Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
College voor ZorgverzekeringenStaatscourant 2005, 253 pagina 41Besluiten van algemene strekking

Besluit mandaten en volmachten College voor zorgverzekeringen 2006

22 december 2005

Nr. 25136755

Het College voor zorgverzekeringen,

Gelet op Afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht, titel 3 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 6.4 van het Bestuursreglement College voor zorgverzekeringen 2006,

Heeft in zijn vergadering van 22 december 2005 besloten:

Hoofdstuk 1 Definities

Artikel 1

Dit besluit verstaat onder:

a. het college: het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet;

b. de voorzitter: de voorzitter van het college;

c. directeur: elk van de directeuren genoemd in artikel 1 van het Directiestatuut College voor zorgverzekeringen 2006;

d. algemeen directeur: de algemeen directeur genoemd in artikel 6.2, tweede lid, van het Bestuursreglement College voor zorgverzekeringen 2006;

e. afdelingshoofd: elk van de hoofden van de in bijlage 1 bij het Directiestatuut College voor zorgverzekeringen 2006 weergegeven afdelingen.

Hoofdstuk 2 Mandaat

Artikel 2 Primaire besluiten

De directeur is bevoegd, onverminderd artikel 4 en 5, tot het nemen van primaire beschikkingen en het vaststellen van beleidsregels namens het college, bij of krachtens de volgende wetten:

a. Zorgverzekeringswet, met uitzondering van:

1°. het vaststellen van beleidsregels in verband met de vereveningsbijdrage bedoeld in artikel 32, vijfde lid; artikel 33, vierde lid en artikel 34, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet;

2°. het vaststellen van beleidsregels voor het opleggen van boetes bedoeld in artikel 69, derde lid en artikel 96 van de Zorgverzekeringswet;

b. Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;

c. Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet;

d. Wet financiering sociale verzekeringen, met uitzondering van de beleidsregels bedoeld in artikel 4.4, tweede lid en artikel 4.5, tweede lid, van het Besluit Wfsv;

e. Wet toelating zorginstellingen;

f. Ziekenfondswet, zoals die gold tot en met 31 december 2005;

g. Overgangswet verzorgingshuizen, zoals die gold tot en met 31 december 2000;

h. Wet financiering volksverzekeringen, zoals die gold tot en met 31 december 2005;

i. Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals die gold tot en met 31 december 2005;

j. Algemene wet bestuursrecht;

k. Wet openbaarheid van bestuur;

l. Wet bescherming persoonsgegevens.

Artikel 3 Schadebesluiten

De directeur is bevoegd om namens het college schadebesluiten en besluiten in verband met betaling, invordering of terugvordering te nemen, indien deze direct samenhangen met besluiten genomen bij of krachtens de in artikel 2 genoemde wetten.

Artikel 4 Primaire personeelsbesluiten

1. Behalve in de gevallen omschreven in het tweede lid, is de algemeen directeur bevoegd om namens het college besluiten te nemen tot het aanstellen, bevorderen, schorsen en ontslaan, en het vaststellen van de salarissen van de leden van het personeel van het college, met uitzondering van de directeuren.

2. De voorzitter en de algemeen directeur tezamen zijn bevoegd om namens het college besluiten te nemen tot:

a. het aanstellen, bevorderen, schorsen en ontslaan, en het vaststellen van het salaris van hoofden van afdelingen;

b. het aanstellen van personeel in de gevallen, waarin dit een overschrijding van de personeelsformatie betekent.

3. Het mandaat omvat tevens het nemen van schadebesluiten in verband met betaling, invordering of terugvordering en het vaststellen van beleidsregels, indien deze direct samenhangen met besluiten als bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 5

1. De algemeen directeur is bevoegd, tenzij anders is geregeld, om namens het college besluiten te nemen ter uitvoering van de rechtspositieregelingen voor het personeel van het college.

2. Waar in de rechtspositieregelingen voor het personeel van het college een bevoegdheid aan de voorzitter en de algemeen directeur tezamen is toegekend tot het nemen van besluiten, wordt deze bevoegdheid door hen uitgeoefend namens het college.

3. Waar in de rechtspositieregelingen voor het personeel van het college een bevoegdheid aan de algemeen directeur is toegekend tot het nemen van besluiten wordt deze bevoegdheid door hem uitgeoefend namens het college.

4. Het mandaat omvat tevens het nemen van schadebesluiten in verband met betaling, invordering of terugvordering en het vaststellen van beleidsregels, indien deze direct samenhangen met besluiten als bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.

Artikel 6 Beslissen op bezwaar

1. De directeur is bevoegd om namens het college te beslissen op bezwaar in de zin van de Algemene wet bestuursrecht tegen besluiten die met toepassing van artikel 2, artikel 3 of artikel 5, al dan niet in samenhang met artikel 7, namens het college zijn genomen of hadden kunnen worden genomen. Dit mandaat geldt niet indien het bestreden besluit:

a. is genomen door de betreffende directeur zelf; of

b. is genomen of mede is genomen door de algemeen directeur.

2. De voorzitter is bevoegd om namens het college te beslissen op bezwaar in de zin van de Algemene wet bestuursrecht tegen besluiten die met toepassing van artikel 2, artikel 3, artikel 4 of artikel 5, al dan niet in samenhang met artikel 7, namens het college zijn genomen of hadden kunnen worden genomen. Dit mandaat geldt niet indien het bestreden besluit mede is genomen door de voorzitter.

3. De voorzitter is bevoegd om namens het college te beslissen op bezwaar in de zin van de Algemene wet bestuursrecht tegen door de algemeen secretaris van de Ziekenfondsraad krachtens delegatie in de periode tot en met 31 december 1997 genomen besluiten.

4. Een mandaat tot het beslissen op bezwaar in de zin van de Algemene wet bestuursrecht omvat tevens de bevoegdheid om namens het college alle noodzakelijke processuele handelingen in het kader van de bezwaarschriftprocedure te verrichten of te doen verrichten.

Artikel 7 Ondermandaat voor primaire beschikkingen en beslissen op bezwaar

1. De directeur is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat, met de mogelijkheid van verder ondermandaat, voor de in artikel 2 en artikel 3 genoemde bevoegdheden voor primaire beschikkingen.

2. De algemeen directeur is ten aanzien van de besluiten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, met uitzondering van besluiten ter uitvoering van hoofdstuk XII van het Rechtspositiebesluit College voor zorgverzekeringen en met uitzondering van besluiten van algemene strekking, bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan een andere directeur of een afdelingshoofd. Bij mandaatverlening aan een andere directeur kan hij aan die andere directeur de bevoegdheid verlenen tot verder ondermandaat.

3. De directeur kan voor het nemen van de beslissing op bezwaar, bedoeld in artikel 6, eerste lid, ondermandaat verlenen aan een afdelingshoofd.

4. Ondermandaat voor het beslissen op bezwaar wordt niet verleend aan degene die het bestreden besluit zelf heeft genomen.

Hoofdstuk 3 Adviezen in verzekeringsgeschillen en indicatiegeschillen

Artikel 8

1. De directeur is bevoegd namens het college adviezen als bedoeld in artikel 114 van de Zorgverzekeringswet, artikel 58 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en artikel 74 van de Ziekenfondswet, zoals dat gold tot en met 31 december 2005, uit te brengen, alsmede adviezen die op vrijwillige basis door zorgverzekeraars of een onafhankelijke instantie bedoeld in artikel 114 Zorgverzekeringswet, zijn gevraagd.

2.Voor het uitbrengen van adviezen, als bedoeld in het eerste lid is, in afwijking van het eerste lid, de voorzitter van de Commissie verstrekkingengeschillen bevoegd indien het advies

a. een nieuwe of juridische beleidsmatige vraag betreft;

b. afwijkt van een uit eerdere adviezen in vergelijkbare gevallen blijkende bestendige lijn; of,

c. een anderszins bijzonder geval betreft.

3. De voorzitter van de Commissie verstrekkingengeschillen is, in afwijking van het tweede lid, niet bevoegd in zaken waarin zijn standpunt afwijkt van het standpunt van de meerderheid van de aanwezige overige leden van de commissie. Deze zaken legt hij ter afdoening voor aan het college.

4. De directeur kan de bevoegdheid tot het uitbrengen van de adviezen, bedoeld in het eerste lid, verlenen aan de secretaris van de Commissie verstrekkingenschillen, de plaatsvervangend secretaris van de Commissie verstrekkingengeschillen en het hoofd van de Afdeling Geschillen.

Hoofdstuk 4 Volmacht en machtiging

Artikel 9

1. De directeur is rekening houdend met de begroting en met inachtneming van door het college vastgesteld beleid bevoegd om namens het college privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten.

2. De directeur is bevoegd tot het verlenen van ondervolmacht en tot het verlenen van de bevoegdheid tot het verlenen van verdere ondervolmacht voor privaatrechtelijke rechtshandelingen.

3. De directeur kan ondervolmacht en verdere ondervolmacht binden aan een maximum bedrag.

Artikel 10

1. De directeur beheert en voert de administratie van het Zorgverzekeringsfonds, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet;

2. De directeur beheert en voert de administratie van de Algemene Kas, bedoeld in artikel 1q, tweede lid, van de Ziekenfondswet, zoals die gold tot en met 31 december 2005, namens het college.

3. De directeur beheert en voert de administratie van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in artikel 89 Wet financiering sociale verzekeringen.

4. De directeur voert alle wettelijk voorgeschreven en verder benodigde handelingen voor het beheer en de administratie, bedoeld in de leden een tot en met drie, uit of doet deze uitvoeren.

Artikel 11

De directeur kan regels stellen over de wijze waarop namens het college betalingen worden verricht en gelden en waardepapieren worden ontvangen. De directeur legt deze regels ter kennisneming voor aan het college.

Artikel 12

1. De directeur kan alle handelingen, niet zijnde besluiten of privaatrechtelijke rechtshandelingen, namens het college verrichten of doen verrichten, die geacht moeten worden tot de verantwoordelijkheid van de directeur te behoren.

2. De directeur kan de taken en bevoegdheden van het college uitoefenen of doen uitoefenen, voor zover die uitoefening geen besluiten of privaatrechtelijke rechtshandelingen betreft, die nodig zijn voor een adequate uitvoering van die taken en bevoegdheden, met uitzondering van:

a. het rapporteren over voorgenomen beleid, bedoeld in artikel 66, eerste lid, Zorgverzekeringswet en artikel 43 van de AWBZ;

b. het signaleren van feitelijke ontwikkelingen aan de minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport, bedoeld in artikel 66, tweede lid, Zorgverzekeringswet;

c. het vaststellen en verzenden van het jaarplan, de jaarverantwoording en de jaarrekening bedoeld in paragraaf 6.3 van de Zorgverzekeringswet

d. het vaststellen en verzenden van het jaarplan, de jaarverantwoording en de jaarrekening, bedoeld in de artikelen 45 en 46, van de AWBZ;

3. De uitzonderingen van het tweede lid gelden niet voor:

a. rapportages en signalementen van technische of eenvoudige aard;

b. het adviseren van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ten aanzien van aanvragen voor publiek DBC-onderhoud in het kader van pakketbeheer, indien het college de minister adviseert dat de DBC betrekking heeft op een prestatie,als bedoeld in de Zorgverzekeringswet respectievelijk een verstrekking waarop ingevolge de Ziekenfondswet, zoals die gold tot en met 31 december 2005 aanspraak op bestond, maar er geen redenen zijn om inhoud en omvang van de aanspraak nader te regelen, dan wel voorwaarden te stellen aan het recht op die prestatie of verstrekking.

4. De directeur voert deze handelingen en taken uit of doet deze uitvoeren met in achtneming van het door het college terzake vastgestelde beleid.

5. Als de directeur van mening is dat hierbij bestuurlijk relevante vraagstukken een rol spelen of hij anderszins van oordeel is dat een uitspraak van het college gewenst is, legt hij de betreffende aangelegenheid aan het college voor.

Artikel 13

1. De directeur is bevoegd om namens het college schriftelijk verweer te voeren in gerechtelijke procedures.

2. De directeur is bevoegd om namens het college hoger beroep in te stellen tegen gerechtelijke uitspraken.

3. De voorzitter en de directeur zijn elk afzonderlijk bevoegd om namens het college bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen besluiten die de belangen van het college raken.

4. De voorzitter en de directeur zijn elk afzonderlijk bevoegd om namens het college civielrechtelijke procedures aan te vangen en te voeren.

Hoofdstuk 5 Bijzondere bepalingen

Artikel 14 Overgang AWBZ

De directeur kan aan een rechtspersoon aangewezen ingevolge artikel 40 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten ondermandaat, ondervolmacht of machtiging verlenen voor de beschikkingen of daarmee samenhangende werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.2 tot en met 3.1.6 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet, met inbegrip van het beslissen op bezwaar en het aanvangen en voeren van procedures.

Artikel 15 Boetes onverzekerden

De directeur is bevoegd om de zorgverzekeraars ondermandaat te verlenen voor het nemen van de beschikkingen waarbij een boete, bedoeld in artikel 96 van de Zorgverzekeringswet, wordt opgelegd aan hun eigen verzekerden en de daarmee samenhangende voorbereidende en uitvoerende werkzaamheden en overige bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 101 tot en met 113 van de Zorgverzekeringswet.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

Artikel 16

De algemeen directeur stelt het college periodiek in kennis van de met toepassing van dit mandaterings- en volmachtsbesluit genomen besluiten, verrichte rechtshandelingen en andere handelingen.

Artikel 17

Het Besluit mandaten en volmachten College voor zorgverzekeringen wordt ingetrokken.

Artikel 18

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2006.

Artikel 19

Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit mandaten en volmachten College voor zorgverzekeringen 2006.

De voorzitter,
J.S.J. Hillen.
De algemeen directeur,
P.C. Hermans.

Toelichting

Algemeen

Dit besluit regelt het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging van het college aan de organisatie van het College voor zorgverzekeringen (CVZ). Het Besluit mandaten en volmachten College voor zorgverzekeringen wordt ingetrokken.

De reden hiervoor is de ingrijpende verandering in de taken en bevoegdheden van het CVZ met de invoering van de Zorgverzekeringswet en de, daarmee samenhangende, wijziging van de organisatiestructuur.

De hoofdmoot van de wijzigingen wordt gevormd door aanpassing van het besluit aan de Zorgverzekeringswet. Het gaat echter om meer dan een technische operatie. De Zorgverzekeringswet kent nieuwe taken en bevoegdheden toe aan het CVZ. Dat vraagt om een afweging van waar die bevoegdheden worden neergelegd, passend binnen de nieuwe sturingsfilosofie van het CVZ. Dit komt tot uitdrukking in een gelijke bevoegdheidstoedeling aan elk der directeuren en een verruiming van de mogelijkheid van ondermandaat. Geen mandaat wordt verleend waar het gaat om principiële beslissingen in verband met de nieuwe taken van het college met betrekking tot het zogenaamde pakketbeheer.

Mandaat heeft betrekking op de bevoegdheid tot het nemen van besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Het kan dan gaan om beschikkingen ter uitvoering van een regeling (primaire besluiten), besluiten waarbij beleidsregels worden vastgesteld of beslissingen op bezwaar.

Bij volmacht gaat het om privaatrechtelijke rechtshandelingen, zoals het aangaan van verbintenissen.

De Zorgverzekeringswet kent ook uitvoerende taken en bevoegdheden aan het CVZ toe, zoals voorlichting, beheer van het zorgverzekeringsfonds, bevorderen van de afstemming van de uitvoering, het geven en vragen van inlichtingen en dergelijke. In dit besluit worden de directeuren gemachtigd om deze werkzaamheden te doen uitvoeren.

Het college heeft ook enkele regelgevende bevoegdheden, alsmede verplichtingen en bevoegdheden ten aanzien van rapporteren en signaleren. Deze zijn geen onderwerp van dit besluit; deze bevoegdheden blijven aan het college zelf, behoudens enkele uitzonderingen.

Anders dan in het tot 1 januari 2006 geldende Besluit mandaten en volmachten bevat de regeling geen limitatieve opsomming van de bevoegdheden die aan de directeuren worden gemandateerd.

Er is volstaan met een opsomming van de wetten waarin de te mandateren bevoegdheden hun grondslag vinden. In de toelichting is een (niet limitatieve) lijst opgenomen van de bevoegdheden waar het om gaat.

Hiermee is beoogd het besluit toegankelijker te maken, en om te voorkomen dat een bevoegdheid niet geregeld is omdat deze niet op de lijst is opgenomen. Dit heeft ook het voordeel, dat het besluit niet telkens gewijzigd hoeft te worden als er een wettelijke bepaling in een van de genoemde wetten verandert.

De systematiek van het onderhavige besluit is, dat het besluit regelt welke bevoegdheden zijn voorbehouden aan het college of aan de voorzitter. De rest is dan des directeurs, met de mogelijkheid van ondermandaat. Voor bevoegdheden in verband met aanstellingsbesluiten en beslissingen op bezwaar is de mogelijkheid van ondermandaat beperkt. Daarbij is aangesloten bij het oude Besluit mandaten en volmachten.

Voor volmacht en machtiging is dezelfde systematiek gekozen. Het besluit benoemt welke bevoegdheden het college zelf uitoefent. De overige handelingen vallen onder de bevoegdheid van de directeur, die vervolgens kan bepalen wie deze taken feitelijk uitoefent.

Net als in het tot 1 januari 2006 geldende Besluit mandaten en volmachten, wordt voor de meeste bevoegdheden mandaat en volmacht verleend aan de directie met de mogelijkheid van ondermandaat. In verband met de nieuwe organisatiestructuur, worden die bevoegdheden nu niet meer aan de algemeen directeur maar gelijkelijk aan alle directeuren toebedeeld. Het is de verantwoordelijkheid van de directeuren er voor te zorgen dat aangelegenheden die een bestuurlijke afweging behoeven aan het college worden voorgelegd.

Met de invoering van de Zorgverzekeringswet vervalt een groot deel van de bevoegdheden die in het oude mandaatbesluit geregeld zijn. Daarvoor is een aantal nieuwe bevoegdheden in de plaats gekomen. In de artikelsgewijze toelichting worden die genoemd. De meeste bevoegdheden op grond van de Zorgverzekeringswet worden neergelegd bij de directeuren, ten behoeve van de voortgang van het dagelijks werk

Een van de nieuwe taken van het CVZ is het opleggen van boetes in verband met het niet (tijdig) verzekerd zijn. Het vaststellen van beleidsregels voor het opleggen van boetes wordt niet gemandateerd. Ook voor het vaststellen van beleidsregels inzake de vereveningsbijdrage en de beheerskosten voor de AWBZ geldt (zoals dat ook in de oude mandaatregeling gold) dat deze bevoegdheden niet worden gemandateerd. Het college stelt zelf deze beleidsregels vast. De Minister dient deze regels goed te keuren.

De richtlijnen over de uitleg van de prestaties nemen een aparte plaats in. Het zijn geen beleidsregels en geen besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en zij vallen derhalve ook niet in de categorie te mandateren bevoegdheden. Zij kunnen alleen geschaard worden onder de categorie feitelijke handelingen, waarvoor het college functionarissen kan machtigen. Dit besluit machtigt de directeur daarvoor. Het geven van richtlijnen kan echter ook dermate gewichtig zijn, dat daarover het oordeel van het college gewenst of noodzakelijk is. Bij de uitoefening van deze taak, zal dat aspect steeds de nodige aandacht moeten krijgen. Uiteraard geldt bij mandaat en bij volmacht het algemene voorbehoud dat bij twijfel over de reikwijdte van het mandaat en in de gevallen waarin dat naar het gevoelen van de directeur of het college nodig is, afstemming met het college plaatsvindt. Overigens is een wezenskenmerk van mandaat dat de mandaatgever de gemandateerde bevoegdheid ook altijd zelf mag uitoefenen.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1

Artikel 1

In het eerste lid van artikel 1 worden enkele veel gebruikte begrippen omschreven. De omschrijvingen zijn aangepast aan het Bestuursreglement College voor zorgverzekeringen 2006.

Hoofdstuk 2

Artikel 2

Dit hoofdstuk regelt het mandaat voor de primaire besluiten van het college. Uitgangspunt is dat dit mandaat gelijkelijk toekomt aan de directeuren.

Dit artikel geeft aan welke bevoegdheden worden gemandateerd door aan te geven op grond van welke wetten die bevoegdheden worden uitgeoefend. Voor zover in dit artikel geen uitzondering wordt gemaakt, worden die bevoegdheden gemandateerd.

Nieuw zijn de bevoegdheden op grond van de Zorgverzekeringswet. De Ziekenfondswet is nog in dit besluit genoemd, omdat zich nog geruime tijd gevallen kunnen blijven voordoen, waarbij het college besluiten (met name beslissingen op bezwaar) moet nemen op grond van de Ziekenfondswet. Hetzelfde geldt voor de Wet Ziekenhuis Voorzieningen en voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, zoals die luidde tot 1 januari 2006. Ook op grond van reeds eerder geëxpireerde wetten (zoals de Overgangswet verzorgingshuizen) kunnen bevoegdheden blijven bestaan. Het gaat daarbij vooral om het afwikkelen van subsidies.

Ter verduidelijking volgt hier een (niet-limitatieve) opsomming van de wettelijke bepalingen waaraan het CVZ bevoegdheden ontleent.

In het algemene deel van de toelichting is al aangegeven waarom de in artikel 2 onder a genoemde bevoegdheden niet worden gemandateerd.

a. Zorgverzekeringswet

- de toekenning van de (verevenings)bijdrage bedoeld in artikel 32, eerste lid, de toekenning van de tussentijdse extra bijdrage bedoeld in artikel 33 tweede lid, de vaststelling van de bijdrage, bedoeld in artikel 34, eerste lid, alsmede het vaststellen van de rente op grond van artikel 34, vierde lid, het vaststellen van het verschil, bedoeld in artikel 34, vijfde lid en het beslissen over verrekenen bedoeld in artikel 34, zesde lid;

- het doen van betalingen op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 32, vierde lid onder d;

- heffing en inning van eigen bijdragen van in het buitenland wonende personen met verdragsrechten, bedoeld in artikel 69, vierde lid;

- het opleggen van een bestuurlijke boete wegens niet verzekerd zijn, bedoeld in artikel 69, derde lid en artikel 96. Het vaststellen van beleidsregels over boete-oplegging is uitdrukkelijk niet gemandateerd;

b. Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten

- het verstrekken van subsidies, bedoeld in artikel 44;

- het stellen van beleidsregels voor de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de AWBZ, bedoeld in artikel 41, tweede lid;

- het verlenen van ontheffing van het verbod tot het verlenen van AWBZ-zorg, bedoeld in artikel 38;

- het doen van uitkeringen uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten aan de Minister van Justitie voor verstrekkingen, bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de wet en aan de Minister van Defensie voor verstrekkingen bedoeld in artikel 6 van de Regeling vergoeding AWBZ-kosten van militairen;

- de bevoegdheden, vervat in artikel 4, zoals dat tot 1 januari 1996 luidde, de artikelen 8, eerste lid, 9, eerste lid, en 10, zoals die tot 22 februari 1996 luidden, onderscheidenlijk artikel 5, zoals dat tot 1 januari 1996 luidde, de artikelen 11, en 12, zoals die tot 22 februari 1996 luidden, van het Besluit financiering uitvoeringsorganisatie Bijzondere Ziektekostenverzekering, tot het vaststellen van de besteedbare middelen onderscheidenlijk het uitkeren van de besteedbare middelen alsmede het vaststellen en doen van de uitkeringen, bedoeld in artikel 6, zoals dat tot 1 januari 1996 luidde, en artikel 13, zoals dat tot 22 februari 1996 luidde, van dat Besluit;

- de toelating en de intrekking van de toelating van instellingen, bedoeld in de artikelen 8, 8b, 8f en 8g;

- het afgeven van een verklaring en het verlenen van de vrijstelling, bedoeld in artikel 21 en artikel 21a, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999.

c. Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet

- het vaststellen van subsidies, bedoeld in artikel 3.1.7.

d. Wet financiering sociale verzekeringen

- het doen van uitkeringen en het verlenen van voorschotten bedoeld in artikel 91 van de wet en het betalen van de uitkeringen, bedoeld van 4.8 van het Besluit Wfsv;

- het vaststellen en uitkeren van de vergoedingen bedoeld in artikel 4.2 van het Besluit Wfsv, en tot het vaststellen van de besteedbare middelen onderscheidenlijk het uitkeren van de besteedbare middelen alsmede het vaststellen en doen van de uitkeringen de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 4.4, eerste lid, 4.5, eerste lid, en 4.6, van dat Besluit.

Het vaststellen van beleidsregels voor het vaststellen van uitkeringen en besteedbare middelen en beleidsregels voor het doen van betalingen en verlenen van voorschotten is uitdrukkelijk niet gemandateerd.

e. Wet toelating zorginstellingen

- het toelaten van zorginstellingen, bedoeld in artikel 5 juncto artikel 9.

f. Ziekenfondswet

- de toelating en de intrekking van de toelating van instellingen bedoeld in de artikelen 8a, 8c, 8f, 8g en 8h;

- het verstrekken van subsidies op grond van artikel 1p, eerste lid;

- het vaststellen, betalen, nader vaststellen en voorlopig nader vaststellen van de uitkeringen aan de ziekenfondsen en het verrekenen en voorlopig verrekenen van het verschil en van de rente over het verschil, bedoeld in artikel 19.

g. Overgangswet verzorgingshuizen

- het verstrekken van subsidies en het vaststellen en innen van eigen bijdragen op basis van de subsidieregelingen op grond van artikel 13 van de Overgangswet verzorgingshuizen, zoals deze gold tot en met 31 december 2000.

h. Wet Ziekenhuisvoorzieningen

- het adviseren over een beschikking tot subsidievaststelling, als bedoeld in artikel 18b, zesde lid, Wet ziekenhuisvoorzieningen, alsmede de bevoegdheid tot betaling van de subsidie of het voorschot, bedoeld in artikel 18b, zevende lid, Wet ziekenhuisvoorzieningen; deze mandaten gelden slechts indien de beschikking tot subsidievaststelling van het College sanering ziekenhuisvoorzieningen vergezeld gaat van de volgende verklaring:

‘Op basis van de “Checklist rechtmatigheidscriteria” en de hiervan onderdeel vormende beoordeling van de accountant van de instelling aan de hand van het “Controleprotocol”, zoals opgenomen in het KPMG-rapport “De toepassing van het begrip rechtmatigheid voor het handelen van de Commissie Sanering Ziekenhuisvoorzieningen” d.d. 17 februari 1998, deelt het College u mede dat aan de vereisten die ten aanzien van de rechtmatigheid van haar beslissingen gesteld worden in dit stadium van de besluitvorming is voldaan. Dit houdt in dat het College heeft gehandeld conform wet- en regelgeving en de bestuurlijke en organisatorische procedures heeft nageleefd, alles voor zover van toepassing.’

j. Algemene wet bestuursrecht

Alle beschikkingen die worden genomen op grond van de hierboven genoemde wetten zijn besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Er kunnen echter ook besluiten zijn, of handelingen die gelijk te stellen zijn met een besluit, die niet op een van de genoemde wetten berusten maar op de Algemene wet bestuursrecht zelf. Te denken valt aan een beslissing inzake het uitblijven van besluiten of op een verzoek om een vergoeding van kosten in verband met een bezwaar- of beroepsprocedure.

k. Wet openbaarheid bestuur

Het beslissen op een verzoek om informatie bedoeld in artikel 5 van de Wet openbaarheid bestuur.

m. Wet bescherming persoonsgegevens

Het beslissen op een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36, 38, tweede lid van de Wet bescherming persoonsgegevens, alsmede het beslissen naar aanleiding van de aantekening van verzet als bedoeld in de artikelen 40 en 41 van de Wet bescherming persoonsgegevens.

Artikel 4 en 5 (primaire personeelsbesluiten)

Voor personeelsbesluiten geldt dat zij een aparte categorie vormen. De algemeen directeur is bevoegd om de ‘zwaardere personeelsbesluiten’ te nemen, zoals besluiten over aanstelling en ontslag. In een tweetal gevallen is hij echter alleen tezamen met de voorzitter bevoegd. Namelijk bij besluiten over hoofden van afdelingen en het aanstellen van personeel boven de formatie.

In artikel 5 is geregeld dat de algemeen directeur besluiten mag nemen ter uitvoering van de rechtspositieregelingen voor het personeel van het college. In artikel 7 is geregeld dat de algemeen directeur deze bevoegdheid kan ondermandateren met de mogelijkheid van verder ondermandaat. Dit geldt echter niet voor alle besluiten die op grond van het Rechtspositiebesluit aan de algemeen directeur zijn gemandateerd. De besluiten die betrekking hebben op de reorganisatie (Hoofdstuk XII Rechtspositiebesluit) van het CVZ kan de algemeen directeur niet verder mandateren.

Artikel 6 (beslissen op bezwaar)

Dit artikel is aangepast aan de nieuwe organisatiestructuur van het CVZ. In het tot 1 januari 2006 geldende besluit mandaten en volmachten waren respectievelijk de voorzitter, de algemeen directeur en de plaatsvervangend algemeen directeur bevoegd te beslissen op bezwaar. In dit besluit zijn de directeuren op grond van het eerste lid gelijkelijk bevoegd, om te beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten die met toepassing van artikel 2, 3 en 5 in mandaat zijn genomen.

Het tweede en derde lid regelen wanneer de voorzitter bevoegd is.

Mandaat geldt niet als de betreffende directeur dan wel de voorzitter het bestreden besluit heeft genomen (artikel 10:3, derde lid, Algemene wet bestuursrecht). Hetzelfde geldt uiteraard voor ondermandaat, dat mogelijk wordt gemaakt in artikel 7.

Het kan voorkomen dat meerdere personen bevoegd zijn op het bezwaar te beslissen. Het is de bedoeling dat zij in deze gevallen met elkaar afstemmen wie de bevoegdheid in het concrete geval uit zal oefenen.

Voor beslissingen inzake personeel geldt een afwijkend regime.

Over de leden een tot en met drie valt verder nog op te merken dat hierin wordt gesproken van besluiten die ‘namens het bestuur zijn genomen of hadden kunnen worden genomen’. Hiermee is ook de beslissing op het bezwaar tegen het uitblijven van besluiten onder het mandaat te brengen. Het is de bedoeling dat op het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit wordt beslist door degene die bevoegd zou zijn te beslissen op het bezwaar tegen het corresponderende reële besluit.

In het vierde lid is bepaald dat het mandaat ook de processuele handelingen in het kader van de bezwaarschriftprocedure omvat. Hierbij kan gedacht worden aan het informeren naar de reden van de te late indiening van het bezwaarschrift, aan het stellen van een termijn waarbinnen de bezwaarde de gronden van het bezwaarschrift moeten indienen, of aan het horen. Opmerking verdient nog dat degene die bevoegd is op het bezwaar te beslissen de hier bedoelde processuele handelingen ook door anderen kan laten verrichten.

Artikel 7 (ondermandaat)

Ten opzichte van het tot 1 januari 2006 geldende Besluit mandaten en volmachten is de mogelijkheid van ondermandaat verruimd, om zodoende de barrières tussen de ‘oude directies’, waarmee het college tot 1 januari 2006 werkte, te slechten. In het oude besluit was de bevoegdheid van de algemeen directeur tot het verlenen van ondermandaat beperkt tot de besluiten die betrekking hadden op aangelegenheden die behoren tot zijn directie met de mogelijkheid van ondermandaat aan andere directeuren voor zover deze betrekking hadden op aangelegenheden die behoren tot diens directie, en gold die bevoegdheid niet voor alle soorten besluiten. Verder ondermandaat aan niet-afdelingshoofden kon slechts worden verleend na goedkeuring van de algemeen directeur, terwijl voor sommige bevoegdheden ondermandaat uitgesloten was, zoals voor beslissingen op bezwaar en schadebesluiten.

In dit besluit is ondermandaat voor alle aan de directeuren gemandateerde bevoegdheden mogelijk, met uitzondering van besluiten inzake personeel (zie hiervoor de toelichting op artikel 4 en 5) en beleidsregels. Voor het beslissen op bezwaar is de mogelijkheid van ondermandaat beperkt tot de afdelingshoofden (zie hiervoor de toelichting op artikel 6).

Hoofdstuk 3

Artikel 8, adviezen in verzekeringsgeschillen en indicatiegeschillen.

Dit artikel regelt het uitbrengen van adviezen in verzekeringsgeschillen en indicatiegeschillen door de Commissie verstrekkingengeschillen. Het betreft hier een gedeeld mandaat. Volgens het eerste lid is deze bevoegdheid primair aan de directeur gemandateerd, met de mogelijkheid van ondermandaat, zoals bepaald in het vierde lid. In het tweede lid is geregeld dat de voorzitter van de Commissie verstrekkingengeschillen bevoegd is namens het college advies uit te brengen als het om de daar genoemde bijzondere situaties gaat. De voorzitter is een lid van het college. Dit is geregeld in artikel 5.3 van het Bestuursreglement College voor zorgverzekeringen 2006.

Aan het mandaat voor de voorzitter is de voorwaarde verbonden dat hij de zaak ter afdoening voorlegt aan het college, indien blijkt dat zijn standpunt afwijkt van dat van de meerderheid van de overige leden van de commissie. Dat is geregeld in het derde lid.

Overigens geldt ook voor adviezen inzake geschillen uitdrukkelijk dat het college altijd bevoegd is om zelf de zaken af te doen. Met name wanneer het om principiële zaken gaat, is daarover het oordeel van het college gewenst. Bij de uitoefening van deze taak, zal dat aspect steeds de nodige aandacht moeten krijgen. Het behoort dan tot de verantwoordelijkheid van de directeur om te bepalen welke zaken hij aan het college voorlegt.

Hoofdstuk 4 (volmacht en machtiging)

Artikel 9

Dit artikel regelt de volmacht voor het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen. Aan de bevoegdheid van de algemeen directeur om namens het college rechtshandelingen te verrichten, worden enige voorwaarden verbonden. Alleen binnen het kader van de begroting en met inachtneming van door het college vastgestelde beleid kan de algemeen directeur van de volmacht gebruik maken.

Artikelen 10 tot en met 12

Deze artikelen regelen de machtiging voor het verrichten van feitelijke handelingen die nodig zijn voor de uitvoering van de taken van het college.

In artikel 10 wordt de specifieke bevoegdheid met betrekking tot het Zorgverzekeringsfonds geregeld. Artikel 11 bepaalt dat de directeur regels kan stellen voor het betalingsverkeer. In artikel 12 is geregeld dat de directeur ter uitvoering van de daar genoemde taken alle feitelijke handelingen mag verrichten of laten verrichten die niet zijn voorbehouden aan het college. Tot die handelingen moeten in ieder geval worden gerekend:

Zorgverzekeringswet

- het geven van voorlichting over de aard, inhoud en omvang van de verzekerde prestaties, bedoeld in artikel 65;

- het bevorderen van de eenduidige uitleg van de aard, inhoud en omvang van de prestaties, bedoeld in artikel 64;

- het bevorderen van de afstemming, bedoeld in artikel 67 eerste lid;

- de administratie met betrekking tot in het buitenland wonende gepensioneerden, bedoeld in artikel 69;

- het beheer van de rekeningen van gemoedsbezwaarden, bedoeld in artikel 70;

- het doen van een verzoek tot het instellen van een onderzoek aan het College toezicht, bedoeld in artikel 82;

- het vragen van inlichtingen, bedoeld in artikel 88 tot en met 90;

- het verstrekken van inlichtingen aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bedoeld in artikel 91, eerste lid;

- het desgevraagd verstrekken van inlichtingen aan de in artikel 91 tweede lid genoemde bestuursorganen alsmede het verlenen van toegang tot en inzage in gegevens en bescheiden bedoeld in artikel 91 derde lid;

- het doen van mededelingen, bedoeld in artikel 93;

- het uitbrengen van rapportages van eenvoudige of technische aard, met inachtneming van door het college vastgesteld beleid.

Op grond van het bepaalde in het derde lid valt ook de reguliere advisering aan de minister van VWS ten aanzien van aanvragen voor publiek DBC-onderhoud onder de bevoegdheid van de directeur, evenals het uitbrengen van rapportages van technische of eenvoudige aard.

Als de directeur van mening is dat hierbij bestuurlijk relevante vraagstukken een rol spelen of anderszins van oordeel is dat een uitspraak van het college gewenst is, legt hij de zaak aan het college voor. Dat geldt in het bijzonder voor adviezen over het publiek DBC-onderhoud en andere zaken die het pakket betreffen.

AWBZ

- het bevorderen van de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de AWBZ als bedoeld in artikel 41, eerste lid;

- het geven van voorlichting, bedoeld in artikel 42;

- het voldoen van de vorderingen, bedoeld in artikel 39, eerste lid;

- het algemeen verkrijgbaar stellen van de jaarrekening van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in artikel 46, vierde lid;

- het verzoeken om gegevens en inlichtingen en uittreksels uit of afschriften van uitspraken, registers en andere stukken, bedoeld in de artikelen 54 en 55;

- het verstrekken van inlichtingen en gegevens aan andere bestuursorganen, bedoeld in artikel 57;

- de aanwijzing van personen, bedoeld in artikel 57a;

- het doen van mededelingen en verstrekken van inlichtingen, bedoeld in artikel 57b, tweede respectievelijk derde lid.

Wet Bescherming Persoonsgegevens

- het melden van bestanden bij het College bescherming persoonsgegevens op grond van artikel 27 Wet bescherming persoonsgegevens.

Ziekenfondswet

- het verstrekken van inlichtingen aan het College toezicht, bedoeld in artikel 1x16;

- het vragen van inlichtingen en gegevens en het maken van kopieën daarvan, alsmede tot aanwijzing van andere daartoe bevoegde personen als bedoeld in de artikelen 1x11, 1x13 en 1x14, eerste en tweede lid;

- het verzoeken om de gegevens en inlichtingen, bedoeld in de artikelen 73b en 73c, eerste en vierde lid.

Wet Tarieven Gezondheidszorg

- het vragen van gegevens, inlichtingen en uittreksels uit of afschriften van uitspraken, registers en andere stukken, bedoeld in artikel 29c.

En voorts alle andere handelingen die geacht worden te behoren tot het normale takenpakket de dagelijkse gang van zaken betreffende.

Hoofdstuk 5 (Bijzondere bepalingen)

Artikelen 14 en 15

Dit hoofdstuk regelt twee bijzondere situaties, waarbij het college mandaat verleent aan derden. In artikel 14 gaat het over de mogelijkheid om de uitvoering van de overgangsregeling in verband met de beëindiging van de vrijwillige verzekering voor de AWBZ door een andere rechtspersoon uit te laten voeren. In artikel 15 gaat het om de mogelijkheid om het opleggen van boetes in verband met het niet tijdig verzekerd zijn op grond van de Zorgverzekeringswet te mandateren aan zorgverzekeraars. Beide situaties zijn geregeld in afzonderlijke ondermandaatsbesluiten.

Hoofdstuk 6 (slotbepalingen)

Dit hoofdstuk bevat enige slotbepalingen. Artikel 16 is van belang om het college in staat te stellen zicht te houden op de rechts- en andere handelingen die op grond van dit mandaterings- en volmachtbesluit verricht worden.

De voorzitter,

J.S.J. Hillen.

De algemeen directeur,

P.C. Hermans.