﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE officiele-publicatie PUBLIC "-//Overheid//Officiele publicaties 1.0//NL" "http://standaarden.overheid.nl/op/dtd/offpublicatie.dtd"[]>
<officiele-publicatie>
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2009-12819/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="officieel">Staatscourant</titel>
    <subtitel>Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814</subtitel>
  </kop>
  <staatscourant>
    <intitule>Besluit van ......, houdende milieukwaliteitseisen externe
    veiligheid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door
    buisleidingen</intitule>
    <voorwerk>
      <vrije-tekst>
        <tekst status="goed">
          <al>De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
      maaktingevolge artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer bekend dat
      gedurende vier weken na dagtekening van deze Staatscourant een ieder
      schriftelijk zijn zienswijze naar voren kan brengen over onderstaand ontwerp
      van een algemene maatregel van bestuur.</al>
          <al-groep>
            <al>Adres: Ministerie van Volkshuisvesting,</al>
            <al>Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer</al>
            <al>BJZ/K&amp;L – IPC 880</al>
            <al>Postbus 20951</al>
            <al>2500 EZ DEN HAAG</al>
          </al-groep>
        </tekst>
      </vrije-tekst>
    </voorwerk>
    <regeling>
      <aanhef>
        <wij>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
        van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wij>
        <considerans>
          <considerans.al bevat="voordracht">Op de voordracht van Onze Minister
          van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van ....., nr.
          ....., Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken;</considerans.al>
          <considerans.al bevat="grondslag">Gelet op de artikelen 5.1, eerste
          lid, 5.2, eerste lid, en 5.3, eerste en tweede lid, en 9.2.2.1 van de Wet
          milieubeheer<noot id="n1" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>M.i.v. 1 juni 2008 is artikel 24 Wms overgeheveld naar
              hoofdstuk 9 van de Wet milieubeheer (artikel 9.2.2.1).</noot.al></noot> en de artikelen 3.37 en 4.3, eerste en tweede lid, van de Wet
          ruimtelijke ordening;</considerans.al>
          <considerans.al bevat="gehoord">De Raad van State gehoord (advies van
          ....., nr. W .....);</considerans.al>
          <considerans.al bevat="gezien">Gezien het nader rapport van Onze
          Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van .....,
          nr. ....., Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken;</considerans.al>
        </considerans>
        <afkondiging>
          <al>Hebben goedgevonden en verstaan:</al>
        </afkondiging>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>§</label>
            <nr status="officieel">1.</nr>
            <titel status="officieel">Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel status="goed">
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr status="officieel">1</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
              <al>In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt
              verstaan onder:</al>
              <definitielijst plaatsing="inline" type="ongemarkeerd" nr-sluiting=".">
                <definitie-item>
                  <term>beperkt kwetsbaar object:</term>
                  <definitie>
                    <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                      <li>
                        <li.nr>1°.</li.nr>
                        <al>object als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                        onderdeel a, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>2°.</li.nr>
                        <al>lintbebouwing voor zover deze loodrecht of nagenoeg
                        loodrecht is gelegen op de contouren van het plaatsgebonden risico van een
                        buisleiding;</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </definitie>
                </definitie-item>
                <definitie-item>
                  <term>bestemmingsplan:</term>
                  <definitie>
                    <al> bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet
                    ruimtelijke ordening;</al>
                  </definitie>
                </definitie-item>
                <definitie-item>
                  <term>buisleiding:</term>
                  <definitie>
                    <al> leiding bestemd of gebruikt voor het vervoer van
                    gevaarlijke stoffen, met de daarbij behorende voorzieningen;</al>
                  </definitie>
                </definitie-item>
                <definitie-item>
                  <term>exploitant:</term>
                  <definitie>
                    <al> degene die verantwoordelijk is voor de aanleg, het
                    beheer, het gebruik en het onderhoud van een buisleiding;</al>
                  </definitie>
                </definitie-item>
                <definitie-item>
                  <term>groepsrisico:</term>
                  <definitie>
                    <al> cumulatieve kansen per jaar per kilometer buisleiding
                    dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van
                    hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een buisleiding en een ongewoon
                    voorval met die buisleiding;</al>
                  </definitie>
                </definitie-item>
                <definitie-item>
                  <term>geprojecteerd kwetsbaar object:</term>
                  <definitie>
                    <al> nog niet aanwezig kwetsbaar object dat op grond van het
                    voor het desbetreffende gebied geldende bestemmingsplan toelaatbaar is;</al>
                  </definitie>
                </definitie-item>
                <definitie-item>
                  <term>invloedsgebied:</term>
                  <definitie>
                    <al> gebied waarin personen worden meegeteld voor de
                    berekening van het groepsrisico van de buisleiding tot de grens waarbinnen de
                    letaliteit van die personen 1% is;</al>
                  </definitie>
                </definitie-item>
                <definitie-item>
                  <term>kwetsbaar object:</term>
                  <definitie>
                    <al> object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel
                    m, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;</al>
                  </definitie>
                </definitie-item>
                <definitie-item>
                  <term>plaatsgebonden risico:</term>
                  <definitie>
                    <al> risico op een plaats nabij een buisleiding, uitgedrukt
                    als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die
                    bepaalde plaats zou verblijven, overlijdt als gevolg van een ongewoon voorval
                    met die buisleiding;</al>
                  </definitie>
                </definitie-item>
                <definitie-item>
                  <term>wet:</term>
                  <definitie>
                    <al> Wet milieubeheer.</al>
                  </definitie>
                </definitie-item>
              </definitielijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
              <al>In dit besluit wordt onder een bestemmingsplan een
              inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van de Wet ruimtelijke
              ordening, alsmede een projectbesluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid,
              onder f, van die wet mede begrepen, met dien verstande dat bij een
              inpassingsplan van een provincie onderscheidenlijk het Rijk voor ‘burgemeester
              en wethouders’ wordt gelezen ‘gedeputeerde staten’ onderscheidenlijk ‘Onze
              Minister’.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel status="goed">
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr status="officieel">2</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
              <al>Dit besluit is van toepassing op het vervoer door buisleidingen
              van door Onze Minister, in afstemming met de Minister die het mede aangaat, bij
              regeling aangewezen categorieën vangevaarlijke stoffen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
              <al>De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, kan mede betrekking
              hebben op in de regeling te omschrijven:</al>
              <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                <li>
                  <li.nr>a.</li.nr>
                  <al>concentraties van een stof,</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>b.</li.nr>
                  <al>gevaren die aan de stof verbonden zijn, of</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>c.</li.nr>
                  <al>toestand waarin de stof zich bevindt.</al>
                </li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
              <al>Dit besluit is niet van toepassing op het vervoer van
              gevaarlijke stoffen door buisleidingen, voor zover die buisleidingen:</al>
              <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                <li>
                  <li.nr>a.</li.nr>
                  <al>deel uitmaken van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1
                  van de wet;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>b.</li.nr>
                  <al>gelegen zijn op het continentaal plat, bedoeld in artikel
                  1, onder c, van de Mijnbouwwet of in de territoriale zee van Nederland.</al>
                </li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
        </paragraaf>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>§</label>
            <nr status="officieel">2.</nr>
            <titel status="officieel">Algemene regels voor de exploitant</titel>
          </kop>
          <artikel status="goed">
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr status="officieel">3</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
              <al>Het is een exploitant verboden gevaarlijke stoffen in een
              buisleiding te hebben of te vervoeren, indien niet wordt voldaan aan de bij of
              krachtens dit besluit aan hem gestelde eisen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
              <al>Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van gevallen
              worden aangewezen, waarin de in het eerste lid bedoelde eisen geheel of voor
              een daarbij te bepalen gedeelte niet van toepassing zijn, indien onverkorte
              toepassing van de desbetreffende artikelen van dit besluit:</al>
              <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                <li>
                  <li.nr>a.</li.nr>
                  <al>in het belang van de bescherming van mens en milieu niet
                  noodzakelijk is, of</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>b.</li.nr>
                  <al>wegens bij de regeling te benoemen omstandigheden in
                  redelijkheid niet van de exploitant kan worden gevergd.</al>
                </li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel status="goed">
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr status="officieel">4</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
              <al>De exploitant neemt de technische of organisatorische
              maatregelen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om de effecten
              voor mens en milieu te beperken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
              <al>De exploitant neemt bij het ontwerp, de aanleg, de
              ingebruikstelling, het gebruik, een wijziging in de technische uitvoering, de
              exploitatie, het beheer, het onderhoud en het buitengebruik stellen van een
              buisleiding alle technische en organisatorische maatregelen die redelijkerwijs
              van hem gevergd kunnen worden, om ongewone voorvallen te voorkomen, en de
              gevolgen daarvan voor mens en milieu, voor zover die gevolgen niet kunnen
              worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
              <al>De exploitant heeft een document voorhanden waarin het door hem
              gevoerde beleid ter invulling van de in het tweede lid bedoelde zorgplicht,
              rekening houdend met de aanwezigheid en de omvang van de risico’s van ongewone
              voorvallen, is vastgelegd. Dit document bevat de algemene doelstellingen en
              beginselen van het beleid inzake de beheersing van de risico’s van ongewone
              voorvallen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
              <al>De exploitant voert uit en neemt maatregelen overeenkomstig het
              in het derde lid bedoelde document.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">5.</lidnr>
              <al>Onze Minister kan bij ministeriële regeling de maatregelen als
              bedoeld in het eerste en tweede lid aanwijzen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">6.</lidnr>
              <al>Teneinde het in het derde lid bedoelde beleid te bepalen en uit
              te voeren, voert de exploitant een veiligheidsbeheerssysteem in. In het
              veiligheidsbeheerssysteem komen de elementen, genoemd in de bij dit besluit
              behorende bijlage aan de orde.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">7.</lidnr>
              <al>Indien bij de aanleg, de ingebruikstelling, het gebruik, de
              technische uitvoering, de exploitatie, het beheer, het onderhoud of het
              buitengebruik stellen van een buisleiding een verandering wordt aangebracht die
              voor de risico's van een ongewoon voorval belangrijke gevolgen kan hebben,
              draagt de exploitant er zorg voor dat het beleid ter voorkoming van ongewone
              voorvallen en het veiligheidsbeheerssysteem worden herzien. Een zodanige
              herziening vindt tevens plaats indien een verandering in het veiligheidsinzicht
              als ook een verandering van de best beschikbare technieken voor het beheer en
              onderhoud van buisleidingen, daartoe aanleiding geeft.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">8.</lidnr>
              <al>Op verzoek van Onze Minister zendt de exploitant het document,
              bedoeld in het derde lid, aan hem toe. Indien Onze Minister van oordeel is dat
              dit document of het veiligheidsbeheerssysteem onjuist of onvolledig is dan wel
              anderszins niet voldoet, kan hij de exploitant verplichten tot het wijzigen,
              aanvullen of opnieuw opstellen van het document of het
              veiligheidsbeheerssysteem binnen een aangegeven termijn.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel status="goed">
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr status="officieel">5</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
              <al>Onze Minister kan aan de exploitant technische en
              organisatorische maatregelen of het verleggen van een buisleiding opleggen om
              het groepsrisico voor de omgeving, in relatie tot de buisleiding te
              beperken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
              <al>Indien de exploitant zich ten gevolge van de beschikking als
              bedoeld in het eerste lid voor kosten ziet gesteld dan wel schade lijdt, welke
              redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te blijven, kent de
              Minister hem, voor zover op andere wijze in een redelijke vergoeding niet is of
              kan worden voorzien, op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen vergoeding
              toe.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel status="goed">
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr status="officieel">6</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
              <al>Het plaatsgebonden risico voor een kwetsbaar object,
              veroorzaakt door een buisleiding, mag niet hoger zijn dan 10<sup>-6</sup> per
              jaar.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
              <al>De aanleg of vervanging van een buisleiding wordt door de
              exploitant zodanig uitgevoerd dat het plaatsgebonden risico van de buisleiding
              op een afstand van vijf meter gemeten vanuit het hart van de buisleiding niet
              hoger is dan 10<sup>-6</sup> per jaar.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
              <al>Indien de verplichting, bedoeld in het tweede lid, voor een
              bepaalde categorie van buisleidingen in redelijkheid niet gevergd kan worden,
              kan bij ministeriële regeling een andere afstand tot de buisleiding worden
              vastgesteld waarbuiten het plaatsgebonden risico de norm van 10<sup>-6</sup>
              niet mag overschrijden, of tijdelijk een hoger risico kan worden
              geaccepteerd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
              <al>De aanleg of vervanging van een buisleiding is slechts
              toegestaan indien deze in overeenstemming is met het ter plaatse geldende
              bestemmingsplan.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel status="goed">
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr status="officieel">7</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
              <al>De exploitant heeft voor zijn buisleiding op basis van actuele
              en authentieke gegevens berekeningen voorhanden van het plaatsgebonden en het
              groepsrisico, uitgevoerd volgens bij regeling van Onze Minister gestelde
              regels.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
              <al>De exploitant verstrekt op verzoek de gegevens, bedoeld in het
              eerste lid, ten behoeve van de besluiten, bedoeld in artikel 11.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel status="goed">
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr status="officieel">8</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
              <al>De exploitant voert bij een voorgenomen wijziging van de
              gegevens, bedoeld in artikel 12.12 van de wet, een onderzoek uit naar de
              invloed van die wijziging op het plaatsgebonden risico en het
              groepsrisico.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
              <al>Bij een negatieve invloed van de voorgenomen wijziging op het
              plaatsgebonden risico of het groepsrisico kan deze wijziging slechts worden
              doorgevoerd, indien deze in overeenstemming is met het geldende
              bestemmingsplan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
              <al>De exploitant meldt de wijziging onverwijld aan Onze
              Minister.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel status="goed">
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr status="officieel">9</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
              <al>Wanneer een buisleiding buiten gebruik is, meldt de exploitant
              dit onverwijld aan Onze Minister.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
              <al>Een buisleiding is in ieder geval buiten gebruik, indien deze
              gedurende een aaneengesloten periode van ten minste een jaar niet in gebruik is
              geweest voor het vervoer van een gevaarlijke stof.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
              <al>De exploitant draagt er zorg voor dat een buisleiding die
              buiten gebruik is geen gevaar voor mens en het milieu kan opleveren.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
              <al>Bij hernieuwde ingebruikname van de buisleiding volgt de
              exploitant de procedure voor wijziging van de gegevens genoemd in artikel
              8.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel status="goed">
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr status="officieel">10</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
              <al>De exploitant van de buisleiding waarbij zich een ongewoon
              voorval voordoet of heeft</al>
              <al>voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor de gezondheid van
              de mens of voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, meldt dat
              voorval zo spoedig mogelijk aan Onze Minister.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
              <al>Artikel 17.2, tweede en derde lid, van de wet is van
              overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van ‘dat
              bestuursorgaan’ onderscheidenlijk ‘het bestuursorgaan’ wordt gelezen: Onze
              Minister.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </paragraaf>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>§</label>
            <nr status="officieel">3.</nr>
            <titel status="officieel">Vaststelling van bestemmingsplannen</titel>
          </kop>
          <artikel status="goed">
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr status="officieel">11</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
              <al>Bij de vaststelling van een bestemmingplan, op grond waarvan de
              aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar
              object bij een buisleiding wordt toegelaten, wordt een waarde in acht genomen
              van 10<sup>-6</sup> per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor
              kwetsbare objecten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
              <al>Bij de vaststelling van een bestemmingsplan op grond waarvan de
              aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een beperkt
              kwetsbaar object bij een buisleiding wordt toegelaten, wordt in de toelichting
              verantwoord op welke wijze rekening is gehouden met een waarde van
              10<sup>-6</sup> per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor
              beperkt kwetsbare objecten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
              <al>Bij de vaststelling van een bestemmingsplan op grond waarvan de
              aanleg, bouw of vestiging van een risicoverhogend object wordt toegelaten in de
              directe omgeving van de buisleiding vinden het eerste en tweede lid
              overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel status="goed">
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr status="officieel">12</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
              <al>Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op grond waarvan
              de aanleg van een buisleiding, of de aanleg, bouw of vestiging van een
              kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object wordt toegelaten, wordt tevens het
              groepsrisico in het invloedsgebied van de buisleiding verantwoord. In de
              toelichting van het besluit wordt vermeld:</al>
              <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                <li>
                  <li.nr>a.</li.nr>
                  <al>de aanwezige en de op grond van het besluit te verwachten
                  dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding of
                  buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>b.</li.nr>
                  <al>het groepsrisico per kilometer buisleiding op het tijdstip
                  waarop het besluit wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat besluit
                  toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het
                  groepsrisico, vergeleken met de lijn die de kans weergeeft op een ongeval met
                  10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10<sup>-4</sup> per jaar en
                  de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste
                  10<sup>-6</sup> per jaar;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>c.</li.nr>
                  <al>indien mogelijk, de maatregelen ter beperking van het
                  groepsrisico die worden toegepast door de exploitant van de buisleiding die dat
                  risico mede veroorzaakt;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>d.</li.nr>
                  <al>andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met
                  een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>e.</li.nr>
                  <al>de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot
                  beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>f.</li.nr>
                  <al>de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en
                  beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval als bedoeld in artikel 1
                  van de Wet rampen en zware ongevallen.<noot id="n2" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Het wetsvoorstel Wet op de veiligheidsregio’s (EK
                      31.117, A) is op 23 april 2009 aangenomen door de Tweede Kamer. Het
                      voorbereidend onderzoek door de Eerste Kamercommissie voor BZK/AZ vindt plaats
                      op 7 juli 2009. De technische briefing vindt daarvoor plaats op 23 juni 2009.
                      Dit gedeelte wordt na aanvaarding van het wetsvoorstel Wet op de
                      veiligheidsregio’s aangepast.</noot.al></noot></al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>g.</li.nr>
                  <al>de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het
                  invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede
                  veroorzaakt of veroorzaken, om zich in veiligheid te brengen indien zich een
                  ramp of zwaar ongeval voordoet.</al>
                </li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
              <al>Voorafgaand aan de vaststelling van een besluit als bedoeld in
              het eerste lid stelt het voor dat besluit bevoegde gezag het bestuur van de
              regionale brandweer in wiens regio het gebied ligt waarop dat besluit
              betrekking heeft, in de gelegenheid advies uit te brengen in verband met het
              groepsrisico en de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking
              van de omvang van een ramp of zwaar ongeval alsmede hulpverlening en
              zelfredzaamheid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
              <al>Het eerste lid, onderdelen b tot en met e, mag buiten
              beschouwing worden gelaten indien een bestemmingsplan:</al>
              <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                <li>
                  <li.nr>a.</li.nr>
                  <al>betrekking heeft op een gebied waarin personen worden
                  meegeteld voor de berekening van het groepsrisico van de buisleiding tot de
                  grens waarbinnen de letaliteit van die personen 100% is of bij toxische stoffen
                  de grens waarbij het plaatsgebonden risico 10<sup>-8</sup> per jaar is, of</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>b.</li.nr>
                  <al>het groepsrisico of de toename van het groepsrisico bij
                  verwerkelijking van de met het bestemmingsplan nagestreefde doeleinden niet
                  hoger is dan een door Onze Minister bij regeling gestelde waarde, welke waarde
                  voor verschillende categorieën buisleidingen verschillend kan worden
                  vastgesteld.</al>
                </li>
              </lijst>
              <al>Indien de verantwoording van het groepsrisico achterwege is
              gelaten, vermeldt de toelichting van het bestemmingsplan de reden daarvan.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel status="goed">
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr status="officieel">13</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
              <al>Bij de berekening van het plaatgebonden risico, bedoeld in
              artikel 11, en het groepsrisico, bedoeld in artikel 12, worden de
              referentiepunten toegepast zoals opgenomen in artikel 4 van de Regeling externe
              veiligheid inrichtingen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
              <al>De berekeningen, bedoeld in het eerste lid, worden uitgevoerd
              volgens bij regeling van Onze Minister gestelde regels.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel status="goed">
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr status="officieel">14</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
              <al>Een bestemmingsplan geeft de ligging weer van de in het
              plangebied aanwezige buisleidingen alsmede de daarbij behorende
              belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. De
              belemmeringenstrook bedraagt ten minste vijf meter aan weerszijden van een
              buisleiding gemeten vanuit het hart van de buisleiding.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
              <al>Een bestemmingsplan waarbij aan gronden de bestemming wordt
              toegewezen die de aanwezigheid van een buisleiding toelaat, bevat in elk geval
              voor de belemmeringenstrook:</al>
              <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                <li>
                  <li.nr>a.</li.nr>
                  <al>een verbod tot het oprichten van bouwwerken, behoudens
                  ontheffing van burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet
                  ruimtelijke ordening, gehoord de exploitant;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>b.</li.nr>
                  <al>een aanlegvergunningenstelsel als bedoeld in artikel 3.3
                  van de Wet ruimtelijke ordening, voor werken of werkzaamheden die van invloed
                  kunnen zijn op de integriteit en werking van de buisleiding, niet zijnde
                  graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse
                  netten;</al>
                </li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
              <al>Een ontheffing kan worden verleend, voor zover de veiligheid
              met betrekking tot de in de belemmeringenstrook gelegen buisleiding niet wordt
              geschaad en geen kwetsbaar object wordt toegelaten.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel status="goed">
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr status="officieel">15</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
              <al>Onze Minister kan ontheffing verlenen van de artikelen 11, 12,
              13 en 14, indien de buisleiding gedurende een aaneengesloten periode van ten
              minste drie jaar niet in gebruik is geweest.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde ontheffing is niet van toepassing
              op buisleidingen die onderdeel uitmaken van het militaire buisleidingstelsel
              van de Noord Atlantische Verdrags Organisatie.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </paragraaf>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>§</label>
            <nr status="officieel">4.</nr>
            <titel status="officieel">Overgangs- en slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel status="goed">
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr status="officieel">16</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
              <al>Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit het
              plaatsgebonden risico voor een kwetsbaar object, veroorzaakt door een
              buisleiding, hoger is dan 10<sup>-6</sup> per jaar, draagt de exploitant er
              zorg voor dat binnen drie jaar na dat tijdstip het plaatsgebonden risico die
              waarde niet meer overschrijdt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
              <al>Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit het
              plaatsgebonden risico voor een geprojecteerd kwetsbaar object, veroorzaakt door
              een buisleiding, hoger is dan 10<sup>-6</sup> per jaar, draagt de exploitant er
              zorg voor dat binnen drie jaar na de realisatie van het object het
              plaatsgebonden risico die waarde niet meer overschrijdt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
              <al>Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit de
              buisleiding buiten gebruik is, draagt de exploitant er zorg voor dat de
              buisleiding op het tijdstip waarop deze opnieuw in gebruik wordt genomen het
              plaatsgebonden risico de waarde 10<sup>-6</sup> per jaar voor een kwetsbaar
              object of een geprojecteerd kwetsbaar object, niet overschrijdt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
              <al>Bij de toepassing van de artikelen 11, 12, 13 en 14 mag
              rekening worden gehouden met de resultaten van de verplichtingen, bedoeld in
              het eerste, tweede en derde lid.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel status="goed">
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr status="officieel">17</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 12 is niet van toepassing op een bestemmingsplan waarvan
            het ontwerp voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit ter inzage
            is gelegd.</al>
          </artikel>
          <artikel status="goed">
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr status="officieel">18</nr>
            </kop>
            <al>In afwijking van artikel 4.3, tweede lid van de Wet ruimtelijke
            ordening stelt de gemeenteraad binnen 5 jaar na de datum van inwerkingtreding
            van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit, voor
            zover een bestemmingsplan bestemmingen of regels bevat die strijdig zijn met
            dit besluit.</al>
          </artikel>
          <artikel status="goed">
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr status="officieel">19</nr>
            </kop>
            <al>Onze Minister geeft voor 1 januari 2017 aan of de bij dit besluit
            gestelde waarden en de krachtens dit besluit gestelde afstanden herziening
            behoeven.</al>
          </artikel>
          <artikel status="goed">
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr status="officieel">20</nr>
            </kop>
            <al>Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
            bepalen tijdstip dat voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan
            verschillend kan worden vastgesteld.</al>
          </artikel>
          <artikel status="goed">
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr status="officieel">21</nr>
            </kop>
            <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit externe veiligheid
            buisleidingen.</al>
          </artikel>
        </paragraaf>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting status="goed">
        <slotformulering>
          <al>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende
          toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.</al>
        </slotformulering>
        <gegeven>
          <dagtekening>
            <plaats>Den Haag,</plaats>
            <datum isodatum="2009-00-00">00
            MAAND 2009</datum>
          </dagtekening>
          <koning>Beatrix</koning>
        </gegeven>
        <ondertekening>
          <functie>De Minister van
        Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
        Milieubeheer,</functie>
        </ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <bijlage status="goed">
        <kop>
          <label>BIJLAGE</label>
        </kop>
        <divisie opmaak="default">
          <kop>
            <titel status="officieel">Document veiligheidsbeheerssysteem buisleiding</titel>
          </kop>
          <al>Het document voor de fasen van ingebruikname en het beheer omvat
          ten minste de volgende onderdelen:</al>
          <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
            <li>
              <li.nr>1.</li.nr>
              <al>een beknopte beschrijving van de buisleiding en de
              buisleidingcomponenten en een kwalitatieve beoordeling daarvan en hoe de
              exploitant de wijzigingen daarin bijhoudt;</al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>2.</li.nr>
              <al>welke doelstellingen en criteria, normen, richtlijnen en
              overige relevante voorschriften alsmede veiligheids- en milieuindicatoren
              worden toegepast zoals bedoeld in artikel 4;</al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>3.</li.nr>
              <al>hoe de risico inventarisatie en evaluatie voor elke levensfase
              van de buisleiding wordt uitgevoerd en welke risico’s voor mens en milieu zijn
              vastgesteld;</al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>4.</li.nr>
              <al>hoe de technische en organisatorische maatregelen verband
              houden met de geïnventariseerde risico’s;</al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>5.</li.nr>
              <al>toebedeling van de verantwoordelijkheden en bevoegdheden voor
              de veiligheid van mens en milieu;</al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>6.</li.nr>
              <al>een beschrijving van de organisatie, het toezicht, de
              procedures en middelen ter uitvoering van het beleid bij normaal bedrijf,
              onderhoud en bij verhoogde risico’s;</al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>7.</li.nr>
              <al>op welke wijze aandacht besteed wordt aan de onderlinge
              beïnvloeding tussen de eigen buisleidingen en andere ondergrondse
              infrastructuur en hoe hierover wordt gecommuniceerd en welke activiteiten
              daaruit voortvloeien;</al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>8.</li.nr>
              <al>het identificeren van aannemelijke ongewone voorvallen en het
              opstellen, organiseren en beoefenen van de noodplannen;</al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>9.</li.nr>
              <al>de wijze waarop afwijkingen en veranderingen in technische,
              procedurele, organisatorische aspecten worden geconstateerd, beoordeeld,
              verbeterd en in de bedrijfsvoering verwerkt;</al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>10.</li.nr>
              <al>het meten en evalueren van de prestaties met betrekking tot de
              veiligheid en milieu en de wijze waarop de prestaties worden geanalyseerd,
              bewaakt en bijgehouden;</al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>11.</li.nr>
              <al>de exploitant houdt aantekening van de uitgevoerde maatregelen,
              controles en onderzoeken, alsmede van de resultaten daarvan en de daaruit
              voortvloeiende aanpassingen van het document. Deze informatie wordt gedurende
              minimaal vijf jaar bewaard;</al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>12.</li.nr>
              <al>tevens houdt de exploitant tekeningen of beschrijvingen waaruit
              de registratiegegevens van de buisleidingen blijken.</al>
            </li>
          </lijst>
        </divisie>
      </bijlage>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel status="officieel">TOELICHTING</titel>
        </kop>
        <divisie opmaak="default">
          <kop>
            <nr status="officieel">I.</nr>
            <titel status="officieel">Algemeen</titel>
          </kop>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">1.</nr>
              <titel status="officieel">Doel en positionering van het besluit</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">1.1.</nr>
                <titel status="officieel">Inleiding</titel>
              </kop>
              <al-groep>
                <al>In Nederland ligt ongeveer 300.000 km buisleiding voor het
                transport van stoffen waaronder aardgas, brandstoffen, drinkwater en
                afvalwater. Hiervan is ruim 18.000 km buisleidingen bestemd voor het transport
                van gevaarlijke stoffen. Dit besluit is gericht op de buisleidingen voor het
                transport van gevaarlijke stoffen, omdat deze categorie een potentieel extern
                veiligheidsrisico met zich meebrengt.</al>
                <al>De buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen
                kunnen in drie groepen worden onderverdeeld:</al>
                <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                  <li>
                    <li.nr>a.</li.nr>
                    <al>hogedruk gasleidingen</al>
                    <al>In Nederland ligt ongeveer 12.000 km aan hogedruk
                    aardgastransportleidingen (met een werkdruk van 16 bar of hoger), waarvan de
                    helft aan hoofdtransportleidingen (HTL) en de andere helft aan regionale
                    transportleidingen (RTL). Via deze leidingen wordt jaarlijks gemiddeld 60
                    miljoen ton aardgas getransporteerd. In aanvulling hierop is er op land
                    ongeveer 1.600 km aan leidingen die afkomstig zijn van winningslocaties van
                    aardgas; deze leidingen kunnen behalve aardgas andere stoffen bevatten.</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>b.</li.nr>
                    <al>transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (olie en
                    olieproducten)</al>
                    <al>Verder ligt er ongeveer 2.500 km aan transportleidingen
                    voor olie en olieproducten. Deze brandbare vloeistoffen zijn onderverdeeld in
                    drie categorieën: K1-vloeistoffen zijn licht ontvlambaar (bijvoorbeeld
                    benzine); K2-vloeistoffen zijn ontvlambaar (bijvoorbeeld kerosine);
                    K3-vloeistoffen die minder goed ontvlambaar zijn, bijvoorbeeld gasolie.</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>c.</li.nr>
                    <al>transportleidingen voor overige gevaarlijke stoffen</al>
                    <al>Daarnaast gaat het om ongeveer 2.000 km leidingen voor
                    overige gassen zoals koolstofdioxide, ethyleen, chloor etc.</al>
                  </li>
                </lijst>
              </al-groep>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">1.2.</nr>
                <titel status="officieel">Advies Enthoven</titel>
              </kop>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel status="officieel">Verantwoordelijkheid voor dossier buisleidingen</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>In maart 2005 heeft het kabinet besloten de
                  verantwoordelijkheid voor het beleid voor transportleidingen voor gevaarlijke
                  stoffen over te dragen van de Minister van Economische Zaken aan de Minister
                  van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer<noot id="n3" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Bij Koninklijk Besluit is de overdracht van taken
                      op 22 december 2006 geformaliseerd (<extref reeks="Stb" doc="stb-2006-679" status="actief">Staatsblad 679</extref>, 21 december 2006).</noot.al></noot>. Het kabinet baseerde zich hierbij op het advies van
                  de heer ir. M.E.E. Enthoven, ‘Samen voor de buis’ dat hij op 23 december 2004
                  uitbracht. Het kabinet heeft besloten dit advies op te volgen en dit – voor de
                  economie, de energievoorziening en het veilig vervoer van gevaarlijke stoffen
                  belangrijke – dossier snel op orde te brengen. Het gaat om een inhaalslag om de
                  bestaande tekortkomingen aan de zijde van de overheid op te heffen en een
                  proces van beleidsvernieuwing voor de structurele verbetering van het beleid en
                  de procedures. Belangrijke verbeterpunten worden geregeld in dit besluit.</al>
                  <al>In zijn advies wijst de heer Enthoven op een aantal
                  knelpunten in het beleid en beheer van buisleidingen op het punt van (fysieke)
                  veiligheid, security, grondroeren, toezicht en behandeling van incidenten.
                  Daarnaast ontbreekt volgens het advies een wettelijke basis voor de
                  aanlegprocedure, het stellen van technische eisen, de kwaliteitsborging en de
                  registratie van essentiële gegevens, terwijl ook de doorwerking in de
                  ruimtelijke ordening veel te wensen overlaat. Bovendien ontbreekt een
                  beleidsvisie van de rijksoverheid en is er onduidelijkheid over de bij hogedruk
                  aardgasleidingen te hanteren veiligheidsafstanden, beschermingsmaatregelen en
                  hun bekostiging.</al>
                  <al>De inhaalslag zou zich volgens het advies vooral moeten
                  richten op:</al>
                  <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>het formuleren van nieuwe veiligheidseisen en een
                      bijbehorend saneringsprogramma voor hogedruk aardgasleidingen;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>het verhogen van de beveiliging in het kader van het
                      project Vitale infrastructuur;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>de totstandkoming van een deugdelijke registratie van
                      essentiële leidinggegevens (ten behoeve van het voorkomen van graafincidenten,
                      voor toezichthouders en voor hulpdiensten);</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>het actualiseren van ruimtelijke reserveringen voor
                      buisleidingen in bestemmingsplannen;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>het verbeteren van de calamiteitenorganisatie;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>het opzetten van een adequate toezichtorganisatie.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                  <al>Verder is een samenhangende ruimtelijk-economische visie
                  nodig als opvolger van het Structuurschema Buisleidingen (SBUI) dat in 2008
                  afloopt.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">1.3.</nr>
                <titel status="officieel">Publieke belangen van buisleidingen</titel>
              </kop>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.3.1.</nr>
                  <titel status="officieel">Milieu</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>Bij het vrijkomen van bepaalde gevaarlijke stoffen uit
                  buisleidingen bestaat de kans dat zich een explosie voordoet, dat vergiftiging
                  van mensen of dieren in de omgeving plaatsvindt of dat het milieu op andere
                  wijze wordt verontreinigd. Buisleidingen voor het transport van gevaarlijke
                  stoffen vormen een risico voor de externe veiligheid. Een ongeluk in Gellingen
                  (België) in juli 2004 met een explosie van een aardgastransportleiding waarbij
                  24 doden en 140 gewonden vielen, had als oorzaak een beschadiging door
                  grondwerkzaamheden. Deze ernstige gebeurtenis toont aan hoe belangrijk het is
                  om beleid, regelgeving en toezicht rondom buisleidingen goed te regelen.</al>
                  <al>In Nederland heeft zich geen ernstig ongeval met een
                  buisleiding voorgedaan met dodelijke afloop, maar wel treden er jaarlijks
                  enkele lekkages op en zijn er tientallen incidenten met een kans op lekkage die
                  goed aflopen.</al>
                  <al>In het belang van de bescherming van mens en milieu moet de
                  overheid inzicht hebben in de wijze waarop exploitanten aan hun zorg met
                  betrekking tot buisleidingen invulling geven en daar zo nodig op toezien. Ook
                  is het van belang om burgers inzicht te bieden in mogelijke risico’s die
                  samenhangen met de aanwezigheid van buisleidingen in hun omgeving.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.3.2</nr>
                  <titel status="officieel">Ruimtelijke ordening</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>In Nederland is sprake van een grote verwevenheid van
                  risicovolle activiteiten in een kwetsbare omgeving. Het ruimtelijk beleid is
                  gericht op intensief ruimtegebruik om de druk op de beschikbare ruimte te
                  reguleren. De ruimtelijke inpassing van nieuwe buisleidingen moet zijn gericht
                  op een milieuhygiënisch verantwoorde aanleg met een beperkt beslag op de
                  ruimte.</al>
                  <al>Buisleidingen die in de grond liggen zijn vaak zodanig
                  aangelegd dat bovengronds rekening moet worden gehouden met risicoafstanden
                  tussen bebouwing en buisleiding. Het risico van buisleidingen hangt bijv. samen
                  met de stof die door de leiding gaat, de wanddikte van de leiding en de
                  diepteligging van de leiding. De risicoafstanden rond buisleidingen houden een
                  planologisch relevante beperking in, omdat binnen die afstand in principe niet
                  gebouwd mag worden. De ondergrond in Nederland wordt voller en de bovengrondse
                  claims op de ruimte groter. Het wordt steeds belangrijker om verstandig om te
                  gaan met de ruimte.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">1.4.</nr>
                <titel status="officieel">Verhouding tot andere regelgeving en beleid</titel>
              </kop>
              <al>Dit besluit regelt de externe veiligheid van buisleidingen en
              het borgen van die veiligheid in plannen voor de ruimtelijke ordening. Ook
              worden regels gesteld om de integriteit van de buisleiding te waarborgen. De
              samenhang met ander beleid wordt in het navolgende aangegeven.</al>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.4.1.</nr>
                  <titel status="officieel">Wettelijke zorgplichten</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>In drie milieuwetten is een zorgplicht opgenomen die van
                  toepassing is op het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
                  Gewezen wordt op:</al>
                  <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                    <li>
                      <li.nr>a.</li.nr>
                      <al>artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer (beperken van
                      de gevolgen voor mens en milieu van stoffen en preparaten);</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>b.</li.nr>
                      <al>artikel 13 van de Wet bodembescherming (voorkoming van
                      bodemverontreiniging);</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>c.</li.nr>
                      <al>artikel 1.1a van de Wet milieubeheer (voorkomen of
                      beperken nadelige gevolgen voor het milieu).</al>
                    </li>
                  </lijst>
                  <al>Dit besluit verduidelijkt dat de bestaande zorgplichten
                  voor de exploitanten van buisleidingen de plicht inhouden om alles te doen wat
                  redelijkerwijs verwacht mag worden om lekkages en ongevallen als gevolg daarvan
                  te voorkomen.</al>
                  <al>Voor wat redelijkerwijs van de exploitanten verwacht mag
                  worden, zijn de technische normen voor buisleidingen die door het Nederlands
                  Normalisatie Instituut te Delft zijn uitgebracht relevant. De Nederlandse norm
                  voor het ontwerp, de aanleg, de ingebruikname, het gebruik, het onderhoud en
                  het buiten gebruik stellen van buisleidingen is vastgelegd in de NEN 3650. Deze
                  norm is niet wettelijk voorgeschreven. De norm dient wel als leidraad voor de
                  handhaving bij de toets of een exploitant voldoet aan de zorgplicht die
                  redelijkerwijs van hem verwacht mag worden.</al>
                  <al>De Minister van Justitie heeft in de nota Rechtstaat en
                  rechtsorde<noot id="n4" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al> Kamerstukken 2003/04, 29 279.</noot.al></noot> uiteengezet dat het kabinet kritisch en terughoudend
                  wil zijn met nieuwe wet- en regelgeving. Als mogelijkheden om de regeldruk in
                  het milieubeleid te beperken noemt de minister het toepassen van zorgplichten
                  en het meer overlaten aan zelfzorgsystemen. Deze methodiek wordt in dit besluit
                  van toepassing op de regulering van de integriteit van de buisleiding.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.4.2.</nr>
                  <titel status="officieel">Gaswet</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>Enkele exploitanten die onder de werking van dit besluit
                  gaan vallen, zijn reeds gebonden aan de regelgeving op grond van de Gaswet. De
                  Gaswet bevat bepalingen over de leveringszekerheid en de veiligheid van het
                  transport van aardgas. Deze veiligheid is gericht op het voorkomen van lekkages
                  van aardgas. De externe veiligheid van het transport van aardgas met een
                  relatie naar mensen in de omgeving is als milieuaspect daarin niet
                  betrokken.</al>
                  <al>In artikel 8a van de Gaswet is de mogelijkheid opgenomen om
                  nadere regels te stellen voor het niveau van de kwaliteit van het transport van
                  aardgas. De kwaliteit omvat in ieder geval de betrouwbaarheid en de veiligheid
                  van het transport. Op grond van de Gaswet geldt de plicht een kwaliteitssysteem
                  in werking te hebben ter borging van de leveringszekerheid en de veiligheid van
                  het transport van aardgas. Dit is vastgelegd in de Regeling kwaliteitsaspecten
                  netbeheer elektriciteit en gas<noot id="n5" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al><extref reeks="Stcrt" doc="stcrt-2004-253-p9-SC68100" status="actief">Staatscourant 30 december 2004, nr. 253/p.9</extref>.</noot.al></noot>. Dit verplichte kwaliteitssysteem kan een hulpmiddel
                  zijn om ook de verplichtingen in dit besluit op het gebied van de externe
                  veiligheid organisatorisch in een bedrijf in te bedden en de uitvoering van de
                  verplichtingen binnen het bedrijf te monitoren.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.4.3.</nr>
                  <titel status="officieel">Mijnbouwwet</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>De Mijnbouwwet stelt regels ter borging van de veiligheid
                  van productieleidingen. Productieleidingen verbinden de winninglocatie van een
                  delfstof met een mijnbouwwerk/inrichting. In het Mijnbouwbesluit is in artikel
                  93, derde lid, de mogelijkheid opgenomen om eisen te stellen aan de
                  eigenschappen, de aanleg, de ligging en het onderhoud van een pijpleiding.
                  Hieraan is invulling gegeven in de artikelen 10.1 en 10.2 van de
                  Mijnbouwregeling waarin naast een internationale norm, de NEN 3650 als
                  toetsingsnorm is genoemd. De NEN 3650 is niet expliciet voorgeschreven. In
                  artikel 10.1 is aangegeven dat aan de doelvoorschriften in artikel 93 van het
                  Mijnbouwbesluit is voldaan indien wordt aangetoond dat aan de NEN 3650 wordt
                  voldaan.</al>
                  <al>Productieleidingen/pijpleidingen die onder de Mijnbouwwet
                  vallen kunnen op het land vergelijkbare risico’s voor de omgeving hebben als
                  transportleidingen op land. Dat is reden om deze productieleidingen als bedoeld
                  in de Mijnbouwwet onder de reikwijdte van deze AMvB te brengen. De zorgplicht
                  in dit besluit om de integriteit van de buisleiding te waarborgen is niet
                  strijdig met de eisen daaromtrent in het Mijnbouwbesluit. De zorgplicht is
                  aanvullend voor wat betreft het borgen van de verplichtingen in het kader van
                  de externe veiligheid. Net als bij de Gaswet zijn er slechts een beperkt aantal
                  exploitanten die zowel onder de Mijnbouwwetgeving vallen als onder dit
                  besluit.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.4.4.</nr>
                  <titel status="officieel">Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten
                  (Grondroerdersregeling)</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>Op 31 januari 2005 heeft de Raad voor de
                  Transportveiligheid, die sinds 1 februari 2005 is opgegaan in de Onderzoeksraad
                  voor Veiligheid, een themastudie naar buisleidingongevallen als gevolg van
                  graafwerkzaamheden van derden uitgebracht. Graafwerkzaamheden zijn een
                  belangrijke oorzaak voor schade aan buisleidingen. De Ministers van Economische
                  Zaken en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer hebben een
                  wetsvoorstel ingediend om schade aan kabels en leidingen als gevolg van
                  graafwerkzaamheden beter te voorkomen.</al>
                  <al>De informatievoorziening voor graafwerkzaamheden is
                  geregeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten<noot id="n6" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al><extref reeks="Stb" doc="stb-2008-120" status="actief">Stb 2008, 120</extref> en
                      <extref doc="stb-2008-232" reeks="Stb" status="actief">232</extref>, wet deels in
                      werking.</noot.al></noot>. Deze wet betreft geen registratie van gegevens, maar
                  informatie-uitwisseling van gegevens. De actualiteit van de gegevens is geborgd
                  door de meest actuele gegevens per graafactiviteit bij de exploitant van de
                  leiding op te vragen.</al>
                  <al>De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse nettenlegt een
                  verplichting op aan de graver om informatie in te winnen over de ligging van
                  kabels en leidingen op de graaflocatie. Daarnaast zijn extra
                  voorzorgsmaatregelen verplicht bij het graven in de buurt van leidingen met
                  gevaarlijke stoffen. Deze voorzorgsmaatregelen zijn bijvoorbeeld dat de
                  netbeheerder/exploitant de leiding op de graaflocatie aanwijst en dat de graver
                  schriftelijk vastlegt welke specifieke voorzorgsmaatregelen hij treft om
                  graafschade aan de leiding te voorkomen. De inhoud van de voorzorgsmaatregelen
                  is mede afhankelijk van de concrete situatie, zoals de aard van de gevaarlijke
                  stof, de afstand tussen graven en leiding en eventuele obstakels op de
                  graaflocatie. De verplichtingen in deze wet verkleinen het risico van
                  graafschade bij leidingen met gevaarlijke stoffen.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.4.5.</nr>
                  <titel status="officieel">Registratiebesluit externe veiligheid</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>Het Registratiebesluit externe veiligheid<noot id="n7" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al><extref reeks="Stb" doc="stb-2006-656" status="actief">Stb 2006, 656</extref>.</noot.al></noot> regelt de gegevensvoorziening van o.a. buisleidingen
                  ten behoeve van de provinciale risicokaart. De wettelijke basis voor dit
                  besluit is gelegen in Titel 12.2 van de Wet milieubeheer, ingevoegd bij de Wet
                  van 15 september 2005 tot wijziging van de Wet milieubeheer<noot id="n8" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al><extref reeks="Stb" doc="stb-2005-483" status="actief">Stb 2005, 483</extref>.</noot.al></noot> (Registratiegegevens externe veiligheid inrichtingen,
                  transportroutes en buisleidingen).</al>
                  <al>Het Registratiebesluit externe veiligheid is gericht op
                  gegevensverstrekking door het bevoegd gezag aan burgers en andere overheden
                  over inrichtingen, buisleidingen en transportroutes die een gevaar kunnen
                  opleveren voor de omgeving. Het bevoegd gezag moet ervoor zorgen dat de
                  gegevens over o.a. buisleidingen goed op de provinciale risicokaarten komen.
                  Het bevoegd gezag kan de gegevens over buisleidingen opvragen bij de
                  exploitant/netbeheerder. Voor buisleidingen geldt geen vergunningplicht zodat
                  het bevoegd gezag niet via vergunningaanvragen op de hoogte komt van
                  wijzigingen in de gegevens over buisleidingen. Relevante wijzigingen zijn
                  bijvoorbeeld een andere gevaarlijke stof die door de leiding gaat of de
                  overdracht van de exploitatie van de leiding. De minister van VROM moet de
                  gegevens over buisleidingen in de risicokaart tijdig kunnen actualiseren bij
                  wijzigingen door de exploitant. Hiertoe krijgt de exploitant in dit besluit een
                  meldplicht opgelegd voor wijzigingen in de gegevens van buisleidingen, die in
                  het Registratiebesluit externe veiligheid zijn vastgelegd als te registreren
                  gegevens.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.4.6.</nr>
                  <titel status="officieel">Belemmeringenwetten en concessieverlening</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>De Minister van VROM is bevoegd gezag voor het verlenen van
                  concessies voor buisleidingen als bedoeld in de Belemmeringenwet
                  privaatrecht<noot id="n9" type="voet"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al><extref reeks="Stb" doc="stb-2006-679" status="actief">Stb 2006, 679</extref>.</noot.al></noot>. Er zijn drie zogenoemde ‘Belemmeringenwetten’ om te
                  borgen dat activiteiten die in het algemeen belang zijn, doorgang kunnen vinden
                  met doorbreking van bepaalde rechten of bevoegdheden van anderen. De
                  Belemmeringenwet privaatrecht biedt de mogelijkheid om een grondeigenaar te
                  dwingen de aanleg van een buisleiding in het openbaar belang te gedogen.</al>
                  <al>De Belemmeringenwet verordeningen en de Belemmeringenwet
                  defensie zijn in dit verband minder relevant. De Belemmeringenwetten zijn
                  verouderd en passen niet meer goed binnen het bestaande systeem van wetgeving.
                  De Minister van Verkeer en Waterstaat heeft daarom het voornemen deze wetten
                  samen te voegen, te vereenvoudigen, te moderniseren en beter aan te laten
                  sluiten bij de Algemene wet bestuursrecht. Het voornemen is er op gericht het
                  concessievereiste te laten vervallen. De mogelijkheid tot het opleggen van een
                  gedoogplicht door de overheid voor activiteiten die in het algemeen belang zijn
                  blijft bestaan.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.4.7.</nr>
                  <titel status="officieel">Nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro)</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>De nieuwe Wro biedt ten opzichte van de oude Wet op de
                  Ruimtelijke Ordening (WRO) een nieuw stelsel van verantwoordelijkheden en
                  bevoegdheden, alsmede het nodige instrumentarium om deze verantwoordelijkheden
                  en bevoegdheden uit te kunnen oefenen.</al>
                  <al>De verplichting tot het hebben van een actueel
                  bestemmingsplan voor het gehele grondgebied en het verplicht opnemen van de
                  ondergrond in een bestemmingsplan zijn nieuwe elementen in de Wro. Hierdoor zal
                  het opnemen van buisleidingen in bestemmingsplannen verbeterd worden. Dit
                  besluit is mede gebaseerd op hoofdstuk 4 van de Wro om de ruimtelijke
                  doorwerking in bestemmingsplannen te regelen. In de Invoeringswet Wro is de
                  verplichting opgenomen om bestemmingsplannen te actualiseren binnen een termijn
                  van 5 jaar, dan wel binnen 10 jaar als een bestemmingsplan de afgelopen 5 jaar
                  is vastgesteld. In dit besluit wordt de actualiseringstermijn voor gebieden met
                  buisleidingen vastgesteld op 5 jaar na inwerkingtreding van dit besluit. Dit is
                  in het belang van een goede ruimtelijke ordening. De verplichtingen zullen in
                  de meeste gevallen samenvallen omdat ook ingevolge de Wro de verplichting geldt
                  om de ondergrond in een bestemmingsplan op te nemen. In de Wro is in artikel
                  4.3 ook een mogelijkheid opgenomen om de eisen van dit besluit rechtstreeks
                  door te laten werken op het verlenen van bouwvergunningen op grond van de
                  Woningwet. In dit besluit is deze mogelijkheid niet benut omdat voor alle
                  bestaande knelpunten een saneringsplicht geldt en alle nieuwe
                  bestemmingsplannen aan de eisen van dit besluit moeten voldoen.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.4.8.</nr>
                  <titel status="officieel">Besluit milieueffectrapportage 1994</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>In het Besluit milieueffectrapportage 1994 is de aanleg van
                  bepaalde buisleidingen aangewezen als een activiteit, plan en besluit, ten
                  aanzien waarvan het maken van een milieu-effectrapportage (MER) verplicht is.
                  In onderdeel C, nummer 8, is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een
                  buisleiding voor het transport van aardgas, olie of chemicaliën als
                  MER-plichtige activiteit aangewezen. Dit is vervolgens beperkt tot gevallen
                  waarin de activiteit betrekking heeft op een buisleiding met een diameter van
                  meer dan 80 centimeter en een lengte van meer dan 40 kilometer. De D-lijst van
                  het MER-besluit kent nog MER-beoordelingsplichtige activiteiten voor
                  buisleidingen.</al>
                  <al>De MER-plicht dient te worden betrokken bij de vaststelling
                  van ruimtelijke plannen en vergunningen als bedoeld in de artikelen 94 en 95
                  van het Mijnbouwbesluit en artikel 2 van de Wet beheer
                  rijkswaterstaatswerken.</al>
                  <al>In dit besluit is de verplichting opgenomen om een
                  buisleiding in het bestemmingsplan op te nemen. Daarmee is gewaarborgd dat een
                  eventueel verplichte MER wordt betrokken bij het bestemmingsplan waarin het
                  tracé voor de buisleiding wordt vastgelegd.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.4.9.</nr>
                  <titel status="officieel">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)</titel>
                </kop>
                <al>Deze wet is niet van toepassing op buisleidingen, omdat
                daarvoor geen bouwvergunningen en milieuvergunningen worden verleend. Het doel
                van de wet is de besluitvorming van verschillende overheden in het
                omgevingsrecht voor de betrokken burger gecoördineerd te laten plaatsvinden.
                Het gaat dan o.a. om een goede afstemming van milieu- en bouwbesluiten
                integraal door eenzelfde bevoegd gezag. In dit besluit zijn rechtstreeks
                milieuverplichtingen opgelegd aan exploitanten en zijn wijzigingen aan de
                buisleiding die niet in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan niet
                toegestaan. Daarmee is gecoördineerde besluitvorming in dit besluit
                geborgd.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.4.10.</nr>
                  <titel status="officieel">Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen
                  onroerende zaken (Wkbp)</titel>
                </kop>
                <al>Deze wet wijst buisleidingen niet aan als een te registreren
                publiekrechtelijke beperking. In dit besluit wordt verplicht buisleidingen in
                het bestemmingsplan aan te geven met de belemmeringenstrook en de bijbehorende
                beperkingen. Het bestemmingsplan is algemeen bekend als een bindend plan waarin
                ruimtelijke functies en de bijbehorende beperkingen staan aangegeven. De
                toegevoegde waarde voor de kenbaarheid van die beperkingen door een extra
                registratie staat vooralsnog niet vast.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.4.11.</nr>
                  <titel status="officieel">Wet tot wijziging van de Electriciteitswet 1998, de
                  Mijnbouwwet en de Gaswet in verband met toepassing van de
                  rijkscoördinatieregeling op energie-infrastructuurprojecten<noot id="n10" type="voet"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al><extref reeks="Stb" doc="stb-2008-416" status="actief">Stb 2008, 416</extref> en
                      <extref doc="stb-2009-76" reeks="Stb" status="actief">2009,
                      76</extref>.</noot.al></noot></titel>
                </kop>
                <al>Het rijk neemt het voortouw bij het realiseren van grote
                energieprojecten, zoals het windmolenpark bij de Noordoostpolder en de
                gasboringen onder de Waddenzee. Het rijk heeft daarbij de beschikking over het
                Bureau Energieprojecten. Dit bureau is op 1 januari 2006 van start gegaan en
                kan overheden ondersteunen bij de totstandkoming van grote energieprojecten. De
                Ministers van Economische Zaken en Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en
                milieubeheer kunnen de rijkscoördinatieregeling van de Wet ruimtelijke ordening
                van toepassing verklaren op energie-infrastructuurprojecten. Voor buisleidingen
                gaat dit om het hoofdtransportleidingennet (HTL) voor aardgas. De wet maakt op
                grond van de Wet ruimtelijke ordening de Ministers van Economische Zaken en
                Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bevoegd om de
                planologische inpassing van nieuwe HTL aardgasleidingen gecoördineerd met
                andere noodzakelijke besluitvorming te laten verlopen.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.4.12.</nr>
                  <titel status="officieel">Wet bodembescherming en kwaliteit van de
                  ondergrond</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>De Wet bodembescherming (Wbb) biedt het wettelijk kader
                  voor het voorkomen van verontreinigingen in de bodem en de sanering van
                  verontreinigde bodems. Indien de lekkage van een buisleiding
                  bodemverontreiniging veroorzaakt is de eigenaar van de buisleiding op grond van
                  de Wbb verantwoordelijk voor de sanering van de verontreiniging.</al>
                  <al>Daarnaast is in de beleidsbrief Bodem<noot id="n11" type="voet"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II, 2003/04,
                      <extref doc="kst-28663-13" reeks="Kst" status="actief">28 663,
                      nr. 13</extref>.</noot.al></noot> vermeld dat de bodem (inclusief de waterbodem, de
                  ondergrond en het grondwater) nu en in de toekomst zo goed mogelijk geschikt
                  moet blijven voor maatschappelijke functies. Bij beslissingen over handelingen
                  in de bodem moeten daarom de gevolgen voor de bodemkwaliteit worden betrokken.
                  Dit geldt ook voor het aanleggen en onderhoud van ondergrondse buisleidingen.
                  Hierbij spelen, naast chemische aspecten, ook fysische (zoals temperatuur van
                  het grondwater), biologische (zoals het aanwezige bodemleven) en mechanische
                  (zoals seismische gevoeligheid) een rol. Ter ondersteuning van de uitvoering
                  van dit beleid kunnen richtlijnen worden vastgesteld.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.4.13.</nr>
                  <titel status="officieel">Ruimtelijke ordening ondergrond</titel>
                </kop>
                <al>Op 22 november 2004 heeft de minister van VROM de
                beleidsbrief ruimtelijke ordening ondergrond<noot id="n12" type="voet"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2004/05,
                    <extref reeks="Kst" doc="kst-29387-7" status="actief">29 387, nr.
                    7</extref>.</noot.al></noot> aan de Tweede Kamer doen toekomen, naar aanleiding van
                een analyse naar in de praktijk ervaren ordeningsknelpunten bij het gebruik en
                de ordening van de ondergrond. Eén van de geconstateerde knelpunten is dat de
                beschikbare kennis en informatie over de ondergrond onvoldoende worden gebruikt
                in de plan- en besluitvorming over de ondergrond. Betere informatievoorziening
                via risicokaart en de Grondroerdersregeling faciliteert gemeenten bij de
                ordening van de ondergrond. Vanwege de risicoaspecten van buisleidingen wordt
                in dit besluit de plicht opgenomen voor gemeenten om bij het vaststellen van
                bestemmingsplannen buisleidingen op de plankaart aan te geven. Deze plicht
                voorkomt dat nieuwe woningen worden gepland op plaatsen waar dit vanwege het
                risico niet is toegestaan.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.4.14.</nr>
                  <titel status="officieel">Project bescherming Vitale infrastructuur</titel>
                </kop>
                <al>Het interdepartementale project Bescherming Vitale
                Infrastructuur (BVI) geeft invulling aan het tiende actiepunt uit het Actieplan
                Terrorismebestrijding en Veiligheid<noot id="n13" type="voet"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2001/02,
                    <extref reeks="Kst" doc="kst-27925-21" status="actief">27 925, nr.
                    21</extref>.</noot.al></noot>. Dit actiepunt houdt in dat onder leiding van de
                Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een samenhangend pakket
                van maatregelen zal worden ontwikkeld ter bescherming van de infrastructuur van
                de overheid en het bedrijfsleven. Bij het vaststellen van vitale producten en
                diensten is gekeken naar de ernst van de mogelijke gevolgen van langdurige
                uitval en de complexe onderlinge afhankelijkheidsrelaties daartussen.
                Buisleidingen voor de energievoorziening zijn aangemerkt als een vitale
                infrastructuur, mede omdat andere vitale producten en diensten van
                energielevering via buisleidingen afhankelijk zijn.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.4.15</nr>
                  <titel status="officieel">Internationale aspecten</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>Er gelden geen internationale verplichtingen voor de
                  aanleg, de instandhouding en de verwijdering van buisleidingen. Wel zijn in de
                  Verenigde Naties daarvoor aanbevelingen vastgesteld. Het onderhavige besluit is
                  niet strijdig met de aanbevelingen van de Economic Commission Europe of the
                  United Nations (U.N.E.C.E.) voor buisleidingen.</al>
                  <al>Voor buisleidingen zijn geen Europese richtlijnen of
                  verordeningen vastgesteld. Het vervoersbeleid binnen de Europese Unie is niet
                  van toepassing op het transport door buisleidingen.</al>
                  <al>In Europees verband is een richtlijn vastgesteld over de
                  bescherming van Europese vitale infrastructuur<noot id="n14" type="voet"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december
                      2008.</noot.al></noot>. Pijpleidingen voor de internationale
                  energievoorziening zijn in deze richtlijn aangemerkt als vitale
                  infrastructuur.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">2.</nr>
              <titel status="officieel">Inhoud van het besluit</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">2.1.</nr>
                <titel status="officieel">Doel van het besluit</titel>
              </kop>
              <al-groep>
                <al>Het doel van dit besluit is om het externe veiligheidsbeleid
                van toepassing te laten zijn op buisleidingen. Voor inrichtingen waar
                gevaarlijke stoffen worden verwerkt is het Besluit externe veiligheid
                inrichtingen (Bevi) reeds van toepassing. Dit Besluit externe veiligheid
                buisleidingen (Bevb) regelt op vergelijkbare wijze als in het Bevi de externe
                veiligheidsaspecten van buisleidingen. Hierbij is rekening gehouden met de
                specifieke kenmerken van een buisleiding als transportmodaliteit. Het externe
                veiligheidsbeleid omvat mede de ruimtelijke doorwerking van risicobeleid in
                ruimtelijke plannen vanwege de veiligheidsaspecten van het bouwen in de buurt
                van risicovolle activiteiten.</al>
                <al>Met dit besluit wordt invulling gegeven aan de aanbevelingen
                van de heer Enthoven voor wat betreft: het formuleren van veiligheidseisen en
                een bijbehorend saneringsprogramma voor hogedruk gasleidingen; het borgen van
                de planologische inpassing van buisleidingen in bestemmingsplannen en het
                regelen van adequaat toezicht.</al>
              </al-groep>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">2.2.</nr>
                <titel status="officieel">Externe veiligheidsbeleid rond buisleidingen</titel>
              </kop>
              <al>Het externe veiligheidsbeleid is er op gericht afstand aan te
              brengen tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en personen die in de
              omgeving van die gevaarlijke activiteit aanwezig zijn. Volgens het externe
              veiligheidsbeleid, zoals dat na de vuurwerkramp in Enschede in het NMP 4 is
              vastgesteld, biedt de overheid burgers een minimum beschermingsniveau tegen
              risico’s die zij zelf niet kunnen beheersen of voorkomen<noot id="n15" type="voet"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>Zie ook Kabinetsstandpunt Integrale ketenstudies
                  Chloor, ammoniak en LPG. Tweede Kamer, 2002–2003,
                  <extref doc="kst-27801-22" reeks="Kst" status="actief">27 801, nr.
                  22</extref>.</noot.al></noot>. Dat wil zeggen dat voor het plaatsgebonden risico een
              grenswaarde geldt die niet overschreden mag worden bij kwetsbare objecten en
              een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico is
              de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een
              bepaalde plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een
              ongewoon voorval met een buisleiding waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
              In de ruimtelijke ordening is het groepsrisico van een buisleiding een
              hulpmiddel om een afweging te maken tussen de veiligheid van de buisleiding en
              de aanwezigheid van groepen mensen in de omgeving. Door een ongeval met een
              gevaarlijke stof kan immers ook een grotere groep personen ineens overlijden.
              Het groepsrisico wordt mede beïnvloed door de bebouwingsdichtheid in de
              omgeving van de buisleiding en de daar aanwezige hoeveelheid personen. Het
              groepsrisico is te omschrijven als de cumulatieve kans per jaar dat ten minste
              10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun
              aanwezigheid in het invloedsgebied van een buisleiding en een ongewoon voorval
              met die buisleiding waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Bestuurders
              zullen de aanvaardbaarheid van het groepsrisico moeten beoordelen bij
              ruimtelijke ordeningsbesluiten. Daarbij worden het beschikbaar zijn van
              veiliger alternatieven en de mogelijkheden van rampenbestrijding en
              zelfredzaamheid meegewogen.</al>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">2.2.1.</nr>
                  <titel status="officieel">Risicomodellering</titel>
                </kop>
                <al>De risicobenadering voor buisleidingen is de afgelopen jaren
                geactualiseerd. Inmiddels is gebleken dat de methode voor het berekenen van de
                risico’s van hogedruk aardgasleidingen volgens de huidige inzichten verschillen
                oplevert ten opzichte van de risico’s die in de VROM-circulaire voor hogedruk
                aardgasleidingen zijn opgenomen. Dat betekent dat de risico’s voor de omgeving
                bij bestaande buisleidingen soms groter of kleiner zijn dan waar de overheid en
                het bedrijfsleven vanuit zijn gegaan. Zowel voor aardgastransportleidingen als
                voor transportleidingen voor brandbare vloeistoffen zijn de risico’s opnieuw
                bepaald. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM) heeft
                in samenwerking met het bedrijfsleven de analyses van de risico’s van
                transportleidingen voor aardgas en brandbare vloeistoffen herzien.</al>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.2.1.1.</nr>
                    <titel status="officieel">Hogedruk aardgasleidingen</titel>
                  </kop>
                  <al>Eind jaren ’90 heeft Gasunie in samenwerking met andere
                  gastransportbedrijven in Europa een nieuw model ontwikkeld waarmee onder meer
                  de risico’s berekend kunnen worden van hogedruk aardgastransportleidingen. In
                  dit model, dat is getoetst door het RIVM, zijn nieuwe inzichten verwerkt zoals
                  lagere faalkansen van de leiding dan aanvankelijk verondersteld, maar grotere
                  effecten en effectafstanden bij het ontsteken van uitstromend aardgas dan
                  eerder verondersteld. Op grond van deze nieuwe inzichten en verbeterde
                  modellering zijn de risicocontouren voor hogedruk aardgastransportleidingen
                  opnieuw bepaald. Daarbij is rekening gehouden met een aantal maatregelen zoals
                  de wettelijke plicht om graafactiviteiten te melden op grond van de Wet
                  informatie-uitwisseling ondergrondse netten (ook wel genoemd de
                  grondroerdersregeling). Uit de geactualiseerde berekeningen van de
                  risicocontouren voor het plaatsgebonden risico (‘PR 10<sup>-6</sup>’;
                  basisveiligheidsniveau voor externe veiligheid met een kans op overlijden van
                  een op de miljoen per jaar) komen andere afstanden om in acht te nemen dan de
                  afstanden die de circulaire van 1984 voorschrijft. De risicocontour is mede
                  afhankelijk van onder andere de diepteligging en de wanddikte van de
                  buisleiding.<noot id="n16" type="voet"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>Zo schrijft de circulaire voor
                      aardgastransportleidingen voor dat de veiligheidsafstand voor een leiding met
                      een diameter van 90 cm en een druk van 50–80 bar 35 meter bedraagt. De
                      risicocontour PR 10<sup>-6</sup> kan in de werkelijkheid ook op bijvoorbeeld
                      100 meter liggen, of, als de leiding diep ligt of een extra dikke wand heeft,
                      boven op de leiding.</noot.al></noot> Hogedruk aardgasleidingen worden bij ministeriële
                  regeling aangewezen om onder de werking van dit besluit te vallen. In dit
                  besluit is rekening gehouden met de nieuwe inzichten.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.2.1.2.</nr>
                    <titel status="officieel">Brandbare vloeistoffen (olie en olieproducten)</titel>
                  </kop>
                  <al>Voor de brandbare vloeistoffen is onderzoek gedaan door
                  RIVM naar de risico’s voor de omgeving. Aanvullend onderzoek moet de
                  consequenties precieser in beeld brengen. De risico’s van dit soort stoffen op
                  de omgeving lijken mee te vallen. Buisleidingen met licht ontvlambare brandbare
                  vloeistoffen hebben vaak een risicocontour op enige afstand van de buisleiding,
                  maar minder ontvlambare brandbare vloeistoffen hebben geen significante
                  risicocontour. Buisleidingen met brandbare vloeistoffen kunnen daarnaast een
                  groepsrisico opleveren. Buisleidingen met brandbare vloeistoffen worden bij
                  ministeriële regeling aangewezen om onder de werking van dit besluit te
                  vallen.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.2.1.3.</nr>
                    <titel status="officieel">Overige gevaarlijke stoffen</titel>
                  </kop>
                  <al-groep>
                    <al>Overige gevaarlijke stoffen zijn bijvoorbeeld chloor,
                    ethyleen, propyleen, ammoniak, ethyleenoxide, waterstof, koolstofmonoxide en
                    koolstofdioxide.</al>
                    <al>Voor de groep overige gevaarlijke stoffen (gassen en
                    vloeistoffen) die door buisleidingen worden vervoerd, geldt dat er momenteel
                    nog geen eenduidige aanpak voor risicoberekening voor handen is. In
                    leidingkilometers uitgedrukt gaat het om naar schatting 5% van het leidingennet
                    en dat is grotendeels geconcentreerd in het Rotterdamse havengebied, in
                    Noord-Brabant-Limburg en in de buisleidingenstraat tussen Rotterdam en
                    Antwerpen. Buisleidingen met overige gevaarlijke stoffen worden aangewezen om
                    onder de werking van dit besluit te vallen, waarbij tevens de wijze van
                    risicoberekening kan worden voorgeschreven.</al>
                  </al-groep>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">2.2.2</nr>
                  <titel status="officieel">Risiconormering</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.2.2.1.</nr>
                    <titel status="officieel">Vervanging risicozonering door risiconorm</titel>
                  </kop>
                  <al-groep>
                    <al>In het verleden zijn afspraken gemaakt over
                    risicozonering voor transportleidingen voor aardgas en andere brandbare
                    vloeistoffen. In 1984 heeft VROM de circulaire ‘Zonering langs hogedruk
                    aardgastransportleidingen’ uitgebracht<noot id="n17" type="voet"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>Circulaire ‘Zonering langs hogedruk
                        aardgastransportleidingen’ 1984.</noot.al></noot>. De toetsingsafstanden en
                    veiligheidsafstanden/bebouwings<?xpp afbm?>afstanden die afhankelijk van
                    leidingdiameter en inwendige druk werden voorgeschreven, waren gebaseerd op een
                    risicobenadering. Dit geldt ook voor de circulaire die later verscheen voor
                    zonering langs buisleidingen met brandbare vloeistoffen<noot id="n18" type="voet"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>Circulaire ‘Bekendmaking van beleid ten behoeve
                        van de zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de
                        K1-, K2-, K3-categorie’ 1991.</noot.al></noot>.</al>
                    <al>Voor buisleidingen met andere gevaarlijke stoffen waren
                    specifieke risicoberekeningen nodig om de risico’s voor de omgeving in beeld te
                    krijgen. Dit besluit vervangt de circulaires voor de risico’s van
                    transportleidingen voor aardgas en brandstoffen.</al>
                    <al>Verder is in 2004 de Circulaire Risiconormering vervoer
                    gevaarlijke stoffen<noot id="n19" type="voet"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al><extref reeks="Stcrt" doc="stcrt-2004-147-p16-SC66161" status="actief">Staatscourant 4 augustus 2004, nr. 147/p. 16</extref>.</noot.al></noot> vastgesteld die ook van toepassing is op
                    buisleidingen. Dit besluit vervangt ook deze circulaire voor zover het
                    buisleidingen betreft.</al>
                    <al>Met de toepassing van de risiconormering uit het
                    EV-beleid kunnen de afstanden uit de circulaires komen te vervallen. Immers, in
                    die situaties waarbij de risicocontouren op basis van de grenswaarde voor het
                    plaatsgebonden risico kleiner zijn dan de bebouwingsafstanden uit de
                    circulaires zou bij het handhaven van de bebouwingsafstanden onnodig beslag op
                    ruimte gelegd worden. En in situaties waarbij de risicocontouren groter zijn
                    dan de bebouwingsafstanden verliezen deze afstanden hun betekenis. Het
                    toepassen van de risiconormering voor buisleidingen ter vervanging van de
                    afstanden uit de circulaires voor aardgas en brandbare vloeistoffen heeft
                    tevens als voordeel dat voor alle buisleidingen met gevaarlijke stoffen
                    hetzelfde normeringskader gaat gelden.</al>
                  </al-groep>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.2.2.2.</nr>
                    <titel status="officieel">Plaatsgebonden risico voor buisleidingen</titel>
                  </kop>
                  <al-groep>
                    <al>Voor nieuwe buisleidingen wordt in dit besluit de eis
                    opgenomen dat deze zodanig aangelegd moeten worden conform de best beschikbare
                    technieken dat de PR 10<sup>-6</sup> contour zo veel mogelijk binnen de
                    belemmeringenstrook komt te liggen. Deze plicht rust op de exploitant van de
                    leiding. Deze eis geldt ook als een bestaande leiding wordt vervangen. Zo wordt
                    deze strenge norm voor het plaatsgebonden risico van toepassing op nieuwe
                    situaties. Het ontstaan van nieuwe knelpunten wordt daarmee voorkomen en het
                    ruimtebeslag van nieuwe buisleidingen wordt beperkt tot de
                    belemmeringenstrook.</al>
                    <al>De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is ook van
                    toepassing op bestaande buisleidingen. Dit levert in bepaalde gevallen bij
                    bestaande bebouwing<noot id="n20" type="voet"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>Onder bestaande bebouwing wordt verstaan fysiek
                        aanwezige bebouwing en geprojecteerde bebouwing die is toegestaan op basis van
                        een vastgesteld bestemmingsplan of vrijstellingsbesluit.</noot.al></noot> binnen de risicocontour van de buisleiding een
                    knelpunt op. Daar waar kwetsbare objecten zoals woningen en scholen binnen de
                    risicocontour PR 10<sup>-6</sup> liggen, gaat een wettelijke saneringsplicht
                    gelden. De leidingexploitant is hierop aanspreekbaar en neemt binnen een
                    overgangstermijn zodanige saneringsmaatregelen dat er sprake is van een
                    acceptabele situatie.</al>
                  </al-groep>
                </divisie>
              </divisie>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">2.3.</nr>
                <titel status="officieel">Ruimtelijk beleid voor buisleidingen</titel>
              </kop>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">2.3.1.</nr>
                  <titel status="officieel">Planologische relevantie van buisleidingen</titel>
                </kop>
                <al>In veel bestemmingsplannen zijn op dit moment bestaande
                buisleidingen niet opgenomen. Het niet opnemen van buisleidingen in
                bestemmingsplannen heeft nadelige gevolgen voor de externe veiligheid. Als het
                niet duidelijk is of en waar buisleidingen in de grond liggen, worden de
                veiligheidsaspecten daarvan gemakkelijk over het hoofd gezien; dat brengt
                potentiële veiligheidsrisico’s met zich mee omdat nieuwbouwprojecten daardoor
                te dicht in de buurt van buisleidingen met gevaarlijke stoffen gebouwd kunnen
                worden. In dit besluit is daarom de plicht opgenomen buisleidingen in het
                bestemmingsplan op te nemen.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">2.3.2.</nr>
                  <titel status="officieel">Ruimtelijke doorwerking</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.3.2.1</nr>
                    <titel status="officieel">Plaatsgebonden risico in ruimtelijke plannen</titel>
                  </kop>
                  <al>Gemeenten die een bestemmingsplan vaststellen moeten met de
                  risicocontouren van buisleidingen rekening houden. Het is niet toegestaan dat
                  binnen deze contouren kwetsbare objecten komen. De aanwezigheid van
                  beperktkwetsbare bestemmingen binnen de PR 10<sup>-6</sup> moet gemotiveerd
                  worden. Wil een gemeente toch woningen of andere kwetsbare objecten bouwen op
                  een plek waarop nu nog een risicocontour rust, dan zullen maatregelen rond de
                  leiding noodzakelijk zijn om de risicocontour te verkleinen. Hierbij neemt de
                  gemeente het initiatief om met de exploitant tot overeenstemming te komen over
                  (de financiering van) maatregelen die bijdragen aan het reduceren van het
                  risico tot het benodigde niveau. Daarbij gelden de gebruikelijke regelingen en
                  contractuele afspraken over nadeelcompensatie.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.3.2.2</nr>
                    <titel status="officieel">Verantwoording van het groepsrisico in ruimtelijke
                    plannen</titel>
                  </kop>
                  <al-groep>
                    <al>De verantwoording van het groepsrisico wordt verplicht
                    gesteld zoals beschreven in de beleidsbrief over het groepsrisico aan de Tweede
                    Kamer van 4 oktober 2006<noot id="n21" type="voet"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>Tweede Kamer 2006–2007,
                        <extref doc="kst-27801-44" reeks="Kst" status="actief">27 801, nr.
                        44</extref>.</noot.al></noot>.</al>
                    <al>Dit beleid is vastgelegd in dit besluit. Het externe
                    veiligheidsbeleid voor buisleidingen is in dit besluit in lijn met het externe
                    veiligheidsbeleid voor inrichtingen waar wordt gewerkt met grote hoeveelheden
                    gevaarlijke stoffen en voor het transport van gevaarlijke stoffen.</al>
                    <al>De verantwoordingsplicht van het groepsrisico geldt
                    indien een ruimtelijk besluit genomen wordt over bijvoorbeeld het tracé voor
                    een nieuwe buisleiding of het bestemmen van een nieuwe woonwijk. Het bevoegd
                    gezag dat het besluit neemt is ook verantwoordelijk voor de verantwoording van
                    het groepsrisico. Bij een besluit over een bestemmingsplan is de gemeente het
                    bevoegd gezag en verantwoordelijk voor het groepsrisico. Ingevolge de nieuwe
                    Wro kunnen de provincie of het rijk een inpassingsplan vaststellen, voor zover
                    respectievelijk het provinciaal belang of het rijksbelang dat nodig maakt. In
                    dat geval is de provincie, dan wel het rijk verantwoordelijk om bij
                    vaststelling van een inpassingsplan het groepsrisico te verantwoorden.</al>
                  </al-groep>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.3.2.3</nr>
                    <titel status="officieel">Buisleidingen in bestemmingsplannen</titel>
                  </kop>
                  <al-groep>
                    <al>Het tracé voor een nieuwe buisleiding moet in het
                    bestemmingplan zijn opgenomen alvorens deze aangelegd kan worden. Hiermee wordt
                    de eventuele MER-plicht voor nieuwe buisleidingen gekoppeld aan het besluit tot
                    vaststelling van het bestemmingsplan en moet ook het groepsrisico van de nieuwe
                    leiding voor de aanleg door de gemeente worden afgewogen.</al>
                    <al>Op grond van de Wet ruimtelijke ordening kunnen eisen
                    worden gesteld aan de inhoud van het bestemmingsplan met betrekking tot de
                    wijze waarop buisleidingen moeten worden opgenomen in het plan. In dit besluit
                    gaat dat om het vermelden op de plankaart van de dubbelbestemming
                    buisleidingen, een geclausuleerd bouwverbod binnen een belemmeringenstrook ter
                    weerszijden van de buisleiding en het vereiste van een
                    aanlegvergunningenstelsel om de buisleiding te beschermen tegen activiteiten
                    die de buisleiding aan kunnen tasten. Het gemeentegrens overschrijdende
                    karakter van buisleidingen pleit voor uniformering en standaardisering van de
                    wijze waarop buisleidingen in bestemmingsplannen worden opgenomen. Dit besluit
                    regelt de uniformering van enkele planologisch relevante voorschiften voor
                    buisleidingen in bestemmingsplannen. De gemeente kan bij het vastleggen van een
                    buisleiding in een bestemmingsplan de specificaties van de buisleiding opvragen
                    bij de exploitant.</al>
                  </al-groep>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">2.3.3.</nr>
                  <titel status="officieel">Planologische ontwikkelingen in de buurt van een
                  buisleiding</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>Bestaande buisleidingen kunnen een grote risicocontour
                  hebben in gebieden met weinig of geen kwetsbare objecten. Vanuit een oogpunt
                  van externe veiligheid is er geen noodzaak om de exploitant te verplichten die
                  contouren te beperken. Een grote risicocontour kan wel een belemmering vormen
                  voor nieuwe planologische ontwikkelingen in de buurt van buisleidingen. Bij
                  nieuwe ruimtelijke plannen zoals een woonwijk of een industrieterrein is de
                  gemeente verantwoordelijk voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Dat
                  betekent dat in het plan inzicht moet worden gegeven in de financiële
                  consequenties van het plan inclusief eventueel noodzakelijke grondverwerving en
                  planschadevergoedingen. De gemeente heeft daarbij drie inpassingsopties bij
                  bestaande buisleidingen:</al>
                  <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>de buisleiding inpassen rekening houdend met de
                      bestaande risicocontour;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>de buisleiding via onderhandelingen over
                      grondverwerving laten verplaatsen onder vergoeding van kosten, afhankelijk van
                      de rechten van de exploitant van de buisleiding;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>met de exploitant van de buisleiding overeenkomen tot
                      reductie van de risicocontour van de buisleiding door maatregelen onder
                      vergoeding van kosten, afhankelijk van de rechten van de exploitant van de
                      buisleiding.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                  <al>Er kunnen contracten bestaan tussen gemeenten en
                  exploitanten over kostenvergoedingen bij noodzakelijke verleggingen van
                  buisleidingen. Dit besluit doorbreekt geen bestaande contracten.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">2.3.4.</nr>
                  <titel status="officieel">Coördinatie procedures bij aanleg van nieuwe
                  leidingen</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>De Wet ruimtelijke ordening biedt de gemeenten, de
                  provincies en het rijk de bevoegdheid om bestemmingsplannen, respectievelijk
                  inpassingsplannen vast te stellen afhankelijk van de aard van het planologische
                  belang. De tracébepaling voor nieuwe buisleidingen kan in bepaalde gevallen een
                  nationaal planologisch belang vertegenwoordigen. De Wet ruimtelijk ordening
                  biedt de rijksoverheid de mogelijkheid om voor grote projecten met een
                  nationaal karakter zelf het bestemmingsplan vast te stellen, het zogenaamde
                  inpassingsplan. Dit kan eventueel voorafgegaan worden door een projectbesluit
                  om de realisatie van een project te bespoedigen. Verder kan het rijk de
                  voorbereiding van de uitvoeringsbesluiten coördineren, zoals van bouw- en
                  kapvergunningen. Dit is de rijkscoördinatieregeling als bedoeld in de Wet
                  ruimtelijke ordening.</al>
                  <al>Het rijk kan de rijkscoördinatieregeling toepassen voor de
                  aanleg en ruimtelijke inpassing van buisleidingen die een nationaal belang
                  vertegenwoordigen, zoals hogedruk aardgasleidingen of leidingen die
                  chemieclusters met elkaar verbinden.</al>
                  <al>De coördinatie van de aanleg en ruimtelijke inpassing van
                  regionale transportleidingen kan op provinciaal niveau komen te liggen.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">2.4.</nr>
                <titel status="officieel">Sanering</titel>
              </kop>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">2.4.1.</nr>
                  <titel status="officieel">Consequenties nieuwe risiconorm</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>Het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieuheeft een
                  inventarisatie uitgevoerd naar de consequenties van de risicocontouren bij
                  kwetsbare bebouwing<noot id="n22" type="voet"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>Kamerstukken 2007/08,
                      <extref reeks="Kst" doc="kst-26018-6" status="actief">26 018, nr.
                      6</extref>.</noot.al></noot>. Deze inventarisatie levert een beeld op over de
                  omvang van de problematiek, de mogelijkheden om met maatregelen hier iets aan
                  te doen en de kosten van deze maatregelen. Voor buisleidingen met aardgas en
                  met brandbare vloeistoffen is de eerste inventarisatie afgerond. Op basis van
                  deze inventarisaties worden maatregelen om knelpunten op te lossen haalbaar en
                  betaalbaar geacht. Indien blijkt dat voor buisleidingen met chemische stoffen
                  de mogelijk te nemen maatregelen niet haalbaar en betaalbaar zijn, wordt in
                  lijn met het externe veiligheidsbeleid de oplossing in eerste instantie gezocht
                  in een nadere prioritering en in fasering. In een uiterste geval kan het
                  voorkomen dat een knelpunt moet worden geaccepteerd.</al>
                  <al>De normen voor het in acht nemen van afstanden tussen
                  buisleidingen met aardgas of met brandbare vloeistoffen en woonbebouwing, die
                  VROM in eerdergenoemde circulaires heeft vastgelegd, zijn een goed hulpmiddel
                  gebleken bij de planologische inpassing van buisleidingen. Ook uit de
                  jurisprudentie blijkt dat gemeenten gehouden zijn om bij planologische keuzes
                  de risico’s van buisleidingen in hun afweging te betrekken. In de loop der
                  jaren worden de claims op de schaarse ruimte in Nederland steeds veelvuldiger
                  en de vraag is gerezen of het ruimtebeslag voor buisleidingen wel strikt
                  noodzakelijk is. De in acht te nemen afstanden tussen buisleidingen en
                  woonbebouwing zijn namelijk mede afhankelijk van factoren zoals bijvoorbeeld de
                  wanddikte van de leiding en de diepteligging. Dat betekent dat veel
                  buisleidingen zo aangelegd kunnen worden dat het risico voor woonbebouwing in
                  de omgeving op een niveau komt dat in Nederland als acceptabel risico wordt
                  gezien. De risiconormen in Nederland houden in dat een persoon, dan wel een
                  groep personen, in de buurt van een gevaarsbron slechts een bepaalde beperkte
                  kans heeft op overlijden door een ongeval met die gevaarsbron. Het bewaren van
                  grote afstanden tussen buisleidingen en woonbebouwing is niet altijd
                  noodzakelijk. Indien een hogedruk aardgasleiding een goede wanddikte heeft en
                  diep genoeg ligt, kan het risico dat een persoon in de buurt van die leiding
                  komt te overlijden door een incident met de leiding binnen de acceptabele norm
                  liggen. Dit zal overigens niet voor alle buisleidingen met gevaarlijke stoffen
                  gelden, zodat er uitzonderingen op deze regel gemaakt kunnen worden bij
                  ministeriële regeling.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">2.4.2.</nr>
                  <titel status="officieel">Kosten exploitant</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>Voor zover bestaande buisleidingen risico’s voor de
                  omgeving met zich meebrengen die groter zijn dan de risiconorm van PR
                  10<sup>-6</sup> moeten deze risico’s worden teruggebracht naar het acceptabele
                  niveau. Dat kan zowel door maatregelen aan de buisleiding als door het afbreken
                  van woonbebouwing. In het milieubeleid en daarmee ook in het externe
                  veiligheidsbeleid wordt uitgegaan van een voorkeur voor maatregelen aan de
                  bron. De exploitant is verantwoordelijk voor bronmaatregelen om het risico op
                  een acceptabel niveau te brengen en te houden. De kosten van bronmaatregelen om
                  milieunormen te halen, komen volgens het milieuprincipe ‘de vervuiler betaalt’
                  voor rekening van degene die activiteiten uitvoert die bepaalde effecten voor
                  het milieu met zich meebrengen.</al>
                  <al>De verplichting voor de leidingexploitant om het risico van
                  buisleidingen binnen acceptabele grenzen te brengen, krijgt in dit besluit een
                  wettelijke basis. Nieuwe buisleidingen voor aardgas worden thans in de praktijk
                  zodanig aangelegd dat het risico van PR 10<sup>-6</sup> op de leiding of in
                  ieder geval binnen de belemmeringenstrook komt te liggen, waarbij kwetsbare
                  objecten worden gemeden. Door het onderhavige besluit moeten alle exploitanten
                  het plaatsgebonden risico van hun nieuwe buisleidingen zo laag houden als
                  redelijkerwijs mogelijk is om de gevaren voor de omgeving te beperken en is het
                  bovendien mogelijk toezicht te houden op de naleving hiervan. Voor bestaande
                  buisleidingen geldt dat de exploitant verantwoordelijk is voor het treffen van
                  bronmaatregelen, voor zover de buisleiding een te hoog plaatsgebonden risico
                  oplevert voor kwetsbare objecten in de omgeving.</al>
                  <al>De kosten aan de buisleidingen voor aardgas om bestaande
                  knelpunten voor het plaatsgebonden risico op te lossen blijven naar schatting
                  onder de 10 miljoen.</al>
                  <al>Voor andere gevaarlijke stoffen zal na verder onderzoek op
                  knelpunten worden ingegaan in de ministeriele regeling waarbij stoffen onder
                  dit besluit komen te vallen.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">2.4.3.</nr>
                  <titel status="officieel">Saneringstermijn</titel>
                </kop>
                <al>Voor bestaande buisleidingen, die onder dit besluit vallen,
                is een overgangstermijn opgenomen om de exploitanten een redelijke termijn te
                gunnen om met maatregelen de risico’s van buisleidingen tot een acceptabel
                niveau terug te brengen. Om de bestaande knelpunten op te lossen krijgen de
                exploitanten drie jaar de tijd om de benodigde werkzaamheden uit te voeren.
                Deze overgangstermijn dient om de noodzakelijke investeringen in de financiële
                plannen te verwerken en het werk voor te bereiden en uit te kunnen voeren.</al>
              </divisie>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">2.5.</nr>
                <titel status="officieel">Zelfregulering en toezicht</titel>
              </kop>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">2.5.1.</nr>
                  <titel status="officieel">Zelfregulering</titel>
                </kop>
                <al>De leden van de Vereniging van leidingeigenaren in Nederland,
                Velin, houden zich aan de gangbare bedrijfsnormen die gelden voor het
                waarborgen van de integriteit van buisleidingen. De gangbare kwaliteitsnorm
                voor de buisleidingen is de NEN 3650. De exploitanten van buisleidingen staan
                bekend als een professionele branche met een goed niveau van zelfregulering. De
                NEN 3650 wordt gehanteerd en de bedrijven werken met een
                veiligheidsbeheersysteem om de veiligheid te borgen. In dit besluit wordt
                aangesloten bij de bestaande zelfregulering op het gebied van de integriteit
                van de buisleiding. Het is niet nodig om deze uitgebreide NEN-norm expliciet
                wettelijk verplicht te stellen. Een algemeen geformuleerde zorgplicht, zoals
                neergelegd in artikel 4 van dit besluit kan volstaan. Van de exploitant mag
                redelijkerwijs worden verwacht de gangbare zelfreguleringsnormen of een
                vergelijkbare kwaliteitsnorm van hetzelfde niveau te hanteren om de zorgplicht
                in te vullen. De exploitant moet kunnen aantonen op welke wijze hij voldoet aan
                de zorgplicht. De verplichtingen die reeds bestaan op grond van de Gaswet en de
                Mijnbouwwet voor bepaalde buisleidingen voor aardgas en olie zijn zodanig in
                lijn met de verplichtingen van dit besluit dat daaruit voor de exploitant geen
                problemen voortvloeien.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">2.5.2.</nr>
                  <titel status="officieel">Toezicht</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>Het kabinet heeft in de ‘Kaderstellende visie op toezicht’
                  uit oktober 2005 met als titel ‘Minder last, meer effect’ aangegeven meer
                  vertrouwen te willen stellen in de samenleving<noot id="n23" type="voet"><noot.nr>21</noot.nr><noot.al>Kamerstukken 2006/07,
                      <extref reeks="Kst" doc="kst-27831-15" status="actief">27 831, nr.
                      15</extref>.</noot.al></noot>. Het kabinet wil tegemoet komen aan de wens van
                  bedrijven om het overheidstoezicht aan te sluiten op voorzieningen die zij zelf
                  treffen. In dit besluit wordt daaraan uitvoering gegeven door geen
                  gedetailleerd uitgewerkte normen te stellen, maar de normstelling relatief open
                  te formuleren en de gangbare normen voor zelfregulering (NEN 3650 en NTA 8000)
                  als een voldoende invulling van de algemene wettelijke norm te aanvaarden.</al>
                  <al>De exploitanten van buisleidingen moeten op grond van dit
                  besluit aan de gangbare kwaliteitseisen voor buisleidingen voldoen en externe
                  veiligheidsrisico’s van buisleidingen zoveel mogelijk beperken. De
                  VROM-Inspectie houdt toezicht op de naleving van de verplichtingen van de
                  exploitanten zoals neergelegd in dit besluit en gegrond op de Wet
                  milieubeheer.</al>
                  <al>De VROM-Inspectie is tevens bevoegd voor het
                  interbestuurlijke toezicht op de ruimtelijke doorwerking van de externe
                  veiligheid van buisleidingen in bestemmingplannen. Deze toezichtstaak richt
                  zich op de gemeenten en provincies en is gegrond op de Wet ruimtelijke
                  ordening.</al>
                  <al>De productieleidingen voor aardgas en olie vallen tevens
                  onder de Mijnbouwwet, waarin ook doelvoorschriften voor buisleidingen zijn
                  opgenomen, inclusief een verwijzing naar de kwaliteitsnorm voor buisleidingen,
                  de NEN 3650.</al>
                  <al>De transportleidingen voor aardgas vallen verder onder de
                  Gaswet en de daaronder vallende ministeriële regeling kwaliteit gasnetten,
                  waarin ook een kwaliteitsnorm is opgenomen, namelijk de toepassing van een
                  kwaliteitsbeheersingssysteem.</al>
                  <al>Deze normen blijven in stand en het toezicht daarop ligt
                  bij het Staatstoezicht op de Mijnen.</al>
                  <al>Tussen de VROM-Inspectie en het Staatstoezicht op de Mijnen
                  zijn afspraken gemaakt in het kader van effectief en eenduidig toezicht. Voor
                  zover sprake is van overtredingen die de externe veiligheid of het milieu
                  anderszins schaden zal de VROM-Inspectie handhaven.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">3.</nr>
              <titel status="officieel">Lasten voor overheid, bedrijfsleven en burger</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">3.1.</nr>
                <titel status="officieel">Bestuurslasten</titel>
              </kop>
              <al-groep>
                <al>Dit besluit leidt tot verplichtingen voor gemeenten om bij de
                vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de ligging van
                buisleidingen en de risico’s daarvan. De gemeentelijke taak om bij de
                vaststelling van een bestemmingsplan een zorgvuldige afweging te maken van alle
                ruimtelijk relevante functies geldt reeds op grond van de Wet ruimtelijke
                ordening. Dit is op grond van artikel 1.1, tweede lid, Wet ruimtelijke ordening
                ook van toepassing op de ruimtelijke ordening van de ondergrond. Verder stelt
                de Wet ruimtelijke ordening de digitalisering van bestemmingsplannen verplicht.
                Indien de voorschriften als bedoeld in artikel 14 niet reeds gelden, is binnen
                5 jaar de aanpassing van het bestemmingsplan aan dit besluit verplicht. De
                ruimtelijke ordeningsverplichtingen in dit besluit leveren beperkte extra
                bestuurslasten voor gemeenten op. Daarbij is rekening gehouden met de
                verplichting die geldt bij de invoering van de Wet ruimtelijke ordening, op
                basis waarvan bestemmingsplannen ouder dan 5 jaar binnen 5 jaar moeten worden
                aangepast en recentere bestemmingsplannen de normale wettelijke
                aanpassingstermijn van 10 jaar volgen.</al>
                <al>Voor de periode tot en met 2010 zijn aan de provincies
                beschikbaar gestelde middelen in het kader van de subsidieregeling
                programmafinanciering EV-beleid voor andere overheden 2006–2010, ook bedoeld om
                eventuele bestuurslasten op grond van dit besluit te dragen. Voor de periode na
                2010 geldt in analogie hiermee dat de middelen die voor versterking van de
                uitvoering van externe veiligheid worden overgeheveld naar het
                provinciefonds/gemeentefonds ook bedoeld om eventuele extra bestuurslasten op
                grond van dit besluit te dragen.</al>
                <al>Dit besluit biedt de Minister van VROM de mogelijkheid om bij
                beschikking maatregelen aan de exploitant op te leggen om het groepsrisico te
                beperken, eventueel onder het verstrekken van nadeelcompensatie. De
                verantwoordelijkheid voor het groepsrisico ligt in eerste instantie bij de
                gemeente die een bestemmingsplan vaststelt. Bij het afwegen van de
                verschillende alternatieven om het groepsrisico te beperken kan een
                bronmaatregel aan een buisleiding het meest kosteneffectieve alternatief zijn.
                De Minister van VROM kan als bevoegd gezag die maatregel aan de exploitant
                opleggen. Voor zover dit bovennormale maatregelen betreft, komen de kosten
                daarvan voor nadeelcompensatie in aanmerking. De verwachting is dat dit soort
                situaties waarbij nadeelcompensatie nodig is, zich slechts incidenteel zal
                voordoen vanwege de primaire verantwoordelijkheid van de gemeenten voor de
                verantwoording van het groepsrisico. De incidentele kosten van
                nadeelcompensatie zijn daarom niet bij voorbaat geraamd.</al>
              </al-groep>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">3.1.1.</nr>
                  <titel status="officieel">Planschade</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>De planschadebepalingen in hoofdstuk 6 van de Wet
                  ruimtelijke ordening zijn van toepassing bij het wijzigen van
                  bestemmingsplannen. De bestemming voor een buisleiding is veelal een
                  dubbelbestemming in combinatie met de bestemming voor een andere functie, zoals
                  agrarisch gebied of wegen. De dubbelbestemming mag niet strijdig zijn met de
                  bestemming. Een dubbelbestemming stelt ruimtelijk relevante belangen veilig die
                  niet of onvoldoende met een bestemming kunnen worden gewaarborgd en die
                  voorrang hebben op de belangen die met deze bestemming samenhangen<noot id="n24" type="voet"><noot.nr>22</noot.nr><noot.al>Standaard vergelijkbare bestemmingplannen SCPB
                      2008.</noot.al></noot>. Het verbinden van nieuwe beperkingen aan de
                  bestemming buisleiding kan planschade opleveren, voor zover aan de wettelijke
                  eisen voor planschade is voldaan. Indien beperkingen als een bouwverbod en een
                  aanlegvergunningstelsel ter plaatse reeds gelden is planschade niet aan de
                  orde.</al>
                  <al>De sanering geregeld in artikel 16 verplicht de exploitant
                  om binnen een redelijke termijn situaties, waarbij de norm voor het
                  plaatsgebonden risico wordt overschreden, op te lossen door het treffen van
                  maatregelen aan de buisleidingen. De gemeente kan bij het vaststellen van een
                  bestemmingsplan waarin dit soort strijdige bestemmingen aanwezig zijn,
                  anticiperen op de wettelijke saneringsplicht van de exploitant. Het ligt om die
                  reden niet voor de hand dat het vastleggen van een dubbelbestemming voor een
                  ondergrondse buisleiding planschadeclaims oproept.</al>
                  <al>Voor zover sprake is van strijdige geprojecteerde
                  bestemmingen waarvan realisatie niet meer wordt verwacht, ligt wegbestemmen uit
                  een oogpunt van goede ruimtelijke ordening voor de hand. Het is in die situatie
                  onzorgvuldig ten opzichte van de exploitant om onnodige toekomstige
                  saneringsverplichtingen te laten bestaan.</al>
                  <al>Bij het inplannen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen
                  worden de kosten van grondverwerving en eventuele schadevergoedingen verwerkt
                  in het exploitatieplan van de nieuwe ontwikkeling. De gemeente is
                  verantwoordelijk voor een zorgvuldige afweging van kosten en baten van het
                  ontwikkelingsplan alvorens tot bestemmingsplanwijziging over te gaan.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">3.2.</nr>
                <titel status="officieel">Bedrijfslasten</titel>
              </kop>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">3.2.1.</nr>
                  <titel status="officieel">Administratieve lasten</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>Het onderhavige besluit heeft voor de betrokken exploitant
                  van een buisleiding tot gevolg dat ten behoeve van de overheidszorg voor het
                  milieu en een goede ruimtelijke ordening, de exploitant inzicht moet geven in
                  de staat en het beheer van de buisleiding en de daaraan verbonden risico’s voor
                  de omgeving. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft als
                  taak om voor dit overheidsdoel risicoberekeningen te maken. De plicht van de
                  exploitant van de buisleiding richt zich vooral op het geven van inzicht in de
                  staat en het beheer van de leiding die van invloed is op het risico. Bij de
                  aanleg en de vervanging van een buisleiding rust de plicht op de exploitant om
                  ervoor te zorgen dat die buisleiding voldoet aan de eis van het acceptabele
                  risico voor de omgeving.</al>
                  <al>De gemeente kan bij de planologische inpassing van een
                  leiding in het bestemmingsplan het RIVM vragen om op basis van de specificaties
                  van de buisleiding het risico te berekenen. De exploitant is verplicht aan de
                  gemeente en de toezichthouder de gegevens aan te leveren over de staat en het
                  beheer van de buisleiding die van invloed zijn op het risico van de
                  buisleiding.</al>
                  <al>Dit zijn gegevens die reeds bij de exploitant aanwezig
                  zijn, zodat er slechts beperkte administratieve lasten zijn verbonden aan het
                  verstrekken van die gegevens. Er rust een verplichting op de exploitant om deze
                  gegevens op grond van Hoofdstuk 12 van de Wet milieubeheer en het
                  Registratiebesluit externe veiligheid te verstrekken ten behoeve van de
                  provinciale risicokaarten.</al>
                  <al>In dit besluit zijn meldplichten opgenomen voor wijzigingen
                  aan een buisleiding, voor ongewone voorvallen en voor het buiten gebruik
                  stellen van een buisleiding. Gelet op het incidentele karakter van deze
                  verplichtingen en de beperkte inhoud van de verplichtingen worden hieraan
                  beperkt structurele administratieve lasten toegerekend. In dit besluit wordt
                  een document en een veiligheidsmanagementsysteem verplicht gesteld, waarmee de
                  exploitant inzicht moet kunnen geven in de wijze waarop de zorgplicht van
                  artikel 4 is ingevuld. Exploitanten die onder de Gaswetgeving vallen hebben
                  reeds een verplicht kwaliteitsmanagementsysteem, dat tevens gebruikt kan worden
                  om de verplichtingen van dit besluit systematisch uit te voeren en te
                  monitoren. De exploitanten die onder de Mijnbouwwetgeving vallen hebben reeds
                  een werkend veiligheidsbeheerssysteem om aan de verplichtingen uit die
                  wetgeving te voldoen. De regelgeving om de veiligheid rond buisleidingen te
                  borgen heeft grote overeenkomst met de regelgeving op het terrein voor
                  inrichtingen. De bijlage bij artikel 4 waarin staat waar een
                  veiligheidsbeheerssysteem in ieder geval aan moet voldoen is een vereenvoudigde
                  versie van de eisen die op grond van het Besluit risico’s zware ongevallen
                  1999<noot id="n25" type="voet"><noot.nr>23</noot.nr><noot.al><extref reeks="Stb" doc="stb-1999-234" status="actief">Staatsblad 1999, 234</extref>.</noot.al></noot> (BRZO) gelden voor inrichtingen. De reden voor de
                  vereenvoudiging is dat een buisleiding in vergelijking met een inrichting een
                  relatief beperkte technische installatie is. Voor de inschatting van de hoogte
                  van de administratieve lasten voor het nakomen van de zorgplicht van artikel 4
                  is daarom gekeken naar de nulmeting voor de BRZO-bedrijven van 31 december
                  2002<noot id="n26" type="voet"><noot.nr>24</noot.nr><noot.al>Nulmeting administratieve lasten Ministerie van
                      VROM 2002. Hierin is de rijksbrede methodiek van het Standaardkostenmodel
                      gebruikt zoals door de Interdepartementale projectdirectie administratieve
                      lasten is aanbevolen.</noot.al></noot>. Meerdere leidingexploitanten zijn aan BRZO-bedrijven
                  gelieerd en hebben de buisleidingen reeds opgenomen in een
                  veiligheidsbeheerssysteem of kunnen daar redelijk eenvoudig op aansluiten. De
                  administratieve lasten voor buisleidingen voor de verplichting tot het
                  opstellen van een document en het in werking hebben van een
                  veiligheidsbeheerssysteem zijn ingeschat door een vergelijking te maken met de
                  berekende administratieve lasten voor die verplichtingen voor inrichtingen.
                  Voor buisleidingen zullen deze administratieve lasten lager zijn vanwege het
                  eenvoudiger karakter van de installatie en van de eisen voor document en
                  veiligheidsbeheerssysteem. De verplichtingen in de nulmeting voor
                  BRZO-inrichtingen die overeenkomen met verplichtingen voor exploitanten in dit
                  besluit zijn gerekend als administratieve lasten als gevolg van dit besluit. Te
                  denken valt aan:</al>
                  <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>het op aanvraag overleggen van documenten inzake
                      veiligheidsbeleid;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>het beoordelen van risico’s;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>het actueel houden van bedrijfsnoodplannen en
                      veiligheidsbeheersysteem;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>het aanpassen van het preventiebeleid ter voorkoming
                      van ongewone voorvallen;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>het meewerken aan audits en inspecties;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>het op aanvraag overleggen van gegevens;</al>
                    </li>
                  </lijst>
                  <al>In een vergelijkende conservatieve berekening komen de
                  incidentele kosten op 205.200,– Euro. Bij een bekend aantal exploitanten van
                  ongeveer 40 zijn de gemiddelde incidentele kosten per exploitant ongeveer
                  5.000,– Euro.</al>
                  <al>De structurele kosten bestaan uit het doen van meldingen
                  van wijzigingen en ongewone voorvallen, het verstrekken van aanvullende
                  gegevens op verzoek van het bevoegd gezag en het meewerken aan inspecties. Deze
                  verplichtingen keren periodiek terug, maar doen zich niet jaarlijks voor. De
                  structurele kosten voor deze verplichtingen zijn in totaal berekend op
                  20.000 Euro jaarlijks.</al>
                  <al>Uit dit besluit vloeien beperkte administratieve lasten
                  voort. Hierbij kan tevens in aanmerking worden genomen dat ongeveer de helft
                  van de exploitanten reeds voldoet aan soortgelijke verplichtingen op basis van
                  de Gaswet, de Mijnbouwwetgeving of het Besluit Risico’s Zware Ongevallen 1999.
                  Daarnaast is het algemeen gebruik in de buisleidingensector om een vorm van
                  veiligheidsbeheerssysteem in werking te hebben om de integriteit van de
                  buisleidingen te borgen vanuit het eigen bedrijfsbelang en de
                  leveringszekerheid.</al>
                  <al>De Vereniging van buisleidingeigenaren in Nederland, Velin
                  kan met de berekeningswijze van de administratieve lasten instemmen.</al>
                  <al>Over het ontwerp van dit besluit is advies gevraagd aan de
                  Adviescommissie</al>
                  <al>toetsing administratieve lasten (Actal).</al>
                  <al>Actal liet weten het onderhavige besluit, gegeven de
                  selectiecriteria, niet te selecteren voor een toets.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">3.2.2.</nr>
                  <titel status="officieel">Bedrijfseffecten</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>De verplichtingen in dit besluit hebben geen negatieve
                  invloed op de concurrentieverhoudingen en marktwerking. Er is geen Europese
                  wetgeving van kracht voor buisleidingen. Alle kosten om aan de verplichtingen
                  van dit besluit te voldoen vloeien voort uit de Nederlandse wetgeving en door
                  de branche zelf opgestelde normen. Daarbij kan de kanttekening gemaakt worden
                  dat wetgeving voor de leveringszekerheid van de energievoorziening en de
                  mijnbouw wel onderhevig is aan Europese richtlijnen. De buisleidingen voor olie
                  en aardgas zijn veelal onderdeel van internationale netwerken en bedrijven. De
                  Nederlandse normen voor zelfregulering passen in deze internationale setting.
                  Verder is het goed gebruik in de branche om met een veiligheidsbeheerssysteem
                  de leveringszekerheid en de veiligheid te borgen, zodat het stellen van een
                  verplichting voor dit onderdeel kennelijk geen concurrentienadeel
                  oplevert.</al>
                  <al>Van dit besluit is een positieve invloed te verwachten op
                  de marktordening omdat de zorgvuldigheidsvereisten voor de aanleg en het
                  onderhoud van buisleidingen duidelijk zijn vastgelegd. Dit heeft tot gevolg dat
                  niet alleen de exploitanten die zich reeds bewust zijn van die
                  verantwoordelijkheid en daar op een goede wijze invulling aan geven daaraan
                  gehouden kunnen worden. Ook exploitanten die zich daarvan minder bewust zijn of
                  die om bedrijfseconomische redenen genoegen nemen met een staat en beheer van
                  de buisleiding die beneden de in Nederland gangbare normen voor buisleidingen
                  ligt, kunnen daaraan gehouden worden op basis van dit besluit. Dit besluit
                  waarborgt een gelijk speelveld voor nationale en internationale spelers binnen
                  Nederland op het gebied van het transport van gevaarlijke stoffen door
                  buisleidingen.</al>
                  <al>Het besluit is niet van invloed op de markttoetreding in
                  Nederland, omdat elke exploitant die aan dit besluit voldoet de mogelijkheid
                  heeft om buisleidingen aan te leggen en in stand te houden. Er bestaat een
                  intensieve internationale afstemming in ISO-normen en CEN-normen, waarmee de
                  inhoud van de NEN 3650 overeenkomt, zodat buitenlandse exploitanten niet met
                  volledig onbekende normen te maken krijgen bij marktoetreding in Nederland. De
                  eisen met betrekking tot de risico’s van buisleidingen zijn gebaseerd op een
                  risicosystematiek die niet in alle Europese landen gebruikelijk is. Om de
                  toepassing voor exploitanten en overheden te vergemakkelijken, zal bij
                  Ministeriële regeling een instrument worden vastgesteld waarmee op eenvoudige
                  wijze de externe veiligheidsrisico’s van buisleidingen berekend kunnen
                  worden.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">3.2.3.</nr>
                  <titel status="officieel">Overige nalevingskosten</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>De maatregelen die de exploitant moet nemen om het
                  plaatsgebonden risico of het groepsrisico te verlagen, vallen onder de normale
                  milieuvoorzieningen die algemeen gelden voor elke exploitant van een
                  buisleiding. Dit soort maatregelen mogen redelijkerwijs van de exploitant
                  worden verwacht om de best beschikbare techniek in het kader van
                  milieubescherming toe te passen. De wettelijke plicht om milieueffecten van
                  bedrijfsactiviteiten zoveel mogelijk te beperken, vloeit reeds voort uit
                  artikel 1.1.a van de Wet milieubeheer. De maatregelen die nodig zijn om
                  buisleidingen met aardgas aan de norm voor het plaatsgebonden risico te laten
                  voldoen liggen volgens een schatting van de Gasunie onder de 10 miljoen Euro.
                  Het is nog onduidelijk in hoeveel gevallen bij geprojecteerde bestemmingen de
                  norm voor het plaatsgebonden risico niet wordt gehaald. Deze situaties kunnen
                  worden opgelost door aanpassing van het bestemmingsplan of door het treffen van
                  maatregelen door de exploitant van de buisleiding. De kosten hiervan zullen
                  naar verwachting onder de kosten van het oplossen van de knelpunten met
                  bestaande bebouwing blijven. Daarnaast kan de Minister van VROM aan de
                  exploitant maatregelen opleggen om het groepsrisico rond buisleidingen terug te
                  brengen. Deze bevoegdheid kan worden ingezet in situaties waar sprake is van
                  een grote overschrijding van de oriënterende waarde voor het groepsrisico dat
                  met maatregelen aan de buisleiding het meest kosteneffectief kan worden
                  verbeterd. Voor zover de exploitant een buisleiding moet verleggen of een
                  andere bovennormale maatregel moet treffen om het groepsrisico te beperken, kan
                  de Minister nadeelcompensatie verstrekken aan de exploitant. Deze
                  nadeelcompensatieregeling komt overeen met de nadeelcompensatieregeling zoals
                  die in artikel 15.20 van de Wet milieubeheer voor inrichtingen geldt.</al>
                  <al>In relatie tot het totale investeringsniveau voor dit soort
                  buisleidingen en een saneringstermijn van drie jaar moeten de nalevingskosten
                  om de veiligheid te verbeteren voor de aardgassector haalbaar en betaalbaar
                  worden geacht. Bij de buisleidingen voor brandbare vloeistoffen zijn vooralsnog
                  beperkte knelpunten geconstateerd, zodat de nalevingskosten voor de oliesector
                  ook haalbaar en betaalbaar lijken. Deze voorlopige indruk wordt nader
                  onderzocht, om de consequenties voor de nalevingskosten beter in beeld te
                  brengen. De overige chemische stoffen worden ook onderzocht op consequenties
                  van dit besluit, alvorens de saneringsbepalingen specifiek bij Ministeriële
                  regeling op die buisleidingen van toepassing te verklaren.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">3.3.</nr>
                <titel status="officieel">Lasten voor de burger</titel>
              </kop>
              <al>Dit besluit levert geen lasten op voor de burger.</al>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">3.3.1.</nr>
                  <titel status="officieel">Milieueffecten</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>Dit besluit stelt waarborgen om de risico’s voor mensen in
                  de buurt van buisleidingen binnen een aanvaardbaar veiligheidsniveau te brengen
                  en te houden. Het toezicht op dit besluit stelt waarborgen om eventuele
                  gebreken van exploitanten in het nakomen van hun zorgplicht aan te pakken. Dit
                  bevordert goed beheer en onderhoud van buisleidingen door exploitanten.</al>
                  <al>Voor de handhaafbaarheid van de zorgplicht is deze
                  aangevuld met enkele essentiële eisen. De exploitant moet in een document
                  aangeven hoe hij zijn zorgplicht invult en de uitvoering daarvan borgen met een
                  veiligheidsbeheerssysteem. Deze systematiek om de veiligheid van activiteiten
                  wettelijk te borgen komt overeen met de systematiek zoals die voor inrichtingen
                  geldt op grond van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999. Goed beheer en
                  onderhoud voorkomt tevens lozingen en lekkages die het milieu belasten.</al>
                  <al>Daarnaast hebben de eisen voor de aanleg en vervanging van
                  buisleidingen een beperking tot gevolg van ruimtebeslag om de veiligheid in de
                  omgeving van een buisleiding te borgen. Dit verhoogt de veiligheid rond
                  buisleidingen op een duurzame wijze.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">4.</nr>
              <titel status="officieel">Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">4.1.</nr>
                <titel status="officieel">Handhaafbaarheid</titel>
              </kop>
              <al-groep>
                <al>De VROM-Inspectie is gevraagd de handhaafbaarheid,
                uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid (HUF) van dit besluit te beoordelen. Op
                basis hiervan is het besluit op een aantal punten aangepast om de
                handhaafbaarheid te verbeteren. Het onderhavige besluit biedt voldoende basis
                voor het opstellen van een concreet, transparant en goed uitvoerbaar
                toezichtsarrangement.</al>
                <al>De VROM-Inspectie zal voor de uitvoering van haar
                toezichttaken een toetsingskader ontwikkelen, waarbij onder meer rekening
                gehouden wordt met de in Nederland geldende technische normen voor
                buisleidingen (NEN3650 en NTA8000) en met de nadere uitwerking van dit besluit
                in een ministeriële regeling.</al>
              </al-groep>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">4.2.</nr>
                <titel status="officieel">Uitvoerbaarheid</titel>
              </kop>
              <al-groep>
                <al>Bij de totstandkoming van dit besluit is overlegd met
                vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en van decentrale overheden en overige
                betrokkenen. Het doel van deze overleggen was het signaleren van knelpunten en
                het voortijdig ondervangen van dergelijke punten. Veel gedane suggesties zijn
                opgenomen in de uiteindelijke voorschriften. Het IPO en de VNG beoordelen de
                uitvoerbaarheid van dit besluit positief.</al>
                <al>Het bedrijfsleven en de decentrale overheden hebben met het
                rijk geen overeenstemming bereikt over de saneringsverplichtingen in dit
                besluit en de kosten van maatregelen om het groepsrisico te beperken. De
                Minister van VROM heeft in dit besluit zoveel mogelijk aangesloten bij de
                wettelijke regelingen in de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke ordening en
                het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Er zijn geen redenen om voor
                buisleidingen afwijkende regelingen te treffen.</al>
              </al-groep>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">4.3.</nr>
                <titel status="officieel">Gevolgen voor de belasting van de rechterlijke
                macht</titel>
              </kop>
              <al>De handhaving van dit besluit kan resulteren in
              bestuursrechtelijke geschillen over handhavingsbesluiten. Voor de naleving van
              de zorgplicht mag worden verwacht dat deze branche met een hoog niveau van
              zelfregulering weinig handhavingsgeschillen zal opleveren. Er zijn ongeveer 40
              bekende exploitanten. De risiconormen voor externe veiligheid die in dit
              besluit voor buisleidingen gelden hebben de instemming van de branchevereniging
              VELIN. De saneringsplicht voor bestaande externe veiligheidsknelpunten rond
              buisleidingen heeft niet tot overeenstemming geleid met het bedrijfsleven.
              Tegen een rechtstreeks werkende wettelijke saneringsplicht staat geen beroep
              open. Tegen een beschikking waarbij aan de exploitant maatregelen worden
              opgelegd om het groepsrisico te beperken staat wel beroep open. Dit zal zich
              naar verwachting slechts in incidentele gevallen voordoen.</al>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <titel status="officieel">Reacties naar aanleiding van de inspraakprocedure</titel>
            </kop>
            <al>P.M.</al>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <titel status="officieel">Notificatie</titel>
              </kop>
              <al>Het ontwerpbesluit is op ..... gemeld aan de Commissie van de
              Europese Gemeenschappen (notificatienummer ...../...../NL) ter voldoening aan
              richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
              Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van
              normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de
              informatiemaatschappij, zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli
              1998.</al>
              <al>De volgende bepalingen bevatten technische voorschriften:
              P.M.</al>
              <al>Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van
              goederen.</al>
              <al>Naar aanleiding van de reacties van de Commissie wordt het
              volgende opgemerkt. P.M.</al>
            </divisie>
          </divisie>
        </divisie>
        <divisie opmaak="default">
          <kop>
            <nr status="officieel">II.</nr>
            <titel status="officieel">Artikelsgewijs</titel>
          </kop>
          <al>
            <nadruk type="vet">Paragraaf 1</nadruk> bevat twee algemene
          bepalingen: de voor het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
          relevante begripsomschrijvingen (artikel 1) en de reikwijdte van het Bevb
          (artikel 2).</al>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <titel status="officieel">Artikel 1 (Begripsbepalingen)</titel>
            </kop>
            <al-groep>
              <al>De definities van de begrippen <nadruk type="cur">kwetsbaar
              object</nadruk> en <nadruk type="cur">beperkt kwetsbaar object</nadruk>
              verwijzen naar de begripsbepaling in artikel 1 van het Besluit externe
              veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi). Als ‘(beperkt) kwetsbaar object’ zijn
              globaal samengevat aangemerkt: woningen en andere verblijfsgebouwen als
              ziekenhuizen, scholen, kantoorgebouwen, hotels en restaurants, winkels,
              sporthallen, zwembaden en speeltuinen, sport- en kampeerterreinen en andere
              terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, bedrijfsgebouwen, en objecten
              met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of
              elektriciteitscentrale. Voor de specifieke en onderscheiden omschrijving van
              beide begrippen wordt kortheidshalve verwezen naar het Bevi. In het Bevb wordt
              ook <nadruk type="cur">kruisende lintbebouwing</nadruk> als beperkt kwetsbaar
              beschouwd. Het kruisen van lintbebouwing door buisleidingen is vaak
              onvermijdelijk en levert een bepaald risico op. Het risico moet worden beperkt
              door de lintbebouwing haaks te kruisen en niet schuin. Dit is in
              overeenstemming met de wijze waarop lintbebouwing wordt beoordeeld bij de
              externe veiligheid rond transportassen, zoals bedoeld in de Circulaire externe
              veiligheid vervoer.</al>
              <al>Het begrip <nadruk type="cur">buisleiding</nadruk> heeft in dit
              besluit globaal dezelfde betekenis als in titel 12.2 van de Wet milieubeheer,
              waar het begrip is omschreven als ‘vaste leiding waardoor gevaarlijke stoffen
              worden vervoerd en die geen deel uitmaakt van een inrichting’. De buisleiding
              definitie in dit besluit omvat mede buisleidingen die bestemt zijn voor het
              vervoer van gevaarlijke stoffen. Artikel 2 regelt welke buisleidingen met
              bijbehorende voorzieningen, zoals afsluiters, scraperfaciliteiten en
              kathodische bescherming apparatuur onder de werking van dit besluit vallen. Dit
              kan zowel ondergrondse buisleidingen, als (delen van) buisleidingen die zich
              bovengronds bevinden, betreffen.</al>
              <al>Artikel 1 wijst de <nadruk type="cur">exploitant</nadruk> van
              de buisleiding aan als degene die verantwoordelijk is voor de naleving van dit
              besluit – zie met name paragraaf 2 van dit besluit – en daarop kan worden
              aangesproken door de toezichthouder. Dit kan zowel de eigenaar, de beheerder of
              de gebruiker van de buisleiding zijn. Het gaat om degene die verantwoordelijk
              is voor het hebben of transporteren van een gevaarlijke stof door de
              buisleiding. De eigenaar van een buisleiding kan zelf exploitant zijn, maar de
              exploitatie kan ook zijn uitbesteed aan een beheerder. Het uitbesteden van de
              beheerstaak betekent overigens nog niet dat ook de verantwoordelijkheid voor de
              buisleiding is uitbesteed. Meestal zal de verantwoordelijkheid voor de
              buisleiding bij de eigenaar blijven, omdat het beheer binnen door de eigenaar
              vastgestelde kaders is uitbesteed zonder overdracht van de verantwoordelijkheid
              voor de buisleiding. Een gebruiker zal over het algemeen een civielrechtelijke
              gebruiksovereenkomst hebben met de eigenaar of de beheerder van een
              buisleiding, die niet de verantwoordelijkheid voor de buisleiding wijzigt. Voor
              de handhaving van dit besluit gaat het om degene die verantwoordelijk is voor
              de exploitatie van de buisleiding en het in zijn macht heeft om gebruik in
              strijd met dit besluit te beëindigen. Degene die verantwoordelijk is voor de
              buisleiding moet zichzelf als exploitant opgeven in het kader van het
              Registratiebesluit externe veiligheid.</al>
              <al>Ook de begripsomschrijvingen van <nadruk type="cur">‘groepsrisico’</nadruk> en <nadruk type="cur">‘invloedsgebied’</nadruk> zijn ontleend aan artikel 1 van het Bevi.
              In afwijking van het Bevi wordt in het Bevb het groepsrisico per kilometer
              buisleiding beoordeeld, omdat een buisleiding voor dit aspect overeenkomst
              vertoont met transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en de
              binnenwateren.</al>
              <al>Onder <nadruk type="cur">geprojecteerd (beperkt) kwetsbaar
              object</nadruk> wordt verstaan een (beperkt) kwetsbaar object dat nog niet
              feitelijk aanwezig is, maar op grond van het geldende bestemmingsplan wel is
              toegelaten. Bij de beoordeling van veiligheidsrisico’s in ruimtelijke plannen
              dient naast de feitelijke situatie ook rekening te worden gehouden met de
              juridische rechten, zoals die in het bestemmingsplan zijn vastgelegd.</al>
              <al>Het tweede lid regelt dat onder bestemmingsplan mede moet
              worden verstaan een inpassingsplan of een projectbesluit, omdat daarin ook
              bestemmingen kunnen worden toegelaten. Een beheersverordening legt de bestaande
              planologische situatie vast en biedt geen ruimte voor afwegingen of nieuwe
              beperkingen, zodat de werking van paragraaf 3 bij de vaststelling van een
              beheersverordening niet zinvol is. In artikel 18 is vastgelegd dat binnen 5
              jaar een bestemmingsplan moet worden vastgesteld met inachtneming van het Bevb.
              Hieruit blijkt dat niet kan worden volstaan met vaststelling van een
              beheersverordening om aan het Bevb te voldoen.</al>
            </al-groep>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <titel status="officieel">Artikel 2 (reikwijdte)</titel>
            </kop>
            <al-groep>
              <al>Artikel 2 regelt de reikwijdte van het Bevb: op welke
              buisleidingen is het besluit van toepassing.</al>
              <al>Het eerste lid regelt dat de Minister van Volkshuisvesting,
              Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister van VROM) de
              gevaarlijke stoffen (en daarmee de buisleidingen) kan aanwijzen waarop dit
              besluit van toepassing is. De Minister van VROM doet dit in afstemming met de
              Minister van Economische Zaken voor zover de buisleidingen mede de
              energie-infrastructuur of de mijnbouw betreffen en met de Minister van Defensie
              voor zover de buisleidingen dienen ter bevoorrading van de krijgsmacht.</al>
              <al>Het tweede lid kadert die ministeriële aanwijzing in. Het kan
              gaan om een zuivere stof of om een bepaalde concentratie van een stof
              (onderdeel a). Ook kan de Minister van VROM stoffen aanwijzen voor zover deze
              een externe veiligheidsrisico met zich meebrengen (onderdeel b). Voor
              buisleidingen met brandbare stoffen is het externe veiligheidsrisico
              bijvoorbeeld afhankelijk van de mate van ontvlambaarheid van die stof. Ook kan
              de Minister van VROM stoffen aanwijzen die zich in een bepaalde toestand
              bevinden (onderdeel c). Voor buisleidingen met aardgas hangt het externe
              veiligheidsrisico bijvoorbeeld samen met de druk in de buisleiding. Hogedruk
              aardgasleidingen hebben een druk van 1600 kiloPascal (=16 bar) of hoger.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>De reikwijdte van dit besluit is beperkt tot de buisleidingen
              op land voor het transport van (de aan te wijzen) gevaarlijke stoffen, met
              uitzondering van buisleidingen die deel uitmaken van een inrichting (derde
              lid). Indien een buisleiding deel uitmaakt van een inrichting beoordeelt het
              bevoegd gezag het risico verbonden aan de buisleiding in samenhang met het
              risico van andere gevaarsbronnen binnen de inrichting en kan het bevoegd gezag
              specifiek op die situatie toegesneden voorschriften voor de buisleiding in de
              milieuvergunning voor de inrichting opnemen.</al>
              <al>Er zijn ook buisleidingen die terreinen van inrichtingen van
              anderen doorkruisen en voor dat deel niet gereguleerd zijn in de
              milieuvergunning van die inrichtingen, omdat de drijvers van die inrichtingen
              geen zeggenschap hebben over deze buisleidingen. In die gevallen maakt de
              buisleiding geen deel uit van de inrichting en valt de buisleiding onder de
              werking van dit besluit.</al>
              <al>Op buisleidingen die van een winlocatie op het continentaal
              plat naar een productielocatie op het vasteland lopen is de Mijnbouwwet van
              toepassing. Deze wet geeft al regels voor de integriteit van deze leidingen.
              Het aanvullend regelen van de externe veiligheid rond buisleidingen op het
              continentaal plat is niet relevant vanwege de afwezigheid van bebouwing en
              mensen met een verhoogd risico als gevolg van die buisleiding.</al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="vet">Paragraaf 2</nadruk> bevat een aantal
            algemene regels voor de exploitant van buisleidingen: een verbodsbepaling
            (artikel 3), zorgplichtbepalingen (artikelen 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10) en diverse
            informatieverplichtingen (artikelen 4, 7, 8, 9 en 10).</al>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <titel status="officieel">Artikel 3 (exploitatieverbod)</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <titel status="officieel">Eerste lid</titel>
              </kop>
              <al-groep>
                <al>Buisleidingen die niet aan de eisen van dit besluit voldoen,
                mogen niet worden gebruikt voor (de opslag of) het vervoer van gevaarlijke
                stoffen. De VROM-Inspectie ziet toe op de naleving van dit besluit. De Minister
                van VROM kan een exploitant, die niet aan de eisen van dit besluit voldoet,
                opdracht geven de buisleiding buiten gebruik te stellen onder de last van een
                dwangsom, zodat er geen gevaren voor de omgeving meer zijn.</al>
                <al>De bevoegdheid bestuursdwang toe te passen, dan wel een
                dwangsom op te leggen is opgenomen in artikel 18.2b, eerste lid, van de Wet
                milieubeheer. Strafrechtelijke handhaving is geregeld via artikel 1a van de Wet
                op de economische delicten juncto artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer.</al>
              </al-groep>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <titel status="officieel">Tweede lid</titel>
              </kop>
              <al>Omdat een verbod op vervoer een vergaande maatregel is, heeft
              de Minister van VROM de mogelijkheid om hierop in nadere regelgeving
              uitzonderingen te maken. Deze uitzonderingsmogelijkheid is bedoeld voor
              buisleidingen waarvoor de eisen in dit besluit te streng uitpakken. Bij een
              aardgasproductieleiding doet zich bijvoorbeeld de situatie voor dat bij de
              aanleg een hoge werkdruk nodig is, terwijl die werkdruk bij ingebruikname in de
              loop van enkele jaren steeds verder zakt. In deze situatie is het niet
              redelijk, noch noodzakelijk, om het vereiste veiligheidsniveau van de
              buisleiding bij de aanleg uitsluitend te bepalen op de hoge werkdruk bij de
              ingebruikname. Bij de aanleg van bijvoorbeeld een leiding met een bepaalde
              gevaarlijke stof kan het niet haalbaar en betaalbaar blijken om het
              plaatsgebonden risico dicht op de buisleiding te houden. De strenge eis voor
              aanleg van zo’n buisleiding zou er dan in resulteren dat nieuw vervoer van
              gevaarlijke chemische stoffen door buisleidingen onmogelijk wordt. Om
              onbedoelde neveneffecten van de gestelde eisen tegen te gaan, is de
              uitzonderingsbepaling van het tweede lid opgenomen. Vervoer via een buisleiding
              is een relatief veilige manier van vervoer ten opzichte van vervoer over de weg
              en over spoor. In bepaalde gevallen kan de Minister van VROM toestaan dat de
              norm voor het plaatsgebonden risico (tijdelijk) op een grotere afstand van de
              buisleiding mag liggen.</al>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <titel status="officieel">Artikel 4 (zorgplicht exploitant)</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <titel status="officieel">Eerste lid</titel>
              </kop>
              <al>De algemene zorgplicht voor het milieu is vastgelegd in artikel
              1.1.a van de Wet milieubeheer. Om misverstanden te voorkomen is die zorgplicht
              voor het milieu hier herhaald.</al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <titel status="officieel">Tweede lid</titel>
              </kop>
              <al-groep>
                <al>Deze zorgplicht is opgenomen voor de (hele levensduur van de)
                exploitatie van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een
                algemene zorgplicht voor handelingen met gevaarlijke stoffen is reeds wettelijk
                vastgelegd in artikel 9.2.1.2 Wm. Artikel 4 van dit besluit spitst deze
                zorgplicht toe op het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
                Exploitanten volgen thans op vrijwillige basis regels en normen om zeker te
                zijn van de integriteit van de buisleiding en daarmee te voorkomen dat de
                gevaarlijke stoffen buiten de buisleiding raken. Hierbij valt voor
                buisleidingen te denken aan de norm van het Nederlands normalisatie instituut
                (NNI) de NEN 3650. Daarnaast is de Nederlandse Technische Afspraak (NTA 8000)
                met regels en normen voor een goed beheer van buisleidingen van belang.</al>
                <al>Dit besluit verplicht dat elke exploitant alles doet wat
                redelijkerwijs van hem verwacht kan worden om lekkages en de gevolgen daarvan
                te voorkomen. Thans mag redelijkerwijs van een exploitant van een buisleiding
                worden verwacht dat de NEN 3650 wordt gevolgd bij elke ‘levensfase’ van een
                buisleiding. De NEN 3650 is een norm die in de tijd wordt aangepast aan nieuwe
                technische inzichten en dan vaak ook een ander NEN nummer krijgt. Het is niet
                nodig deze norm expliciet in de wet vast te leggen, maar wel moet duidelijk
                zijn voor de exploitanten dat de toezichthouder de NEN 3650 of een
                vergelijkbare norm als toetsingskader zal gebruiken voor de beoordeling of de
                exploitant alles doet wat redelijkerwijs van hem gevergd kan worden als bedoeld
                in het zorgplichtartikel. De exploitant moet volgens het derde lid zelf
                aangeven welke norm hij hanteert en de toezichthouder beoordeelt of die norm
                vergelijkbaar is met de in Nederland gangbare norm en of de exploitant op een
                adequate manier invulling geeft aan de norm die hij hanteert om de integriteit
                van de leiding te borgen. Dat houdt ook in dat indien er in de toekomst een
                nieuwe NEN voor buisleidingen wordt vastgesteld de dan geldende norm via
                toepassing in de praktijk het toetsingskader voor de toezichthouder gaat
                bepalen. Een nieuwe NEN norm voor een buisleiding bouwt voort op de oude en kan
                niet terugwerken op een ‘levensfase’ van een buisleiding die naar zijn aard
                reeds is verstreken. Wel kan de nieuwe NEN norm doorwerken op de beheers- en
                onderhoudsfase en ook op eventuele vervangingen van en wijzigingen aan de
                buisleiding.</al>
                <al>De NEN 3650 beoogt de veiligheid van een buisleiding te
                borgen in elke ‘levensfase’ van die buisleiding door alle technische en
                organisatorische maatregelen te eisen die redelijkerwijs gevergd kunnen worden
                om een buisleiding in een goede technische conditie te houden en daarmee
                lekkages te voorkomen. De in de branche gebruikelijke NEN 3650 in combinatie
                met een veiligheidsbeheerssysteem, zoals de NTA 8000 of een gelijkwaardige
                systematiek, voorziet in een adequaat ontwerp, aanleg, exploitatie en beheer,
                buiten gebruik stellen en verwijderen van een buisleiding.</al>
              </al-groep>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <titel status="officieel">Derde lid</titel>
              </kop>
              <al-groep>
                <al>Om inzicht te (kunnen) geven aan de toezichthouder over de
                mate waarin de buisleiding aan de gangbare eisen voldoet, zal de exploitant
                documenten en gegevens moeten kunnen tonen waaruit blijkt op welke wijze aan de
                zorgplicht is voldaan. Onderdelen van de zorgplicht kunnen worden
                onderscheiden, maar moeten in hun onderlinge samenhang worden beschouwd als het
                gaat om de vraag in hoeverre de veiligheid voldoende is gewaarborgd. Zo kan
                bijvoorbeeld een buisleiding goed zijn aangelegd voor het destijds beoogde
                gebruik, maar kan een intensiever gebruik (bijvoorbeeld een drukverhoging) of
                het transport van een andere stof door de buisleiding het treffen van
                aanvullende maatregelen noodzakelijk maken om de veiligheid te blijven borgen.
                Om een goed inzicht te geven in het beheer van een buisleiding moet het
                document van de exploitant in ieder geval de onderdelen bevatten die in de
                bijlage bij dit besluit zijn benoemd.</al>
                <al>In de NEN 3650 is het hoofdstuk beheer summier uitgewerkt.
                Een Nederlandse technische afspraak (NTA 8000) over het beheer van
                buisleidingen schept meer duidelijkheid over welk beheer als gangbaar en
                redelijkerwijs noodzakelijk wordt gezien door de branche. Deze NTA 8000 of een
                hieraan gelijkwaardige systematiek zal mede het toetsingskader voor de
                VROM-Inspectie bepalen.</al>
                <al>De VROM-Inspectie zal jaarlijks in haar handhavingsprogramma
                bekendmaken hoe de toezichtstaak voor buisleidingen zal worden uitgevoerd.</al>
                <al>Indien in de praktijk blijkt dat de ruime omschrijving van de
                zorgplicht in artikel 4 onduidelijkheden oplevert voor exploitanten over de
                verplichtingen die op hen rusten of indien de handhaving van de zorgplicht
                onvoldoende effect sorteert, kan de Minister van VROM op grond van artikel
                9.2.2.1Wm nadere regels stellen aan de door de exploitant te nemen maatregelen
                ter voldoening aan de zorgplicht.</al>
              </al-groep>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <titel status="officieel">Vijfde lid</titel>
              </kop>
              <al>De Minister van VROM kan technische en organisatorische
              maatregelen bij ministeriële regeling aanwijzen die redelijkerwijs gevergd
              kunnen worden om ongewone voorvallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te
              beperken. Maatregelen om bijv. emissies te beperken kunnen ook worden
              aangewezen. Met deze aanwijzing kunnen nadere algemene voorschriften voor
              exploitanten worden gesteld over de concrete uitwerking van de zorgplichten.
              Dit bevordert de rechtszekerheid van de exploitanten en de handhaafbaarheid van
              artikel 4.</al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <titel status="officieel">Vierde, zesde, zevende en achtste lid</titel>
              </kop>
              <al-groep>
                <al>Het vierde en zesde tot en met achtste lid dienen de
                handhaafbaarheid van de zorgplicht en beogen een aantal essentiële
                verplichtingen vast te leggen die reeds voortvloeien uit de gangbare normen
                voor zelfregulering van de branche.</al>
                <al>Het vierde lid maakt duidelijk dat de exploitant inzicht moet
                kunnen geven in de uitvoering van zijn beleid en de maatregelen bij
                tekortkomingen.</al>
                <al>Het zesde lid bepaalt dat de exploitant over een
                veiligheidsbeheerssysteem moet beschikken dat aan bepaalde eisen voldoet. De
                minimum eisen voor het veiligheidsbeheerssysteem zijn opgenomen in een bijlage
                bij dit besluit. Deze eisen komen overeen met de eisen in de NTA 8000. Vanwege
                de beperkte werkingsduur van drie jaar van de NTA 8000 zijn de minimum eisen
                expliciet in het Bevb opgenomen.</al>
                <al>Het zevende lid stelt zeker dat wijzigingen in de
                bedrijfsvoering en de best beschikbare technieken tevens worden doorgevoerd in
                het beleid van de exploitant en het veiligheidsbeheerssysteem voor zover deze
                wijzigingen invloed kunnen hebben op de risico’s van de buisleiding.</al>
                <al>Volgens het achtste lid kan de Minister van VROM de
                exploitant verzoeken het document waarin het veiligheidsbeleid voor de
                buisleiding is vastgelegd toe te sturen, zulks ter voorbereiding op een
                controlebezoek. De toezichthouder beoordeelt het door de exploitant
                vastgestelde veiligheidsbeleid op volledigheid en uitvoerbaarheid
                (effectiviteit). Het veiligheidsbeheerssysteem en de werking daarvan in de
                praktijk, zal de toezichthouder bij de exploitant controleren. Indien de
                toezichthouder gebreken of tekortkomingen constateert in het veiligheidsbeleid
                of het veiligheidsbeheerssysteem, kan de Minister van VROM het wettelijke
                verbod op het gebruik van de buisleiding (artikel 3, eerste lid) handhaven met
                gebruik van de bevoegdheid tot het opleggen van een dwangsom. Het toepassen van
                bestuursdwang zal naar verwachting in dit soort situaties niet effectief zijn
                met het oog op de handelingen die nodig zijn om de overtreding ongedaan te
                maken. Het stilleggen van het vervoer door de buisleiding is bij beperkte
                overtredingen zonder acuut gevaar voor de omgeving een erg zware maatregel.
                Daarom is er behoefte aan de mogelijkheid voor de Minister van VROM om in
                reactie op een geconstateerde tekortkoming, die geen onmiddellijk risico met
                zich brengt, de exploitant te verplichten om een of meer verbeteringen aan te
                brengen in het document of het veiligheidsbeheerssysteem.</al>
                <al>Indien de exploitant de aangegeven wijzigingen niet (tijdig)
                doorvoert, kan dit verzuim alsnog formeel worden aangemerkt als een overtreding
                en kan het opleggen van een dwangsom aangewezen zijn om de exploitant de
                overtreding te laten beëindigen.</al>
              </al-groep>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <titel status="officieel">Artikel 5 (groepsrisico)</titel>
            </kop>
            <al-groep>
              <al>De exploitant van een activiteit met gevaarlijke stoffen is er
              voor verantwoordelijk de gevolgen voor mens en milieu zoveel mogelijk te
              beperken. Dit artikel is opgenomen om buiten twijfel te stellen, dat naast de
              algemeen geformuleerde zorgplicht in artikel 4 en de veiligheidsnorm voor het
              plaatsgebonden risico in artikel 6, de exploitant tevens de plicht heeft om het
              groepsrisico zoveel mogelijk te beperken.</al>
              <al>Indien voor een buisleiding een hoog groepsrisico is berekend
              moet de exploitant technische en organisatorische maatregelen treffen die het
              groepsrisico omlaag brengen. Het rijksbeleid is er op gericht om
              overschrijdingen van de oriënterende waarde van het groepsrisico zoveel
              mogelijk te beperken. Bij maatregelen moet worden gedacht aan het markeren van
              buisleidingen, het vergroten van de gronddekking en het sluiten van
              beheersovereenkomsten met grondeigenaren om de kans op beschadiging van de
              buisleiding te verkleinen.</al>
              <al>Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde en de gemeente is
              bij het vaststellen van een bestemmingsplan verantwoordelijk voor het afwegen
              van het groepsrisico. In situaties waar de exploitant en de gemeente het niet
              eens kunnen worden over de noodzaak maatregelen te treffen aan de buisleiding
              om het groepsrisico te verlagen, kan de Minister van VROM maatregelen aan de
              exploitant opleggen bij beschikking.</al>
              <al>Het tweede lid is opgenomen om nadeelcompensatie te verstrekken
              aan de exploitant in gevallen waar het verleggen van een buisleiding nodig is
              om het groepsrisico te beperken. Het verleggen van een buisleiding kan worden
              vergeleken met het aanleggen van een nieuwe buisleiding, waarvoor in
              redelijkheid nadeelcompensatie aangewezen kan zijn. De exploitant is
              verantwoordelijk om redelijke maatregelen te treffen, maar de overheid weegt op
              grond van artikel 12 af welk groepsrisico acceptabel is bij het vaststellen van
              bestemmingsplannen. Dat kan tot gevolg hebben dat de overheid een verhoging van
              het groepsrisico accepteert bijv. in het belang van het realiseren van
              woonbebouwing en de exploitant dan maatregelen moet treffen om het groepsrisico
              te beperken. Voor zover de exploitant maatregelen moet nemen om het
              groepsrisico te beperken als gevolg van een bestemmingsplan dat na dit besluit
              tot stand komt, zijn de bepalingen over planschade in de Wet ruimtelijke
              ordening van toepassing. De kosten van de te treffen maatregelen worden dan
              immers veroorzaakt door het bestemmingsplan. De Minister van VROM beschouwt de
              oriënterende waarde voor het groepsrisico als bedoeld in het eerste lid van
              artikel 12 als een acceptabel niveau voor het groepsrisico.</al>
            </al-groep>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <titel status="officieel">Artikel 6 (plaatsgebonden risico)</titel>
            </kop>
            <al-groep>
              <al>De norm voor het plaatsgebonden risico voor een kwetsbaar
              object mag niet worden overschreden, om de burgers een bepaald
              basisveiligheidsniveau te garanderen. Dit houdt in dat de exploitant de zorg
              heeft om aan die norm te voldoen, voor zover het plaatsgebonden risico wordt
              veroorzaakt door zijn buisleiding. De norm bij aanleg en vervanging van een
              buisleiding is strenger uit een oogpunt van zuinig ruimtegebruik. De lange
              levensduur van buisleidingen en de hoge investeringen bij aanleg en vervanging
              nopen tot een optimaal veilige aanleg en vervanging. Daarbij is niet alleen het
              voorkomen van veiligheidsknelpunten van belang, maar ook om de mogelijkheden
              van ruimtegebruik in de omgeving van buisleidingen niet meer te beperken dan
              strikt noodzakelijk is.</al>
              <al>Bij de aanleg en vervanging van een buisleiding is de
              exploitant ervoor verantwoordelijk het risico van de buisleiding zo laag te
              houden als redelijkerwijs mogelijk is. De exploitant is verantwoordelijk voor
              de milieueffecten van de buisleiding, waaronder het daaraan verbonden
              plaatsgebonden risico voor de omgeving. Dit risico wordt uitgedrukt in de kans
              op overlijden van een persoon als gevolg van een ongeluk met die buisleiding.
              Het risico voor een persoon in de omgeving is mede afhankelijk van de dikte van
              het staal van de buisleiding en de diepteligging van de buisleiding in de
              grond. De norm voor het plaatsgebonden risico is 10<sup>-6</sup> zoals genoemd
              in het Nationaal Milieubeleidsplan 4 van 13 juni 2001. Deze norm is identiek
              aan de plaatsgebonden risiconorm voor inrichtingen op grond van het Bevi.</al>
              <al>De strook van minimaal vijf meter aan weerszijden, gemeten
              vanuit het hart van de buisleiding, 10 meter in totaal, is de ruimte die nodig
              is voor het onderhoud van de buisleiding en daarom in principe vrij van
              bebouwing moet worden gehouden. Op basis van artikel 3, tweede lid, kan een
              uitzondering worden gemaakt voor bepaalde buisleidingen waar met een smallere
              onderhoudsstrook kan worden volstaan. Bestaande en geprojecteerde kwetsbare
              objecten nabij een buisleiding waarvoor een plaatsgebonden risico geldt boven
              de norm, vallen onder de saneringsplicht conform artikel 16 van dit
              besluit.</al>
              <al>De exploitant moet bij aanleg en vervanging van een buisleiding
              rekening houden met bebouwing die onder de definities van (beperkt) kwetsbaar
              object vallen en planologisch zijn toegelaten. Objecten die niet zijn
              gerealiseerd, maar wel in een bestemmingsplan zijn toegelaten (geprojecteerd)
              zijn daarbij ook van belang. De verantwoordingsplicht voor het groepsrisico
              berust bij de overheid en ook de beoordeling in hoeverre een beperkt kwetsbaar
              object in de buurt van een buisleiding acceptabel is. De exploitant moet bij de
              aanleg en de vervanging van de buisleiding rekening houden met de overwegingen
              waaronder risico’s behorend bij de buisleiding zijn geaccepteerd en toegelaten
              in het bestemmingsplan.</al>
              <al>Het derde lid maakt een uitzondering op het tweede lid indien
              voor een bepaalde stof de genoemde afstand niet haalbaar en betaalbaar is.
              Overigens laat deze uitzondering het eerste lid onverlet.</al>
              <al>Het vierde lid bepaalt dat een buisleiding die niet in het
              geldende bestemmingsplan is opgenomen niet mag worden aangelegd of vervangen.
              Dat geldt ook indien een geldend bestemmingsplan ontbreekt. In die situaties
              moet de buisleiding eerst in een bestemmingsplan worden opgenomen alvorens
              aanleg of vervanging mogelijk is.</al>
            </al-groep>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <titel status="officieel">Artikel 7 (berekening risico’s)</titel>
            </kop>
            <al-groep>
              <al>Risicoberekeningen worden opgesteld door het Rijksinstituut
              voor volksgezondheid en milieu (RIVM), door de exploitant of door adviesbureaus
              met specialistische kennis op het terrein van externe veiligheid. Gebleken is
              dat zich tussen deskundigen verschillen kunnen voordoen in de aannames die ten
              grondslag liggen aan de risicoberekeningen. Om rechtsongelijkheid te voorkomen
              bevordert de Minister van VROM een proces van unificatie tussen deskundigen. De
              Minister van VROM kan de resultaten van zo’n proces vastleggen om te borgen dat
              de risico’s in vergelijkbare gevallen op gelijke wijze worden berekend en
              beoordeeld. De Minister van VROM baseert zich daarbij op de deskundige
              beoordeling van het RIVM.</al>
              <al>Risicoberekeningen kunnen voor verschillende stoffen
              verklaarbare verschillen vertonen. Een stof die corrosief is kan de buisleiding
              aantasten, terwijl een stof die niet corrosief is dat risico niet heeft. De
              Minister van VROM kan daarom voor verschillende stoffen verschillende
              berekeningsregels vaststellen.</al>
              <al>Het tweede lid regelt dat de exploitant de noodzakelijke
              gegevens over buisleidingen moet verstrekken aan gemeenten ten behoeve van de
              vaststelling bestemmingsplannen.</al>
            </al-groep>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <titel status="officieel">Artikel 8 (wijziging in exploitatie buisleiding)</titel>
            </kop>
            <al-groep>
              <al>De Minister van VROM legt op grond van artikel 12.12 van de Wet
              milieubeheer en het Registratiebesluit externe veiligheid gegevens van
              buisleidingen vast in een register. Dit register dient om risico’s van (onder
              meer) buisleidingen inzichtelijk te maken op de provinciale risicokaarten. Het
              register en de risicokaarten kunnen ook worden gebruikt door overheden om zich
              bij hun planvorming te oriënteren op aanwezige risico’s in het plangebied. De
              gegevens over buisleidingen die voor het vullen van het register zijn gebruikt,
              kunnen een lager detailniveau hebben dan de authentieke gegevens beschikbaar
              bij de exploitant. De authentieke gegevens met een hoger detailniveau zijn
              beschikbaar bij de exploitant. Het onderzoek naar de invloed van de wijziging
              op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico heeft betrekking op de
              gegevens die invloed kunnen hebben op die risico’s.</al>
              <al>Een voorgenomen wijziging van het gebruik van de buisleiding
              kan het risico vergroten of verkleinen, bijvoorbeeld een drukverhoging of
              verlaging, het vervoer van een andere – meer of minder gevaarlijke – stof door
              de buisleiding. De exploitant mag een wijziging doorvoeren, die geen negatieve
              invloed heeft op het plaatsgebonden risico of het groepsrisico van de
              buisleiding. De exploitant kan in dat geval volstaan met een melding van de
              wijziging aan de Minister van VROM. De Minister van VROM verwerkt de wijziging
              in de gegevens over de buisleiding die in het register staan.</al>
              <al>Een voorgenomen wijziging die een negatieve invloed heeft op
              het plaatsgebonden risico of het groepsrisico mag pas door de exploitant worden
              doorgevoerd indien dit in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Dit geldt
              ook indien een geldend bestemmingsplan ontbreekt.</al>
            </al-groep>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <titel status="officieel">Artikel 9 (buitengebruikstelling van een
              buisleiding)</titel>
            </kop>
            <al-groep>
              <al>Dit artikel regelt de plicht van de exploitant om het buiten
              gebruik stellen van een buisleiding onmiddellijk aan de Minister van VROM te
              melden. Het is niet nodig tijdelijke buiten gebruik stellingen voor onderhoud
              onmiddellijk aan de Minister van VROM te melden. Om misverstanden te voorkomen
              wordt een buisleiding in ieder geval geacht buiten gebruik te zijn als deze
              gedurende een aaneengesloten periode van een jaar niet is gebruikt.</al>
              <al>Een buisleiding die buiten gebruik is, moet vrij zijn van
              gevaarlijke stoffen om te voorkomen dat de buisleiding gevaar voor mens of
              milieu kan opleveren. Een buisleiding die korter dan een jaar buiten gebruik is
              en door de exploitant normaal wordt onderhouden om het gebruik binnen dat jaar
              te hervatten wordt niet beschouwd als een buisleiding die buiten gebruik is.
              Een buisleiding die langer dan een jaar buiten gebruik is, wordt ook indien
              deze wordt onderhouden door de exploitant, beschouwd als een buisleiding die
              buiten gebruik is als bedoeld in dit artikel. Een buisleiding die niet meer
              wordt gebruikt voor het vervoer van een gevaarlijke stof, brengt geen risico
              voor de omgeving met zich mee. Artikel 15 legt vast op welk moment de
              planologische beperkingen verbonden aan de risico’s van de buisleiding kunnen
              worden opgeheven. De gemeente is in dat geval niet langer verplicht om bij de
              vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de
              veiligheidsaspecten van een in de grond aanwezige buisleiding die buiten
              gebruik is. Indien de Minister van VROM op grond van artikel 15 ontheffing
              verleent van de wettelijk voorgeschreven planologische bescherming in dit
              besluit, betekent dat niet dat de buisleiding niet weer gebruikt kan worden. De
              exploitant zal bij het opnieuw in gebruik nemen van de buisleiding de procedure
              voor het wijzigen van gegevens moeten volgen, voorgeschreven in artikel 8.
              Immers de te vervoeren stof wijzigt op het moment dat de buisleiding weer in
              gebruik wordt genomen. Over het algemeen zal het risico toenemen ten opzichte
              van de situatie dat de buisleiding buiten gebruik was en mag de exploitant de
              buisleiding slechts weer in gebruik nemen voor zover dit in overeenstemming is
              met het geldende bestemmingsplan. De meldplicht van artikel 8 is ook van
              toepassing bij het opnieuw in gebruik nemen van de buisleiding.</al>
            </al-groep>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <titel status="officieel">Artikel 10 (ongewone voorvallen)</titel>
            </kop>
            <al-groep>
              <al>De meldplicht voor ongewone voorvallen die in deze paragraaf en
              dit artikel is opgenomen, is vergelijkbaar met de verplichting die in hoofdstuk
              17 van de Wet milieubeheer is opgenomen voor inrichtingen. Het criterium voor
              een ongewoon voorval is ontleend aan artikel 9.2.2.1 van die wet. De exploitant
              moet de melding bij de Minister van VROM (in de praktijk de VROM-Inspectie)
              doen. Na een onmiddellijke melding verstrekt de exploitant, zodra die gegevens
              bekend zijn, aanvullende informatie aan de Minister van VROM. De te verstrekken
              informatie is opgesomd in artikel 17.2, tweede lid:</al>
              <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                <li>
                  <li.nr>a.</li.nr>
                  <al>de oorzaken van het voorval en de omstandigheden waaronder
                  het voorval zich heeft voorgedaan;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>b.</li.nr>
                  <al>de ten gevolge van het voorval vrijgekomen stoffen, alsmede
                  hun eigenschappen;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>c.</li.nr>
                  <al>andere gegevens die van belang zijn om de aard en de ernst
                  van de gevolgen voor het milieu van het voorval te kunnen beoordelen;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>d.</li.nr>
                  <al>de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de
                  gevolgen van het voorval te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>e.</li.nr>
                  <al>de maatregelen die worden overwogen om te voorkomen dat een
                  zodanig voorval zich nogmaals kan voordoen.</al>
                </li>
              </lijst>
              <al>De VROM-Inspectie dient te zorgen voor doormelding aan andere
              bestuursorganen of overheidsdiensten, die direct belang hebben bij de melding.
              Genoemd worden in artikel 17.2, derde lid, van de wet:</al>
              <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                <li>
                  <li.nr>a.</li.nr>
                  <al>de burgemeesters van de betrokken gemeenten;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>c.</li.nr>
                  <al>de commissarissen van de Koningin in de betrokken
                  provincies in de gevallen dat de gevolgen van het voorval zich voordoen dan wel
                  kunnen voordoen buiten de grenzen van de gemeente waar de buisleiding geheel of
                  in hoofdzaak is gelegen;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>d.</li.nr>
                  <al>gedeputeerde staten van de betrokken provincie in de
                  gevallen dat het voorval verontreiniging of aantasting van de bodem tot gevolg
                  heeft;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>e.</li.nr>
                  <al>andere bestuursorganen of overheidsdiensten, die direct
                  belang hebben bij een onverwijlde mededeling.</al>
                </li>
              </lijst>
              <al>Deze laatste categorie betreft bijvoorbeeld een waterschap,
              indien sprake is van verontreiniging van oppervlaktewater. Overigens zal de
              exploitant ook zelf diensten, die betrokken zijn bij de hulpverlening en
              rampbestrijding of de bestrijding van door het voorval veroorzaakte
              verontreiniging, zoals de brandweer en de ambulancedienst, onmiddellijk
              informeren (alarmeren) indien daartoe aanleiding bestaat. Deze meldingsplicht
              maakt deel uit van het veiligheidsbeleid en het bijbehorende
              veiligheidsbeheerssysteem, bedoeld in artikel 4. Daarnaast bestaat ingeval van
              een ramp de wettelijke plicht voor een ieder die daarvan kennis draagt om de
              burgemeester zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen. Deze plicht is
              neergelegd in artikel 44 van de Wet veiligheidsregio’s.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="vet">Paragraaf 3</nadruk> (de artikelen 11 tot
              en met 14) bevat bepalingen voor het bevoegd gezag in het kader van de Wet
              ruimtelijke ordening (Wro), als tegenhanger van de verplichtingen voor de
              exploitant in paragraaf 2.</al>
              <al>Naast de verplichtingen van de exploitant om het risico van de
              leiding op een acceptabel niveau te hebben, is de overheid verplicht om bij
              haar ruimtelijke ordening rekening te houden met buisleidingen en de daaraan
              verbonden risico’s voor de omgeving. Het toelaten van het vervoer van
              gevaarlijke stoffen door buisleidingen is immers ook een ruimtelijke afweging.
              Een buisleiding vergt voor het onderhoud een belemmeringenstrook die zoveel
              mogelijk vrij is van bebouwing. De beperking om te bouwen dient te worden
              vastgelegd in het bestemmingsplan. Volledigheidshalve wordt erop geattendeerd
              dat telkens waar in het Bevb sprake is van ‘bestemmingsplan’ ook gelezen kan
              worden ‘inpassingsplan’ of ‘projectbesluit’ (artikel 1, tweede lid).</al>
            </al-groep>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <titel status="officieel">Artikel 11 (grens- en richtwaarden)</titel>
            </kop>
            <al-groep>
              <al>Het eerste lid regelt dat de gemeente bij de vaststelling van
              een bestemmingsplan (en de provincie of het Rijk bij het vaststellen van een
              inpassingsplan) kwetsbare objecten niet binnen de norm voor het plaatsgebonden
              risico van een aangelegde of geprojecteerde buisleiding mag toelaten. Het PR
              10<sup>-6</sup> is een grenswaarde: het plaatsgebonden risico moet bij de
              besluitvorming in acht worden genomen.</al>
              <al>Het <nadruk type="cur">tweede lid</nadruk> regelt dat het
              bevoegd gezag bij zo’n besluit rekening houdt met het plaatsgebonden risico van
              de buisleiding ten opzichte van beperkt kwetsbare objecten. Het PR
              10<sup>-6</sup> is voor deze situatie een richtwaarde. Van een richtwaarde kan
              gemotiveerd worden afgeweken, van een grenswaarde niet.</al>
              <al>Het derde lid regelt dat ook rekening moet worden gehouden met
              de invloed van risicoverhogende objecten in de directe omgeving van
              buisleidingen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Zo kan de bestemming
              van bijvoorbeeld een windturbine een risicoverhogend effect hebben, omdat een
              losgeraakte wiek de buisleiding kan beschadigden. De directe omgeving van de
              buisleiding is de omgeving waarin het object een risicoverhogend effect
              heeft.</al>
            </al-groep>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <titel status="officieel">Artikel 12 (afwegings- en motiveringsplicht voor
              bestemmingsplannen)</titel>
            </kop>
            <al-groep>
              <al>Dit artikel regelt de plicht voor het bevoegd gezag om het
              groepsrisico van een buisleiding mee te wegen en te verantwoorden bij de
              vaststelling van een bestemmingsplan. De beoordeling van het groepsrisico van
              een buisleiding in relatie tot de omgeving is zoveel mogelijk gelijk gesteld
              aan de wijze waarop het groepsrisico rond inrichtingen moet worden beoordeeld.
              Het artikel gaat uit van de norm voor het groepsrisico per kilometer
              buisleiding zoals dat ook langs andere transportroutes berekend moet worden. De
              verantwoordingsplicht geldt ook voor bouwplannen in de omgeving van de
              buisleiding die bijdragen aan de ontwikkeling van het groepsrisico.</al>
              <al>Bij de beoordeling van risico’s is onder andere de vraag aan de
              orde welke omvang van een ramp, gegeven de kans daarop, aanvaardbaar is. Het
              gaat daarbij uiteindelijk om een politieke afweging van de risico’s tegen de
              maatschappelijke baten en kosten van een risicovolle activiteit, waarbij de
              mogelijkheid van minder risicovolle alternatieven bij de afweging worden
              betrokken. Als de maatschappelijke baten van een activiteit groot zijn, kunnen
              de bijbehorende risico’s eerder worden geaccepteerd dan wanneer die gering
              zijn. Hierin ligt een belangrijk verschil met de grenswaarde van het
              plaatsgebonden risico dat – naast zijn ordeningsfunctie bij de ruimtelijke
              inrichting – een uniform beschermingsniveau voor burgers garandeert, los van de
              maatschappelijke baten van een activiteit.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Bij de verantwoording van de wijze waarop het groepsrisico ten
              opzichte van andere belangen is afgewogen ligt de nadruk op de
              verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag in het kader van de ruimtelijke
              ordening. Volgens de Wet ruimtelijke ordening kunnen de gemeente, de provincie
              en het Rijk in die zin bevoegd gezag zijn. Het Rijk beschouwt bijvoorbeeld het
              landelijk hoofdtransportnet voor de aardgasvoorziening als een nationaal
              ruimtelijk belang, waarvoor het Rijk bevoegd is om de benodigde nieuwe tracé’s
              voor buisleidingen in een inpassingsplan vast te leggen. De provincies kunnen
              regionale transportnetten die in meerdere gemeenten liggen in hun ruimtelijk
              beleid aanwijzen als een provinciaal ruimtelijk belang en vervolgens als
              bevoegd gezag optreden voor het vastleggen van een nieuw tracé voor dergelijke
              buisleidingen in een inpassingsplan. De gemeenten zijn het ruimtelijk bevoegd
              gezag voor alle andere buisleidingen en voor alle aanwezige buisleidingen. De
              ruimtelijke autoriteiten zullen in gezamenlijk overleg een handreiking
              opstellen over het omgaan met de verantwoording van het groepsrisico van
              buisleidingen. Dit met als doel te borgen dat overheden in opeenvolgende
              ruimtelijke procedures een eenduidig veiligheidsbeleid hanteren. Niettemin
              blijft er beoordelingsruimte aanwezig omdat situaties kunnen verschillen,
              bijvoorbeeld op het gebied van mogelijke maatregelen om het risico te beperken
              en de mogelijkheden van hulpverlening en zelfredzaamheid op een bepaalde
              locatie.</al>
              <al>Voor de verantwoording van het groepsrisico en de gevolgen voor
              de rampbestrijding en zelfredzaamheid is het invloedsgebied van belang. Het
              groepsrisico moet worden berekend conform de rekenregels als bedoeld in artikel
              13. Volgens de berekeningssystematiek komt de grens van het invloedsgebied
              overeen met de grens waar 1% van de in dat gebied aanwezige mensen overlijdt
              als gevolg van een ongeval met de buisleiding. Het groepsrisico hoeft niet voor
              het gehele invloedsgebied volledig te worden berekend en afgewogen. De bijdrage
              van de ruimtelijke ontwikkeling aan de hoogte van het groepsrisico is niet
              overal even significant. Om die reden is een grens gesteld waarbuiten de
              verantwoording van het groepsrisico beperkt mag worden tot de mogelijkheden
              voor de rampbestrijding en de zelfredzaamheid van mensen in het invloedsgebied
              van de buisleiding. Verder kan de Minister van VROM een ondergrens voor het
              groepsrisico vaststellen waaronder de berekening en een volledige
              verantwoording van het groepsrisico niet nodig is. In de Circulaire
              risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen<noot id="n27" type="voet"><noot.nr>25</noot.nr><noot.al><extref reeks="Stcrt" doc="stcrt-2004-147-p16-SC66161" status="actief">Stcrt. 2004, 147</extref>.</noot.al></noot> is een afstand genomen van 200 meter waarbuiten het
              groepsrisico beperkt mag worden verantwoord, die ook van toepassing is op
              buisleidingen. In het Bevb is gekozen voor een differentiëring van deze grens
              door criteria vast te stellen. De criteria kunnen verschillende afstanden
              opleveren voor verschillende stoffen of categorieën van stoffen. Het criterium
              voor toxische stoffen is afwijkend vanwege de specifieke aard van het
              risico.</al>
            </al-groep>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <titel status="officieel">Artikel 13 (berekening risico’s)</titel>
            </kop>
            <al-groep>
              <al>De overheden zijn bij de toepassing van de artikelen 11 en 12
              aan dezelfde berekeningsregels gebonden als de exploitant van de buisleiding
              volgens artikel 6 van dit besluit. Voor de toelichting wordt verwezen naar de
              toelichting bij artikel 6.</al>
              <al>Bij de berekening van grens- en richtwaarden zijn
              referentiepunten nodig om te kunnen bepalen wanneer sprake is van een
              overschrijding van die waarde. De wijze waarop de referentiepunten worden
              bepaald is reeds vastgelegd in artikel 4 van de Regeling externe veiligheid
              inrichtingen. Dit is van overeenkomstige toepassing bij buisleidingen.</al>
            </al-groep>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <titel status="officieel">Artikel 14 (leiding en belemmeringenstrook in
              bestemmingsplan)</titel>
            </kop>
            <al-groep>
              <al>Dit artikel regelt het verplicht vastleggen van de buisleiding
              en een belemmeringenstrook in het bestemmingsplan, inclusief een geclausuleerd
              bouwverbod en een aanlegvergunningenstelsel.</al>
              <al>Volgens Kroonjurisprudentie uit 1984<noot id="n28" type="voet"><noot.nr>26</noot.nr><noot.al>KB 15 juni 1984, Bouwrecht 1984, p. 821, en KB 9 juni
                  1984, nr. 21, Bouwrecht 1984, p. 893.</noot.al></noot> kunnen bij een aantal leidingen, met name bij
              brandstofleidingen en hoogspanningsleidingen gewichtige belangen zijn betrokken
              zowel uit een oogpunt van energievoorziening als uit veiligheidsoogpunt.
              Dergelijke leidingen behoren in een bestemmingsplan te worden opgenomen. De
              aanleg van toekomstige ondergrondse leidingen dient, gelet op de beperkingen,
              die daarvoor dienen te gelden, plaats te vinden via een wijziging van het
              bestemmingsplan. Hetzelfde geldt voor bovengrondse leidingen, gelet op de
              bouwwerken die daarvoor nodig zijn.</al>
              <al>In de praktijk blijkt echter dat gemeenten zich niet altijd
              bewust zijn van de ruimtelijke relevantie van buisleidingen voor het
              bestemmingsplan. In dit besluit wordt de planologische relevantie van
              buisleidingen uit een oogpunt van veiligheid gecodificeerd.</al>
              <al>Een buisleiding kan op verschillende manieren in een
              bestemmingsplan worden bestemd. Afhankelijk van de planologische reservering
              als buisleidingenstraat, -strook of -zone, kan de buisleiding als
              hoofdbestemming of als dubbel- c.q. nevenbestemming in het bestemmingsplan zijn
              opgenomen.</al>
              <al>Een aanlegvergunning kan worden geëist voor de aanleg van
              werken en werkzaamheden in de buurt van een buisleiding. Een dergelijke eis kan
              voortvloeien uit de noodzaak om bestaande buisleidingen te beschermen<noot id="n29" type="voet"><noot.nr>27</noot.nr><noot.al>KB 10 augustus 1988, nr. 24, Bouwrecht 1988, p.
                  909.</noot.al></noot>, maar ook om de verschillende belangen bij het gebruik
              van de grond af te wegen.<noot id="n30" type="voet"><noot.nr>28</noot.nr><noot.al>Afdeling Rechtspraak RvS, 4 juni 1991, no.
                  S03.91.1495, Bouwrecht 1992, 922.</noot.al></noot></al>
              <al>Binnen de belemmeringenstrook is geen bebouwing toegestaan,
              behoudens een ontheffing van burgemeester en wethouders. Dit bouwverbod is
              nodig voor het onderhoud van de buisleiding. De belemmeringenstrook strekt zich
              uit tot vijf meter aan weerszijden van de buisleiding, gemeten vanuit het hart
              van de buisleiding. Indien meerdere buisleidingen dicht bij elkaar liggen in
              een gezamenlijke belemmeringenstrook, moet de belemmeringenstrook minimaal vijf
              meter uit het hart van de buitenste buisleiding liggen. De belemmeringenstrook
              die volgens artikel 14 dient voor het onderhoud van een buisleiding kan voor
              meerdere buisleidingen tegelijkertijd die functie vervullen.</al>
              <al>Ter bescherming van de buisleiding binnen de
              belemmeringenstrook is tevens een aanlegvergunningstelsel vereist. Dit is
              toegevoegd omdat bepaalde grondactiviteiten de buisleiding kunnen beschadigen.
              Graafactiviteiten die onder de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten
              vallen, zijn reeds beschermd tegen graafschade door wettelijk verplichte
              voorzorgsmaatregelen bij het graven in de buurt van buisleidingen. Alle
              mechanische graafactiviteiten vallen onder het bereik van de Wet
              informatie-uitwisseling ondergrondse netten. Een aanlegvergunning biedt geen
              extra bescherming voor de buisleiding als de voorgenomen graafwerkzaamheid
              reeds wettelijk bekend moet worden gemaakt aan de exploitant, zodat deze
              maatregelen kan treffen om schade aan de leiding te voorkomen. In die situatie
              voegt een aanlegvergunning niets toe en is daarom niet vereist. Activiteiten
              als het planten en rooien van diepwortelende beplanting, het wijzigen van het
              maaiveldniveau, het aanbrengen van gesloten verhardingen, het plaatsen van
              lichtmasten, wegwijzers, straatmeubilair e.d. en het indrijven van voorwerpen
              in de bodem, kunnen schade aanrichten bij de buisleiding. Voor zover dergelijke
              activiteiten niet onder de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten
              vallen, kunnen burgemeester en wethouders per geval afwegen of een
              aanlegvergunning, eventueel onder voorwaarden, afgegeven kan worden zonder dat
              de buisleiding in gevaar komt. Uit een oogpunt van zorgvuldige
              besluitvorming<noot id="n31" type="voet"><noot.nr>29</noot.nr><noot.al>Afdeling 3.2 van de Algemene wet
                  bestuursrecht.</noot.al></noot> moeten burgemeester en wethouders daarbij de mening van
              de exploitant over de veiligheid van de buisleiding betrekken. Teneinde de
              bestuurlasten van een aanlegvergunningstelsel te beperken, zonder de veiligheid
              van de buisleiding te schaden, zijn graafwerkzaamheden als bedoeld in artikel 1
              van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten uitgesloten.
              Graafwerkzaamheden vallen reeds onder een meldplicht op grond van de Wet
              informatie-uitwisseling ondergrondse netten. De exploitant en degene die de
              graafwerkzaamheden verricht zijn dan beide verplicht om voorzorg te treffen om
              schade aan een buisleiding te voorkomen. Daarmee wordt de buisleiding voldoende
              beschermd en het afgeven van aanlegvergunningen is dan niet noodzakelijk.</al>
            </al-groep>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <titel status="officieel">Artikel 15 (Ontheffing)</titel>
            </kop>
            <al-groep>
              <al>Indien een buisleiding drie jaar buiten gebruik is geweest kan
              de Minister van VROM daaraan de consequentie verbinden dat de planologische
              bescherming rond die buisleiding kan vervallen. De Minister van VROM zal een
              besluit daarover mede laten afhangen van de belangen van de exploitant om de
              buisleiding op enige termijn weer in gebruik te kunnen nemen. Een buisleiding
              vergt een grote investering en leveranties van stoffen kunnen door diverse
              omstandigheden worden beïnvloed. Vervoer door buisleidingen wordt door de
              overheid als een relatief veilige vervoersvorm gezien voor grote hoeveelheden
              gevaarlijke stoffen. De Minister van VROM zal ook rekening houden met het
              belang om de risicoruimte van de buisleiding voor andere ruimtelijke functies
              te gebruiken.</al>
              <al>Buisleidingen die onderdeel uitmaken van het militaire
              buisleidingstelsel van de Noord Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) kunnen
              gedurende vredestijd buiten gebruik zijn, maar Nederland blijft internationaal
              verplicht om die voorzieningen in stand te houden. Om die reden moet ook de
              planologische bescherming van dit soort buisleidingen in stand blijven.</al>
            </al-groep>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <titel status="officieel">Paragraaf 4</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <titel status="officieel">Artikel 16</titel>
              </kop>
              <al-groep>
                <al>Er zijn op het moment waarop dit besluit in werking treedt
                buisleidingen in gebruik waar zich woningen of andere kwetsbare objecten binnen
                de risicogrens van PR 10<sup>-6</sup> bevinden. In beginsel is de exploitant
                ervoor verantwoordelijk dat het risico voor nabijgelegen kwetsbare objecten
                wordt teruggebracht naar het acceptabele niveau. Dit kan door het treffen van
                maatregelen aan de leiding, zoals het aanbrengen van risicoreducerende
                voorzieningen, het verdiepen van de leiding of het vervangen van de leiding
                door een leiding met een grotere wanddikte. Het risico van een oppervlakkig
                gelegde buisleiding met een dunne staaldikte kan in het verleden acceptabel
                zijn geweest in een omgeving met geen tot weinig bebouwing. Dat betekent echter
                niet dat de exploitant er op mocht rekenen dat die situatie altijd zo blijft.
                Het bestemmen van nieuwe woonwijken in de buurt van steden en dorpen is een
                normale maatschappelijke ontwikkeling. De levensduur van een buisleiding kan
                erg lang zijn en de maatschappelijke ontwikkelingen in ons land hebben de druk
                op de verdeling van de ruimte vergroot. In deze situatie is het redelijk van de
                exploitant te verlangen om binnen een redelijke termijn het risico van
                buisleidingen door maatregelen te beperken indien op kwetsbare objecten zoals
                woningen een plaatsgebonden risico rust boven te norm.</al>
                <al>Indien in het verleden bestemmingsplannen zijn vastgesteld
                zonder rekening te houden met de veiligheidsaspecten van de buisleiding heeft
                de gemeente een verantwoordelijkheid voor het ontstaan van het te hoge risico
                voor de omgeving. De exploitant die zijn belangen bij dergelijke
                bestemmingsplannen niet of onvoldoende heeft behartigd is medeverantwoordelijk
                voor het ontstaan van het te hoge risico voor de omgeving. In dit besluit is de
                plicht om maatregelen te treffen uitsluitend gericht tot de exploitant, omdat
                deze wettelijk kan worden aangesproken de effecten van zijn activiteiten aan de
                bron te beperken. Voor zover de exploitant redenen heeft om de gemeente aan te
                spreken op haar medeverantwoordelijkheid voor het verhogen van het risico is
                dit mogelijk, maar dit staat buiten dit besluit.</al>
              </al-groep>
              <al-groep>
                <al>Het <nadruk type="cur">eerste lid</nadruk> van artikel 16
                bepaalt deze redelijke termijn op drie jaar. Een exploitant dient binnen drie
                jaar na inwerkingtreding van dit besluit aan de norm voor het plaatsgebonden
                risico te voldoen voor bestaande buisleidingen. Uitgangspunt daarbij is dat een
                exploitant reeds vanuit een oogpunt van maatschappelijke zorgvuldigheid moet
                zorgen dat zijn bedrijfsactiviteiten geen onnodige risico’s opleveren voor
                burgers die in de omgeving van een buisleiding wonen, werken, naar school gaan,
                etcetera. Dit geldt voor elke exploitant, die geen andere specifieke en
                vastgelegde afspraken met de overheid heeft over de mate waarin de risico’s van
                een buisleiding in relatie tot de omgeving acceptabel zijn. Deze
                maatschappelijke verantwoordelijkheid wordt nu wettelijk vastgelegd. Een
                overgangstermijn van drie jaar is redelijk te noemen. De knelpunten veroorzaakt
                door hogedruk aardgasleidingen en leidingen met brandbare vloeistoffen zijn
                onderzocht en van zodanige omvang dat een overgangstermijn van drie jaar
                haalbaar en betaalbaar moet worden geacht voor de exploitanten. De knelpunten
                veroorzaakt door leidingen met andere gevaarlijke stoffen zijn nog in onderzoek
                en zullen aan hetzelfde haalbaar en betaalbaarheidscriterium worden getoetst.
                Voor zover niet aan dit criterium kan worden voldaan voor een bepaalde
                categorie van buisleidingen kan een uitzondering op grond van artikel 3, tweede
                lid worden toegepast.</al>
                <al>Het <nadruk type="cur">tweede lid</nadruk> regelt dat voor
                geprojecteerde kwetsbare objecten in bestemmingsplannen de saneringstermijn van
                drie jaar eerst gaat lopen nadat het object is gerealiseerd. Voor realisatie is
                immers geen sprake van de aanwezigheid van mensen in dit object of van
                overschrijding van de norm voor het plaatsgebonden risico.</al>
                <al>Het <nadruk type="cur">derde lid</nadruk> regelt de sanering
                rond een buisleiding, die buiten gebruik is (gesteld) op het moment dat dit
                besluit in werking treedt. Een buisleiding die buiten gebruik is, veroorzaakt
                geen risico voor de omgeving en geeft geen reden voor saneringsmaatregelen aan
                de buisleiding. Op het moment dat de buisleiding opnieuw in gebruik wordt
                genomen moeten eventuele knelpunten met betrekking tot het plaatsgebonden
                risico zijn opgelost. Tijdens de buitengebruikstelling heeft de exploitant de
                gelegenheid om de daarvoor noodzakelijke maatregelen te treffen. Het is niet
                nodig de exploitant in deze situatie een saneringstermijn te gunnen.</al>
                <al>In het <nadruk type="cur">vierde lid</nadruk> wordt geregeld
                dat bij het vaststellen van bestemmingsplannen de overheid rekening mag houden
                met de saneringsverplichting van de exploitant volgens dit artikel. Dit is
                nodig omdat een gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan op grond
                van artikel 11 het plaatsgebonden risico in acht moet nemen, zodat in het
                bestemmingsplan geen risicoknelpunten vastgelegd mogen worden. Met toepassing
                van de anticipatiemogelijkheid in het vierde lid kan het bestemmingsplan met
                een bestaand risicoknelpunt toch worden vastgesteld met de zekerheid dat het
                risicoknelpunt op grond van dit artikel wordt gesaneerd.</al>
                <al>Voor zover in een bestemmingsplan geprojecteerde bestemmingen
                zijn opgenomen die niet binnen afzienbare tijd tot realisatie zullen komen kan
                de exploitant de gemeente verzoeken het bestemmingsplan aan te passen om zo te
                voorkomen dat op termijn saneringsmaatregelen getroffen moeten worden als
                bedoeld in het tweede lid.</al>
              </al-groep>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <titel status="officieel">Artikel 18</titel>
              </kop>
              <al>Binnen 5 jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit
              moet de gemeente een bestemmingsplan vaststellen met inachtneming van dit
              besluit. Dit geldt uiteraard alleen voor gemeenten die buisleidingen binnen de
              gemeentegrenzen hebben. Gemeenten die reeds voor de inwerkingtreding van dit
              besluit hun bestemmingsplannen met daarin buisleidingen in overeenstemming
              hebben met de eisen van dit besluit voldoen reeds aan deze verplichting. Indien
              in een bestemmingsplan reeds een zwaarder beschermingregime voor een
              buisleiding is opgenomen in de vorm van bijv. een volledig bouwverbod in de
              belemmeringenstrook voldoet dit ook aan de eisen van dit besluit.</al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <titel status="officieel">Artikel 19</titel>
              </kop>
              <al>Volgens artikel 5.1, vijfde lid van de Wet milieubeheer moet de
              Minister van VROM na verloop van tijd afwegen of milieukwaliteitseisen hun
              werking moeten behouden. De termijn waarop deze verplichting geldt is
              gelijkgeschakeld met het Bevi omdat daarvoor dezelfde externe veiligheidsnormen
              als milieukwaliteitseisen gelden.</al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <titel status="officieel">Artikel 20</titel>
              </kop>
              <al-groep>
                <al>Ingevolge artikel 21.6, vijfde lid, van de Wet milieubeheer
                wordt het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit bij koninklijk besluit
                vastgesteld.</al>
                <al>Het voornemen bestaat om het besluit voor hogedruk
                gasleidingen en olieleidingen in werking te laten treden, omdat de
                consequenties van dit besluit voor die buisleidingen voldoende in beeld zijn.
                De veiligheidsaspecten van buisleidingen met andere chemische stoffen worden
                nog nader bezien. Deze buisleidingen zullen op een later tijdstip volledig
                onder de werking van dit besluit gaan vallen. Enkele verplichtingen zoals: de
                zorgplicht in artikel 4; de melding van het buiten gebruik stellen in artikel 9
                en de melding van ongewone voorvallen kunnen wel in werking treden voor
                buisleidingen met chemische stoffen.</al>
              </al-groep>
            </divisie>
          </divisie>
        </divisie>
        <ondertekening>
          <functie> De Minister van
          Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
          Milieubeheer,</functie>
        </ondertekening>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </staatscourant>
</officiele-publicatie>