Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Landbouw, Natuur en VoedselkwaliteitStaatscourant 2001, 250 pagina 29Overig

Tijdelijke Regeling zeedagen 2002

21 december 2001

Nr. TRCJZ/2001/17952

Directie Juridische Zaken

De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Gelet op de artikelen 3 en 4 van het Reglement zee- en kustvisserij 1977;

Besluit:

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

a. vissersvaartuig: vaartuig waarvoor een licentie als bedoeld in de Regeling visserijlicentie is toegekend;

b. ondernemer: degene te wiens naam het vissersvaartuig in het visserijregister, bedoeld in het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998, is geregistreerd;

c. zeedag: al dan niet aaneengesloten tijdvak van in totaal 24 uur, waarin een vissersvaartuig niet in een Nederlandse haven ligt;

d. minister: Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

e. motorvermogen: motorvermogen als bedoeld in de Regeling visserijlicentie;

f. besomming: totale opbrengst, uitgedrukt in guldens, verkregen door de verkoop van de met een vissersvaartuig in een kalenderjaar gevangen hoeveelheden vis, schaal- en schelpdieren;

g. groep: groep als bedoeld in artikel 16 van de Regeling contingentering zeevis;

h. verordening nr. 2091/98: verordening (EG) nr. 2091/98 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 30 september 1998 betreffende de indeling van de communautaire vissersvloot en de visserij-inspanning in segmenten ten behoeve van de meerjarige oriëntatieprogramma's (PbEG L266);

i. inspanningsquote: per segment als bedoeld in tabel 1 van bijlage I van de verordening nr. 2091/98 in de desbetreffende groep gemaakte som van de uitkomsten van de per vissersvaartuig toegepaste vermenigvuldiging van het aantal zeedagen waarop de individuele ondernemer op grond van de artikelen 3, 5, 6 en 7 aanspraak kan maken met het motorvermogen en het tonnage.

2. Voor de toepassing van deze regeling vindt het aanlanden plaats op het tijdstip waarop het vissersvaartuig direct of indirect verbinding met de wal heeft gekregen.

Artikel 2

1. Het is verboden in het tijdvak vanaf 1 januari 2001 tot en met 17 maart 2002 met een vissersvaartuig uit te varen, de visserij uit te oefenen of vis aan te landen indien het voor het desbetreffende vissersvaartuig overeenkomstig artikel 3 voor dat tijdvak geldende aantal zeedagen is bereikt.

2. Het is verboden met een vissersvaartuig waarvan de ondernemer deelneemt aan een groepscontingent, uit te varen, de visserij uit te oefenen of vis aan te landen indien de in artikel 9, eerste lid, bedoelde inspanningsquote, in voorkomend geval vermeerderd, onderscheidenlijk verminderd met het gedeelte van de inspanningsquote dat is overgedragen, bedoeld in artikel 9, derde lid, is bereikt.

Artikel 3

1. Voor een vissersvaartuig gelden in het tijdvak vanaf 1 januari 2002 tot en met 17 maart 2002:

a. 22 zeedagen;

b. indien voor een vissersvaartuig op grond van artikel 10 van de Regeling contingentering zeevis een contingent van 38782 kg kabeljauw of meer is toegekend: 44 zeedagen;

c. indien voor een vissersvaartuig op grond van artikel 10 van de Regeling contingentering zeevis een contingent van 11451 kg kabeljauw of meer, maar minder dan 38782 kg kabeljauw is toegekend: 43 zeedagen;

d. indien het een vissersvaartuig betreft waarvoor een speciaal visdocument is afgegeven als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 850/98 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (Pb EG L 125): 34 zeedagen of

e. indien voor een vissersvaartuig op grond van artikel 10 van de Regeling contingentering zeevis een contingent makreel is toegekend: 55 zeedagen.

2. In afwijking van het eerste lid stelt de minister voor vaartuigen waarvoor in het tijdvak, bedoeld in dat artikellid, voor het eerst:

a. een licentie als bedoeld in de Regeling visserijlicentie wordt toegekend, een aantal zeedagen vast naar evenredigheid van het tijdstip waarop de licentie is toegekend;

b. contingenten kabeljauw en wijting als bedoeld in de Regeling contingentering zeevis zijn uitgereikt, een aantal zeedagen vast naar evenredigheid van het tijdstip waarop de contingenten kabeljauw en wijting zijn uitgereikt.

Artikel 4

1. In afwijking van artikel 1, eerste lid, wordt elke periode waarin een vissersvaartuig niet in een Nederlandse haven ligt niet als een of meer zeedagen onderscheidenlijk als deel van een zeedag aangemerkt, indien de minister voor het desbetreffende vissersvaartuig een ontheffing als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Regeling vangstbeperking heeft verleend.

2. In afwijking van artikel 1, eerste lid, wordt elke periode waarin een vissersvaartuig in een buitenlandse haven ligt, niet als een of meer zeedagen onderscheidenlijk als deel van een zeedag aangemerkt, indien de ondernemer een door de havenautoriteiten van het desbetreffende land getekende verklaring overlegt waarin ten minste is aangegeven:

a. de naam van de ondernemer;

b. de lettertekens en het nummer van het vissersvaartuig;

c. de plaats en het land van de haven;

d. de datum en het tijdstip van aanlanding in de haven en het aantal dagen dat het vissersvaartuig direct daaropvolgend in de haven heeft gelegen, en

e. de datum en het tijdstip van vertrek uit de haven.

3. In afwijking van artikel 1, eerste lid, wordt niet als zeedag onderscheidenlijk als deel daarvan aangemerkt de periode waarin een vissersvaartuig niet in een Nederlandse haven ligt indien:

a. wordt uitgevaren anders dan voor het uitoefenen van de visserij of het aanlanden van vis;

b. op dezelfde dag als de dag van vertrek uit een Nederlandse haven wordt aangeland in een haven, en

c. de ondernemer onverwijld voor vertrek en na aanlanding met gebruik van de VHF-band of op andere wijze een telefaxbericht heeft verzonden aan de meldkamer van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te Kerkrade, telefax 045-5461011, waarin ten minste is aangegeven:

1°de naam van de ondernemer;

2°de lettertekens en het nummer van het vissersvaartuig;

3°de plaats en het land van de haven;

4°de datum en het tijdstip van vertrek of aanlanding in een haven, en

5°het tijdstip van verzending van het telefaxbericht.

Paragraaf 2. Ontheffing/vrijstelling

Artikel 5

1. Van het in artikel 2, eerste lid, gestelde verbod kan de minister geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen tot ten hoogste 44 zeedagen voor het desbetreffende tijdvak voor een vissersvaartuig waarvoor op grond van artikel 10 van de Regeling contingentering zeevis op 1 januari 2002 contingenten tong en schol of haring zijn toegekend.

2. Voor de beoordeling of en in hoeverre een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt verleend, is bepalend de verhouding tussen:

a. de omvang van de voor 2002 voor het betrokken vissersvaartuig toegekende contingenten tong en schol, in voorkomend geval onder aftrek van de verminderingen ingevolge artikel 23 van de Regeling contingentering zeevis, uitgedrukt in een besomming op basis van de landelijke gemiddelde opbrengsten tong en schol in 1998, 1999 en 2000, en

b. de landelijke gemiddelde opbrengsten tong en schol per zeedag in 1998, 1999 en 2000 van vissersvaartuigen met een motorvermogen dat vergelijkbaar is met het motorvermogen van het vissersvaartuig, bedoeld in het eerste lid.

3. Onverminderd het tweede lid komt een ondernemer voor wiens vissersvaartuig in 2002 contingenten tong, schol en haring zijn toegekend en aan wie in 1991, gelet op het feit dat in 1991 ten minste 75% van de totale besomming uit de vangsten van tong, schol en haring bestond, een ontheffing op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de Zeedagenregeling 1991 is verleend, in het tijdvak vanaf 1 januari 2002 tot en met 17 maart 2002 ten minste voor een ontheffing van hetzelfde aantal zeedagen als in het daarmee corresponderende tijdvak in 2001 in aanmerking, tot ten hoogste 44 zeedagen voor het desbetreffende tijdvak.

4. Indien een ondernemer een vissersvaartuig waarvoor een gehele of gedeeltelijke ontheffing als bedoeld in het eerste lid is verleend gedurende het tijdvak vanaf 1 januari 2002 tot en met 17 maart 2002 vervangt, kan de minister op verzoek van de ondernemer een gehele of gedeeltelijke ontheffing van het in artikel 2, eerste lid, gestelde verbod voor het vervangende vissersvaartuig verlenen indien de beoordeling van de in het tweede lid bedoelde verhouding daartoe aanleiding geeft, tot ten hoogste 44 dagen voor het desbetreffende tijdvak.

Artikel 6

1. Van het in artikel 2, eerste lid, gestelde verbod kan de minister geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen voor een vissersvaartuig waarvoor:

a. op grond van de Regeling contingentering zeevis op 1 januari 2002 contingenten tong, schol, kabeljauw en wijting zijn toegekend, en

b. een vergunning voor de garnalenvisserij als bedoeld in artikel 11 van de Beschikking visserij visserijzone, zeegebied en kustwateren is verleend.

2. Het aantal zeedagen waarvoor een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt verleend, wordt vastgesteld op basis van het aantal zeedagen dat voortvloeit uit de berekening op grond van artikel 5, tweede lid, vermeerderd met het aantal zeedagen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b of c, tot ten hoogste 44 zeedagen voor het tijdvak, bedoeld in artikel 2, eerste lid.

3. Indien de ondernemer een vissersvaartuig waarvoor een gehele of gedeeltelijke ontheffing als bedoeld in het eerste lid is verleend, gedurende het tijdvak vanaf 1 januari 2002 tot en met 17 maart 2002 vervangt, kan op verzoek van de ondernemer, deze gehele of gedeeltelijke ontheffing voor het vervangende vissersvaartuig worden verleend onder voorwaarde dat de voor 2002 voor het te vervangen vissersvaartuig toegekende contingenten en vergunning als bedoeld in het eerste lid in plaats daarvan voor het vervangende vissersvaartuig worden uitgereikt.

Artikel 7

1. Van het in artikel 2, eerste lid, gestelde verbod kan de minister op verzoek geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen tot ten hoogste 44 zeedagen voor het desbetreffende tijdvak, voor een vissersvaartuig waarvoor de ondernemer kan aantonen dat in het jaar 2001 daarmee ten minste:

a. 90% van de totale besomming werd gevormd door de vangst van oesters, kokkels of mosselen, of

b. 70% van de totale besomming werd gevormd door de vangst van garnalen, aal of spiering.

2. Indien de ondernemer een vissersvaartuig waarvoor een gehele of gedeeltelijke ontheffing als bedoeld in het eerste lid is verleend, gedurende het tijdvak vanaf 1 januari 2002 tot en met 17 maart 2002 vervangt, kan op verzoek van de ondernemer, deze gehele of gedeeltelijke ontheffing voor het vervangende vissersvaartuig worden verleend onder voorwaarde dat de eventueel voor 2002 voor het te vervangen vissersvaartuig toegekende vergunningen in plaats daarvan voor het vervangende vissersvaartuig worden uitgereikt.

3. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt vóór 1 februari 2002 bij de minister ingediend.

Artikel 8

Aan ontheffingen als bedoeld in de artikelen 5, 6 en 7 kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend. Zij kunnen te allen tijde worden ingetrokken.

Paragraaf 3. Groepscontingenten

Artikel 9

1. In afwijking van de artikelen 3, 5, 6 en 7 stelt de minister op basis van een visplan als bedoeld in artikel 16 van de Regeling contingentering zeevis, de inspanningsquote vast voor de vissersvaartuigen in een groep, waarbij de segmenten, bedoeld in tabel 1 van bijlage I bij verordening nr. 2091/98 gelden.

2. De inspanningsquote, bedoeld in het eerste lid, wordt ten behoeve van de vissersvaartuigen aan het groepsbestuur toegekend dat met het beheer van het groepscontingent is belast.

3. De minister kan op verzoek van een groepsbestuur toestaan dat een gedeelte van de inspanningsquote, bedoeld in het eerste lid, wordt overgedragen ten behoeve van de in hetzelfde segment vallende vissersvaartuigen van deelnemers aan een andere groep.

4. Een verzoek als bedoeld in het derde lid wordt bij de minister ingediend op een daartoe bestemd formulier.

Artikel 10

Indien een deelnemer aan een groepscontingent in het tijdvak vanaf 1 januari 2002 tot en met 17 maart 2002 op grond van artikel 22 van de Regeling contingentering zeevis van deelname wordt uitgesloten, kent de minister de uitgesloten ondernemer voor zijn vissersvaartuig een aantal zeedagen toe dat gelijk is aan het op grond van de artikelen 3, 5, 6 of 7 toegekende totale aantal zeedagen verminderd met de tot de datum van uitsluiting met dat vissersvaartuig benutte zeedagen.

Paragraaf 4. Overige bepalingen

Artikel 11

De Zeedagenregeling 2001 wordt ingetrokken.

Artikel 12

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2002 en vervalt met ingang van 18 maart 2002.

Artikel 13

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke Regeling zeedagen 2002.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,G.H. Faber.

Toelichting

Evenals in voorgaande jaren is geschied, wordt voor het jaar 2002 in eerste instantie een tijdelijke zeedagenregeling vastgesteld.

De keuze voor een tijdelijke regeling hangt samen met de berekening van de effecten van het MOP op de toe te kennen aantallen zeedagen. Om die effecten te kunnen berekenen moet eerst voor elk individueel vaartuig het aantal zeedagen worden vastgesteld. Dit gebeurt onder andere aan de hand van de ontheffingsaanvragen, die tot 1 februari 2002 kunnen worden ingediend en aan de hand van de zogenoemde LEI-formule. Het is dus niet mogelijk om voor de jaarwisseling alle berekeningen van de zeedagen voor de Nederlandse vissers gereed te hebben.

De tijdelijke regeling zal met ingang van 18 maart 2002 worden vervangen door een definitieve regeling.

In verband met de aanpassing van het op de Nederlandse kottervloot van toepassing zijnde deel van de MOP-IV beschikking, is bij het bepalen van het aantal zeedagen voor de kotters wederom aansluiting is gezocht bij het gemiddelde zeedagengebruik van de afgelopen jaren.

Omdat de MOP-IV beschikking nog niet is gewijzigd voor de pelagische vriestrawlers, ligt het aantal toegekende zeedagen voor die categorie vissersvaartuigen op hetzelfde niveau als dat van vorig jaar.

In verordening (EG) nr. 2091/98 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 30 september 1998 betreffende de indeling van de communautaire vissersvloot en de visserij-inspanning in segmenten ten behoeve van de meerjarige oriëntatieprogramma's (PbEG L 266) wordt de vissersvloot van elke lidstaat in vlootsegmenten met bepaalde codes ingedeeld, waarbij rekening wordt gehouden met de bestanden waarop wordt gevist alsmede de toegepaste vangsttechnieken. In verband hiermee wordt in de artikelen 1, onderdeel i, en 9, eerste en derde lid, verwezen naar de in voornoemde verordening genoemde segmenten.

De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

G.H. Faber.