﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE stcart PUBLIC "-//SDU//DTD staatscourant xml 1.1//NL" "../../dtd/stcrt-11.dtd"[]>
<stcart soort="reg" status="bewerkt" publtype="stct">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2003-41-p10-SC38749/metadata.xml" />
  </metadata>
  <frontm>
    <versie dtd="1.5" conv="$Revision: 1.5 $__0" markup="hxa"></versie>
    <artcode>041-1001</artcode>
    <stcgeg>
      <tekst>Uit: Staatscourant 27 februari 2003, nr. 041</tekst>
      <dag>Donderdag</dag>
      <datum>27 februari 2003</datum>
      <nummer>041</nummer>
    </stcgeg>
    <chapeau>
      <mincodes>JU </mincodes>
    </chapeau>
    <titel>Aanwijzing voor de opsporing</titel>
    <opschr></opschr>
  </frontm>
  <body>
    <al>
      <nadruk type="cur">Categorie: Opsporing</nadruk>
    </al>
    <al>
      <nadruk type="cur">Rechtskarakter: Aanwijzing i.d.z.v. artikel 130 lid 4 Wet RO (nieuw)</nadruk>
    </al>
    <al>
      <nadruk type="cur">Afzender: College van procureurs-generaal</nadruk>
    </al>
    <al>
      <nadruk type="cur">Adressaat: Hoofden van de parketten</nadruk>
    </al>
    <al>
      <nadruk type="cur">Registratienummer: 2003A002</nadruk>
    </al>
    <al>
      <nadruk type="cur">Datum vaststelling: 11-02-2003</nadruk>
    </al>
    <al>
      <nadruk type="cur">Datum inwerkingtreding: 01-03-2003</nadruk>
    </al>
    <al>
      <nadruk type="cur">Geldigheidsduur: 01-03-2007</nadruk>
    </al>
    <al>
      <nadruk type="cur">Publikatie in Stcrt: 27 februari 2003</nadruk>
    </al>
    <al>
      <nadruk type="cur">Vervallen:</nadruk>
    </al>
    <al>
      <nadruk type="cur">Relevante beleidsregels:</nadruk>
    </al>
    <al>
      <nadruk type="cur">Wetsbepalingen  : artikel 148, van het Wetboek van Strafvordering</nadruk>
    </al>
    <al>
      <nadruk type="cur">Jurisprudentie  :</nadruk>
    </al>
    <al>
      <nadruk type="cur">Bijlage(n)   :</nadruk>
    </al>
    <tuskop letat="vet">Achtergrond</tuskop>
    <al>De politie wordt geconfronteerd met een veelheid aan strafbare feiten.
Burgers en bedrijven doen aangifte dat ze slachtoffer zijn geworden van diefstal
of vernieling. Of burgers melden dat ze een inbraak hebben gezien. Of de politie
ziet zelf dat er delicten worden gepleegd: bij controle op dronken rijden
of op mensenhandel, of de agent ziet tijdens surveillance dat er verkeersovertredingen
worden gepleegd. Duidelijk is dat het niet doenlijk is altijd en overal met
veel politie-inzet te reageren. Dat kan ook niet verwacht worden van de politie:
de capaciteit van de opsporing is immers eindig en er zullen keuzen moeten
worden gemaakt. En voorts kan de politie niet tot het onmogelijke worden gehouden:
als opsporingactiviteiten uiteindelijk niets opleveren, dan zal dat op een
zeker moment als een gegeven moeten worden aanvaard. In deze aanwijzing gaat
het er om, dat helderheid wordt gegeven over wat in redelijkheid van de politie
mag worden gevraagd.</al>
    <al>Duidelijkheid daarover is belangrijk voor de burger, zodat deze weet waarop
hij wel en waarop hij niet kan rekenen. En ook is het nuttig voor de politie
als anker voor de keuzen die in de praktijk moeten worden gemaakt, en voor
het OM en de rechter die eventuele klachten over beslissingen van de politie
moeten beoordelen. </al>
    <tuskop letat="vet">Samenvatting </tuskop>
    <al>In deze aanwijzing gaat het om de reactie op afzonderlijke strafbare feiten
die ter kennis komen van de politie. Hiernaast staat de `beleidsmatige' inzet
van de opsporing op criminaliteitsverschijnselen: de beleidsmatig bepaalde
inzet van de politie in termen van gerichte surveillance, controles, verkennende
onderzoeken, waaromtrent in de driehoek van burgemeester, hoofdofficier van
justitie en korpschef afspraken worden gemaakt. Dit valt buiten het kader
van deze aanwijzing. </al>
    <tuskop letat="cur">1. Algemene uitgangspunten</tuskop>
    <al>Bij het scheppen van de beoogde helderheid over wat er moet gebeuren bij
(vermoedelijk) gepleegde strafbare feiten, zijn de volgende uitgangspunten
gehanteerd. </al>
    <tuskop letat="cur">1.1. Twee criteria</tuskop>
    <al>Er zijn twee criteria van belang bij het aangeven van wat in redelijkheid
verwacht mag worden: de ernst van het strafbare feit, en de aanwezigheid van
opsporingsaanwijzingen die kunnen leiden tot opheldering van de zaak (het
vinden van verdachten en bewijs). De voor de hand liggende vuistregel is dat
hoe ernstiger het feit, hoe meer moet worden gedaan om de zaak op te helderen
zodat verdachten vervolgd en berecht kunnen worden. Deze aanwijzing vult dan
deze vuistregel in. </al>
    <tuskop letat="cur">1.2 Dynamisch perspectief</tuskop>
    <al>Soms zijn de contouren van een strafbaar feit direct al afdoende bekend:
men rijdt x km/uur te hard, de portemonnee is gestolen, het slachtoffer is
onmiddellijk overleden. Soms is dat evenwel onduidelijk: het slachtoffer lijkt
wel gewond maar pas later zal blijken of dat ernstig uitwerkt, een klein geval
van oplichting blijkt later onderdeel te zijn van een patroon van flessentrekkerij.
Het heeft dan weinig zin om zeer gedetailleerd te zijn in ernstaanduidingen,
beter is het om in orden van grootte te spreken onder de erkenning dat in
de tijd de beoordeling nog zal kunnen verschuiven. </al>
    <tuskop letat="cur">1.3 Globaal karakter</tuskop>
    <al>Het is niet zinvol om een gedetailleerd spoorboekje te maken waarin uitputtend
staat wat gedaan moet worden in situatie A en wat onder omstandigheden B.
Dat is alleen al daarom onmogelijk, omdat `criminaliteit' een bonte verzameling
vormt van qua aard zeer uiteenlopende kwesties. Daarom is voorzien in een
globaal kader dat enerzijds zoveel als mogelijk aansluit bij de professionaliteit
van de opsporingsambtenaar, maar anderzijds duidelijkheid schept over de criteria
die doorslaggevend behoren te zijn bij de keuze om nog een opsporingsstap
extra te zetten of om dat juist na te laten. </al>
    <tuskop letat="cur">1.4 Geen lijstjes van delicten</tuskop>
    <al>Vaak wordt bij `prioritering' gedacht aan een lijstje van strafbare feiten
(mishandeling, bedreiging, inbraak, mensensmokkel, vernieling) waar extra
aandacht voor moet zijn, ten koste van andere delicten (snelheidsovertreding,
fietsdiefstal, hondenpoep). Dat is een weinig vruchtbare benadering. Ten eerste
schuilen onder delictaanduidingen in ernst zeer uiteenlopende feiten. Bij
`mishandeling' kan het gaan om een droge klap zonder letsel, maar ook om zeer
zwaar of zelfs blijvend letsel. De daadwerkelijke ernst van de feiten, en
niet het `formele etiket' dat daaraan hangt, moet daarom beslissend zijn.
Ten tweede kan er aanleiding zijn om ook opsporingshandelingen te verrichten
bij lichtere delicten, indien dat zonder veel moeite resultaat oplevert of
als dat onderdeel vormt van afgesproken beleid. </al>
    <tuskop letat="cur">1.5 Lokale accenten</tuskop>
    <al>Het voorgaande laat onverlet, dat op lokaal niveau een nadere invulling
kan worden gemaakt waarin wel bepaalde delictvormen benoemd worden. Daarbij
kunnen evenwel de benedengrenzen in deze aanwijzing niet terzijde worden gesteld
(bijvoorbeeld door bij woninginbraken geen gericht onderzoek in te stellen
naar sporen). Wel kan het méérdere worden geregeld, bijvoorbeeld
door te voorzien in extra opsporingsinspanningen in kwesties waar dat volgens
de regels in deze aanwijzing niet strikt zou hoeven, maar waar lokale omstandigheden
daar nadrukkelijk wel (eventueel tijdelijk) om vragen. </al>
    <tuskop letat="cur">1.6 Capaciteit</tuskop>
    <al>In theorie zou het wenselijk zijn om aan ieder delict zoveel aandacht
te geven als nodig is om tot opheldering te komen, of het om moord gaat of
om fietsdiefstal. Het is evident dat dit niet realistisch is: er zal altijd
sprake zijn van beperkte middelen. Deze schaarste aan middelen kan zodanige
vormen aannemen, dat ook bij zwaarder wegende misdaden serieuze opsporingsinspanning
achterwege blijft omdat die nodig is voor nóg ernstiger kwesties. In
deze aanwijzing wordt een kader gegeven voor wat de samenleving tenminste,
en in redelijkheid gegeven de niet oneindige capaciteit, mag verwachten.</al>
    <al>De politie is dan `gedekt' indien een zaak niet (verder) wordt opgepakt
na toepassing van de regels in deze aanwijzing. Daarentegen zal de politiële
keuze om niet aan deze regels te voldoen niet worden verdedigd, ook al voert
men aan dat daarvoor de capaciteit ontbrak. Dat argument kan niet worden aangevoerd
om de gewenste (minimale) prestatie achterwege te laten. </al>
    <tuskop letat="cur">2. Het kader voor de reactie op (vermoedelijk) gepleegde
strafbare feiten </tuskop>
    <tuskop letat="cur">2.1 Regel 1: Altijd een vervolg bij een bekende dader,
tenzij ... </tuskop>
    <al>Indien een strafbaar feit is gepleegd en de verdachte direct daarbij bekend
is, dienen altijd opsporinghandelingen te volgen (aanhouding, opmaken proces-verbaal).
Dat is het geval bij betrapping op heterdaad, bij de gevallen waarin de identiteit
van de verdachte door getuigen onmiddellijk bekend is, dan wel zodanige informatie
voorhanden is dat de verdachte met weinig inspanning kan worden gevonden (bijv.
als een kenteken bekend is). Is dat niet het geval, dan kan de zaak althans
voorlopig terzijde worden gelegd, tenzij sprake is van een schokkend feit
(zie regel 2). </al>
    <tuskop letat="cur">Tenzij: bagatellen</tuskop>
    <al>In afwijking van de hoofdregel, kunnen opsporingshandelingen in geval
van een bekende dader achterwege blijven indien aan alle van de volgende voorwaarden
is voldaan:</al>
    <al>- Het moet gaan om een feit dat geen schade of letsel veroorzaakt heeft,
of dat puur een overtreding vormt van een `ordenende' bepaling, en:</al>
    <al>- Het feit moet ook geen daadwerkelijk gevaar hebben opgeleverd, en:</al>
    <al>- Er is geen sprake van een vastgesteld beleid van het bevoegd gezag (=
het OM na bespreking in de driehoek) om de desbetreffende feiten wel aan te
pakken.</al>
    <al>In deze gevallen is er dus ruimte voor de opsporingsambtenaar om naar
bevind van zaken te handelen. </al>
    <tuskop letat="cur">Tenzij: expliciet beleid</tuskop>
    <al>Hiernaast kunnen opsporingshandelingen bij een bekende dader uitblijven,
indien dat expliciet geformuleerd landelijk beleid is van het OM. Er kan reden
zijn om zulks te bepalen, indien andere zwaarwegende belangen daartoe nopen.
Hierbij valt te denken aan de handhaving van onderdelen van de Opiumwet in
verband met gezondheidszorgbelangen, of aan de aanpak van relationele agressie
waarbij ruimte worden gegeven om in omschreven gevallen niét strafrechtelijk
op te treden (maar om bijv. vrijwillige hulpverlening een kans te bieden).</al>
    <al>Wezenlijk is hierbij, dat de beslissing om af te zien van (nader) optreden
niét voorbehouden is aan de individuele opsporingsambtenaar. </al>
    <tuskop letat="cur">2.2 Regel 2: Bij ingrijpende feiten gerichte opsporing</tuskop>
    <al>Bij strafbare feiten die verder ingrijpen mag meer worden verwacht dan
alleen een optreden als er onmiddellijk een spoor naar de dader bekend is.
Dan moet gericht en meer dan oppervlakkig worden gezocht naar aanknopingspunten
voor een succesvolle opsporing en vervolging: naar eventuele getuigen, naar
eventuele sporen (vingerafdruk, DNA). Pas als die inspanning geen succes heeft
kan de opsporing worden afgesloten, maar slechts op een zodanige wijze dat
als zich naderhand nieuwe informatie aandient deze tot hernieuwde actie kan
leiden. </al>
    <tuskop letat="cur">Materiële ernst</tuskop>
    <al>Bij het antwoord op de vraag wat `schokkende feiten' zijn, is het eerste
gezichtspunt de omvang van de aantasting van de belangen of het welzijn van
individuen of van de samenleving als geheel. Hierbij gelden de volgende criteria:</al>
    <al>- De lichamelijke integriteit is in aanzienlijke mate aangetast: iemand
is overleden, of er is letsel toegebracht waarbij specialistische medische
hulp moet worden ingeroepen (en niet dus alleen een droge klap, een bloedneus,
een te hechten wond), er is verkracht.</al>
    <al>- De inbreuk op de eigendom is aanzienlijk, de waarde van het vernielde
of gestolene is eerder in tien- of honderdduizenden Euro's te meten, dan in
honderden of duizenden.</al>
    <al>- Het strafbare feit betekent een bedreiging van de algemene veiligheid
van personen en goederen (zoals: gezondheidsdreiging door criminaliteit en
voedselketen; terroristische bedreiging van infrastructuur), aantasting van
de leefbaarheid van wijken (zoals door bijwerking van omvangrijke hennepteelt).</al>
    <al>- Het feit vormt een algemeen risico voor het integer (normale, beoogde)
functioneren van belangrijke maatschappelijke functies: de democratische orde,
het openbaar bestuur, de rechterlijke macht, de financiële sector. Zoals
het door corruptie of misbruik ten principale ondergraven van het vertrouwen
in de aangegeven sectoren.</al>
    <al>Hierbij gaat het dus steeds om een delict dat daadwerkelijk en in betekenisvolle
mate belangrijke individuele en collectieve waarden in gevaar brengt. </al>
    <tuskop letat="cur">Specifieke omstandigheden om toch meer te doen</tuskop>
    <al>De grenzen van de materiële ernst zoals aangegeven, zijn niet voldoende
- ook bij een geringere materiële schade kan er een toch een dwingende
reden zijn om een verder gaande opsporingsinspanning te verrichten. Er zijn
drie van die redenen te onderscheiden:</al>
    <al>- <nadruk type="cur">Evidente inbreuk op persoonlijke integriteit (geestelijke schade,
levenssfeer).</nadruk> Sommige delicten kennen naast eventuele (lichte) materiële
ook een forse aanslag op de geestelijke integriteit van burgers. Dat kan bijvoorbeeld
bij vormen van discriminatie spelen, maar is altijd het geval van inbraak
in de woning, bij ernstige aanranding, of bij zware discriminatie. Dus bijvoorbeeld:
als ingebroken is in een woning, dan wordt verwacht dat de politie ter plekke
sporen zoekt.</al>
    <al>- <nadruk type="cur">Extreme modus operandi.</nadruk> Een bijzonder brutale, grove wijze
van handelen (in wijze optreden, in willekeurige slachtofferkeuze, in feitelijk
vuurwapengebruik ...). Dus bijvoorbeeld: als een groep jongeren brutaal bij
winkeliers diefstallen pleegt, wordt verwacht dat daar achteraan wordt gegaan.</al>
    <al>- <nadruk type="cur">Expliciet patroon.</nadruk> Het strafbare feit staat niet op zich,
maar vormt een onderdeel van een nadrukkelijk patróón van feiten
van dezelfde dader(groep). Dus bijvoorbeeld: als het gaat niet om een enkel
geval van ieder op zich niet zo zware vernielingen maar van een steeds weerkerende
agressie, dan is actie geboden. </al>
    <tuskop letat="cur">2.3 Regel 3:  Bij zeer schokkende feiten apart regiem</tuskop>
    <al>Soms veroorzaakt het strafbare feit zeer grote beroering, waarmee de rechtsorde
ernstig is geschokt. Het gaat hierbij om delicten als moord of terroristische
aanslagen, kinderverkrachting. Bij dergelijke feiten wordt vanzelfsprekend
al gerichte actie ondernomen: een recherchebijstandsteam wordt ingericht,
uitvoerig technisch onderzoek wordt verricht, buurtonderzoek vindt plaats,
soms zelfs DNA-onderzoek onder delen der bevolking. In dat soort van zaken
geeft de officier van justitie leiding aan het opsporingsonderzoek. Dat onderzoek
heeft plaats onder grote maatschappelijke, dus ook mediale en politieke, belangstelling.
Wanneer onverhoopt resultaten uitblijven, komt de vraag op wanneer het opsporingsonderzoek
althans voorlopig moet worden gestaakt. Omdat de officier van justitie inhoudelijk
leiding geeft aan het onderzoek, dient deze de beslissing hiertoe te nemen.
Het OM is dan ten volle aanspreekbaar op deze beslissing.</al>
    <al>(Anders ligt dit bij de zaken die meer in marginale zin bijvoorbeeld in
een wekelijks overleg aan de orde komen, of waar alleen telefonisch contact
is tussen politie en OM. Wanneer in zulk een geval, waarin geen volledige
inhoudelijke toetsing plaatsvindt, de zaak terzijde worden gelegd dient dat
te worden gezien als een politiële beslissing.) </al>
    <tuskop letat="cur">3. Informatieverschaffing</tuskop>
    <al>De burger kan het mogelijk oneens zijn met de beslissing om een strafbaar
feit niet (verder) te onderzoeken nadat hij daarvan aangifte deed. Mede op
verzoek van de Nationale Ombudsman, die met dit verschijnsel is geconfronteerd,
wordt op deze plaats de te volgen procedure uiteengezet. Deze geldt alleen
de zaken waarin formeel aangifte wordt gedaan, niet de kwesties die alleen
`gemeld' zijn bij de politie. </al>
    <tuskop letat="cur">Situatie waarin de politie besloot geen (nader) opsporingsonderzoek
in te stellen</tuskop>
    <al>1. Op verzoek van de aangever omtrent de stand van zaken in het opsporingsonderzoek
informeert de politie hem of haar. Indien dat onderzoek niet heeft plaatsgevonden
of niet wordt doorgezet, geeft de politie daarbij aan dat de aangever, voor
het geval hij het daarmee niet eens is, zich kan wenden tot het Openbaar Ministerie.
Zo de aangever aangeeft daartoe te willen overgaan, bevestigt de politie schriftelijk
wat omtrent het opsporingsonderzoek is besloten.</al>
    <al>2. Als de aangever zich vervolgens inderdaad wendt tot het OM, beoordeelt
de officier van justitie de beslissing van de politie op basis van de in deze
aanwijzing gegeven criteria. Indien de officier van justitie oordeelt dat
deze beslissing daarmee niet spoort, geeft de officier van justitie de politie
opdracht om (indien nog mogelijk) het opsporingsonderzoek weer op te vatten
(zo nodig als een formele bijzondere aanwijzing). In dat geval informeert
de politie de aangever over de voortgang.</al>
    <al>3. Indien de officier van justitie van oordeel is dat de politie haar
beslissing op juiste gronden nam, informeert hij de aangever hierover en wijst
de aangever op de mogelijkheid van beklag bij het gerechtshof op grond van
artikel 12 WvSv. De officier van justitie legt zijn oordeel vast in het dossier. </al>
    <tuskop letat="cur">Situatie waarin de officier van justitie besloot geen
(nader) opsporingsonderzoek in te stellen (zie eerder in deze aanwijzing):</tuskop>
    <al>De officier van justitie informeert de aangever of andere direct belanghebbende
dat de zaak niet (verder) zal worden onderzocht. Hij wijst de aangever op
de mogelijkheid van beklag bij het gerechtshof op grond van artikel 12 WvSv. </al>
    <tuskop letat="vet">Overgangsrecht</tuskop>
    <al>De in deze aanwijzing vervatte beleidsregels hebben onmiddellijke gelding
vanaf de datum van inwerkingtreding.</al>
  </body>
</stcart>