Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
College van Beroep voor het bedrijfslevenStaatscourant 2001, 210 pagina 17Overig

Procesregeling CBB

Regeling van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 19 oktober 2001, houdende richtlijnen voor de behandeling van beroepszaken in eerste aanleg en in hoger beroep door enkelvoudige en meervoudige kamers als bedoeld in artikel 18 en volgende van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie (Procesregeling CBB)

Het wettelijk kader voor de behandeling van beroepszaken bij het College is in hoofdzaak gebaseerd op de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en deels op de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie (Wbbo).

I. Voorfase

Artikel 1 Ontvangstbevestiging/kennisgeving

1. Binnen twee weken nadat het beroepschrift bij het College is ingekomen, wordt een ontvangstbevestiging gezonden aan de indiener van het beroepschrift.

2. Binnen twee weken nadat het beroepschrift bij het College is ingekomen, wordt een kennisgeving daarvan, indien het een beroepschrift in eerste aanleg betreft, gezonden aan het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen, of indien het een hoger beroepschrift betreft, aan de andere partij(en) bij de uitspraak.

3. Binnen twee weken nadat een hoger beroepschrift bij het College is ingekomen, wordt een mededeling daarvan gezonden aan de griffier van de rechtbank die de aangevallen uitspraak heeft gedaan. De griffier wordt daarbij verzocht de op de zaak betrekking hebbende stukken binnen vier weken aan het College te zenden.

Artikel 2 Uitnodiging griffierecht

1. Indien de indiener van het beroepschrift een rekening-courantverhouding met de Gerechtelijke Diensten in het arrondissement 's-Gravenhage heeft, wordt het verschuldigde griffierecht langs deze weg verrekend.

2. Wanneer de indiener geen rekening-courantverhouding heeft, wordt hij binnen vier weken na de ontvangst van het beroepschrift door middel van toezending per gewone post van een acceptgirokaart uitgenodigd het verschuldigde griffierecht per omgaande te doen bijschrijven op de rekening van het College.

3. Indien het verschuldigde griffierecht niet binnen vier weken na de datum van verzending van de uitnodiging is bijgeschreven op de rekening van het College dan wel ter griffie is betaald, wordt de indiener van het beroepschrift bij aangetekende brief uitgenodigd het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na verzending te voldoen.

In die uitnodiging wordt vermeld dat het beroep in beginsel niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien het verschuldigde griffierecht niet binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van het College dan wel ter griffie is betaald.

4. In afwijking van het voorgaande geldt dat, indien het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen, hoger beroep heeft ingesteld en de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort binnen twee weken na de datum van verzending van de uitspraak van het College wordt verzocht het verschuldigde griffierecht per omgaande te voldoen.

Artikel 3 Herstel vormverzuim

Indien het beroepschrift niet voldoet aan de vereisten als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, en tweede lid van de Awb, wordt de indiener van het beroepschrift binnen twee weken na de ontvangst van het beroepschrift bij aangetekende brief uitgenodigd het geconstateerde vormverzuim te herstellen binnen vier weken na de dag van verzending van die uitnodiging.

In die uitnodiging wordt vermeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het geconstateerde verzuim niet binnen die termijn is hersteld.

Artikel 4 Overleggen machtiging

1. Indien een machtiging wordt verlangd als bedoeld in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb, wordt de indiener van het beroepschrift binnen twee weken na de ontvangst van het beroepschrift per gewone post uitgenodigd de verlangde machtiging binnen vier weken na de dag van verzending van die uitnodiging in te zenden.

2. Indien de indiener van het beroepschrift niet binnen de gestelde termijn van vier weken de verlangde machtiging als bedoeld in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb heeft ingezonden, wordt hij bij aangetekende brief uitgenodigd dit verzuim binnen twee weken na verzending te herstellen.

3. In die brief wordt een waarschuwing gegeven dat niet of niet-tijdige inzending van de verlangde machtiging ertoe kan leiden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

4. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien het College van een partij stukken verlangt om vast te stellen of deze partij in het geding kan optreden dan wel of deze daartoe bevoegdelijk wordt vertegenwoordigd.

II. Toezending van stukken

Artikel 5 Toezenden van stukken

1. Binnen twee weken nadat voorlopig is geconstateerd dat het beroepschrift in eerste aanleg voldoet aan de in de wet gestelde vereisten, wordt een afschrift van het beroepschrift en eventueel de daarop volgende correspondentie aan het bestuursorgaan toegezonden met het verzoek binnen vier weken de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden alsmede binnen diezelfde termijn een verweerschrift in te dienen.

2. Komt het bestuursorgaan deze verplichting niet na dan kan het College het bestuursorgaan oproepen om in persoon of bij gemachtigde te verschijnen om te worden gehoord. Indien de oproeping van het bestuursorgaan niet leidt tot het indienen van de op de zaak betrekking hebbende stukken, kan het College toepassing geven aan artikel 8:31 van de Awb.

3. Binnen twee weken nadat voorlopig is geconstateerd dat een hoger beroepschrift voldoet aan de in de wet gestelde vereisten, wordt een afschrift van het beroepschrift en eventueel de daarop volgende correspondentie aan de gedaagde toegezonden met het verzoek binnen vier weken een verweerschrift in te dienen.

4. Aan een belanghebbende als bedoeld in artikel 8:26 van de Awb wordt binnen twee weken nadat is komen vast te staan dat hij als partij aan de procedure deelneemt een afschrift van de stukken van het geding gezonden. Hij wordt in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na de uitnodiging daartoe een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven.

5. Van de op de zaak betrekking hebbende stukken en/of het verweerschrift wordt binnen twee weken na ontvangst daarvan een afschrift aan de andere partij(en) gezonden. Na ontvangst van de in artikel 1 lid 3 bedoelde stukken wordt binnen twee weken een afschrift van het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank gezonden aan partijen.

Artikel 6 Geheimhouding stukken

1. Op verzoeken om geheimhouding, als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, wordt beslist door een daartoe door de president aan te wijzen enkelvoudige kamer. Indien de zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer. Het lid of de leden van de kamer, die het verzoek behandelt, worden bij de behandeling van het geding in hoofdzaak verder niet betrokken.

2. De kamer kan een partij of partijen oproepen om in persoon of bij gemachtigde te verschijnen. Zij kan een partij horen buiten aanwezigheid van de andere partij.

3. De kamer kan van een partij een nadere toelichting verlangen. Deze toelichting maakt geen deel uit van de stukken van het geding.

4. De kamer beslist binnen vier weken. Deze termijn kan ten hoogste tweemaal voor vier weken worden verlengd.

5. De beslissing van de kamer wordt, voorzover de aard van de besluitvorming dat toelaat, gemotiveerd. Van de beslissing en de motivering wordt binnen twee weken per brief mededeling gedaan aan partijen.

6. Indien het verzoek om geheimhouding wordt afgewezen worden de stukken waarop het verzoek betrekking heeft aan het bestuursorgaan ter beschikking gesteld. Indien het bestuursorgaan de stukken niet aan het procesdossier toevoegt, kan het College op grond van artikel 8:31 Awb, daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.

Artikel 7 Later inzenden van stukken

Van de door een partij in de loop van de procedure ingezonden stukken wordt aan de andere partij(en) binnen twee weken na ontvangst een afschrift gezonden.

III. Versnelde behandeling

Artikel 8 Versnelde behandeling

1. Op een gemotiveerd verzoek om versnelde behandeling wordt door het College binnen twee weken na ontvangst beslist.

2. Van de beslissing van het College op een verzoek om versnelde behandeling wordt vervolgens binnen twee weken aan partijen mededeling gedaan. Bij de toewijzing van het verzoek wordt voor zover mogelijk aan partijen tevens bericht op welke wijze het beroep verder wordt behandeld.

IV. Voortgang van de procedure

Artikel 9 Bericht van behandeling

Binnen tien weken na ontvangst van het verweerschrift deelt het College aan partijen mede op welke wijze het beroep verder zal worden behandeld.

V. Vooronderzoek

Artikel 10 Repliek en dupliek

Indien het College het wenselijk acht dat de indiener van het beroepschrift een reactie op het verweerschrift geeft, wordt de indiener in de gelegenheid gesteld binnen een termijn van vier weken na de uitnodiging van repliek te dienen. De andere partij(en) wordt daarna in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na de uitnodiging van dupliek te dienen.

Artikel 11 Comparitie van partijen

1. De oproeping om in persoon dan wel in persoon of bij gemachtigde te verschijnen om te worden gehoord, wordt vier weken voordien aan de opgeroepen partij verzonden. Aan de andere partij(en) wordt terzelfder tijd een afschrift van deze oproeping gezonden met de mededeling dat het horen kan worden bijgewoond en een uiteenzetting over de zaak kan worden gegeven.

2. Indien het horen uitsluitend betrekking heeft op het niet tijdig inzenden van de op de zaak betrekking hebbende stukken wordt dat bij de oproeping vermeld en wordt de oproeping tenminste twee weken voordien aan verweerder verzonden. Andere onderwerpen komen bij het horen niet aan de orde. Aan de andere partij(en) wordt een afschrift van de oproeping gezonden.

Artikel 12 Schriftelijke inlichtingen

1. Indien het College schriftelijke inlichtingen inwint bij een partij of schriftelijke inlichtingen inwint dan wel stukken opvraagt bij een ander dan een partij, wordt een termijn van vier weken gesteld om aan het verzoek te voldoen.

2. Voor het opvragen van nadere stukken bij een partij wordt een termijn van twee weken gesteld om aan het verzoek te voldoen.

Artikel 13 Horen van getuigen

1. Getuigen worden ten minste vier weken voor de dag waarop het College hen wenst te horen, opgeroepen.

2. Het College deelt de namen en woonplaatsen van deze getuigen, de plaats, de dag en het tijdstip waarop zij worden gehoord en de feiten waarop het horen betrekking heeft ten minste vier weken tevoren aan partijen mee.

3. Het getuigenverhoor vindt plaats in het openbaar, tenzij het College beslist dat dit met gesloten deuren geschiedt.

Artikel 14 Deskundigenonderzoek

1. Indien het College het voornemen heeft gebruik te maken van de bevoegdheid ingevolge artikel 8:47 van de Awb om een deskundige te benoemen biedt het College partijen de mogelijkheid binnen een termijn van twee weken daarop te reageren.

2. Het College bericht partijen binnen vier weken na het verstrijken van de gestelde termijn over de benoeming van een deskundige.

3. Het College stelt de deskundige een termijn van maximaal drie maanden binnen welke deze een verslag van het onderzoek dient uit te brengen. Indien de deskundige niet binnen deze termijn een verslag van het onderzoek uitbrengt, zal het College al dan niet op verzoek een nadere termijn stellen van vier weken.

4. Het College verzendt binnen twee weken na ontvangst van het verslag van de deskundige een afschrift daarvan aan partijen.

5. Partijen kunnen hun zienswijze met betrekking tot dit verslag binnen vier weken aan het College kenbaar maken. Het College kan deze termijn naar aanleiding van een gemotiveerd verzoek van een der partijen eenmaal met twee weken verlengen. Het College kan de ingekomen reacties binnen twee weken na ontvangst van die reacties voor commentaar voorleggen aan de deskundige. De deskundige wordt daarbij een termijn van vier weken gegeven om zijn commentaar in te dienen.

6. Partijen ontvangen binnen vier weken nadat het onderzoek in overeenstemming met de leden 1 tot en met 5 van dit artikel is afgerond nader bericht over de verdere behandeling van het beroep.

7. Een partij kan schriftelijk aan het College verzoeken om een deskundige te benoemen. Op een verzoek, gedaan na verzending van het bericht van behandeling als bedoeld in artikel 9 wordt binnen twee weken na ontvangst een beslissing genomen. Deze beslissing wordt vervolgens binnen twee weken aan partijen medegedeeld.

Artikel 15 Onderzoek ter plaatse

Indien het College een onderzoek ter plaatse nodig acht, wordt van plaats en tijdstip van het onderzoek ten minste vier weken van tevoren aan partijen mededeling gedaan. Partijen worden daarbij in de gelegenheid gesteld bij dat onderzoek aanwezig te zijn.

VI. Zitting en uitspraak

Artikel 16 Verzet na vereenvoudigde afdoening

Het verzet wordt, tenzij het kennelijk gegrond bevonden wordt, behandeld ter zitting. De uitnodiging voor de behandeling van het verzet ter zitting wordt in beginsel zes weken voor de datum van de zitting aan partijen verzonden. De behandeling van het verzet ter zitting vindt plaats binnen drie maanden nadat het verzet is ingesteld, tenzij partijen wordt bericht dat nader onderzoek vereist is.

Artikel 17 Onderzoek ter zitting

1. De uitnodigingen als bedoeld in artikel 8:56 en de oproepingen bedoeld in artikel 8:59 en 8:60 van de Awb worden in de regel tenminste zes weken voor de datum van de zitting per aangetekende brief verzonden.

2. Het College deelt zijn beslissing op een verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting binnen een week na ontvangst van het verzoek mede. Een verzoek dat niet binnen een week na ontvangst van de uitnodiging of oproeping dan wel na opkomst van de reden van verhindering schriftelijk gemotiveerd is ingediend, wordt in beginsel afgewezen. Een verzoek, dat binnen een termijn van drie weken voor de zitting is ontvangen, kan slechts worden toegewezen als wordt aangetoond dat sprake is van overmacht.

3. Aan partijen wordt desgevraagd medegedeeld welke rechters naar verwachting aan de behandeling ter zitting zullen deelnemen.

4. Stukken die niet binnen de in artikel 8:58 van de Awb voorgeschreven termijn van tien dagen voor de zitting bij het College zijn ingekomen, worden buiten beschouwing gelaten indien de toelating in strijd is met de goede procesorde. Acht het College kennisneming daarvan niettemin geboden, dan schorst of heropent het College het onderzoek.

Artikel 18 Nagekomen stukken

Stukken die ongevraagd worden ingediend na de zitting, worden buiten beschouwing gelaten en geretourneerd. Acht het College kennisneming daarvan niettemin geboden, dan heropent het College het onderzoek.

VII. Algemene bepalingen en slotbepalingen

Artikel 19 Uitstelbeleid

1. Een schriftelijk gemotiveerd verzoek om verlenging van een door het College gestelde termijn, dat tenminste een dag voor het einde van die termijn door het College is ontvangen, wordt in beginsel voor ten hoogste de duur van de gestelde termijn toegewezen.

2. Indien op grond van bijzondere omstandigheden in een bepaald geval uitstel voor een langere periode is aangewezen dient dat in het verzoek onder opgave van redenen en onder vermelding van de dan noodzakelijk geachte termijn te worden aangegeven. Indien de verzochte verlenging meer dan twee maal de gestelde termijn zou omvatten bewilligt het College daarin niet dan nadat het de andere partij(en) in de gelegenheid heeft gesteld binnen een week hun zienswijze kenbaar te maken.

3. Slechts in uitzonderlijke gevallen ter beoordeling van het College wordt een tweede gemotiveerd verzoek om verlenging, dat tenminste een dag voor het einde van de verlengde termijn door het College ontvangen is, eveneens toegewezen.

4. Indien door overmacht een gestelde termijn niet is of zal worden gehaald, deelt de betrokken partij dit zo spoedig mogelijk aan het College mee. Indien het College op basis van de overgelegde stukken overmacht aanwezig acht, wordt de termijn verlengd tot ten hoogste een week, nadat de overmacht ophoudt te bestaan.

Artikel 20 Afwijkingsbevoegdheid

Van de artikelen uit deze procesregeling kan het College op grond van bijzondere omstandigheden afwijken.

Artikel 21 Slotbepalingen

1. Op de termijnen, genoemd in deze procesregeling, is de Algemene termijnenwet van overeenkomstige toepassing.

2. De tekst van deze procesregeling wordt in de Staatscourant gepubliceerd en op internet onder www.rechtspraak.nl geplaatst.

3. Deze procesregeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2002.

4. Deze regeling kan worden aangehaald als: Procesregeling CBB.

Toelichting

I. Algemeen

De procesregeling van het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevat richtlijnen voor de behandeling van beroepszaken en hoger beroepszaken door het College.

Zij is van toepassing op alle zaken die door het College volgens de regels van de Awb en de Wbbo worden berecht en derhalve niet op zaken die behandeld worden op grond van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie en andere tuchtzaken.

De procesregeling is evenmin van toepassing op de voorlopige voorzieningprocedure.

Bij het opstellen van deze procesregeling is gebruik gemaakt van de Procesregeling bestuursrecht van de rechtbanken en van concepten voor vergelijkbare regelingen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep. Gekozen is voor een vergelijkbare systematiek en opzet. Inhoudelijke verschillen zijn voornamelijk terug te voeren op de specifieke procespraktijk bij het College. Zo is er bij de regeling omtrent het griffierecht van uitgegaan dat veel gemachtigden van appellanten een rekening-courantverhouding hebben; voor het overige wordt het griffierecht in de regel binnen vier weken na een uitnodiging per gewone post voldaan.

De juridische status van de regeling is het best te vergelijken met een beleidsregel. In de regeling wordt aangegeven op welke wijze het College om zal gaan met bevoegdheden, die het aan de Awb en de Wbbo ontleent. Aan partijen verleent de regeling geen rechten, de regeling legt ook geen verplichtingen op, maar partijen kunnen hun verwachtingen afstellen op hetgeen in de regeling wordt aangegeven.

Tussen de door het College te behandelen zaken bestaan grote verschillen. Naast juridisch eenvoudige zaken, die door de betrokkenen zelf aan het College worden voorgelegd komen ook veel zeer complexe zaken voor, die van alle bij de procedure betrokkenen een hoge mate van specialistische deskundigheid vergen.

Om aan de behandeling van zulke verschillende zaken recht te doen, zullen soms binnen de procesregeling afwijkende voorzieningen geboden moeten worden.

Bij de instroom van zaken bij het College hebben zich soms sterke onevenwichtigheden voorgedaan. Er is geen reden te verwachten, dat dat in de toekomst anders zal zijn. Daarom moet er ruimte blijven voor enige flexibiliteit in de behandeling van individuele zaken. Met inachtneming daarvan biedt de regeling partijen zo veel mogelijk inzicht in de behandeling van hun zaken en de daarin achtereenvolgens te nemen stappen.

Doelstelling van de regeling is de duur van beroeps- en hoger beroepsprocedures bij het College te bekorten, door het stellen en handhaven van duidelijke termijnen voor het verrichten van proceshandelingen door partijen, andere betrokkenen en het College zelf.

Een heldere regie van de procesvoering leidt daarnaast tot duidelijker zicht voor partijen op de mogelijkheden om daarop invloed uit te oefenen; als de procedure zich volgens een kenbare en voorspelbare lijn afwikkelt, kan men zijn eigen inbreng ordenen en daarop afstemmen.

De bestaande verschillen tussen beroepsprocedures en hoger beroepsprocedures nopen over het algemeen niet tot een afwijkende benadering in het kader van deze procesregeling. Daarom wordt het onderscheid alleen waar nodig aangebracht. Waar de term beroepschrift gebruikt wordt omvat deze ook een beroepschrift in het kader van een hoger beroep.

Het College streeft ernaar om in zoveel mogelijk zaken binnen een jaar na ontvangst van een beroepschrift uitspraak te doen. Er kunnen zich echter bijzondere ontwikkelingen in een zaak voordoen, zoals de noodzaak om prejudiciële vragen te stellen, of het eerst ter zitting opkomen van nieuwe aspecten, die heropening van het vooronderzoek noodzakelijk maken. Dat zal er zeker toe leiden dat ook op de middellange termijn de doelstelling niet in alle gevallen gehaald zal worden.

II. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Het belang van de indiener om zo spoedig mogelijk te vernemen of zijn beroepschrift daadwerkelijk is ontvangen is evident, evenzeer als het belang van andere partijen om vast te kunnen stellen of een besluit dan wel een uitspraak onherroepelijk geworden is of dat daartegen nog (hoger) beroep is ingesteld.

De gestelde termijn van twee weken geeft het College anderzijds de mogelijkheid om bij de ontvangstbevestiging zoveel mogelijk gelijk de uitnodigingen als bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 te doen, hetgeen uit een oogpunt van efficiënte communicatie de voorkeur verdient.

Artikel 3. In vrijwel alle zaken waarop deze procesregeling betrekking heeft is aan het beroep bij het College tenminste een bezwaarschriftprocedure voorafgegaan. Daarom mag in beginsel verwacht worden, dat men binnen de beroepstermijn een aan de vereisten voldoend beroepschrift kan indienen, waarin wordt uiteengezet, waarom men meent, dat het College het aangevochten besluit of de uitspraak zou moeten vernietigen. Ook als eerst ter gelegenheid van het (hoger) beroep rechtshulpverleners worden ingeschakeld kan er geen reden zijn een beroepschrift maandenlang ongemotiveerd te laten. Vorenstaande overweging sluit de mogelijkheid van aanvulling van het beroepschrift in een latere fase niet uit.

Hoewel voor andere vormverzuimen dan het ontbreken van de motivering in redelijkheid een kortere hersteltermijn dan vier weken gekozen zou kunnen worden, ziet het College daar uit een oogpunt van uniformiteit vanaf.

Artikel 4. Omdat de verplichting een machtiging over te leggen of anderszins vertegenwoordigingsbevoegdheid aan te tonen niet rechtstreeks uit de wet voortvloeit, maar afhankelijk gesteld is van een beslissing van het College, past een iets ruimhartiger benadering bij het stellen van een termijn waarbinnen een bewijsstuk daarvan (alsnog) dient te worden overgelegd. In beginsel vraagt het College in alle gevalen, waarin daaromtrent onduidelijkheid kan bestaan, een dergelijk bewijsstuk op. Partijen kunnen de procedure versnellen door ongevraagd een machtiging over te leggen.

Artikel 5. Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb maakt geen onderscheid tussen het inzenden van de gedingstukken en indiening van een verweerschrift.

In hoger beroep komen de gedingstukken van de rechtbank; het verweerschrift van de partij, die bij de uitspraak in het gelijk gesteld is.

Behandeling van het beroep zonder gedingstukken is redelijkerwijs niet mogelijk; het ontbreken van een verweerschrift levert over het algemeen niet een dergelijke belemmering op; het verzwakt slechts de procespositie van de verwerende partij.

Omdat in vrijwel alle gevallen voorafgaand aan het beroep tenminste een bezwaarschriftprocedure heeft plaatsgevonden, bestaat er een dossier, dat - eventueel met enkele aanvullingen - binnen redelijke tijd kan worden overgelegd. Vertragingen op dit punt zijn dan ook in beginsel onnodig. Doen deze zich toch voor, dan zal het College steeds een comparitie beleggen om de voortgang te bespoedigen.

Artikel 6. Om het belang van de beschikbaarheid van bepaalde stukken in een geding te kunnen afwegen tegen het belang van geheimhouding daarvan is het gewenst, dat de rechter een scherp zicht heeft op de in het geding aan de orde komende rechtsvragen. Uit een oogpunt van efficiënt gebruik van rechterlijke deskundigheid is het - zeker binnen een kleine organisatie als het College - niettemin niet altijd verstandig drie materiedeskundigen in te zetten om op een geheimhoudingsverzoek te beslissen, aangezien zij daarna bij de behandeling van de zaak zelve niet altijd meer inzetbaar zijn. Daarom wordt in beginsel gekozen voor beoordeling door een enkelvoudige kamer. Pas als blijkt dat principiële vragen aan de orde zijn, wordt de geheimhouding in meervoudige samenstelling beoordeeld.

Als het College oordeelt, dat geheimhouding van bepaalde stukken niet gerechtvaardigd is, kan het bestuursorgaan niettemin besluiten deze niet in de procedure in te brengen, bijvoorbeeld omdat het zich gebonden acht aan een aan een derde, die de informatie verstrekt heeft, gedane belofte tot geheimhouding. Het is in een dergelijk geval aan het bestuur om dat belang af te wegen tegen de onmiskenbaar daardoor beïnvloede kans om de procedure te winnen.

Artikel 7. Voor een doelmatige afwikkeling van de procedure is het zeer gewenst, dat partijen feiten en standpunten reeds bij beroep en verweer naar voren brengen. Niettemin bestaat, tenzij het College in een individueel geval partijen verzoekt van verdere stukkenwisseling af te zien, tot tien dagen voor de zitting in beginsel steeds de mogelijkheid nadere stukken in te dienen. De andere partij dient van dergelijke stukken zo spoedig mogelijk in kennis gesteld te worden.

Artikel 8. Een verzoek om versnelde behandeling is een verzoek om met voorrang een zaak te behandelen. Andere zaken blijven daardoor langer liggen. Als het College een zaak versneld behandelt, wordt ook van partijen een snelle en efficiënte procesvoering gevergd.

Artikel 9. Dit artikel leidt ertoe, dat het College in alle gevallen binnen tien weken na ontvangst van het verweerschrift tot een eerste globale beoordeling van de zaak zal komen. Bezien wordt dan of nader onderzoek of beschouwing nodig is, of dat de zaak direct naar zitting kan of dat er zelfs sprake is van een zodanig duidelijke situatie, dat de zaak zonder zitting kan worden afgedaan.

Het is de bedoeling, dat partijen bij het op basis van deze beoordeling te verzenden behandelingsbericht ook een indruk wordt gegeven van de tijd, die met de aangekondigde stappen gemoeid zal zijn.

Mocht bij de verdere behandeling blijken, dat van de bij het behandelingsbericht geschetste koers wordt afgeweken, dan zendt het College partijen daarover nader bericht.

Artikel 10. Gelet op de aan de behandeling door het College voorafgegane bezwaar- en/of beroepsprocedure moeten partijen in het algemeen in staat zijn in beroep- en verweerschrift hun standpunten genoegzaam naar voren te brengen.

Mochten er toch geheel nieuwe aspecten naar voren komen dan kan het College al dan niet op voorstel van een partij een tweede ronde van standpuntwisseling wenselijk achten. Een termijn van vier weken per partij moet daarvoor voldoende zijn. Een derde, aan de procedure deelnemende partij, die zijn standpunt reeds schriftelijk ingebracht heeft, zal - als er zaken naar voren gekomen zijn die een tweede ronde rechtvaardigen - in het algemeen ook zijn zienswijze daarover naar voren moeten kunnen brengen.

Artikel 11. Een comparitie kan erop gericht zijn van een partij nadere informatie te verkrijgen, maar kan er ook toe strekken met beide partijen over de zaak te overleggen of te pogen partijen met elkaar in gesprek te brengen. Als een bestuursorgaan alleen ter comparitie wordt opgeroepen om te bespreken waarom de processtukken niet tijdig worden overgelegd, zal van de wederpartij, die de comparitie wenst bij te wonen, gevraagd mogen worden van zijn wettelijk recht om een uiteenzetting over de zaak te geven slechts in die zin gebruik te maken, dat hij zich beperkt tot het op de comparitie aan de orde zijnde punt. Dit geldt temeer omdat de dan aanwezige rolrechter mogelijk niet bij de verdere behandeling betrokken zal zijn.

Artikel 13. Om partijen en de getuigen zelf een redelijke kans te geven om bij een door het College bevolen getuigenverhoor aanwezig te zijn, is in het algemeen inachtneming van een termijn van vier weken geboden.

Artikel 14. Het College benoemt slechts bij uitzondering een deskundige om een onderzoek in te stellen. Wanneer zich een dergelijke situatie voordoet informeert het College partijen tevoren over de voorgenomen benoeming en zo mogelijk ook over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan de deskundige voor te leggen vraagstelling. Partijen krijgen dan gedurende twee weken de gelegenheid over een en ander hun zienswijze naar voren te brengen.

Lid 7. Partijen kunnen het College ook verzoeken een deskundige te benoemen. Het is belangrijk voor partijen dat het College daarover dan een beslissing neemt, zodat zij bij een afwijzing kunnen besluiten zelf een deskundige in de arm te nemen.

Ook het feit, dat laatstgenoemde mogelijkheid kosten met zich brengt, leidt ertoe, dat het College desgevraagd uitsluitsel moet geven of het benoeming van een deskundige zijnerzijds in overweging wil nemen.

Waar de besluitvorming over benoeming van een deskundige enige kennis van de zaak vergt, zal over een daartoe strekkend verzoek niet altijd besloten kunnen worden voordat het bericht van behandeling als bedoeld in artikel 9 verzonden is. Dat sluit niet uit, dat zo'n verzoek wel eerder gedaan kan worden.

Bij een in beginsel bevestigende beantwoording zal vaak een periode van meer dan twee weken gemoeid zijn met formulering van de opdracht en het vinden van de juiste deskundige.

Indien een partij zelf een deskundige in de arm neemt, zal het College over het algemeen die partij de mogelijkheid bieden binnen een redelijke termijn de resultaten daarvan in geding te brengen, tenzij de uitkomst van het onderzoek naar het oordeel van het College voor de beoordeling van het geschil niet van belang kan zijn.

Artikel 15. Partijen hechten er vaak belang aan bij een plaatselijk onderzoek aanwezig te zijn. Daarom moet een redelijke termijn geboden worden, om zich voor het bijwonen daarvan vrij te kunnen maken.

Artikel 16. De indiener van een verzetschrift wordt in beginsel altijd de gelegenheid geboden om ter zitting gehoord te worden, tenzij het verzet kennelijk gegrond wordt bevonden. Naast de indiener krijgen de andere bij de hoofdzaak betrokken partijen eveneens de gelegenheid hun zienswijze ter zitting naar voren te brengen.

Artikel 17. De uitnodigingen voor een zitting worden meer dan zes weken voor de zitting verzonden. In verband met de wenselijkheid om, als partijen uitstel vragen en krijgen, nog een vervangende zaak op een zitting te kunnen agenderen, zal vervolgens soms een uitnodiging binnen de gestelde termijn van zes weken verzonden worden. Als een partij aannemelijk maakt daardoor belemmerd te worden in een gedegen voorbereiding op de zitting verleent het College desgevraagd uitstel.

Lid 3. Het komt veelvuldig voor, dat in de samenstelling van de kamers tot kort voor een zitting door ziekte of anderszins wijziging optreedt. Soms wordt in die fase nog besloten om een zaak enkelvoudig of juist meervoudig te behandelen. Het doorgeven van dergelijke wijzigingen ook aan partijen die daar niet in geïnteresseerd zijn is onevenredig belastend. Indien partijen aangeven prijs te stellen op informatie over de samenstelling van de behandelende kamer wordt deze vanzelfsprekend wel verstrekt.

Lid 4. Bijzondere omstandigheden kunnen ertoe leiden, dat een partij een stuk na de tien-dagentermijn van artikel 8:58 Abw indient. Bij beoordeling van de vraag of een aldus ingediend stuk nog in de procedure betrokken kan worden speelt enerzijds het belang, dat de wederpartij niet overvallen mag worden door pas in een zeer laat stadium ingebrachte of opkomende informatie. Op zichzelf is daar door schorsing van de zitting en heropening van het vooronderzoek altijd een mouw aan te passen, maar daarnaast speelt ook het belang van een ordelijke procedure, die binnen afzienbare tijd tot een einduitspraak moet leiden een zwaarwegende rol. Van partijen mag gevergd worden, dat zij zich tijdig afvragen welke stukken het College nodig heeft om tot een juiste beslissing te komen. Daartegenover staat dan weer dat een strikte toepassing van procedurele regels er niet toe mag leiden, dat een partij, die niet zonder meer met die regels bekend geacht kan worden, niet alle kans zou krijgen zijn argumenten naar voren te brengen.

Artikel 18. Van stukken die na de zitting binnenkomen nemen de leden van de kamer, die de zaak behandeld heeft, in beginsel geen kennis. Niettemin kunnen daarin feiten of omstandigheden naar voren gebracht worden, die tot heropening van de behandeling aanleiding geven, al was het maar een verklaring waarom een partij, die bijwoning van de zitting op prijs stelde, daar niet heeft kunnen verschijnen. Doet zich iets dergelijks voor, dan wordt tot heropening van het onderzoek besloten, zodat ook de andere partij zonodig zijn inbreng kan hebben.

Artikel 19. Gestelde termijnen worden, als daar een behoorlijke reden voor wordt aangevoerd tenminste eenmaal verlengd met maximaal nog een keer die termijn, te rekenen vanaf het einde van de eerste termijn. Als de reden ondeugdelijk bevonden wordt zal een kortere termijn gesteld worden.

Op verdere verlenging van de termijn mag men in beginsel niet rekenen. Wie een tweede verlenging vraagt en niet tijdig een bewilliging daarin ontvangt moet er dus van uitgaan dat de termijn verstreken is. In een dergelijk geval kan slechts overmacht nog een grond opleveren om de termijnoverschrijding te verontschuldigen. Het College zal niet licht een geval van overmacht aannemen.

Artikel 20. Van alle bepalingen van de procesregeling kan het College, al dan niet op verzoek van partijen, afwijken. Plotselinge pieken in de werkbelasting bij het College en - in uitzonderingsgevallen - ook bij (gemachtigden van) partijen die grote aantallen zaken bij het College in behandeling hebben, kunnen daartoe aanleiding zijn. Daarnaast kunnen de bijzonderheden van een individuele zaak daartoe ook een grond opleveren. In die zin zijn de regels van de procesregeling minder dwingend dan wettelijke regels.

Anderzijds heeft formulering van de procesregeling geen zin als daarvan veelvuldig en lichtvaardig zou kunnen worden afgeweken. Het College streeft er dan ook naar afwijking tot uitzonderlijke omstandigheden te beperken.

Artikel 21. De procesregeling treedt op 1 januari 2002 ook voor lopende zaken in werking. Uiterlijk tien weken na die datum moet dus ook in alle dan reeds langer aanhangige zaken een behandelingsbericht verzonden worden. Wellicht zal in sommige gevallen moeten worden volstaan met een mededeling over de te verwachten voortgang in de behandeling van de zaak. Partijen krijgen dan in elk geval een indicatie over de verdere behandelingstermijn.