﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE stcart PUBLIC "-//SDU//DTD staatscourant xml 1.1//NL" "../../dtd/stcrt-11.dtd"[]>
<stcart soort="reg" status="bewerkt" publtype="stct">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2001-118-p17-SC29789/metadata.xml" />
  </metadata>
  <frontm>
    <versie dtd="1.5" conv="$Revision: 1.5 $__0" markup="hxa"></versie>
    <artcode>118-1701</artcode>
    <stcgeg>
      <tekst>Uit: Staatscourant 22 juni 2001, nr. 118</tekst>
      <dag>Vrijdag</dag>
      <datum>22 juni 2001</datum>
      <nummer>118</nummer>
    </stcgeg>
    <chapeau>
      <mincodes>VROM </mincodes>
    </chapeau>
    <titel>Subsidieregeling gebiedsgericht milieubeleid 2001</titel>
    <opschr></opschr>
    <bron>
      <datum>20 juni 2001</datum>/<kenmerk>Nr. LMV 2001047418</kenmerk><afd></afd></bron>
  </frontm>
  <body>
    <al>De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</al>
    <al>Gelet op artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer;</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Besluit: </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 1</tuskop>
    <al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al>
    <al>a. <nadruk type="cur">wet:</nadruk> Wet milieubeheer;</al>
    <al>b. <nadruk type="cur">minister:</nadruk> Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer;</al>
    <al>c. <nadruk type="cur">Commissie:</nadruk> Commissie van de Europese Gemeenschappen;</al>
    <al>d. <nadruk type="cur">milieu-aandachtsgebied:</nadruk></al>
    <al>1). in het provinciale milieubeleidsplan aangeduid gebied als bedoeld
in artikel 4.9. derde lid, onder c, van de wet, of een gebied ten aanzien
waarvan gedeputeerde staten hebben verklaard dat de provincie bij de eerstvolgende
herziening van het provinciale milieubeleidsplan, een zodanige aanduiding
zal realiseren, of</al>
    <al>2). ROM-gebied als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Actieplan gebiedsgericht
milieubeleid (kamerstukken II 1990/91, 21 896, nrs. 1 en 2);</al>
    <al>e. plan van aanpak: plan waarin is beschreven de ontwikkeling van een
gebied als bedoeld in onderdeel d, onder 2, en een of meer projecten, gericht
op de instandhouding, het herstel of de verbetering van de kwaliteit van het
milieu en de ruimte in het gebied, waarvan de uitvoering van wezenlijk belang
is voor de ontwikkeling van dat gebied;</al>
    <al>f. stuurgroep: samenwerkingsverband van overheden of andere rechtspersonen,
ingesteld bij overeenkomst, dat een plan van aanpak opstelt, en de uitvoering
ervan coördineert;</al>
    <al>g. provinciaal milieuprogramma: programma als bedoeld in artikel 4.14
van de wet;</al>
    <al>h. uitvoeringsprogramma: gedeelte van een provinciaal milieuprogramma
of een door gedeputeerde staten op basis van een provinciaal milieubeleidsplan
vastgesteld programma, dat betrekking heeft op activiteiten in één
of meer milieu-aandachtsgebieden, die uiterlijk in het jaar 2001 worden aangevangen
en uiterlijk worden afgerond in het jaar 2003. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 2</tuskop>
    <al>1. Deze regeling heeft als doel het stimuleren van de uitvoering van het
gebiedsgerichte milieubeleid in milieu-aandachtsgebieden en het bevorderen
van een integrale aanpak en bescherming bij de uitvoering van dit beleid door
met name andere overheden.</al>
    <al>2. Subsidie kan worden verstrekt op aanvraag van een provincie, ter zake
van de kosten van activiteiten die zijn opgenomen in een uitvoeringsprogramma
en naar het oordeel van de minister bijdragen aan de realisatie van de doelstellingen
van de subsidieregeling. De activiteiten moeten uiterlijk in het jaar 2001
aanvangen en uiterlijk worden afgerond in het jaar 2003.</al>
    <al>3. In bijzondere gevallen kan, op aanvraag van een provincie, subsidie
worden verstrekt waarmee de aanvraag, bedoeld in het tweede lid wordt aangevuld.</al>
    <al>4. In het geval dat een aanvraag betrekking heeft op activiteiten voor
de uitvoering van een plan van aanpak, gaat de aanvraag vergezeld van een
document waaruit blijkt dat de stuurgroep de activiteiten heeft goedgekeurd.</al>
    <al>5. Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover de activiteiten, bedoeld
in het tweede of derde lid, bijdragen aan de verbetering van de kwaliteit
van het milieu in het betrokken milieu-aandachtsgebied.</al>
    <al>6. Een uitvoeringsprogramma bevat in ieder geval:</al>
    <al>a. de milieu-aandachtsgebieden waarop het programma betrekking heeft,
alsmede de motivering bij de keuze voor de betreffende gebieden;</al>
    <al>b. een beschrijving van de activiteiten per milieu-aandachtsgebied, die
in 2001 worden aangevangen, onder vermelding van de bestaande en gewenste
milieukwaliteit in dat gebied en de te verwachten effecten van die effecten
op de actuele milieukwaliteit;</al>
    <al>c. een beschrijving van de wijze waarop toezicht wordt gehouden op de
uitvoering van de activiteiten. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 3</tuskop>
    <al>Voor een subsidie komen niet in aanmerking de kosten:</al>
    <al>a. van de verwerving van kapitaalgoederen, met uitzondering van de kosten
van de verwerving door een provincie van landbouwgrond en natuurterreinen
als bedoeld in artikel 1 van de Wet agrarisch grondverkeer door het bureau
beheer landbouwgronden als bedoeld in artikel 28 van de Wet agrarisch grondverkeer;</al>
    <al>b. van een vergoeding van schade ter uitvoering van de artikelen 15.20
en 15.21 van de wet;</al>
    <al>c. van het apparaat van een provincie of andere overheid of van een andere
rechtspersoon, gemaakt ter uitvoering van het in dit programma bepaalde, tenzij
deze kosten geen onderdeel uitmaken van de normale taakuitoefening van de
provincie of andere overheid of van die andere rechtspersoon. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 4</tuskop>
    <al>Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening worden naast het
in artikel 2, tweede lid, genoemde aspect betrokken:</al>
    <al>a. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de verbetering van de kwaliteit
van het milieu in het betrokken milieu-aandachtsgebied;</al>
    <al>b. de omvang en aard van de milieu-aandachtsgebieden waarop het uitvoeringsprogramma
betrekking heeft;</al>
    <al>c. het integrale karakter en de voortgang van de activiteiten opgenomen
in het uitvoeringsprogramma</al>
    <al>d. de begroting, financieringswijze en het overzicht van de liquiditeitsbehoefte</al>
    <al>e. de mate waarin de provincie, gemeenten, waterschappen, andere openbare
lichamen en andere rechtspersonen bijdragen aan de activiteiten;</al>
    <al>f. de wijze waarop het toezicht op de uitvoering van het uitvoeringsprogramma
is ingevuld. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 5</tuskop>
    <al>1. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2001 voor bijdragen als bedoeld
in artikel 2, tweede en derde lid, bedraagt per provincie:</al>
    <plaatje file="stcrt-2001-118-p17-SC29789-1.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <al>2. Het subsidieplafond bedraagt f 2.000.000,- (EUR 907.560) voor bijdragen
voor activiteiten voor de uitvoering van een plan van aanpak. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 6</tuskop>
    <al>1. Aanvragen tot subsidieverlening kunnen worden ingediend voor 1 juli
2001.</al>
    <al>2. In afwijking van het eerste lid kunnen aanvragen, bedoeld in artikel
2, derde lid, worden ingediend vóór 1 januari 2002. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 7</tuskop>
    <al>Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening
van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 8</tuskop>
    <al>Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling gebiedsgericht milieubeleid
2001</al>
  </body>
  <backm>
    <ondtek>`s-Gravenhage, 20 juni 2001. <nl></nl><min>De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</min>J.P. Pronk.<nl></nl></ondtek>
    <toelicht>
      <tuskop letat="vet">Toelichting </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Algemeen</tuskop>
      <al>Bij Besluit van 13 april 2000 (Stb. 2000, 170) is paragraaf 8.1 van het
Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer, onderdeel gebiedsgericht milieubeleid
(hierna Sgm2000), gewijzigd. Die wijziging betrof een verlenging van de termijnen
met één jaar voor subsidieverlening aan provincies ter uitvoering
van gebiedsgericht milieubeleid. Krachtens het Sgm2000 kan na 31 december
2000 geen subsidie meer worden verstrekt voor activiteiten in specifieke milieu-aandachtsgebieden
die bijdragen aan een verbetering van het milieu. Voor de verdere ontwikkeling
en intensivering van het gebiedsgerichte milieubeleid door de provincies is
f 45 miljoen per jaar beschikbaar. Medio 2001 zal hiervoor naar verwachting
een nieuwe Subsidieregeling gebiedsgericht beleid (Sgb) in werking treden.
In dit overgangsjaar 2001 hebben de provincies voor een deel van de specifieke
gebieden subsidie uit de Sgb aangevraagd. In de milieu-aandachtsgebieden die
nog niet kunnen voldoen aan de voorwaarden van de Sgb dreigt de uitvoering
van gebiedsgerichte activiteiten in 2001 niet tijdig te kunnen starten door
het ontbreken van een juridische grondslag voor subsidieverlening. Voor die
gebieden acht ik een tijdelijk vangnet nodig. De onderhavige regeling strekt
tot waarborging van de continuïteit van de uitvoering van het gebiedsgericht
milieubeleid door de provincies.</al>
      <al>Met de regeling wordt de termijn voor subsidieverlening verlengd tot eind
2001. Te subsidiëren activiteiten dienen uiterlijk eind 2001 te zijn
aangevangen en eind 2003 te worden afgerond. Voor de krachtens het Sgm2000
gesubsidieerde activiteiten zullen deze termijnen overeenkomstig worden verlengd.
Een aanpassing van paragraaf 8.1 van het Subsidiebesluit openbare lichamen
milieubeheer zal daar medio 2001 in voorzien.</al>
      <al>Het doel van de regeling is de uitvoering van het gebiedsgerichte milieubeleid
in milieu-aandachtsgebieden te stimuleren en een integrale aanpak en bescherming
daarbij te bevorderen. De regeling biedt de mogelijkheid tot subsidieverlening
voor bron, effect- of procesgerichte activiteiten die gefinancierd worden
ten laste van het budget, genoemd in artikel 5. Een bijdrage kan worden verleend
voor activiteiten voor zover deze een verbetering van de milieukwaliteit in
bedoelde gebieden beogen. Het zal daarbij moeten gaan om maatregelen die niet
in het generieke milieubeleid zijn voorzien of aanvullend zijn op dit beleid.
Aanvullend kan betrekking hebben op het tijdstip van uitvoeren, de kosten
die de maatregel met zich meebrengt, de bijzondere milieukwaliteit die de
maatregel wordt beoogd te realiseren, het specifieke lokale karakter van de
maatregel of het verbeteren van ruimtelijke en bestuurlijke condities. Het
is niet de bedoeling bij te dragen aan activiteiten die conform het generieke
beleid en de landelijke wet- en regelgeving reeds verplicht zijn en geen aanvullende
karakter hebben. Voor activiteiten waarvoor een subsidie wordt verleend krachtens
deze regeling kunnen geen bijdragen worden verleend krachtens de Sgb.</al>
      <al>De regeling beoogt geen afwijking van het doel en de inhoudelijke vereisten
van het Sgm2000. Als gevolg van de inwerkingtreding van het Besluit milieusubsidies
(Stb 1998, 720) zijn de daarin vastgelegde eisen omtrent aanvraag, voortgangsrapportage,
voorschotten en vaststelling van toepassing. Materieel wijken deze procedurele
eisen evenmin af van het Sgm2000. Het subsidieplafond voor de provinciale
milieu-aandachtsgebieden in 2001 is in artikel 5, eerste lid, vastgelegd per
provincie. Het subsidieplafond voor de ROM-gebieden bedraagt f 2.000.000,-
(artikel 5, tweede lid). De regeling heeft geen administratieve lasten voor
het bedrijfsleven. </al>
      <tuskop letat="cur">EU-aspecten</tuskop>
      <al>De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft in maart 2000 bepaald
dat de subsidieverlening gebiedsgericht milieubeleid niet als staatssteun
valt aan te merken. De onderhavige regeling behoeft derhalve in het kader
van artikel 88, derde lid, van het EG-verdrag niet te worden aangemeld bij
de Commissie. Een gering gedeelte van het bedrag dat voor de regeling is gereserveerd,
zal door de provincies worden gebruikt om de uitvoering van milieumaatregelen
door particuliere bedrijven te bevorderen. Aangezien dergelijke maatregelen
als staatssteun in de zin van artikel 87, eerste lid, van het EG-verdrag beschouwd
kunnen worden zal een provincie, indien de Europese regelgeving dat voorschrijft,
een voornemen om een bijdrage te verstrekken afzonderlijk moeten melden bij
de Commissie. Hierbij moet door de provincies de Europese verordening betreffende
de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de minimissteun
(PbEg 13.1.2001 nr. L10) in acht worden genomen. De aanmeldingsverplichting
geldt niet indien het totale steunbedrag aan één onderneming
niet hoger is dan het minimisplafond van 100.000 EUR over een periode van
drie jaar. Deze verordening is niet van toepassing op de landbouwsector. </al>
      <tuskop letat="vet">Subsidieverstrekking </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Eisen en beoordeling aanvraag</tuskop>
      <al>Artikel 2 van deze regeling stelt de eisen waaraan het uitvoeringsprogramma
ten minste moet voldoen. Het moet gaan om milieu-aandachtsgebieden waarvoor
in 2001 nog geen aanvraag uit de nieuwe Sgb wordt ingediend. Voor de beschrijving
en motivering van de milieu-aandachtsgebieden kan zonodig gebruik worden gemaakt
van het provinciale Sgb-programma. Voor de ROM-gebieden waarvoor het plan
van aanpak nog in uitvoering is, kan een provincie een subsidie-aanvraag opnemen
in het uitvoeringsprogramma 2001. Een dergelijke aanvraag dient vergezeld
te gaan van een document waaruit blijkt dat de stuurgroep de activiteit heeft
goedgekeurd en de aanvraag ondersteunt. Reeds ingediende aanvragen zullen
met voorrang worden behandeld.</al>
      <al>Aanvragen kunnen worden ingediend tot 1 juli 2001. De uitvoering van activiteiten
dient uiterlijk eind 2001 te starten, dat wil zeggen dat de provincie de verplichting
dient te zijn aangegaan. In bijzondere gevallen kan een aanvraag ter aanvulling
op het uitvoeringsprogramma 2001 worden ingediend tot uiterlijk eind 2001.
Hierbij moet worden gedacht aan aanvullende activiteiten die noodzakelijk
zijn voor de continuïteit in de uitvoering en uitputting van financiële
middelen. De eisen aan begroting, liquiditeitsbehoefte, financieringswijze
en tijdsplanning zijn geregeld in het Besluit milieusubsidies (artikel 11)
en komen overeen met artikel 48d van het Sgm2000.</al>
      <al>Voor subsidie in aanmerking komen bron-, effect- of procesgerichte activiteiten
op het terrein van emissiereductie, waterkwaliteit, natuurontwikkeling, verdrogingsbestrijding,
bedrijfsinterne milieuzorg, samenwerkingsverbanden en gebiedsplanvorming.
In artikel 4 van deze regeling worden de kwaliteitscriteria, die bij de beoordeling
van een aanvraag een rol spelen, limitatief opgesomd. Deze komen overeen met
de beoordelingsaspecten van het Sgm2000. Voor afzonderlijke activiteiten kan
de bijdrage variëren van 5 tot 100 %. Overeenkomstig de gestelde
lijn in het Sgm2000 verwacht ik dat de bijdrage uit deze regeling zal variëren
van 5 tot 25 % van de totale kosten van activiteiten. Ook andere partijen
zullen een financiële bijdrage moeten leveren aan de uitvoering van activiteiten
in de milieu-aandachtsgebieden (multiplier-effect). </al>
      <tuskop letat="cur">Voorschotten en (tussentijdse) verantwoording</tuskop>
      <al>Na de subsidieverlening worden voorschotten uitbetaald op basis van de
door de provincie geraamde jaarlijkse liquiditeitsbehoefte. Bij de tussentijdse
voortgangsrapportage (zie hierna) kan de liquiditeitsbehoefte, afhankelijk
van de planning, worden bijgesteld. Voorschotten worden uitbetaald na de subsidieverlening
en na de indiening van de goedkeurende accountantsverklaring bij de tussentijdse
verantwoording, totdat zij tezamen ten hoogste 95% bedragen van de
verleende subsidie. De uitbetaling van het restantbedrag vindt eerst plaats
bij de subsidievaststelling.</al>
      <al>Uiterlijk 1 juni, volgend op het verslagjaar, wordt een voortgangsrapportage
ingediend. De rapportage is erop gericht inzicht te verkrijgen in de stand
van zaken met betrekking tot de uitvoering van de activiteiten en de tot dan
toe gemaakte kosten. Bij de rapportage dient de, zonodig bijgestelde, liquiditeitsbehoefte
voor de resterende looptijd te worden gevoegd. Artikel 13 van het Besluit
milieusubsidies regelt de voortgangsrapportage, hetgeen overeenkomt met het
Sgm2000. Artikel 14 van het Besluit milieusubsidies regelt de eisen omtrent
de subsidievaststelling. Binnen tien maanden na afloop van het kalenderjaar
waarover subsidie is verleend dient de aanvraag van de provincie tot subsidievastelling
te zijn ingediend. Bij deze aanvraag moet worden gevoegd een verslag over
de uitvoering en de resultaten, een financiële verantwoording en een
accountantsverklaring. Voor de accountantscontrole dient het controleprotocol
te worden gehanteerd dat is vastgesteld voor het Sgm2000. De tekst van de
regeling en het aanvraag- en verantwoordingsformulier kunnen worden aangevraagd
bij:</al>
      <al>Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer</al>
      <al>Directie Lokale Milieukwaliteit en Verkeer (ipc 635)</al>
      <al>Postbus 30945</al>
      <al>2500 GX  Den Haag</al>
      <al>tel. 070 - 339 4095, fax 070 - 339 1280</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">J.P. Pronk.</nadruk>
      </al>
    </toelicht>
  </backm>
</stcart>