Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Veterinair TuchtcollegeStaatscourant 2005, 240 pagina 11Tuchtrecht | Uitspraken Veterinair Tuchtrecht

Uitspraken Veterinair Beroepscollege

Dossiernummer: VB 05/04

Uitspraak in de zaak van drs. J.P.G.J. van Helmond, wonende te Asten, appellant van een uitspraak van 27 januari 2005 van het Veterinair Tuchtcollege (2003/83).

1. Het verloop van de procedure

Het Veterinair Tuchtcollege heeft bij uitspraak van 27 januari 2005, verzonden op 28 januari 2005, gegrond verklaard de klacht van de op grond van artikel 29 van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 aangewezen ambtenaar (hierna: de klachtambtenaar), dat drs. J.P.G.J. van Helmond, dierenarts te Asten (hierna: appellant), in zodanige mate te kort is geschoten in hetgeen van hem als beoefenaar van de diergeneeskunde mocht worden verwacht, dat daardoor voor de gezondheidszorg voor dieren ernstige schade heeft kunnen ontstaan. Het Veterinair Tuchtcollege heeft op die grond:

• appellant de maatregel van een geldboete, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 (hierna: WUD), ter hoogte van € 2.250,- opgelegd,

• appellant de maatregel van schorsing in de bevoegdheid tot uitoefening van de diergeneeskunde, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, WUD opgelegd voor een periode van één jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar,

• bevolen dat de uitspraak wordt bekendgemaakt in de Staatscourant alsmede ter publicatie wordt aangeboden aan het Tijdschrift voor Diergeneeskunde.

Als gemachtigde van appellant heeft mr. L.J.L. Heukels, advocaat te Haarlem, bij beroepschrift van 23 maart 2005 bij het Veterinair Beroepscollege beroep ingesteld tegen voormelde beslissing.

De klachtambtenaar heeft bij brief van 13 juni 2005 op het beroepschrift gereageerd.

De behandeling ter openbare zitting van het Veterinair Beroepscollege heeft plaatsgevonden op 26 september 2005. Bij die gelegenheid hebben appellant, bijgestaan door mr. L.J.L. Heukels, en drs. P.L.F. Bours, gemachtigde van de klachtambtenaar, hun standpunten nader toegelicht.

Gelet op de samenhang is deze zaak tegelijk, maar niet gevoegd, behandeld met de beroepen van de praktijkgenoten van appellant, met nummers VB 05/05 en VB 05/06.

2. De vaststaande feiten

Het Veterinair Beroepscollege is uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1 Appellant vormt samen met praktijkgenoten drs. W.G.J. Grondhuis en drs. H.A. Goossens de Maatschap Dierenartsenpraktijk J. van Helmond, H. Goossens en W. Grondhuis, waarin de praktijkgenoten gelijkelijk bevoegd zijn.

2.2 Door de AID is een onderzoek gestart vanwege het vermoeden dat appellant en diens praktijkgenoten runderen die in nood gedood zouden moeten worden niet levend keurden, maar desondanks een ‘Verklaring van dierenarts voor speciale noodslachtingen’ (hierna: noodslachtverklaring) valselijk opmaakten, zulks in strijd met artikel 5, lid 4, van het Besluit produktie en handel vers vlees van 7 december 1993, Stb. 1994, 12. De resultaten van dit onderzoek zijn vermeld in proces-verbaal nummer 1881/00/0010 en betreft de periode vanaf maart 1996 tot en met 4 februari 2000. Uit dit proces-verbaal, waarvan gedeelten zijn opgenomen in het dossier van het Veterinair Beroepscollege, blijken de volgende handelingen van appellant.

2.3 Op 17 december 1996 heeft appellant een noodslachtverklaring (formulier 00117545) afgegeven voor een rund dat hij levend gekeurd heeft, doch niet vervolgens heeft bedwelmd en gedood. Het rund is pas op het slachthuis gedood. Op het formulier heeft appellant als noodzaak voor de slacht opgegeven dat de ondervoet rechtsvoor mogelijk gebroken is. Op het formulier verklaart appellant dat uit het bedrijfslogboek is gebleken dat de laatste 28 dagen geen geneesmiddelen zijn toegediend. Op het bedrijf van Van K., waar het desbetreffende rund was op het moment van de keuring door appellant, heeft appellant geen bedrijfslogboek ingezien.

2.4 Op 6 januari 1997 heeft appellant een noodslachtverklaring (formulier 0011763 3) afgegeven voor een rund dat hij levend gekeurd heeft en vervolgens bedwelmd en gedood. Als noodzaak voor de slacht heeft appellant ‘verstikking ten gevolge van trauma’ ingevuld. Op het formulier verklaart appellant dat uit het bedrijfslogboek is gebleken dat de laatste 28 dagen geen geneesmiddelen zijn toegediend. Op het bedrijf van Van K., waar het desbetreffende rund stond, was geen bedrijfslogboek voor het rund aanwezig. Het desbetreffende rund was eerst in de vroege ochtend van 6 januari 1997 op het bedrijf van Van K. gekomen.

2.5 Naar aanleiding van een door praktijkgenoot Grondhuis op 14 mei 1999 ten onrechte afgegeven noodslachtverklaring voor een stier die reeds dood was toen hij ter plekke kwam (formulier F 11656) heeft Kringdirecteur J.L.M. Hambeukers RA. van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (hierna: RVV) bij brief van 2 juni 1999 appellant en zijn praktijkgenoten gesommeerd het afgeven van onjuiste verklaringen te staken. Daarbij is gewaarschuwd dat bij herhaling van dit gedrag er nadere maatregelen zouden worden getroffen.

2.6 Appellant was op de hoogte van het feit dat ook zijn praktijkgenoten zich schuldig maakten aan het valselijk opmaken van noodslachtverklaringen. Dit is ter sprake gekomen tijdens werkoverleg met zijn praktijkgenoten, waarbij onderling is besproken dat dit gedrag eigenlijk niet meer zou moeten voorkomen. Appellant heeft zich niet ingezet om het gedrag van zijn praktijkgenoten ook daadwerkelijk te veranderen.

2.7 Appellant is terzake van voornoemde feiten strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld door de rechtbank ’s-Hertogenbosch. Bij uitspraak van 24 september 2002 heeft de rechtbank aan appellant een geldboete van € 1.000,- en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van twee jaar, opgelegd terzake van valsheid in geschrifte (artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht), in casu het in strijd met de waarheid uitgeven van een noodslachtverklaring. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft deze uitspraak bevestigd.

3. De uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege

Het Veterinair Tuchtcollege heeft aan de bestreden beslissing, waarin appellant is aangeduid als beklaagde, de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

“5.1. In geding is of beklaagde in zodanige mate te kort is geschoten in hetgeen van hem als beoefenaar van de diergeneeskunde mocht worden verwacht, dat daardoor voor de gezondheidszorg voor dieren ernstige schade heeft kunnen ontstaan.

5.2. Het College zal eerst het verweer bespreken, ...., waarin het belang van de Verklaring gerelativeerd wordt.

De advocaat van beklaagde heeft aangevoerd dat blijkens de Memorie van Toelichting bij de Regeling administratie voorschriften ingevolge Diergeneesmiddelenwet (Stcrt. 1987, 82, laatste wijziging Stcrt. 2001, 181) een veehouder niet verplicht is om aan een dierenarts inzage te geven in het logboek.

Het College overweegt dat deze vaststelling op zich zelf juist is, maar dat deze passage slechts betrekking heeft op de situatie waarin de dierenarts aan een of meer dieren medicatie heeft toegediend. De dierenarts kan hiervan zelf een aantekening in het logboek maken, maar als de veehouder hem zijn logboek niet wil overhandigen, dan dient de dierenarts de veehouder schriftelijk de benodigde gegevens te verschaffen zodat de veehouder zelf de gegevens op kan nemen.

Met betrekking tot de passage onder 4b van de Verklaring wordt in de vierde voetnoot bij de Verklaring toegelicht dat de gegevens uit het logboek dienen te worden overgenomen. Dit impliceert dat de dierenarts het logboek zelf inziet, of tenminste waarneemt dat de veehouder uit het logboek citeert. Een dierenarts behoort dan ook niet zonder meer op de verklaringen van de betrokken veehouder af te gaan. Immers, een veehouder heeft een financieel belang bij de afgifte van een Verklaring en het zou kunnen voorkomen, dat een dierenarts om deze reden niet goed wordt voorgelicht. Als een veehouder zijn logboek niet of onjuist heeft ingevuld dan valt dit de dierenarts niet te verwijten. Als een veehouder weigert het logboek te laten zien, dan dient een dierenarts dit te vermelden op de Verklaring. Het zou voor de keuringsdierenarts van het slachthuis een aanwijzing zijn om de keuring met extra zorgvuldigheid te verrichten.

De hiervoor genoemde situatie doet zich thans niet meer voor, want, zoals de advocaat van beklaagde heeft gezegd, de Verklaring is gewijzigd. Dit wil echter niet zeggen dat de gehele passage over medicijngebruik en het bedrijfslogboek nu is komen te vervallen. Thans wordt van de veehouder verlangd dat hij deze passage zelf invult en er ook voor tekent. Het is dus geenszins zo dat het belang van de Verklaring is komen te vervallen. Alleen wordt een deel van de verantwoordelijkheid voor het op de juiste wijze invullen van een Verklaring bij de veehouder gelegd. Het belang van de Verklaring, namelijk dat geen vlees van een niet-gezond dier, dat eventueel medicatie heeft toegediend gekregen, voor menselijke consumptie beschikbaar komt, is nog onverkort aanwezig.

In de periode dat beklaagde de in het geding zijnde Verklaringen afgaf, gold de verplichting voor de dierenarts om de Verklaring correct in te vullen nog in volle omvang. Zoals hierna zal worden toegelicht, is het College van oordeel dat eerlijkheid en nauwgezetheid bij het opstellen van verklaringen van dierenartsen van groot belang is. Een dierenarts die hier de hand mee licht pleegt een tuchtrechtelijk vergrijp.

5.3. Klager heeft gemotiveerd gesteld dat beklaagde de Verklaringen met de nummers 00117545 en 0011763 3 op onjuiste gronden heeft afgegeven. Beklaagde heeft hierover het volgende aangevoerd.

Met betrekking tot de Verklaring met nummer 00117545 stelt beklaagde dat het rund door hem levend is gekeurd op 17 december 1996 om 23.15 uur op het bedrijf van de toenmalige eigenaar. Daarna is het dier levend aangevoerd op de slachtplaats, waar het wederom is gekeurd. Beklaagde heeft, zo stelt hij, in de Verklaring aangegeven dat het dier niet op het bedrijf is gedood. Dit blijkt volgens hem uit het feit dat de rubriek 3 niet is ingevuld en uit de tijdsmelding onder plaats en datum.

Het College overweegt dat in rubriek 3 uitsluitend wordt verklaard dat het dier op de boerderij in nood gedood moest worden en dat het dier na bedwelming op correcte wijze is leeggebloed. Een alternatieve mogelijkheid is er niet. Door de Verklaring te ondertekenen heeft beklaagde dus verklaard dat de koe op het bedrijf bedwelmd en verbloed is. Naar beklaagde ook zelf toegeeft is het dier levend op het slachthuis aangekomen. Daaruit volgt reeds dat beklaagde een onjuiste Verklaring heeft opgemaakt. Beklaagde heeft aangevoerd dat uit het feit dat het tijdstip van doden in rubriek niet is ingevuld, maar dat hij wel een tijdstip onder zijn handtekening heeft gezet, zou moeten blijken dat het dier op het moment van ondertekening nog niet gedood was. Het College wijst dit argument van de hand. Aan het vermelden van een tijdstip onder de handtekening kan op zich zelf geen enkele betekenis worden toegekend. Als beklaagde een en ander duidelijk had willen maken, had hij het met zoveel woorden op de Verklaring behoren uit te schrijven of de betreffende passage door behoren te halen. Deze Verklaring is bovendien onjuist omdat in rubriek 4b is ingevuld dat volgens de gegevens uit het bedrijfslogboek is gebleken, dat aan het dier de laatste 28 dagen geen diergeneesmiddelen zijn toegediend. Dit terwijl beklaagde, naar hij ter zitting zelf verklaard heeft, geen logboek heeft gezien. Uit het voorgaande moge blijken dat het College van oordeel is dat een dierenarts bij het opstellen van een Verklaring, niet zonder meer op de mededelingen van de veehouder af behoort te gaan.

Het College merkt hierbij nog op dat volgens de verklaringen van beide collega’s van beklaagde .... in het bedrijf in het geheel geen logboek aanwezig was.

Met betrekking tot de Verklaring met nummer 0011763 3 stelt beklaagde, dat het dier wel door hem is gedood. In rubriek 4b heeft beklaagde ingevuld dat volgens de gegevens van het bedrijfslogboek de laatste 28 dagen geen geneesmiddelen zijn toegediend. Beklaagde heeft gesteld dat hij dit zo heeft gedaan omdat hij niet wist dat het dier pas kort op het bedrijf waar het gedood is, aanwezig was en aan hem niet is medegedeeld dat het van een ander bedrijf kwam. Het College overweegt dat beklaagde zich, alvorens zijn handtekening onder de Verklaring te zetten, ervan had behoren te overtuigen dat alles wat hij verklaarde ook de waarheid was. Dit te meer omdat op het slachthuis is gebleken dat de koe aan pleuritis leed. Als beklaagde de koe levend heeft gekeurd, alvorens het dier te bedwelmen en te verbloeden, dan moet hem bij zijn klinisch onderzoek zijn opgevallen dat het dier pleuritis had. Dit zou een extra reden moeten zijn geweest om na te gaan of aan het dier medicijnen waren toegediend. Ook in dit geval heeft beklaagde, volgens zijn eigen zeggen, echter het logboek niet geraadpleegd, maar is hij afgegaan op de mededelingen van de veehouder. De conclusie is dat ook deze Verklaring onjuist was.

5.4. Met betrekking tot de vraag of beklaagde al dan niet op de hoogte is geweest van het handelen van zijn collega’s overweegt het College dat uit de herhaalde en consistente verklaringen van deze collega’s ..., blijkt dat in de loop der jaren met enige regelmaat onderling over het litigieuze handelen werd gesproken. Deze gesprekken leidden er echter niet toe dat een eind gemaakt werd aan het onjuiste handelen, dat zoals uit de eerder genoemde verklaringen blijkt, zelfs nog werd voortgezet nadat van de zijde van de Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees was aangezegd dat dit niet meer voor zou mogen komen.

Beklaagde heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat hij zijn praktijkgenoten niet heeft aangemoedigd om valse Verklaringen af te leggen. Beklaagde stelde in zijn verweerschrift voorts dat hij zich niet verantwoordelijk achtte voor wat zijn praktijkgenoten hebben gedaan.

Ter zitting heeft beklaagde met nadruk verklaard dat hij niet op de hoogte is geweest van het onjuist handelen van zijn collega’s. Beklaagde heeft voorts verklaard dat hij wel op de hoogte is gebracht van het schrijven van de RVV. Beklaagde stelde dat hij toen duidelijk heeft gemaakt dat hij dergelijke praktijken niet duldde. Beklaagde heeft van deze stelling echter geen schriftelijke onderbouwing gegeven, bijvoorbeeld door middel van een passage uit de notulen van de vergaderingen van de maatschap, die naar beklaagde desgevraagd heeft verklaard tien maal per jaar werden gehouden en waarvan ook notulen werden gemaakt. Ook op andere wijze heeft beklaagde het College er niet van kunnen overtuigen dat zijn praktijkgenoten buiten hem om hebben gehandeld.

Het College houdt het er dus voor dat beklaagde op de hoogte was van het handelen van zijn collega’s. Het College is van oordeel dat beklaagde naar wegen had behoren te zoeken om in het vervolg dergelijk handelen te voorkomen.

5.5. Met betrekking tot de vraag of beklaagde door zijn onjuist handelen de gezondheidszorg voor dieren ernstige schade heeft toegebracht overweegt het College als volgt.

Zowel het Veterinair Tuchtcollege als het Veterinair Beroepscollege hebben meer dan eens klachten behandeld die het onjuist invullen van een Verklaring van dierenarts voor speciale noodslachtingen betroffen. Beide colleges hebben dit steeds als een zwaar tuchtrechtelijk vergrijp aangemerkt. Zo heeft het Veterinair Beroepscollege in de uitspraak met nummer VB 98/07, gepubliceerd in Stcrt. 1999, 36, onder meer het volgende overwogen:

‘Vast staat dat beklaagde de komst van de noodslachter niet heeft afgewacht en zich er dus niet van heeft kunnen vergewissen dat het dier na bedwelming op correcte wijze is leeggebloed. Door niettemin de verklaring te ondertekenen en af te geven heeft beklaagde de waarheid in ernstige mate geweld aangedaan. (...) Een dierenarts mag een dergelijke verklaring niet afgeven wanneer hij niet aanwezig is geweest bij de bedwelming en verbloeding van het slachtdier (...). De bovenbedoelde verklaringen van dierenartsen vormen een wezenlijk onderdeel van het systeem van de georganiseerde gezondheidszorg voor dieren in Nederland. De betrouwbaarheid van dit systeem staat of valt met het vertrouwen dat kan worden gehecht aan de door dierenartsen in dit kader af te leggen verklaringen. Het door dierenartsen niet overeenkomstig de waardheid invullen en afgeven van verklaringen, zoals door beklaagde gedaan, kan het gehele systeem van de gezondheidszorg voor dieren in diskrediet brengen. Beklaagde had dit moeten beseffen toen hij zijn handtekening zette.’

en:

‘De norm van artikel 14, aanhef en onderdeel b, van de WUD moet geacht worden mede te zijn gegeven in het belang van de volksgezondheid indien en voor zover deze door het handelen of nalaten van dierenartsen ernstig kan worden bedreigd. Omdat het afgeven van onware verklaringen, zoals hierboven bedoeld, ten gevolge kan hebben dat het systeem van keuringen wordt aangetast en vlees wordt vrijgegeven voor menselijke consumptie dat daarvoor niet geschikt is. Voor dat oordeel is niet rechtstreeks van belang of vaststaat dat tengevolge van de aan beklaagde verweten handelingen voor menselijke consumptie ongeschikt vlees in de roulatie is gekomen.’

Het College tekent hierbij aan dat de klachten met betrekking tot het ten onrechte afgeven en/of onjuist invullen van Verklaringen tot op heden steeds betrekking hadden op incidenten. Zie voor meer recente uitspraken: VTC 99/067, bevestigd in de uitspraak VB 01/02, gepubliceerd Stcrt. 2001, 91, VTC 2001/57, bevestigd in VB 02/17, gepubliceerd Stcrt. 2004, 179, en VTC 2003/113.

In de praktijk van beklaagde was echter sprake van handelen met een structureel karakter.

Geconcludeerd moet derhalve worden dat aan beklaagde een ernstig tuchtrechtelijk verwijt gemaakt dient te worden. Dit klemt te meer nu beklaagde, blijkens zijn verweer, in feite niet inziet dat hij veterinair onjuist heeft gehandeld.

5.6. De conclusie is dat de klacht gegrond verklaard dient te worden. Met betrekking tot de op te leggen maatregel overweegt het College als volgt. In eerdere uitspraken ter zake van ten onrechte afgegeven Verklaringen heeft het College zware maatregelen opgelegd. Ook indien sprake was van een incident, werd doorgaans tenminste de maximale boete van € 2250,- opgelegd. In dit geval is sprake van een jarenlang bestaande praktijk, die willens en wetens, zelfs na het schrijven van de RVV is voorgezet. Hoewel beklaagde, als gevolg van een interne taakverdeling, getalsmatig wellicht minder onjuiste Verklaringen heeft afgegeven dan zijn praktijkgenoten, heeft hij dit toch zelf ook gedaan. Het is te betreuren dat beklaagde, anders dan zijn collega’s niet in wil zien dat hij dat niet had behoren te doen.

Het College is voorts, mede op grond van de verklaringen diens praktijkgenoten, van oordeel dat beklaagde op de hoogte van het handelen van zijn collega’s geweest moet zijn. Beklaagde heeft niet aan kunnen tonen dat hij daadwerkelijk maatregelen heeft genomen om een eind te maken aan dit onjuist handelen.

Al met al acht het College het gedrag van beklaagde in gelijke mate tuchtrechtelijk verwijtbaar als dat van zijn praktijkgenoten.

Het College is dan ook van oordeel dat ook voor beklaagde een boete ter hoogte van € 2250,- en een schorsing in de bevoegdheid de diergeneeskunde uit te oefenen voor een periode van een jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk een passende en geboden sanctie is.

Het College overweegt tenslotte dat in de zaak met nummer 2003/83 en in de zaak met nummer 2003/84 eveneens schorsingen worden opgelegd. Klager heeft verzocht de schorsingen in alle drie zaken tegelijkertijd te doen executeren.

Het College is van oordeel dat, als de aan de afzonderlijke praktijkgenoten opgelegde maatregelen gelijktijdig tot uitvoering zouden worden gebracht, de continuïteit van de diergeneeskundige zorgverlening aan de clientèle daaronder ernstig zou lijden, zelfs zodanig dat het voortbestaan van de praktijk gevaar zou kunnen lopen. Het College acht deze sanctie te zwaar.

Het College bepaalt derhalve dat de schorsingen van beklaagde en zijn praktijkgenoten na elkaar zullen worden uitgevoerd. Het is aan klager om daarvan de ingangsdatum en de volgorde te bepalen.

Het College besluit tenslotte dat de uitspraak zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant alsmede ter publicatie zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Diergeneeskunde.”

4. De overwegingen van het Veterinair Beroepscollege

4.1 In overweging 5.3. van de bestreden beslissing heeft het Veterinair Tuchtcollege ten aanzien van noodslachtverklaring met nummer 0011763 - onder meer - overwogen dat indien appellant het desbetreffende rund levend heeft gekeurd, hij bij zijn klinisch onderzoek had moeten constateren dat het dier symptomen van pleuritis had, aangezien in het slachthuis is vastgesteld dat het rund aan pleuritis leed. Het Veterinair Tuchtcollege heeft overwogen dat het vaststellen van symptomen van pleuritis een extra reden was om na te gaan of er medicijnen waren toegediend.

Ambtshalve stelt het Veterinair Beroepscollege vast dat het Veterinair Tuchtcollege met voornoemd oordeel is getreden buiten de omvang van de klacht, zoals die door de klachtambtenaar is ingediend.

De gemachtigde van de klachtambtenaar heeft ter zitting aangegeven dat het verwijt dat appellant geen symptomen van pleuritis heeft gesignaleerd impliciet moet worden geacht aanwezig te zijn in de klacht, aangezien symptomen van pleuritis op de verklaring hadden moeten worden ingevuld.

Het Veterinair Beroepscollege overweegt echter, dat appellant in de klacht slechts is tegengeworpen dat hij ten onrechte heeft verklaard ‘dat hij het logboek heeft gecontroleerd en dat het dier de laatste 28 dagen geen geneesmiddelen is toegediend’, omdat het logboek van dit dier niet op het bedrijf van Van K., doch op het bedrijf van de vorige eigenaar, aanwezig was. Naar het oordeel van het Veterinair Beroepscollege voert het te ver om het niet signaleren van symptomen van pleuritis, waarover in de klacht met geen enkel woord wordt gerept, impliciet in de klacht te lezen.

Op grond van het voorgaande komt het Veterinair Beroepscollege tot het oordeel dat de bestreden beslissing van het Veterinair Tuchtcollege reeds hierom niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd. Het Veterinair Beroepscollege doet, op grond van artikel 37, vierde lid, WUD, de zaak zelf af op na te melden wijze.

4.2 In zijn klacht stelt de klachtambtenaar dat appellant twee noodslachtverklaringen onjuist heeft ingevuld en dat hij op de hoogte was van het feit dat zijn praktijkgenoten regelmatig ten onrechte noodslachtverklaringen afgaven, zonder dat hij zich daartegen heeft verweerd. De klachtambtenaar stelt dat appellant door het valselijk (laten) opmaken van noodslachtverklaringen de volksgezondheid en diergezondheid in gevaar heeft gebracht en in strijd heeft gehandeld met het vertrouwen dat moet kunnen worden gehecht aan verklaringen van dierenartsen. Appellant zou de integriteit van en het vertrouwen in de gehele beroepsgroep in diskrediet hebben gebracht.

4.3 Conform artikel 14, aanhef en onder b, WUD is de vraag aan de orde of appellant in zodanige mate te kort is geschoten in hetgeen van hem als beoefenaar van de diergeneeskunde mocht worden verwacht dat daardoor voor de gezondheidszorg voor dieren ernstige schade heeft kunnen ontstaan.

4.4 Het Veterinair Beroepscollege stelt vast dat appellant de bevindingen van de AID, zoals deze hiervoor samenvattend zijn vermeld in de paragrafen 2.3, 2.4, 2.5 en 2.6 als zodanig heeft erkend. Het beroep van appellant is niet tegen deze uitkomsten van het onderzoek gericht.

Het Veterinair Beroepscollege oordeelt op grond van hetgeen hiervoor in paragraaf 2.3 en 2.4 is vermeld, dat appellant, door het valselijk opmaken van noodslachtverklaringen heeft gehandeld in strijd met artikel 5, lid 4, van het Besluit produktie en handel vers vlees van 7 december 1993, Stb. 1994, 12.

4.5 Het Veterinair Beroepscollege overweegt dat de wetgever de mogelijkheid in het leven heeft geroepen om slachtdieren die uit oogpunt van dierenwelzijn de weg naar het slachthuis niet meer kunnen maken en op het bedrijf van de eigenaar moeten worden gedood, desondanks voor de slacht kunnen worden aangeboden zonder levende keuring op het slachthuis. Gelet op het belang van een levende keuring en het belang van een juiste verbloeding van het slachtdier, is in artikel 5, lid 4, van het Besluit produktie en handel vers vlees voorgeschreven dat de dierenarts de taak - om het slachtdier levend te keuren en het te laten verbloeden - van de keuringsdierenarts op het slachthuis overneemt. In dat kader dient de dierenarts achtereenvolgens door middel van klinisch onderzoek vast te stellen of sprake is van afwijkingen in de gezondheidstoestand van het slachtdier, na te gaan of er kort tevoren diergeneesmiddelen zijn toegediend, het slachtdier te bedwelmen en te laten verbloeden en vervolgens vast te stellen of het dier op correcte wijze is leeggebloed. Vanwege de voedselveiligheid is het van belang dat van een voor slachting aangeboden dier wordt vastgesteld in hoeverre dit in goede gezondheid verkeerde en is het van belang dat dit na bedwelming op correcte wijze leegbloedt. Gelet op de rol die de dierenarts overneemt van de keuringsdierenarts in het slachthuis, dient de dierenarts zijn bevindingen neer te leggen in de vorenbedoelde noodslachtverklaring, welke samen met het in nood gedode dier naar het slachthuis moet worden gebracht.

Zoals het Veterinair Beroepscollege in eerdere uitspraken heeft overwogen (zie de uitspraken VB 98/07 en VB 02/17), mag een dierenarts een noodslachtverklaring slechts afgeven indien hij zelf een levende keuring heeft verricht en heeft vastgesteld dat het dier na bedwelming op correcte wijze is leeggebloed. De juistheid en volledigheid van de in het formulier opgenomen verklaringen is van groot belang voor het systeem van de georganiseerde gezondheidszorg voor dieren in Nederland. Verklaringen van dierenartsen vormen een wezenlijk onderdeel van dit systeem. De betrouwbaarheid van dit systeem staat of valt met het vertrouwen dat kan worden gehecht aan de door de dierenartsen in dit kader af te leggen verklaringen. Twijfel ten aanzien van door dierenartsen afgelegde verklaringen kan de geloofwaardigheid van het gehele systeem van de georganiseerde gezondheidszorg voor dieren in diskrediet brengen. Er zou bij het publiek een sterk wantrouwen tegen dierlijke produkten kunnen ontstaan. Zoals uit de wetsgeschiedenis - en meer in het bijzonder uit de Memorie van Antwoord - kan worden afgeleid, is de WUD mede bedoeld om de ‘volksgezondheid en de afzet van dierlijke produkten door middel van een zo goed mogelijke kwaliteitsbewaking van de dierlijke produkten te waarborgen’.

Naast gegevens omtrent bedwelming en verbloeding, geldt dit eveneens voor de op de noodslachtverklaring op te nemen gegevens omtrent diergeneesmiddelengebruik. In het belang van de volksgezondheid is in de wetgeving een systeem van kwaliteitsbewaking neergelegd, dat ertoe dient te waarborgen dat dierlijke producten vrij zijn van schadelijke stoffen. Een belangrijk aspect hiervan is het elimineren van gevaren van het achterblijven in consumptiedieren van schadelijke residuen van diergeneesmiddelen. Voor dergelijke diergeneesmiddelen zijn wachttermijnen vastgesteld, welke na toediening van deze diergeneesmiddelen in acht moeten worden genomen alvorens tot slacht kan worden overgegaan.

De dierenarts vervult in genoemd systeem een belangrijke functie en dient in het kader van noodslacht zo goed mogelijk na te gaan of en, zo ja, welke diergeneesmiddelen in de aan de slacht voorafgaande termijn van 28 dagen aan het desbetreffende dier zijn toegediend en dit op de noodslachtverklaring aan te geven.

Artikel 14, aanhef en onderdeel b, WUD moet derhalve geacht worden mede betrekking te hebben op handelen of nalaten van dierenartsen in het kader van zorgverlening aan dieren, in zoverre dit implicaties heeft voor de volksgezondheid en de afzet van dierlijke produkten. Derhalve valt het afgeven van onware noodslachtverklaringen, zoals hiervoor bedoeld, onder het toepassingsbereik van dit voorschrift aangezien dit ten gevolge kan hebben dat het systeem van keuringen wordt aangetast en vlees wordt vrijgegeven voor menselijke en dierlijke consumptie dat daarvoor niet geschikt is met alle consequenties van dien voor de afzet van dierlijke produkten.

De conclusie is dat appellant met bedoelde gedragingen in zodanige mate te kort is geschoten in hetgeen van hem als beoefenaar van de diergeneeskunde mag worden verwacht, dat daardoor voor de gezondheidszorg voor dieren ernstige schade heeft kunnen ontstaan.

4.6 Appellant heeft ten aanzien van noodslachtverklaring met nummer 00117545 verklaard dat het desbetreffende rund mogelijk zijn poot had gebroken tijdens het ophalen van dit dier van de vorige eigenaar en nog op de vrachtwagen stond waarmee hij was vervoerd. Dat is voor appellant de reden geweest om het dier naar de noodslachtplaats te laten brengen. De verklaring heeft appellant uitgeschreven omdat het dier mogelijk nog tijdens het transport zou kunnen overlijden.

De klachtambtenaar heeft aangevoerd dat appellant niet had moeten overgaan tot het uitschrijven van een noodslachtverklaring, aangezien het afgeven van een verklaring voor een nog levend dier fraude in de hand zou kunnen werken.

Het Veterinair Beroepscollege overweegt dat het juist is dat appellant zich had behoren te onthouden van het uitschrijven van een noodslachtverklaring. Een dierenarts behoort ter plekke te besluiten of het dier, gelet op maatstaven van dierenwelzijn, de rit naar de slachtplaats kan maken. Indien hij daaromtrent zijn twijfels heeft, dient de dierenarts te besluiten het dier volgens de daarvoor geldende regels te bedwelmen en te laten verbloeden. Nu appellant blijkbaar heeft geoordeeld dat het desbetreffende rund wel verder vervoerd kon worden, had hij af moeten zien van het verstrekken van een noodslachtverklaring. Het afgeven van noodslachtverklaringen voor dieren die niet direct door de dierenarts worden gedood brengt het risico met zich dat het rund door een ander op niet correcte wijze wordt gedood, met alle risico’s voor het dierenwelzijn en voor de volksgezondheid die daaraan verbonden zijn. Dat in het onderhavige geval ten aanzien van het desbetreffende rund geen sprake is geweest van risico van het in produktie komen van voor consumptie ongeschikte dierlijke produkten, aangezien het rund nog levend is gekeurd in het slachthuis, doet hier niet aan af.

Dit onderdeel van het beroep van appellant treft derhalve geen doel.

4.7 Appellant heeft ten aanzien van beide in geding zijnde noodslachtverklaringen betoogd dat de bewoordingen van de noodslachtverklaring en de achterliggende regelgeving onduidelijk is en dat het afgaan op een logboek niet de garantie kan bieden dat er geen diergeneesmiddelen met een wachttermijn in de afgelopen 28 dagen zijn toegediend. Appellant is op die grond van mening dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij op de noodslachtverklaringen heeft verklaard dat er volgens het logboek geen diergeneesmiddelen in de afgelopen 28 dagen zijn toegediend. Voorts stelt appellant dat de desbetreffende veehouder had aangegeven dat er geen diergeneesmiddelen waren toegediend en dat hij nimmer heeft meegemaakt dat verklaringen van de bewuste veehouder niet overeenkwamen met het logboek of met zijn eigen gegevens.

Het Veterinair Beroepscollege overweegt ten aanzien van de stellingen van appellant ten aanzien van het logboek, dat deze stellingen reeds hierom niet opgaan, omdat vast staat dat appellant geheel in strijd met de waarheid - door middel van het zetten van zijn handtekening onder de noodslachtverklaringen - heeft verklaard dat er volgens het logboek in de afgelopen 28 dagen geen diergeneesmiddelen zijn toegediend, nu er in de onderhavige gevallen in het geheel geen logboek op het bedrijf aanwezig was. In die zin staat reeds vast dat appellant de noodslachtverklaringen in strijd met de waarheid heeft ingevuld en daarmee de suggestie heeft gewekt dat hij zich zo goed als mogelijk is op de hoogte heeft gesteld van het diergeneesmiddelengebruik, hetgeen niet het geval was. Het Veterinair Beroepscollege merkt hierbij op dat ook indien de dierenarts afgaat op de verklaringen van een veehouder, hij op de noodslachtverklaring nimmer mag vermelden dat hij op grond van het logboek heeft vastgesteld dat er geen diergeneesmiddelen in de afgelopen 28 dagen zijn toegediend.

Ook dit onderdeel van het beroep van appellant treft derhalve geen doel.

4.8 Op grond van het voorgaande komt het Veterinair Beroepscollege tot de conclusie dat de appellant heeft gehandeld in strijd met artikel 14, aanhef en onder b, WUD en dat de klacht in zoverre gegrond is.

4.9 Omtrent de aan appellant op te leggen maatregel overweegt het Veterinair Beroepscollege het volgende.

Appellant stelt in beroep dat bij de straftoemeting zou moeten worden meegewogen dat het formulier van de noodslachtverklaring inmiddels is gewijzigd. Appellant vraagt zich af of zijn tuchtrechtelijk vergrijp nog dermate groot is dat een maatregel moet worden opgelegd, omdat hetgeen hij fout heeft gedaan in de oude verklaring in de nieuwe verklaring niet meer mogelijk zou kunnen zijn. Appellant is van mening dat de oude verklaring op essentiële punten gewijzigd is.

De klachtambtenaar heeft deze stelling weersproken en aangegeven dat met de wijziging van de oude verklaring met name is bewerkstelligd dat de veehouder nu ook zelf verantwoordelijk wordt voor de verklaring ten aanzien van diergeneesmiddelengebruik.

Het Veterinair Beroepscollege is van oordeel dat, wat er ook zij van wijziging van de desbetreffende (oude) noodslachtverklaring, het voor appellant als dierenarts geheel duidelijk had behoren te zijn welk doel (ook) met de oude noodslachtverklaring werd gediend en hoe deze verklaring ingevuld diende te worden. Ten algemene geldt dat verklaringen door een dierenarts geheel overeenkomstig de waarheid moeten worden ingevuld en dat een dierenarts zich moet onthouden van het ondertekenen en afgeven van een dergelijke verklaring indien hij de juistheid daarvan niet kan onderschrijven. Daarbij is het Veterinair Beroepscollege met de klachtambtenaar van oordeel dat de noodslachtverklaring niet op dermate essentiële punten is gewijzigd, dat dit tot de conclusie zou moeten leiden dat er sprake is van gewijzigd inzicht van de wetgever. Veeleer is het zo dat de vraagstelling op een aantal punten is aangescherpt en de onderscheiden verantwoordelijkheden nader zijn verdeeld.

Gelet op de gewichtige belangen van dierenwelzijn, dier- en volksgezondheid die met het afgeven van noodslachtverklaringen worden gediend, rekent het Veterinair Beroepscollege het onjuist invullen en het ten onrechte afgeven van deze verklaringen appellant zwaar aan. Appellant had moeten beseffen hoe groot de met de noodslachtverklaringen verbonden belangen waren en had zich rekenschap moeten geven van zijn eigen rol als dierenarts in dat kader en daarnaar moeten handelen.

Voorts rekent het Veterinair Beroepscollege het appellant zwaar aan dat hij niets heeft gedaan om een einde te maken aan het gedrag van zijn praktijkgenoten, van wie hij wist dat zij zich schuldig maakten aan het structureel ten onrechte afgeven van noodslachtverklaringen die in strijd met de waarheid waren opgesteld. Appellant stelt in beroep nog dat hij niet heeft geweten van het gedrag van zijn praktijkgenoten en dat het afgeven van noodslachtverklaringen pas met zijn praktijkgenoten is overlegd na de brief van de RVV van 2 juni 1999. Naar het oordeel van het Veterinair Beroepscollege is het echter niet aannemelijk geworden dat appellant en zijn praktijkgenoten voor de datum van 2 juni 1999 niets hebben geweten van het feit dat zij valselijk noodslachtformulieren afgaven, gelet op het feit dat dergelijke noodslachtformulieren met zekere regelmaat valselijk werden afgegeven en gelet op de verklaring die met name zijn praktijkgenoot Goossens op 26 februari 2000 tegenover de AID heeft afgelegd, dat de praktijkgenoten meerder malen in een periode van jaren - dus ook reeds voor 2 juni 1999 - hieromtrent hebben overlegd. Dit vindt bevestiging in de verklaring van Goossens, afgelegd op 24 februari 2000 zakelijk inhoudend dat na de ontvangst van de brief van de RVV ‘weer’ is afgesproken dat geen valse verklaringen moesten worden uitgeschreven. Zowel Grondhuis als Goossens hebben echter daarna valse noodslachtverklaringen afgegeven, omdat zoals Grondhuis op 27 februari 2000 tegenover de AID verklaarde: ‘het al te veel een routine geworden was’. Aangezien praktijkgenoten gelijkelijk bevoegd waren in de praktijk, was het voor appellant zeer wel mogelijk om zijn collega’s op deze bestaande - en hem bekende - praktijk aan te spreken en aldus aan deze praktijk een einde te maken. Appellant heeft dit echter niet gedaan, maar heeft berust in de gang van zaken. Samenvattend stelt het Veterinair Beroepscollege vast dat appellant reeds langere tijd wetenschap had van het feit dat zijn praktijkgenoten met wie hij in maatschapsverband samenwerkte, valse noodslachtverklaringen afgaven, dat hij de mogelijkheid had om in te grijpen maar dat hij dat heeft nagelaten en deze praktijk heeft laten voortbestaan.

Het Veterinair Beroepscollege zal appellant derhalve dezelfde straf opleggen als zijn praktijkgenoten.

Bij de straftoemeting neemt het Veterinair Beroepscollege anderzijds in aanmerking dat appellant reeds door de strafrechter een straf heeft opgelegd gekregen en dat de feiten waarvoor appellant thans voor het Veterinair Beroepscollege verantwoording aflegt meer dan vijf jaar geleden zijn gepleegd.

Op grond van het voorgaande is het Veterinair Beroepscollege van oordeel dat een geldboete van € 2.250,- en een schorsing in de bevoegdheid tot uitoefening van de diergeneeskunde van vier maanden een passende en geboden maatregel is.

Tenslotte overweegt het Veterinair Beroepscollege dat ook in de met deze zaak samenhangende zaken VB 05/05 en VB 05/06 heden uitspraak wordt gedaan en aan de praktijkgenoten van appellant schorsingen worden opgelegd. De gemachtigde van de klachtambtenaar heeft ter zitting meegedeeld dat indien schorsingen zouden worden opgelegd, deze niet gelijktijdig doch achtereenvolgens ten uitvoer zullen worden gelegd.

Slotsom

Op grond van het vorenoverwogene komt het Veterinair Beroepscollege tot de slotsom dat de in beroep bestreden beslissing van het Veterinair Tuchtcollege niet in stand kan blijven en derhalve dient te worden vernietigd en dat de klacht van klager gegrond verklaard dient te worden. Het Veterinair Beroepscollege doet, op grond van het bepaalde in artikel 37, vierde lid, WUD, de zaak zelf af op na te melden wijze.

5. Beslissing in beroep

Het Veterinair Beroepscollege:

• verklaart het beroep gegrond

• vernietigt de uitspraak, waarvan beroep

• verklaart de klacht in zijn geheel gegrond

• legt aan appellant de maatregel van een geldboete op, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel c, WUD, ter hoogte van € 2.250,-

• legt aan appellant de maatregel van een schorsing in de bevoegdheid tot uitoefening van de diergeneeskunde op, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel d, WUD, voor een periode van 4 maanden

• beveelt op grond van artikel 16, vierde lid, van de WUD dat de uitspraak wordt bekendgemaakt in de Staatscourant en ter publicatie aan het Tijdschrift voor Diergeneeskunde wordt aangeboden.

Aldus gewezen door de voorzitter mr. C.R.L.R.M. Ficq en de leden mr. G. van der Wiel, mr. H.C. Cusell, drs. N.H. Lieben (dierenarts) en drs. C.J.M. Manders (dierenarts), in tegenwoordigheid van de secretaris mr. S.F.G. Cornel-van der Meulen en door de voorzitter te ’s-Gravenhage op 24 november 2005 in het openbaar uitgesproken.

De secretaries.
De voorzitter.