Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Tuchtcolleges voor de Gezondheidszorg (cluster)Staatscourant 2007, 239 pagina 44Tuchtrecht | Uitspraken Medisch Tuchtrecht

Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg

Nr. 2006/274

Beslissing in de zaak onder nummer 2006/274 van A., psychotherapeut, wonende te B., appellante, verweerster in eerste aanleg, advocaat mr. J.J.W. Remme, advocaat te Utrecht, tegen T. in de hoedanigheid van Inspecteur voor de Gezondheidszorg, werkgebied U., gevestigd te V., verweerder in hoger beroep, oorspronkelijk klager, gemachtigde mr. F.D.M. ten Cate-Adema, Inspecteur jurist voor de Gezondheidszorg.

1. Verloop van de procedure

De Inspecteur voor de Gezondheidszorg - verder de Inspecteur te noemen - heeft op 25 maart 2005 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen mevrouw A. - hierna te noemen appellante - een klacht ingediend. Bij beslissing van 25 juli 2006, onder nummer 05/080P, heeft dat College de doorhaling van de inschrijving van appellante als psychotherapeut in het krachtens de Wet BIG ingestelde register bevolen en haar het recht ontzegd om wederom in dat register te worden ingeschreven. Voorts is publicatie van de beslissing gelast. Appellante is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De Inspecteur heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. Van beide partijen is nog correspondentie ontvangen. De zaak is in hoger beroep tegelijk behandeld doch niet gevoegd met de zaken 2006/273 (A., arts / Inspecteur voor de Gezondheidszorg), 2006/269 (A., arts / C.), 2006/270 (A., psychotherapeut / C.), 2006/271 (A., arts / E.) en 2006/272 (A., psychotherapeut / E.) ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 13 september 2007, waar zijn verschenen appellante, bijgestaan door mr. Remme en de Inspecteur, bijgestaan door mr. Ten Cate-Adema. Mr. Remme en mr. Ten Cate-Adema hebben het beroep c.q. verweer toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd. Als beëdigd getuige aan de zijde van appellante zijn gehoord:

- F., wonende te G., zonder beroep, 63 jaar,

- H., wonende te I., verpleegkundige, thans zonder beroep, 54 jaar,

- J., 72 jaar, wonende te B., zonder beroep.

2. Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2. De feiten.

Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting van 30 mei 2006 heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan: Verweerster was tot in 2005 bestuurslid en arts/psychotherapeut van het herstellingsoord, genaamd Stichting K., Burnout Centrum (verder ‘K.’) te B. Daarnaast was verweerster directeur van K.- B.V., tezamen met de heer J. In 2004 heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg een tweetal (meldingen) ontvangen over K. en het functioneren van verweerster. De eerste melding betrof mevrouw E., die van 31 juli tot 10 september1997 opgenomen is geweest in K. wegens een burn out. E. heeft daar volgens een door verweerster opgesteld en gehanteerd Stappenplan zes weken groepstherapie gehad. Verweerster heeft met haar tot laat in de avonden, zelfs tot na middernacht, gesprekken gevoerd.

Na het verblijf in K. is E., na een korte periode thuis, opgenomen geweest in de P.- kliniek en verbleef zij in het klooster Q. te R. In maart 1998 is E. teruggekomen naar K. en in mei 1998 heeft verweerster haar onderdak verschaft in haar eigen huis.

Tot in 2000 heeft E. afwisselend in K. en in verweersters huis gewoond. Zij verrichtte huishoudelijke werkzaamheden. Huur heeft zij niet betaald. In februari 2001 is E. weer opgenomen in K. na een operatie. Vanaf mei 2001 heeft zij als vrijwilligster voor K. werkzaamheden verricht. Per 1 september 2001 is E. een dienstverband aangegaan bij K. Begin 2004 is E. met hartklachten en een nierbekkenontsteking opgenomen in een ziekenhuis. De tweede melding betrof mevrouw W. Deze heeft tijdens haar opname in K. tot begin 2002 zonder vergoeding werkzaamheden verricht. Zij heeft aan verweerster of (de directie van) K. een beeld geschonken ter waarde van ongeveer ƒ 20.000,-. In een gesprek van klager met de voorzitter van de Raad van Toezicht van K. op 20 oktober 2005 zijn klachten geuit, waarop de Raad van Toezicht, mede door een ernstig conflict tussen verweerster en haar mede directielid J., de directie van K. heeft aangezegd geen cliënten meer te behandelen en lopende afspraken af te zeggen. In de brief naar aanleiding van het bezoek van de inspectie aan K. op 20 oktober 2005 en het aangekondigde aftreden van de Raad van Toezicht van K. heeft de inspectie met de directie afgesproken dat er

• geen indicaties voor nieuwe opnames worden gesteld;

• geen opnames plaats vinden;

• geen vervolgafspraken plaats vinden.

Verweerster is op dit moment niet werkzaam voor K. Het gebouw is haar eigendom en haar woning staat op het terrein. J. leidt het centrum tezamen met een bedrijfsleider en een psychotherapeut.

3. Het standpunt van klager en de klacht.

Klager stelt voorop dat verweerster reeds eerder, op 30 mei 2000, is berispt door het Regionaal Tuchtcollege welke uitspraak op 12 maart 2002 bevestigd is door het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Dit hield verband met onder andere rolvermenging en slechte dossiervorming. Ook eerder zijn andere vergelijkbare problemen aan de orde geweest in inspectiecontacten van klager met verweerster.

De klacht inzake E. houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster:

1. zich heeft schuldig gemaakt aan een onhoudbare belangenverstrengeling, welke in strijd was met een zorgvuldige hulpverlening: Zij heeft E. over een periode van 1997 tot begin 2004 bij werkzaamheden binnen K. betrokken tijdens therapie en als vrijwilliger laten werken direct na afloop van de behandeling. E. heeft huishoudelijk en administratief werk en verpleegkundige handelingen verricht binnen K. als ook bij verweerster thuis. Per 1 september 2001 gold een arbeidsovereenkomst waarvoor een contract is opgesteld. Begin 2004 heeft E. een arbeidsconflict gekregen en is zij via haar huisarts weggehaald bij K.

2. geen behandelplan heeft opgesteld en geen behoorlijk dossier heeft bijgehouden;

de therapie op ongebruikelijke tijdstippen gaf en E. tijdens werk en behandeling bij zich in huis heeft laten wonen;

3. E. verpleegkundige handelingen heeft laten verrichten, (zoals injecteren, stoma’s verwisselen, plakken morfinepleisters, medicatie uitdelen, wondverzorging) waartoe zij niet bevoegd was;

4. recepten voor zichzelf en/of anderen heeft uitgeschreven op naam van E.

De klacht inzake W. houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster:

1. W., die in een labiele toestand verkeerde, heeft bewogen tot het schenken van een beeld ter waarde van ƒ 20.000,- aan verweerster dan wel aan de directie van K., waar verweerster lid van is, dan wel die schenking heeft geaccepteerd;

2. W. als vrijwilligster administratief werk op K. heeft laten verrichten;

3. W. de laatste weken van haar verblijf geen therapie meer heeft gegeven, terwijl zij wel het volle bedrag heeft moeten betalen.

4. Het standpunt van verweerster.

Verweerster stelt dat de klacht ongegrond is en dient te worden afgewezen.

Voor zover de klacht de behandeling van E. gedurende zes weken in 1997 betreft, acht verweerster klaagster in haar klacht niet-ontvankelijk, omdat het Tuchtrecht op basis van de Wet BIG voor l april 1998 niet van toepassing was op psychotherapeuten.

Daarbij acht verweerster klager in zijn klacht betreffende mevrouw E. niet-ontvankelijk, omdat deze is ingegeven door een arbeidsconflict en niet door problemen in de medische zorgrelatie met E. Overigens stelt verweerster ten aanzien van de klacht van E. het volgende:

1. E. is 6 weken opgenomen geweest in 1997. Verweerster ontkent nadrukkelijk dat nadien psychotherapeutische behandeling heeft plaatsgevonden. Alleen toen heeft een therapeutische relatie bestaan, die aan latere hulpverlening aan E. met betrekking tot huisvesting niet in de weg staat. In maart 1998 kreeg zij, net gescheiden en depressief, met haar jongste zoon in ruil voor huishoudelijke werkzaamheden, onderdak in K. en later bij verweerster thuis. De werkzaamheden zijn vervolgens uitgebreid naar meer verzorgende taken, maar zij heeft geen administratieve werkzaamheden verricht. In 2000 kreeg E. een eigen flat toegewezen in B. Pas in 2001 is E. een dienstverband aangegaan, bijna vier jaar na beëindiging van de therapeutische relatie met verweerster. Na het ontstaan van een arbeidsconflict heeft E. zich op 12 maart 2004 ziek gemeld.

2. Het behandelplan was aanwezig in de vorm van een Stappenplan. De cliënten zijn daar duidelijk over geïnformeerd. De gesprekken in de late uren waren niet therapeutisch, maar begeleidend van aard. Zij dienden om E. een rustige nacht te bezorgen. E. heeft vanaf begin mei 1998, toen verweerster tijdelijk niet in K. kon wonen, onderdak gekregen in verweersters huis. Dit was een noodoplossing, omdat ook E. die periode niet in K. kon blijven.

3. Verweerster ontkent dat E. voorbehouden handelingen van welke aard ook heeft verricht.

4. Verweerster ontkent dat zij recepten voor zichzelf of voor anderen op naam van E. heeft uitgeschreven. Zij acht het wel mogelijk dat zij herhaalrecept(en) slaapmedicatie voor E. heeft voorgeschreven.

Ten aanzien van de klacht van W. stelt verweerster het volgende:

1. Verweerster ontkent dat zij op enigerlei wijze W. heeft beïnvloed om een beeld cadeau te geven. Dit beeld is niet aan haar maar aan K. geschonken.

2. W. heeft aan het eind van haar opnametijd zich bewust bezig gehouden met de Stichting Vrienden van K., opgericht op 11 juni 1997, op welke keuze verweerster geen invloed heeft gehad.

3. Het burn-out programma is kosteloos aangeboden. W. is alleen een tarief voor verblijf in K. in rekening gebracht.

5. De overwegingen van het college.

Ten aanzien van de klacht overweegt het college inzake het handelen van verweerster als psychotherapeut voor haar inschrijving in het register in 1998 als volgt.

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg heeft in zijn beslissing van 17 januari 2002 (het Centraal Tuchtcollege leest: 12 maart 2002) het beroep tegen de door het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam bij beslissing van 30 mei 2000 aan verweerster opgelegde berisping bevestigd. Het Centraal College heeft toen ondermeer geoordeeld: ‘in die periode [voor 1 april 1998. Sindsdien is ook de ingeschreven psychotherapeut onderworpen aan de tuchtrechtspraak op grond van de Wet BIG] waren de artsen die als psychotherapeut werkzaam waren, als arts onderworpen aan tuchtrechtspraak voor gedragingen die hebben plaatsgevonden binnen de wettelijke termijn van 10 jaar vóór de datum van de indiening van de klacht.’. Op deze grond zal verweerster zich voor haar psychotherapeutisch handelen, voor zover dit de periode vóór 1 april 1998 betreft, als arts hebben te verantwoorden. Het psychotherapeutisch handelen vanaf gemelde datum wordt dus beoordeeld in deze beslissing 05/080P. Ten aanzien van het handelen van verweerster als psychotherapeut na haar inschrijving in 1998 overweegt het college als volgt.

Reeds op 30 mei 2000 heeft het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam verweerster als arts voor psychotherapie berispt, omdat binnen dezelfde setting van K. in een relatie tussen verweerster en een cliënt rolvermenging was opgetreden, verweerster niet had voldaan aan haar dossierplicht en zij de relatie onzorgvuldig had beëindigd.

In de onderhavige casus spelen de zelfde klachten een rol.

Ad 1.

Het college is van oordeel dat verweerster in ernstige mate de grenzen van de professionele relatie heeft overschreden. Door de verschillende hoedanigheden waarin verweerster zich presenteerde, als directielid van K., als arts, als psychotherapeut, als werkgeefster en als vriendin, ontstond voor een cliënt die E. was ‐ en uitsluitend had moeten zijn en blijven ‐, een volstrekt verwarrende en ontoelaatbare situatie. Het voeren van gesprekken, bijvoorbeeld, tot na middernacht heeft bijgedragen aan de verwarring voor E. over haar positie tegenover verweerster en over de rol die verweerster in deze gesprekken voerde. Eveneens is het college van oordeel dat verweerster ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door E. ‐ al dan niet betaald ‐ te laten werken voor K. en/of voor zichzelf, waarmee zij de door haar in acht te nemen professionele distantie in verschillende opzichten en gedurende zeer lange tijd heeft miskend. E. heeft aannemelijk gemaakt dat zij werkzaamheden van verschillende aard heeft gedaan, variërend van huishoudelijk, administratief, verzorgend en eenvoudig verpleegkundig handelen. Eveneens is aannemelijk gemaakt, dat E. soms lange werkdagen maakte. Juist waar E. met haar psychisch labiele achtergrond structuur behoefde en moest leren grenzen te stellen, heeft verweerster toegelaten, dat E. de grenzen van haar mogelijkheden overschreed. Verweerster had als ervaren psychotherapeut deze rolvermenging dienen te vermijden. Daarbij dient nog te worden opgemerkt dat het bedenkelijk is dat zij E. met haar kwetsbare positie heeft belast met haar (werk-)problemen. Dit deel van de klacht is dus gegrond.

Ad 2.

De eerste zes weken waarin E. in de (na-)zomer van 1997 volgens het Stappenplan in K. door verweerster is behandeld, vallen ‐ zoals hiervoor is overwogen ‐ buiten de beoordeling in deze zaak. Verweerster huldigt de opvatting dat zij na de zes weken behandeling volgens het Stappenplan in 1997 E. niet meer in behandeling heeft gehad. Het college deelt deze mening niet. Verweerster heeft tot in 2004 gesprekken met E. gevoerd. Voor E., in de geestelijke gezondheidstoestand waarin zij zich in deze periode bevond, hadden deze contacten, naar verweerster zich bewust had moeten zijn, therapeutische betekenis. Van enige structuur, behandelplan of expliciete afsluiting van de therapie is geen sprake geweest. Het was een voortzetting van de relatie zoals begonnen tijdens de zomer van 1997, en van de gesprekken die E. ook in de daarop volgende periode in de P.-kliniek, thuis en in het klooster met verweerster heeft gevoerd. Juist waar verweerster heeft onderschreven dat cliënten als E. behoefte hebben aan grenzen en structuur, heeft verweerster haar dat niet geboden. Verweerster heeft aangegeven dat zij geen behandelplan opstelt, en zich bedient van het door haar ontworpen Stappenplan. Ook heeft zij ter zitting gesteld geen rapportages te maken. Dit Stappenplan is van een veel te algemeen karakter en ontbeert het voor de individuele cliënt noodzakelijke persoonlijke afstemming. Door het ontbreken van enige schriftelijke verantwoording, in de vorm van rapportages of het bijhouden van een dossier ontkomt het college niet aan de indruk dat verweerster geheel op eigen houtje met cliënten doet wat haar goed dunkt. Daarmee onttrekt zij zich aan iedere controle voor en beoordeling van de vraag of zij therapeutisch verantwoord handelt. Het college acht het bovendien onzorgvuldig en verwijtbaar dat verweerster heeft toegelaten dat kennelijk onbevoegden toegang hadden tot de vertrouwelijke dossiers van E. en (oud) medecliënten. Dit deel van de klacht is gegrond. Ambtshalve overweegt het college nog het volgende: Verweerster heeft ter zitting aangegeven dat zij enigerlei intervisie ontving in de maandelijkse bijeenkomsten van de vereniging van antroposofische psychotherapeuten, maar dat haar belangrijks te intervisie plaatsvond in de teambesprekingen binnen K. E. heeft onweersproken gesteld bij teamvergaderingen aanwezig te zijn geweest. Het college is van oordeel dat dit een ondeugdelijke en zelfs ontoelaatbare vorm van intervisie is. Aan de teambesprekingen namen niet alleen deel de fysiotherapeut, verpleegkundigen, de mededirecteur/pedagoog en kunstenaar J., die geen van allen deskundig geacht kunnen worden tot het geven van psychotherapeutische intervisie, maar ook vrijwilligers en medecliënten, die aldus kennis namen van vertrouwelijke informatie over medecliënten. Ook dit is ontoelaatbaar.

Ad 3. en 4.

Deze klachtonderdelen worden beoordeeld in de beslissing 05/080A

Ten aanzien van de melding inzake W. overweegt het college als volgt:

Ad 1.

Gezien de verwevenheid van verweerster zelf in haar hoedanigheid van psychotherapeut, directielid en bestuurslid van K., is het niet van belang of het beeld aan de Stichting dan wel aan verweerster persoonlijk ten geschenke, op initiatief van W. of niet, is gegeven. Het aanvaarden van geschenken van een meer dan geringe waarde is ontoelaatbaar. Verweerster had moeten tegenhouden dat W. haar voornemen zou uitvoeren, ongeacht of dit aan haar dan wel aan de organisatie ten goede zou komen. Dit klachtonderdeel is gegrond.

Ad 2.

Verweerster heeft gesteld dat W. bewust en met volle overtuiging zich heeft ingezet voor de Stichting Vrienden van K. en dat het niet ongebruikelijk was cliënten in het na-traject op arbeidstherapeutische basis werkzaamheden te laten verrichten binnen de setting van K. Onder verwijzing naar het bovenstaande: hiermee wordt een ontoelaatbare belangenverstrengeling mogelijk gemaakt. Er lag bovendien geen duidelijk omschreven behandelplan, waarin de werkzaamheden duidelijk waren afgebakend in tijd en taken. Juist in de afhankelijke positie waarin W. zich als cliënt bevond had verweerster ervoor dienen te waken geen andere relatie met haar aan te gaan dan een behandelrelatie. Dit klachtonderdeel is gegrond.

Ad 3.

Het is aan verweerster er voor zorg te dragen dat haar cliënt goed wordt geïnformeerd over de aard en de inhoud van de te verlenen diensten, de daaraan verbonden kosten en de te verwachten kansen op resultaat. Aannemelijk is dat verweerster geen duidelijke informatie heeft verschaft. Dit klachtonderdeel is gegrond. Conclusie van het voorgaande is dat de klacht voor wat betreft het psychotherapeutisch handelen in alle onderdelen gegrond is. Verweerster heeft gehandeld in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg, ingevolge art. 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. De bewezen ernst van de klachten, het feit dat verweerster ook tijdens de behandeling ter terechtzitting geen blijk heeft gegeven van inzicht in de onjuistheid van haar handelen, ondanks de eerdere in een vergelijkbaar geval opgelegde maatregel, en het feit dat deze klacht niet op zichzelf staat, maken dat het college de zwaarste wettelijke maatregel aan verweerster zal opleggen. Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt. Het is namelijk noodzakelijk om aan de beroepsgroep waartoe verweerster behoort nog eens het belang te benadrukken dat de psychotherapeut tegenover de cliënt in de hulpverlening distantie bewaart, een heldere en eenduidige positie inneemt in de rol van hulpverlener, en de schijn vermijdt om op enigerlei wijze van de cliënt te willen profiteren.”

3. Vaststaande feiten

Het Centraal Tuchtcollege gaat ook in beroep uit van de feiten zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege, met dien verstande dat vast staat dat appellante in de periode van 20 april 1998 tot 1 juli 1999 en van 12 november 2001 tot 30 juli 2003 geen bestuurslid was van de stichting K.

4. Procedure in hoger beroep

4.1. Appellante heeft tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege zeven grieven geformuleerd. De grieven luiden als volgt:

- Ten onrechte heeft het Regionaal Tuchtcollege op basis van de tegen appellante ingediende klacht een splitsing aangebracht tussen haar handelen als arts en haar handelen als psychotherapeut en vervolgens, aan de hand van hetzelfde feitenmateriaal, een tweetal beslissingen gewezen.

- Ten onrechte wordt door het Regionaal Tuchtcollege overwogen dat appellante in ernstige mate de grenzen van de professionele relatie heeft overschreden door zich in verschillende hoedanigheden te presenteren waardoor voor E. een volstrekt verwarrende en ontoelaatbare relatie is ontstaan.

- Ten onrechte is het Regionaal Tuchtcollege van mening dat appellante ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door E., al dan niet betaald, te laten werken voor Stichting K. en/of voor zich zelf.

- Ten onrechte wordt door het Regionaal Tuchtcollege aangenomen dat E. ook na de deelname aan het burn-out programma in 1997 bij appellante onder behandeling is geweest.

- Ten onrechte wordt overwogen dat het aanvaarden van geschenken van een meer dan geringe waarde - althans een geschenk van W. - ontoelaatbaar en derhalve zeer onzorgvuldig is, ongeacht de hoedanigheid van appellante of de vraag of sprake is van een geschenk aan haar of aan Stichting K..

- Ten onrechte wordt aangenomen dat W. in de periode na de deelname aan het burn-out programma werkzaamheden ten behoeve van Stichting K. heeft uitgevoerd.

- Ten onrechte wordt door het Regionaal Tuchtcollege aangenomen dat appellante W. geen duidelijke informatie heeft verschaft over de aard en de inhoud van de te verlenen diensten, de daaraan verbonden kosten en de te verwachten kansen op resultaat.

4.2. De Inspecteur heeft gemotiveerd verweer gevoerd met conclusie het beroep te verwerpen. Hetgeen de Inspecteur daartoe naar voren heeft gebracht komt hierna waar nodig aan de orde.

Beoordeling

4.3. De door de Inspecteur in eerste aanleg tegen appellante ingediende klacht betreft handelen van appellante jegens E. en jegens W.

E. heeft ter zake het verweten handelen ook zelfstandig tegen appellante een klacht ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gegrond verklaard en bij beslissing van 25 juli 2006 de doorhaling van de inschrijving van appellante als psychotherapeut in het krachtens de Wet BIG ingestelde register bevolen. Het door appellante tegen deze beslissing ingestelde beroep is bij heden in beroep uitgesproken beslissing in de zaak onder nummer 2006/272 door het Centraal Tuchtcollege verworpen.

4.4. De stelling van appellante dat zij op basis van het zelfde feitenmateriaal twee keer door het Regionaal Tuchtcollege is veroordeeld is niet juist. Appellante is zowel geregistreerd in het BIG- register voor artsen als in dat voor psychotherapeuten. Wanneer er, zoals bij appellante het geval is, sprake is van verstrengeling van de hoedanigheden waarin wordt opgetreden, moet voor die gedragingen in beide hoedanigheden tuchtrechtelijk verantwoording worden afgelegd. Het voorgaande betekent dat de eerste grief niet kan slagen.

4.5. De volgende drie door appellante in deze zaak tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege opgeworpen grieven betreffen handelen van appellante jegens E. Aangaande de tweede grief wordt het volgende overwogen. Appellante heeft naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege door de grenzen van haar handelen als arts en psychotherapeut en daarnaast als werkgeefster, huisgenoot en vriendin niet aan te geven een verwarrende situatie in het leven geroepen waarin niet meer duidelijk was in welke rol appellante optrad en wat klaagster op welk moment in welke hoedanigheid van appellante mocht verwachten.

4.6. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege heeft het Regionaal Tucht- college terecht en op goede gronden geoordeeld dat appellante ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door E. al dan niet betaald te laten werken voor K. en voor zich zelf en daarmee de door haar te nemen professionele distantie in verschillende opzichten en gedurende zeer lange tijd heeft miskend. De derde grief slaagt dus evenmin.

4.7. Dat geldt ook voor de vierde grief. Het Regionaal Tuchtcollege heeft naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege terecht en op goede gronden geoordeeld, dat de gesprekken die appellante tot in 2004 met E. heeft gevoerd een voortzetting waren van de relatie zoals die in de zomer 1997 met het burn-out programma was gestart en van de gesprekken die E. ook in de daarop volgende periode in de P.-kliniek, bij appellante thuis en in het klooster met appellante heeft gevoerd alsmede dat deze gesprekken voor E. therapeutische betekenis hadden, waarvan appellante zich ook bewust had moeten zijn.

4.8. De grieven vijf, zes en zeven zijn gericht tegen het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat appellante bij de behandeling van W. heeft gehandeld in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg. De behandeling van de zaak in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege daaromtrent niet tot andere conclusies geleid dan die van het Regionaal Tuchtcollege. Ook deze onderdelen van de klacht zijn door het Regionaal Tuchtcollege terecht en op goede gronden gegrond verklaard.

4.9. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het Centraal Tuchtcollege met het Regionaal Tuchtcollege van oordeel is dat appellante ernstig te kort is geschoten in de zorg die zij E. en W. als psychotherapeut had behoren te verlenen en dat het beroep van appellante tegen die beslissing van het Regionaal Tuchtcollege faalt.

Nu aan appellante in bij heden in beroep uitgesproken beslissing in de zaak 2006/272 de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register is opgelegd, kan in deze zaak het opleggen van een maatregel achterwege blijven.

4.10. Om redenen ontleend aan het algemeen belang zal het Centraal Tuchtcollege bepalen dat de beslissing wordt gepubliceerd. Afzonderlijke publicatie van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is onder die omstandigheden niet nodig.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege, voor zover aan appellante daarbij de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register is opgelegd en haar het recht is ontzegd om wederom in het register te worden ingeschreven;

en opnieuw rechtdoende:

verwerpt het beroep;

bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, het Tijdschrift Psychotherapie en het NVP mededelingenblad, met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven in raadkamer door: mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mrs. C.H.M. van Altena en W. Jonkers, leden-juristen en drs. M.A.J. Hagenaars en drs. L. Swen, leden-beroepsgenoten en mr. C.M.J. Wuisman-Jansen, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 27 november 2007, door mr. R.A. Torrenga, in tegenwoordigheid van de secretaris.

De voorzitter.
De secretaris.