Het kan daardoor voorkomen dat het aangiftetijdvak een periode beslaat die qua aanvang niet kan aansluiten bij deze inwerkingtredingdatum, dit is bijvoorbeeld het geval indien het aangiftetijdvak een kalenderjaar omvat en aanvangt op 1 januari 2012. In dat geval behoeft niet te worden gewacht tot 1 januari 2013, maar kan vanaf 1 april 2012 deze keus worden gemaakt. Dit geldt voor alle aangiftetijdvakken die de datum van 1 april 2012 overlappen. De vijfjaarstermijn waarin men vervolgens aan die keuze gebonden is, wordt in die gevallen eenmalig verkort met het aantal maanden dat het aangiftetijdvak al loopt vóór 1 april 2012, tenzij in de daaropvolgende vijf jaren het aangiftetijdvak zodanig wijzigt dat op 1 april 2017 een nieuw aangiftetijdvak aanvangt.

Artikel XI, onderdeel C (artikel 11 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

In artikel 15, zesde lid, van de Wet OB 1968 is bepaald dat nadere regels kunnen worden gesteld omtrent de aftrek van belasting wanneer goederen en diensten door de ondernemer ook worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten waarvoor geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat. Daarbij moet vanaf 1 januari 2011 ook rekening worden gehouden met wijzigingen in het bedrijfs- en privégebruik van de onroerende zaken die behoren tot het bedrijfsvermogen van de ondernemer. Dit correctiemechanisme geldt zowel voor op- als neerwaartse wijzigingen in het privégebruik.

Bedoelde nadere regels zijn uitgewerkt in de artikelen 11 tot en met 15 van de UB OB 1968. Met betrekking tot onroerende zaken die behoren tot het bedrijfsvermogen van de ondernemer die deze gebruikt voor zowel bedrijfsactiviteiten als voor privé, wordt in het nieuwe vierde lid van artikel 11 van de UB OB 1968 bepaald dat de btw over de uitgaven in verband met die zaak wordt berekend op basis van het werkelijke gebruik van die onroerende zaak. Dit geldt, zoals hiervoor is aangegeven, voor alle uitgaven ter zake van die zaak zoals bijvoorbeeld de kosten van verwerving en renovatie.

Artikel XI, onderdeel D (artikel 16b van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

Het uitgangspunt in de Europese btw-wetgeving is dat de invoer van goederen is vrijgesteld van belasting, indien deze goederen na invoer intracommunautair worden geleverd aan een belastingplichtige in een andere lidstaat of worden overgebracht naar een andere lidstaat in de zin van artikel 3a van de Wet OB 1968.7 De voorwaarden waaronder deze vrijstelling wordt verleend, worden vastgesteld door de lidstaten. Om belastingfraude bij invoer tegen te gaan, is op Unie-niveau een aantal minimumvoorwaarden vastgesteld waaronder de vrijstelling wordt verleend. Deze voorwaarden zijn opgenomen in de Frauderichtlijn.

In de Nederlandse btw-wetgeving is de hiervoor bedoelde vrijstelling bij invoer in artikel 21, onderdeel d, van de Wet OB 1968 opgenomen. Het gaat hier om een voorwaardelijke vrijstelling. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorwaarden en beperkingen worden gesteld waaronder de vrijstelling wordt verleend.

De reeds in artikel 16b van de UB OB 1968 opgenomen voorwaarden worden aangevuld met voorwaarden die in de praktijk doorgaans al worden gevraagd. De aanvulling ziet op de in de frauderichtlijn gestelde minimumvoorwaarden die aan de toekenning van de vrijstelling per invoer zijn verbonden. Zo zal degene die de goederen invoert (hierna: importeur) aan de inspecteur de volgende informatie moeten verstrekken:

  • a. het door Nederland aan hem toegekende btw-identificatienummer of dat van zijn fiscaal vertegenwoordiger;

  • b. het btw-identificatienummer waaronder degene die de goederen intracommunautair afneemt in een andere lidstaat is geregistreerd of ingeval van overbrenging van eigen goederen het btw-identificatienummer waaronder de importeur zelf in de lidstaat van aankomst van het vervoer is geregistreerd;

  • c. op verzoek van de inspecteur het bewijs dat de ingevoerde goederen bestemd zijn om vanuit de lidstaat van invoer naar een andere lidstaat te worden vervoerd.

Voor het onder c bedoelde bewijs geldt de vrije bewijsleer. De importeur mag op alle mogelijke manieren het bewijs leveren dat de ingevoerde goederen bestemd zijn om naar een andere lidstaat te worden vervoerd. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan een kopie van een vrachtbrief, een polis vervoersverzekering of een (ondertekend) verkoopcontract.

Naast de voorwaarden die vanwege de Frauderichtlijn zijn opgenomen, kan de inspecteur bepalen dat de importeur zekerheid stelt tot het beloop van een door de inspecteur vastgesteld bedrag per invoer van goederen. Hierbij dient de importeur op verzoek aan de inspecteur de inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn om het beloop van de zekerheid vast te stellen. Hierop zijn de bepalingen in het Communautair Douanewetboek van overeenkomstige toepassing.

De inspecteur heeft de mogelijkheid om de vergunning in te trekken of te wijzigen. Dit kan zich voordoen indien de vergunning haar belang heeft verloren of indien er niet aan de in het tweede, derde en zesde lid gestelde voorwaarden wordt voldaan.

Artikel XI, onderdelen E en F (artikelen 25 en 25a Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

De wijzigingen opgenomen in de onderdelen D en E vloeien voort uit de Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de invoering van een nieuwe regeling voor de plaats van dienst voor de heffing van omzetbelasting, alsmede een nieuwe regeling voor de teruggaaf van omzetbelasting aan in een andere lidstaat gevestigde ondernemers (implementatie btw-pakket Stb. 546). De wijzigingen op dat punt van de onderhavige beschikking houden alle verband met de vernummering in artikel 12 van de Wet OB 1968 en hebben geen materiële betekenis.

Artikel XI, onderdelen G en H (artikel 29a en bijlage L van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

Op grond van artikel 28j, eerste lid, onderdeel c, van de Wet OB 1968 geldt voor de munten die opgenomen zijn in de lijst die de Europese Unie elk jaar publiceert in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie de regeling voor beleggingsgoud als bedoeld in hoofdstuk V, afdeling 6, van de Wet OB 1968. Op grond van artikel 29a van de UB OB 1968 wordt deze lijst met gouden munten ieder jaar tevens opgenomen in bijlage L van de UB OB 1968. Omdat een dergelijke dubbele publicatie niet langer nodig wordt geacht, vervallen artikel 29a en bijlage L van de UB OB 1968.

Artikel XII

Artikel XII, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

Artikel 1, eerste lid, van de UR BPM 1992 wordt aangepast in verband met het wijzigen van de delegatiegrondslag van artikel 7 van de UR BPM 1992, samenhangend met de inwerkingtreding van artikel 9b van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM 1992) per 1 januari 2011. Dit wordt nader toegelicht bij onderdeel C.

Artikel XII, onderdeel B (artikel 6a van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

In artikel 6a van de UR BPM 1992 is geregeld op welke wijze voor de toepassing van de artikelen 9, 9a en 9c van de Wet BPM 1992 de omvang van de CO2-uitstoot van een auto kan worden aangetoond. Naast een aanpassing van de delegatiegrondslag in de aanhef in verband met wijziging van artikel 9c van de Wet BPM 1992, wordt artikel 6a van de UR BPM 1992 redactioneel gewijzigd. De deels verouderde verwijzing naar specifieke Europese regelgeving wordt daarbij niet meer overgenomen maar voor zover nodig vervangen door een meer algemene formulering van dezelfde strekking. Daarbij vervalt het tweede lid, omdat het daar bepaalde feitelijk al voortvloeit uit onderdeel b van het huidige eerste lid. Verder wordt in de onderdelen a, b en c expliciet ook het door de fabrikant afgegeven certificaat van overeenstemming vermeld. Dit certificaat behoort bij de auto en geeft aan dat de auto is gebouwd volgens een Europese typegoedkeuring (hierna: ETG). Een certificaat van overeenstemming vermeldt de specificaties conform de criteria van de ETG zoals onder meer de CO2-uitstoot en de NOx-uitstoot van een personenauto. In principe moet het certificaat van overeenstemming met ieder voertuig worden meegeleverd. Daarnaast is het mogelijk een duplicaat van het certificaat van overeenstemming opnieuw aan te vragen bij de fabrikant van de auto. De omvang van bijvoorbeeld de emissie van CO2 en stikstofoxide moet in dit geval worden vastgesteld conform de terminologie en meetmethode van richtlijn 70/220/EEG, zoals ook het geval is bij de individuele keuringen bedoeld in onderdeel c. In onderdeel d tenslotte wordt de verwijzing naar deels verouderde Europese regelgeving vervangen door een verwijzing naar de hier bedoelde voorschriften van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UNECE), dan wel een gelijkwaardig internationaal reglement. De redactionele aanpassingen hebben geen inhoudelijke gevolgen.

Artikel XII, onderdeel C (artikel 7 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

De UR BPM 1992 wordt aangepast in verband met de inwerkingtreding per 1 januari 2011 van de korting voor Euro-6 dieselauto’s, opgenomen in artikel 9b Wet BPM 1992. Ingevolge het derde lid van artikel 9b van de Wet BPM 1992 worden bij ministeriële regeling nadere regels gesteld ter uitvoering van dit artikel. Hiertoe wordt het bestaande artikel 7 van de UR BPM 1992 aangepast. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat genoemd artikel 7 vervalt per 1 januari 2014, omdat dan de in artikel 9b van de Wet BPM 1992 opgenomen tijdelijke korting voor Euro-6 dieselpersonenauto's vervalt.

Het nieuwe artikel 7 van de UR BPM 1992 betreft de wijze waarop moet blijken dat een auto voldoet aan de in artikel 9b, eerste lid, van de Wet BPM 1992 bedoelde emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 2 van bijlage I van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PBEG L 171). Hiervoor zijn in principe dezelfde mogelijkheden beschikbaar als de opties opgenomen in artikel 6a van de UR BPM 1992.

Artikel 9b van de Wet BPM 1992 regelde tot 1 juli 2010 de korting voor dieselpersonenauto’s met een zeer lage uitstoot van fijnstof, waarbij in artikel 7 van de UR BPM 1992 was geregeld hoe kon worden aangetoond dat de uitstoot van de auto onder de gestelde grens lag. De wijze waarop kan worden aangetoond dat wordt voldaan aan de in het nieuwe artikel 9b van de Wet BPM 1992 gestelde voorwaarde komt in grote lijnen overeen met de wijze waarop de uitstoot van fijnstof kon worden aangetoond. Het bestaande artikel 7 van de UR BPM 1992 kan met enkele aanpassingen dan ook materieel in stand blijven. Wel wordt de delegatiegrondslag aangepast. Voorts worden dezelfde redactionele wijzigingen aangebracht, zoals toegelicht bij artikel XII, onderdeel B, ten aanzien van artikel 6a van de UR BPM 1992, inclusief het laten vervallen van het tweede lid. Kortheidshalve kan voor een toelichting op dit punt worden verwezen naar de toelichting bij artikel XII, onderdeel B.

Artikel XII, onderdeel D (artikel 8 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen)

In onderdeel b van artikel 8, vijfde lid, van de UR BPM 1992 is geregeld welke bescheiden bij de aangifte voor een gebruikt motorrijtuig moeten worden gevoegd indien bij de aangifte de afschrijving wordt bepaald aan de hand van een taxatie van het motorrijtuig. In de praktijk wordt bij hertaxaties, uitgevoerd op verzoek van de Belastingdienst, met enige regelmaat geconstateerd dat in een taxatierapport een aanmerkelijk lagere inkoopwaarde wordt opgeven dan de daadwerkelijke inkoopwaarde. Daarbij is het bovendien soms niet duidelijk of de vereiste fysieke opname van het motorrijtuig daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en zo ja, of het motorrijtuig daarbij op basis van een gedegen fysieke opname is beoordeeld. De juistheid van de BPM-heffing kan in die gevallen niet worden gegarandeerd. De bepaling in de uitvoeringsregeling wordt daarom aangepast.

Een taxatierapport moet voortaan zijn voorzien van een verklaring van de taxateur dat de waarde in het taxatierapport door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig, onder vermelding van plaats, datum en begin- en eindtijdstip van deze opname. Voorts wordt expliciet in de regeling opgenomen dat de aankoopfactuur en het betalingsbewijs desgevraagd aan de inspecteur moeten worden verstrekt. Deze stukken kunnen onder omstandigheden een aanvullende indicatie bieden bij de beoordeling van de juistheid van de opgegeven taxatiewaarde.

Volledigheidshalve zij nog opgemerkt dat ingevolge artikel 47, eerste lid, van de AWR een belastingplichtige in zijn algemeenheid is gehouden om desgevraagd aan de inspecteur gegevens, inlichtingen, boeken en bescheiden te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing ten aanzien van hemzelf. Artikel 8, vierde lid, van de UR BPM 1992 vormt een verbijzondering van dat artikel voor de BPM-aangifte voor gebruikte motorrijtuigen. Dit laat onverlet dat op basis van artikel 47, eerste lid, van de AWR op verzoek van de inspecteur ook andere bescheiden moeten worden overgelegd dan de in artikel 8, vierde lid van de UR BPM 1992 bedoelde bescheiden.

Artikel XIII

Artikel XIII (artikel 4c van de Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994)

In artikel 4c, vierde lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Uitvoeringsregeling MRB 1994) zijn motorrijtuigen waarvoor een bijzonder tarief geldt als bedoeld in de artikelen 29 en 30 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB 1994), uitgezonderd van de mogelijkheid om de belasting per maand te betalen per automatische incasso. Artikel 29 van de Wet MRB 1994 is echter vervallen. Verder is in de praktijk betaling per automatische maandincasso ook mogelijk voor de bijzondere voertuigen die ingevolge artikel 30 van de Wet MRB 1994 onder het kwarttarief vallen. De verwijzing naar deze artikelen kan dus komen te vervallen. Daarmee zijn alleen nog houders die zelf kiezen voor betaling van vier kwartalen ineens, en daarbij een korting van € 3 per kwartaal ontvangen, uitgesloten van de automatische maandincasso.

Artikel XIV

Artikel XIV, onderdelen A, B en D (artikelen 3 en 3a en bijlage I en II van de Uitvoeringsregeling belasting zware motorrijtuigen)

In de UR BZM wordt een herziening opgenomen van de lijst van aangiftepunten en de lijst van stations van in- en uitlading ten behoeve van de vrijstelling voor gecombineerd rail-wegvervoer. Deze lijsten zijn niet langer opgenomen in de bijlagen van de UR BZM, maar zijn digitaal beschikbaar. Daarnaast worden de digitale aangiftemethoden opgenomen in de UR BZM.

De achtergrond hiervan is dat de opgenomen lijsten verouderd waren, en dat sinds de introductie van het papierloze Eurovignet8 naast de fysieke aangiftepunten veel gebruik wordt gemaakt van de internet-aangiftepunten, terwijl deze niet in de UR BZM waren opgenomen.

Er zijn drie methoden om aangifte te doen van de belasting en op die manier een digitaal Eurovignet aan te schaffen. Ten eerste kan een bedrijf dat daarvoor een overeenkomst heeft gesloten met de Nederlandse Belastingdienst aangifte doen via het internetportaal van de Belastingdienst. Ten tweede kan iedereen, voornamelijk buitenlandse bedrijven, online aangifte doen via het internetportaal van de externe serviceprovider die de internationale inning verzorgt. Op dit moment is de provider AGES GmbH. Daarnaast kan een papierloos vignet gekocht worden op een aantal fysieke aangiftepunten, meestal benzinestations in de buurt van de grens.

Alle drie de methoden worden nu verankerd in de UR BZM. Daarbij worden de internetadressen van de portalen vermeld. De fysieke aangiftepunten staan voortaan op een door de Minister van Financiën bijgehouden lijst, die te raadplegen is op een onderdeel van de website van de Belastingdienst. Op deze manier is de lijst niet langer statisch, maar kan deze, als een aangiftepunt wegvalt of opent, direct aangepast worden. De lijst die tot nu toe in de UR BZM was opgenomen is verouderd geraakt.

De stations van in- en uitlading ten behoeve van de vrijstelling voor gecombineerd rail-wegvervoer zijn feitelijk plaatsen waar containers van vrachtwagens op treinen worden geladen of andersom. Voor de lijst waar deze in waren opgenomen geldt hetzelfde als voor de lijst van aangiftepunten. Ook deze wordt dus voortaan bijgehouden door de Minister van Financiën en is te raadplegen op de website van de Belastingdienst.

Artikel XIV, onderdeel C (Artikel 3b van de Uitvoeringsregeling belasting zware motorrijtuigen)

De wijziging van artikel 3b van de UR BZM houdt verband met de nieuwe benamingen van een aantal ministeries sinds het aantreden van het nieuwe kabinet. Inhoudelijk verandert er niets.

Artikel XV

Artikel XV, onderdelen A, C, D, E, onder 1, G, onder 2, H, onder 2, K, L en M (artikelen 1:2, 1:15, 1:17, 5:2, 5:4, 5:5, 7:29, 7:30 en 10:1 van de Algemene douaneregeling)

De wijzigingen van de artikelen 1:2, 1:15, 1:17, 5:2, 5:4, 5:5, 7:29, 7:30 en 10:1 van de Algemene douaneregeling houden verband met de nieuwe benamingen van een aantal ministeries sinds het aantreden van het nieuwe kabinet. Inhoudelijk verandert er niets.

Artikel XV, onderdeel B (artikel 1:11 van de Algemene douaneregeling)

De toevoeging aan het eerste lid van artikel 1:11 van de Algemene douaneregeling betreft een verduidelijking in het kader van de elektronische informatie uitwisseling met de Douane. De specificaties voor elektronische aangiften en berichten worden vastgelegd in een zogenoemde Message Implementation Guide (MIG). Deze MIG's worden aan de softwareontwikkelaars ter beschikking gesteld.

Artikel XV, onderdelen E, onder 2, F, G, onder 1, H, onder 1 en I (artikelen 5:2, 5:3, 5:4, 5: en 5:7 van de Algemene douaneregeling)

De artikelen 5:2, 5:3, 5:4, 5: en 5:7 van de Algemene douaneregeling hebben betrekking op de non-tarifaire handelspolitieke maatregelen. Een aantal communautaire bepalingen waarop deze maatregelen zijn gebaseerd zijn vervangen of aangepast. Voorts betreft de wijziging het herstel van een omissie en het laten vervallen van overbodige bepalingen.

Artikel XV, onderdeel J (artikel 7:17 van de Algemene douaneregeling)

In artikel 7:17 van de Algemene douaneregeling zijn forfaitaire accijnstarieven opgenomen die van toepassing zijn voor reizigersbagage en kleine zendingen die in Nederland worden ingevoerd en waarvoor geen vrijstelling van accijns kan worden verleend. In onderhavig artikel wordt het forfaitaire accijnstarief voor sigaretten en rooktabak overeenkomstig de wijziging van de accijnstarieven voor sigaretten en rooktabak met ingang van 1 maart 2011 aangepast. Dit forfaitaire accijnstarief is uitgedrukt in een percentage van de kleinhandelsprijs. Voor sigaretten zal het percentage per 1 maart 2011 57,0% bedragen. Voor rooktabak zal het percentage per 1 maart 2011 50,6% bedragen.

Artikel XVI

Artikel XVI (artikel 35 van de Wet op de accijns)

In artikel XXVI van het Belastingplan 2011 is bepaald dat de accijnstarieven voor sigaretten en rooktabak met ingang van 1 maart 2011 worden verhoogd met € 11,68 per 1000 sigaretten respectievelijk € 4,93 per 1000 gram rooktabak. Indien voorafgaande aan deze zogenaamde autonome verhoging een wijziging van de meest gevraagde prijsklasse (hierna: mppc) van sigaretten onderscheidenlijk rooktabak heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 35a van de Wet op de accijns, wordt de autonome accijnsverhoging op sigaretten en rooktabak eerst toegepast nadat de aanpassing op grond van artikel 35a van de Wet op de accijns is toegepast. Dit betekent dat de hiervoor genoemde autonome verhoging van accijns op sigaretten van € 11,68 respectievelijk rooktabak van € 4,93 wordt toegepast op de accijns zoals die volgt uit toepassing van artikel 35a van de Wet op de accijns. In artikel XXVI, vierde lid, van het Belastingplan 2011 is voorts geregeld dat, indien een wijziging van de mppc sigaretten of rooktabak inderdaad heeft plaatsgevonden, de ministeriële regeling tot aanpassing van de tarieven eveneens in werking treedt met ingang van 1 maart 2011, een en ander in afwijking van het vierde lid van artikel 35a van de Wet op de accijns, waarin is bepaald dat dit normaliter met ingang van 1 april 2011 zou dienen te gebeuren. De mppc wordt bepaald aan de hand van de in een kalenderjaar aangevraagde accijnszegels. Gebleken is dat de mppc van rooktabak inderdaad is gewijzigd van het pakje van 45 gram à € 5,50 naar het pakje van 42,5 gram à € 5,50. Kortom, op 1 maart 2011 vindt er één accijnsverhoging plaats voor zowel sigaretten als rooktabak. Voor sigaretten vindt er een autonome verhoging plaats. Voor rooktabak vindt er zowel een autonome verhoging plaats als een wijziging van de mppc rooktabak.

De kleinhandelsprijs van de nieuwe mppc sigaretten bedraagt met ingang van 1 maart 2011 € 273,68 per 1000 stuks. De totale accijns bedraagt € 156,00 waardoor voldaan wordt aan de eis dat deze minimaal 57% bedraagt van de kleinhandelsprijs van de mppc. De omzetbelasting bedraagt € 43,70 (19/119 van € 273,68). De totale belasting bedraagt derhalve € 199,70. Het specifieke deel van de accijns dient 50% te zijn van de totale belastingdruk en bedraagt derhalve € 99,85. Het ad valorem deel van de accijns zal dientengevolge € 56,15 bedragen, zijnde 20,52 percent van de kleinhandelsprijs. In artikel XXVI, derde lid, van het Belastingplan 2011 is voorts geregeld dat de aanpassing van de tarieven zodanig geschiedt dat het bedrag dat ten minste aan accijns dient te worden betaald gelijk is aan het totale bedrag van de accijns voor 1000 stuks sigaretten respectievelijk 1 kilogram rooktabak van de mppc. Het minimumaccijnsbedrag dient te worden vastgesteld op 100% van de accijns op de mppc en wordt dientengevolge € 156,00 per 1000 stuks sigaretten.

De wijziging van de mppc rooktabak en de autonome verhoging op rooktabak leiden er toe dat de totale accijns voor een kilogram rooktabak met ingang van 1 maart 2011 zal dienen te bedragen: € 65,54. De kleinhandelsprijs van de nieuwe mppc rooktabak bedraagt met ingang van 1 maart 2011 € 129,41 per kilogram. De totale accijns bedraagt € 65,54. De omzetbelasting bedraagt € 20,66 (19/119 van € 129,41). De totale belasting bedraagt derhalve € 86,20. Het specifieke deel van de accijns dient 50% te zijn van de totale belastingdruk en bedraagt derhalve – na afronding – € 43,10. Het ad valorem deel van de accijns zal dientengevolge € 22,44 bedragen, zijnde 17,34 percent van de kleinhandelsprijs. Het ten minste te betalen bedrag aan accijns per kilogram rooktabak wordt – net als bij sigaretten – gesteld op 100% van de totale accijns voor 1 kilogram rooktabak. Dit is € 65,54. De nieuwe accijnstarieven voor sigaretten en rooktabak treden in werking met ingang van 1 maart 2011.

Artikel XVII

Artikel XVII, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling accijns)

In artikel 1 van de UR accijns wordt onder meer verwezen naar artikel 71h, vijfde lid, van de Wet op de accijns. Artikel XIV, onderdeel B, van OFM 2011 voorziet in wijziging van artikel 71h van de Wet op de accijns. In het gewijzigde tweede lid van artikel 71h is een delegatiebepaling opgenomen naar de UR accijns. Daarom wordt in artikel 1 van de UR accijns nu verwezen naar artikel 71h, tweede en vijfde lid, van de Wet op de accijns.

Artikel XVII, onderdeel B (artikel 22 van de Uitvoeringsregeling accijns)

Artikel 22, tweede lid, van de UR accijns wordt herzien, waarbij het is verdeeld in onderdelen in plaats van in gedachtenstreepjes. In overeenstemming met de Accijnsrichtlijn 2008 is de terminologie ‘uitgeslagen’ vervangen door ‘uitgeslagen tot verbruik’. Als gevolg van de implementatie van de Accijnsrichtlijn 2008 mag voor bepaalde overbrengingen van accijnsgoederen geen gebruik meer worden gemaakt van een vervoersopdracht, maar moet een e-AD worden gebruikt. Dit is bepaald in het herziene artikel 22, tweede lid, onderdeel c, van de UR accijns. Tot slot is hetgeen was bepaald bij het laatste gedachtenstreepje van het huidige artikel 22, tweede lid, niet opgenomen in het herziene artikel 22, tweede lid. Voor het bepalen van de zekerheid valt de hier bedoelde overbrenging van accijnsgoederen niet meer onder de verantwoordelijkheid van een vergunninghouder accijnsgoederenplaats maar onder die van een geregistreerde afzender.

Artikel XVII, onderdeel C (artikel 32 van de Uitvoeringsregeling accijns)

In artikel 32, aanhef, van de UR accijns is abusievelijk de terminologie ‘uitslaat dan wel invoert’ niet aangepast aan de nieuwe terminologie ‘uitslaat tot verbruik’ van de Accijnsrichtlijn 2008. Via deze wijziging wordt dit hersteld. Tevens is de aanhef redactioneel aangepast.

Artikel 32, tweede lid, onderdeel b, wordt herzien. Bepaald is welke bescheiden in de administratie moeten worden opgenomen ingeval de na afloop van het onderzoek, de controle of de smaaktest resterende accijnsgoederen worden overgebracht naar een derde land. In verband met wijzigingen in de douaneregelgeving is de overbrenging naar een entrepot vervallen. Ook is de tekst redactioneel aangepast onder meer als gevolg van het feit dat douaneaangiften en -documenten elektronisch worden opgemaakt. In de administratie moet een elektronisch of geprint exemplaar (afdruk) van de douaneaangiften en douanedocumenten zijn opgenomen. Naast een afdruk van het uitvoergeleidedocument of de aangifte ten uitvoer moet een afdruk van de bevestiging van uitgang in de administratie zijn opgenomen, waarbij in plaats van laatstgenoemd bescheid ook alternatief bewijs, bedoeld in artikel 796quinquies bis, derde lid, van Verordening (EEG) 2454/93 van de Commissie, houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (TVo. CDW) (Pb. EU 2008, L329), mag zijn opgenomen.

In artikel 32, tweede lid, onderdeel c, en derde lid, zijn enkele redactionele aanpassingen aangebracht.

Artikel XVII, onderdeel D (artikel 32b van de Uitvoeringsregeling accijns)

Het nieuwe artikel 32b van de UR accijns geldt voor alle verzoeken om teruggaaf van accijns. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat verzoeken om teruggaaf van accijns moeten worden ingediend met gebruikmaking van een van rijkswege beschikbaar gesteld elektronisch formulier. In het tweede lid is opgenomen dat, tenzij anders bepaald, verzoeken om teruggaaf van accijns moeten worden ingediend bij de inspecteur uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. Op grond van het derde lid hoeven de aankoopfacturen niet meer te worden meegestuurd met een verzoek om teruggaaf van accijns. Deze moeten zijn opgenomen in de administratie. Dit geldt eveneens voor andere bescheiden die in verband met het verzoek om teruggaaf zijn vereist. In de specifieke teruggaafbepalingen is opgenomen om welke bescheiden het daarbij gaat. Ten slotte bepaalt het vierde lid dat de administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van accijns zodanig is ingericht, dat daarin op overzichtelijke wijze alle van belang zijnde gegevens zijn opgenomen voor de beoordeling van het bedrag dat aan accijns is teruggevraagd.

Artikel XVII, onderdeel E (artikel 33 van de Uitvoeringsregeling accijns)

Artikel 33, eerste lid, aanhef, van de UR accijns wordt tekstueel aangepast aan het nieuwe artikel 32b. Voorts is het eerste lid verdeeld in onderdelen, waarbij in onderdeel d een omissie is hersteld door halfzware olie toe te voegen aan de aldaar genoemde brandstof.

Artikel XVII, onderdeel F (artikel 34 van de Uitvoeringsregeling accijns)

Artikel 34, eerste lid, van de UR accijns bepaalt dat de aldaar bedoelde verzoeken om teruggaaf van accijns moeten worden ingediend bij de inspecteur onder wie belanghebbende ressorteert. Deze laatste toevoeging is niet meer van toepassing als gevolg van hetgeen is bepaald in het nieuwe artikel 32b, eerste en tweede lid, van de UR accijns. Voorts is de termijn voor het indienen van het verzoek om teruggaaf aangepast in overeenstemming met het nieuwe artikel 32b.

Het huidige artikel 34, tweede lid, bepaalt welke gegevens het verzoek om teruggaaf moet bevatten. In aansluiting op het nieuwe artikel 32b, derde lid, geeft het gewijzigde artikel 34, tweede lid, aanhef, aan dat deze gegevens moeten zijn opgenomen in de administratie.

Artikel XVII, onderdeel G (artikel 35 van de Uitvoeringsregeling accijns)

Artikel 35 van de UR accijns bepaalt dat de aldaar bedoelde verzoeken om teruggaaf van accijns moeten worden ingediend bij de inspecteur onder wie belanghebbende ressorteert. Deze laatste toevoeging is niet meer van toepassing als gevolg van hetgeen is bepaald in het nieuwe artikel 32b, eerste en tweede lid, van de UR accijns. Voorts is de termijn voor het indienen van het verzoek om teruggaaf aangepast in overeenstemming met het nieuwe artikel 32b. In verband met het voorgaande is de gehele tekst van artikel 35 vervangen.

Artikel XVII, onderdeel H (artikel 35a van de Uitvoeringsregeling accijns)

Artikel 71e van de Wet op de accijns voorziet in de mogelijkheid van een gedeeltelijke teruggaaf van accijns voor bepaalde minerale oliën die worden gebruikt voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten. Hiervoor was toestemming verkregen van de Europese Commissie. De laatst afgegeven goedkeurende beschikking van de Europese Commissie voor de toepassing van verlaagde tarieven heeft een looptijd tot en met 31 december 2010. Daarom voorziet artikel XII, onderdeel B, van OFM 2011 er in om artikel 71e van de Wet op de accijns te laten vervallen. Ingevolge artikel XXVIII, zesde lid, van OFM 2011, treedt artikel XII in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Als gevolg hiervan kan dan tevens artikel 35a van de Uitvoeringsregeling accijns vervallen.

Ingevolge artikel XIII, onderdeel B, jo. artikel XXVIII, zesde lid, van OFM 2011, wordt artikel 71e van de Wet op de accijns weer ingevoegd op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dit hangt af van een goedkeurend besluit van de Europese Commissie om ook na 31 december 2010 verlaagde tarieven in de glastuinbouw te hanteren. Indien de goedkeuring van de Europese Commissie daarin voorziet, kan worden voorzien in terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2011. Alsdan zou ook artikel 35a van de UR accijns weer kunnen worden ingevoegd. Hetgeen in artikel 35a is opgenomen, is dan echter in vergelijkbare bewoordingen opgenomen in artikel 71e van de Wet op de accijns in samenhang met het nieuwe artikel 32b van de UR accijns. Een afzonderlijk artikel 35a in de UR accijns is daarom overbodig, ongeacht de vraag of artikel 71e van de Wet op de accijns vervalt en weer wordt ingevoegd. Daarom vervalt artikel 35a.

Artikel XVII, onderdeel I (artikel 35b van de Uitvoeringsregeling accijns)

Artikel 35b van de UR accijns wordt geheel vervangen. Het huidige artikel 35b, eerste lid, bepaalt welke gegevens moeten worden vermeld in het aldaar bedoelde verzoek om teruggaaf. In aansluiting op het nieuwe artikel 32b, derde lid, is in het nieuwe artikel 35b bepaald wat hiertoe moet blijken uit de administratie. Het tweede lid van artikel 35b vervalt omdat hetgeen hierin was opgenomen omtrent nadere eisen aan de administratie nu is opgenomen in het vierde lid van het nieuwe artikel 32b.

Artikel XVII, onderdeel J (artikel 35c van de Uitvoeringsregeling accijns)

Artikel 35c van de UR accijns wordt herzien. Het huidige artikel 35c bepaalt dat artikel 26 van de UR belastingen op milieugrondslag van overeenkomstige toepassing is. In dit artikel 26 is echter bepaald, dat de aldaar genoemde bescheiden en verklaringen moeten worden overgelegd bij het verzoek om teruggaaf. In aansluiting op het nieuwe artikel 32b, derde lid, is in artikel 35c bepaald welke bescheiden moeten worden opgenomen in de administratie dan wel hetgeen moet worden aangetoond aan de hand van de administratie.

Artikel XVII, onderdeel K (artikel 35d van de Uitvoeringsregeling accijns)

Het huidige artikel 35d, eerste lid, van de UR accijns bepaalt welke gegevens het aldaar bedoelde verzoek om teruggaaf moet bevatten. In aansluiting op het nieuwe artikel 32b, derde lid, is in artikel 35d, eerste lid, bepaald wat hiertoe in de administratie moet zijn opgenomen. In verband hiermee vervalt het eerste lid, onderdeel a, als gevolg waarvan de onderdelen b tot en met f worden geletterd a tot en met e.

Artikel 35d, tweede lid, is tekstueel in overeenstemming gebracht met het nieuwe artikel 32b.

Artikel 33 van het Uitvoeringsbesluit accijns is komen te vervallen. Hetgeen in dit artikel was bepaald, is opgenomen in het nieuwe artikel 32b van de UR accijns. Daarom vervalt de verwijzing in artikel 35d, derde lid, van de UR accijns naar artikel 33 van het Uitvoeringsbesluit accijns.

Artikel 35d, zesde lid, van de UR accijns is vervangen. Hierin was onder meer bepaald wat moet worden vermeld in een verzoek om teruggaaf van accijns. In aansluiting op het nieuwe artikel 32b, derde lid, is nu bepaald wat hiertoe in de administratie moet zijn opgenomen. Daarbij is een deel van artikel 35d, zesde lid, niet overgenomen voor zover het gaat om aankoopfacturen. Deze moeten al in de administratie worden opgenomen op grond van het nieuwe artikel 32b. Voorts wordt door de verlettering van artikel 35d, eerste lid, in artikel 35d, zesde lid, nu verwezen naar het eerste lid, onderdeel d in plaats van naar het eerste lid, onderdeel e.

Artikel XVII, onderdeel L (artikel 35f van de Uitvoeringsregeling accijns)

Het huidige artikel 35f, eerste lid, van de UR accijns bepaalt welke gegevens het aldaar bedoelde verzoek om teruggaaf moet bevatten. In aansluiting op het nieuwe artikel 32b, derde lid, is in artikel 35f, eerste lid, bepaald wat hiertoe in de administratie moet zijn opgenomen. In verband hiermee vervalt het eerste lid, onderdeel a, als gevolg waarvan de onderdelen b tot en met e worden geletterd a tot en met d.

Artikel 35f, tweede lid, is tekstueel in overeenstemming gebracht met het nieuwe artikel 32b.

Artikel 35f, derde lid, vervalt in verband met het nieuwe artikel 32b, eerste lid. Als gevolg hiervan wordt artikel 35f, vierde lid, vernummerd tot het derde lid.

Artikel XVII, onderdeel M (artikel 35g van de Uitvoeringsregeling accijns)

Het huidige artikel 35g, eerste lid, van de UR accijns bepaalt dat bij het aldaar bedoelde verzoek om teruggaaf een machtiging moet worden overgelegd. In aansluiting op het nieuwe artikel 32b, derde lid, is nu in artikel 35g, eerste lid, bepaald dat deze machtiging in de administratie moet zijn opgenomen.

Artikel XVII, onderdeel N (artikel 35h van de Uitvoeringsregeling accijns)

Op grond van het nieuwe artikel 32b, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling accijns moet een verzoek om teruggaaf van accijns worden ingediend met gebruikmaking van een van rijkswege beschikbaar gesteld elektronisch formulier. Voor het verzoek om teruggaaf bedoeld in artikel 35h van de UR accijns geldt dit niet, omdat dit verzoek wordt gecombineerd met een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting. Dit gezamenlijke verzoek om teruggaaf wordt nog schriftelijk gedaan. Daarom is in artikel 35h, eerste lid, aanhef, nu aangegeven dat voor dit gezamenlijke verzoek om teruggaaf artikel 32b, eerste lid, niet van toepassing is.

Artikel XVII, onderdeel O (artikel 35i van de Uitvoeringsregeling accijns)

Artikel 35i van de UR accijns wordt herzien. Hetgeen was bepaald in het tweede lid inzake de termijn voor het indienen van het verzoek om teruggaaf is nu opgenomen in het eerste lid met een tekstuele aanpassing in overeenstemming met het nieuwe artikel 32b. In het huidige artikel 35i, eerste lid, is bepaald welke gegevens een verzoek om teruggaaf moet bevatten. In aansluiting op het nieuwe artikel 32b, derde lid, is nu in artikel 35i, tweede lid, bepaald wat hiertoe in de administratie moet zijn opgenomen.

Artikel XVII, onderdeel P (artikel 35j van de Uitvoeringsregeling accijns)

Artikel 35j van de UR accijns wordt vervangen. Hetgeen was bepaald in het derde lid inzake de termijn voor het indienen van het verzoek om teruggaaf is nu opgenomen in het eerste lid met een tekstuele aanpassing in overeenstemming met het nieuwe artikel 32b. In het huidige artikel 35j, eerste en tweede lid, is bepaald welke gegevens een verzoek om teruggaaf moet bevatten. In aansluiting op het nieuwe artikel 32b, derde lid, is in artikel 35j, tweede lid, bepaald wat hiertoe moet zijn opgenomen in de administratie.

Artikel XVII, onderdeel Q (artikel 35k van de Uitvoeringsregeling accijns)

Artikel 35k van de UR accijns wordt vervangen. Hetgeen was bepaald in het tweede lid inzake de termijn voor het indienen van het verzoek om teruggaaf is nu opgenomen in het eerste lid met een tekstuele aanpassing in overeenstemming met het nieuwe artikel 32b. In het huidige artikel 35k, eerste lid, is bepaald welke gegevens het verzoek om teruggaaf moet bevatten. In aansluiting op het nieuwe artikel 32b, derde lid, is in artikel 35k, tweede lid, bepaald wat hiertoe moet zijn opgenomen in de administratie. Het derde lid is aangepast, terwijl hetgeen was bepaald in het vierde lid nu is opgenomen in het vijfde lid. Als gevolg van het gewijzigde artikel 71h, tweede lid, van de Wet op de accijns is in het aangepaste derde en nieuwe vierde lid van artikel 35k bepaald dat de E85 moet voldoen aan duurzaamheidseisen, bedoeld in artikel 3, derde lid, van het Besluit hernieuwbare energie vervoer. Het voldoen aan deze duurzaamheidseisen moet blijken uit een audit, bedoeld in artikel 3, derde lid, van het Besluit hernieuwbare energie vervoer, die is uitgevoerd door een onafhankelijke deskundige. Artikel 3, derde lid, van het Besluit hernieuwbare energie vervoer verwijst naar de artikelen 17 en 18 van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU L 140). In artikel 17 van deze richtlijn zijn duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa opgenomen, terwijl artikel 18 de controle van de naleving van deze duurzaamheidscriteria regelt.

Het gewijzigde artikel 35k treedt in werking op hetzelfde tijdstip als waarop artikel XIV, onderdeel B, van OFM 2011 in werking treedt. Dit artikel, dat voorziet in wijziging van artikel 71h van de Wet op de accijns, zal in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarbij terugwerkende kracht kan worden verleend tot het tijdstip waarop de vorengenoemde duurzaamheidseisen van kracht worden. Dit is afhankelijk van het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit hernieuwbare energie vervoer.

Artikel XVII, onderdeel R (artikel 43 van de Uitvoeringsregeling accijns)

Zoals gebruikelijk worden als gevolg van de wijziging van de accijnstarieven voor sigaretten en rooktabak nieuwe accijnszegels uitgegeven. De nieuwe accijnszegels voor sigaretten en rooktabak zijn met ingang van 1 maart 2011 voorzien van een andere code. De zegels voor sigaretten worden bedrukt met de code AQ10. De zegels voor rooktabak worden bedrukt met de code BQ10. De zegels voor pijptabak worden bedrukt met de code CQ10. Aangezien het tarief voor sigaren niet wordt gewijzigd, is voor deze accijnszegel nog geen code vastgesteld.

Artikel XVII, onderdeel S (artikel 52 van de Uitvoeringsregeling accijns)

Het huidige artikel 52 van de UR accijns bepaalt dat degene die accijnszegels heeft aangevraagd in een aantal gevallen kan verzoeken om teruggaaf van het bedrag aan accijns dat de accijnszegels vertegenwoordigen alsmede wanneer dit verzoek moet worden ingediend en onder welke voorwaarden. Artikel 52, tweede lid, bepaalt welke gegevens het verzoek om teruggaaf moet bevatten. Dit is overbodig in verband met het nieuwe artikel 32b, eerste lid. Als gevolg van het nieuwe artikel 32b, derde lid, wordt nu in artikel 52, tweede lid, bepaald welke bescheiden ter staving van het verzoek om teruggaaf moeten zijn opgenomen in de administratie. In artikel 52, derde lid, wordt bepaald wanneer het verzoek om teruggaaf moet worden ingediend met een aanpassing in overeenstemming met het nieuwe artikel 32b.

Artikel XVII, onderdeel T (artikel 55a van de Uitvoeringsregeling accijns)

De wijziging van artikel 55a van de UR accijns houdt verband met de nieuwe benamingen van een aantal ministeries sinds het aantreden van het nieuwe kabinet. Inhoudelijk verandert er niets.

Artikel XVII, onderdeel U (artikel 56 van de Uitvoeringsregeling accijns)

Artikel 56 van de UR accijns wordt vervangen. Het huidige artikel 56 bepaalt dat bij een onderzoek genomen monsters worden onderzocht in het Laboratorium van de Belastingdienst. Als gevolg van een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (zaaknummer 07/00208, LJN BI3113) met betrekking tot het vorderen van monsters is een aanvulling hierop noodzakelijk. Het belangrijkste element hierbij is, dat de identiteit van een monster moet zijn gewaarborgd vanaf het moment van het nemen van een monster tot aan het onderzoek in of namens het Laboratorium van de Belastingdienst.

Artikel XVII, onderdeel V (artikel 63 van de Uitvoeringsregeling accijns)

Artikel 63, onderdeel c, van de UR accijns verwijst naar de artikelen 45, 46, 48 en 49 van de UR accijns. Artikel 46 is vervallen per 11-02-2009. Hierdoor vervalt in artikel 63, onderdeel c, de verwijzing naar artikel 46.

Artikel XVII, onderdeel W (Bijlage B. bij de Uitvoeringsregeling accijns)

Het opschrift van Bijlage B. bij de UR accijns verwijst abusievelijk naar artikel 4 van de UR accijns. Dit moet zijn artikel 5. Via deze wijziging wordt dit hersteld. Tevens is een redactionele wijziging aangebracht.

Artikel XVII, onderdeel X (Bijlage MO.1. bij de Uitvoeringsregeling accijns)

In het opschrift van Bijlage MO.1. bij de UR accijns is een redactionele wijziging aangebracht.

Artikel XVIII

Artikel XVIII, onderdeel A (artikel 8 van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag)

In artikel 28, tweede lid, onderdeel d, van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm) is een delegatiebevoegdheid opgenomen. Op grond daarvan kunnen, in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, afvalstoffen die niet verbrandbaar en niet herbruikbaar zijn, die onvermengd zijn met andere afvalstoffen, die rechtstreeks door de producent worden aangeboden en waarbij er geen andere belemmeringen zijn om het lage tarief toe te passen, bij ministeriële regeling worden aangewezen als zogenoemde monostroom waarop het lage afvalstoffenbelastingtarief van toepassing is. In artikel 8 van de UR Wbm zijn de als monostroom aangewezen afvalstoffen opgenomen.

Er is een verzoek ingediend om poreuze perliteresiduen, poreuze vermiculiteresiduen, perlitestof en vermiculitestof die afkomstig zijn van de thermische en mechanische bewerking van het gesteente perlite en het mineraal vermiculite als monostroom aan te wijzen. Het betreft enerzijds stof dat afkomstig is van de productieprocessen en dat wordt opgevangen in op de productie-installatie aangesloten filters en anderzijds poreus perlite en vermiculite dat na de technische en mechanische bewerking niet aan de kwaliteitseisen voldoet en niet herbruikbaar is.

Deze afvalstoffen komen niet in aanmerking voor het lage tarief van de afvalstoffenbelasting op grond van de volumieke massaregeling, bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel c, van de Wbm, doordat de volumieke massa minder dan 1100 kilogram per kubieke meter is. Daarnaast voldoen ze aan de in artikel 28, tweede lid, onderdeel d, van de Wbm genoemde criteria en zijn er geen andere belemmeringen om het lage tarief toe te passen op deze afvalstoffen. Daarom wordt aan het verzoek gehoor gegeven door de afvalstoffen aan artikel 8 van de UR Wbm toe te voegen. Hiertoe strekt onderdeel A van artikel XVIII. Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om ter wille van de leesbaarheid de zes in artikel 8 opgenomen monostromen elk in een eigen onderdeel op te nemen, genummerd a tot en met f.

Artikel XVIII, onderdeel B (hoofdstuk VII van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag)

Het voor de vliegbelasting gereserveerde hoofdstuk VII van de UR Wbm wordt geschrapt, nu deze belasting per 1 januari 2010 is vervallen.

Artikel XIX

Artikel XIX, onderdeel A (artikel 20 van de Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten)

In artikel 20, eerste lid, van de UR VB is de termijn voor het indienen van een verzoek om teruggaaf van belasting in overeenstemming gebracht met de algemene bepaling hieromtrent in artikel 26, tweede lid, van het UB VB.

Met ingang van 1 januari 2011 moeten verzoeken om teruggaaf van belasting worden ingediend met gebruikmaking van een van rijkswege beschikbaar gesteld elektronisch formulier. Met een verzoek om teruggaaf hoeven geen bescheiden meer te worden meegestuurd. Deze moeten zijn opgenomen in de administratie en worden bewaard gedurende de wettelijke termijn van zeven jaar. Voorts moeten verzoeken om teruggaaf van belasting, tenzij anders bepaald, worden ingediend bij de inspecteur uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin het recht op teruggaaf is ontstaan.

Artikel XIX, onderdeel B (artikel 21 van de Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten)

Het huidige artikel 21, eerste lid, van de UR VB bepaalt voor het geval dat alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak zijn verloren gegaan of onder ambtelijk toezicht zijn vernietigd dat een verzoek om teruggaaf van belasting wordt ingediend binnen één maand na de dag van het verloren gaan of van de vernietiging. In aansluiting op artikel 26, tweede lid, van het UB VB bepaalt het herziene artikel 21, eerste lid, van de UR VB dat het verzoek om teruggaaf van belasting wordt ingediend uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin de alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak zijn verloren gegaan of onder ambtelijk toezicht zijn vernietigd. Het huidige artikel 21, tweede lid, van de UR VB bepaalt welke gegevens het verzoek moet bevatten. In aansluiting op artikel 26, derde lid, van het UB VB, bepaalt het herziene artikel 21, tweede lid, van de UR VB dat de vereiste gegevens moeten zijn opgenomen in de administratie.

Artikel XIX, onderdeel C (artikel 22 van de Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten)

Artikel 22 van de UR VB wordt vervangen. Het huidige artikel 22 bepaalt dat verzoeken om teruggaaf van belasting als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdelen c en e, van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten worden ingediend bij de inspecteur onder wie belanghebbende ressorteert. Deze laatste toevoeging is niet meer van toepassing als gevolg van hetgeen is bepaald in artikel 26, eerste en tweede lid, van het UB VB. Voorts is de termijn voor het indienen van het verzoek om teruggaaf aangepast. In aansluiting op artikel 26, tweede lid, van het UB accijns is deze nu verruimd tot uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin de alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak hun bestemming hebben bereikt.

Artikel XIX, onderdeel D (artikel 39 van de Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten)

Het huidige artikel 39 van de UR VB bepaalt dat degene die belastingzegels heeft aangevraagd in een aantal gevallen kan verzoeken om teruggaaf van het bedrag aan belasting dat de belastingzegels vertegenwoordigen alsmede wanneer dit verzoek moet worden ingediend en onder welke voorwaarden. Als gevolg van artikel 26, derde lid, van het UR VB, wordt artikel 39, tweede lid, van de UR VB herzien. Bepaald is welke bescheiden ter staving van het verzoek om teruggaaf moeten zijn opgenomen in de administratie. In aansluiting op artikel 26, tweede lid, van het UB VB is in het herziene artikel 39, derde lid, van de UR VB bepaald dat het verzoek om teruggaaf van belasting wordt ingediend uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin de belastingzegels zijn teruggezonden, zijn verloren gegaan of onder ambtelijk toezicht zijn vernietigd.

Artikel XIX, onderdeel E (artikel 42 van de Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten)

Het huidige artikel 42 van de UR VB bepaalt dat bij een onderzoek genomen monsters worden onderzocht in het Laboratorium van de Belastingdienst. Als gevolg van een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (zaaknummer 07/00208, LJN BI3113) met betrekking tot de accijnsregelgeving op het gebied van het vorderen van monsters is een aanvulling hierop noodzakelijk. Het belangrijkste element hierbij is, dat de identiteit van een monster moet zijn gewaarborgd vanaf het moment van het nemen van een monster tot aan het onderzoek in of namens het Laboratorium van de Belastingdienst.

Artikel XIX, onderdeel F (Bijlage bij de Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten)

In het opschrift van de Bijlage bij de UR VB is een redactionele wijziging aangebracht.

Artikel XX

Artikel XX, onderdelen A, B en C (artikelen 1, 2 en 4 van de Regeling vrijstelling overdrachtsbelasting stedelijke herstructurering)

De wijzigingen van de artikelen 1, 2 en 4 van de Regeling vrijstelling overdrachtsbelasting stedelijke herstructurering houden verband met de nieuwe benamingen van een aantal ministeries sinds het aantreden van het nieuwe kabinet. Inhoudelijk verandert er niets.

Artikel XXI

Artikel XXI (artikel 1 van de Regeling vrijstelling overdrachtsbelasting voor investeringen in stedelijke herstructurering)

De wijziging van artikel 1 van de Regeling vrijstelling overdrachtsbelasting voor investeringen in stedelijke herstructurering houdt verband met de nieuwe benamingen van een aantal ministeries sinds het aantreden van het nieuwe kabinet. Inhoudelijk verandert er niets.

Artikel XXII

Artikel XXII, onderdeel A (artikel 4a van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

In het systeem van de AWR gaat aan het doen van de aangifte een uitnodiging daartoe vooraf. Op dit moment wordt die uitnodiging op papier per post toegezonden, ook indien de aangifte langs elektronische weg gedaan moet worden. Tot het doen van een elektronische aangifte zijn gehouden administratieplichtigen voor zover het de in artikel 20, tweede lid, van de UR AWR 1994 genoemde belastingmiddelen betreft. Met de wijziging van artikel 4a van de UR AWR 1994 wordt geregeld dat in die gevallen, waarin het verkeer van de administratieplichtige naar de Belastingdienst al op elektronische wijze verloopt, althans voor wat betreft de aangifte, het verkeer van de Belastingdienst naar die administratieplichtige ook elektronisch kan geschieden, althans voor wat betreft de met de aangifte verbonden uitnodiging. Hetgeen voor de uitnodiging tot het doen van aangifte geldt, geldt ook voor de herinnering die volgt als niet binnen de gestelde termijn aangifte gedaan wordt en de vervolgens eventueel volgende aanmaning. Als de uitnodiging tot het doen van aangifte dus elektronisch is verzonden, volgen eventuele herinneringen en aanmaningen dus ook de elektronische weg.

Op dit moment worden aan administratieplichtigen 16,7 miljoen uitnodigingen tot het doen van aangifte en herinneringen op papier per post toegezonden. Met het elektronisch toezenden van (een deel van) deze uitnodigingen en herinneringen wordt dus een aanzienlijke besparing bereikt.

Artikel XXII, onderdeel B (artikel 29 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

In verband met de eerder aangehaalde motie Jurgens c.s. wordt artikel 10g van het UBLB 1965 per 1 januari 2011 in gewijzigde vorm opgenomen in artikel 27 van de Wet LB 1964. De onderhavige wijziging houdt verband met deze verplaatsing.

Artikel XXII, onderdeel C (artikel 30b van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Op dit moment gelden er voor de verschillende belastingen uiteenlopende termijnen voor het doen van een verzoek om ambtshalve vermindering. Een verzoek om ambtshalve vermindering van een belastingaanslag inkomstenbelasting of een inkomensgegeven moet zijn gedaan binnen zeven jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag respectievelijk het inkomensgegeven betrekking heeft. Voor de loonheffing geldt op basis van het beleidsbesluit Besluit ambtshalve verminderen of teruggeven dezelfde termijn; voor de overige aangiftebelastingen geldt daarentegen op basis van datzelfde beleid een termijn van vijf jaren. In het kader van de eenvoud wordt gekozen voor één termijn van vijf jaren voor alle belastingen. Deze termijn wordt ook gehanteerd bij de nieuwe herzieningsregeling in het voordeel van belanghebbende voor toeslagen (artikel XXVI, onderdeel B). Tevens worden artikel 45aa van de URIB 2001 en artikel 30b van de UR AWR 1994 aangepast. Het hanteren van één termijn voor belastingen en toeslagen bij herziening in het voordeel van belanghebbenden leidt tot vereenvoudiging en uniformering. Dit betekent ook een stroomlijning met de, voor belastingen en toeslagen, bestaande reguliere termijn die wordt gehanteerd bij herzieningsregelingen in het nadeel van belanghebbenden (naheffen, navorderen en terugvorderen). Deze herzieningen zijn immers ook slechts mogelijk gedurende een termijn van vijf jaren.

Voor de goede orde wordt opgemerkt dat met de toegevoegde zinsnede ‘zodra de inspecteur is gebleken’ zowel wordt gedoeld op de situatie dat betrokkene informatie heeft aangedragen, als op de situatie dat de Belastingdienst zelf op welke manier dan ook een onjuistheid op het spoor is gekomen. De Belastingdienst is niet verplicht onherroepelijk vaststaande belastingaanslagen inkomstenbelasting of inkomensgegevens te onderzoeken als er geen enkele aanleiding toe is.

Artikel XXII, onderdeel D (artikel 31a van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Met de onderhavige wijziging wordt in artikel 31a van de UR AWR 1994 Liechtenstein toegevoegd als aangewezen staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. De aanwijzing van Liechtenstein houdt verband met de inwerkingtreding van het op 10 november 2009 te Brussel tot stand gekomen verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Vorstendom Liechtenstein inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen (Trb. 2010, 14, en Trb. 2010, 107).

Artikel XXII, onderdeel E (artikel 41 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Artikel 41 van de UR AWR 1994 bevat een vrijstelling van loonbelasting en inkomstenbelasting voor werknemers. Eén van de voorwaarden is dat ter zake van het loon van die werknemer niet een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting of de Belastingregeling voor het Koninkrijk van toepassing is. In die gevallen regelt namelijk het verdrag of de Belastingregeling voor het Koninkrijk de heffing over het loon. Als uitvloeisel van de nieuwe staatskundige verhoudingen binnen het Koninkrijk per 10 oktober 2010 wordt ter voorkoming van dubbele belasting voor inwoners van Nederland en van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, die inkomsten uit het andere heffingsgebied ontvangen, daarnaast een afzonderlijke regeling getroffen (de Belastingregeling voor het land Nederland). Deze regeling wordt daarom aan de in artikel 41 van de UR AWR 1994 opgenomen opsomming toegevoegd.

Artikel XXII, onderdeel F (artikel 43a van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Ingevolge artikel 43a van de UR AWR 1994 moet de belastingplichtige op wie de gegevens en inlichtingen betrekking hebben die krachtens artikel 53, tweede lid, van de AWR worden gerenseigneerd vooraf aan de betrokken administratieplichtige zijn burgerservicenummer, of bij het ontbreken daarvan, zijn sociaal-fiscaalnummer verstrekken. De renseigneringsverplichtingen zijn uitgewerkt in artikel 22 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: UBIB 2001). Artikel 43a van de UR AWR 1994 wordt aangepast vanwege de wijziging van artikel 22 van het UBIB 2001 per 1 januari 2011 in verband met de vooringevulde aangifte. Gekozen is voor een algemene formulering teneinde het artikel steeds aan te laten sluiten bij de ontwikkelingen in het renseigneringsproces.

Artikel XXII, onderdeel G (artikel 43c van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

In artikel 43c, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de UR AWR 1994 vindt een naamswijziging plaats en een wijziging van de aard van de gegevens die verstrekt mogen worden.

Ook in onderdeel a, onder 2°, van de UR AWR 1994 vindt een naamswijziging plaats. Het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB) is ontstaan uit een fusie tussen Domeinen Onroerende Zaken en het Gemeenschappelijk Ontwikkelingsbedrijf. Het RVOB is ondergebracht bij het Ministerie van Financiën en valt onder de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Financiën. Inhoudelijk is er niets veranderd.

Artikel 43c, eerste lid, onderdeel b, onder 1° en 2°, van de UR AWR 1994 wordt verplaatst naar artikel 43c, eerste lid, onderdeel e, onder 1° en 2°, van de UR AWR 1994. Dit houdt verband met de verschuiving van taken van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties naar de Minister van Veiligheid en Justitie.

Artikel 43c, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, van de UR AWR 1994, zoals dat tot de onderhavige wijziging luidt, regelt de situatie waarin de Belastingdienst een melding doet van een ongebruikelijke transactie. Daarbij wordt abusievelijk verwezen naar het Korps landelijke politiediensten/Dienst Nationale Recherche Informatie, terwijl de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland) de organisatie van het Meldpunt ongebruikelijke transacties is. Dit wordt gerepareerd.

De wijziging in artikel 43c, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de UR AWR 1994, zoals dat tot de onderhavige wijziging luidt, betreft een naamswijziging. De Dienst Internationale Recherche Informatie en de Dienst Internationale Politiesamenwerking zijn gefuseerd en heten voortaan Dienst IPOL. Inhoudelijk is er niets veranderd.

De wijzigingen van de onderdelen 4, 6, 7, 8, 9 en 13 houden verband met de nieuwe benamingen van een aantal ministeries sinds het aantreden van het nieuwe kabinet. Inhoudelijk verandert er niets.

De in onderdeel 5 opgenomen wijziging is het gevolg van het vervallen van het Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997 met ingang van 1 januari 2009. De activiteiten waarvoor in het verleden informatieverstrekking was geregeld, zijn opgenomen in hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen.

De wijzigingen die zijn opgenomen in de onderdelen 10, 11 en 15 zijn bedoeld om de gegevensverstrekking aan de FIOD en de gegevensverstrekking aan de Belastingdienst/Holland Midden (unit MOT/Ordening) elk van een eigen grondslag in artikel 43c van de UR AWR 1994 te voorzien. Inhoudelijk verandert er niets.

De wijziging van artikel 43c, eerste lid, onderdeel m, van de UR AWR 1994 betreft een herstel naar aanleiding van de aanpassing van dit onderdeel in de regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 2009, nr. DB 2009-735 M tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen (Stcrt. 20549). De term handhavingsknelpunten is in genoemd besluit verwijderd in verband met de introductie van de zogenoemde Regionale Informatie en Expertise Centra. Abusievelijk was de omschrijving tussen haakjes in genoemd onderdeel m hier niet op aangepast. Dat gebeurt nu alsnog.

Voor alle duidelijkheid wordt nog opgemerkt dat 43c, eerste lid, onderdeel m, van de UR AWR 1994 wordt toegepast bij de uitvoering van de aldaar genoemde samenwerkingsconvenanten en niet in situaties waarin de gegevensverstekking primair strafvorderlijk is ingegeven.

Artikel 43c, eerste lid, onderdeel h, onder 2°, van de UR AWR 1994, zoals dat tot de onderhavige wijziging luidt, ziet op gegevensverstrekking in het kader van het toezicht op woningcorporaties. Gebleken is dat een aantal taken waar de samenwerking met de VROM-inspectie op ziet, zijn belegd bij het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting. Daarom wordt een nieuw subonderdeel aan het eerste lid toegevoegd waarin beide bestuursorganen (de Minister van Infrastructuur en Milieu en het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting) worden opgenomen. In verband daarmee kan artikel 43c, eerste lid, onderdeel h, onder 2°, van de UR AWR 1994, zoals dat tot de onderhavige wijziging luidt, vervallen.

De wijziging van artikel 43c, derde lid, onderdeel b, van de UR AWR 1994 houdt verband met de invoering in de Wet IB 2001 van één peildatum voor box 3 per 1 januari 2011.

Artikel XXIII

Artikel XXIII (overgangsrecht artikel 43c, eerste lid, onderdeel d, onder 1°, van het UR AWR 1994 met betrekking tot Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997)

Hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen is in werking getreden met ingang 1 januari 2009. Omdat er nog verplichtingen lopen die zijn aangegaan onder het Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997 en omdat met inachtneming van de toen geldende regels nog borgstellingsovereenkomsten worden uitgevoerd, is het noodzakelijk om ook artikel 43c, eerste lid, onderdeel d, onder 1o, van het UR AWR 1994, zoals dat luidde op 31 december 2008, nog daarop van toepassing te laten zijn. Dit sluit aan op het overgangsrecht zoals dat is opgenomen in artikel 54 van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

Artikel XXIV

Artikel XXIV, onderdelen A, H en O (artikelen 1, 6a en 18 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

De wijzigingen van de artikelen 1, 6a en 18 van de URBD 2003 houden verband met de wijzigingen van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen als gevolg van het BP 2011.

Artikel XXIV, onderdelen A, B, C, F, L en N (artikelen 1, 2, 3, derde lid, 5, 10 en 12 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

De wijzigingen van de artikelen 1, 2, 3, derde lid, 5, 10 en 12 van de URBD 2003 houden verband met de overgang met ingang van 1 januari 2011 naar het nieuwe wettelijke regime voor de zogenoemde BES-eilanden, alsmede met de instelling van het nieuwe organisatieonderdeel Belastingdienst/Caribisch Nederland.

Artikel XXIV, onderdelen C, D, E, G, I, J, K en M (artikelen 3, eerste lid, 3a, 4, 7 tot en met 9 en 11 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

Met de wijzigingen van de artikelen 3, eerste lid, 3a, 4, 7 tot en met 9 en 11 van de URBD 2003 wordt – ten behoeve van de transparantie en externe kenbaarheid daarvan – tot uitdrukking gebracht dat het organisatieonderdeel Belastingdienst/Douane zowel een landelijk kantoor, als negen regionale onderdelen omvat, die tezamen met de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel e, van de URBD 2003 alle onder leiding staan van de algemeen directeur Douane.

Artikel XXIV, onderdelen C en D (artikelen 3, derde lid en 3a van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

De wijzigingen van de artikelen 3, derde lid en 3a van de URBD 2003 betreffen het herstel van enkele onjuistheden of omissies.

Artikel XXIV, onderdeel P (artikel 19 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

Met de wijziging van artikel 19 URBD 2003 wordt beoogd beter aan te geven dat de onder de NAVO vallende organisaties onder de voorzitter van Belastingdienst/Haaglanden ressorteren wat betreft de directe belastingen en de omzetbelasting op diensten en voor de andere rijksbelastingen (invoerheffingen etc.) onder de algemeen directeur Douane.

Artikel XXIV, onderdeel Q (artikel 20 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

Artikel 20 van de URBD 2003 bevat een opsomming van instellingen of personen die ressorteren onder de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Haaglanden. Het eerste lid bevat een opsomming van instellingen of personen die op grond van internationaal recht geheel of gedeeltelijk zijn vrijgesteld van belasting, het tweede lid een opsomming van instellingen die voor de heffing en invordering van omzetbelasting onder de Belastingdienst/Haaglanden ressorteren. Beide lijsten worden geactualiseerd omdat instellingen of functies zijn verdwenen, zijn verhuisd of van naam zijn veranderd. Ook wordt een aantal instellingen toegevoegd aan de lijst. Ten slotte worden de aanduidingen van de instellingen aangepast aan de internationale benaming.

In het eerste lid worden toegevoegd de Speciale Tribunalen voor Libanon en Sierra Leone. In verband met de staatkundige wijziging van de voormalige Antillen, worden de Gevolmachtigde Ministers van Curaçao en Sint Maarten toegevoegd en verdwijnt de Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen van de lijst. Het United Nations Environment Programme (UNEP) is niet meer in Nederland gevestigd. Voor het Bureau Nederland van de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn de Vertegenwoordiging van de Europese Commissie en het Voorlichtingsbureau van het Europese Parlement in de plaats gekomen.

Ten slotte wordt de indeling van het eerste lid aangepast, zodat deze overeenkomt met de indeling van artikel 2.3 van de URLB 2011, hetgeen de uniformiteit bevordert.

In het tweede lid wordt de aanduiding van de Belgisch Nederlandse Taalunie gewijzigd in de Nederlandse Taalunie en het Benelux Merkenbureau in Benelux Office for Intellectual Property.

Om te voorkomen dat de lijst telkens aangepast moet worden indien instellingen verhuizen, is ervoor gekozen om in de opsomming van het eerste lid en het tweede lid de vestigingsplaatsen weg te laten.

Artikel XXIV, onderdeel R (de bijlage van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

De wijzigingen van de bijlage van de URBD 2003 houden verband met gemeentelijke herindelingen met ingang van 1 januari 2011 en betreffen daarnaast het herstel van enkele onjuistheden. Voorts wordt een onderdeel (onderdeel B) aan de bijlage toegevoegd. In dat onderdeel B wordt aangegeven dat degene die belastingplichtig is op grond van de Belastingwet/BES of de Douane- en Accijnswet onder het nieuwe onderdeel Belastingdienst/Caribisch Nederland ressorteert.

Artikel XXV

Artikel XXV, onderdeel A (hoofdstuk IB, afdeling 1, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Het opschrift van afdeling 1 van hoofdstuk IB van de UR IW 1990 wordt aangepast aan de wijziging van artikel 3.64 van de Wet IB 2001 met ingang van 1 januari 20089. De voorwaarde dat het moet gaan om staking van de onderneming door overheidsingrijpen komt te vervallen en wordt vervangen door de voorwaarde dat het moet gaan om geconserveerd inkomen in de vorm van stakingswinst die wordt geherinvesteerd in een andere onderneming.

Artikel XXV, onderdelen B en D (artikelen 1e en 1g van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Met de wijziging van artikel 1g van de UR IW 1990 wordt geregeld dat voor het verlenen van uitstel van betaling het schriftelijk verzoek en de zekerheidstelling niet alleen achterwege kunnen blijven in geval van emigratie van de belastingschuldige naar een andere lidstaat van de Europese Unie, Noorwegen of IJsland, maar ook bij een emigratie naar Liechtenstein. Met de wijziging van artikel 1e van de UR IW 1990 wordt geregeld dat het schriftelijk verzoek en de zekerheidstelling achterwege kunnen blijven ingeval de verzekeraar in Liechtenstein is gevestigd. De aanwijzing van Liechtenstein houdt verband met de inwerkingtreding van het op 10 november 2009 te Brussel tot stand gekomen verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Vorstendom Liechtenstein inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen (Trb. 2010, 14, en Trb. 2010, 107).

Artikel XXV, onderdelen C en G (artikelen 1f en 4 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Artikel 1f, tweede lid, en artikel 4, tweede lid, van de UR IW 1990 worden gewijzigd. Met de wijziging vervallen de regels over de aanvang van de uitsteltermijn. Deze regels zijn niet langer nodig omdat het uitstel begint te lopen op het moment dat de aanslag invorderbaar is en in artikel 25, vijfde en achtste lid, van de IW 1990, expliciet is geregeld wanneer de uitsteltermijn eindigt.

Artikel XXV, onderdeel E (artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Artikel 2, vijfde lid, van de UR IW 1990 wordt opnieuw geformuleerd om aan te sluiten bij de wijziging van artikel 25, achtste lid, van de IW 1990.

In artikel 25, achtste lid, van de IW 1990 wordt voortaan ook verwezen naar de artikelen 3.56 en 3.57 van de Wet IB 2001. Hiermee wordt buiten twijfel gesteld dat – net zoals bij een aandelenfusie voldaan moet zijn aan de voorwaarden van artikel 3.55 van de Wet IB 2001 – voor voortzetting van het uitstel van betaling bij een juridische splitsing of juridische fusie moet zijn voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de artikelen 3.56 of 3.57 van de Wet IB 2001. Met de wijziging van artikel 2, tiende lid, UR IW 1990, wordt geregeld dat in alle gevallen waarin in artikel 2 UR IW 1990 wordt gesproken van een lidstaat van de Europese Unie, hieronder mede wordt verstaan Liechtenstein. De aanwijzing van Liechtenstein houdt verband met de inwerkingtreding van het op 10 november 2009 te Brussel tot stand gekomen verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Vorstendom Liechtenstein inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen (Trb. 2010, 14, en Trb. 2010, 107).

Artikel XXV, onderdeel F (artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Met de wijziging van artikel 3, zevende lid, van de UR IW 1990 wordt geregeld dat voor de toepassing van artikel 25, negende lid, van de IW 1990 vestiging in Liechtenstein gelijkgesteld wordt aan vestiging in een lidstaat van de Europese Unie. De aanwijzing van Liechtenstein houdt verband met de inwerkingtreding van het op 10 november 2009 te Brussel tot stand gekomen verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Vorstendom Liechtenstein inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen (Trb. 2010, 14, en Trb. 2010, 107).

Artikel XXV, onderdelen H, I en J (hoofdstuk IC, afdelingen 1 en 2, en artikel 6c van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

De UR IW 1990 wordt aangepast in verband met de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AHa, en artikel V, onderdeel C, onder 6, van de wet van 17 december 2009 tot wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956) (Stb. 564). Met inwerkingtreding van deze artikelen wordt een nieuw twintigste lid aan artikel 25 van de IW 1990 toegevoegd. Hierin is de mogelijkheid opgenomen om uitstel van betaling te krijgen voor de erfbelasting die samenhangt met de verkrijging van de blote eigendom van een woning, bedoeld in artikel 35g van de SW 1956. In de UR IW 1990 wordt daarom een afdeling 2 opgenomen met een nieuw artikel 6c waarin in het eerste lid wordt geregeld dat de belastingschuldige een schriftelijk verzoek moet indienen bij de ontvanger om voor het uitstel van betaling in aanmerking te komen. In het tweede lid van genoemd artikel 6c wordt een inlichtingenplicht voor de belastingschuldige opgenomen op grond waarvan de belastingschuldige de ontvanger schriftelijk moet informeren ingeval zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 25, twintigste lid, derde volzin, van de IW 1990.

Artikel XXV, onderdeel K (artikel 14 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Artikel 14 van de UR IW 1990 geeft invulling aan het begrip ‘netto-besteedbaar inkomen’ in het kader van de kwijtscheldingsregeling. In het eerste lid, onderdeel c, worden de inkomsten opgesomd die niet worden meegerekend bij dit inkomen.

Met de aanpassing van artikel 14 van de UR IW 1990 worden twee punten geregeld. Ten eerste wordt geregeld dat een premie voor arbeidsinschakeling die naar aard, strekking en omvang overeenkomt met de premie, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Wet werk en bijstand, zoals een ingevolge het Inkomensbesluit IOAW tot die omvang verstrekte premie voor arbeidsinschakeling, buiten beschouwing blijft bij de berekening van het netto-besteedbaar inkomen, net als de premie voor arbeidsinschakeling die wordt verstrekt op basis van de Wet werk en bijstand. Dit wordt geregeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 4°, van de UR IW 1990. Ten tweede wordt buiten twijfel gesteld dat een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk, voor zover deze vergoeding de daarvoor geldende maximumbedragen niet overschrijdt, in alle gevallen buiten beschouwing blijft bij de berekening van het netto-besteedbaar inkomen ongeacht of de belastingschuldige die de kostenvergoeding ontvangt bijstandsgerechtigde is. Dit wordt geregeld door in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 10°, van de UR IW 1990 te verwijzen naar de bedragen genoemd in artikel 2, zesde lid, van de Wet LB 1964. In verband met de bovengenoemde wijzigingen is in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 9°, de verwijzing naar artikel 31, tweede lid, onderdeel n, van de Wet werk en bijstand opgenomen die voorheen in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 4°, was opgenomen. Met dat laatste is derhalve geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel XXV, onderdeel L (artikel 15 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

In artikel 15, eerste lid, onderdeel f, van de UR IW 1990 is het bedrag opgenomen dat in aanmerking mag worden genomen als uitgave voor het houden van kostgangers. Dit bedrag wordt bij deze geïndexeerd. In 2010 was het bedrag € 10,10. In 2011 wordt dit € 9,30.

Artikel XXV, onderdeel M (artikel 16 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Ingevolge artikel 26 van de IW 1990 kan kwijtschelding worden verleend aan de belastingschuldige die niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar de belastingaanslag te betalen. Bij de beoordeling van het verzoek om kwijtschelding wordt de betalingscapaciteit van de belastingschuldige berekend. De betalingscapaciteit wordt op grond van artikel 13 van de UR IW 1990 berekend door de gemiddeld per maand te verwachten kosten van bestaan van de belastingschuldige in mindering te brengen op zijn gemiddeld per maand te verwachten netto-besteedbaar inkomen. Artikel 16 van de UR IW 1990 geeft aan welke bedragen in aanmerking worden genomen als kosten van bestaan. Het tweede lid van artikel 16 doet dat specifiek voor de belastingschuldige die 65 jaar of ouder is en verwijst daarbij naar de normbedragen van artikel 22 van de Wet werk en bijstand. Bij de bepaling van die normbedragen wordt sinds 2009 rekening gehouden met de AOW-tegemoetkoming. Sinds 2009 is het bedrag van de tegemoetkoming namelijk gestegen van € 14,86 per maand naar € 36,45 per maand waardoor AOW-gerechtigden die eerder wel kwijtschelding kregen, als gevolg van de AOW-tegemoetkoming daarvoor niet langer in aanmerking kwamen.

Met ingang van 1 januari 2010 is het bedrag van de AOW-tegemoetkoming in het Besluit tegemoetkoming AOW-ers verminderd van € 36,45 naar € 34,26 per maand. Met ingang van 1 januari 2011 bedraagt de tegemoetkoming € 33,09 per maand. Artikel 16, tweede lid, van de UR IW 1990 wordt aangepast aan deze wijzigingen in die zin dat het bedrag van € 21,59, dat tot stand is gekomen door het bedrag van de tegemoetkoming geldend in het jaar 2008 (€ 14,86) in mindering te brengen op het bedrag geldend in het jaar 2009 (€ 36,45), wordt gewijzigd in € 18,23, ofwel € 33,09 minus € 14,86.

Artikel XXV, onderdeel N (artikel 28 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

De wijziging van artikel 28, tweede lid, onderdeel e, van de UR IW 1990 houdt verband met de nieuwe benamingen van een aantal ministeries sinds het aantreden van het nieuwe kabinet. Inhoudelijk verandert er niets.

Artikel XXV, onderdeel O (artikel 40d van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Artikel 40d van de UR IW 1990 vervalt. Met ingang van 1 januari 2009 is deze bepaling in de UR IW 1990 opgenomen om te waarborgen dat de kindertoeslag, die is vervangen door het kindgebonden budget, buiten beschouwing blijft bij de berekening van het netto-besteedbaar inkomen in verband met het verlenen van kwijtschelding. Hiermee werd een regeling getroffen voor de overgang van kindertoeslag naar kindgebonden budget. Inmiddels is deze bepaling uitgewerkt, zodat deze kan vervallen.

Artikel XXVI

Artikel XXVI, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen)

De UR Awir geeft met ingang van 1 januari 2011 ook uitvoering aan artikel 21a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Daarom wordt artikel 1 van die regeling aangevuld.

Artikel XXVI, onderdeel B (artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen)

In het nieuwe artikel 5a van de UR Awir wordt het volgende geregeld. Als een onherroepelijk vaststaande, toegekende of herziene tegemoetkoming op een te laag bedrag is vastgesteld, herziet Belastingdienst/Toeslagen – op verzoek of uit eigen beweging – in het voordeel van de belanghebbende die tegemoetkoming. Er zijn slechts vijf uitzonderingen. In de eerste plaats is om doelmatigheidsredenen de mogelijkheid tot herziening in de tijd beperkt, te weten tot vijf jaren na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft. Daarbij is aangesloten bij de termijn waarbinnen de Belastingdienst/Toeslagen een onherroepelijk vaststaande tegemoetkoming ten nadele van de belanghebbende kan herzien. In verband met het streven naar uniformiteit en duidelijkheid worden de termijnen die gelden voor ambtshalve vermindering van een inkomensgegeven en een belastingaanslag inkomstenbelasting en de termijnen, genoemd in het beleidsbesluit Besluit ambtshalve verminderen of teruggeven, ook op vijf jaren gesteld.

Bij de andere uitzonderingen gaat het kort gezegd om de situaties dat na het onherroepelijk vast komen te staan van de tegemoetkoming nieuwe jurisprudentie is gewezen, nieuw beleid is uitgevaardigd of een beroep wordt gedaan op een faciliteit waarop eerder een beroep moet worden gedaan, bijvoorbeeld voordat de tegemoetkoming onherroepelijk is geworden (artikel 9, derde lid, van de UR Awir en artikel 2c, eerste lid, van het Besluit op de huurtoeslag).

Als sprake is van een feit waardoor de tegemoetkoming op een te laag bedrag is vastgesteld en een andere tegemoetkoming (een andere toeslag, een toeslag uit een ander berekeningsjaar of een toeslag van een andere belanghebbende) ter zake van datzelfde feit op een te hoog bedrag is vastgesteld zonder dat ter zake in het nadeel is of kan worden herzien, wordt in het voordeel van belanghebbende herzien voor zover het te laag vastgestelde bedrag van de tegemoetkoming het te hoog vastgestelde bedrag van de andere tegemoetkoming dat niet is of kan worden teruggevorderd te boven gaat.

Voor de goede orde wordt opgemerkt dat met de zinsnede ‘zodra de Belastingdienst/Toeslagen is gebleken’ zowel wordt gedoeld op de situatie dat belanghebbende informatie heeft aangedragen, als op de situatie dat de Belastingdienst/Toeslagen zelf op welke manier dan ook een onjuistheid op het spoor is gekomen. De Belastingdienst/Toeslagen is niet verplicht onherroepelijk vaststaande tegemoetkomingen te onderzoeken als er geen enkele aanleiding toe is.

Artikel XXVI, onderdeel C (artikel 8 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen)

Als de belanghebbende een bedrag moet terugbetalen, wordt op basis van artikel 8 van de UR Awir uitstel van betaling verleend als hij tijdig en gemotiveerd bezwaar maakt. Hetzelfde gaat gelden als belanghebbende tijdig en gemotiveerd een verzoek om herziening in zijn voordeel voor zijn tegemoetkoming (eerste lid) of voor zijn inkomensgegeven (tweede lid) doet.

Artikel XXVII

Artikel XXVII (artikel 2a van de Uitvoeringsregeling internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen)

Op 10 oktober 2010 is het land Nederlandse Antillen opgehouden te bestaan. Drie van de eilanden – Aruba, Curaçao en Sint Maarten – zijn sinds die datum zelfstandige landen, terwijl de overige drie eilanden – Bonaire, Sint Eustatius en Saba – elk een openbaar lichaam vormen. De opsomming in artikel 2a, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen wordt hierop aangepast, waarbij de onderdelen van de opsomming tevens in een logischere volgorde worden geplaatst.

Artikel XXVIII

Artikel XXVIII (artikel 2 van de Regeling Stuf-WOZ)

In de tot 1 april 2011 geldende tekst van artikel 2 van de Regeling Stuf-WOZ is bepaald dat het bestand aan WOZ-gegevens ook kan worden verstrekt door middel van een fysiek medium, zoals een magneettape of diskette. In de praktijk kunnen dergelijke middelen niet meer verwerkt worden en maken gemeenten gebruik van levering op CD-rom. Bijna de helft van de gemeenten levert de Stuf-WOZ bestanden via een beveiligde GemNet-verbinding. De aanlevering van Stuf-WOZ bestanden op CD-rom biedt echter geen mogelijkheid om gegevens op een beveiligde wijze te verzenden. Daarom vervalt de mogelijkheid om de WOZ-gegevens door middel van fysieke media te verstrekken en moeten de gegevens op elektronische wijze worden verstrekt. Alle gemeenten zijn derhalve per 1 april 2011 verplicht de WOZ-gegevens via de beveiligde GemNet-verbinding te verzenden aan hun afnemers. Indien al gebruik wordt gemaakt van een beveiligd systeem voor gegevensuitwisseling, zoals bijvoorbeeld tussen de gemeenten en waterschappen, heeft deze wijziging geen gevolgen voor het gegevensverkeer.

Artikel XXIX

Artikel XXIX, onderdelen A en B (artikelen 3 en 6 van de Uitvoeringsregeling investeringsaftrek Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de BES eilanden 2010)

De wijzigingen van de artikelen 3 en 6 van de Uitvoeringsregeling investeringsaftrek Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de BES eilanden 2010 vloeien voort uit de jaarlijkse aanpassing van de Uitvoeringsregeling energie- investeringsaftrek 2001.

Artikel XXX

Artikel XXX, onderdeel A, onder 1 (artikel 1 van de Regeling groenprojecten buitenland 2002)

De wijziging van artikel 1, eerste lid,van de Regeling groenprojecten buitenland 2002houdt verband met een onjuiste verwijzing. De wijzigingen van het tweede lid, onderdelen e en h, vande Regeling groenprojecten buitenland 2002 houden verband met de nieuwe benamingen van een aantal ministeries sinds het aantreden van het nieuwe kabinet. Inhoudelijk verandert er niets.

Artikel XXX, onderdelen A, onder 2 en 3, B, C, D en E (artikelen 1, 6, 7, 8 en 10 van de Regeling groenprojecten buitenland 2002)

De wijzigingen van de artikelen 1, tweede lid, 6, 7, 8 en 10 van de Regeling groenprojecten buitenland 2002houden verband met de nieuwe benamingen van een aantal ministeries sinds het aantreden van het nieuwe kabinet. Inhoudelijk verandert er niets.

Artikel XXXI

Artikel XXXI (artikel 5a van de Aanwijzing als werkgever en uitzondering verzekeringsplicht werknemersverzekeringen)

De wijziging van artikel 5a van de Aanwijzing als werkgever en uitzondering verzekeringsplicht werknemersverzekeringen houdt verband met de vervanging van de URLB 2001 door de URLB 2011 per 1 januari 2011.

Artikel XXXII

Artikel XXXII (artikel 3.13 van de Regeling Wet financiering sociale verzekeringen)

De wijziging van artikel 3.13 van de Regeling Wet financiering sociale verzekeringen houdt verband met de vervanging van de URLB 2001 door de URLB 2011 per 1 januari 2011.

Artikel XXXIII

Artikel XXXIII (artikel 12 van de Kaderregeling subsidies duurzaamheid verkeer en waterstaat)

De wijziging van artikel 12 van de Kaderregeling subsidies duurzaamheid verkeer en waterstaat houdt verband met de vervanging van de URLB 2001 door de URLB 2011 per 1 januari 2011.

Artikel XXXIV

Artikel XXXIV, onderdelen A en B (artikelen 6 en 25 van de Tijdelijke subsidieregeling innovatie binnenvaart)

De wijziging van de artikelen 6 en 25 van de Tijdelijke subsidieregeling innovatie binnenvaart houdt verband met de vervanging van de URLB 2001 door de URLB 2011 per 1 januari 2011.

Artikel XXXV

Artikel XXXV (artikel 6 van de Tijdelijke subsidieregeling maritieme innovatie)

De wijziging van artikel 6 van de Tijdelijke subsidieregeling maritieme innovatie houdt verband met de vervanging van de URLB 2001 door de URLB 2011 per 1 januari 2011.

Artikel XXXVI

Artikel XXXVI (artikel 3 van de Tijdelijke subsidieregeling Wereldwijd Werken met Water)

De wijziging van artikel 3 van de Tijdelijke subsidieregeling Wereldwijd Werken met Water houdt verband met de vervanging van de URLB 2001 door de URLB 2011 per 1 januari 2011.

Artikel XXXVII

Artikel XXXVII (artikel 2.2.1 van de Levensloopregeling rijkspersoneel)

De wijziging van artikel 2.2.1 van de Levensloopregeling rijkspersoneel houdt verband met de vervanging van de URLB 2001 door de URLB 2011 per 1 januari 2011.

Artikel XXXVIII

Artikel XXXVIII (artikel 1.1 van de IKAP-regeling rijkspersoneel)

De in artikel 1.1, onderdeel l, van de IKAP-regeling rijkspersoneel opgenomen definitie van bedrijfsfitness verwijst naar de in artikel 29 van de URLB 2001 opgenomen definitie van bedrijfsfitness. In de URLB 2011, die per 1 januari 2011 in werking treedt en in de plaats komt van de URLB 2001, is geen definitie van bedrijfsfitness opgenomen. Daarom wordt de in artikel 1.1, onderdeel l, van de IKAP-regeling rijkspersoneel opgenomen verwijzing met ingang van 1 januari 2011 vervangen door een verwijzing naar artikel 29 van de UR LB 2001, zoals dit op 31 december 2010 luidde. Inhoudelijk is met deze aanpassing geen wijziging beoogd.

Artikel XXXIX

Artikel XXXIX (inwerkingtreding)

De regeling treedt ingevolge artikel XXXIX, eerste lid, in werking met ingang van 1 januari 2011.

De in artikel I, onderdelen A en B opgenomen wijzigingen werken terug tot en met 1 januari 2009. De reden hiervoor is opgenomen bij de toelichting op deze onderdelen. Artikel XXII, onderdeel G, onder 5, werkt ook terug tot en met 1 januari 2009. Dit hangt samen met het feit dat met ingang van die datum de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen in werking is getreden. Het Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997 is per diezelfde datum ingetrokken10.

Artikel I, onderdeel G, werkt terug tot en met 1 januari 2010. De reden hiervoor is opgenomen bij de toelichting op dit onderdeel.

Artikel I, onderdeel H, eerste volzin, werkt terug tot en met 30 maart 2010. Dit hangt samen met het feit dat de Regeling groenprojecten 2005 met ingang van 30 maart 2010 vervangen is door de Regeling groenprojecten 2010.

De artikelen I, onderdelen F, K en O, III, onderdelen A en C, XXII, onderdeel E en XXVII, werken terug tot en met 10 oktober 2010. Dit hangt samen met de staatkundige herziening van het Koninkrijk per 10 oktober 2010.

Artikel III, onderdeel B, werkt terug tot en met 31 december 2010. De reden hiervoor is opgenomen bij de toelichting op dit onderdeel.

De wijzigingen in de UR Awir over herziening in het voordeel van belanghebbende vinden voor het eerst toepassing met betrekking tot beschikkingen waarvan de dagtekening ligt na 31 december 2010. Hiermee wordt aangesloten bij de inwerkingtreding en eerste toepassing van artikel 21a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, zoals opgenomen in OFM 2011. De wijzigingen die zijn opgenomen in de tabel van 3.4 URLB 2011 (artikel IV, onderdeel C) vinden voor het eerst toepassing met betrekking tot uitkeringen die op of na 1 januari 2011 zijn ingegaan.

De artikelen XV, onderdeel J, XVI en XVII, onderdeel R, treden in werking met ingang van 1 maart 2011. De reden hiervoor is opgenomen bij de toelichting op deze onderdelen.

Artikel XXVIII treedt in werking met ingang van 1 april 2011. Dit hangt samen met het feit dat alle gemeenten per 1 april 2011 verplicht zijn de WOZ-gegevens via de beveiligde GemNet-verbinding te verzenden aan hun afnemers.

Artikel XI, onderdelen A en B, treden in werking met ingang van 1 april 2012, omdat dit onderdeel ziet op de regeling voor reisbureaus uit hoofdstuk V, afdeling 10, uit de Wet OB 1968 die op 1 april 2012 in werking treedt.

5. Artikel XVII, onderdelen A en Q, treedt in werking op hetzelfde tijdstip als waarop artikel XIV, onderdeel B, van OFM 2011 in werking treedt. Dit artikel, dat voorziet in wijziging van artikel 71h van de Wet op de accijns, zal in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarbij terugwerkende kracht kan worden verleend. Dit is afhankelijk van het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit hernieuwbare energie vervoer.

De Staatssecretaris van Financiën,

F.H.H. Weekers.

BIJLAGE BIJ DE TOELICHTING OP DE WIJZIGINGEN IN DE UITVOERINGSREGELING LOONBELASTING 2011.

Transponeringstabellen

De URLB 2011, die per 1 januari 2011 in werking treedt, is ter vergemakkelijking van de invoering van de werkkostenregeling, reeds in september 2010 vastgesteld1 . De wijzigingen die met de onderhavige wijzigingsregeling worden aangebracht in de URLB 2011 zijn verwerkt in onderstaande transponeringstabellen.

De onderstaande geactualiseerde transponeringstabellen zijn bedoeld als een hulpmiddel bij de inwerkingtreding van de werkkostenregeling en de nieuwe URLB 2011.

De artikelen van de URLB 2011 die op grond van artikel 12.7 van de URLB 2011 van belang blijven ingeval de inhoudingsplichtige op grond van het keuzeregime kiest voor toepassing van het oude regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen zijn in de eerste tabel gearceerd weergegeven.

Bepalingen in de URLB 2001

Onderwerp

Bepalingen in de URLB 2011

artikel 1

Reikwijdte

artikel 1.1

artikel 2

Definities

artikel 1.2

artikel 2a

Gezelschappen met hoofdzakelijk leden uit verdragslanden, Nederlandse Antillen of Aruba

artikel 2.1

artikel 2b

Uitzondering op fictieve dienstbetrekking sekswerkers

artikel 2.2

artikel 3

Niet-inhoudingsplichtigen

artikel 2.3

artikel 4

Aangewezen inhoudingsplichtige bij de hulp van een thuiswerker

artikel 2.4

artikel 5

Aangewezen inhoudingsplichtige bij een artiest dan wel een beroepssporter

artikel 2.5

artikel 6

Bij overeenkomst aangewezen inhoudingsplichtige bij een beroepssporter

artikel 2.6

artikel 7

Niet tot het loon behorende aanspraken

artikel 3.2

artikel 8

Loon voor de toepassing van enkele regelingen

artikel 3.1

artikel 9

Aanvullende voorwaarden vrijstelling bij telewerken

artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid

artikel 11

Geclausuleerd verlof

artikel 3.3

artikel 12

Minimale periode uitkeringstermijnen bij stamrechtspaarrekening en stamrechtbeleggingsrecht

artikel 3.4

artikel 17

Fooien en dergelijke prestaties van derden

artikel 3.6

artikel 18

Waarde aanspraak

artikel 3.12, eerste lid

artikel 19

Waarde aanspraak ingevolge een ziektekostenregeling in eigen beheer voor ten minste 25 werknemers

artikel 3.12, tweede en derde lid

artikel 20

Waarde van het genot van ter beschikking gestelde communicatiemiddelen

artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel f

artikel 21

Waarde kleding meewerkende kinderen

-

artikel 21a

Waarde van het genot van een ter beschikking gestelde computer

artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel e

artikel 21b

Waarde kinderopvang

artikel 3.8, aanhef en onderdeel c

artikel 21c

Waardering niet in geld genoten loon; privégebruik auto

artikel 3.13

artikel 22

Normeringen en beperkingen

artikel 23

Kosten werknemer bij gedeeltelijk vrije vergoedingen en verstrekkingen

artikel 24

Werkkleding

artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel c

artikel 25

Verhuizing in het kader van de dienstbetrekking

artikel 8.4

artikel 26

Openbaarvervoerkaart

artikel 3.9

artikel 27

Aangewezen regio's uitgezonden werknemers

artikel 8.3

artikel 28

Afgifte EVC-verklaringen

artikel 8.2

artikel 29

Bedrijfsfitness

opgegaan in artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel a

artikel 30

Definitie werkruimte

artikel 1.2, eerste lid, onderdeel f

Artikel 31

Normering vrije vergoedingen en verstrekkingen werkruimte

artikel 32

Personeelsverenigingen

artikel 32a

Personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen

artikel 33

Genot van een woning

artikel 3.11

artikel 34

Genot van bewassing, energie en water

artikel 35

Inwoning

artikel 3.8, aanhef en onderdeel b

artikel 36

Voordeelurenkaart

artikel 3.9

artikel 37

Fiets voor woon-werkverkeer

-

artikel 41

Producten eigen bedrijf

-1

artikel 43

ARBO

artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid

artikel 44

Ongevallenverzekering

artikel 45

Outplacement

2

artikel 46

Vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd

artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel d

artikel 47

Vaste vergoedingen

3

artikel 51

Huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten

artikel 3.8, aanhef en onderdeel b

artikel 52

Bedragen bewassing, energie en water begrepen in bedrag inwoning en huisvesting

artikel 3.8, aanhef en onderdeel b

artikel 55

Maaltijden in bedrijfskantines

artikel 3.8, aanhef en onderdeel a

artikel 56

Kleding die blijft op de plaats waar de arbeid wordt verricht

artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel c

artikel 57

Ziektekostenregeling met een zeer lage waarde

artikel 3.12, vijfde lid

artikel 59

Rentevoordeel personeelsleningen

artikel 3.10

artikel 60

Splitsing pensioenregeling

artikel 4.1

artikel 60a

Aangewezen staten

artikel 4.2

artikel 61

Samenloop verschillende pensioenstelsels

artikel 4.3

artikel 61a

Schriftelijke vastlegging levensloopregeling

artikel 5.1

artikel 61b

Levensloopregeling

artikel 5.2

artikel 61c

Levenslooprekening

artikel 5.3

artikel 61d

Levensloopverzekering

artikel 5.4

artikel 61da

Levenslooprecht van deelneming

artikel 5.5

artikel 61e

Maximale opbouw in een jaar

artikel 5.6

artikel 61f

Toegestane aangroei boven het plafond bij een levenslooprekening en bij een levenslooprecht van deelneming

artikel 5.7

artikel 61g

Toegestane aangroei boven het plafond van een levensloopverzekering

artikel 5.7

artikel 61h

Wijze van beschikken over het levenslooptegoed

artikel 5.8

artikel 61i

Kredietfaciliteit

artikel 5.9

artikel 61j

Opgebouwde voorziening bij ingaan van het ouderdomspensioen

artikel 5.10

artikel 61k

Aangewezen buitenlandse aanbieders

artikel 5.11

artikel 62

Afwijkend loontijdvak bij werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen werkzaam is

artikel 6.1

artikel 63

Afwijkend loontijdvak bij werknemer met vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken

artikel 6.2

artikel 64

Afwijkend loontijdvak bij sommige studenten en scholieren

artikel 6.3

artikel 64a

Toepassing tabel bijzondere beloningen bij wisseling van werkgever binnen samenhangende groep inhoudingsplichtigen

artikel 6.4

artikel 65

Opgave van gegevens door werknemer

artikel 7.9

artikel 66

Identificatieplicht

artikel 7.5

artikel 66a

Eerstedagsmelding

artikel 7.6

artikel 67

Loonstaat

artikel 7.2

artikel 68

Administratie uitkeringen, vergoedingen en verstrekkingen

artikel 7.3

artikel 73

Verplichtingen bij einde inhoudingsplicht

artikel 7.7

artikel 74

Jaaropgaaf

artikel 7.4

artikel 75

Uitzonderingen bij het enkel genieten van bepaalde subsidies

artikel 7.9, vierde lid

artikel 76

Uitzonderingen bij meewerkende kinderen

artikel 7.1

artikel 77

Uitzonderingen bij gerechtigden tot de bijstand

artikel 7.9, vierde lid, en artikel 7.2, negende lid

artikel 78

Uitzonderingen bij gerechtigden tot de inkomensvoorziening kunstenaars

artikel 7.9, vierde lid, en artikel 7.2, negende lid

artikel 79

Geen verplichting tot opgave van persoonlijke gegevens

artikel 7.9, vierde lid

artikel 79a

Uitzonderingen bij samenhangende groep inhoudingsplichtigen

artikel 7.10

artikel 80

Verstrekking sociaal-fiscaalnummer als overigens geen persoonlijke gegevens hoeven te worden verstrekt

artikel 7.9, vijfde lid

artikel 80a

Afwijkende regels met betrekking tot de verplichting tot het indienden van een correctiebericht

artikel 7.8

artikel 81

Uitkeringen van publiekrechtelijke aard

artikel 8.1

artikel 82

Naar het tabeltarief te belasten bezwaarlijk te individualiseren loon

artikel 82a

Bedrag per maand van het naar het tabeltarief te belasten loon in de vorm van vergoedingen en verstrekkingen

artikel 84

Naar het enkelvoudig tarief te belasten loon met een bestemmingskarakter

artikel 84a

Aangewezen verstrekkingen aan anderen dan eigen werknemers

artikel 8.5

artikel 85a

Niet-drukkende uitkering, bijdrage of premie ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding

artikel 8.6

artikel 85b

Geen regeling voor vervroegde uittreding

artikel 8.7

artikel 86

Door tussenkomst van de inhoudingsplichtige uitbetaalde uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringen

artikel 9.1

artikel 88

Meerdere gevallen van loon uit vroegere dienstbetrekking

artikel 9.3

artikel 89

Berekening van de belasting bij aanvulling op uitkeringen ingevolgde de sociale verzekeringswetten

artikel 9.2

artikel 91

Samenvoeging van loon

artikel 9.4

artikel 92

Loon over een ander tijdvak dan het regelmatig wederkerende loon

artikel 9.5

artikel 93

Nettoloon, gevolgd door periodieke afrekening

artikel 9.7

artikel 94

Informatieplicht bij loon van derde

artikel 9.6

artikel 95

Gageverklaring

artikel 10.2

artikel 96

Identificatieplicht

artikel 10.6

artikel 97

Loonstaat

artikel 10.3

artikel 98

Administratie kostenvergoedingen, verstrekkingen in natura en aanspraken

artikel 10.4

artikel 104

Jaaropgaaf

artikel 10.5

artikel 104a

Uitzonderingen

artikel 10.7

artikel 104b

In Nederland wonende leden van het buitenlandse gezelschap

artikel 11.1

artikel 104c

Gageverklaring

artikel 11.3

artikel 104d

Identificatieplicht

artikel 11.6

artikel 104e

Loonstaat

artikel 11.4

artikel 104f

Administratie kostenvergoedingen, verstrekkingen in natura en aanspraken

artikel 11.5

artikel 104j

Uitzonderingen

artikel 11.7

artikel 105

Overgangsregeling loonbelastingverklaringen

artikel 12.1

artikel 106

Overgangsregeling niet-drukkende uitkering, bijdrage of premie ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding

artikel 12.2

artikel 107

Actuariële herrekening bij uitstel ingangsdatum

artikel 12.3

artikel 107a

Overgangsregeling producten eigen bedrijf

artikel 108

Overgangsregeling aanspraken ingevolge een verlofspaarregeling

artikel 12.4

artikel 109

Verhoging maximale opbouw aanspraken ingevolge een levensloopregeling

artikel 12.5

artikel 109a

Toerekening van door afkoop pensioen ontstane aanspraken ingevolge een levensloopregeling aan andere inhoudingsplichtige

artikel 12.6

artikel 110

Overgangsregeling vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen en daarmee overeenkomende aanspraken

artikel 110a

Verrekening sociale uitkeringen in het jaar 2006

artikel 111

Toerekening loon van het jaar 2006 aan het jaar 2005

artikel 111a

Toerekening loon aan verstreken tijdvakken binnen het jaar 2006

artikel 111b

Toerekening loon van het jaar 2007 aan het jaar 2006

artikel 111c

Toerekening loon aan verstreken tijdvakken binnen het jaar 2007

artikel 112

Intrekking van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990

artikel 113

Inwerkingtreding

artikel 12.9

artikel 114

Citeertitel

artikel 12.10

XNoot
1

Zie artikel 13, tweede lid van de Wet LB 1964, zoals dat per 1 januari 2011 komt te luiden.

XNoot
2

Zie artikel 31a, eerste lid, onderdeel c, van de Wet LB 1964, zoals dat per 1 januari 2011 komt te luiden.

XNoot
3

Zie artikel 31a, derde lid, van de Wet LB 1964, zoals dat per 1 januari 2011 komt te luiden.

II. Transponeringstabel van URLB 2011 naar Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001

Bepalingen in de URLB 2011

Onderwerp

Bepalingen in de URLB 2001

artikel 1.1

Reikwijdte

artikel 1

artikel 1.2

Definities

artikel 2,

artikel 30

artikel 1.2

Definities

artikel 2,

artikel 30

artikel 2.1

Gezelschappen met hoofdzakelijk leden uit verdragslanden, Nederlandse Antillen of Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden

artikel 2a

artikel 2.2

Uitzondering op fictieve dienstbetrekking sekswerkers

artikel 2b

artikel 2.3

Niet-inhoudingsplichtigen

artikel 3

artikel 2.4

Aangewezen inhoudingsplichtige bij de hulp van een thuiswerker

artikel 4

artikel 2.5

Aangewezen inhoudingsplichtige bij een artiest of een beroepssporter

artikel 5

artikel 2.6

Bij overeenkomst aangewezen inhoudingsplichtige bij een beroepssporter

artikel 6

artikel 3.1

Loon voor de toepassing van enkele regelingen

artikel 8

artikel 3.2

Niet tot het loon behorende aanspraken

artikel 7

artikel 3.3

Geclausuleerd verlof

artikel 11

artikel 3.4

Minimale periode uitkeringstermijnen bij stamrechtspaarrekening en stamrechtbeleggingsrecht

artikel 12

artikel 3.5

Niet tot het loon gerekende premie

artikel 3.6

Fooien en dergelijke prestaties van derden

artikel 17

artikel 3.7

Bepaling waarde voorzieningen op de werkplek (waarde nihil)

 

– eerste lid, aanhef en onderdeel a

Voorzieningen waarvan het niet gebruikelijk is deze elders te gebruiken of verbruiken

artikel 29 is hierin opgegaan

– eerste lid, aanhef en onderdeel b

ARBO

artikel 9,

artikel 43

– eerste lid, aanhef en onderdeel c

Werkkleding

artikel 24, artikel 56

– eerste lid, aanhef en onderdeel d

Consumpties

artikel 46

– eerste lid, aanhef en onderdeel e

Ter beschikking gestelde hulpmiddelen, waaronder computers en dergelijke apparatuur

artikel 21a

– eerste lid, aanhef en onderdeel f

Waarde van het genot van ter beschikking gestelde mobiele communicatiemiddelen

artikel 20

– eerste lid, aanhef en onderdeel g

huisvesting en inwoning ter vervulling van de dienstbetrekking

– tweede lid

ARBO-voorzieningen thuiswerk

artikel 9,

artikel 43

artikel 3.8

Bepaling waarde voorzieningen op de werkplek (lager dan waarde in het economische verkeer of factuurwaarde)

artikel 29

– aanhef en onderdeel a

Maaltijden in bedrijfskantines

artikel 55

– aanhef en onderdeel b

Huisvesting en inwoning inclusief genot van energie, water en bewassing

artikel 35,

artikel 51, artikel 52

– aanhef en onderdeel c

Waarde kinderopvang

artikel 21b

artikel 3.9

Bepaling van waarde privégebruik openbaarvervoerkaart en voordeelurenkaart

artikel 26,

artikel 36

artikel 3.10

Bepaling waarde rentevoordeel personeelsleningen

artikel 59

artikel 3.11

Bepaling waarde genot van de dienstwoning

artikel 33

artikel 3.12

Bepaling waarde aanspraken, waaronder aanspraken op ziektekostenregelingen

 

– eerste lid

Waarde aanspraak

artikel 18

– tweede en derde lid

Waarde aanspraak ingevolge een ziektekostenregeling in eigen beheer voor ten minste 25 werknemers

artikel 19

– vierde lid

Maximumwaarde Belgische ziektekostenverzekering

– vijfde lid

Ziektekostenregeling met een zeer lage waarde

artikel 57

artikel 3.13

Privégebruik auto; rittenregistratie, loontijdvakken en verklaring geen privégebruik

artikel 21c

artikel 4.1

Splitsing pensioenregeling

artikel 60

artikel 4.2

Aanwijzing van een aantal van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte

artikel 60a

artikel 4.3

Samenloop verschillende pensioenstelsels

artikel 61

artikel 5.1

Schriftelijke vastlegging levensloopregeling

artikel 61a

artikel 5.2

Levensloopregeling

artikel 61b

artikel 5.3

Levenslooprekening

artikel 61c

artikel 5.4

Levensloopverzekering

artikel 61d

artikel 5.5

Levenslooprecht van deelneming

artikel 61da

artikel 5.6

Maximale opbouw in een jaar

artikel 61e

artikel 5.7

Toegestane aangroei boven het plafond bij een levenslooprekening, bij een levensloopverzekering en bij een levenslooprecht van deelneming

artikel 61f, artikel 61g

artikel 5.8

Wijze van beschikken over het levenslooptegoed

artikel 61h

artikel 5.9

Kredietfaciliteit

artikel 61i

artikel 5.10

Opgebouwde voorziening bij het ingaan van het ouderdomspensioen

artikel 61j

artikel 5.11

Aangewezen buitenlandse aanbieders

artikel 61k

artikel 6.1

Afwijkend loontijdvak bij een werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen werkzaam is

artikel 62

artikel 6.2

Afwijkend loontijdvak bij een werknemer met vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of daarmee overeenkomende aanspraken

artikel 63

artikel 6.3

Afwijkend loontijdvak bij sommige studenten en scholieren

artikel 64

artikel 6.4

Toepassing tabel bijzondere beloningen bij wisseling van werkgever binnen samenhangende groep inhoudingsplichtigen

artikel 64a

artikel 7.1

In de onderneming van de ouder werkzame kinderen

artikel 76

artikel 7.2

Loonstaat

artikel 67,

artikel 77,

artikel 78

artikel 7.3

Administratie uitkeringen, vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdelen m en o, van de wet

artikel 68

artikel 7.4

Jaaropgaaf

artikel 74

artikel 7.5

Identificatieplicht

artikel 66

artikel 7.6

Eerstedagsmelding

artikel 66a

artikel 7.7

Einde inhoudingsplicht

artikel 73

artikel 7.8

Afwijkende regels met betrekking tot de verplichting tot het indienen van een correctiebericht

artikel 80a

artikel 7.9

Opgave van gegevens door de werknemer

artikel 65, artikel 75, artikel 77,

artikel 78, artikel 79, artikel 80

artikel 7.10

Uitzonderingen bij samenhangende groep inhoudingsplichtigen

artikel 79a

artikel 8.1

Uitkeringen van publiekrechtelijke aard

artikel 81

artikel 8.2

Afgifte EVC-verklaringen

artikel 28

artikel 8.3

Aangewezen regio's uitgezonden werknemers

artikel 27

artikel 8.4

Verhuizing in het kader van de dienstbetrekking

artikel 25

artikel 8.5

Verstrekkingen aan anderen dan eigen werknemers

artikel 84a

artikel 8.6

Niet-drukkende uitkering, bijdrage of premie ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding

artikel 85a

artikel 8.7

Geen regeling voor vervroegde uittreding

artikel 85b

artikel 9.1

Door tussenkomst van de inhoudingsplichtige uitbetaalde uitkeringen ingevolgde de sociale verzekeringswetten

artikel 86

artikel 9.2

Berekening van de belasting bij aanvullingen op uitkeringen ingevolgde de sociale verzekeringswetten

artikel 89

artikel 9.3

Meerdere gevallen van loon uit vroegere dienstbetrekking

artikel 88

artikel 9.4

Samenvoeging van loon

artikel 91

artikel 9.5

Loon over een ander tijdvak dan het regelmatig wederkerende loon

artikel 92

artikel 9.6

Informatieplicht bij loon van derde

artikel 94

artikel 9.7

Nettoloon, gevolgd door periodieke afrekening

artikel 93

artikel 10.1

artikel 10.2

Gageverklaring

artikel 95

artikel 10.3

Loonstaat

artikel 97

artikel 10.4

Administratie kostenvergoedingen, verstrekkingen en aanspraken

artikel 98

artikel 10.5

Jaaropgaaf

artikel 104

artikel 10.6

Identificatieplicht

artikel 96

artikel 10.7

Uitzonderingen op de toepassing van artikel 10.3

artikel 104a

artikel 11.1

In Nederland wonende leden van het buitenlandse gezelschap

artikel 104b

artikel 11.2

Consumpties tijdens werktijd

artikel 11.3

Gageverklaring

artikel 104c

artikel 11.4

Loonstaat

artikel 104e

artikel 11.5

Administratie kostenvergoedingen, verstrekkingen en aanspraken

artikel 104f

artikel 11.6

Identificatieplicht

artikel 104d

artikel 11.7

Uitzonderingen op de toepassing van artikel 11.4

artikel 104j

artikel 12.1

Overgangsregeling loonbelastingverklaringen

artikel 105

artikel 12.2

Overgangsregeling niet-drukkende uitkering, bijdrage of premie ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding

artikel 106

artikel 12.3

Actuariële herrekening bij uitstel ingangsdatum

artikel 107

artikel 12.4

Overgangsregeling aanspraken ingevolge een verlofspaarregeling

artikel 108

artikel 12.5

Verhoging maximale opbouw aanspraken ingevolge een levensloopregeling

artikel 109

artikel 12.6

Toerekening van door afkoop pensioen ontstane aanspraken en ingevolge een levensloopregeling aan andere inhoudingsplichtige

artikel 109a

artikel 12.7

Toepassing keuzeregime

artikel 12.7a

Overgangsregeling saldering reiskosten

artikel 12.8

Intrekking van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001

artikel 12.9

Inwerkingtreding

artikel 113

artikel 12.10

Citeertitel

artikel 114


XNoot
1

Kamerstukken I 2006/07, 26 200 VI nr. 65 en 21 109, nr. D.

XNoot
3

Richtlijn (EU) nr. 2009/162 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2009 (PbEU 2010, L 10) tot wijziging van Richtlijn (EG) nr. 2006/112 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

XNoot
4

Richtlijn (EU) nr. 2009/69 van de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2009 (PbEU 2009, L 175) tot wijziging van Richtlijn (EG) nr. 2006/112 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

XNoot
5

Fiscale verzamelwet 2010.

XNoot
6

Kamerstukken II 2009/10, 32 401, nr. 3, blz. 26.

XNoot
7

Artikel 143, onderdeel d, van de BTW-richtlijn 2006.

XNoot
8

In Nederland opgenomen in de Overige fiscale maatregelen 2008.

XNoot
10

Artikel 54 van het Kaderbesluit EZ-subsidies.