Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Veterinair TuchtcollegeStaatscourant 2006, 10 pagina 11Tuchtrecht | Uitspraken Veterinair Tuchtrecht

Uitspraak Veterinair Tuchtcollege

Uitspraak in de zaak van de ambtenaar bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990, klager, tegen X, beklaagde, wonende te A.

1. Procedure

Bij klaagschrift ontvangen op 18 november 2004 heeft klager zich tot het Veterinair Tuchtcollege gewend.

Beklaagde heeft een verweerschrift ingediend dat op 7 januari 2005 door het College werd ontvangen.

Klager heeft hierop gereageerd bij repliek ontvangen op 25 februari 2005.

Beklaagde heeft niet gedupliceerd.

Het College heeft de zaak op 8 september 2005 ter zitting behandeld. Klager werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, drs. Y. Beklaagde was in persoon aanwezig.

2. Klacht

In de schriftelijke klacht, zoals toegelicht ter zitting, verklaart klager zakelijk weergegeven het volgende.

2.1. Op grond van onderzoek van de Algemene Inspectiedienst (AID), waarvan de resultaten zijn neergelegd in het berechtingsrapport met nummer xxxxx, is vast komen te staan, dat beklaagde de diergeneesmiddelen Oxytetracycline nageboorte capsules en Geomycine uterus capsules van uit de originele verpakkingen heeft uitgepond in kleinere verpakkingen om financiële redenen. Klager meent dat beklaagde hierdoor heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 18 van de Diergeneesmiddelenwet.

2.2. Beklaagde heeft voorts niet voldaan aan de verplichtingen voortvloeiend uit de Regeling administratie voorschriften ingevolge Diergeneesmiddelenwet. Klager baseert deze stelling mede op de verklaringen van zes veehouders, weergegeven in het berechtingsrapport, waaruit blijkt dat beklaagde geen logboekformulieren heeft achtergelaten bij de veehouders aan wiens dieren hij gekanaliseerde diergeneesmiddelen toediende, dan wel afgaf, en niet schriftelijk heeft medegedeeld of en zo ja voor hoe lang het diergeneesmiddel een wachttermijn heeft.

Daarnaast is vast komen te staan dat beklaagde geen administratie bijhoudt van door hem ingezette gekanaliseerde diergeneesmiddelen.

2.3. Beklaagde heeft, in strijd met het wettelijk regime UDD-gekanaliseerde diergeneesmiddelen afgegeven aan veehouders. En wel de middelen Amynin, Furosol, Meflosyl, Footvax en Heptovac. Klager meent dat de bewering van beklaagde dat hij de middelen Footvax en Heptovac zelf heeft toegediend, niet juist is. Volgens klager blijkt uit de verklaringen van een drietal veehouders dat beklaagde bij hen wel degelijk voornoemde middelen heeft achtergelaten.

2.4. Beklaagde heeft voorts niet-geregistreerde diergeneesmiddelen toegediend, dan wel afgegeven. Het gaat hier om de middelen Colitrim (zesentwintig maal) en Salmysul 16, waarvan de registratie was verlopen.

2.5. Beklaagde heeft ten slotte diergeneesmiddelen toegepast bij diersoorten voor welke ze niet geregistreerd waren, zonder dat hij met succes een beroep op de Vrijstellingsregeling kon doen, alleen reeds niet omdat voor alle bedoelde middelen wel voor de soort geregistreerde alternatieven op de markt waren. Klager noemt de volgende middelen, die alle zijn geregistreerd voor hond en kat en die door klager werden toegepast bij runderen: Antipyranal, Dexadreson, Dexa - Tomanol, Prednison, Sedazine en Xylalin. Beklaagde heeft het middel Neurotranq, eveneens uitsluitend geregistreerd voor honden en katten, toegepast bij paarden.

2.6. Klager stelt dat beklaagde door bovengenoemde feiten ernstige schade aan de gezondheidszorg voor dieren toe heeft kunnen brengen, zodat artikel 14, onderdeel b, van de WUD van toepassing is. Klager vraagt het College om beklaagde een boete ter hoogte van € 2250,- op te leggen.

3. Verweer

In het verweerschrift, zoals toegelicht ter zitting, verklaart beklaagde zakelijk weergegeven, het volgende.

3.1. Beklaagde heeft ter zitting aangevoerd dat hij voor dezelfde feiten al door de politierechter is veroordeeld. Hij vroeg zich af of het juist was dat hij daarnaast nog werd onderworpen aan een tuchtprocedure.

3.2. Beklaagde stelt met betrekking tot de zaak ten gronde dat de door de klachtambtenaar genoemde feiten in grote lijnen juist zijn. Hij merkt op dat bepaalde medicijnen door hem uitsluitend in het belang van de patiënten, dus niet om geldelijk gewin, zijn toegepast en dat deze medicijnen geen schadelijke gevolgen hadden voor de voedselveiligheid of het milieu. Ter zitting heeft beklaagde medegedeeld dat hij al vijftig jaar dierenarts was en bij de uitoefening van zijn beroep altijd rekening heeft gehouden met het dierenwelzijn en met de financiële belangen van de veehouders. Hij had daarom steeds gezocht naar diergeneesmiddelen die niet nadelig waren voor de volksgezondheid en het milieu en die voordelig waren in het gebruik.

3.3. Beklaagde was er niet van op de hoogte dat het ‘uitponden’ niet was toegestaan. Een verbod op uitponden acht hij niet reëel. Ook op dit punt heeft beklaagde rekening willen houden met de financiële belangen van de veehouders. Immers, een verpakking Geomycine bevat 20 capsules en een verpakking Oxytetracycline 25 en kleinere veehouders hebben zoveel nooit nodig.

3.4. Met betrekking tot het afgeven van Footvax en Heptavac werd beklaagde ter zitting voorgehouden dat de door hem afgenomen hoeveelheden per jaar voldoende waren voor het enten van ten minste 12.000 schapen. Dit is moeilijk, zo niet onmogelijk te verrichten door één dierenarts. Beklaagde heeft medegedeeld dat hij in beginsel de tijd had om zelf alle entingen te verrichten en dit ook heeft gedaan, hoewel hij zo nu en dan wel een kleine hoeveelheid van die middelen achterliet. Beklaagde stelde dat hij echter nimmer heeft gehandeld in voornoemde geneesmiddelen.

Aan beklaagde werd ook gevraagd waarom hij, als hij zelf entte, niet het daarbijbehorende BTW-tarief van 19% berekende, maar het BTW-tarief van 6%, horend bij uitsluitend verkoop van diergeneesmiddelen. Beklaagde heeft geantwoord dat hij het lage BTW-tarief hanteerde bij wijze van korting.

3.5. Ter zake van het niet afgeven van logboekformulieren verklaarde beklaagde dat hij dit jarenlang keurig had gedaan. Toen hem echter bleek dat de veehouders de formulieren weggooiden en andere dierenartsen geen formulieren afgaven, is beklaagde er mee opgehouden. Thans verstrekt hij deze formulieren weer.

3.6. Beklaagde heeft na het bezoek van de AID wel de nodige maatregelen getroffen.

Er worden nu bij iedere behandeling visite brieven afgegeven met de vermelding van registratienummer en wachttijd. Niet geregistreerde middelen worden niet meer toepast, hoewel dit niet altijd in het belang van de patiënt is en, om financiële redenen, ook niet in het belang van de veehouder.

4. Vaststaande feiten

Het College gaat uit van de volgende vaststaande, dan wel onvoldoende weersproken feiten.

4.1. Door ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst (AID) is een onderzoek ingesteld naar de praktijk van beklaagde. De uitkomsten van dit onderzoek hebben betrekking op de periode 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 en zijn neergelegd in het berechtingsrapport met nummer xxxxx.

4.2. Beklaagde heeft de diergeneesmiddelen Oxytetracycline nageboorte capsules en Geomycine uterus capsules van uit de originele verpakkingen in verpakkingen van enkele stuks geleverd aan veehouders.

4.3. Beklaagde heeft geen logboekformulieren achtergelaten bij de veehouders aan wiens dieren hij gekanaliseerde diergeneesmiddelen toediende, dan wel afgaf, en heeft niet schriftelijk medegedeeld of en zo ja voor hoe lang voor deze diergeneesmiddelen een wachttermijn gold.

4.4. Beklaagde houdt geen administratie bij van door hem ingezette gekanaliseerde diergeneesmiddelen.

4.5. Beklaagde heeft de UDD-gekanaliseerde diergeneesmiddelen Amynin, Furosol, Meflosyl afgeleverd bij veehouders.

4.6. Beklaagde heeft ten overstaan van de ambtenaren van de AID verklaard dat hij de diergeneesmiddelen Footvax en Heptavac bij schapen zelf geënt heeft.

4.7. In het berechtingsrapport zijn verklaringen opgenomen van de betrokken veehouders. Enkele veehouders bevestigen de verklaring van beklaagde ter zake van de Footvax en Heptovac Het rapport bevat wel een verklaring van een veehouder (G3) dat hijzelf de tweede enting met Footvax verricht heeft en een verklaring van een andere veehouder (G4) dat hijzelf de entingen met Heptovac verrichtte.

4.8. Bij alle entingen van Footvax en Heptovac berekende beklaagde het lage BTW-tarief van 6%, dat geldt voor het uitsluitend afleveren.

4.9. Beklaagde heeft de diergeneesmiddelen Colitrim (zesentwintig maal) en Salmysul 16, waarvan de registratie was verlopen, toegediend, dan wel afgegeven.

4.10. Beklaagde heeft de voor hond en kat geregistreerde diergeneesmiddelen Antipyranal, Dexadreson, Dexa - Tomanol, Prednison, Sedazine en Xylalin toegepast bij runderen.

Voor deze middelen zijn geregistreerde alternatieven te weten:

Voor Antipyranal: Meflosyl 5%, Vetalgin UDA en Novem 5;

Voor Dexadreson: Voreen suspensie en Voreen oplossing;

Voor Dexa - Tomanol: Meflosyl en Vetalgin;

Voor Prednison: Voreen- suspensie en Voreen - oplossing;

Voor Sedazine: Rompun 2% en Sedamun;

Voor Xylalin: Rompun 2% en Sedamun.

4.11. Beklaagde heeft het middel Neurotranq, dat is geregistreerd voor honden en katten, toegepast bij paarden. Er zijn alternatieven voor dit middel te weten Rompun 2% en Sedamun.

4.12. Beklaagde heeft in verband met dezelfde feiten als die in deze procedure aan de orde zijn, een voorstel tot transactie van de Officier van Justitie van het arrondissementsparket Leeuwarden ter hoogte van € 2400,- aanvaard.

5. Toepasselijke regelgeving en jurisprudentie

A. Diergeneesmiddelenwet (Stb. 1985, 410; laatstelijk gewijzigd Stb. 1999, 30), verder: de wet

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet is het verboden een diergeneesmiddel dat niet is geregistreerd, te bereiden, voorhanden of in voorraad te hebben, af te leveren of bij dieren toe te passen.

In artikel 6, derde lid, is bepaald dat bij de registratie van een diergeneesmiddel voorschriften kunnen worden gegeven omtrent, onder meer, de doeleinden waarvoor het middel mag worden gebruikt en de in acht te nemen wachttijden.

Artikel 13, eerste lid, bevat het verbod om diergeneesmiddelen waarvan de registratie is geschorst of verlopen bij dieren toe te passen.

Artikel 18, eerste lid, bepaalt dat het verboden is om een geregistreerd diergeneesmiddel te be- of verwerken.

Ingevolge artikel 29, eerste lid worden bij ministeriële regeling diergeneesmiddelen aangewezen waarvoor bepaalde ge- en verboden gelden.

In het tweede lid van artikel 29 is bepaald dat ingevolge het eerste lid slechts worden aangewezen diergeneesmiddelen welke bij toepassing zonder tussenkomst van een dierenarts gevaar voor de gezondheid van mens of dier dan wel schade voor het milieu opleveren.

In artikel 30, eerste lid, van de wet is bepaald dat het verboden is diergeneesmiddelen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, af te leveren.

Op grond van het derde lid van artikel 30, aanhef en onderdeel a, geldt het verbod van het eerste lid niet voor het afleveren door een dierenarts aan de houder van de dieren waarvoor de geneesmiddelen zijn bestemd. Dit zijn de zogenaamde UDA-gekanaliseerde diergeneesmiddelen.

In het vierde lid van artikel 30 is bepaald dat sommige diergeneesmiddelen altijd door de dierenarts zelf moeten worden toegepast. Dit zijn de zogenaamde UDD-gekanaliseerde diergeneesmiddelen.

B. Regeling registratie diergeneesmiddelen 1995 (Stcrt. 1994, 208; laatstelijk gewijzigd Stcrt. 2004, 193)

In deze regeling zijn de voorwaarden voor en registratie neergelegd. Uit de aanvraag formulieren blijkt dat aangegeven dient te worden voor welke diersoort(en) een diergeneesmiddel bedoeld is en wat de wachttijden zijn bij voor landbouwhuisdieren bestemde middelen.

C. Vrijstellingsregeling artikel 2 DGW 1999 (Stcrt. 1999, 213; laatste wijziging Stcrt. 2003, 193)

In artikel 2, eerste lid, van de Vrijstellingsregeling is bepaald dat, in afwijking van artikel 2, eerste lid, van de DGW, dierenartsen, indien het niet toepassen van diergeneesmiddelen ondraaglijk lijden voor het betrokken dier met zich brengt en voor de toepassing geen diergeneesmiddelen beschikbaar zijn (dit is op grond van artikel 1: geregistreerd en voorhanden op de Nederlandse markt) de volgende middelen bij een dier of een klein aantal dieren mogen toepassen:

a. geregistreerde diergeneesmiddelen voor andere diersoorten of indicaties dan in de registratiebeschikking van het middel vermeld;

b. geneesmiddelen die ingevolge de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening zijn toegelaten, voor zover geen middelen als bedoeld in onderdeel a beschikbaar zijn, of

c. magistraal bereide diergeneesmiddelen, voor zover geen middelen als bedoeld in de onderdelen a en b beschikbaar zijn.

Ingevolge het tweede lid van artikel 2 mogen de in het eerste lid bedoelde middelen worden toegepast bij een niet-voedselproducerend dier of een klein aantal niet-voedselproducerende dieren.

In het derde lid van artikel 2 is bepaald dat de in het eerste lid genoemde diergeneesmiddelen niet aan voedselproducerende dieren mogen worden toegediend, tenzij de werkzame stoffen van het middel voorkomen in voor voedselproducerende dieren geregistreerde diergeneesmiddelen of met betrekking tot de werkzame stof of stoffen op grond van de verordening (EEG) nr. 2377/90 een MRL is vastgesteld of op grond van die verordening is vastgesteld dat een MRL niet nodig is.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, dienen dierenartsen het gebruik van middelen als bedoeld in artikel 2, eerste lid in hun administratie te vermelden. Onder meer dient de diergeneeskundige motivatie van de toepassing van het middel vermeld te worden.

D. Kanalisatieregeling diergeneesmiddelen en gemedicineerde voeders (Stcrt. 1986, 187; laatstelijk gewijzigd Stcrt. 2001, 14)

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de regeling worden de soorten van diergeneesmiddelen die UDA-gekanaliseerd zijn opgesomd.

Artikel 3, eerste lid, van de regeling bepaalt welke soorten van diergeneesmiddelen onder het UDD-kanalisatieregime vallen.

E. Regeling administratie voorschriften ingevolge Diergeneesmiddelenwet (Stcrt. 1987, 82; laatstelijk gewijzigd Stcrt. 2001, 181)

Op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel c, van deze regeling zijn dierenartsen verplicht om een administratie te voeren omtrent de ontvangst, de herkomst, degene aan wie is afgeleverd, de bestemming, de toepassing, het verlies en de vernietiging, alsmede de be- of verwerking van diergeneesmiddelen, met dien verstande dat de administratie van dierenartsen, onverminderd het bepaalde in de Vrijstellingsregeling artikel 2 Diergeneesmiddelenwet, uitsluitend betrekking hoeft te hebben op gekanaliseerde diergeneesmiddelen, diergeneesmiddelen waarvoor een wachttermijn geldt en op magistraal bereide diergeneesmiddelen en de daarbij gebruikte grondstoffen.

Ingevolge artikel 4 dient een dierenarts een schriftelijke verklaring af te geven aan de houder van dieren bij welke gekanaliseerde diergeneesmiddelen, dan wel diergeneesmiddelen waarvoor een wachttijd geldt of magistraal bereide diergeneesmiddelen, zijn toegepast.

In artikel 5 is bepaald dat de dierenarts bij toepassing van voornoemde middelen verplicht is om de houder van de betreffende dieren daarvan opgave te doen en om in voorkomende gevallen de in acht te nemen wachttijd mede te delen.

F. Memorie van Toelichting bij de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 (TK 1982 -1983, 17646, nr. 3)

Hierin wordt opgemerkt:

‘De gezondheidszorg voor dieren is niet alleen voor dieren en hun eigenaren, maar, zoals vermeld, ook nationaal-economisch van grote betekenis. Met recht kan ook worden gesteld, dat het algemeen belang vereist, dat de diergeneeskunde naar behoren wordt uitgeoefend, en ook dat geen met die uitoefening in verband staande gedragingen plaatsvinden die aan een goed functioneren van de gezondheidszorg voor dieren afbreuk kunnen doen.

en

Het toedienen van diergeneesmiddelen aan dieren vormt een belangrijk onderdeel van de uitoefening van de diergeneeskunde. Er dienen garanties te worden geschapen, dat diergeneesmiddelen op zorgvuldige wijze worden toegepast bij dieren en dat in geen geval onnodig diergeneesmiddelen worden voorgeschreven.

en

Zo zal een dierenarts in beginsel slechts op verantwoorde wijze diergeneesmiddelen kunnen voorschrijven na een door hem zelf ingesteld diergeneeskundig onderzoek bij de betrokken dieren en mag hij niet uitsluitend afgaan op een mededeling van de houder van dieren omtrent het ziektebeeld.’

G. Jurisprudentie

A. Met betrekking tot de ontvankelijkheid

In de uitspraak met nummer VB 02/18 overwoog het VB:

‘Naar aanleiding van de stelling van appellant dat er in het kader van de onderhavige tuchtzaak sprake zou zijn van schending van het ‘ne bis in idem’ beginsel overweegt het Veterinair Beroepscollege dat dit beginsel in principe beperkt is tot maatregelen van strafechtelijke aard. Naar vaste jurisprudentie laat het opleggen van een strafrechtelijke sanctie de mogelijkheid tot het opleggen van een tuchtrechtelijke sanctie naar aanleiding van dezelfde handelingen in beginsel onverlet. Hierbij dient te worden gelet op het specifieke doel van de veterinaire tuchtrechtspraak, zoals dat uit de WUD en de geschiedenis van haar totstandkoming naar voren komt. Hierbij gaat het om de waarborging van het vereiste peil van de beroepsuitoefening van dierenartsen en het weren en beteugelen van misslagen in deze beroepsuitoefening. Derhalve is sprake van een wezenlijk ander oogmerk dan bij de handhaving van de strafrechtelijke normen die in het kader van dit geding aan de orde is. Dit neemt echter niet weg dat het Veterinair Beroepscollege bij het bepalen van de op te leggen maatregel rekening houdt met reeds eerder opgelegde maatregelen vanwege bijvoorbeeld een strafprocedure.’

B. Met betrekking tot de zaak ten gronde

In de uitspraak van 19 oktober 1995, met nummer 94/0049, heeft het Veterinair Tuchtcollege in de alinea’s 18, 19 en 21 het volgende overwogen.

‘Het geheel van wettelijke regels rond de uitoefening van de diergeneeskunde vormt de neerslag van de bij de wetgever levende opvattingen over hoe de gezondheidszorg voor dieren in Nederland dient plaats te vinden. In deze regelgeving heeft de wetgever na afweging van alle belangen die daarbij ter zake doende en beschermenswaardig werden geacht, de grondregels neergelegd voor de gezondheidszorg voor dieren in Nederland.

In dit stelsel is een bijzondere positie toegedeeld aan de in de WUD aangewezen diergeneeskundigen, nu aan hen (met name de dierenartsen) bij uitsluiting van alle anderen, bepaalde handelingen zijn voorbehouden. Zoals blijkt uit de instelling van het wettelijk tuchtrecht, staat tegenover deze bijzondere bevoegdheden een bijzondere verantwoordelijkheid om deze bevoegdheden op een juiste wijze uit te oefenen, dat wil zeggen: op de wijze zoals de wetgever bij toekenning voor ogen stond, met inachtneming van de belangen die daarmee gemoeid zijn.

In de uitspraak met nummer 2004/16 heeft het Veterinair Tuchtcollege met betrekking tot de status van diergeneesmiddelen overwogen:

‘Het moge zo zijn dat in een enkel geval de status van een diergeneesmiddel gewijzigd wordt. Dit geeft de dierenarts echter niet het recht om de afweging, zoals die door de wetgever is gemaakt, te negeren en volgens eigen inzichten te handelen.’

In de uitspraak met nummer VB 04/13 heeft het Veterinair Beroepscollege geoordeeld over de toepassing bij paarden van het niet voor die soort toegelaten Fenylbutazon.

De betrokken dierenarts had gesteld dat Fenylbutazon beter werkte en goedkoper was, alsmede dat er geen gevaar voor de volksgezondheid was, omdat de door hem behandelde paarden toch niet voor de slacht zouden worden gebruikt. Het Beroepscollege wees deze stelling van de hand overwegende:

‘Indien het althans tuchtrechtelijk al verontschuldigbaar zou kunnen zijn om in een klaarblijkelijke noodsituatie een bepaald paard niet aan te merken als voedselproducerend dier onder daartoe strekkende en afdoende waarborgen, kan van zodanige verontschuldiging in het voorliggende geval geen sprake zijn, nu niet is gebleken van enige afdoende waarborg om te voorkomen dat het paard na overlijden voor voedselproductie zou kunnen worden aangewend.

Overigens heeft appellant ook niet voldaan aan de voorschriften van artikel 2, eerste lid en artikel 6 van de Vrijstellingsregeling. Immers, appellant heeft Fenylbutazon stelselmatig als eerste keus toegediend voordat hij had vastgesteld dat diergeneesmiddelen in het concrete geval niet werkzaam waren, appellant heeft nagelaten om de door hem toegediende diergeneesmiddelen met Fenylbutazon magistraal te bereiden en appellant heeft niet de voorgeschreven administratie bijgehouden’

6. Overwegingen

A. Met betrekking tot de ontvankelijkheid

6.1. Beklaagde heeft ten eerste aangevoerd dat hij reeds door de strafrechter is veroordeeld. Naar zijn mening zou dit er toe moeten leiden dat de klacht in de tuchtprocedure niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Het College overweegt hierover als volgt.

In, onder meer, de uitspraken met nummers VTC 94/04, VTC 96/064, VB 97/01, VB 98/07 (gepubliceerd in Stcrt. 1999, 36) en VB 02/18, uit welke uitspraak hiervoor de dragende motivering is geciteerd, is geoordeeld dat de tuchtrechtprocedure en de strafrechtelijke procedure naast elkaar kunnen worden gevoerd. De conclusie is dat de klacht ontvankelijk is.

B. Ten gronde

6.2. In geding is of beklaagde te kort is geschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van landbouwhuisdieren, met betrekking tot welke dieren zijn hulp was ingeroepen, dan wel of beklaagde op andere wijze in zodanige mate te kort is geschoten in hetgeen van hem als beoefenaar van de diergeneeskunde mocht worden verwacht dat daardoor voor de gezondheidszorg voor dieren ernstig schade heeft kunnen ontstaan. Klager heeft vijf klachtonderdelen aangevoerd, op grond waarvan hij meent dat dit laatste het geval is.

6.3. In het eerste onderdeel van de klacht heeft klager aangevoerd dat beklaagde in strijd met de Diergeneesmiddelen wet, de diergeneesmiddelen Oxytetracycline- en Geomycine capsules heeft uitgepond. Beklaagde heeft aangegeven dat door kleinere veehouders gehele verpakkingen van deze middelen te groot zijn. Reden waarom hij kleinere hoeveelheden van deze capsules afzonderlijk verpakte en verkocht.

Het College overweegt dat, nu de afzonderlijke capsules intact zijn gebleven, de handelwijze van beklaagde niet valt aan te merken als uitponden. Dit onderdeel van de klacht slaagt derhalve niet.

6.4. In het tweede onderdeel van de klacht heeft de klager aangevoerd dat beklaagde de verplichtingen voortvloeiend uit de Regeling administratie voorschriften ingevolge Diergeneesmiddelenwet niet heeft nageleefd.

Het College overweegt dat uit het onderzoek van de administratie van beklaagde, de verklaringen van beklaagde ten overstaan van de ambtenaren van de AID en de verklaringen van de betrokken veehouders, blijkt dat beklaagde geen administratie heeft bijgehouden van door hem verstrekte gekanaliseerde diergeneesmiddelen, geen logboekformulieren heeft afgegeven en geen (schriftelijke) mededeling heeft gedaan van eventuele wachttijden. Dit onderdeel van de klacht slaagt dus.

6.5. Het derde onderdeel van de klacht heeft betrekking op de levering van UDD-gekanaliseerde diergeneesmiddelen. Op grond van de verklaringen van beklaagde en van de betrokken veehouders, zoals weergegeven in het berechtingsrapport, kan onomstotelijk worden vastgesteld dat beklaagde de UDD-gekanaliseerde diergeneesmiddelen Amynin, Furosol en Meflosyl heeft afgeleverd. Alleen reeds daarom treft dit onderdeel van de klacht doel.

Klager heeft voorts aangevoerd dat beklaagde de UDD-gekanaliseerde diergeneesmiddelen Footvax en Heptovac heeft geleverd aan veehouders.

Het College overweegt hierover als volgt.

Beklaagde heeft ten overstaan van de ambtenaren van de AID ontkend dat hij de middelen Footvax en Heptovac heeft afgeleverd. De verklaringen van enkele veehouders in het berechtingsrapport bevestigen deze ontkenning van beklaagde. Echter hebben twee van de betrokken veehouders verklaard dat beklaagde respectievelijk Footvax en Heptovac heeft geleverd voor enting door henzelf.

Ter zitting heeft beklaagde verklaard dat hij wel degelijk in staat is geweest tot het enten van grote hoeveelheden schapen.

Als het College de verklaringen van beklaagde, gesteund door een aantal verklaringen van veehouders afweegt tegen de verklaringen van twee andere veehouders, dan moet het tot de conclusie komen dat niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat beklaagde inderdaad grote hoeveelheden Footvax en Heptovac aan veehouders geleverd heeft.

Beklaagde heeft echter ter zitting wel medegedeeld dat hij soms kleine hoeveelheden van deze entstoffen op bedrijven achterliet, maar dat hij er nooit in heeft gehandeld.

Het College is van oordeel dat alleen reeds het achterlaten van - ook kleine hoeveelheden - van een UDD-gekanaliseerd diergeneesmiddel in strijd met het wettelijk regime is, ook al wordt handel niet beoogd.

Het College overweegt voorts dat het door beklaagde gehanteerde lage BTW-tarief wel de suggestie kon wekken dat beklaagde de voornoemde entstoffen afleverde. Wat hier ook van zij, naar het oordeel van het College behoort een dierenarts die zelf entingen verricht daarvoor het normale BTW-tarief van 19% te berekenen.

Op grond van het voorgaande dient te worden vastgesteld dat de gedragingen van beklaagde ook met betrekking tot de middelen Footvax en Heptovac veterinair niet juist, dus tuchtrechtelijk verwijtbaar waren.

6.6. Het vierde onderdeel van de klacht ziet op het afleveren dan wel toedienen van de niet meer geregistreerde diergeneesmiddelen Colitrim en Salmysul 16, zoals gebleken uit onderzoek van de administratie van beklaagde. Beklaagde heeft dit onderdeel van de klacht niet betwist. Ook dit onderdeel van de klacht treft dus doel.

6.7. In het vijfde onderdeel van de klacht stelt klager, op grond van de bevindingen van het AID-onderzoek, dat beklaagde op ruime schaal bij runderen en soms ook bij paarden diergeneesmiddelen toegepast heeft, die slechts waren geregistreerd voor honden en katten. Ook dit onderdeel van de klacht is door beklaagde niet betwist, zodat deze ook op dit punt slaagt.

6.8. Beklaagde heeft ter verweer aangevoerd dat hij heeft gehandeld uit een oogpunt van dierenwelzijn en rekening heeft willen houden met de financiële positie van de betreffende veehouders. Beklaagde heeft voorts gesteld dat hij de door hem toegepaste middelen zo gekozen heeft dat geen schade aan de volksgezondheid en aan het milieu werd toegebracht. Dit verweer kan beklaagde niet baten. Uit de hiervoor aangehaalde passages uit de Memorie van Toelichting bij de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 en uit de aangehaalde jurisprudentie van de veterinaire colleges moge blijken dat het van groot belang is dat dierenartsen zich houden aan het wettelijk regime, ongeacht hun motieven om daar van af te wijken.

6.9. De conclusie is dat de onderdelen van de klacht, verwoord onder 2.2. tot en met 2.5, gegrond zijn. Het College is van oordeel dat door de handelwijze van beklaagde ernstige schade aan de gezondheidszorg voor dieren heeft kunnen ontstaan. Het College ziet aanleiding om een zwaardere maatregel op te leggen dan door klager is gevraagd, maar wil daarbij wel rekening houden met het feit dat beklaagde reeds een justitiële transactie ter bedrage van € 2400,- heeft voldaan.

Ware dit niet het geval geweest, dan zou het College beklaagde de maximale boete als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 ter hoogte van € 2250,-, met daarbij een voorwaardelijke schorsing in de bevoegdheid de diergeneeskunde uit te oefenen voor een periode van drie maanden, met een proeftijd van drie jaar en publicatie van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm hebben opgelegd.

Thans acht het College een boete ter hoogte van € 1750,- met daarbij een voorwaardelijke schorsing in de bevoegdheid de diergeneeskunde uit te oefenen voor een periode van drie maanden, met een proeftijd van drie jaar en publicatie van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm, een passende en geboden maatregel.

7. Beslissing

Het College:

Verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond.

Legt beklaagde College een boete op als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 ter hoogte van € 1750,-, alsmede een voorwaardelijke schorsing in de bevoegdheid de diergeneeskunde uit te oefenen voor een periode van drie maanden, met een proeftijd van drie jaar.

Bepaalt dat deze uitspraak in geanonimiseerde vorm wordt gepubliceerd in de Staatscourant en ter publicatie wordt aangeboden aan het Tijdschrift voor Diergeneeskunde.

Aldus vastgesteld te ‘s-Gravenhage door mr. O. Scheltema-de Nie, voorzitter, en door de leden drs. J.A.A.M. van Erp, drs. E.K. Dolfijn, drs. Th. Witjes en drs. H.K. Hadderingh, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Hofstede-Bron, secretaris.

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2005 door mr. O. Scheltema-de Nie, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Hofstede-Bron, secretaris.

A.G. Hofstede-Bron.
O. Scheltema-de Nie.