Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Economische ZakenStaatscourant 2010, 14855Convenanten

Convenant ter bevordering van de opsporing en ontwikkeling van de olie- en gasreserves en de opslag van stoffen op het Nederlands deel van het continentaal plat

1. De Minister van Economische Zaken, hierna te noemen: ‘de Minister’; en

2. ATP Oil & Gas (Netherlands) B.V.,

3. Chevron Exploration and Production Netherlands B.V.,

4. Cirrus Energy Nederland B.V.,

5. Delta Hydrocarbons NL B.V.,

6. GDF SUEZ E&P Nederland B.V.,

7. Grove Energy Ltd.,

8. Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.,

9. Petro-Canada Netherlands B.V.,

10. TAQA Offshore B.V.,

11. Total E&P Nederland B.V.,

12. Tullow Netherlands B.V.,

13. Venture Production Nederland B.V.,

14. Wintershall Noordzee B.V.,

15. Aceiro Energy B.V.,

16. Dana Petroleum (E&P) Ltd.,

17. Dyas B.V.,

18. Energy-06 Investments B.V.,

19. EWE Aktiengesellschaft,

20. ExxonMobil Producing Netherlands B.V.,

21. Faroe Petroleum (U.K.) Ltd.,

22. First Oil Expro Ltd.,

23. GDF SUEZ E&P Participation Nederland B.V.,

24. Lundin Netherlands B.V.,

25. Noble Energy (Europe) Ltd.,

26. Northern Petroleum Nederland B.V.,

27. Nuon Exploration & Production The Netherlands B.V.,

28. Oranje-Nassau Energie B.V.,

29. Production North Sea Netherlands Ltd.,

30. Rosewood Exploration Ltd.,

31. Smart Energy Solutions B.V.,

32. Van Dyke Netherlands Inc.,

33. XTO Netherlands Ltd.,

Verder te noemen: partijen.

Overwegende dat:

  • niet alle delen van gebieden waarvoor uit hoofde van de Mijnbouwwet een vergunning voor de winning van koolwaterstoffen is verleend ten volle worden benut voor het opsporen en winnen van koolwaterstoffen, dan wel het opslaan van stoffen;

  • het beleid van de Minister is gericht op het bevorderen van een actieve benutting van de Nederlandse ondergrond voor zowel opsporing en winning van koolwaterstoffen, als opslag van koolwaterstoffen en andere stoffen;

  • een (wetsvoorstel tot) wijziging van de Mijnbouwwet de mogelijkheid voor de Minister verruimt om gebieden waarvoor een winnings- of opslagvergunning geldt, aan te passen en de opsporing en ontwikkeling van marginale gasvelden op het Nederlands deel van het continentaal plat met een financiële maatregel ondersteunt;

  • mijnbouwondernemingen door ondertekening van dit convenant zich bereid verklaren om zich in te spannen voor een actieve benutting van hun vergunningsgebieden op het Nederlands deel van het continentaal plat indien opsporings-, winnings- of opslagactiviteiten redelijkerwijs mogelijk zijn;

  • partijen, om het beschikbare potentieel aan gebieden voor opsporing, winning en opslag zo goed mogelijk te benutten, in navolging van een soortgelijk initiatief van het Department of Business, Enterprise en Regulatory Reform van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, een transparante procedure wensen te doorlopen teneinde de houder van een vergunning voor een gebied op het Nederlands deel van het continentaal plat in de gelegenheid te stellen zelf activiteiten te ontwikkelen, dan wel op vrijwillige basis anderen in de gelegenheid te stellen activiteiten voor die gebieden te ontwikkelen;

  • dit convenant inzet op het stimuleren van het actief benutten van alle mogelijkheden voor opsporing, winning en opslag in vergunningsgebieden op het Nederlands deel van het continentaal plat;

  • partijen de inwerkingtreding van dit convenant zien in samenhang met het voornoemde wetsvoorstel;

  • partijen hebben afgesproken dat de inwerkingtreding van dit convenant gelijktijdig zal plaatsvinden met de daadwerkelijke invoering van de beoogde financiële stimuleringsmaatregel die is opgenomen in het voornoemde wetsvoorstel;

  • het door partijen actief en constructief uitvoering geven aan dit convenant zal kunnen voorkomen dat de Minister dient over te gaan tot gebiedsverkleining op grond van artikel 32b van de Mijnbouwwet.

Komen overeen:

1. Doelstelling

In het belang van het planmatig en doelmatig beheer van voorkomens van koolwaterstoffen en met het oog op het zo goed mogelijk benutten van het beschikbare potentieel aan gebieden voor opsporing en winning van koolwaterstoffen en opslag van stoffen op het Nederlands deel van het continentaal plat heeft dit convenant tot doel:

  • 1. opsporings- en winningsactiviteiten te stimuleren in (delen van) gebieden waarvoor een winningsvergunning is verleend, maar waarin gedurende een aantal jaren geen opsporings- en/of winningsactiviteiten zijn ontplooid en zulke activiteiten ook niet gepland zijn, terwijl dergelijke activiteiten redelijkerwijs wel mogelijk zijn;

  • 2. opslagactiviteiten mogelijk te maken in (delen van) gebieden waarvoor een winningsvergunning is verleend, maar waarin gedurende een aantal jaren noch opsporings- en/of winningsactiviteiten zijn ontplooid, noch activiteiten die zijn gericht op het aanvragen van een opslagvergunning en zulke activiteiten ook niet gepland zijn, terwijl dergelijke activiteiten redelijkerwijs wel mogelijk zijn.

Daartoe voorziet dit convenant in een procedure ter stimulering van (her)nieuw(d)e opsporings-, winnings- of opslagactiviteiten in gebieden waarvoor een winningsvergunning is verleend. Deze procedure wordt toegepast op basis van vrijwillige medewerking van ondernemingen uit de olie- en gasindustrie.

2. Definities en reikwijdte

Artikel 1 Definities

In dit convenant wordt verstaan onder:

a. vergunning:

een winningsvergunning als bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de Mijnbouwwet;

b. vergunninghouder:

de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een vergunning houdt of, in geval de vergunning wordt gehouden door meer dan één natuurlijke persoon of rechtspersoon , de personen die gezamenlijk als houder van een vergunning worden beschouwd als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de Mijnbouwwet;

c. uitvoerder:

de aangewezen persoon als bedoeld in artikel 22, vijfde lid, van de Mijnbouwwet;

d. medevergunninghouder:

ieder van de in onderdeel b bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen, niet zijnde de uitvoerder;

e. vergunningsgebied:

een gebied waarvoor een vergunning is verleend;

f. opslagvergunning:

een opslagvergunning voor het opslaan van stoffen als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Mijnbouwwet;

g. significante opsporingsactiviteiten:

activiteiten die zijn gericht op een actieve benutting van het vergunningsgebied voor het opsporen van koolwaterstoffen, waaronder in ieder geval:

  • 1°. activiteiten als bedoeld in artikel 1.3.1, tweede lid, onderdeel c, van de Mijnbouwregeling,

  • 2°. het aanleggen, inrichten en afwerken van een boorgat dat niet, of niet in eerste instantie, bedoeld is voor de productie van aangetoonde reserves,

  • 3°. het verkrijgen en interpreteren van seismische data,

  • 4°. het (her)verwerken van seismische data,

  • 5°. 3D reservoir modellering;

h. significante winningsactiviteiten:

activiteiten die zijn gericht op een actieve benutting van het vergunningsgebied voor het winnen van koolwaterstoffen, waaronder in ieder geval:

  • 1°. activiteiten als bedoeld in artikel 1.3.3, derde lid, onderdeel e, van de Mijnbouwregeling,

  • 2°. activiteiten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel c, van de Mijnbouwwet,

  • 3°. het winnen van koolwaterstoffen,

  • 4°. het uitvoerig testen van een put,

  • 5°. het aanleggen, inrichten en afwerken van een boorgat dat bedoeld is voor de evaluatie van aangetoonde reserves,

  • 6°. het in gebruik nemen van een aangelegd, ingericht en afgewerkt boorgat zijnde een put,

  • 7°. het verkrijgen en interpreteren van seismische data, voor zover aantoonbaar gericht op het ondersteunen van de ontwikkeling van een voorkomen,

  • 8°. het (her)verwerken van seismische data, voor zover aantoonbaar gericht op het ondersteunen van de ontwikkeling van een voorkomen;

i. significante opslagactiviteiten:

activiteiten die zijn gericht op het aanvragen van een opslagvergunning, waaronder in ieder geval:

  • 1°. activiteiten als bedoeld in artikel 1.3.4, derde lid, onderdeel a, van de Mijnbouwregeling,

  • 2°. het uitvoerig testen van een put,

  • 3°. het aanleggen, inrichten en afwerken van een boorgat dat bedoeld is voor opslagactiviteiten,

  • 4°. het in gebruik nemen van een aangelegd, ingericht en afgewerkt boorgat zijnde een put ten behoeve van opslagactiviteiten,

  • 5°. het verkrijgen en interpreteren van seismische data, voor zover aantoonbaar gericht op opslagactiviteiten,

  • 6°. het (her)verwerken van seismische data, voor zover aantoonbaar gericht op opslagactiviteiten;

j. fallow-gebied:

een gebied dat op grond van dit convenant is geclassificeerd als gebied waar geen significante opsporings-, winnings- of opslagactiviteiten plaatsvinden;

k. leeg veld:

en gebied of samenhangend geheel van gebieden gelegen binnen een vergunningsgebied waar de winningsactiviteiten zijn gestaakt en waarvoor een sluitingsplan dient te worden ingediend;

n. activiteitenplan:

een schriftelijk programma of plan inhoudende significante opsporingsactiviteiten, significante winningsactiviteiten of significante opslagactiviteiten met betrekking tot een fallow-gebied of een deel daarvan met vermelding van een termijn waarbinnen deze activiteiten zullen worden uitgevoerd.

Artikel 2 Reikwijdte

Dit convenant is van toepassing op vergunningen voor de zeezijde als bedoeld in artikel 54, onderdeel e, van de Mijnbouwwet.

3. Procedure voor fallow-gebieden

Artikel 3 Inventarisatie en voorlopige classificatie fallow-gebied

  • 1. Op basis van de inventarisatie als bedoeld in artikel 32a van de Mijnbouwwet worden delen van vergunningsgebieden waar gedurende twee voorafgaande kalenderjaren geen significante opsporings-, winnings- of opslagactiviteiten hebben plaatsgevonden door de Minister afgebakend en voorlopig geclassificeerd als fallow-gebieden. Daarbij wordt rekening gehouden met een overlap van of relaties tussen gebieden. Lege velden zullen als zodanig apart worden geclassificeerd.

  • 2. De afbakening van een fallow-gebied kan stratigrafisch plaatsvinden, voor zover dit uit technisch of economisch oogpunt geen afbreuk doet aan activiteiten in andere delen van het vergunningsgebied waarvan het afgebakende gebied deel uitmaakt.

  • 3. Bij de afbakening van een fallow-gebied zal het bepaalde in artikel 11, derde en vierde lid, van de Mijnbouwwet in acht worden genomen.

Artikel 4 Definitieve classificatie fallow-gebied

  • 1. Uiterlijk drie maanden na de voorlopige classificatie als bedoeld in artikel 3 zal de Minister de desbetreffende vergunninghouder schriftelijk op de hoogte stellen van de voorlopige classificatie.

  • 2. De vergunninghouder kan binnen een termijn van drie maanden na zodanige mededeling aan de Minister zijn reactie geven op de voorlopige classificatie en de afbakening van het fallow-gebied. Indien daartoe aanleiding is, zullen de vergunninghouder en de Minister gedurende deze termijn over die reactie in overleg treden.

  • 3. De voorlopige classificatie vervalt of de afbakening wordt gewijzigd, indien de vergunninghouder aantoont dat:

    • a. in het fallow-gebied sprake is van significante opsporings- winnings- of opslagactiviteiten;

    • b. binnen een redelijke termijn significante opsporings-, winnings- of opslagactiviteiten zullen plaatsvinden;

    • c. de afbakening onjuist is.

  • 4. Uiterlijk drie maanden na ontvangst van de reactie als bedoeld in het tweede lid, zal de Minister na overleg met de vergunninghouder een definitieve classificatie vaststellen van het fallow-gebied. De definitieve classificatie wordt voorzien van een toelichting en bekend gemaakt op www.nlog.nl.

  • 5. Indien de vergunninghouder bezwaar heeft tegen de definitieve classificatie, dan zal dit bij de classificatie op www.nlog.nl worden vermeld. Artikel 10, tweede lid, is dan van toepassing.

Artikel 5 Activiteitenplan voor het fallow-gebied van de vergunninghouder

  • 1. Gedurende een periode van negen maanden na bekendmaking van de definitieve classificatie kan de vergunninghouder voor een fallow-gebied in zijn vergunningsgebied een activiteitenplan aan de Minister overleggen. Voor zover een activiteitenplan betrekking heeft op een deel van het fallow-gebied vermeldt de vergunninghouder in het activiteitenplan de afbakening van dit deel. De overlegging van een activiteitenplan wordt door de Minister bekend gemaakt op www.nlog.nl.

  • 2. De Minister zal het activiteitenplan beoordelen volgens de normen die krachtens de Mijnbouwwet gelden bij het verlenen van een opsporings-, winnings- of opslagvergunning.

  • 3. Indien de Minister het door de vergunninghouder overgelegde activiteitenplan positief beoordeelt, vervalt de definitieve classificatie en zal het betreffende fallow-gebied door de Minister van de lijst met fallow-gebieden op www.nlog.nl worden verwijderd.

  • 4. Indien het positief beoordeelde activiteitenplan betrekking heeft op een gedeelte van een fallow-gebied zal het resterende gedeelte als fallow-gebied worden afgebakend en de vermelding op www.nlog.nl worden aangepast.

  • 5. Indien de Minister het door de vergunninghouder overgelegde activiteitenplan negatief beoordeelt, deelt de Minister dit gemotiveerd mee aan de vergunninghouder. De definitieve classificatie van het betreffende fallow-gebied op www.nlog.nl blijft dan ongewijzigd.

  • 6. Indien door de vergunninghouder een verzoek tot overdracht van de vergunning is ingediend bij de Minister binnen de laatste drie maanden van de in het eerste lid genoemde negen maanden, dan zal deze termijn van negen maanden met drie maanden worden verlengd om de potentiële nieuwe vergunninghouder in de gelegenheid te stellen een activiteitenplan te overleggen.

Artikel 6 Activiteitenplan voor het fallow-gebied van de uitvoerder en/of medevergunninghouder

  • 1. Gedurende een periode van drie maanden vanaf het tijdstip waarop de termijn voor het indienen van een activiteitenplan door de vergunninghouder is verstreken of het door de vergunninghouder ingediende activiteitenplan negatief is beoordeeld, kunnen de uitvoerder en de medevergunninghouders, ieder afzonderlijk of in combinatie voor het fallow-gebied in hun vergunningsgebied een activiteitenplan aan de Minister overleggen. Voor zover een activiteitenplan betrekking heeft op een deel van het fallow-gebied vermeldt het plan de afbakening van dit deel. De overlegging van een activiteitenplan wordt door de Minister bekend gemaakt op www.nlog.nl.

  • 2. Een activiteitenplan kan samen met of één of meer derden worden ingediend. Daarbij dienen tevens de gegevens genoemd in artikel 1.3.1, derde lid, van de Mijnbouwregeling te worden overgelegd.

  • 3. De Minister zal het activiteitenplan beoordelen volgens de normen die krachtens de Mijnbouwwet gelden bij het verlenen van een opsporings-, winnings- of opslagvergunning.

  • 4. Indien de Minister een activiteitenplan positief beoordeelt, zal de Minister de indiener of indieners van het activiteitenplan, alsmede de uitvoerder en de medevergunninghouders, hiervan op de hoogte stellen.

  • 5. Indien meerdere activiteitenplannen aan de Minister worden overgelegd en positief worden beoordeeld, zal de Minister in overleg met de vergunninghouder een keuze maken, daarbij rekening houdend met de normen die krachtens de Mijnbouwwet gelden bij het verlenen van een opsporings-, winnings- of opslagvergunning. In belangrijke mate zal meewegen of de indieners van het plan partij zijn of worden bij dit convenant.

  • 6. Na de keuze, bedoeld in het vijfde lid, zal de vergunninghouder bij de Minister:

    • a. een aanvraag om splitsing van de vergunning indienen, waarbij de vergunning wordt gesplitst in een vergunning voor het fallow-gebied waarop het activiteitenplan betrekking heeft en een vergunning voor het overige deel van het vergunningsgebied;

    • b. een aanvraag als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Mijnbouwwet, indienen voor het doen overgaan van de vergunning voor het fallow-gebied waarop het positief beoordeelde activiteitenplan betrekking heeft op de indiener of indieners van het plan;

    indien dit uit technisch of economisch oogpunt geen afbreuk doet aan activiteiten in andere delen van het oorspronkelijke vergunningsgebied. Indien toepassing is gegeven aan artikel 4, vijfde lid, worden de aanvragen niet eerder ingediend dan nadat het advies, bedoeld in artikel 10, tweede lid, verkregen is.

  • 7. Indien het activiteitenplan betrekking heeft op een gedeelte van een fallow-gebied zal het resterende gedeelte als fallow-gebied worden afgebakend en de vermelding op de website www.nlog.nl worden aangepast.

  • 8. Indien de Minister een overgelegd activiteitenplan negatief beoordeelt, deelt de Minister dit gemotiveerd mee aan de indiener of indieners van het plan. Indien geen enkel activiteitenplan positief wordt beoordeeld, blijft de definitieve classificatie van het betreffende fallow-gebied op www.nlog.nl ongewijzigd.

Artikel 7 Open fallow-gebied: activiteitenplan voor het fallow-gebied van derden

  • 1. Vanaf het tijdstip waarop de termijn, genoemd in artikel 6, eerste lid, is verstreken of de ingediende activiteitenplannen negatief zijn beoordeeld, kan een derde een activiteitenplan voor een fallow-gebied overleggen aan de Minister. Dit kan samen met de uitvoerder of één of meer medehouders van de vergunning waarin het fallow-gebied is gelegen of één of meer andere derden. Daarbij dienen de gegevens bedoeld in artikel 1.3.1, derde lid, van de Mijnbouwregeling te worden overgelegd.

  • 2. Voor zover een activiteitenplan betrekking heeft op een deel van het fallow-gebied vermeldt het plan de afbakening van dit deel.

  • 3. De Minister zal het activiteitenplan beoordelen volgens de normen die krachtens de Mijnbouwwet gelden bij het verlenen van een opsporings-, winnings- of opslagvergunning.

  • 4. De overlegging van een activiteitenplan wordt door de Minister bekend gemaakt op www.nlog.nl. Andere gegadigden kunnen binnen drie maanden na de bekendmaking een activiteitenplan voor het desbetreffende fallow-gebied dan wel het desbetreffende deel van het fallow-gebied aan de Minister overleggen.

  • 5. Indien meerdere activiteitenplannen aan de Minister worden overgelegd en positief worden beoordeeld, zal de Minister in overleg met de vergunninghouder een keuze maken, daarbij rekening houdend met de normen die krachtens de Mijnbouwwet gelden bij het verlenen van een opsporings-, winnings- of opslagvergunning. In belangrijke mate zal meewegen of de indieners van het plan partij zijn of worden bij dit convenant.

  • 6. Na de keuze, bedoeld in het vijfde lid, zal de vergunninghouder bij de Minister:

    • a. een aanvraag om splitsing van de vergunning indienen, waarbij de vergunning wordt gesplitst in een vergunning voor het fallow-gebied waarop het activiteitenplan betrekking heeft en een vergunning voor het overige deel van het vergunningsgebied;

    • b. een aanvraag als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Mijnbouwwet, indienen voor het doen overgaan van de vergunning voor het fallow-gebied waarop het positief beoordeelde activiteitenplan betrekking heeft op de indiener of indieners van het plan;

    indien dit uit technisch of economisch oogpunt geen afbreuk doet aan activiteiten in andere delen van het oorspronkelijke vergunningsgebied. Indien toepassing is gegeven aan artikel 4, vijfde lid, worden de aanvragen niet eerder ingediend dan nadat het advies, bedoeld in artikel 10, tweede lid, verkregen is.

  • 7. Indien het activiteitenplan betrekking heeft op een gedeelte van een fallow-gebied zal het resterende gedeelte als fallow-gebied worden afgebakend en de vermelding op www.nlog.nl worden aangepast.

  • 8. Zo lang geen activiteitenplan door een derde is ingediend, kan de vergunninghouder een activiteitenplan voor het fallow-gebied indienen. Artikel 5 is dan van overeenkomstige toepassing.

  • 9. Indien de Minister een overgelegd activiteitenplan negatief beoordeelt, deelt de Minister dit gemotiveerd mee aan de indiener of indieners van het plan. Indien geen enkel activiteitenplan positief wordt beoordeeld, blijft de definitieve classificatie van het betreffende fallow-gebied op www.nlog.nl ongewijzigd.

Artikel 8 Nieuwe gegevens

De kwalificatie en afbakening van een fallow-gebied kan op basis van nieuwe gegevens, feiten en omstandigheden, op verzoek van de vergunninghouder, door de Minister worden gewijzigd.

4. Overige bepalingen

Artikel 9 Gebiedsverkleining

De Minister overweegt jegens partijen geen gebiedsverkleining op grond van artikel 32b van de Mijnbouwwet gedurende de actieve en constructieve uitvoering van dit convenant, tenzij een uitzonderlijke omstandigheid of een verzoek van een derde hiertoe aanleiding geeft.

Artikel 10 Geschillenbeslechting

  • 1. De in dit convenant neergelegde procedure zal door partijen op een faire en redelijke wijze worden toegepast.

  • 2. Indien zich een geschil voordoet in verband met dit convenant of afspraken die daarmee samenhangen, dan zullen partijen daarover advies vragen aan drie door partijen gezamenlijk te benoemen adviseurs. De partijen zullen aan dit advies gevolg geven.

  • 3. Een geschil bestaat, indien een van de partijen dat stelt en schriftelijk aan de andere partijen meedeelt.

  • 4. Het bepaalde in dit convenant laat onverlet de mogelijkheid om krachtens de Algemene wet bestuursrecht bezwaar en beroep in te stellen tegen besluiten van de Minister en de bevoegdheid van de Minister om besluiten op grond van een wettelijke bevoegdheid te nemen.

5. Slotbepalingen

Artikel 11 Toetreding

  • 1. Teneinde zoveel mogelijk ondernemingen uit de olie- en gasindustrie te doen participeren in dit convenant, bestaat de mogelijkheid om gedurende de looptijd van het convenant als partij toe te treden. Een toetredende partij dient de verplichtingen die voor haar uit het convenant voortvloeien zonder voorbehoud te aanvaarden.

  • 2. Een toetredende partij maakt haar verzoek tot toetreding schriftelijk bekend aan de Minister. Zodra de Minister schriftelijk heeft ingestemd met het verzoek tot toetreding, ontvangt de toetredende partij de status van partij bij het convenant en gelden voor die partij de voor haar uit het convenant voortvloeiende verplichtingen.

  • 3. Het verzoek tot toetreding en de verklaring tot instemming worden in afschrift naar alle partijen gestuurd en als bijlage aan het convenant gehecht.

  • 4. Van de toetreding wordt mededeling gedaan op www.nlog.nl.

Artikel 12 Opzegging

Elke partij kan dit convenant met inachtneming van een opzegtermijn van 3 maanden schriftelijk en met redenen omkleed opzeggen. Dat laat het convenant voor de overige partijen onverlet voor zover de inhoud en de strekking ervan zich daartegen niet verzetten. Van de opzegging wordt mededeling gedaan op www.nlog.nl.

Artikel 13 Wijziging

  • 1. In onderling overleg tussen partijen kan het convenant tussentijds worden gewijzigd. Tussentijdse wijziging van het convenant kan alleen plaatsvinden met schriftelijke instemming van alle partijen. Van een tussentijdse wijziging wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

  • 2. In geval van voor dit convenant relevante wijzigingen in de Mijnbouwwet- en regelgeving treden partijen in overleg en wordt bezien of deze wijzigingen nopen tot wijziging dan wel beëindiging van het convenant.

Artikel 14 Evaluatie

Partijen zullen twee jaar na inwerkingtreding van het convenant of na opzegging van het convenant door één van de partijen wegens inhoudelijke redenen de uitvoering en de werking van dit convenant gezamenlijk evalueren aan de hand van vastgelegde gegevens over de werking van het convenant. Van de evaluatie maken partijen gezamenlijk een verslag. Partijen zullen naar aanleiding van het gezamenlijke verslag van de evaluatie in overleg treden over het treffen van nadere maatregelen of wijziging of beëindiging van het convenant.

Artikel 15 Onvoorziene omstandigheden

Indien onvoorziene omstandigheden opkomen die van dien aard zijn dat dit convenant naar het oordeel van een of meer partijen billijkheidshalve behoort te worden gewijzigd, zullen partijen over de noodzaak van wijziging in overleg treden.

Artikel 16 Niet in rechte afdwingbaar

Met dit convenant worden geen in rechte afdwingbare rechten en verplichtingen voor partijen in het leven geroepen.

Artikel 17 Inwerkingtreding, looptijd en werking

  • 1. Dit convenant is gesloten voor vijf jaar. Het treedt in werking met ingang van de datum waarop de financiële stimuleringsmaatregel welke is opgenomen in het wetsvoorstel tot wijziging van de Mijnbouwwet in verband met het stimuleren van een actief gebruik van vergunningen voor opsporing, winning en opslag in werking treedt.

  • 2. Na afloop van de in het eerste lid genoemde duur wordt dit convenant telkens voor dezelfde duur voortgezet.

Dit convenant wordt in de Staatscourant geplaatst.

Aldus overeengekomen en ondertekend,’s-Gravenhage, 31 augustus 2010

De Minister van Economische Zaken,

M.J.A. van der Hoeven.