﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE stcart PUBLIC "-//SDU//DTD staatscourant xml 1.1//NL" "../../dtd/stcrt-11.dtd"[]>
<stcart soort="reg" status="bewerkt" publtype="stct">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2000-249-p33-SC26995/metadata.xml" />
  </metadata>
  <frontm>
    <versie dtd="1.5" conv="$Revision: 1.5 $__0" markup="hxa"></versie>
    <artcode>249-3302</artcode>
    <stcgeg>
      <tekst>Uit: Staatscourant 22 december 2000, nr. 249</tekst>
      <dag>Vrijdag</dag>
      <datum>22 december 2000</datum>
      <nummer>249</nummer>
    </stcgeg>
    <chapeau>
      <mincodes>FI </mincodes>
    </chapeau>
    <titel>Wijziging Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990</titel>
    <opschr></opschr>
    <bron>
      <datum>20 december 2000</datum>/<kenmerk>WDB2000/968M</kenmerk><afd>Directoraat-generaal voor Fiscale Zaken Directie Wetgeving Directe Belastingen</afd></bron>
  </frontm>
  <body>
    <al>De staatssecretaris van Financiën,</al>
    <al>Gelet op de artikelen 25, 26, 27 en 32a van de Wet op de loonbelasting
1964, artikel 15 van de Wet financiering volksverzekeringen en de artikelen
7 en 12 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965;</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Besluit: </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel I</tuskop>
    <al>In de Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990 worden de volgende
wijzigingen aangebracht.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>A. Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:</al>
    <al>1. In onderdeel b wordt `voor minder dan twintig dagen per jaar' vervangen
door: voor negentien dagen of minder per jaar.</al>
    <al>2. In onderdeel e wordt `voor minder dan twintig dagen per jaar' vervangen
door: voor negentien dagen of minder per jaar.</al>
    <al>3. Onderdeel g vervalt. De onderdeelsaanduidingen h en i worden gewijzigd
in onderscheidenlijk g en h.</al>
    <al>4. In het in onderdeel g gewijzigde onderdeel h wordt `opgenomen in bijlage
H' vervangen door: opgenomen in bijlage G.</al>
    <al>5. In het in onderdeel h gewijzigde onderdeel i wordt `opgenomen in bijlage
I' vervangen door: opgenomen in bijlage H.</al>
    <al>6. Na het in onderdeel h gewijzigde onderdeel i wordt, onder vervanging
van de punt aan het slot van dat onderdeel door een puntkomma, toegevoegd:</al>
    <al>i. de tabel voor degenen die uitkeringen ontvangen ingevolge de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars, opgenomen in bijlage I.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>B. Artikel 2a wordt als volgt gewijzigd:</al>
    <al>1. In onderdeel b wordt `voor minder dan twintig dagen per jaar' vervangen
door: voor negentien dagen of minder per jaar.</al>
    <al>2. In onderdeel e wordt `voor minder dan twintig dagen per jaar' vervangen
door: voor negentien dagen of minder per jaar.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>C. Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:</al>
    <al>1. In het eerste lid wordt `een van de in artikel 2, onderdelen g en h,
genoemde tabellen' vervangen door: de in artikel 2, onderdeel g, genoemde
tabel.</al>
    <al>2. In het tweede lid wordt `vroegere dienstbetrekking' vervangen door:
vroegere arbeid. Voorts wordt `artikel 2, onderdeel i' vervangen door: artikel
2, onderdelen h en i.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>D. In artikel 4 vervalt, onder vervanging van de puntkomma aan het slot
van onderdeel f door een punt, onderdeel g.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>E. Artikel 5 wordt vervangen door: </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 5</tuskop>
    <al>1. Aan het eind van het kalenderjaar herrekent de inhoudingsplichtige
die loon heeft verstrekt waarop de tabel bedoeld in artikel 2, onderdeel h,
van toepassing is, niet zijnde een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen, de per werknemer over dat kalenderjaar verschuldigde loonbelasting
en premie voor de volksverzekeringen met inachtneming van de volgende bepalingen.</al>
    <al>2. Bij de in het eerste lid bedoelde herrekening wordt ten aanzien van
de werknemer die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt rekening gehouden
met de algemene heffingskorting. Bij die herrekening wordt ten aanzien van
de werknemer van 65 jaar en ouder rekening gehouden met de algemene heffingskorting
en de ouderenkorting en, als deze werknemer een uitkering ingevolge de Algemene
bijstandswet geniet volgens de normen voor een alleenstaande of een alleenstaande
ouder, bovendien met de aanvullende ouderenkorting. De heffingskortingen worden
in aanmerking genomen naar rato van de periode waarover in het kalenderjaar
loon van de inhoudingsplichtige is genoten.</al>
    <al>3. Het op de voet van het tweede lid bepaalde bedrag wordt verminderd
met het bedrag van de in dat lid bedoelde heffingskortingen voor zover daarmee
rekening is gehouden bij de inhouding van loonbelasting en premie voor de
volksverzekeringen op ander loon over perioden in het kalenderjaar waarover
een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet is genoten. Voor de toepassing
van de vorige volzin wordt met betrekking tot beloningen die niet kunnen worden
toegerekend aan een loontijdvak waarover geen bijstandsuitkering is genoten
en waarop met toepassing van de in artikel 26 van de wet bedoelde tabel geen
inhouding van loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen plaatsvindt,
geacht bij de bepaling van de loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
rekening te zijn gehouden met een bedrag aan heffingskorting. De Belastingdienst
verstrekt aan de inhoudingsplichtige een rekenvoorschrift aan de hand waarvan
hij het in dit lid bedoelde bedrag aan heffingskorting kan bepalen.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>4. De loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen over loon waarover
premie ingevolge de Ziekenfondswet is verschuldigd, wordt berekend over het
loon in geld, nadat dit is verminderd met de door de inhoudingsplichtige voor
zijn rekening genomen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen en
werknemerspremie ingevolge de Ziekenfondswet en bedraagt:</al>
    <al>(L - H)  x P - H, waarbij</al>
    <al>L voorstelt: het loon waarover de loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
wordt berekend;</al>
    <al>H voorstelt: het bedrag aan heffingskorting bepaald op de voet van het
tweede lid, verminderd met het bedrag van de heffingskorting bepaald op de
voet van het derde lid, en</al>
    <al>P bedraagt: voor werknemers, jonger dan 65 jaar: 53,77% en voor werknemers
van 65 jaar en ouder: 18,15%.</al>
    <al>5. De loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen over loon waarover
geen premie ingevolge de Ziekenfondswet is verschuldigd, wordt berekend over
het loon in geld, nadat dit is verminderd met de door de inhoudingsplichtige
voor zijn rekening genomen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
en bedraagt:</al>
    <al>(L - H)  x R - H, waarbij</al>
    <al>L voorstelt: het loon waarover de loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
wordt berekend, en</al>
    <al>H voorstelt: het bedrag aan heffingskorting bepaald op de voet van het
tweede lid, verminderd met het bedrag van de heffingskorting bepaald op de
voet van het derde lid en verminderd met het bedrag aan heffingskorting waarmee
rekening is gehouden bij de toepassing van het vierde lid, en</al>
    <al>R bedraagt: voor werknemers, jonger dan 65 jaar: 47,82% en voor werknemers
van 65 jaar en ouder: 16,89%.</al>
    <al>6. Voor de toepassing van het tweede, vierde en vijfde lid wordt de werknemer
die in het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, geacht die
leeftijd te hebben bereikt op de eerste dag van de kalendermaand waarin hij
die leeftijd werkelijk heeft bereikt.</al>
    <al>7. De op de voet van de vorige leden herrekende loonbelasting en premie
voor de volksverzekeringen wordt verminderd met de over de in het kalenderjaar
verstreken loontijdvakken reeds ingehouden belasting en premie.</al>
    <al>8. De op de voet van het zevende lid bepaalde belasting en premie is verschuldigd
over de maand december van het kalenderjaar.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>F. Artikel 5a vervalt.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>G.1. De in de bijlagen A tot en met F opgenomen tabellen worden vervangen
door de in de bijlagen I tot en met VI van deze regeling opgenomen tabellen.</al>
    <al>G.2. Bijlage G vervalt.</al>
    <al>G.3. De in de bijlagen H en I opgenomen tabellen worden, onder wijziging
van de aanduidingen van die bijlagen in G, respectievelijk H, vervangen door
de in de bijlagen VII en VIII van deze regeling opgenomen tabellen.</al>
    <al>G.4. Als bijlage I wordt opgenomen de in bijlage IX van deze regeling
opgenomen tabel.</al>
    <al>G.5. De in de bijlagen J tot en met S opgenomen tabellen worden vervangen
door de in de bijlagen X tot en met XIX van deze regeling opgenomen tabellen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel II</tuskop>
    <al>Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.</al>
    <al>Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst
met uitzondering van de bijlagen die ter inzage worden gelegd bij de Directie
Wetgeving directe belastingen van het Ministerie van Financiën.</al>
  </body>
  <backm>
    <ondtek>Den Haag, 20 december 2000. <nl></nl><min>De Staatssecretaris van Financiën,</min>W. Bos.<nl></nl></ondtek>
    <toelicht>
      <tuskop letat="vet">Toelichting</tuskop>
      <al>Deze regeling strekt er in de eerste plaats toe de nieuwe loonbelasting-
en premietabellen, waaronder de eindheffingstabellen, in guldens en euro's
vast te stellen die gelden met ingang van 1 januari 2001. Verder bevat deze
regeling een aantal wijzigingen in de Regeling loonbelasting- en premietabellen
1990 die hierna zullen worden toegelicht. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel I, onderdeel A</tuskop>
      <al>Met de in het eerste en tweede lid opgenomen wijziging wordt de  redactionele
aanpassing gevolgd in de tabellen voor werknemers met vakantiebonnen zoals
die aan de inhoudingsplichtigen zijn verstrekt. Deze aanpassing is bedoeld
om een duidelijker onderscheid te maken tussen de tabellen voor werknemers
met vakantiebonnen voor 20 of meer en de tabellen voor werknemers met vakantiebonnen
voor minder dan 20 vakantiedagen per jaar.</al>
      <al>De wijzigingen in het derde tot en met het vijfde lid houden verband met
het vervallen van de tabel voor artiesten en sporters die binnen het Rijk
wonen en een overeenkomst van korte duur hebben aangegaan. Het belastingtarief
voor deze artiesten en sporters is met ingang van 1 januari 2001 opgenomen
in artikel 35a van de Wet op de loonbelasting 1964.</al>
      <al>De wijziging in het zesde lid betreft de vaststelling van een tarief voor
personen die uitkeringen ontvangen ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars.
Tot en met 2000 vindt voor deze categorie werknemers de belasting- en premieheffing
plaats op grond van artikel 5a van de Regeling loonbelasting- en premietabellen
1990. Met ingang van 2001 geldt voor deze categorie als belasting- en premiepercentage
het gebruteerde belasting- en premietarief van de eerste tariefschijf waarbij
geen rekening wordt gehouden met heffingskortingen. Een herrekening als bij
bijstandsuitkeringen is dan niet nodig. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel I, onderdeel B</tuskop>
      <al>De wijzigingen in artikel 2a, onderdelen b en e, van de Regeling loonbelasting-
en premietabellen 1990 komen overeen met de wijziging in artikel 2, onderdelen
b en e, opgenomen in artikel I van deze regeling zoals hiervoor reeds toegelicht. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel I, onderdeel C</tuskop>
      <al>De wijzigingen in artikel 3 van de Regeling loonbelasting- en premietabellen
1990 betreffen aanpassingen van verwijzingen die verband houden met het vervallen
van de tabel voor artiesten en sporters en het vaststellen van een tabel voor
personen die uitkeringen genieten ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars
(zie de toelichting bij artikel I, derde tot en met vijfde en zesde lid).
Tevens is de term `loon uit vroegere dienstbetrekking' vervangen door `loon
uit vroegere arbeid', dit in navolging van de gewijzigde terminologie in de
hogere regelgeving. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel I, onderdeel D</tuskop>
      <al>De  wijziging van artikel 4 van de Regeling loonbelasting- en premietabellen
betreft het vervallen van het aparte berekeningsvoorschrift (herleidingsregel)
aan de hand waarvan de inhouding uit de witte tabellen kon worden afgeleid
voor de werknemer die de leeftijd van 65 jaar had bereikt, loon uit tegenwoordige
dienstbetrekking genoot en niet werd ingedeeld in tariefgroep 0. Deze herleidingsregel
was tot en met 2000 nodig omdat in de witte tabellen voor personen van 65
jaar en ouder slechts één inhoudingskolom was opgenomen waarin
geen rekening was gehouden met een bedrag aan belastingvrije som. Met ingang
van 1 januari 2001 kan dit berekeningsvoorschrift vervallen omdat in de met
ingang van die datum geldende witte tabellen voor werknemers van 65 jaar en
ouder wel een inhoudingskolom is opgenomen waarin rekening is gehouden met
de heffingskorting. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel I, onderdeel E</tuskop>
      <al>Artikel 5 van de Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990 wordt
in zijn geheel vervangen door een nieuw artikel. Dit artikel bevat bepalingen
met betrekking tot de herrekening van de loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
(hierna: loonheffing) die aan het eind van het kalenderjaar moet plaatsvinden
ten aanzien van de werknemers met een bijstandsuitkering waarover de loonheffing
in de loop van het jaar heeft plaatsgevonden met toepassing van de tabel bedoeld
in artikel 1, onderdeel h.</al>
      <al>In de eerste plaats is artikel 5 inhoudelijk aangepast aan de wijzigingen
in de Wet op de loonbelasting 1964 waar de belastingvrije sommen zijn vervangen
door heffingskortingen. Een nieuw element in dit artikel is de bepaling van
het derde lid, waarin wordt geregeld dat het bedrag aan heffingskorting dat
bij de herrekening in aanmerking wordt genomen, wordt verminderd met het bedrag
aan heffingskorting waarmee is rekening gehouden bij de bepaling van de loonheffing
op ander loon over de bijstandsperiode. Bij de tot en met 2000 geldende  herrekening
werd bij de bepaling van de loonheffing ingeval van samenloop van loon en
bijstand bij zowel het loon als de bijstand rekening gehouden met de volledige
belastingvrije som. In situaties waarin een aanslag in de inkomstenbelasting
moet worden opgelegd of bij aanwezigheid van aftrekposten leidt de in de inhoudingssfeer
teveel genoten belastingvrije som tot een hogere aanslag, een lagere teruggaaf
of het vervallen van een teruggaaf. Nu vanaf 2001 bij de bepaling van de loonheffing
over de bijstand slechts rekening wordt gehouden met de heffingskorting voorzover
die over de desbetreffende periode niet bij de inhouding op ander loon is
gebruikt, worden deze problemen voorkomen.</al>
      <al>In het eerste lid is een uitzondering gemaakt op de regel dat de loonheffing
herrekend moet worden. Deze uitzondering geldt werknemers die een bijstandsuitkering
ontvangen op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen. Voor deze
werknemers geldt, net als voor de werknemers die een uitkering ontvangen ingevolge
de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (zie de toelichting bij artikel I,
zesde lid, van deze regeling), dat de loonheffing wordt geheven aan de hand
van het gebruteerde belasting- en premietarief van de eerste tariefschijf
waarbij geen rekening wordt gehouden met heffingskortingen. Een herrekening
aan het einde van het kalenderjaar is dan niet nodig.</al>
      <al>In het tweede lid is bepaald dat bij de herrekening van de loonheffing
rekening wordt gehouden met de voor de werknemer geldende algemene heffingskorting
en, als de werknemer 65 jaar of ouder is, de ouderenkorting. Als een werknemer
van 65 jaar en ouder een bijstandsuitkering ontvangt volgens de normen voor
een alleenstaande of een alleenstaande ouder wordt bovendien rekening gehouden
met de aanvullende ouderenkorting. Het bedrag aan heffingskorting waarmee
wordt rekening gehouden wordt voor degenen die niet over het gehele kalenderjaar
een bijstandsuitkering ontvangen naar tijdsevenredigheid in aanmerking genomen.</al>
      <al>In het derde lid is bepaald dat het bedrag aan heffingskorting waarmee
bij de herrekening rekening wordt gehouden, wordt verminderd met het bedrag
van de genoemde heffingskortingen waarmee rekening is gehouden bij de bepaling
van de loonheffing op ander loon gedurende de periode waarover in het kalenderjaar
bijstand is genoten. De bij het andere loon eventueel genoten arbeidskorting
en jonggehandicaptenkorting blijven hierbij buiten beschouwing. Als tijdens
de bijstandsperiode loon wordt ontvangen waarop met toepassing van de tabel
voor bijzondere beloningen, bedoeld in artikel 26 van de Wet op de loonbelasting
1964 geen inhouding plaatsvindt en het loon niet is toe te rekenen aan een
loontijdvak buiten de bijstandsperiode wordt bij de bepaling van de inhouding
op dat loon geacht rekening te zijn gehouden met een bedrag aan heffingskorting.
Deze situatie kan zich met name voordoen bij relatief lage lonen. Deze bepaling
heeft bijvoorbeeld betrekking op uitbetaalde vakantietoeslag. Het is daarbij
niet van belang of gedurende de gehele periode waarop de betaling van  vakantietoeslag
betrekking heeft, bijstand werd genoten. Een nabetaling die betrekking heeft
op een  loontijdvak buiten de bijstandsperiode valt buiten de werking van
deze bepaling.</al>
      <al>De Belastingdienst verstrekt aan de inhoudingsplichtige een rekenvoorschrift
aan de hand waarvan deze vanuit de loongegevens van de werknemer kan bepalen
met welk bedrag aan heffingskorting is rekening gehouden. In deze voorschriften
worden verschillende situaties onderscheiden die hierna in grote lijnen worden
geschetst. In de eerste plaats moet worden vastgesteld of bij de bepaling
van de loonheffing door de werkgever rekening is gehouden met de heffingskorting.
Als dat niet het geval is, is er geen bedrag aan loonheffingskorting dat in
mindering moet worden gebracht op het bij de herrekening van de loonheffing
over de bijstand in aanmerking te nemen bedrag. Wanneer wel rekening is gehouden
met heffingskorting - dit zal in de meeste situaties het geval zijn - moet
worden vastgesteld of ook daadwerkelijk loonheffing is ingehouden. Als dit
het geval is, is bij de bepaling van de loonheffing op dat loon over het desbetreffende
loontijdvak rekening gehouden met het volledige bedrag aan heffingskorting.
Als geen inhouding heeft plaatsgevonden moet het bedrag van de bij dat loon
gebruikte heffingskorting worden berekend vanuit het op de loonspecificatie
vermelde bedrag aan belastbaar loon. Als op de loonspecificatie dit gegeven
ontbreekt, moet het bedrag aan belastbaar loon worden afgeleid van het netto
loon volgens de loonspecificatie. Als een loonspecificatie ontbreekt moet
het bedrag aan belastbaar loon worden afgeleid van het feitelijk ontvangen
netto bedrag. Vanuit het aldus berekende bedrag aan belastbaar loon kan dan
worden bepaald met welk bedrag aan heffingskorting is rekening gehouden.</al>
      <al>Het vierde lid bevat een formule aan de hand waarvan de herrekende loonheffing
wordt bepaald voor zover over de bijstandsuitkering premie Ziekenfondswet
is verschuldigd. In die formule wordt rekening gehouden met het bedrag aan
heffingskorting dat is bepaald op de voet van het tweede lid, verminderd met
het op de voet van het derde bepaalde bedrag aan heffingskorting waarmee bij
de bepaling van loonheffing op ander loon al rekening is gehouden.</al>
      <al>Het vijfde lid bevat een formule aan de hand waarvan de herrekende loonheffing
wordt bepaald voor zover over de bijstandsuitkering geen premie Ziekenfondswet
is verschuldigd. Het gaat hierbij met name om partneralimentatie die met toepassing
van artikel 3a van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 wordt aangemerkt
als belaste bijstand. In de formule wordt rekening gehouden met het bedrag
aan heffingskorting, bepaald op de voet van het tweede lid, verminderd met
het op de voet van het derde bepaalde bedrag aan heffingskorting waarmee bij
de bepaling van loonheffing op ander loon al rekening is gehouden en verminderd
met het bedrag aan heffingskorting waarmee bij de bepaling van de herrekende
loonheffing op de voet van het vierde lid rekening is gehouden.</al>
      <al>Het zesde tot en met achtste lid komen overeen met het huidige tiende,
achtste en negende lid. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel I, onderdeel F</tuskop>
      <al>Dit artikel dat het rekenvoorschrift bevatte voor de berekening van de
loonheffing over uitkeringen ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars
vervalt met ingang van 1 januari 2001. Zoals reeds toegelicht bij artikel
I, onderdeel A, zesde lid, wordt op deze uitkeringen met ingang van 2001 het
gebruteerde tarief van de eerste tariefschijf toegepast waarbij geen rekening
wordt gehouden met een bedrag aan heffingskorting, waardoor herrekening overbodig
wordt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De staatssecretaris van Financiën,</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">W. Bos.</nadruk>
      </al>
    </toelicht>
  </backm>
</stcart>