﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE stcart PUBLIC "-//SDU//DTD staatscourant xml 1.1//NL" "../../dtd/stcrt-11.dtd"[]>
<stcart soort="reg" status="bewerkt" publtype="stct">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2003-55-p12-SC39059/metadata.xml" />
  </metadata>
  <frontm>
    <versie dtd="1.5" conv="$Revision: 1.5 $__0" markup="hxa"></versie>
    <artcode>055-1201</artcode>
    <stcgeg>
      <tekst>Uit: Staatscourant 19 maart 2003, nr. 055</tekst>
      <dag>Woensdag</dag>
      <datum>19 maart 2003</datum>
      <nummer>055</nummer>
    </stcgeg>
    <chapeau>
      <mincodes>VW </mincodes>
    </chapeau>
    <titel>Regeling eenmalige uitkering baggerwerkzaamheden bebouwd gebied</titel>
    <opschr>Regeling van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, nr. HDJZ/ABR/2003-310
houdende regels met betrekking tot de toekenning van een eenmalige specifieke
uitkering voor de uitvoering van baggerwerkzaamheden in bebouwd gebied (Regeling
eenmalige uitkering baggerwerkzaamheden bebouwd gebied) </opschr>
    <bron>
      <datum>14 maart 2003</datum>/<kenmerk>HDJZ/ABR/2003-310</kenmerk><afd>Hoofddirectie Juridische Zaken</afd></bron>
  </frontm>
  <body>
    <al>De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,</al>
    <al>Gelet op artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet;</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Besluit: </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 1</tuskop>
    <al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al>
    <al>a. <nadruk type="cur">minister:</nadruk> de Minister van Verkeer en Waterstaat;</al>
    <al>b. <nadruk type="cur">waterschap:</nadruk> het waterschap dat voor het boven het plangebied
dan wel boven een gedeelte daarvan gelegen oppervlaktewater belast is met
het waterkwaliteitsbeheer, waterkwantiteitsbeheer of het vaarwegbeheer;</al>
    <al>c. <nadruk type="cur">gemeente:</nadruk> de gemeente binnen wiens grondgebied het plangebied
is gelegen;</al>
    <al>d. <nadruk type="cur">plangebied:</nadruk> de bodems, binnen het grondgebied van een gemeente,
van de binnen de bebouwde kom gelegen oppervlaktewateren of van oppervlaktewateren
waarvoor die gemeente is belast met het vaarwegbeheer;</al>
    <al>e. <nadruk type="cur">baggerplan:</nadruk> een plan voor het gehele plangebied dan wel
voor het gedeelte daarvan dat binnen het gebied van het waterschap is gelegen,
dat ziet op het uitbaggeren van tot het plangebied behorende bodems voor het
onderhoud van de waterhuishoudings- en vaarwegfunctie en dat is opgesteld
in overeenstemming met de Tijdelijke regeling eenmalige subsidies baggerplannen
bebouwd gebied, zoals dat gold onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding
van deze regeling;</al>
    <al>f. <nadruk type="cur">uitvoeringsplan:</nadruk> een plan ter uitvoering van één
of meerdere  baggerplannen;</al>
    <al>g. <nadruk type="cur">baggerwerkzaamheden:</nadruk> het uitbaggeren van de waterbodem;</al>
    <al>h. <nadruk type="cur">baggerproject:</nadruk> project zijnde een onderdeel van een uitvoeringsplan
om baggerwerkzaamheden uit te voeren en de hieruit ontstane baggerspecie te
transporteren en te bestemmen;</al>
    <al>i. <nadruk type="cur">plangebonden depot:</nadruk> depot dat wordt benut in het kader van
het uitvoeringsplan;</al>
    <al>j. <nadruk type="cur">uitvoeringsorganisatie:</nadruk> door de minister aan te wijzen organisatie
belast met de uitvoering van deze regeling. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 2</tuskop>
    <al>De minister kan ter stimulering van de uitvoering van baggerwerkzaamheden
in het plangebied aan een gemeente dan wel een waterschap een eenmalige specifieke
uitkering toekennen als tegemoetkoming in de kosten van een uitvoeringsplan. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 3</tuskop>
    <al>Het totale bedrag van de op grond van deze regeling te verlenen uitkeringen
bedraagt</al>
    <al>80 miljoen euro, waarvan ten hoogste:</al>
    <al>a. 20 miljoen euro voor uitvoeringsplannen op grond waarvan  minder dan
100.000 m<sup>3</sup> water-bodem in situ wordt uitgebaggerd; en</al>
    <al>b. 60 miljoen euro voor uitvoeringsplannen op grond waarvan 100.000 m<sup>3</sup> of meer waterbodem in situ wordt uitgebaggerd. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 4</tuskop>
    <al>1. De uitkering bedraagt 33% van de kosten die rechtstreeks aan het uitvoeringsplan
met een looptijd van maximaal 4 jaar zijn toe te rekenen, doch niet meer dan
10 miljoen euro per aanvrager.</al>
    <al>2. Tot de kosten, bedoeld in het eerste lid, behoren de kosten van:</al>
    <al>a. de baggerwerkzaamheden;</al>
    <al>b. het vervoeren van de baggerspecie en het andere tezamen met baggerspecie
uitgebaggerde materiaal;</al>
    <al>c. het bestemmen van de baggerspecie en het andere tezamen met baggerspecie
uitgebaggerde materiaal;</al>
    <al>d. de kosten van de aanleg, het beheer en de ontmanteling van een plangebonden
depot.</al>
    <al>3. Tot de kosten,  bedoeld in het eerste lid, behoren niet:</al>
    <al>a. de kosten van voorbereiding ten behoeve van het uitvoeringsplan;</al>
    <al>b. de kosten die reeds op grond van een andere regeling voor een financiële
bijdrage van het Rijk of de Europese Unie in aanmerking komen;</al>
    <al>c. de heffing die verschuldigd is op voet van artikel 13, eerste lid,
van de Wet belastingen op milieugrondslag. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 5</tuskop>
    <al>1. De aanvraag voor een uitkering wordt door een gemeente of een waterschap
ingediend bij de uitvoeringsorganisatie met behulp van het door de minister
vastgestelde aanvraagformulier. Het aanvraagformulier is ondertekend door
het bestuur van de gemeente of het waterschap.</al>
    <al>2. De aanvraag gaat vergezeld van:</al>
    <al>a. het baggerplan of de baggerplannen waarvan het uitvoeringsplan de uitwerking
is;</al>
    <al>b. het uitvoeringsplan.</al>
    <al>3. Een aanvraag kan door een gemeente of waterschap mede namens een andere
gemeente of een waterschap worden ingediend. In dat geval gaat de aanvraag
tevens vergezeld van een verklaring waaruit blijkt dat de aanvrager de aanvraag
mede namens de andere gemeente of het andere waterschap indient en treedt
de aanvrager mede namens de andere gemeente of het andere waterschap op bij
de verdere uitvoering van deze regeling.</al>
    <al>4. Indien geen subsidie is ontvangen op grond van de Tijdelijke regeling
eenmalige subsidies baggerplannen bebouwd gebied, bevat de aanvraag tevens
een verklaring, als bedoeld in artikel 5, vierde lid, onderdeel c, van die
regeling.</al>
    <al>5. Per baggerproject uit het uitvoeringsplan wordt aangegeven:</al>
    <al>a. de projectnaam en de projectlocatie;</al>
    <al>b. de beoogde start- en einddatum;</al>
    <al>c. het beoogde aantal m<sup>3</sup> waterbodem in situ dat wordt gebaggerd;</al>
    <al>d. de beoogde bestemming van de baggerspecie;</al>
    <al>e. een specificatie van de begrote kosten; en</al>
    <al>f. de financiële bijdragen voor het project die op grond van een
andere regeling zijn aangevraagd of toegekend.</al>
    <al>6. Het uitvoeringsplan bevat één of meer kaarten met een
schaal van 1:10.000, waarop zijn  aangeven:</al>
    <al>a. de geplande baggerprojecten;</al>
    <al>b. de grens van de bebouwde kom;</al>
    <al>c. de functie van de wateren waar volgens de planning wordt gebaggerd;</al>
    <al>d. de beheerders van de vaarwegen waar wordt gebaggerd.</al>
    <al>7. Aanvragen kunnen worden ingediend tot uiterlijk 1 september 2006. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 6</tuskop>
    <al>1. De uitkering wordt niet verleend indien:</al>
    <al>a. uit het uitvoeringsplan niet blijkt dat de uitvoering van het plan
zal worden gestart binnen één jaar na de datum van de aanvraag;</al>
    <al>b. uit de specificatie van de begrote kosten, bedoeld in artikel 5, vijfde
lid, onderdeel e, blijkt dat de aanleg, het beheer en de ontmanteling van
een plangebonden depot in het totaal van de begrote kosten een aandeel heeft
van meer dan 50%; en</al>
    <al>c. gegronde vrees bestaat dat betrokkenen het uitvoeringsplan niet kunnen
financieren.</al>
    <al>2. Indien voor het uitvoeringsplan door het Rijk uit anderen hoofde of
door de Europese Unie</al>
    <al>financiële bijdragen worden verleend, wordt de uitkering op grond
van deze regeling zodanig verlaagd dat de uitkering niet meer bedraagt dan
het ingevolge artikel 4, eerste lid, bedoelde bedrag.</al>
    <al>3. Voor zover het uitvoeringsplan baggerwerkzaamheden bevat waarvan de
uitvoering reeds in het jaar 2002 is gestart, wordt de uitkering bovendien
slechts verleend, indien:</al>
    <al>a. de aanvraag uiterlijk 1 juli 2003 door de uitvoeringsorganisatie is
ontvangen;</al>
    <al>b. de betrokken baggerwerkzaamheden op of na 1 oktober 2002 zijn opgedragen;</al>
    <al>c. de aanvrager kan aantonen dat in de begroting van de gemeente of het
waterschap na 12 april 2002 extra gelden voor  baggerwerkzaamheden zijn vrijgemaakt. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 7</tuskop>
    <al>1. Door de minister wordt op de aanvragen in volgorde van ontvangst beslist,
met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene
wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de
datum waarop de aanvraag is aangevuld geldt als datum van ontvangst.</al>
    <al>2. De minister beslist binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag.</al>
    <al>3. Artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige
toepassing.</al>
    <al>4. Verlening van de uitkering geschiedt onder het voorbehoud van goedkeuring
door de Staten-Generaal van de in de begroting van het Infrastructuurfonds
opgenomen bedragen voor de uitkering voor het desbetreffende jaar. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 8</tuskop>
    <al>1. Een wijziging van het uitvoeringsplan wordt bij de eerstvolgende voortgangsrapportage
gemeld. Bij deze melding wordt aangegeven de aard van de wijziging, de reden
van de wijziging en de gevolgen voor het uitvoeringsplan, inclusief het aantal
te baggeren m<sup>3</sup> waterbodem in situ.</al>
    <al>2. De ontvanger van een uitkering handelt in overeenstemming met het uitvoeringsplan
of het gemelde gewijzigde uitvoeringsplan.</al>
    <al>3. Artikel 4:38 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige
toepassing. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 9</tuskop>
    <al>1. Bij de verlening wordt het bedrag aangegeven dat per kalenderjaar ten
hoogste aan voorschotten kan worden verleend.</al>
    <al>2. De voorschotten worden halfjaarlijks verleend op basis van in te dienen
declaraties, die zijn afgestemd op de gerealiseerde voortgang van het werk
en die zijn onderbouwd met een voortgangsrapportage.</al>
    <al>3. De declaraties met de voortgangsrapportage worden na de toekenning
van de aanvraag steeds voor 1 mei en voor 1 november van enig jaar ingediend.
Zes maanden na de looptijd van het uitvoeringsplan kunnen geen declaraties
meer worden ingediend.</al>
    <al>4. De voorschotten worden betaald binnen acht weken na ontvangst van de
declaratie.</al>
    <al>5. De voortgangsrapportage bevat in ieder geval:</al>
    <al>a. een overzicht van de over het afgelopen half jaar gerealiseerde werkzaamheden,
in het bijzonder het aantal m<sup>3</sup> gebaggerde specie, de kwaliteitsklasse
van deze specie en de bestemming ervan;</al>
    <al>b. een overzicht van alle voor het uitvoeringsplan gemaakte kosten, met
een verbijzondering van de over het afgelopen half jaar gemaakte kosten;</al>
    <al>c. een geactualiseerde planning van de in het kader van het uitvoeringsplan
nog te verrichten werkzaamheden, in het bijzonder in het eerstvolgende half
jaar;</al>
    <al>d. een raming van alle voor het uitvoeringsplan nog te maken kosten, met
een verbijzondering van de kosten voor het eerstvolgende half jaar; en</al>
    <al>e. een overzicht van de wijzigingen ten opzichte van het uitvoeringsplan. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 10</tuskop>
    <al>1. De ontvanger van een uitkering dient binnen zes maanden na de looptijd
van het uitvoeringsplan bij de minister een aanvraag in tot vaststelling van
de uitkering.</al>
    <al>2. De aanvraag tot vaststelling van de uitkering gaat vergezeld van:</al>
    <al>a. een  inhoudelijk verslag over de tijdens de looptijd van het uitvoeringsplan
uitgevoerde werkzaamheden;</al>
    <al>b. een financieel eindverslag over de tijdens de looptijd van het uitvoeringsplan
gemaakte kosten verbonden aan de werkzaamheden.</al>
    <al>3. Het financieel eindverslag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b,
is voorzien van een accountantsverklaring, die is opgesteld overeenkomstig
het in de bijlage bij deze regeling opgenomen controleprotocol.</al>
    <al>4. Indien de verleende uitkering minder bedraagt dan 100.000 euro, kan
in afwijking van het derde lid  worden volstaan met een financieel eindverslag.</al>
    <al>5. De artikelen 4:46, 4:47 en 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht zijn
van overeenkomstige toepassing. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 11</tuskop>
    <al>1. Het uitkeringsbedrag wordt overeenkomstig de vaststelling betaald,
onder verrekening van de betaalde voorschotten.</al>
    <al>2. Het uitkeringsbedrag wordt binnen 4 weken na de vaststelling betaald. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 12</tuskop>
    <al>De minister kan onverschuldigd betaalde uitkeringsbedragen en voorschotten
terugvorderen voor zover na de betaling van de uitkering nog geen vijf jaren
zijn verstreken. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 13</tuskop>
    <al>1. De ontvanger van een uitkering verleent op verzoek van de minister
alle medewerking aan een door de minister ingesteld evaluatieonderzoek, bedoeld
om te beoordelen in welke mate deze uitkering een toegevoegde waarde heeft
geleverd aan de door de minister geformuleerde beleidsdoelstellingen.</al>
    <al>2. De opgedane kennis en ervaring met betrekking tot de uitvoering van
het uitvoeringsplan, stelt de gemeente dan wel het waterschap om niet ter
beschikking aan de minister voor gebruik ten algemenen nutte. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 14</tuskop>
    <al>Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening
van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van
1 januari 2007, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op uitkeringen
die voor die datum zijn verleend. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 15</tuskop>
    <al>Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling eenmalige uitkering baggerwerkzaamheden
bebouwd gebied.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.</al>
  </body>
  <backm>
    <ondtek>
      <min>De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,</min>M.H.
Schultz van Haegen.<nl></nl></ondtek>
    <toelicht>
      <tuskop letat="vet">Toelichting </tuskop>
      <tuskop letat="vet">1. Algemeen </tuskop>
      <tuskop letat="cur">1.1. Aanleiding tot de regeling</tuskop>
      <al>Veel gemeenten in Nederland hebben een waterbodemprobleem. Op tal van
plaatsen worden zij geconfronteerd met verontreinigde bagger die zij bij voorkeur
zo snel mogelijk willen verwijderen, omdat de bagger in toenemende mate een
probleem vormt voor de scheepvaart, de waterhuishouding, het milieu of de
kwaliteit van de leefomgeving. Het afgelopen decennium is in de stedelijke
wateren echter vrijwel alleen het hoogst noodzakelijke baggerwerk uitgevoerd.
Oorzaken hiervan zijn onder meer de steeds stijgende kosten van het baggerwerk
en een tekort aan bestemmingsmogelijkheden voor de vrijkomende baggerspecie.
De stijgende kosten en het tekort aan bestemmingsmogelijkheden voor de bagger
zijn ontstaan omdat de bagger meestal verontreinigd is en  niet altijd meer
op het land of in het water gestort mag worden, zoals gebruikelijk was. In
plaats daarvan moet de bagger bijvoorbeeld naar een stortplaats worden gebracht
of naar een verwerkingsinrichting om de bagger te verwerken tot een nuttig
toepasbaar product. Dat brengt extra kosten met zich mee. Het gebrek aan financiële
middelen en bestemmingsmogelijkheden voor de baggerspecie heeft het kabinet
in 1998 doen besluiten 115 miljoen gulden ter beschikking te stellen voor
additionele stortcapaciteit, intensivering van regionale waterbodemsanering
en baggerplannen voor het bebouwde gebied. Verder zijn middelen ter beschikking
gesteld om de verwerking en reiniging van verontreinigde baggerspecie te stimuleren.
Met het verminderen van het tekort aan bestemmingsmogelijkheden voor de baggerspecie,
is de waterbodemproblematiek echter nog niet opgelost: vervolgactie is nodig
waarbij nu het baggeren zelf ter hand wordt genomen.</al>
      <al>De vervolgactie heeft gestalte gekregen door een gezamenlijk initiatief
in 1999 van de ministers van Verkeer en Waterstaat en Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening voor een integrale aanpak van de waterbodemproblematiek. Dit initiatief
heeft geleid tot het rapport Tienjarenscenario Waterbodems, waarin landsdekkend
de omvang van de te baggeren waterbodem in kaart is gebracht. Uit dat rapport
bleek dat er een omvangrijke `baggervoorraad' is, die bestaat uit achterstanden
in onderhoud en ernstig verontreinigde waterbodems die gesaneerd moet worden.</al>
      <al>Over het Tienjarenscenario Waterbodems is een bestuurlijk advies uitgebracht
door het bestuurlijk overleg Tienjarenscenario Waterbodems. In lijn met dit
bestuurlijk advies heeft het kabinet besloten 150 miljoen euro in te zetten
voor het inlopen van achterstanden in het noodzakelijke baggerwerk in de periode
tot en met 2006 (Kamerstukken II, 2000/2001, 26401, nr. 28, p. 3) Van dit
bedrag zet het kabinet 85 miljoen in als impuls voor de uitvoering van onderhoudsbaggerwerk
in bebouwd gebied. Het kabinet stelt een rijksbijdrage beschikbaar op voorwaarde
van bijdragen door andere overheden. Op deze wijze wordt een multiplier-effect
gegenereerd. </al>
      <tuskop letat="cur">1.2. Grondslag van de regeling</tuskop>
      <al>De wettelijke basis van deze regeling is voor wat betreft de uitkering
aan gemeenten gelegen in artikel 17, vijfde lid, van de Financiële verhoudingswet.
Op basis van dit artikel kunnen eenmalige specifieke uitkeringen aan gemeenten
bij ministeriële regeling worden geregeld. Aangezien er voor wat betreft
de waterschappen geen wettelijke grondslag aanwezig is, is deze regeling voor
waterschappen aan te merken als een beleidsregel. Hiermee is de grondslag
van deze regeling gelijk aan die van de Tijdelijke regeling eenmalige subsidies
baggerplannen bebouwd gebied. Overwogen is vanwege het verschil in status
van beide regelingen voor de uitkering aan gemeenten en de uitkering aan waterschappen
twee afzonderlijke regelingen te maken, maar ten behoeve van de overzichtelijkheid
is ervoor gekozen dit niet te doen. </al>
      <tuskop letat="cur">1.3. Doel van de regeling</tuskop>
      <al>Met deze regeling wordt beoogd een impuls te geven aan het inlopen van
de achterstand met betrekking tot onderhoudsbaggerwerkzaamheden in bebouwd
gebied. Het gaat dus om een inhaalslag. Voor deze regeling heeft het kabinet
85 miljoen euro ter beschikking gesteld. Dit is inclusief de uitvoeringskosten
van de regeling die zijn ingeschat op 5 miljoen euro. Hiermee komt het beschikbaar
budget voor de uitkeringen op 80 miljoen euro (uitkeringenplafond). Mochten
de uitvoeringskosten gedurende de looptijd van de regeling lager uitvallen
dan zal het uitkeringenplafond daarmee worden verhoogd. De regeling beoogt
tevens de bewustwording voor structurele reservering van de beschikbare financiële
middelen voor baggerwerkzaamheden door Gemeenten en Waterschappen te bevorderen,
zodat ook na deze impuls er permanent sprake zal zijn van een vergroting van
het jaarlijkse baggervolume voor onderhoudsbaggerwerkzaamheden in bebouwd
gebied. </al>
      <tuskop letat="cur">1.4. Looptijd van de regeling</tuskop>
      <al>De regeling is in principe bestemd voor een periode van 4 jaar, te weten
de jaren 2003 tot en met 2006. Omdat aanvragen kunnen worden ingediend tot
1 september 2006, kan de regeling feitelijk een langer lopend effect hebben.
Als medio 2006 nog een aanvraag wordt ingediend voor een uitvoeringsplan met
een looptijd van 4 jaar, kunnen er nog tot 2011 declaraties ingediend worden. </al>
      <tuskop letat="cur">1.5. Totstandkoming van de regeling</tuskop>
      <al>Voor de totstandkoming van de regeling is overleg gepleegd met onder meer
de Unie van Waterschappen, het  IPO en de VNG. Daarnaast heeft uitvoeringsorganisatie
NOVEM geadviseerd over de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de regeling.
Notificatie in Brussel is niet noodzakelijk, omdat hier geen sprake is van
staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG. De bijdrage aan andere overheden
wordt namelijk enkel aangewend voor de uitvoering van hun publieke taak om
de publieke waterwegen open te houden. </al>
      <tuskop letat="cur">2. Inhoud van de regeling</tuskop>
      <al>Gemeenten dan wel waterschappen kunnen op grond van deze regeling slechts
één maal een uitkering ontvangen als bijdrage in een deel van
de kosten van een uitvoeringsplan. Dit uitvoeringsplan is de uitwerking van
één of meer baggerplannen. In het uitvoeringsplan worden onder
meer opgenomen de locaties van de geplande baggerwerkzaamheden, het beoogde
aantal m<sup>3</sup> waterbodem dat wordt gebaggerd en de bestemming van de
baggerspecie.</al>
      <al>De verantwoordelijkheid voor de juiste aanwending van de uitkering ligt
primair bij de gemeenten en waterschappen. Dat spoort met het karakter van
specifieke uitkering waar als enige eis geldt dat de gelden worden besteed
aan een afgebakend beleidsonderwerp. De gemeenten en waterschappen</al>
      <al>bepalen zelf welke baggerwerkzaamheden zij willen uitvoeren om de achterstanden
in de bebouwde kom in te lopen en hoe zij de baggerspecie willen bestemmen.
Dat heeft tot gevolg dat de aanvragen onderling niet worden vergeleken  op
aspecten als het aantal te baggeren m<sup>3</sup> waterbodem en de daaraan
gerelateerde kosten. Ook is de bestemming van de baggerspecie geen beoordelingscriterium.</al>
      <al>Wel wordt bekeken of het gaat om onderhoudsbaggerwerkzaamheden en niet
om saneringwerkzaamheden en dat de baggerwerkzaamheden buiten de bebouwde
kom alleen worden verricht bij vaarwegen die in beheer zijn bij een gemeente
en niet bij een waterschap.</al>
      <al>Daarnaast moet de aanvraag voldoen aan een aantal formele aspecten. Zo
moet een aanvraag ingediend worden met behulp van een aanvraagformulier en
moet deze vergezeld gaan van het baggerplan (of de baggerplannen) en een uitvoeringsplan.
Indien een aanvraag niet voldoet aan de gestelde eisen, kan deze - nadat de
aanvrager een termijn is gegund om de aanvraag aan te vullen - buiten behandeling
worden gelaten. </al>
      <tuskop letat="cur">3. Samenhang met andere beleidsinstrumenten</tuskop>
      <al>De onderhavige regeling maakt onderdeel uit van een groter geheel van
regelingen. Tezamen beogen deze regelingen bij te dragen aan het realiseren
van de beleidsdoelstellingen die door achtereenvolgende kabinetten zijn geformuleerd
inzake het baggeren van de waterbodem en de bestemming van de baggerspecie.
Samengevat behelzen de beleidsdoelstellingen twee hoofdelementen. In de eerste
plaats gaat het om het bereiken van een voldoende omvang van de baggerwerkzaamheden
in de komende jaren, en in het bijzonder om een extra inspanning om achterstanden
in te lopen. In de tweede plaats wordt gestreefd naar een vanuit milieuoogpunt
zo goed mogelijke bestemming van de baggerspecie. Dit betreft enerzijds het
bevorderen van het bewerken van baggerspecie met het oog op nuttige toepassing
en anderzijds het ontmoedigen van het storten.</al>
      <al>De regeling bouwt voort op de Tijdelijke regeling eenmalige subsidies
baggerplannen bebouwd gebied, die is gericht op het totstandkomen van baggerplannen
voor het bebouwd gebied, het inventariseren van de baggerproblematiek en het
inzichtelijk maken van de verantwoordelijkheden van de verschillende waterbeheerders.
Deze voorafgaande regeling is in het jaar 2000 van start gegaan en zou oorspronkelijk
met ingang van 1 januari 2003 vervallen. Inmiddels is besloten om de regeling
te verlengen tot 1 januari 2005. De subsidie kan aangevraagd worden door gemeenten
en waterschappen.</al>
      <al>De Stimuleringsregeling verwerking baggerspecie (SVB) en de Wet belastingen
op milieugrondslag (Wbm) zijn gericht op de beïnvloeding van de bestemming
van de baggerspecie.    De SVB heeft tot doel het stimuleren van de marktontwikkelingen
voor het verwerken van baggerspecie tot bouwstof en het toepassen in werken
en het hierbij opdoen van kennis en ervaring, zodat uiteindelijk minder baggerspecie
in depots gestort behoeft te worden. Voor de regeling komt alleen niet reinigbare
klasse 3 en 4 baggerspecie in aanmerking. In het geval van de SVB komt de
subsidie ten goede aan de verwerker. Met de Wbm wordt vanaf 1 januari 2002
belasting geheven op het storten van reinigbare baggerspecie, de Wbm heeft
tot doel het verminderen van het storten van baggerspecie in depots en het
stimuleren van verwerking van baggerspecie tot bouwstoffen, zodat het verbruik
van primaire grondstoffen wordt verminderd. Als reinigbare baggerspecie wordt
beschouwd baggerspecie met zandgehalte van 60% of meer. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikelsgewijs </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1</tuskop>
      <al>De meeste definities zijn ontleend aan de Tijdelijke regeling eenmalige
subsidies baggerplannen bebouwd gebied. Met het oog op een goede aansluiting
met deze regeling zijn deze definities ongewijzigd overgenomen.</al>
      <al>Onder de definitie van `baggerplan' vallen niet alleen baggerplannen die
zijn opgesteld met een subsidie op grond van de Tijdelijke regeling eenmalige
subsidies baggerplannen bebouwd gebied. Voldoende is dat het baggerplan voldoet
aan de eisen die in deze regeling aan baggerplannen zijn gesteld. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 3</tuskop>
      <al>Het is bedoeling dat zowel grote als minder grote uitvoeringsplannen worden
ondersteund door middel van een uitkering. Om te bewerkstelligen dat alle
plannen op een evenwichtige wijze aan hun trekken komen, worden de uitvoeringsplannen
onderscheiden in twee categorieën. Voor elk van beide categorieën
is apart bedrag beschikbaar.</al>
      <al>Op grond van de regeling kan een uitvoeringsplan zijn gebaseerd op meer
dan één baggerplan. Als het totale uitvoeringsplan betrekking
heeft op 100.000 kubieke meters of meer, valt het in de categorie `grote plannen',
ook al zouden de afzonderlijke baggerplannen in de categorie `kleine plannen'
vallen.</al>
      <al>Bij de categorie-indeling wordt uitgegaan van gebaggerde waterbodem in
situ. Dat wil zeggen dat het gaat om de ongeroerde waterbodem ofwel de toestand
van de waterbodem zoals die voor de uitvoering van baggeractiviteiten aanwezig
is. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4</tuskop>
      <al>Ingevolge het eerste lid bedraagt de uitkering per aanvrager 33% van de
gemaakte kosten. Om te voorkomen dat deze kosten ongelimiteerd kunnen worden
gedeclareerd, is de uitkering aan een maximum bedrag gebonden. Naast een deel
van de kosten voor het baggeren, wordt ook een deel van de kosten van het
transporten en het bestemmen van de baggerspecie vergoed. Dit is in het tweede
lid geregeld. Reden om ook de kosten voor transport en bestemming te vergoeden,
is het feit dat deze kosten soms 70 % van de totale kosten van een baggerproject
kunnen uitmaken. Zouden deze kosten niet vergoed worden, dan bestaat de kans
dat de achterstand in baggerwerkzaamheden nog steeds niet ingelopen worden,
omdat de ontvangers van een uitkering vervolgens geen geld hebben om de baggerspecie
te transporteren en te bestemmen.</al>
      <al>Overigens is bestemmen een ruim begrip. Er wordt onder verstaan:</al>
      <al>a. het direct toepassen van dat materiaal;</al>
      <al>b. het verspreiden van dat materiaal;</al>
      <al>c. het reinigen of behandelen van dat materiaal met als doel er een bouwstof
van te maken;</al>
      <al>d. het tijdelijk of definitief bergen van dat materiaal in een depot;</al>
      <al>e. de aanleg, het beheer of de ontmanteling van een plangebonden depot.</al>
      <al>Uit deze opsomming blijkt dat `bestemmen' in principe alle handelingen
omvat met het gebaggerde materiaal, met uitzondering van het transport en
de toepassing als bouwstof na reinigen of behandelen.</al>
      <al>Van de waterbodem komt niet alleen baggerspecie vrij. Zo kan ook puin
worden opgebaggerd. Voor de toepassing van de regeling maakt dat geen verschil.
Daarom wordt in het tweede lid gesproken over `de baggerspecie en het andere
uitgebaggerde materiaal'. In verband daarmee kon ook worden afgezien van het
opnemen van een definitie van `baggerspecie' in de regeling. Overigens is
een goed bruikbare definitie van `baggerspecie' te vinden in het concept van
de Regeling beoordeling reinigbaarheid baggerspecie, waarvan de tekst voorlopig
is opgenomen in het Reglement van het Service Centrum Grond (Stcrt. 2001,
249, bijlage A).  Deze definitie van baggerspecie luidt: `grond die uit de
bodem is vrijgekomen via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde
ruimte, daaronder begrepen sediment en het residu van de reiniging van baggerspecie'.</al>
      <al>In het derde lid is geregeld welke kosten niet voor een bijdrage in aanmerking
komen, zoals de voorbereidingskosten. Hieronder worden onder meer verstaan
de kosten van aanbesteding en gunning. Door geen uitkering te verlenen voor
kosten die reeds op grond van een andere regeling van rijkswege of van de
Europese Unie vergoed worden, wordt voorkomen dat dezelfde activiteit meerdere
malen voor een vergoeding in aanmerking komt. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5</tuskop>
      <al>Teneinde voor subsidie in aanmerking te komen dient een gemeente of waterschap
een aanvraag in bij een door de minister aangewezen uitvoeringsorganisatie.
Basis daarvoor is een volledig ingevuld aanvraagformulier dat bij de uitvoeringsorganisatie
is op te vragen. Het tweede lid regelt de bij het aanvraagformulier te voegen
gegevens. De aanvraag wordt - ook als het een gezamenlijk initiatief betreft
- ingediend door één gemeente of waterschap, ondertekend door
het bestuur. Deze gemeente of dit waterschap treedt in dat geval op als vertegenwoordiger
(derde lid).</al>
      <al>Op grond van artikel 5, vierde lid, onderdeel c, van de Tijdelijke regeling
eenmalige subsidies baggerplannen bebouwd gebied moet bij een aanvraag voor
een subsidie voor het opstellen van een baggerplan een verklaring worden overgelegd
dat het plan is opgesteld in overleg met de betrokken gemeente of waterschap(pen).
Artikel 5, vierde lid, van deze regeling sluit daarbij aan. Als een uitkering
wordt aangevraagd op basis van een baggerplan dat niet is opgesteld met toepassing
van de Tijdelijke regeling eenmalige subsidies baggerplannen bebouwd gebied,
moet zo'n verklaring alsnog worden overgelegd.</al>
      <al>Bij de specificatie van de begrote kosten wordt ingevolge het vijfde lid
een onderscheid gemaakt naar de kosten voor het baggeren, de kosten van het
transporteren van de baggerspecie, de kosten van het bestemmen van de baggerspecie
en kosten van de aanleg, het beheer en de ontmanteling van een plangebonden
depot. Binnen deze kostencategorieën wordt een onderscheid gemaakt naar
de externe en de interne kosten. Van de interne kosten geeft de specificatie
aan wat de directe loonkosten en de algemene opslagkosten zijn.</al>
      <al>Om te kunnen bepalen of iets binnen de doelstelling van de regeling valt,
moet op een kaart worden aangegeven wat de grens van de bebouwde kom is, welke
functie het uitbaggeren van de waterbodem dient (alleen onderhoudswerkzaamheden
komen in aanmerking voor een uitkering) en wie de beheerder van de wateren
is.  Dat is geregeld in het zesde lid. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 6</tuskop>
      <al>Wil een aanvrager die reeds in 2002 met extra baggerwerkzaamheden is gestart
in aanmerking komen voor een uitkering, dan moeten de baggerwerkzaamheden
aldus het derde lid op of na 1 oktober 2002 zijn opgedragen. De kosten van
baggerwerkzaamheden die voor die datum zijn opgedragen komen niet voor een
uitkering in aanmerking, om te voorkomen dat met deze regeling allerhande
`oude' baggerprojecten worden gefinancierd. Dat zou het stimuleringskarakter
van deze regeling teniet doen.</al>
      <al>Tevens moet de aanvrager kunnen aantonen dat hij na 12 april 2002, extra
middelen in zijn begroting voor baggerwerkzaamheden heeft vrijgemaakt. Dat
is de datum waarop de ministerraad heeft besloten dat er een regeling komt
waarmee extra middelen beschikbaar worden gesteld voor het inlopen van achterstanden
bij baggerwerkzaamheden. Een aantal gemeenten en waterschappen zijn vooruitlopend
op de totstandkoming van deze regeling reeds met extra baggerwerkzaamheden
gestart </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 8</tuskop>
      <al>In de praktijk is het moeilijk om baggerwerkzaamheden over een langere
periode te plannen. Plotselinge ontwikkelingen in het waterhuishoudkundige
systeem kunnen ertoe leiden dat de prioriteiten worden verlegd. Ook kunnen
begeleidende werkzaamheden, zoals het creëren van stort- of bewerkingscapaciteit,
voor vertraging zorgen. Daarom kan de planning tussentijds worden aangepast.
Wel moet een dergelijke aanpassing worden gemeld. Bij gebreke daarvan zal
de betrokkene die gegevens alsnog moeten leveren. Het niet of niet volledig
voldoen aan de meldingsplicht kan meebrengen dat de uitkering wordt ingetrokken
of gewijzigd (artikel 7, derde lid). De uitkering kan ook worden ingetrokken
of gewijzigd wanneer de wijzigingen in het uitvoeringsplan niet binnen het
bereik van deze regeling vallen, bijvoorbeeld omdat het gaat om vaarwegen
buiten de bebouwde kom die niet in beheer zijn bij een gemeente . </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 9</tuskop>
      <al>Bevoorschotting geschiedt aan de hand van ingediende declaraties, die
onderbouwd zijn met een voortgangsrapportage. In de halfjaarlijkse voortgangsrapportage
dient onder meer vermeld te worden wat de kwaliteitsklasse is van de gebaggerde
baggerspecie. Een indeling van de kwaliteitsklassen kan gevonden worden in
artikel 1 van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen en
de Evaluatienota water. De bepaling van de kwaliteit geschiedt volgens één
van de 10 protocollen zoals gehanteerd bij de Wbm en de SVB.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">M.H. Schultz van Haegen.</nadruk>
      </al>
    </toelicht>
  </backm>
</stcart>