Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Centrale Raad van BeroepStaatscourant 2009, 10058Overig

Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg

08150

Het regionaal tuchtcollege voor de gezondheidszorg te Eindhoven,

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 3 oktober 2008 binnengekomen klacht van:

A wonende te B klager tegen:

C gezondheidszorgpsycholoog en psychotherapeut wonende en werkzaam te D, verweerster, gemachtigde mr. I.M.I. Apperloo te Amsterdam

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift

  • het verweerschrift

  • een brief van de gemachtigde van verweerster van 8 december 2008

  • het procesverbaal mondeling vooronderzoek d.d. 21 januari 2009

  • brieven van klager van 22 en 24 januari 2009 met bijlagen

  • een reactie van de gemachtigde van verweerster op het mondeling vooronderzoek, ingekomen op 5 maart 2009

  • een brief van klager met bijlagen van 6 maart 2009.

De klacht is ter openbare zitting van 1 april 2009 behandeld. Partijen waren aanwezig. Klager werd bijgestaan door mevrouw E, die een pleitnota heeft overgelegd; verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde.

Klager heeft ter zitting zijn aanvankelijke verzoek tot het houden van een besloten zitting niet langer gehandhaafd.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende:

Op 9 augustus 2005 heeft verweerster in haar hoedanigheid van gezondheidszorgpsycholoog en psychotherapeut met klager en zijn (toenmalige) echtgenote in haar praktijk een intakegesprek gehad met het oog op een partner-relatietherapie. Daarna werd besloten te kiezen voor het behandelen van (uitsluitend) de echtgenote van klager. In het kader van deze behandeling heeft verweerster bij de echtgenote van klager psychologisch onderzoek gedaan, vastgelegd in een rapportage van 23 augustus 2005. Dit rapport bevat geen informatie over klager.

Gedurende de behandeling heeft de echtgenote van klager verhalen verteld over fysieke en emotionele mishandelingen door klager. Daarvan heeft de echtgenote ook aangifte gedaan bij de politie, die daarbij, teneinde het waarheidsgehalte van de aangifte te kunnen beoordelen, kennis nam van de door de echtgenote van klager aan de politie ter beschikking gestelde rapportage van verweerster. Met toestemming van de echtgenote van klager heeft verweerster op 2 december 2005 een politiefunctionaris ontvangen om een toelichting op haar rapport te geven. Van dit gesprek heeft de politie proces-verbaal van een getuigenverklaring opgemaakt. In dit proces-verbaal wordt – onder meer – vermeld dat klager en zijn echtgenote op 9 augustus 2005 bij verweerster kwamen, dat de echtgenote van klager in de periode van de therapie verweerster had verteld over de relatie met klager, waarin zij stelselmatig werd vernederd, mishandeld en gedwongen werd tot het plegen van seksuele handelingen. Voorts wordt in het proces-verbaal vermeld dat verweerster klager een keer heeft ontmoet tijdens de therapie en dat zij, vanuit deze ontmoeting, de verhalen van de echtgenote van klager en de kennis van verweerster over persoonlijkheidsstoornissen, een grote zorg had over de veiligheid van de echtgenote en haar kinderen.

Na dit gesprek heeft verweerster, naar aanleiding van een verzoek van de politie om haar informatie te mogen gebruiken, bij brief van 4 december 2005 een nader uitgewerkte verklaring in de vorm van een brief aan de huisarts doen toekomen, met een kopie aan de politie en aan haar cliënte.

In deze nadere verklaring wordt vermeld dat de cliënte onder behandeling is in verband met depressieve klachten en angstklachten (mede) als gevolg van problemen in de partnerrelatie met aanhoudend fysiek en emotioneel geweld, elders in het rapport omschreven als systematische fysieke en geestelijke mishandeling, gevolgd door een aantal concrete voorbeelden. In de brief komen verder de navolgende passages voor:

‘Cliënte moet beschadigd worden, voortdurend en bijvoorkeur uit de weg worden geruimd om confrontatie met haar ‘macht’ over hem (iets doen wat hij niet wil) te vermijden.’

En (na een relatief gunstige prognose voor de cliënte):

‘Ten aanzien van het functioneren van de partner lijkt de prognose minder gunstig. Zoals eerder gezegd moet hierin grote voorzichtigheid worden betracht omdat ik partner onvoldoende gezien heb binnen de professionele context, maar het risico op heftige acting out dwingt tot openheid ten aanzien van mijn gedachtegangen. De mogelijke primair narcistische persoonlijkheidsstructuur, gecombineerd met onderliggende kwetsbaarheid, kan bij oplopende spanning leiden tot in eerste instantie heftige impulsdoorbraken (woede) en in tweede instantie tot angstdoorbraken (verwarring, derealisatie, depersonalisatie, paranoidie). De angstdoorbraken zullen niet snel beschadigend zijn voor zijn omgeving, maar de impulsdoorbraken wel. Niet zelden leidt dit tot een verwoesting van de bron van boosheid (vrouw en kinderen), teneinde alle vernedering uit te wissen, om vervolgens met suïcide een einde te maken aan het eigen geweten en het ondraaglijk lijden (alleen zijn, verlaten zijn, niet durven door te leven). Ingeschat wordt dat er daadwerkelijk gevaar is ten aanzien van cliënte, wanneer partner op juridische wijze wordt aangesproken op of gecorrigeerd voor zijn gedrag.’

Verweerster vermeldt in het rapport dat zij geen uitspaken doet over het waarheidsgehalte van de geleverde informatie en dat haar hypotheses over klager voortkomen uit eenmalige observatie en zijn afgeleid uit de verhalen van de cliënte, gecombineerd met theoretische kennis uit het vakgebied en daarom met voorzichtigheid moeten worden gehanteerd.

In diezelfde maand heeft de echtgenote van klager de behandelrelatie (feitelijk) beëindigd.

Medio februari 2006 is klager, zonder voorafgaand verhoor, door de politie aangehouden; hij heeft zes weken in de gevangenis doorgebracht. De politie is zes maanden bezig geweest met een onderzoek, maar de zaak is nog steeds niet voor de rechter geweest, noch is bekend of dit nog zal gebeuren. Ten tijde van zijn arrestatie had klager de zorg voor zijn kinderen, nadat zijn echtgenote ongeveer zes maanden tevoren elders was gaan wonen. Na zijn arrestatie zijn de kinderen naar hun moeder gegaan, waar zij nog steeds verblijven.

3. Het standpunt van klager en de klacht

Klager verwijt verweerster dat zij

  • a) haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden door mede op basis van een eenmalig contact informatie over klager naar buiten te brengen zonder zijn toestemming

  • b) op basis van dat eenmalige contact vergaande uitspraken over klager heeft gedaan.

Verweerster heeft door haar vergaande uitspraken, gebaseerd op vermoedens naar aanleiding van leugenachtige verhalen van haar cliënte, de politie de gelegenheid verschaft om klager te arresteren. Dat gebeurde tijdens een schooluitje in aanwezigheid van (ouders van) klasgenootjes van klagers kinderen. Tien politiemensen hebben een huiszoeking verricht en het hele huis overhoop gehaald. Door de vernietigende rapportage van verweerster is klager niet meer in staat zijn vroegere leven te leiden. Het is nauwelijks voor te stellen welke morele en materiële schade verweerster heeft veroorzaakt.

4. Het standpunt van verweerster

Toen de cliënte van verweerster aangifte deed wegens mishandeling heeft de politie op haar initiatief het waarheidsgehalte van de aangifte onderzocht. In dat kader heeft de cliënte aan de politie het psychologische rapport (van 23 augustus 2005) ter beschikking gesteld, met toestemming aan de politie om verweerster een toelichting op het rapport te vragen.

In het daaropvolgende gesprek met de politie op 2 december 2005 maakte de politie aan verweerster kenbaar dat zij klager stevig zouden gaan verhoren. Dit maakte verweerster erg ongerust en zij vreesde dat klager daardoor zijn echtgenote, kinderen en vervolgens zichzelf iets zou aandoen; zij had namelijk uit de gesprekken met de cliënte opgemaakt dat de onderlinge verhouding tussen haar en klager aan het escaleren was; de verhalen van de cliënte hadden bij verweerster geleid tot een voorzichtige hypothese dat mogelijk sprake was van ernstige persoonlijkheidsproblematiek bij klager. Verweerster heeft haar ongerustheid uitgesproken maar wel een duidelijk voorbehoud gemaakt omdat zij klager maar een keer had gesproken en haar eenmalige waarneming onvoldoende basis was voor een diagnose.

Vanwege het niet te onderschatten risico heeft zij ervoor gekozen niet te zwijgen. Achteraf realiseert zij zich dat zij op dat moment geen zorgvuldige afweging kon maken omdat zij beschikte over onvoldoende informatie. Op dat moment meende zij echter haar verantwoordelijkheid te moeten nemen zoals zij heeft gedaan ter voorkoming van verdere escalatie.

Na het verzoek van de politie om de informatie te mogen gebruiken heeft zij er voor gekozen om de informatie op papier te zetten om onjuistheden of onzorgvuldigheid te voorkomen. Om strijd met de voor haar geldende beroepscode te voorkomen heeft zij toestemming gevraagd van haar cliënte en heeft zij het rapport gericht aan de huisarts, met een kopie aan de politie. Met het oog op de code heeft zij ook melding gemaakt van haar ongerustheid.

Achteraf realiseert verweerster zich dat zij de uitgebreide informatie niet met de politie had moeten delen en dat zij had moeten adviseren om een onafhankelijk onderzoek in te laten stellen. Zij meende op dat moment echter dat zij voldeed aan de uitzonderingsvereisten op de plicht tot geheimhouding en dat zij tot het geven van de informatie verplicht was.

In de toekomst zal verweerster zorgvuldiger te werk gaan.

5. De overwegingen van het college

  • a. Het beroepsgeheim

    Het beroepsgeheim houdt in dat een beroepsbeoefenaar als verweerster verplicht is geheimhouding in acht te nemen over alles wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of hem als geheim ter kennis is gekomen dan wel te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter had moeten begrijpen (zie artikel 88 wet BIG).

    Vast staat dat verweerster deze geheimhoudingsplicht ten opzichte van klager niet in acht heeft genomen door haar bevindingen over klager, zonder zijn toestemming, aan derden, in casu de politie, ter kennis te brengen.

    Slechts in zeer bijzondere gevallen is uitzondering op deze regel denkbaar, bijvoorbeeld in het geval dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat het doorbreken van de geheimhouding het enige en laatste middel is om direct gevaar voor personen te voorkomen (zie ook de betreffende beroepscodes). Van een dergelijk geval was hier echter, zoals verweerster ook wel erkent, geen sprake. Er hadden haar andere wegen, bijvoorbeeld de thans door haar zelf genoemde mogelijkheid te adviseren een onafhankelijk onderzoek in te stellen, ten dienste gestaan om haar doel, bescherming van haar cliënte en de kinderen, te bereiken.

    Dit onderdeel van de klacht is gegrond.

  • b. De uitspraken over klager

    Verweerster heeft niet alleen haar beroepsgeheim tuchtrechtelijk verwijtbaar geschonden, zij heeft daarbij nog een ander norm geschonden door zeer vergaande uitspraken over klager te doen, die zij op basis van haar onderzoek volstrekt niet kon verantwoorden. Zij kan deze uitspraken niet rechtvaardigen door te wijzen op de voorzichtigheid waarmee zij dienen te worden gehanteerd; als uitspraken, en zeker zulke vergaande uitspraken, niet op basis van deugdelijk onderzoek kunnen worden gedaan dienen zij achterwege te worden gelaten; dat geldt temeer omdat voor verweerster voorzienbaar was dat haar uitspraken over klager door de politie tegen klager zouden worden gebruikt en voor klager zeer schadelijke gevolgen zouden kunnen hebben.

    Ook dit onderdeel van de klacht is gegrond.

  • c. De maatregel

    Verweerster heeft door haar handelwijze op 2 en op 4 december 2005 niet alleen als gezondheidszorgpsycholoog maar ook als psychotherapeut het vertrouwen dat klager in haar mocht stellen en het vertrouwen in deze beroepsgroepen ernstig beschadigd.

    Het college is van oordeel dat in dit geval de maatregel van berisping passend is.

    Het college zal bepalen dat deze beslissing wordt gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant en ter publicatie wordt aangeboden aan de bladen De Psycholoog, Nieuws voor Psychotherapeuten en het Tijdschrift voor Psychotherapie.

6. De beslissing

Het college:

  • legt aan verweerster op de maatregel van berisping

  • bepaalt dat deze beslissing zal worden gepubliceerd in de Nederlandse Staatcourant en ter publicatie zal worden aangeboden aan de hierboven genoemde vakbladen.

Aldus gewezen door mr. H.P.H. van Griensven, als voorzitter, mr. G.A.M. Stevens, als lid-jurist, dr. R.J. Takens, L. de Nobel, M.W.D. Nijhoff-Huysse, als leden-beroepsgenoten-gezondheidszorgpsychologen, tevens leden-beroepsgenoten-psychotherapeuten, in aanwezigheid van mr. M. van der Hart als secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2009 in aanwezigheid van de secretaris.

Secretaris.

Voorzitter.