Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
College van Beroep voor het bedrijfslevenStaatscourant 2002, 122 pagina 13Overig

Bestuursreglement

Gelet op artikel 19, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, besluit het bestuur van het College van Beroep voor het bedrijfsleven het navolgend reglement vast te stellen.

Hoofdstuk 1. Organisatie gerecht

Artikel 1.1 Onderdelen organisatie gerecht

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (verder te noemen: het College) kent in ieder geval de volgende onderdelen:

a. het bestuur;

b. het bedrijfsbureau;

c. de sectie I;

d. de sectie II;

e. de afdeling juridische en administratieve ondersteuning;

f. de collegevergadering.

Hoofdstuk 2. Bestuur

Artikel 2.1 Werkwijze bestuur

1. Het bestuur komt ten minste negen maal per jaar bijeen.

2. Het bestuur komt in ieder geval bijeen:

a. voor de vaststelling van het bestuursreglement, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie;

b. voor de vaststelling van de klachtenregeling, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie;

c. voor de vaststelling van de jaarstukken, bedoeld in artikel 31, eerste lid, en artikel 35, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie;

d. voor de vaststelling van Collegebrede beleidsstukken;

e. op verzoek van de president, of

f. op verzoek van ten minste twee leden van het bestuur.

3. Het bestuur komt eenmaal per jaar bijeen voor het evalueren van zijn werkwijze. Artikel 2.2, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

4. Het bestuur vergadert volgens een tevoren vastgesteld schema. De president doet daartoe een voorstel.

5. Een bijeenkomst als bedoeld in tweede lid, onderdeel f, wordt binnen veertien dagen gehouden nadat het verzoek bij de president is binnengekomen.

6. Het bijeenroepen geschiedt door een schriftelijke kennisgeving aan de leden van het bestuur.

Artikel 2.2 Agenda en verslag

1. De president is verantwoordelijk voor het opstellen van een agenda voor elke bijeenkomst. De agenda wordt tijdens de bijeenkomst vastgesteld. De president plaatst in ieder geval op de agenda:

a. de door een lid van het bestuur opgegeven onderwerpen;

b. het verslag van de vorige bijeenkomst.

2. De president is verantwoordelijk voor de verzending van de schriftelijke kennisgeving, bedoeld in artikel 2.1, zesde lid, de agenda en de eventuele overige stukken aan de leden van het bestuur.

3. De president is verantwoordelijk voor het opstellen van een verslag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk een week na een bijeenkomst. Het bestuur kan besluiten dat beraadslagingen of besluiten over een of meerdere onderwerpen niet in het openbaar te maken gedeelte van het verslag worden opgenomen.

4. Het verslag, bedoeld in het derde lid, wordt zo spoedig mogelijk verspreid en in de eerstvolgende bIjeenkomst vastgesteld.

Artikel 2.3 Orde

1. Besluiten kunnen slechts worden genomen in een bijeenkomst waarin ten minste de helft van het aantal leden van het bestuur aanwezig is.

2. Een bijeenkomst wordt voorgezeten door de president.

3. Indien de president afwezig is, zit een ander lid van het bestuur de bijeenkomst voor. Dit lid wordt door de president of, indien deze daartoe niet in staat is, door het bestuur aangewezen.

4. De voorzitter van de bijeenkomst kan de vergadering schorsen.

5. De voorzitter van de bijeenkomst bepaalt de duur van de schorsing en het moment van hervatten van de bijeenkomst.

Artikel 2.4 Besluitvorming

1. Het bestuur beslist bij meerderheid van stemmen. Indien de stemmen staken geeft de stem van de president de doorslag.

2. Een lid van het bestuur kan zijn stem alleen tijdens een bijeenkomst uitbrengen.

3. Blanco stemmen worden beschouwd als niet uitgebrachte stemmen.

4. De president is verantwoordelijk voor het opnemen van een besluitenlijst in het vers1ag, bedoeld in artikel 2.2, derde lid.

Artikel 2.5 Besluitvorming buiten bijeenkomst

1. In door de president te bepalen gevallen kan buiten een bijeenkomst een besluit worden genomen.

2. In de in het vorige lid bedoelde gevallen wordt aan de leden van het bestuur een schriftelijk voorstel daartoe, voorzien van een motivering, voorgelegd.

3. Indien geen van de bestuursleden te kennen geeft dat hij het voorstel op de agenda van de eerstvolgende bijeenkomst geplaatst wil hebben, neemt de president namens het bestuur het betreffende besluit.

4. Het besluit wordt opgenomen in de besluitenlijst van de eerstvolgende bijeenkomst.

Artikel 2.6 Onverwijlde besluitvorming

1. Indien door ontstentenis het in artikel 2.3, eerste lid, bedoelde aantal leden niet aanwezig is en besluitvorming onverwijld gewenst is, is de president gemachtigd te beslissen.

2. De besluitvorming, bedoeld in het eerste lid, is niet toepasbaar op de in artikel 2.1, tweede lid, onder a tot en met d, genoemde onderwerpen.

3. Over de besluiten, bedoeld in het eerste lid, licht de president terstond de andere leden van het bestuur in. De besluiten worden geagendeerd voor de eerstvolgende bijeenkomst.

Artikel 2.7 Uitgaande stukken

Van het bestuur uitgaande stukken, niet zijnde processtukken en correspondentie die op gerechtelijke procedures betrekking heeft, worden door de president dan wel het meest betrokken lid van het bestuur ondertekend.

Artikel 2.8 Vervanging bestuursleden

1. Een lid van het bestuur dat langer dan dertig dagen niet in staat is aan de werkzaamheden van het bestuur deel te nemen kan na overleg met hem worden vervangen door:

a. een van tevoren door het bestuur aangewezen rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast, indien het lid de president is;

b. een van tevoren door het bestuur aangewezen rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast uit dezelfde sectie, indien het lid een sectievoorzitter is;

c. een van tevoren door het bestuur aangewezen gerechtsambtenaar, indien het lid de directeur bedrijfsvoering is.

2. Een vervanger als bedoeld in het vorige lid heeft dezelfde rechten als het lid, dat hij vervangt. Hij ontvangt een vervangingstoelage.

3. De vervanging eindigt:

a. als het betreffende lid zijn plaats in het bestuur weer inneemt;

b. als de vervanger hierom schriftelijk het bestuur verzoekt;

c. als het bestuurslidmaatschap van het betreffende lid eindigt.

Artikel 2.9 Vervanging president bij beëdiging.

Voor een beëdiging als bedoeld in artikel 9a van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren wordt de president in geval van verhindering vervangen door een sectievoorzitter.

Artikel 2.10 Toewijzing aandachtsgebieden

1. Het bestuur kan op voorstel van de president aandachtsgebieden toewijzen aan de leden van het bestuur.

2. Het bestuur verbindt een termijn aan de toewijzing, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.11 Mandaat

1. Het bestuur machtigt de leden van het bestuur tot het uitoefenen van zijn bevoegdheden ter uitvoering van de hun bij of krachtens dit reglement toegewezen taken.

2. Het bestuur machtigt de leden van het bestuur ondermandaat te verlenen.

3. Het bestuur kan bij besluit ook andere bevoegdheden mandateren.

Hoofdstuk 3. Het Bedrijfsbureau

Artikel 3 Bedrijfsbureau

1. Het bestuur doet zich bijstaan door het bedrijfsbureau.

2. Dit bedrijfsbureau is tevens belast met het adviseren en ondersteunen van de secties en afdeling.

3. De directeur bedrijfsvoering heeft de leiding over het bedrijfsbureau. Binnen de kaders door het bestuur gesteld heeft hij binnen het bedrijfsbureau de bevoegdheden, bedoeld in artikel 5.

Hoofdstuk 4. Secties I en 11

Artikel 4.1 De sectievoorzitter

1. De sectievoorzitter is belast met de dagelijkse leiding van de sectie.

2. De sectievoorzitter bevordert de kwaliteit van het primaire proces binnen zijn sectie.

3. Binnen de kaders door het bestuur gesteld heeft de sectievoorzitter binnen de sectie bevoegdheden ten aanzien van:

a. personeelsaangelegenheden, waaronder in ieder geval:

1 °. het voeren van evaluatiegesprekken met rechterlijke ambtenaren;

2 °. het voeren van een loopbaanbeleid.

b. budgetbeheer

c. automatisering en bestuurlijke informatievoorziening;

d. bestuurlijk-organisatorische werkwijze;

e. huisvesting en beveiliging;

f. professionalisering.

4. De sectievoorzitter bevordert binnen de sectie werkoverleg.

Artikel 4.2 Sectievergadering

1. De sectievergadering komt bijeen volgens een tevoren vastgesteld schema. De sectievoorzitter doet daartoe een voorstel.

2. De sectievergadering komtin ieder geval bijeen:

a. voor het bespreken van een reglement als bedoeld in het derde lid;

b. voor het bespreken van een advies als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de rechterlijke organisatie;

c. voor het bespreken van een sectiejaarplan

d. op verzoek van de sectievoorzitter, of

e. op verzoek van ten minste een kwart van de bij de sectie werkzame rechterlijke ambtenaren.

3. De sectievergadering kan bij reglement nadere regels vaststellen met betrekking tot in ieder geval de:

a. wijze van vergaderen;

b. wijze van besluitvorming.

Artikel 4.3 Vorming van kamers en verdeling van zaken over de secties

I. Het bestuur stelt een reglement vast, waarin is geregeld de:

a. verdeling van zaken over de secties I en II;

b. vorming van enkelvoudige en meervoudige kamers.

2. Alvorens het reglement, bedoeld in het eerste lid, vast te stellen, wint het bestuur het advies in van:

a. het medezeggenschapsorgaan;

b. de gerechtsvergadering, voor zover het de juridische kwaliteit en de uniforme rechtstoepassing betreft.

3. Het reglement, bedoeld in het eerste lid, wordt gepubliceerd in de Staatscourant. Het reglement wordt door het bestuur voor een ieder ter inzage gelegd.

4. Het bestuur stelt jaarlijks de bezetting van de secties vast. Indien noodzakelijk kan het bestuur de vastgestelde bezetting tussentijds wijzigen.

Hoofdstuk 5. De Afdeling Juridische en Administratieve Ondersteuning

Artikel 5 De directeur bedrijfsvoering

1. De directeur bedrijfsvoering is belast met de dagelijkse leiding van de afdeling juridische en administratieve ondersteuning.

2. De directeur bedrijfsvoering bevordert de kwaliteit van het primaire proces binnen zijn afdeling.

3. Binnen de kaders door het bestuur gesteld heeft de directeur bedrijfsvoering binnen de afdeling bevoegdheden ten aanzien van:

a. personeelsaangelegenheden, waaronder in ieder geval:

1 °. het doen van een voorstel voor aanstelling van gerechtsambtenaren;

2 °. het voeren van functioneringsgesprekken met gerechtsambtenaren;

3 °. het voeren van een loopbaanbeleid;

b. budgetbeheer;

c. automatisering en bestuurlijke informatievoorziening;

d. bestuurlijk-organisatorische werkwijze;

e. huisvesting en beveiliging;

f. professionalisering.

4. De directeur bedrijfsvoering bevordert binnen de afdeling werkoverleg.

Hoofdstuk 6. De Collegevergadering

Artikel 6.1 Collegevergadering

I. De collegevergadering komt ten minste eenmaal per jaar bijeen.

2. De collegevergadering komt in ieder geval bijeen:

a. voor het opstellen van een advies als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de rechterlijke organisatie;

b. op verzoek van de president, of

c. op verzoek van ten minste een kwart van de gezamenlijke bij het College werkzame rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast en gerechtsauditeurs.

3. Het bijeenroepen geschiedt door een schriftelijke kennisgeving van de president. Hij doet dit ten minste zeven dagen voorafgaand aan de bijeenkomst.

4. Een bijeenkomst als bedoeld in tweede lid, onderdeel c, wordt binnen veertien dagen gehouden nadat het verzoek bij de president is binnengekomen.

5. De artikelen 2.3 en 2.4 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

a. de gerechtsvergadering bij meerderheid van stemmen beslist;

b. een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast en een gerechtsauditeur hun stem alleen tijdens een bijeenkomst kunnen uitbrengen;

c. de president verantwoordelijk is voor het opstellen van een verslag zo spoedig mogelijk na een bijeenkomst. Het verslag wordt in de eerstvolgende bijeenkomst vastgesteld.

Hoofdstuk 7. Benoeming

Artikel 7.1 Benoeming raadsheren

1. Het bestuur is verantwoordelijk voor het opstellen van een lijst van aanbeveling voor de benoeming van rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast. Het bestuur stelt hiervoor een procedure vast, waarin in ieder geval de samenstelling van de selectieadviescommissie is geregeld.

2. Het bestuur ziet toe op de naleving van artikel 1e, derde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

Artikel 7.2 Benoeming bestuursleden

Het bestuur stelt een procedure vast voor het bepalen van zijn standpunt inzake de benoeming van een sectievoorzitter en een directeur bedrijfsvoering. In de procedure is in ieder geval geregeld, dat:

a. de betreffende sectievergadering gehoord wordt, indien de opengevallen plaats in het bestuur een sectievoorzitter betreft,

b. de gerechtsambtenaren werkzaam bij het bedrijfsbureau en de afdeling juridische en administratieve ondersteuning gehoord worden, indien de opengevallen plaats in het bestuur de directeur bedrijfsvoering betreft.

Hoofdstuk 8. Planning en control

Artikel 8.1 Planning

Het bestuur is verantwoordelijk voor de planning, bedoeld in paragraaf 3 van hoofdstuk 2, afdeling 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Het bestuur stelt hiervoor een procedure vast, waarin in ieder geval is geregeld:

a. de totstandkoming van het jaarplan, inclusief het meerjarenplan, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie,

b. de totstandkoming van het jaarverslag, bedoeld in artikel 35 eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie,

c. de wijze van informatieverschaffing door de verschillende onderdelen van de organisatie;

d. de wijze van behandeling van de stukken, genoemd in het eerste en tweede lid, door het bestuur;

e. de presentatie van de stukken, genoemd in het eerste en tweede lid.

Artikel 8.2 Control

1. Het bestuur is verantwoordelijk voor het laten plaatsvinden van control. Het bestuur stelt hiervoor een procedure vast, waarin in ieder geval is geregeld:

a. wat onderwerp van control kan zijn;

b. in welke vorm de control plaatsvindt;

c. wie gerechtigd is tot de opdrachtverlening;

d. wat de resultaten van control kunnen zijn;

e. hoe de resultaten worden bekendgemaakt.

2. Het bestuur stelt een gerechtsambtenaar aan die onder de verantwoordelijkheid van het bestuur wordt belast met de control. De gerechtsambtenaar neemt daarbij artikel 23, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie in acht.

3. De gerechtsambtenaar, genoemd in het tweede lid, functioneert zonder last of ruggespraak en kan het bestuur rechtstreeks adviseren.

Hoofdstuk 9. Vaststellings- en wijzigingsprocedure

Artikel 9 Wijziging reglement

1. Een voorstel tot wijziging van dit reglement kan worden gedaan door een lid van het bestuur.

2. In afwijking van artikel 2.4, eerste lid, wordt een wijziging als bedoeld in het eerste lid genomen met eenparigheid van stemmen.

's-Gravenhage, 18 juni 2002.
Het bestuur van het College van Beroep voor het bedrijfsleven,
Mr R.R. Winter.

Toelichting bij het bestuursreglement van het College van Beroep voor het bedrijfsleven

1. Inleiding

De invoering van de wetgeving op het gebied van organisatie en bestuur gerechten heeft ook gevolgen voor de organisatie en het bestuur van het College. Zo wordt net als bij de andere gerechten integraal management een gegeven.

De organisatie en de structuur van het College moeten op de nieuwe regelgeving worden afgestemd. In het bestuursreglement is aangegeven hoe de verdeling van taken en de toekenning van bevoegdheden en verantwoordelijkheden binnen de nieuwe structuur vorm heeft gekregen.

Deze toelichting heeft tot doel aan te geven

- hoe de organisatie voor de invoering van het integraal management was ingericht (2)

- welke de consequenties zijn van de genoemde wetgeving (3)

- welke wijzigingen zullen worden ingevoerd (4).

2. De organisatie vóór de invoering van het integraal management

2.1. Binnen het College bestond reeds sedert jaren de - niet van de overige rechterlijke colleges verschillende - praktijk van (be)sturing door een dagelijks bestuur.

Het dagelijks bestuur werd gevormd door de president, de beide coördinerend vice-presidenten en de directeur beheer.

De president was functionele autoriteit (art. 5 Wet Bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie). De beheerstaken berustten bij de directeur beheer, maar in de praktijk vond besluitvorming op het gebied van het beheer plaats binnen genoemd dagelijks bestuur. De directeur beheer was hoofd van dienst en bevoegd gezag voor het niet-rechterlijk personeel (hierna verder aangeduid als ondersteuning).

2.2. De rechterlijk ambtenaren (raadsheren en auditeurs) en juristen werkten verdeeld over twee kamers. Deze kamers werden functioneel geleid door de beide coördinerend vice-presidenten.

De ondersteuning van het primaire proces werd verricht door het gerechtssecretariaat en de administratieve unit en van het secundaire proces door het bureau bedrijfsorganisatorische zaken. Van die eenheden was alleen het gerechtssecretariaat ten dele gebonden aan één van de kamers.

De secretaresses van de president en de directeur beheer - organisatorisch ondergebracht in de administratieve unit - verrichtten naast hun secretariële werkzaamheden (= secundair proces) ook de uit de behandeling van voorlopige voorzieningen voortvloeiende administratieve handelingen

(= primair proces).

De verhouding tussen de rechterlijk ambtenaren en de ondersteuning was functioneel van aard en niet hiërarchisch.

3. De consequenties van de wetgeving

De praktijk van (be)sturing door een bestuur wordt bij de Wet organisatie en bestuur gerechten geregeld en dit bestuur wordt aangemerkt als functionele autoriteit en bevoegd gezag van de ondersteuning.

Daarmee wordt het mogelijk de thans bestaande gescheiden aansturing langs functionele en hiërarchische lijnen samen te voegen tot één aansturing.

Het bestuur is belast met de algemene leiding, de organisatie en de bedrijfsvoering van het gerecht. Het bestuur kan ter uitvoering van deze taken de bij het gerecht werkzame ambtenaren algemene en bijzonder aanwijzingen geven. Uiteraard treedt het bestuur niet in de procesrechtelijke behandeling en de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak of in categorieën van zaken.

4. De aanpassingen van en binnen de organisatie

4.1. Het verdient verreweg de voorkeur om aan te sluiten bij de in de loop der tijd gegroeide praktijk van de indeling van het College in twee kamers, die thans secties zullen heten. Binnen die structuur is het goed mogelijk om voor zover nodig de aansturing langs functionele en hiërarchische lijnen samen te voegen. Indien nodig kunnen één of meer secties worden toegevoegd.

Er zij nog op gewezen dat, in verband met de bijzondere positie en schaalgrootte van het College, ingevolge het bepaalde bij de artikel 4 onder f van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie het bestuur bevoegd is organisatorische eenheden in te stellen, die belast worden met het behandelen van de soorten zaken die door het bestuur aan die eenheden worden opgedragen. Door middel van deze nieuw ingevoegde bepaling wordt het College (net als de Centrale Raad van Beroep) uitgetild uit de vastomlijnde sectorenstructuur zoals die voor de andere gerechten geldt.

4.2. De beide coördinerend vice-presidenten worden belast met de leiding van een sectie, zij het dat zij meer dan voorheen met besturen zullen worden belast. Het zwaartepunt van hun aandachtsgebied ligt nog wel bij het primaire proces.

De reeds bestaande functionele leiding wordt uitgebreid, in die zin dat zij voor de rechtsprekenden, auditeurs en juristen via mandaat ook de hiërarchische leiding krijgen. Deze uitbreiding is een logisch gevolg van de nieuwe wetgeving.

Aldus wordt het “leiden van een kamer” als portefeuille aangemerkt.

4.3. De directeur beheer wordt belast met de portefeuille bedrijfsvoering (kameroverschrijdende piofah-taken {personeel, informatie, opleiding, financiën, automatisering en huisvesting}) en in mandaat met de hiërarchische leiding van het bureau bedrijfsorganisatorische zaken.

Voortbordurend op de huidige praktijk ligt een koppeling van de administratie, het gerechtssecretariaat en de secretaresses aan de directeur beheer voor de hand.

Ook ten aanzien van deze medewerkers wordt de directeur beheer belast met de hiërarchische leiding.

4.4. De president is voorzitter van het bestuur en vertegenwoordigt het College naar buiten.

5. Vaststelling van het reglement

Het ontwerp van het onderhavige reglement is voorgelegd voor commentaar aan een ieder binnen de organisatie en besproken met het medezeggenschapsorgaan.

Vervolgens is het reglement voorgelegd aan de Raad voor de Rechtspraak. Deze heeft bij brief van 27 februari 2002 nog enkele tekstsuggesties gedaan en voorts medegedeeld in te stemmen met het bestuursreglement. Deze suggesties van de Raad, alsook de suggestie van de Raad, neergelegd in een brief van 21 februari 2002 aan alle gerechten, met betrekking tot het regelen van een bevoegdheid tot het vervangen van de president bij beëdiging van ambtenaren, zijn thans alle in de tekst verwerkt.

Deze tekst heeft het bestuur van het College in zijn vergadering van 18 juni 2002 vastgesteld ter publicatie in de Staatscourant.