﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE stcart PUBLIC "-//SDU//DTD staatscourant xml 1.1//NL" "../../dtd/stcrt-11.dtd"[]>
<stcart soort="reg" status="bewerkt" publtype="stct">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2000-251-p18-SC27099/metadata.xml" />
  </metadata>
  <frontm>
    <versie dtd="1.5" conv="$Revision: 1.5 $__0" markup="hxa"></versie>
    <artcode>251-1801</artcode>
    <stcgeg>
      <tekst>Uit: Staatscourant 28 december 2000, nr. 251</tekst>
      <dag>Donderdag</dag>
      <datum>28 december 2000</datum>
      <nummer>251</nummer>
    </stcgeg>
    <chapeau>
      <mincodes>FI </mincodes>
    </chapeau>
    <titel>Uitvoeringsregeling Financiering decentrale overheden</titel>
    <opschr></opschr>
    <bron>
      <datum>21 december 2000</datum>/<kenmerk>FM 2000/0403-M</kenmerk><afd>Directie Financiële Markten</afd></bron>
  </frontm>
  <body>
    <al>De Minister van Financiën;</al>
    <al>Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en de Minister van Verkeer en Waterstaat;</al>
    <al>Gelet op de artikelen 3, 5 en 8 van de Wet financiering decentrale overheden,</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Besluit: </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 1</tuskop>
    <al>In deze ministeriële regeling wordt verstaan onder:</al>
    <al>a. Het bedrag aan renteherziening: Het bedrag aan leningen die een onderdeel
vormen van de vaste schuld, gesaldeerd met verstrekte geldleningen met een
oorspronkelijke rentetypische looptijd van één jaar of langer,
waarvan op grond van de leningvoorwaarden de rente in het lopende kalenderjaar
op basis van de leningvoorwaarden eenzijdig door de tegenpartij kan worden
herzien.</al>
    <al>b. Het bedrag aan herfinanciering: Het bedrag aan nieuwe leningen in een
jaar met een oorspronkelijke rentetypische looptijd van één
jaar of langer, gesaldeerd met nieuw verstrekte leningen voor zover dezelfde
rentetypische looptijd, voor zover dit het bedrag van de verplicht afgeloste
leningen niet overstijgt.</al>
    <al>c. De wet: De Wet financiering decentrale overheden. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 2</tuskop>
    <al>1. Voor de openbare lichamen wordt het percentage, als bedoeld in artikel
3, eerste lid, van de wet als volgt vastgesteld:</al>
    <al>a. voor de provincies: 6,8%;</al>
    <al>b. voor de gemeenten: 8,2%;</al>
    <al>c. voor de waterschappen: 23%;</al>
    <al>d. voor de gemeenschappelijke regelingen: 8,2%;</al>
    <al>e. voor de in artikel 21, eerste lid, van de Politiewet 1993 bedoelde
regio's: 6,2%.</al>
    <al>2. Voor de openbare lichamen wordt het in artikel 5 van de wet genoemde
percentage als volgt vastgesteld:</al>
    <al>a. voor de provincies: 20%;</al>
    <al>b. voor de gemeenten: 20%;</al>
    <al>c. voor de waterschappen: 20%;</al>
    <al>d. voor de gemeenschappelijke regelingen: 20%;</al>
    <al>e. voor de in artikel 21, eerste lid, van de Politiewet 1993 bedoelde
regio's: 20%.</al>
    <al>3. Voor de renterisiconorm geldt een minimumbedrag van 5.509.275 gulden. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 3</tuskop>
    <al>Het renterisico op de vaste schuld in een jaar wordt als volgt berekend:
de som van het bedrag aan herfinanciering en het bedrag aan renteherziening
op de vaste schuld. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 4</tuskop>
    <al>1. De openbare lichamen zenden aan de toezichthouder</al>
    <al>a. Jaarlijks tezamen met het jaarverslag een opgave van:</al>
    <al>1<sup>o</sup>. Het begrotingstotaal bij aanvang van het voorgaande jaar;</al>
    <al>2<sup>o</sup>. De kasgeldlimiet bij aanvang van het voorgaande jaar;</al>
    <al>3<sup>o</sup>. De gemiddelde netto vlottende schuld in elk van de kalenderkwartalen
van het voorgaande jaar;</al>
    <al>4<sup>o</sup>. De stand van de vaste schuld bij aanvang van het voorgaande
jaar;</al>
    <al>5<sup>o</sup>. De renterisiconorm bij aanvang van het voorgaande jaar;</al>
    <al>6<sup>o</sup>. Het renterisico op de vaste schuld over het voorgaande
jaar.</al>
    <al>b. Aan het einde van ieder kwartaal een opgave van de laatst berekende
gemiddelde netto-vlottende schuld en de kasgeldlimiet voor het desbetreffende
kalenderjaar.</al>
    <al>2. De openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, lid a, van de wet zenden
aan het Centraal bureau voor de statistiek driemaandelijks een opgave van
de stand van het EMU-saldo op een door het Centraal Bureau voor de Statistiek
te bepalen wijze.</al>
    <al>3. Een openbaar lichaam kan toezending van de in het eerste lid, onderdeel
b, bedoelde gegevens aan de toezichthouder achterwege laten, indien de kasgeldlimiet
van deze openbare lichamen gelijk is aan het wettelijke minimumbedrag. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 5</tuskop>
    <al>Het Centraal Bureau voor de Statistiek zendt iedere drie maanden voor
het einde van het eerstvolgende kwartaal verzamelopgaven van de in artikel
4, tweede lid, bedoelde gegevens aan Onze Minister van Financiën. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 6</tuskop>
    <al>De opgaven bedoeld in artikel 4, eerste lid, worden verstrekt overeenkomstig
de als bijlage bij deze regeling gevoegde modelstaten. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 7</tuskop>
    <al>1. Gedurende het jaar van inwerkingtreding van de wet, mag een openbaar
lichaam in overleg met de toezichthouder stapsgewijs het nieuwe percentage
van de kasgeldlimiet, als bedoeld in artikel 3 van de wet, eerste lid, bereiken.</al>
    <al>2. Gedurende het jaar van inwerkingtreding van de wet, is, in afwijking
van artikel 2, tweede lid, een percentage van de renterisiconorm van 30% van
toepassing. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 8</tuskop>
    <al>Deze regeling treedt in werking met ingang van de datum waarop de Wet
financiering decentrale overheden in werking treedt. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 9</tuskop>
    <al>Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling financiering decentrale
overheden.</al>
  </body>
  <backm>
    <ondtek>
      <min>De Minister van Financiën,</min>G. Zalm.<nl></nl></ondtek>
    <toelicht>
      <tuskop letat="vet">Toelichting </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Algemeen </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Berekening en percentages</tuskop>
      <al>In deze regeling worden de berekeningen en rapportages die voortvloeien
uit de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido) geoperationaliseerd.
De berekening van de kasgeldlimiet en de netto-vlottende schuld vindt reeds
in de Wet fido zelf plaats. In deze regeling worden de van toepassing zijnde
percentages voor de kasgeldlimiet gegeven.</al>
      <al>De berekening van de renterisiconorm is eveneens in de Wet fido opgenomen.
De berekening van het renterisico op de vaste schuld vindt, voortbouwend op
de Wet fido, plaats in deze regeling. In deze regeling zijn voorts de percentages
voor de verschillende openbare lichamen neergelegd.</al>
      <al>Met het stellen van de renterisiconorm wordt openbare lichamen een instrument
gegeven om tot een zodanige opbouw van de leningenportefeuille te komen, dat
het renterisico uit hoofde van rente-aanpassing en herfinanciering van leningen
wordt beperkt. Tegelijk wordt de toezichthouders een kader geboden bij de
beoordeling van het financieringsbeleid van openbare lichamen. </al>
      <tuskop letat="cur">Rapportage</tuskop>
      <al>In deze regeling wordt de rapportageverplichting die openbare lichamen
hebben uit hoofde van de Wet fido uitgewerkt. Het gaat hierbij ten eerste
om de rapportage van gegevens die voortvloeien uit de bedrijfseconomische
doelstelling (beheersen financiële risico's). De rapportage ten aanzien
van het renterisico op de netto-vlottende schuld (kasgeldlimiet) en de vaste
schuld (renterisiconorm) wordt hierbij zoveel mogelijk opgenomen in de normale
rapportagestromen naar de toezichthouders. Dit betekent dat de bedrijfseconomische
gegevens eenmaal per jaar achteraf dienen te worden gerapporteerd in de financieringsparagraaf
van het jaarverslag. Tevens wordt het renterisico op de netto-vlottende schuld,
met het oog op monitoring van de naleving van de kasgeldlimiet, separaat op
kwartaalbasis naar de toezichthouders gezonden. Tot slot is er sprake van
een rapportage uit hoofde van de stabiliteitsdoelstelling, op basis waarvan
beheersing van het EMU-saldo voor de openbare lichamen mogelijk is.</al>
      <al>De hierboven beschreven rapportageverplichting die voortvloeit uit de
Wet fido vormt qua frequentie een vermindering van de administratieve last
ten opzichte van de Wet financiering lagere overheid (Wet filo). In de Wet
filo diende immers op maandbasis over de liquiditeitspositie en de kasgeldlimiet
te worden gerapporteerd. Daarnaast vond op kwartaalbasis een rapportage van
de mutatie van de vaste schuld plaats, en op jaarbasis de stand van de vaste
schuld en de bepaling van de kasgeldlimiet. In de Wet fido worden de gegevens
inzake de liquiditeitspositie en de kasgeldlimiet en het EMU-saldo op kwartaalbasis
gerapporteerd, terwijl de rapportage van de renterisiconorm alleen op jaarbasis
als onderdeel van de financieringsparagraaf in het jaarverslag plaatsvindt.</al>
      <al>Naast de financieringsparagraaf in het jaarverslag dient, op basis van
de gewijzigde Comptabiliteitsvoorschriften, ook de begroting een financieringsparagraaf
te bevatten. Hierin dienen prognoses voor het komende jaar te worden gegeven,
onder meer ten aanzien van de kasgeldlimiet (netto-vlottende schuld) en de
renterisiconorm (renterisico op de vaste schuld). De modelstaten die als bijlage
bij deze regeling zijn gevoegd, kunnen hiervoor ook gebruikt worden. </al>
      <tuskop letat="cur">Toezicht en renterisico in meerjarenperspectief</tuskop>
      <al>Op basis van de Wet fido kunnen zowel overschrijding van de kasgeldlimiet
als van de renterisiconorm in enig jaar voor de toezichthouder aanleiding
zijn om voorafgaand toezicht in te stellen.</al>
      <al>Openbare lichamen rapporteren achteraf het renterisico dat zij in enig
jaar hebben gelopen, zowel op de netto-vlottende schuld (kasgeldlimiet; wordt
ook op kwartaalbasis gerapporteerd) als op de vaste schuld (renterisiconorm).
In het financieringsbeleid dienen openbare lichamen echter reeds rekening
te houden met de renterisico's die zij op enig moment aangaan, ook wanneer
deze pas na enkele jaren daadwerkelijk optreden. Het beperken van het renterisico
in meerjarenperspectief is aldus van groot belang. Indien de toezichthouder
problemen ten aanzien van renterisiconorm in meerjarenperspectief voorziet
naar aanleiding van de rapportage in de financieringsparagraaf, wordt zij
geacht de decentrale overheid in kwestie hierop te wijzen en de decentrale
overheid te verzoeken adequate maatregelen te nemen. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikelsgewijze toelichting </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1</tuskop>
      <al>Voor een toelichting op de begrippen renteherziening en herfinanciering
wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 3. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2</tuskop>
      <al>Eerste lid: In dit lid is de ruimte voor korte financiering door openbare
lichamen vastgelegd door middel van bepaling van het percentage voor de kasgeldlimiet
per categorie openbaar lichaam. Er is geen aanleiding om ten opzichte van
de huidige benadering de ruimte voor korte financiering te beperken. Uitgangspunt
bij de vaststelling van de percentages is dan ook dat de ruimte onder de kasgeldlimiet
voor elke categorie openbare lichamen gelijk blijft. Aangezien de referentiegrootheid
voor de kasgeldlimiet is veranderd, zijn er ook andere percentages vastgesteld.
De referentiegrootheid is nu de totale geautoriseerde lasten van de begroting,
inclusief de begrotingswijzigingen die bij de begrotingsbehandeling zijn vastgesteld.</al>
      <al>Bij de conversie van kasgeldlimiet en percentages is rekening gehouden
met het feit dat, ook bij een gelijkblijvende macro ruimte voor de desbetreffende
categorie openbare lichamen, voor individuele openbare lichamen veranderingen
op kunnen treden.</al>
      <al>Bij het vaststellen van de percentages is er daarom naar gestreefd dat
de overgang van het oude naar het nieuwe percentage in het eerste jaar na
inwerkingtreding van de wet geleidelijk verloopt (zie toelichting artikel
7).</al>
      <al>Ter vaststelling van de percentages voor de kasgeldlimiet zijn de percentages
berekend die openbare lichamen eenzelfde ruimte voor korte financiering bieden
als in de Wet filo 1987 het geval was. Op basis van de percentages voor de
kasgeldlimiet op grond van de Wet filo 1987 hadden gemeenten op 1 januari
1999<sup>1</sup> in totaal een ruimte (d.w.z. het totale bedrag van de kasgeldlimiet)
van ongeveer 6,3 miljard<sup>2</sup>, provincies een ruimte van ongeveer 430
miljoen<sup>2</sup>, waterschappen een ruimte van ongeveer 880 miljoen<sup>3</sup>, politieregio's een ruimte van ongeveer 300 miljoen<sup>2</sup>. De
in dit artikel opgenomen percentages resulteren door genoemde ruimten voor
korte financiering te delen door het begrotingstotaal van de desbetreffende
categorie openbaar lichaam<sup>4</sup>. Het percentage voor de gemeenschappelijke
regelingen is, evenals het geval was bij de ingetrokken Regeling kasgeldlimiet
lagere overheid, gelijk aan het percentage voor de gemeenten. Belangrijke
overweging hierbij is de nauwe onderlinge bestuurlijke en financiële
relaties tussen gemeenten en gemeenschappelijke regelingen. De percentages
laten de ruimte voor korte financiering per categorie openbaar lichaam vrijwel
ongewijzigd. Aangezien dit niet hoeft te gelden voor individuele openbare
lichamen, is in artikel 7 een overgangsbepaling opgenomen voor het eerste
jaar waarin de Wet fido van toepassing is.</al>
      <al>Door de additionele flexibiliteit die openbare lichamen hebben gekregen
voor het aangaan van vaste schuld, zal in de praktijk de ruimte om de lopende
uitgaven voor te financieren worden vergroot.</al>
      <al>Tweede lid: De in deze ministeriële regeling vastgelegde percentages
van de renterisiconorm resulteren in - afgezien van neutraliserende uitzettingen
- een bepaalde gemiddelde looptijd voor de portefeuille aan vaste schuld.
Een percentage van 20% leidt tot een voorgeschreven gemiddelde rentetypische
looptijd van de portefeuille van 5 jaar. Dit wordt gezien als een adequate
spreiding van het risico verbonden aan renteherziening en herfinanciering
van de vaste schuld over de jaren. In de adviezen van de Unie van Waterschappen
en het Nederlands Politie Instituut wordt ingestemd met het percentage van
20%. De adviezen van het InterProvinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten gaan niet expliciet in op de hoogte van het percentage, maar geven
wel aan dat de renterisiconorm een goed kader geeft om het renterisico op
de vaste schuld te beheersen.</al>
      <al>Derde lid: Voor de renterisiconorm wordt een minimumbedrag van 5.509.275
gulden vastgelegd. Dit om te voorkomen dat kleine decentrale overheden (met
een relatief kleine vaste schuld) onnodig worden beperkt door de renterisiconorm.</al>
      <al>Bij de bepaling van dit guldensbedrag is tevens reeds rekening gehouden
met de overgang naar de euro in 2002. Na omrekening in euro resulteert een
rond bedrag van 2.500.000 euro. Een rond bedrag verhoogt de werkbaarheid voor
met name kleinere openbare lichamen, waarvoor dit minimumbedrag van toepassing
zal zijn. Het genoemde eurobedrag zal echter pas vanaf 1 januari 2002 gelden,
aangezien dan de volledige overgang op de euro plaatsvindt. Het minimumbedrag
wordt daarom nu nog in guldens uitgedrukt. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 3</tuskop>
      <al>In artikel 1, onderdeel h van de Wet fido staat het renterisico op de
vaste schuld beschreven als: de mate waarin het saldo van rentelasten en rentebaten
van een openbaar lichaam verandert door wijzigingen in het rentepercentage
op leningen en uitzettingen met een oorspronkelijke rentetypische looptijd
van één jaar of langer. Deze formulering geeft een meer globale
omschrijving van renterisico op de vaste schuld (hoe gevoelig is het renteresultaat
voor renteveranderingen). De concrete uitwerking geschiedt in deze regeling.</al>
      <al>Het renterisico op de vaste schuld dient op basis van de Wet fido te voldoen
aan de renterisiconorm; deze norm is in deze regeling uitgewerkt als een bedrag
ter hoogte van een bepaald percentage (zie artikelsgewijze toelichting bij
artikel 2, tweede lid) van de vaste schuld. Met de renterisiconorm wordt beoogd
een kader te stellen voor spreiding van de looptijden van de lange leningen.</al>
      <al>De relatie tussen de formulering in de Wet fido en de uitwerking in deze
regeling is als volgt.</al>
      <al>Het saldo van rentelasten en baten kan veranderen als gevolg van schuldvernieuwing;
de mate waarin dit saldo bij een verandering van de schuld ook daadwerkelijk
verandert is echter vooraf onzeker. Aangezien de mogelijke veranderingen van
rentelasten als gevolg van de schuldvernieuwing het risico vormen, is bij
de uitwerking van het begrip renterisico op de vaste schuld gekozen voor de
omvang van de schuldvernieuwing (ten opzichte van de uitstaande schuld) als
aangrijpingspunt.</al>
      <al>Het renterisico op de vaste schuld van openbare lichamen bestaat uit twee
componenten: de renteherziening en de herfinanciering. Het bedrag aan herfinanciering
wordt als volgt bepaald. Zowel de op basis van de leningvoorwaarden verplicht
betaalde aflossingen op de vaste schuld als het bedrag aan netto nieuw aangetrokken
vaste schuld wordt bepaald. Het laagste bedrag van deze twee wordt beschouwd
als het bedrag aan herfinanciering in een jaar.</al>
      <al>Bij de renteherziening gaat het om de mogelijkheid dat de geldgever de
rente op een lopende lening, dan wel een uitzetting kan herzien. Of de geldgever
dat ook daadwerkelijk gedaan heeft, is niet relevant voor bepaling van het
renterisico<sup>5</sup>. Voorzover voor een openbaar lichaam zowel bij leningen
als bij uitzettingen de rente kon worden herzien, kunnen deze gesaldeerd worden.
Het risico ten aanzien van een wijziging in de te betalen rente wordt dan
geheel of gedeeltelijk geneutraliseerd door een wijziging in de te ontvangen
rente. Bij bepaling van de renteherziening dient rekening te worden gehouden
met gehanteerde derivaten. Immers voorzover de rentelasten zijn veranderd
door een derivatentransactie, is de hierdoor resulterende rentetypische looptijd
van toepassing. Daarbij telt het moment waarop de derivatentransactie wordt
afgesloten als verantwoordingsmoment in de renterisiconorm. Indien bijvoorbeeld
in 2001 een rente op een lening (een reeds bestaande lening dan wel een lening
die dient ter herfinanciering) met een renteveranderingsmoment in 2003, reeds
voor 2003 wordt vastgelegd, dan dient het bedrag aan renteherziening in 2001
te worden meegenomen in het renterisico op de vaste schuld.</al>
      <al>Bij herfinanciering gaat het om de noodzaak om de aflossingen op de bestaande
schuld te herfinancieren. Voorzover een openbaar lichaam in enig jaar financiering
heeft aangetrokken, terwijl aflossingen op de bestaande schuld plaats hebben
gevonden, wordt deze financiering geacht ter herfinanciering van de bestaande
schuld te zijn. Hiermee wordt recht gedaan aan het door vele decentrale overheden
toegepaste integrale financieringsbeleid, waarbij financiering niet altijd
rechtstreeks toewijsbaar is aan kostenposten. Voor het renterisico is deze
toewijzing immers niet relevant. Uiteindelijk gaat het er slechts om in hoeverre
in de meerjarenplanning van de totale liquiditeitenbehoefte rekening is gehouden
met aflossingen en nieuwe uitgaven. Voorzover de rentetypische looptijd van
uitzettingen gelijk is aan die van aangetrokken leningen (bijvoorbeeld bij
het in- en doorlenen van middelen, hetgeen alleen is toegestaan uit hoofde
van de publieke taak), neutraliseren de renterisico's aan de passiva- en activazijde
elkaar. Ook hierbij dient rekening te worden gehouden met gehanteerde derivaten.</al>
      <al>Voor alle duidelijkheid wordt opgemerkt dat de renterisiconorm primair
betrekking heeft op de renterisico's op de vaste schuld van decentrale overheden
(en dus op de passivazijde van de balans). De activazijde van de balans wordt
slechts betrokken bij de beoordeling van dit renterisico voor zover in enig
jaar sprake is van matching (met name van aangetrokken en uitgezette leningen).</al>
      <al>Voor wat betreft de bruto uitzettingen van decentrale overheden geldt
dat deze zoveel mogelijk dienen te worden afgestemd op de liquiditeitsprognose.
Op deze wijze kunnen overtollige middelen in de regel indien nodig worden
aangewend om in de liquiditeitsbehoefte te voorzien en hoeven hiervoor geen
leningen te worden aangetrokken. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4</tuskop>
      <al>Eerste lid, onderdeel a: De in dit onderdeel genoemde gegevens worden
eenmaal per jaar naar de desbetreffende toezichthouder verzonden. De gegevens
betreffende de kasgeldlimiet komen overeen met de naar de toezichthouder verzonden
kwartaalrapportages. De gehele rapportage wordt opgenomen in de financieringsparagraaf
in het jaarverslag, dat decentrale overheden op basis van de Comptabiliteitsvoorschriften
dienen op te stellen. De benadering van de beoordeling van deze gegevens sluit
in haar methodiek aan bij het toezicht op de begroting.</al>
      <al>Naast een overzicht waarin wordt teruggekeken op het afgelopen jaar in
de financieringsparagraaf in het jaarverslag, is het de bedoeling dat openbare
lichamen (op basis van de in modelstaten A en B in de bijlage gepresenteerde
berekeningswijze) meerjarenprognoses ten aanzien van het renterisico op de
korte en lange schuld in de financieringsparagraaf in de begroting opnemen.</al>
      <al>Eerste lid, onderdeel b: Decentrale overheden dienen op basis van dit
onderdeel aan het einde van ieder kwartaal een opgave van de laatst berekende
gemiddelde netto-vlottende schuld en de kasgeldlimiet (zoals van toepassing
voor dat kalenderjaar) naar de toezichthouder te sturen. Het niet tijdig inzenden
van rapportages die een decentrale overheid wel hoort in te zenden, zal door
de toezichthouder worden beschouwd als een overschrijding van de kasgeldlimiet.
Indien over twee achtereenvolgende kwartalen niet tijdig aan de toezichthouder
is gerapporteerd, zal dan ook het in artikel 4 van de Wet fido beschreven
sanctieregime in werking treden.</al>
      <al>Tweede lid: Met het oog op de monitoring van het EMU-saldo van de decentrale
overheden is bij deze gegevens een meer frequente verstrekking noodzakelijk.
Verzending van de gegevens naar het CBS ligt voor de hand, gezien de hier
aanwezige infrastructuur voor de verzameling en verwerking van de gegevens.
Zodra deze verzameling en verwerking is geschiedt, worden de resultaten hiervan
op zo kort mogelijke termijn naar Onze Minister van Financiën verzonden
(zie ook artikel 6). Deze resultaten bestaan uit geaggregeerde cijfers per
categorie decentrale overheid.</al>
      <al>Derde lid: De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde gegevens ten aanzien
van de kasgeldlimiet hoeven niet op kwartaalbasis door openbare lichamen te
worden ingezonden indien deze een kasgeldlimiet hebben die gelijk is aan het
wettelijke minimumbedrag. Dit om de administratieve lasten die voortvloeien
uit de Wet fido voor deze openbare lichamen (die in de regel slechts over
een beperkte administratieve capaciteit beschikken) te beperken. Deze mindere
administratieve last laat onverlet dat aan de kasgeldlimiet en de renterisiconorm
moet worden voldaan. De jaarlijkse rapportage inzake de kasgeldlimiet en de
renterisiconorm in het financieringsverslag geldt dan ook voor alle openbare
lichamen. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5</tuskop>
      <al>Aangezien de minister van Financiën in staat moet zijn de ontwikkeling
van het EMU-saldo van de openbare lichamen te volgen, zullen de door het CBS
verzamelde gegevens terzake op geaggregeerde wijze worden doorgezonden aan
de minister van Financiën. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 6</tuskop>
      <al>Openbare lichamen rapporteren achteraf het renterisico dat zij in enig
jaar hebben gelopen, zowel op de netto-vlottende schuld (kasgeldlimiet; wordt
ook op kwartaalbasis gerapporteerd) als op de vaste schuld (renterisiconorm).
De jaarlijkse rapportage, die plaatsvindt in de financieringsparagraaf van
het jaarverslag, vindt plaats in de vorm van vier kwartaalrapportages van
de kasgeldlimiet en de jaarrapportage van de renterisiconorm. Deze rapportages
dienen in het jaarverslag te worden opgenomen (al dan niet in een bijlage)
overeenkomstig modelstaat A (voor de kasgeldlimiet) en modelstaat B (voor
de renterisiconorm). </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 7</tuskop>
      <al>Eerste lid: Om de overgang van het oude naar het nieuwe percentage van
de kasgeldlimiet zo soepel mogelijk te laten verlopen bevat deze regeling
een specifiek op de kasgeldlimiet toegesneden overgangsbepaling. Op basis
van deze bepaling kan het percentage van de kasgeldlimiet van een individueel
openbaar lichaam in het eerste jaar na inwerkingtreding van de wet in vier
gelijke stappen (per kwartaal) van het oude<sup>6</sup> naar het nieuwe<sup>7</sup> percentage worden gebracht. Aangezien de Wet fido van toepassing is
met ingang van het jaar 2001, dienen de percentages te worden vermenigvuldigd
met de begrotingsomvang voor 2001 om tot het bedrag van de kasgeldlimiet voor
2001 te komen.</al>
      <al>Tweede lid: Ten aanzien van de renterisiconorm zal in de op artikel 5
gebaseerde ministeriële regeling een overgangsregeling worden getroffen,
op basis waarvan het percentage voor de norm in het eerste jaar na inwerkingtreding
hoger zal liggen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De Minister van Financiën,</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">G. Zalm.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>1. Voor zover de gegevens beschikbaar waren.</al>
      <al>2. Bron: rapportages op grond van de Wet financiering lagere overheid.</al>
      <al>3. Bron: enquête Unie van Waterschappen; bijlage bij commentaar
op voorstel nieuwe Wet fido; 994587 FPB/EK.</al>
      <al>4. Bronnen: CBS Statline (gemeentebegroting), Unie van Waterschappen (begroting
waterschappen), BZK Directie Politie (begroting politieregio's), BZK IFLO
(begroting provincies).</al>
      <al>5. Bij de bepaling van het renterisico dient elk risico op renteherziening
door de geldgever te worden meegenomen, ongeacht de kans op een renteverhoging.
Ten aanzien van de beoordeling van het renterisico door de toezichthouder
(op basis van artikel 4 van de Wet fido) geldt dat rekening gehouden kan worden
met de kans op een renteherziening gedurende een jaar. Indien een openbaar
lichaam bijvoorbeeld een lening heeft met een zeer hoog rentepercentage en
de rente is aanzienlijk lager (waarbij de verwachting aan het begin van het
jaar was dat dit gedurende het jaar ook zo zou blijven), is de kans verwaarloosbaar
dat de geldgever de rente zal herzien.</al>
      <al>6. Percentage zoals dat voor een individueel openbaar lichaam zou gelden,
door het voor het individuele openbaar lichaam onder de huidige Wet filo van
toepassing zijnde bedrag voor de kasgeldlimiet te delen door het begrotingstotaal
van dat openbaar lichaam. Voor het oude percentage dient te worden uitgegaan
van de cijfers (kasgeldlimiet en begrotingsomvang) over 1999. Op basis van
cijfers uit dit jaar zijn namelijk ook de percentages voor de verschillende
categorieën decentrale overheden vastgesteld.</al>
      <al>7. Percentage zoals is geresulteerd voor de gehele categorie van het desbetreffende
openbaar lichaam, door het totale bedrag voor de kasgeldlimiet te delen door
het geaggregeerde begrotingstotaal voor die categorie openbaar lichaam (zie
toelichting bij artikel 2).</al>
    </toelicht>
  </backm>
</stcart>