Bouwbedrijf

Verbindendverklaring CAO-bepalingen

MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

ALGEMEEN VERBINDENDVERKLARING VAN BEPALINGEN VAN DE COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST VOOR HET BOUWBEDRIJF

AI Nr. 9469

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelezen de verzoeken van Partijen bij de collectieve arbeidsovereenkomst voor het Bouwbedrijf, namens het Nederlands Verbond van Ondernemers in de Bouwnijverheid, de Nederlandse Vereniging van Bouwondernemers, de Nederlandse Vereniging van Wegenbouwers, de Vereniging Grootbedrijf Bouwnijverheid, de Vereniging van Waterbouwers in Bagger-, Kust- en Oeverwerken, de Vereniging van Boor, Kabelleg- en Buizenlegbedrijven en de Vereniging Aannemers Grond-, Water- en Wegenbouw als partijen te ener zijde mede namens de Bouw- en Houtbond FNV, de Hout- en Bouwbond CNV en de Vakvereniging Het Zwarte Corps als partijen te anderer zijde bij de collectieve arbeidsovereenkomst voor het Bouwbedrijf, strekkende tot algemeen verbindendverklaring van bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;

Overwegende,

dat genoemde collectieve arbeidsovereenkomst in werking is getreden,

dat van de verzoeken tot algemeen verbindendverklaring mededeling is gedaan in de Staatscourant,

dat naar aanleiding van deze verzoeken in eerste instantie schriftelijk bedenkingen zijn ingebracht door:

  • a. Barents & Krans, namens ICDS Constructors LTD;

  • b. Houthoff Buruma, namens Algemene bond uitzendondernemingen;

  • c. Nederlandse bond van bemiddelings- en uitzendondernemingen.

  • d. Hocker Rueb & Doelman, namens Conga;

  • e. Stichting samenwerkende metaal en technische bedrijfstakken, welke bedenkingen bij brief van 20 april 2000 zijn ingetrokken;

    dat naar aanleiding van deze verzoeken in tweede instantie schriftelijke bedenkingen zijn ingebracht door:

  • f. Barents & Krans, namens ICDS Constructors LTD;

  • g. Algemene bond uitzendondernemingen;

  • h. Höcker, Rueb & Doeleman, namens Conga,

  • ad. a.

    • Dat de bedenkingen van ICDS Constructors LTD als volgt zijn samen te vatten:

    • De bedenkingen van ICDS richten zich in het bijzonder tegen avv van artikel 1, leden 3 en 5 in samenhang met artikel 1a van de CAO, voor zover deze bepalingen arbeidsverhoudingen tussen een in het buitenland gevestigde werkgeefster en haar in datzelfde buitenland woonachtige werknemers onder de werkingssfeer van de cao brengen.

  • ad. b.

    • Dat de bedenkingen van de Algemene Bond Uitzendondernemingen als volgt zijn samen te vatten:

    • ABU maakt bezwaar tegen algemeen verbindendverklaring van artikel 4, leden 1 tot en met 6 van de CAO, waardoor van uitzendondernemingen wordt verlangd de Bouw-cao na te leven, zonder enig onderscheid of enige beperking in de na te leven bepalingen.

  • ad. c.

    • Dat de bedenkingen van de Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen als volgt zijn samen te vatten:

    • De bedenkingen van de NBBU richten zich op de overlap in werkingssfeer tussen de CAO Bouwbedrijf en NBBU-cao voor uitzendkrachten en de overlap tussen pensioenregelingen.

  • ad. d.

    • Dat de bedenkingen van Conga als volgt zijn samen te vatten:

      • a. Het meest verstrekkende bezwaar tegen avv van de cao voor het Bouwbedrijf is gelegen in de wijze van totstandkoming van die cao en met name het uitsluiten van Conga bij de totstandkoming van die cao.

      • Naar het oordeel van Conga wordt hiermee in strijd gehandeld met artikel 6 van het Europees Sociaal Handvest en het door Nederland geratificeerde IAO-verdrag 154, betreffende de bevordering van het collectief onderhandelen.

      • b. De ter algemeen verbindendverklaring aangemelde Statuten en Reglementen van de fondsen voor de bouwnijverheid bepalen dat aan partijen bij de cao verslag dient te worden gedaan. AVV van deze statuten en reglementen leidt er niet toe dat aan niet- of andergeorganiseerden een verslaglegging behoeft te worden gedaan. Dit, terwijl wel premie betaald moet worden.

      • Naar het oordeel van Conga dient, indien de fondsen al algemeen verbindend worden verklaard, uitdrukkelijk te worden bepaald dat verslaglegging tevens aan Conga dient plaats te vinden.

      • c. Algemeen verbindendverklaring wordt verzocht van het OenO-fonds, ook van de bepaling betreffende de B-gelden. Bij vorige avv-verklaringen zijn de B-gelden niet algemeen verbindend verklaard, eerst door deze niet te noemen, vervolgens door een noot daaraan te verbinden dat geen gelden van niet- of anders georganiseerden aan het doel van de B-fondsen mag worden besteed. Die formulering leidt tot problemen. Immers, niet uitdrukkelijk is bepaald dat niet- of anders georganiseerden geen premie verschuldigd zijn voor de B-fondsen, waardoor onzekerheid ontstaat.

      • d. Conga maakt bezwaar tegen algemeen verbindendverklaring van artikel 32 van de CAO en het Vorstuitkeringsreglement, omdat de premie voor de vorstverletregeling van 6% naar 10,4% is verhoogd en omdat de reserves van het fonds ad f 750 miljoen zijn overgedragen aan de stichting VUT/SUB. Het Vorstrisico-fonds is bedoeld het risico bij onwerkbaar weer te verzekeren, zodat de daarvoor opgebrachte gelden niet kunnen worden besteed aan andere doelen. Bovendien maakt Conga bezwaar tegen de introductie van het begrip „gevoelstemperatuur". Voor arbeidsintensieve bedrijven, zeker onderaannemers, is het welhaast onmogelijk aan het bepaalde hieromtrent gevolg te geven.

      • e. Artikel 3 van de CAO bepaalt dat de werkgever verplicht is in overeenkomsten van onderaanneming met zelfstandige onderaannemers die als werkgever in de zin van deze cao gelden, te bedingen dat zij de bepalingen van deze cao zullen naleven en op de door hen af te sluiten individuele arbeidsovereenkomsten van toepassing zullen verklaren. Een dergelijke bepaling houdt in dat zelfstandige onderaannemers, zoals de bij de leden van de Conga aangesloten bedrijven, slechts met hoofdaannemers overeenkomsten kunnen sluiten indien zij in de met hen te sluiten arbeidsovereenkomsten de cao voor het Bouwbedrijf van toepassing verklaren. Reeds op zichzelf is deze bepaling naar het oordeel van Conga in strijd met de mededingingswetgeving.

      • f. De collectieve arbeidsovereenkomst regeert ook in andere artikelen over zijn graf heen. Zo wordt in artikel 10.2 afgeweken van de Flexwet en wordt voorgeschreven dat de standaardarbeidsovereenkomst dient te worden gebruikt, waarin de CAO van toepassing wordt verklaard.

      • g. Conga maakt ook bezwaar tegen het gesloten karakter van de besturen van de fondsen. Slechts partijen bij de cao kunnen bestuursleden aanwijzen. De praktijk laat zien dat daardoor specifiek op de werkzaamheden van gespecialiseerde aannemers toegesneden aktiviteiten niet kunnen worden uitgevoerd.

      • Conga is van oordeel dat om deze redenen de cao voor het Bouwbedrijf niet algemeen verbindend verklaard kan worden.

        Overwegende ten aanzien van deze bedenkingen van ICDS, ABU en NBBU:

dat door partijen betrokken bij de CAO voor het Bouwbedrijf de bepalingen waartegen de bedenkingen van ICDS, ABU en NBBU zich richten uiteindelijk buiten het avv-verzoek zijn gehouden en daarnaast door partijen bij de CAO voor het Bouwbedrijf nadrukkelijk is aangegeven, dat aan deze bedenkingen tegemoet is gekomen, waardoor de grond voor deze bedenkingen is komen te vervallen;

dat het avv-verzoek zich niet richt op de verplichte pensioenregeling en dat de grond voor deze bedenkingen van NBBU derhalve ontbreekt;

Overwegende ten aanzien van deze bedenkingen van Conga:

  • a. Dat op grond van § 6.2.3. van het Toetsingskader AVV bedenkingen in verband met onvoldoende toegang tot het cao-overleg doorgaans geen grond zijn avv te weigeren. Het betrokken worden bij en/of het toegelaten worden tot het cao-overleg over het afsluiten van een cao is primair een zaak van cao-partijen.

  • b. dat in de statuten en reglementen van de fondsen voor de Bouwnijverheid is vastgelegd, dat de jaarlijks op te stellen verslagen op aanvraag worden toegezonden aan de bij het fonds betrokken organisaties en Conga derhalve kennis kan nemen van de jaarverslagen.

  • c. dat het zogenoemde B-fonds van het OenO-fonds naar haar aard en op basis van het Toetsingskader AVV niet voor avv in aanmerking komt. Partijen bij de CAO voor het Bouwbedrijf hebben inmiddels de betreffende cao-bepaling buiten het avv-verzoek gehouden.

  • d. dat het vaststellen van de inhoud van de cao behoort tot de bevoegdheid van de bij de cao betrokken partijen. Voor zover de bedenkingen zich richten tegen overheveling van gelden uit het Risicofonds naar het VUT-fonds kan worden opgemerkt, dat het bestuur op grond van artikel 2a van het Reglement van het Risicofonds bevoegd is tot premierestitutie aan de deelnemende werkgevers. In artikel 15 van de Voorwaarden VUT (bijlage 7 bij de cao) is aangegeven dat gelden afkomstig uit de eenmalige premierestitutie van o.a. het Risicofonds worden aangewend voor een eenmalige premieheffing voor de affinanciering van de VUT-verplichtingen. In dit artikel is tevens bepaald, dat werkgevers die geen premierestitutie hebben ontvangen niet worden belast met de eenmalige heffing voor de VUT.

  • e. dat over de bedenkingen tegen artikel 3 van de CAO voor de Bouwnijverheid kan worden opgemerkt, dat het betreffende artikel op grond van § 6.2.1. van het Toetsingskader niet voor avv in aanmerking komt.

  • f. dat bij de toetsing van artikel 10.2 van de Bouw-cao is gebleken, dat deze bepaling geen kennelijke strijdigheid met wetgeving oplevert, daar de Wet Flexibiliteit en Zekerheid de mogelijkheid biedt af te wijken.

  • g. dat het vaststellen van de inhoud van de cao behoort tot de bevoegdheid van de bij de cao betrokken partijen. Uit de cao voor het Bouwbedrijf en de Statuten en Reglementen van het OenO-fonds blijkt, dat indien aan de voorwaarden voor subsidie wordt voldaan, instellingen een subsidie-aanvraag kunnen indienen.

    Overwegende ten aanzien van de bedenkingen in tweede instantie van ICDS, ABU en Conga, dat deze voor een belangrijk deel als een herhaling van de bedenkingen in eerste instantie kunnen worden aangemerkt;

    Overwegende dat in het licht van de met cao-partijen gemaakt afspraken over de op termijn aan te passen structuur van de in de cao opgenomen fondsen, de bepalingen van de in de cao vigerende fondsen algemeen verbindend worden verklaard tot en met 31 december 2001;

    Overwegende tenslotte,

    dat de bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst gelden voor een belangrijke meerderheid van de in de bedrijfstak werkzame personen;

    Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;

    Gelet op het overleg met de Stichting van de Arbeid;

Besluit:

I. Trekt in zijn besluit van 21 december 1998 (Stcrt. 1998, nr. 247), voor zover daarin werd overgegaan tot het algemeen verbindend verklaren van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst voor het Bouwbedrijf, zulks met inachtneming van hetgeen onder VI en VII is bepaald;

II. Verklaart algemeen verbindend tot en met 31 december 2000 en voorzover het betreft:

  • artikel 35a en 35 b, lid 1 en 4 tot en met 5 januari 2001;

  • artikel 31, lid 1 tot en met 31 maart 2001;

  • artikel 31b tot en met 30 april 2001;

  • artikel 35b, lid 3 tot en met 31 december 2001;

  • artikel 2, hoofdstuk 8, hoofdstuk 12, artikel 32, artikel 37 tot en met 31 december 2001;

    de navolgende bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst alsmede de bij deze CAO behorende statuten en reglementen zoals genoemd in artikel 28 van dit besluit , zulks met inachtneming van hetgeen onder III, IV, V, VI, VII en VIII is bepaald:

HOOFDSTUK 1 DEFINITIES EN WERKINGSSFEER

Artikel 1 Definities

  • 1. Onder „deze collectieve arbeidsovereenkomst" (nader ook genoemd „deze CAO") wordt verstaan de overeenkomst met de daarbij behorende bijlagen en reglementen.

  • 2. Onder „partijen" worden verstaan werkgevers- en werknemersorganisaties die deze CAO hebben ondertekend.

  • 3. Onder „werkgever" wordt verstaan elke natuurlijke of rechtspersoon die in Nederland arbeid doet verrichten als bedoeld in artikel 2, alsmede samenwerkingsverbanden, scholings- en werkervaringsverbanden.

  • 4.

    • a. Onder „samenwerkingsverband" wordt verstaan een door werkgevers opgerichte, regionaal werkende rechtspersoon welke voldoet aan de voorwaarden zoals vastgesteld door Bouwradius (voorheen SVB) of de Stichting SBW (SBW) en die ten doel heeft:

      • met leerlingen uit de betrokken regio een arbeidsovereenkomst te sluiten en deze een opleiding te geven volgens de richtlijnen van Bouwradius of SBW, zoals genoemd in de Wet op het Cursorisch Beroepsonderwijs (WCBO (Stb. 1992, nr. 337)), dan wel

      • met leerling/werknemers uit de betrokken regio een praktijken arbeidsovereenkomst te sluiten en daarbij als leerbedrijf overeenkomstig de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB (Stb. 1995, nr. 501)) op te treden, dan wel

      • met personen uit de betrokken regio een arbeidsovereenkomst te sluiten en daarmee de mogelijkheid te bieden een beroepsopleiding te volgen conform de richtlijnen van de WEB, het samenwerkingsverband treedt daarbij op als leerbedrijf.

    • b. Onder een „scholings- en werkervaringsverband" wordt verstaan een door werkgevers en werknemers opgerichte, regionaal werkende rechtspersoon welke voldoet aan de voorwaarden zoals vastgesteld door partijen en die ten doel heeft te voorzien in scholing en werkervaring voor moeilijk plaatsbare werklozen.

  • 5. Onder „werknemer" wordt verstaan hij/zij die bij een werkgever als bedoeld onder lid 3 van dit artikel in Nederland werkzaam is:

    • a. ingevolge een arbeidsovereenkomst;

    • b. ingevolge een overeenkomst tot aanneming van werk, tenzij hij/zij zelf ondernemer is;

    • c. als hulp van de aannemer van werk onder b. bedoeld.

  • Niet als „werknemer" worden beschouwd:

    • d. uitvoerders, en zij die in hoofdzaak toezichthoudende of administratieve functies vervullen;

    • e. tekenaars, constructeurs en andere technici, onder wie organisatorische en arbeidstechnische medewerkers;

    • f. vertegenwoordigers, handelsreizigers en acquisiteurs;

    • g. schoonmakers en kantinepersoneel en andere personen die een verzorgende functie (geen eigenlijke bedrijfsarbeid) uitoefenen;

    • h. degenen, die voor ondernemingen, die bedrijfsklare projecten afleveren, andere arbeid verrichten dan arbeid bij de uitvoering, de verbouwing of het onderhoud van bouwwerken;

    • i. coördinatoren in dienst van samenwerkingsverbanden;

    • j. wakers en portiers en degenen die soortgelijke arbeid verrichten;

    • k. vakantiewerkers en deelnemers aan de beroepspraktijkvorming van de beroepsopleidende leerweg (voorheen practicanten).

  • In afwijking van het vorenstaande gelden de bepalingen betreffende de stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor de Bouwnijverheid, zoals vastgelegd in de artikelen 28 tot en met 29a, alsmede artikel 39 ook voor de werknemers als genoemd onder de subleden d. tot en met i. voorzover de CAO voor het uitvoerend, technisch en administratief personeel in de Bouwbedrijven op deze werknemers van toepassing is.

  • 6. Onder „jeugdige werknemer" wordt verstaan een werknemer beneden de leeftijd van 22 jaar.

  • 7.

    • a. Onder „vakvolwassen werknemer" wordt verstaan een werknemer van 22 jaar of ouder.

    • b. Met „gehuwde werknemer" wordt gelijkgesteld de (on)gehuwde werknemer die duurzaam een gezamenlijke huishouding voert met een andere (on)gehuwde en dit door middel van een notarieel vastgelegde samenlevingsovereenkomst en/of partnerregistratie en/of door middel van een beschikking van de belastinginspecteur aan de werkgever bekend heeft gemaakt.

    • c. Met „echtgeno(o)t(e)" wordt gelijkgesteld de ongehuwde partner waarmee een werknemer in de zin van deze CAO een gezamenlijke huishouding voert en dit door middel van een notarieel vastgestelde samenlevingsovereenkomst en/of partnerregistratie en/of door middel van een beschikking van de belastinginspecteur aan de werkgever bekend heeft gemaakt.

    • d. Met „huwelijk" wordt gelijkgesteld het geregistreerde partnerschap.

  • 8.

    • a. Onder „werkplaatspersoneel" wordt verstaan:

    • de werknemers die uitsluitend werkzaam zijn in een werkplaats welke op een vaste plaats – doch niet op of nabij een werkobject – gevestigd dient te zijn en zodanig moet zijn ingericht dat de werkzaamheden ook bij vorst en andere ongunstige weersomstandigheden voortgang kunnen vinden.

    • b. Onder werknemers „Industriële Bouw" worden verstaan:

    • de werknemers die in dienst zijn bij ondernemingen, welke overwegend met gebruikmaking van grote fabrieksmatig vervaardigde elementen van beton, steen of kunststof bouwwerken tot stand brengen.

    • c. Onder werknemers „Zwarte Corps" worden verstaan:

    • de werknemers die als machinist de in de functielijst onder nummers 34 en 95 genoemde functies vervullen.

    • d. Onder werknemers „Heibedrijf" worden verstaan:

    • de werknemers die in dienst zijn bij ondernemingen welke zich bezighouden met het in de grond storten of indrijven respectievelijk uittrekken van palen en damwanden en/of het uitvoeren van drainerings-, grondverdichtings- en grondinjecteringswerken.

    • e. Onder werknemers „Kust- en Oeverwerken" worden verstaan:

    • de werknemers die in dienst zijn bij ondernemingen welke zich bezighouden met het aanleggen en onderhouden van dijken, strandhoofden en dergelijke.

    • f. Onder werknemers „Grondborings- en Buizenleggersbedrijf" worden verstaan:

    • de werknemers die in dienst zijn bij ondernemingen welke zich bezighouden met de uitvoering van werkzaamheden op het gebied van grondboringen, pompputten, sonderingen, bronbemalingen, regeninstallaties, het leggen van buisleidingen en het maken van zinkers en doorpersingen.

  • 9.

    • a. Onder het „geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouwwerken" wordt verstaan:

    • het geheel of gedeeltelijk uitvoeren met alle daartoe dienstige materialen en werkwijzen van werken op het gebied van de Burgerlijke en Utiliteitsbouw, Grond-, Water-, Spoor- en Wegenbouw, het Straatmakersbedrijf, het Heibedrijf, de Kust- en Oeverwerken en het Grondborings- en Buizenleggersbedrijf, alsmede werken die naar hun aard tot het bouwbedrijf moeten worden gerekend.

    • b. Onder „bouwwerken" zoals hiervoor bedoeld, worden verstaan respectievelijk daarmee gelijkgesteld:

      • 1. woningen, gebruiks- of bedrijfsgebouwen dan wel andere constructies van bouwkundige aard, ovenbouw en schoorsteenbouw, voor zover geen onderdeel van isolatiewerkzaamheden, alle dakbedekkingen niet zijnde bitumineuze of van aluminium, kunststof, zink, lood of koper, egalisatie van terreinen, bouwrijp maken, funderingen, steigerbouw, grondwerken anders dan van agrarische aard alsmede cultuurtechnische werkzaamheden die geen direct verband houden met de uitoefening van het agrarisch bedrijf, danwel het hoveniersbedrijf, riolerings- en kabelnetten, grondborings-, bronbemalings-, sondeer- en buizenlegwerken, zinkers, doorpersingen en regeninstallaties, kust- en oeverwerken, hei- en funderingswerkzaamheden, waterbouwkundige kunstwerken, bouwkundige voorzieningen voor land-, water- en luchtverkeer, sloopwerken, wegenbouw en bestratingswerkzaamheden.

      • 2. spoorwerken anders dan voor zover het betreft: het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van werkzaamheden op grond van het erkenningssysteem van en volgens het veiligheidszorgsysteem van NS Railinfrabeheer en/of andere opdrachtgevers op het gebied van railinfrastructuur, te weten het ontwerpen, aanleggen, vernieuwen, instandhouden en onderhouden van spoorwerken in de ruimste zin des woords of andere spoorsystemen, daaronder begrepen de daarvoor noodzakelijke funderingen, bovenleidingssystemen, tractie- en andere energievoorzieningen, bedienings- en beveiligingsinstallaties, het verhelpen van storingen en voorts alle aanverwante activiteiten die plaatsvinden binnen en/of nabij het profiel van vrije ruimte.

    • c. Elders dan op de bouwplaats verrichte werkzaamheden ter voorbereiding van de bouw worden mede tot het uitvoeren gerekend, indien zij worden verricht door de onderneming die het bouwwerk op de bouwplaats tot stand brengt.

  • 10. Onder „productie voor derden" wordt mede verstaan:

  • dienstverlening aan derden;

  • voorts ook het bouwen voor eigen rekening met het doel het gebouwde aan derden te verkopen, of te verhuren, of op andere wijze ter beschikking te stellen. Het bouwen van woningen enzovoorts voor eigen personeelsleden wordt als bouwen in eigen beheer (artikel 2 lid 3) aangemerkt.

  • 11. Met ondernemingen, die bouwwerken uitvoeren, worden gelijkgesteld:

  • verenigingen ten algemene nutte, voor zover zij civieltechnische werken uitvoeren.

  • 12.

    • a. Onder „garantieloon" wordt verstaan:

  • het loon waarop de werknemer na toepassing van artikel 17 krachtens artikel 18 of artikel 19 per week of per uur recht kan doen gelden.

  • b. Onder „vast overeengekomen loon" wordt verstaan:

  • het garantieloon vermeerderd met de eventueel overeengekomen individuele toeslag conform artikel 21 lid 1.

  • 13. Onder „voorman" wordt verstaan:

  • de werknemer die leiding geeft aan tenminste 5 werknemers.

  • 14. Onder „infrastructurele werken" wordt verstaan:

  • wegen, spoorwegen en riolerings- en kabelnetten.

  • 15. Onder werknemers die behoren tot het Arbeidsbestand Bouwnijverheid worden verstaan:

    • a. werkloze werknemers in het Bouwbedrijf: hij/zij die werkloos is en

      • een beroepsopleiding welke gegeven wordt onder auspiciën van partijen, dan wel een Cvbouw-opleiding, dan wel een door partijen te organiseren praktijktoets met succes heeft afgerond, en sindsdien ofwel in de bouw werkzaam is geweest, dan wel als werkloze werknemer bij het Arbeidsbureau geregistreerd staat, of;

      • direct voorafgaand aan het moment van werkloos worden 5 jaar onafgebroken, eventueel onderbroken door korte perioden van werkloosheid of arbeidsongeschiktheid, met een wezenlijk en als zodanig herkenbaar onderdeel van het bouwen belast is geweest, of;

      • in een periode van 15 jaar voorafgaand aan de huidige werkloosheid gedurende ten minste 10 jaar in de bouw werkzaam is geweest in de zin zoals bedoeld onder a. tweede streepje.

    • b. jongere werkloze werknemers in het Bouwbedrijf: een werkloze werknemer beneden de leeftijd van 25 jaar die niet voldoet aan een van de criteria als omschreven onder a. en direct voorafgaand aan de werkloosheid werkzaam is geweest in het Bouwbedrijf, en

      • de opleiding VBO-Bouwtechniek heeft afgerond, of;

      • een door partijen aangewezen scholing dan wel praktijktoets met goed gevolg heeft afgerond.

  • 16. Onder „de sectorraad voor het Bouwbedrijf" wordt verstaan:

  • het geheel van afspraken en taken op het gebied van sociale verzekeringen en arbeidsmarktbeleid (inclusief werkgelegenheidsbeleid) in het kader van de Stichting sectorraad voor het Bouwbedrijf.

  • 17. Onder „SFB" wordt verstaan:

  • de relevante werkmaatschappij(en) van de SFB Groep.

  • 18. Onder „praktijkovereenkomst" wordt verstaan:

  • de overeenkomst gesloten tussen de onderwijsinstelling, de leerling/werknemer, het leerbedrijf en Bouwradius of SBW betreffende het onderricht in de praktijk van het beroep volgens de beroepsbegeleidende leerweg conform artikel 7.2.8 en 7.2.9 van de WEB (zie bijlage 8).

  • Voor zover nog sprake is van beroepsopleiding volgens de WCBO wordt de term leerovereenkomst gehanteerd.

  • 19. Onder „praktijk- en arbeidsovereenkomst" wordt verstaan:

  • het samengaan van een praktijkovereenkomst en een arbeidsovereenkomst op grond van artikel 13 lid 1 van deze CAO.

  • Voor zover nog sprake is van beroepsopleiding volgens de WCBO wordt de term leer-/arbeidsovereenkomst gehanteerd.

  • 20. Onder „leerling/werknemer" wordt verstaan:

  • de deelnemer aan de beroepsbegeleidende leerweg conform de WEB.

  • 21. Onder „basisberoepsopleiding" wordt verstaan:

  • een beroepsopleiding op niveau 2 volgens de WEB (voorheen primaire opleiding).

  • Binnen deze CAO heeft de basisberoepsopleiding alleen betrekking op de beroepsbegeleidende leerweg.

  • 22. Onder „vakopleiding" wordt verstaan:

  • een beroepsopleiding op niveau 3 volgens de WEB (voorheen voortgezette opleiding).

  • Binnen deze CAO heeft de vakopleiding alleen betrekking op de beroepsbegeleidende leerweg.

  • 23. Onder „beroepsopleiding" wordt verstaan:

  • een opleiding in het kader van het secundair beroepsonderwijs, ongeacht leerweg, ongeacht niveau.

  • 24. Onder „leerbedrijf" wordt verstaan:

  • een werkgever die beschikt over een gunstige beoordeling, op grond van criteria vastgesteld door Bouwradius of SBW, voor het verzorgen van het onderricht in de praktijk van het beroep conform artikel 7.2.10 van de WEB (zie bijlage 8).

  • 25. Onder „ROC" wordt verstaan:

  • een Regionaal Opleidingscentrum voor secundair beroepsonderwijs

Artikel 1b Werken in het buitenland

In afwijking van artikel 1 lid 5, en met inachtneming van artikel 1 c. en artikel 1 d., kan de CAO op basis van vrijwilligheid van toepassing blijven gedurende de periode dat werkzaamheden van tijdelijke aard in het buitenland plaats hebben.

Voorwaarde is dat de Nederlandse sociale verzekeringswetten van toepassing zijn gebleven. Met uitzondering van de bepalingen van het Risicofonds blijven alle overige CAO-bepalingen van kracht.

Artikel 1c Werken in België

In afwijking van het in artikel 1 lid 5 gestelde zijn de bepalingen van deze CAO van toepassing op in Nederland gevestigde werknemers die in dienst van een Nederlandse werkgever tijdelijk in België werken. Voor zover een algemeen verbindend verklaarde CAO of wet van toepassing is in België, geldt deze hierbij als minimum. De werkzaamheden worden als tijdelijk beschouwd zolang de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving van toepassing is.

Artikel 1d Werken in Duitsland

In afwijking van het in artikel 1 lid 5 gestelde zijn de bepalingen van deze CAO voor zover het betreft het Vakantiefonds, van toepassing op in Nederland gevestigde werknemers die in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever tijdelijk in Duitsland werken. De werkzaamheden worden als tijdelijk beschouwd zolang de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving van toepassing is.

Artikel 2 Werkingssfeer

  • 1. Bouwbedrijven

  • De bepalingen van deze CAO zijn – met inachtneming van de definities genoemd in artikel 1 en van de beperkingen omschreven in lid 4 van dit artikel – van toepassing op alle werknemers, die in dienst zijn bij ondernemingen, waarvan het bedrijf is gericht op productie voor derden op het gebied van:

    • a. het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouwwerken;

    • b. het uitvoeren van verbouwingen en/of onderhoudswerk aan bouwwerken en het herstellen, bekleden, conserveren en verfraaien van deuren;

    • c. het uitvoeren op bouwplaatsen van onderdelen van bouwwerken (respectievelijk verbouwingen of onderhoudswerk); het elders vervaardigen van deze onderdelen wordt hiermee gelijkgesteld, indien de onderneming, die de onderdelen vervaardigt, tevens zorgdraagt voor de verwerking daarvan in het bouwwerk;

    • d. het verlenen van diensten op bouwplaatsen;

    • e. het tot stand brengen van bedrijfsklare projecten indien de totstandkoming daarvan mede uitvoering van een of meer bouwwerken omvat;

    • f. het slopen van bouwwerken;

    • g. het verrichten van grondwerken in relatie tot het uitvoeren van bouwwerkzaamheden voor zover betrekking hebbend op grondverzetwerkzaamheden ten behoeve van de in dit artikel onder lid 1 sub a. tot en met f. en h. genoemde werkzaamheden;

    • h. het verhuren van machines met bedienend personeel voor het verrichten van werkzaamheden bij de uitvoering van werken als onder a. tot en met g. genoemd;

    • i. asfaltproductie;

    • j. het aanbrengen van wegmarkeringen;

    • k. betonreparatie van constructieve aard en betoninjectering;

    • l. het afgraven van verontreinigde grond;

    • m. droge zandwinning;

    • n. het inspecteren, renoveren en reinigen van riolen, met uitzondering van huis- en bedrijfsrioleringen (loodgieterswerkzaamheden);

    • o. het opbouwen en/of plaatsen van verplaatsbare verblijfsruimten (units bedoeld voor tijdelijke behuizing), voorzover het plaatsen gemeten naar de loonsom niet slechts een uitvloeisel is van de fabricage van deze verblijfsruimten;

    • p. het verrichten van civieltechnische werkzaamheden zoals beschreven in Bijlage 3.

  • 2. Samengestelde ondernemingen

  • Indien een onderneming, naast het bouwbedrijf als bedoeld in lid 1, tevens een ander bedrijf (andere productie voor derden) uitoefent, geldt voor de toepasselijkheid van deze CAO het volgende.

    • a. Indien elk bedrijf in een afzonderlijke afdeling wordt uitgeoefend, is deze CAO van toepassing ten aanzien van alle werknemers in de afdeling bouwbedrijf.

    • b. Indien in een afzonderlijke afdeling zowel het bouwbedrijf als een ander bedrijf wordt uitgeoefend en de productie van het bouwbedrijf overweegt, geldt deze CAO voor alle werknemers van deze afdeling.

    • c. Indien er geen afzonderlijke afdelingen zijn en de productie van het bouwbedrijf overweegt, geldt deze CAO voor alle werknemers van de onderneming.

  • Afzonderlijke afdelingen worden aanwezig geacht indien iedere bedrijfsuitoefening feitelijk als zelfstandige eenheid is georganiseerd. De overwegende productie wordt bepaald door vergelijking van de in elke productie verloonde bedragen.

  • 3. Bouwen in eigen beheer

  • De bepalingen van deze CAO vinden voorts toepassing ten aanzien van:

    • a. werkgevers, die bouwwerken of verbouwingen in eigen beheer doen uitvoeren met het doel het gebouwde voor zichzelf of voor de eigen onderneming in gebruik te nemen, dan wel ter beschikking van personeelsleden te stellen;

    • b. werkgevers, die verbouwingen en onderhoudswerken in eigen beheer doen uitvoeren aan gebouwen, die zij in eigendom bezitten of in beheer hebben.

  • 4. Ondernemingen (nevenbedrijven werkzaam op bouwplaatsen) waarop deze overeenkomst niet van toepassing is

    • A. Niet als bouwbedrijf in de zin van lid 1 van dit artikel worden beschouwd ondernemingen waarvan het bedrijf is gericht op productie (respectievelijk dienstverlening) voor derden op het gebied van:

      • 1. baggerwerken;

      • 2. betonmortel en betonmorteltransport;

      • 3. betonwaren;

      • 4. bitumineuze en kunststof dakbedekkingen;

      • 5. natuursteen;

      • 6. parketvloeren;

      • 7. schilderen en afwerken;

      • 8. steen, houtgraniet en kunststeen;

      • 9. stukadoors- , terazzowerken en vloerenbedrijven1

      • 10. staalskeletbouw en het uitvoeren van werken (bruggen enzovoorts) geheel of nagenoeg geheel in staal;

      • 11. fabrieksmatig timmerwerk;

      • 12. interieurbetimmeringen;

      • 13. loodgieters- en fittersbedrijf;

      • 14. centrale verwarmingsinstallaties;

      • 15. het maken van elektrotechnische verbindingen tussen kabels van kabelnetten;

      • 16. het verhuren van mobiele kranen.

    • B. Ten aanzien van ondernemingen met een afzonderlijke ondernemings-CAO geldt de CAO voor het Bouwbedrijf slechts indien en voor zover het betreft de toepassing van lid 3 (bouwen in eigen beheer).

Artikel 4 Het gebruik maken van ter beschikking gestelde („uitgeleende") arbeidskrachten

  • 7. De werkgever, die van de diensten van uitgeleende arbeidskrachten gebruik maakt, die ter beschikking worden gesteld door een ander dan een uitzendbureau dat zijn bedrijf uitsluitend of nagenoeg uitsluitend maakt van het tegen vergoeding uitlenen van personeel, is, ten aanzien van deze arbeidskrachten verplicht tot naleving van de bepalingen van deze CAO, hetgeen onder meer inhoudt dat hij ook jegens deze arbeidskrachten gehouden is de verplichtingen genoemd in artikel 28 en 29 van deze CAO na te komen. Tegenover de sociale fondsen genoemd in artikel 28 van deze CAO, heeft de inlenende werkgever met betrekking tot de bedoelde werknemer(s) dezelfde verplichtingen als die welke op hem zouden rusten indien de werknemer(s) bij hem in dienst waren.

Artikel 6 Algemene verplichtingen van de werkgevers en van de werknemers

  • 2. Een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde dan wel bepaalde tijd dient schriftelijk te zijn aangegaan met gebruikmaking van een bij deze CAO behorend voorbeeldformulier conform bijlage F.A. van deze CAO.

  • 3. Een proeftijdbeding tussen werkgever en werknemer is slechts geldig indien het bij schriftelijk aangegane overeenkomst tot stand is gekomen.

  • Afhankelijk van de overeengekomen duur van de arbeidsovereenkomst dient daarbij de volgende maximale proeftijd te worden aangehouden:

    • bij een arbeidsovereenkomst korter dan een jaar: 2 weken;

    • bij een arbeidsovereenkomst van een jaar of langer, maar korter dan 2 jaar: 1 maand;

    • bij een arbeidsovereenkomst van 2 jaar of langer: 2 maanden.

  • 6.

    • a. De werkgever zal – teneinde de inzichtelijkheid in de arbeidsmarkt te bevorderen – alle vacatures kenbaar maken aan het desbetreffende Arbeidsbureau.

    • b. De werknemer, wiens dienstverband wordt opgezegd is, indien hij tegen deze opzegging geen bezwaar heeft, verplicht zich terstond bij het Arbeidsbureau, in welks werkgebied hij woonachtig is, als werkzoekende te laten inschrijven.

    • c. Vervulde vacatures en gevonden werk zullen worden gemeld bij het Arbeidsbureau.

    • d. Ingeval een werkgever een schriftelijke sollicitatie op een door hem bekend gemaakte openstaande vacature ontvangt, dient hij de sollicitant schriftelijk op de hoogte te stellen van de uitslag van zijn sollicitatie.

  • 7. De werkgever en de werknemer zullen de regionale dan wel plaatselijke commissies inlichten ingeval van illegale uitvoering van bouwwerken.

  • 8. De werkgever die op grond van de Wet op de Ondernemingsraden verplicht is de OR de jaargegevens over het in het voorafgaande jaar gevoerde sociale beleid te verstrekken zal deze gegevens ter beschikking stellen van alle werknemers.

Artikel 7 Paritaire Commissie Bouw-CAO

Door werkgevers- en werknemersorganisaties is een commissie ingesteld genaamd Paritaire Commissie Bouw-CAO, die belast is met de uitvoering van hetgeen in artikel 14 lid 4 van deze CAO is omschreven. In deze commissie hebben werkgevers en werknemers zitting.

HOOFDSTUK 3 DE ARBEIDSVERHOUDING

Artikel 9 Bijzondere verplichtingen van de werkgever en de werknemer

  • 1. De werknemer is verplicht:

    • a. de werkzaamheden die hem door of vanwege de werkgever worden opgedragen, zijn beroep in aanmerking genomen, naar diens voorschriften op de best mogelijke wijze te verrichten;

    • b. andere, in verband met zijn beroep passende arbeid te verrichten voor zover en zolang hij de werkzaamheden waarvoor hij is aangenomen niet kan verrichten;

    • c. zich voor zijn doen en laten te richten naar het gedrag van de goede en plichtsgetrouwe werknemer.

  • 4. De werknemer is verplicht – tenzij hij daartegen gegronde bezwaren heeft – arbeid te verrichten in een andere onderneming dan die van de werkgever in wiens dienst hij is in de volgende gevallen:

    • a. incidenteel voor een korte tijdsduur;

    • b. in geval van tijdelijke hulpverlening van de ene werkgever aan de andere.

  • In de onder a. en b. genoemde gevallen zal de arbeid worden verricht onder tenminste dezelfde voorwaarden als wanneer hij in de onderneming van zijn werkgever arbeid verricht.

  • 5. Het is de werkgever geoorloofd de werknemer arbeid te doen verrichten voor een dochter- of andere aan de zijne verwante onderneming, mits onder tenminste dezelfde voorwaarden als voor diens arbeid in de onderneming van de werkgever gelden. De arbeidsverhouding met de uitlenende werkgever wordt dan gehandhaafd, tenzij het tegendeel met de werknemer schriftelijk is overeengekomen. Een eventuele nieuwe arbeidsovereenkomst met de dochter- of verwante onderneming dient schriftelijk, onder dezelfde voorwaarden, te worden aangegaan. De werkgever is verplicht aan het SFB opgave te doen van de werknemer die hij heeft uitgeleend.

  • 6. De werkgever is verplicht bij het in dienst nemen van een werknemer zorg te dragen voor een goede introductie.

  • De introductie zal onder andere bestaan uit de in bijlage 6 genoemde punten.

  • De werkgever is verplicht bij het in dienst nemen van de werknemer, die nog niet eerder in de zin van deze CAO werkzaamheden heeft verricht, deze een eendaagse basiscursus „Veilig en gezond werken" in de zin van artikel 35b van deze CAO te laten volgen. Deze verplichting geldt niet voor de leerling/werknemer als bedoeld in artikel 1, lid 20.

  • 7. De werkgever zal de volwassen werknemer in de gelegenheid stellen tot het volgen van applicatiecursussen die verband houden met zijn beroep, georganiseerd door Bouwradius en de Stichting SBW dan wel een daarmede door of namens partijen gelijk te stellen instelling. Indien de betreffende cursussen worden gegeven binnen de normale werktijd, zal het vast overeengekomen loon1 worden doorbetaald en de bijbehorende vakantiewaarde worden bijgeboekt.

  • 8. Indien een werknemer na overleg met zijn werkgever een cursus voor lasser of monteur heeft gevolgd, waaraan bij gunstig resultaat een certificaat is verbonden, dient de werkgever daarvan een kopie aan de werknemer te verstrekken en het originele certificaat op het moment van beëindiging van het dienstverband.

  • 9. Indien een werknemer in de loop van zijn dienstverband voor zijn functie geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt zal zijn werkgever met inschakeling van de arbodienst, binnen zijn onderneming en zo dit niet mogelijk is binnen de bedrijfstak zoeken naar mogelijkheden om voor deze werknemer passend werk te vinden.

  • 10. De werkgever is verplicht voor de aan de werknemer toebehorende en voor de uitoefening van zijn werkzaamheden noodzakelijke gereedschappen en/of werkkleding een ruimte op het object ter beschikking te stellen, welke na werktijd dient te worden afgesloten. Indien gereedschappen tot de normale uitrusting behorend en/of werkkleding, geborgen in de daarvoor bestemde ruimte buiten werktijd door brand of diefstal verloren gaan, is de werkgever gehouden het verloren gegane te vergoeden, indien deze niet elders verzekerd zijn.

  • 11. De werkgever is verplicht een werknemer met een leer- en arbeidsovereenkomst, volgens de WCBO of een praktijk- en arbeidsovereenkomst volgens de WEB, die om redenen buiten zijn schuld ontslag is aangezegd, in dienst te houden tot voor hem een nieuwe werkgever is gevonden.

Artikel 10 Einde der arbeidsverhouding

  • 1. Ten aanzien van de beëindiging van de arbeidsverhouding zijn de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing met inachtneming van hetgeen in de navolgende leden van dit artikel is bepaald.

  • 2. In afwijking van artikel 7: 672, lid 2 en lid 3 BW, wordt de door de werkgever en werknemer in acht te nemen opzegtermijn bepaald aan de hand van de tabellen opgenomen in bijlage 5.

    • a. In afwijking van artikel 7: 668a, lid 1 BW, geldt bij meerdere elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd als aangegaan voor onbepaalde tijd indien:

      • twee arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar hebben opgevolgd met een tussenliggende periode van niet meer dan 3 maanden en een periode van 12 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, is overschreden;

      • meer dan twee voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden.

      • Voor de toepassing van dit artikellid worden kortdurende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd welke uitsluitend worden aangegaan ter bestrijding van de gladheid in de winterperiode niet meegeteld.

    • a. In afwijking van artikel 7: 670 lid 1 BW, kan de werkgever de dienstbetrekking wel opzeggen, met inachtneming van de krachtens dit artikel vigerende opzegtermijnen, als er tijdens de bedoelde ongeschiktheid geen werk voor betreffende werknemer meer voorhanden is. Het betreft hier werk op het object waar de werknemer voor de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werkzaamheden heeft verricht.

    • Een dienstbetrekking die aldus is opgezegd, eindigt echter niet als de werknemer op de laatste dag van de opzegtermijn arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 7: 670 lid 1 BW. In dat geval eindigt de dienstbetrekking als de werknemer arbeidsgeschikt is in de zin van artikel 7: 670 lid 1 BW. De dienstbetrekking eindigt in ieder geval wanneer de arbeidsongeschiktheid 2 jaar heeft geduurd.

    • In het geval het hierbij gaat om opzegging van een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd is echter toestemming van de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening vereist.

    • b. In afwijking van artikel 7: 670 lid 3 BW, waarin is bepaald dat de werkgever niet kan opzeggen gedurende de tijd dat:

      • 1. een meerderjarige werknemer die als dienstplichtige is opgeroepen ter vervulling van de militaire dienst of vervangende dienst;

      • 2. een minderjarige werknemer die als dienstplichtige is opgeroepen ter vervulling van de militaire dienst of vervangende dienst mits hij bij zijn opkomst tenminste een jaar in dienst is van de werkgever;

    • kan de werkgever in deze gevallen wel opzeggen indien de opzegging ook zou zijn geschied wanneer de genoemde omstandigheden zich niet zouden hebben voorgedaan.

  • 3. De opzegging door de werkgever of de werknemer kan uitsluitend geschieden tegen de laatste dag van de loonweek en vindt schriftelijk plaats.

  • 4. Indien in de opzegtermijn vakantiedagen van de aaneengesloten zomervakantie dan wel verplichte snipperdagen als bedoeld in artikel 34 lid 3 vallen, wordt de opzegtermijn met deze dagen verlengd.

  • 5. Bij beëindiging van het dienstverband zal de werkgever uiterlijk op de laatste werkdag van de opzegtermijn de werknemer de werkgeversverklaring Werkloosheidswet, uitgegeven door het SFB, ter hand stellen.

  • 6. Het bepaalde in de leden 2 en 4 geldt niet voor chauffeurs. Voor hen gelden de wettelijke bepalingen van de opzegtermijnen.

  • 7.

    • a. In afwijking van artikel 7: 670 lid 1 BW, kan de werkgever de dienstbetrekking wel opzeggen, met inachtneming van de krachtens dit artikel vigerende opzegtermijnen, als er tijdens de bedoelde ongeschiktheid geen werk voor betreffende werknemer meer voorhanden is. Het betreft hier werk op het object waar de werknemer voor de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werkzaamheden heeft verricht.

    • Een dienstbetrekking die aldus is opgezegd, eindigt echter niet als de werknemer op de laatste dag van de opzegtermijn arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 7: 670 lid 1 BW. In dat geval eindigt de dienstbetrekking als de werknemer arbeidsgeschikt is in de zin van artikel 7: 670 lid 1 BW. De dienstbetrekking eindigt in ieder geval wanneer de arbeidsongeschiktheid 2 jaar heeft geduurd.

    • In het geval het hierbij gaat om opzegging van een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd is echter toestemming van de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening vereist.

    • b. In afwijking van artikel 7: 670 lid 3 BW, waarin is bepaald dat de werkgever niet kan opzeggen gedurende de tijd dat:

      • 1. een meerderjarige werknemer die als dienstplichtige is opgeroepen ter vervulling van de militaire dienst of vervangende dienst;

      • 2. een minderjarige werknemer die als dienstplichtige is opgeroepen ter vervulling van de militaire dienst of vervangende dienst mits hij bij zijn opkomst tenminste een jaar in dienst is van de werkgever;

    • kan de werkgever in deze gevallen wel opzeggen indien de opzegging ook zou zijn geschied wanneer de genoemde omstandigheden zich niet zouden hebben voorgedaan.

  • 8. Bij arbeidsverhindering door vorst of een daarmede in het Vorstuitkeringsreglement, genoemd in artikel 28 van deze CAO, gelijkgestelde omstandigheid, kan een werknemer geen ontslag worden aangezegd. Een voor deze arbeidsverhindering aangezegd ontslag, dan wel een ontslag dat voortvloeit uit het verstrijken van de termijn waarvoor de arbeidsovereenkomst is aangegaan, wordt hierdoor echter niet opgeschort. Evenmin verzet deze arbeidsverhindering zich tegen ontslag op staande voet, wegens een dringende, de werknemer onverwijld medegedeelde reden.

  • 9. In afwijking van artikel 7: 674 lid 2 BW zal bij de beëindiging van de arbeidsverhouding door het overlijden van de werknemer de werkgever aan de nagelaten betrekkingen van de werknemer over de periode van de dag van overlijden tot en met de laatste dag van de tweede maand na de maand waarin het overlijden plaatsvond, een uitkering verlenen ten bedrage van het vast overeengekomen loon dat de werknemer laatstelijk rechtens toekwam.

HOOFDSTUK 4 JEUGDIGE WERKNEMERS EN BEROEPSOPLEIDING

Artikel 11 Partiële leerplicht

Voor de jeugdige werknemer die krachtens de bepalingen van de Leerplichtwet gedurende twee respectievelijk één dag per week leerplichtig is en geen leer-/arbeidsovereenkomst volgens de WCBO of praktijk- en arbeidsovereenkomst volgens de WEB heeft, geldt een drie-, respectievelijk vierdaagse werkweek.

Over de dagen waarop hij onderricht ontvangt, dan wel onderwijsvakantie heeft, kan hij geen aanspraak op loon en betaling van de bijdrage aan het Vakantiefonds door de werkgever doen gelden.

Artikel 12 Vormingswerk

  • 1. De jeugdige werknemer beneden 18 jaar die niet partieel leerplichtig is en die niet in de gelegenheid is een op het beroep gerichte opleiding te volgen, kan bij het volgen van algemeen vormend onderwijs, waartoe slechts in de avonduren de gelegenheid bestaat, de arbeidsdag zoveel eerder beëindigen als in verband met het aanvangsuur van het avondonderwijs noodzakelijk is, zulks met behoud van loon. Dit kan echter slechts geschieden na overleg en beoordeling van de aard van het avondonderwijs door de werkgever.

  • 2. Indien en voor zolang de daaraan verbonden kosten door de Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor de Bouwnijverheid voor haar rekening worden genomen, zullen jeugdige werknemers beneden 18 jaar die niet partieel leerplichtig zijn en die niet in de gelegenheid zijn een op het beroep gerichte opleiding te volgen in de gelegenheid worden gesteld, 1 dag per week deel te nemen aan vormingswerk van een der vormingsinstituten voor werkende jongeren.

Artikel 13 De beroepsopleiding

  • 1. De werkgevers en de werknemers zullen de beroepsopleidingen, in het bijzonder die volgens de beroepsbegeleidende leerweg (voorheen leerlingwezen), bevorderen.

    • a. Daartoe zullen werkgevers zoveel mogelijk de bij hen in dienst zijnde werknemers tot 27 jaar de gelegenheid bieden een beroepsopleiding volgens de beroepsbegeleidende leerweg te volgen en daartoe een praktijk-en arbeidsovereenkomst aangaan voor de duur van de opleiding voor de kwalificaties B&U of de kwalificaties GWW conform de WEB. Het bedrijf moet daartoe erkend zijn als leerbedrijf.

    • b. De werkgever heeft de verplichting met de werknemer tot 27 jaar die daartoe de wens te kennen geeft een praktijk- en arbeidsovereenkomst aan te gaan. Zowel de praktijk- als de arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor de tijdsduur die tenminste gelijk is aan de duur van de onder a. genoemde opleiding.

  • Voor het afsluiten van een praktijkovereenkomst voor kwalificaties B&U of kwalificaties GWW is het vereist dat er tussen werkgever en werknemer een praktijk- en arbeidsovereenkomst bestaat.

  • Het gestelde in dit lid is ook van toepassing op leerlingen die hun opleiding afronden conform de WCBO.

  • 2. Wanneer bij een praktijk- en arbeidsovereenkomst, waarbij een samenwerkingsverband als werkgever optreedt, de praktijkovereenkomst wordt verbroken is op dat moment van rechtswege de arbeidsovereenkomst beëindigd.

  • Werkgevers betrokken bij een samenwerkingsverband, zullen zoveel mogelijk behulpzaam zijn bij het herplaatsen van de betreffende leerling/werknemer bij een werkgever.

  • 3. Indien een jeugdige werknemer in dienst is van een samenwerkingsverband dat een samenwerkingsovereenkomst heeft afgesloten met Bouwradius en er sprake is van deels werken op een bouwplaats en deels doorbrengen op een leerlingwerkplaats voor het bijbrengen van basishandvaardigheden, verlenen partijen onder nadere voorwaarden, opgenomen in bijlage 8, ontheffing inzake toepassing van artikel 15 lid 1 en artikel 19 van deze CAO.

  • Voor jeugdige werknemers tot en met 20 jaar met wie een praktijk- en arbeidsovereenkomst, als bedoeld in voorgaande volzin, is aangegaan en voor wie ontheffing is verleend, geldt in dit geval gedurende de eerste dertien opleidingsweken van de basisberoepsopleiding (voorheen primaire opleiding) de normale arbeidsduur per week, alsmede het garantieloon zoals vermeld in bijlage 8.

  • Dit lid is ook van toepassing voor leerlingen die hun primaire opleiding afronden conform de WCBO.

  • 4. Indien een jeugdige werknemer in dienst is van een samenwerkingsverband dat een samenwerkingsovereenkomst heeft afgesloten met de SBW en er worden tijdens de basisberoepsopleiding gedurende twee winterperioden van elk drie maanden basishandvaardigheden opgedaan in een werkplaatssituatie, dan is er sprake van deels werken op een gww-werk door jeugdige werknemers en deels praktische scholing in een door het samenwerkingsverband gecreëerde werkplaatssituatie.

  • Partijen verlenen onder nadere voorwaarden, opgenomen in bijlage 8, hiervoor ontheffing inzake toepassing van artikel 15 lid 1 en artikel 19 van deze CAO.

  • Voor jeugdige werknemers tot en met 20 jaar met wie een praktijk- en arbeidsovereenkomst, als bedoeld in voorgaande volzin, is aangegaan en voor wie ontheffing is verleend, geldt in dit geval gedurende de eerste dertien opleidingsweken van de basisberoepsopleiding (voorheen primaire opleiding) de normale arbeidsduur per week, alsmede het garantieloon zoals vermeld in bijlage 8.

  • Dit is ook van toepassing voor leerlingen die hun primaire opleiding afronden conform de WCBO.

  • 5. Het leerbedrijf is verplicht de bij hem in dienst zijnde leerling/werknemer voor de duur van de opleiding in de gelegenheid te stellen tot het volgen van het beroepsonderwijs aan een ROC en wel binnen de normale werktijd, zulks met behoud van loon gedurende ten hoogste 8 uur per week. Dit met inachtneming van het bepaalde in artikel 11.

  • Het leerbedrijf zal deze leerling/werknemer bovendien in de gelegenheid stellen examens af te leggen en andere door de onderwijsinstelling nodig geachte activiteiten te verrichten, zulks met behoud van loon.

  • Volgt deze leerling/werknemer, in verband met het ontbreken van dagonderwijs, avondonderwijs, dan zal hij daarvoor op de dagen dat hij dit onderwijs volgt, in overleg met de werkgever de arbeidsdag zoveel eerder mogen beëindigen als in verband met het aanvangsuur van het avondonderwijs noodzakelijk is, zulks met behoud van loon.

  • 6. Het leerbedrijf dat met een leerling/werknemer een praktijken arbeidsovereenkomst is aangegaan moet voor het verzorgen van het onderricht in de praktijk van het beroep een praktijkopleider aanwijzen.

  • De eisen die door Bouwradius of de SBW zijn geformuleerd met betrekking tot de erkenning van de praktijkopleiders zijn hierbij van toepassing (zie bijlage 8).

  • 7. De werknemer die na afronding van de basisberoepsopleiding (voorheen primaire opleiding) daartoe de wens te kennen geeft, heeft recht op een praktijk- en arbeidsovereenkomst bij dezelfde werkgever voor de duur van de vakopleiding (voorheen voortgezette opleiding), teneinde in staat te zijn deze te volgen en af te ronden.

Artikel 14 Verbodsbepalingen

  • 1. Tariefwerk

  • Jeugdige werknemers beneden de 18 jaar mogen niet in tarief werken.

  • 2. Werken onder heistellingen

  • Jeugdige werknemers beneden 18 jaar mogen geen werkzaamheden verrichten bij heistellingen.

  • 3. Overwerk

  • Jeugdige werknemers beneden 18 jaar mogen geen overwerk verrichten.

  • 4. Zelfstandig werken als machinist

  • Jeugdige werknemers beneden 18 jaar mogen de werkzaamheden zoals bedoeld onder de nummers 32, 34, 69, 92, 95, 96 en 97 van de functielijst (bijlage 1) niet zelfstandig verrichten.

  • Jeugdige werknemers van 18 jaar en ouder mogen deze werkzaamheden zelfstandig verrichten wanneer zij:

    • a. de leeftijd van 18 jaar of 19 jaar hebben bereikt, in opleiding zijn voor respectievelijk in het bezit zijn van een verklaring of diploma voor het met goed gevolg doorlopen hebben van het SOMA-college, van het diploma machinist (voortgezet Leerlingstelsel of het diploma Machinist GWW), uitgereikt door de SBW, werken onder deskundig toezicht van uitvoerders of vakvolwassen werknemers met dezelfde functie;

    • b. de leeftijd van 20 jaar hebben bereikt en in het bezit zijn van een verklaring of diploma voor het met goed gevolg doorlopen hebben van het SOMA-college, van het diploma machinist (voortgezet Leerlingstelsel) uitgereikt door de SBW.

  • In bijzondere gevallen kan de Paritaire Commissie Bouw – onder nader te stellen voorwaarden – toestemming verlenen tot zelfstandig werken als machinist door jeugdigen boven 18 jaar, die niet in het bezit zijn van één der bovengenoemde verklaringen of diploma's.

HOOFDSTUK 5 DE ARBEIDSTIJD

Artikel 15 Arbeidsduur

  • 1. De werkweek loopt van maandag tot en met vrijdag.

  • De normale arbeidsduur bedraagt per week: 40 uur.

  • Voor partieel leerplichtigen die niet deelnemen aan het leerlingstelsel bedraagt de arbeidsduur 24 uur per week voor hen die 2 dagen per week partieel leerplichtig zijn en 32 uur per week voor hen die 1 dag per week partieel leerplichtig zijn.

  • 2. Per dag bedraagt de normale arbeidsduur: 8 uur.

  • 3. De arbeidstijdpatronen, (de dagelijkse arbeids- en rusttijden), worden door de werkgever in redelijk overleg met de werknemers in zijn onderneming dan wel op de bouwplaats vastgesteld en schriftelijk vastgelegd met inachtneming van het bepaalde in artikel 4.1 t/m 4.3 van de Arbeidstijdenwet, waarbij moet worden betrokken de wenselijkheid om zoveel mogelijk tijdens daglicht te werken. Een arbeidstijdpatroon betreft een periode van 4 weken. Van de vaststelling van het arbeidstijdpatroon wordt tenminste 28 kalenderdagen van te voren mededeling gedaan aan de werknemer. Van deze termijn kan worden afgeweken met instemming van de betrokken werknemer.

  • 4. Indien de arbeidstijd, de in de standaardregeling van de Arbeidstijdenwet voorgeschreven pauze en de reistijd tezamen meer bedragen dan 11½ uur per dag, zal de arbeidstijd in zoverre worden ingekort. De in de normale arbeidstijd vallende reisuren zullen als arbeidsuren betaald worden.

  • 5. De arbeid wordt – behoudens bij Kust- en Oeverwerken verricht tussen 07.00 uur en 18.00 uur.

  • Voor Kust- en Oeverwerken valt de arbeidstijd tussen 06.00 uur en 18.00 uur.

  • Bij ploegendienst, tijwerk of bij vernieuwing of reparatie en onderhoud van infrastructurele werken kan van de bepalingen in dit lid worden afgeweken.

  • 6. Bij ploegendienst volgens dienstrooster kan worden afgeweken van de in lid 1 en lid 2 genoemde arbeidsduur met dien verstande dat de normale arbeidsduur moet liggen tussen maandagochtend 0.00 uur en vrijdagavond 24.00 uur en per 2 weken niet meer mag bedragen dan 80 uur.

  • 7.

    • a. Een verzoek van de werknemer om zijn arbeidsduur aan te passen is in beginsel bespreekbaar en wordt gehonoreerd tenzij redelijkerwijze bedrijfsbelangen zich hiertegen verzetten.

    • Indien het verzoek wordt gehonoreerd, stelt de werkgever na overleg met de werknemer de werktijden vast.

    • Bij afwijzing van het verzoek zal de werkgever de werknemer informeren welke inhoudelijke argumenten tot het besluit hebben geleid. De werkgever zal binnen vier weken na het indienen van het verzoek zijn standpunt aan de werknemer bekend maken.

    • b. Indien sprake is van deeltijdarbeid zullen de volgende bepalingen van deze CAO naar rato van de omvang van de arbeidsduur, zoals gedefinieerd in artikel 15, worden toegepast: de bepalingen uit de artikelen 18, 19, 20 lid 1 en 3, 25a, 33, 34 en 35.

    • c. Ten aanzien van artikel 35 geldt dat het aantal individuele roostervrije dagen bij deeltijd wordt bepaald door het totaal aantal roostervrije dagen naar rato van de omvang van de arbeidsduur onder aftrek van het aantal genoten collectieve roostervrije dagen.

    • d. Ten aanzien van de artikelen 23 en 26 geldt dat deze in geval van deeltijdarbeid in afwijking van bovenstaande artikelen naar rato van het aantal gewerkte dagen per week worden toegepast.

  • 8. Indien en voorzover in deze CAO niets is bepaald inzake een onderdeel van de arbeidstijden zijn de normen van de standaardregeling uit de Arbeidstijdenwet (zie aanhangsel D) van toepassing, met dien verstande dat ingeval van de zondagsarbeid in de B & U-sector de werknemer aanspraak heeft op minimaal 8 vrije zondagen per 13 weken.

  • 9. In een onderneming met een ondernemingsraad kan een afwijkende arbeidstijdenregeling van toepassing zijn indien en voorzover het betreft artikel 15 lid 1 en 2, artikel 35 lid 2 en 3 en 35a lid 1 van deze CAO, mits de werkgever en de ondernemingsraad hierover overeenstemming hebben bereikt. Artikel 40a van deze CAO is hierbij van toepassing.

  • De volgende randvoorwaarden dienen in acht genomen te worden:

    • voor de afwijkende werktijden gelden de normen van de standaardregeling uit de Arbeidstijdenwet (zie aanhangsel D) als uiterste grens;

    • de zaterdag en zondag kunnen niet als normale werkdagen beschouwd worden;

    • ingeval van zondagsarbeid in de B & U-sector heeft de werknemer aanspraak op minimaal 8 vrije zondagen per 13 weken;

    • in geval een afwijkende arbeidstijdenregeling waarbij gedurende een bepaalde periode meer dan 8 uur (maximaal 9 uur) per dag en in een andere periode minder dan 8 uur per dag (gemiddeld 40 uur per week over een periode van 13 weken) wordt gewerkt, bedraagt de duur van het dienstverband tenminste anderhalf maal de duur van de afwijkende arbeidstijdenregeling;

    • bij een arbeidstijdpatroon van minder dan vijf werkdagen per week, dient de beloning en de opbouw van rechten t.b.v. de in artikel 28 lid 1 genoemde fondsen vergelijkbaar te zijn met die bij een 5-daagse werkweek;

    • werknemers van 55 jaar of ouder behouden de mogelijkheid te komen tot een 4-daagse werkweek bij een normale arbeidsduur van 8 uur per dag, zoals bepaald in artikel 15b;

    • de ondernemingsraad moet van de overeengekomen afwijkende werktijdenregeling melding doen bij het secretariaat van CAO-partijen.

Artikel 15a Verschoven arbeidstijden GWW

  • 1. Indien zulks door de opdrachtgever in besteksbepalingen wordt geëist kan de arbeidstijd bij vernieuwing, onderhoud en reparatie van infrastructurele werken worden verschoven, met inachtneming van de vaststelling van het arbeidstijdpatronen door de werkgever in redelijk overleg met de werknemers van zijn onderneming, zoals bepaald in artikel 15 lid 3.

  • 2. Een werknemer kan niet verplicht worden tot arbeid buiten de grenzen van artikel 15 lid 5, tenzij schriftelijk overeengekomen bij aanvang van het dienstverband.

  • 3. Verschoven arbeidstijden dienen tot het hoogst noodzakelijke beperkt te worden. In beginsel zal een werknemer van 55 jaar of ouder per jaar niet meer dan 30 weken per kalenderjaar in verschoven arbeidstijden werken.

  • 4. Onvoorziene omstandigheden daargelaten dient de werkgever verschoven arbeidstijden tenminste 14 dagen voor aanvang aan de werknemer bekend te maken.

  • 5. Indien in het kader van verschoven arbeidstijden de feitelijke arbeidsduur minder bedraagt dan 40 uur per week, wordt de arbeidsduur geacht 40 uur te zijn geweest.

  • 6. Indien de arbeidstijd na 20.00 uur aanvangt heeft de bestuurder van een auto met inzittenden recht op een half uur rusttijd, direct voorafgaande aan de reistijd.

  • 7. Indien een werknemer tijdens de werkweek overgaat van normale naar verschoven arbeidstijd beëindigt hij de normale arbeidstijd zoveel eerder als nodig is om 10 uur rusttijd te hebben voor aanvang van de verschoven arbeidstijd. Reisuren verlengen deze periode.

  • 8. Per week heeft de werknemer recht op een onafgebroken rusttijd van 48 uur. Eenmaal per twee achtereenvolgende weken dient de rusttijd de periode te omvatten van zaterdag 06.00 uur tot zondag 21.00 uur.

  • 9. In weken waarin feestdagen of roostervrije dagen vallen, zullen de werknemers die volgens verschoven arbeidstijden werken hun arbeidstijd met hetzelfde aantal uren kunnen bekorten.

  • 10. Indien in een week alle diensten van een werknemer na 20.00 uur aanvangen, mag de arbeidsduur van 40 uur over vier diensten worden verdeeld. De beloning en de opbouw van de rechten ten behoeve van de in artikel 28 lid 1 genoemde fondsen dient vergelijkbaar te zijn met die bij een vijfdaagse werkweek.

Artikel 15b 4-daagse werkweek voor werknemers van 55 jaar of ouder

  • 1. Een werknemer van 55 jaar of ouder kan vrijwillig de werkgever verzoeken zijn werkweek aan te passen tot 4 dagen (32 uur). Artikel 15 lid 7a is van overeenkomstige toepassing.

  • Een 4-daagse werkweek kan ingaan vanaf het moment dat de werknemer de 55-jarige leeftijd heeft bereikt en een 4-daagse werkweek met inachtneming van lid 2 over de rest van het kalenderjaar mogelijk is.

  • 2. Om per kalenderjaar te komen tot een 4-daagse werkweek gebruikt de werknemer van 55 jaar of ouder de feestdagen, zijn verlofdagen, zijn roostervrije dagen (inclusief scholingsdagen) en zijn seniorendagen, met dien verstande dat 15 verlofdagen worden aangewend voor de zomervakantie conform artikel 34 lid 8 en de verplichte snipperdagen en collectieve roostervrije dagen ten behoeve van een tweeweekse wintersluiting conform artikel 35a. Het resterende aantal benodigde dagen wordt door de werknemer „gekocht".

  • In afwijking van artikel 35 lid 4 van deze CAO geschiedt de vaststelling van de individuele roostervrije dagen in goed overleg tussen werkgever en de desbetreffende werknemer.

  • 3. In onderling overleg tussen de werknemer en de werkgever worden de verschillende soorten vrije dagen gelijkelijk over het jaar gespreid en schriftelijk vastgelegd minimaal 1 maand voorafgaande aan de invoeringsdatum dan wel voorafgaande aan het volgende kalenderjaar. In weken waarin een feest- of collectieve roostervrije dag valt, geldt deze feest- of collectieve roostervrije dag als de vrije dag van die week. De genoemde spreiding vindt zodanig plaats dat de eventueel resterende vrije dagen verlofdagen zijn als bedoeld in artikel 34.

  • 4. Het aantal te „kopen" dagen voor een werknemer van 55 jaar of ouder bedraagt voor een volledige vierdaagse werkweek gedurende het hele kalenderjaar in het jaar 2000 11 dagen.

  • Het aantal te „kopen" dagen voor een werknemer van 60 jaar of ouder bedraagt voor een volledige vierdaagse werkweek gedurende het hele kalenderjaar in het jaar 2000 8 dagen.

  • De waarde van het aantal te „kopen" dagen wordt ingehouden met behulp van een aankooppercentage. Per 1 januari 2000 geldt voor werknemers van 55 t/m 59 jaar een aankooppercentage van 5,17% en voor werknemers van 60 t/m 64 jaar 3,76%.

  • Het totale aankoopbedrag per kalenderjaar is gelijk aan het aankooppercentage x (aantal werkdagen per kalenderjaar minus de verlof- en feestdagen) x vastovereengekomen loon (per dag).

  • Het aankoopbedrag per loonbetalingsperiode (aankooppercentage x vastovereengekomen loon), wordt in mindering gebracht op het brutoloon SV.

  • 5. De (vroeg)pensioen-, VUT-, Invaliditeitspensioen-, Aanvullingsfonds WW-premie worden berekend over de pensioengrondslag of het brutoloon SV vóór aftrek van het aankoopbedrag. Het herziene brutoloon SV is de grondslag voor de afdracht van de overige premies en bijdragen, tenzij de CAO een andere grondslag aangeeft.

  • De vakantierechtwaarde wordt op de gebruikelijke wijze berekend over het vastovereengekomen loon (vóór aftrek van het aankoopbedrag).

  • De opbouw van roostervrije dagen vindt plaats op basis van een volledige werkweek van 5 dagen.

  • De premie aan het Scholingsfonds behoeft de werkgever niet af te dragen. De werknemer kan 2 dagen per jaar scholing in de zin van artikel 35b volgen op een vrije dag van de week. De cursus- en reiskosten kunnen gedeclareerd worden bij het Scholingsfonds volgens de gebruikelijke systematiek.

  • 6. Bij arbeidsongeschiktheid wordt 100% van het vastovereengekomen loon doorbetaald gedurende maximaal 52 weken, zoals bepaald in artikel 31 lid 2. Het aankoopbedrag wordt volgens de gebruikelijke systematiek ingehouden. Bij arbeidsongeschiktheid op een vakantiedag of seniorendag behoudt de werknemer het recht deze dag op een ander moment op te nemen. Het recht op een vervangende roostervrije of gekochte vrije dag vervalt bij arbeidsongeschiktheid.

  • Indien sprake is van vorst op een geplande vrije dag (ongeacht het soort dag) bestaat geen declaratiemogelijkheid bij het Risicofonds.

  • 7. De werknemer, die gebruik maakt van de regeling zoals omschreven in dit artikel en recht krijgt op een uitkering krachtens de WW en/of WAO, komt in aanmerking voor een aanvulling van deze uitkering uit het Aanvullingsfonds WW tot het niveau waarop hij recht zou verkrijgen indien geen dagen gekocht zouden zijn.

  • 8. De werknemer kan zijn werkgever verzoeken op enig moment de extra vrije dagen weer in te ruilen voor loon en over te gaan tot een volledige werkweek van 5 dagen. Artikel 15 lid 7a is van toepassing.

  • 9. Bij beëindiging van het dienstverband wordt, met inachtneming van het reeds ingehouden aankoopbedrag, berekend op hoeveel extra vrije dagen de betrokken werknemer nog recht heeft. Indien blijkt dat de werknemer op het tijdstip van beëindiging van het dienstverband recht heeft op een groter aantal extra vrije dagen dan feitelijk is opgenomen, zullen deze dagen worden uitbetaald. Indien blijkt dat de werknemer op het tijdstip van beëindiging van het dienstverband een groter aantal extra vrije dagen heeft opgenomen dan waarop hij recht heeft, zullen deze dagen worden verrekend.

Artikel 15c Jaarmodel GWW

  • 1. Onder Jaarmodel GWW wordt verstaan: een geheel van arbeidsvoorwaarden, waarbij de werknemers in de GWW-sector gedurende het gehele jaar werk en inkomenszekerheid wordt geboden. Het jaarmodel GWW heeft betrekking op alle of een deel van de werknemers in een bedrijf in de GWW-sector.

  • 2. Indien een werkgever dit wenst, kan het Jaarmodel GWW worden ingevoerd, wanneer tenminste 75 procent van de betrokken werknemers, die naar het oordeel van de werkgever volgens het Jaarmodel GWW kunnen gaan werken, hiermee instemt.

  • 3. Een werknemer of een groep van werknemers kan de werkgever schriftelijk verzoeken om het Jaarmodel GWW in het bedrijf in te voeren. Indien een werknemer of een groep werknemers van het bedrijf dit wenst in te voeren, dient de werkgever dit verzoek in overweging te nemen. Indien het bedrijfsbelang zich tegen het inwilligen van dit verzoek verzet, zal de werkgever dit schriftelijk met redenen omkleed zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen acht weken aan werknemer(s) mededelen.

  • 4. Indien de werkgever besluit tot invoering van het Jaarmodel GWW, gelden voor desbetreffende werknemer in aanvulling op de artikel 6 lid 2, 10, 15 lid 1, 15 lid 2, 23, 28, 29, 34 en 35 de bepalingen zoals vermeld in bijlage 11. Voor het overige zijn de cao-bepalingen krachtens deze CAO van toepassing.

Artikel 16 Overwerk

  • 1. Wanneer in bijzondere gevallen de omstandigheden zulks vereisen kan de werkgever na overleg en met instemming van een representatief deel van de daarbij betrokken werknemers bepalen dat overwerk wordt verricht. Structureel overwerk is niet toegestaan, tenzij daarvoor in bijzondere gevallen toestemming door partijen is verleend.

  • 2.

    • a. Onder overwerk wordt verstaan het verrichten van arbeid buiten de grenzen van de normale arbeidsduur als bedoeld in artikel 15 lid 2;

    • b. Indien sprake is van een afwijkende arbeidstijdenregeling conform artikel 15 lid 9 is sprake van overwerk indien de overeengekomen afwijkende arbeidsduur per dag wordt overschreden;

    • c. Onder structureel overwerk wordt verstaan: werk dat buiten de normale arbeidsduur zoals bedoeld in artikel 15 lid 2, dan wel de arbeidsduur per dag ingeval van een afwijkende arbeidstijdenregeling conform artikel 15 lid 9, met een vast frequentie gedurende meerdere weken plaatsvindt.

  • 3.

    • a. Een werknemer kan niet worden verplicht overwerk te verrichten.

    • b. Een werknemer die ernstige gewetensbezwaren heeft tegen het werken op zon- en erkende christelijke feestdagen kan hiertoe niet verplicht worden, indien de werknemer dit tijdig voor de aanvang van de werkzaamheden aan de werkgever kenbaar maakt.

  • 4. Indien een werkgever, gedurende langer dan een week door meer dan 25% van de op een object werkzame werknemers, welke bij hem in dienst zijn, overwerk laat verrichten, is hij gehouden aan de ondernemingsraad of een commissie van overleg terzake advies te vragen.

  • 5. Indien de werkgever buiten de grenzen van artikel 15 lid 2 dezelfde of soortgelijke arbeid wil verrichten als zijn werknemers plegen te verrichten, kunnen de werknemers slechts overwerk verrichten met inachtneming van de voorgaande leden.

  • 6. De werkgever is ingeval van overwerk verplicht om per werkobject een lijst bij te houden van werknemers door wie overwerk is verricht en het aantal overuren per week.

  • Op deze lijst zal eveneens worden aangegeven de keuze die door de werknemers op grond van artikel 22 lid 1 wordt gemaakt.

  • Deze lijst zal eenmaal per halfjaar aan de ondernemingsraad ter beschikking worden gesteld.

  • Bij het ontbreken van een ondernemingsraad en in bedrijven met meer dan 10 werknemers zal het overwerk als vast agendapunt eenmaal per jaar in het overleg tussen werkgever en werknemers zijn opgenomen, waarbij de bovengenoemde lijst ter beschikking wordt gesteld.

HOOFDSTUK 6 HET LOON

Artikel 17 Functie-indeling/loonafspraken

  • 1. Iedere vakvolwassen werknemer moet worden ingedeeld in de functiegroep, waartoe de door hem vervulde functie – blijkens de als bijlage 1 van deze CAO opgenomen functielijst – behoort.

  • Jeugdigen worden ingedeeld in de betreffende categorie van artikel 19.

  • 2. Partijen kunnen de omschrijving in deze functielijst verduidelijken, alsmede deze lijst aanvullen of wijzigen.

  • 3. Wanneer een werknemer een functie vervult, welke niet in de functielijst voorkomt, kan partijen worden verzocht uitspraak te doen inzake de indeling van deze werknemer.

  • In afwachting van deze uitspraak wordt de werknemer voorlopig ingedeeld in de functiegroep, waarin naar het oordeel van de werkgever vergelijkbare functies zijn opgenomen.

  • 4. De werkgever draagt er zorg voor, dat de tussen werkgever en werknemer gemaakte afspraken over onderstaande punten aan de werknemer op één formulier zijnde de arbeidsovereenkomst in de zin van het BW worden vastgesteld:

    • de duur van het dienstverband, zoals aangegeven in artikel 6 lid 2 van deze CAO;

    • zijn functie-indeling als bedoeld in lid 1 van dit artikel;

    • het vast overeengekomen loon (bruto) per betalingsperiode;

    • de samenstelling van dit vast overeengekomen loon;

  • Bij de mededeling als hiervoor bedoeld kan gebruik worden gemaakt van het formulier A als opgenomen in aanhangsel F bij deze CAO.

  • Als binnen 14 dagen na de ingangsdatum van een arbeidsovereenkomst deze mededeling niet aan de werknemer is verstrekt, heeft de werknemer het recht hierom schriftelijk te verzoeken.

Artikel 18 Garantielonen voor vakvolwassenen

  • 1.

    • a. Week-/uurloon per functiegroep

    • De werkgever zal aan de werknemer van 22 jaar en ouder per volle werkweek minimaal het weekloon betalen dat voor de functiegroep, waarin de werknemer is ingedeeld, geldt. Wanneer de werknemer binnen de normale arbeidstijd volgens artikel 15 minder dan 40 uur per week heeft gewerkt, moet hem per gewerkt uur minimaal het voor zijn functiegroep vastgestelde uurloon worden uitbetaald (zie tabel I, bijlage 8E).

    • Voor werknemers die de functie vervullen van voorman, meesterknecht, putbaas, leermeester of instructeur zal het voor hun functiegroep vastgestelde loon worden verhoogd met een voorliedentoeslag van fl. 90,80 bruto per week.

    • Onder voorman, meesterknecht of putbaas wordt verstaan de werknemer die leiding geeft aan tenminste 5 werknemers. Wanneer aan minder dan 5 werknemers leiding wordt gegeven zijn partijen bevoegd in bijzondere gevallen toestemming te verlenen tot het betalen van het in tabel II (8E) genoemde hogere loon.

    • Onder leermeester of instructeur wordt verstaan de werknemer die voldoet aan de eisen daartoe gesteld door Bouwradius of SBW, wiens taak in belangrijke mate bestaat uit het daadwerkelijk overdragen van vakkennis en het begeleiden en het beoordelen van vorderingen van leerling/werknemers in een leerbedrijf waarmee een praktijk-/arbeidsovereenkomst is aangegaan en die daarnaast, in de eventueel resterende tijd, produktieve arbeid verricht.

    • Het leerbedrijf zal de leermeester of instructeur in de gelegenheid stellen de cursus „leermeester" van Bouwradius of SBW te volgen.

    • Voor het aantal leerling/werknemers per leermeester of instructeur wordt verwezen naar de erkenningscriteria voor leerbedrijven vastgesteld door Bouwradius of SBW, waarin afhankelijk van de opleiding of het opleidingsdeel en de opleidingssituatie het maximum aantal is of wordt vastgelegd.

    • Ten behoeve van een goede taakvervulling dient de leermeester voor een deel van zijn normale werkzaamheden vrijgesteld te worden. Bij de begeleiding door de leermeester van één leerling geldt een vrijstelling van gemiddeld vijf procent van de arbeidstijd; bij de begeleiding van twee tot vier leerlingen geldt een vrijstelling van gemiddeld tien procent van de arbeidstijd, en bij de begeleiding van vier tot zeven leerlingen geldt een vrijstelling van gemiddeld twintig procent van de arbeidstijd. Voor een deel van dit productieverlies ontvangen werkgevers een financiële compensatie welke compensatie is inbegrepen in de reguliere tegemoetkoming voor leerlingen. (Zie tabel II, bijlage 8E)

    • b.

      • a. In afwijking van het in het eerste lid gestelde betaalt de werkgever een werknemer die nog nooit in de bouw heeft gewerkt, maximaal voor de periode van een jaar, een loon volgens de inloopschaal.

      • Deze afwijking geldt niet voor de werknemer die:

      • jonger is dan 22 jaar en de basisberoepsopleiding of vakopleiding instroomt;

      • in het bezit is van een diploma van het SOMA-college.

      • b. De lonen behorend bij de inloopschaal, worden als volgt berekend:

      • Gedurende de eerste 26 weken van het dienstverband geldt een schaalloon van het Wettelijk Minimum Loon vermeerderd met 25% van het verschil tussen het Wettelijk Minimum Loon en het loon volgens functiegroep A, gedurende de tweede 26 weken van het dienstverband bedraagt dit verhogingspercentage 50%.

    • d. Het vastovereengekomen loon wordt per 1 juli 2000 verhoogd met 1,25% (inclusief de prijscompensatie voor 2000; zie bijlage 8D);

  • 2. Ploegendienst

  • Voor werknemers die in ploegendienst werken – uitgezonderd de Industriële Bouw – zal hun krachtens lid 1 vastgestelde loon worden verhoogd, te weten met 10% in geval van 2-ploegendienst en met 15% in geval van 3-ploegendienst. Voor de Industriële bouw geldt dat indien de dienst van een ploeg zodanig is geregeld dat de aanvang van de voor die dienst normale werktijd valt voor 06.00 uur of de beëindiging van de werktijd valt na 19.00 uur overuren niet meegerekend – het uurloon zal worden verhoogd met 5% voor de uren vallende tussen 06.00 uur en 19.00 uur en met 25% voor de uren vallende tussen 19.00 uur en de volgende ochtend 06.00 uur.

  • 3. Begeleiding jeugdige werknemers

  • Indien een werknemer in een leerbedrijf een leerling/werknemer, door of namens de werkgever daartoe aangewezen, als begeleidend vakman dient te begeleiden, zal hij als gevolg daarvan gedurende de aangewezen tijd geen nadelige gevolgen ondervinden met betrekking tot zijn loon. Tevens zal hij van zijn werkgever voldoende tijd en ruimte krijgen om de leerling-werknemer op een verantwoorde wijze te begeleiden.

  • 4. Algemene loonsverhogingen

    • d. Het vastovereengekomen loon wordt per 1 juli 2000 verhoogd met 1,25% (inclusief de prijscompensatie voor 2000; zie bijlage 8D);

  • 5. Afwijkende lonen

  • Voor het betalen van lagere lonen dan waarop de werknemer krachtens de bepalingen van dit artikel recht kan doen gelden, is toestemming van partijen vereist.

Artikel 19 Garantielonen voor jeugdige werknemers

  • 1. Week-/uurloon naar leeftijd

  • De werkgever zal aan de jeugdige werknemer minimaal het in dit artikel bedoelde loon betalen. Met ingang van 1 januari 1999 geldt het in tabel III genoemde loon (zie bijlage 8E).

  • 2. Ploegendienst

  • De krachtens lid 1 te betalen lonen moeten bij werken in ploegendienst worden verhoogd conform het in artikel 18 lid 2 bepaalde.

  • 3. Opleidings-, diploma-, ervarings- en gehuwdentoeslagen

  • De in tabel III (bijlage 8E) bedoelde week- respectievelijk uurlonen zijn als volgt berekend:

    • a. Het loon van de jeugdige werknemer die geen van de onder b. of d. genoemde opleidingen volgt of gevolgd heeft, is geënt op het vakvolwassen garantieloon van functiegroep A, rekening houdend met de bij de leeftijd genoemde staffel. Het aldus bepaalde loon is vermeld in de kolom „zonder vakopleiding" van tabel III (bijlage 8E).

    • b. Het loon van de jeugdige werknemer die één van de hierna te noemen opleidingen volgt is geënt op het vakvolwassen garantieloon van functiegroep B, rekening houdend met de bij de leeftijd behorende staffel.

      • primaire opleiding of basisberoepsopleiding Bouwradius;

      • primaire opleiding of basisberoepsopleiding Stichting SBW;

      • primaire opleiding of basisberoepsopleiding Stichting Vakopleiding Schildersbedrijf (SVS);

      • primaire opleiding of basisberoepsopleiding Stichting Opleidingen Metaal (SOM);

      • primaire opleiding of basisberoepsopleiding Stichting Hout en Meubel;

      • opleiding hulpmonteur Vereniging Elektronisch Vakonderwijs (VEV);

      • de werktuigkundige opleidingen van de Stichting SBW, tenzij het bepaalde onder c. van toepassing is;

    • Het aldus bepaalde loon is vermeld in de kolom „in primaire opleiding of basisberoepsopleiding" van tabel III (zie bijlage 8A t/m 8E).

    • c. Het loon van de jeugdige werknemer die blijkens het bezit van een diploma of getuigschrift met goed gevolg een opleiding als hierboven onder b. bedoeld heeft voltooid, is geënt op het vakvolwassen garantieloon van functiegroep B, rekening houdend met de staffel die geldt indien bij de leeftijd één jaar wordt bijgeteld.

    • Het aldus bepaalde loon (inclusief het bijgetelde leeftijdsjaar) is vermeld in de kolom „met primaire opleiding of basisberoepsopleiding" van tabel III (zie bijlage 8E). Voor wat betreft de werktuigkundige opleidingen geldt het vorenstaande indien de werknemer één van de volgende deelkwalificaties van de opleiding heeft behaald:

      • werkplaatstechnieken monteur I en machinekennis GWW en werken in GWW;

      • werkplaatstechnieken monteur I en machinekennis kranen/fundering en werken in GWW;

      • werktuigbouwkundige vaardigheden en grondverzet en werken in GWW en civieltechnische vaardigheden;

      • werktuigbouwkundige vaardigheden en wegenbouw en werken in GWW en civieltechnische vaardigheden;

      • werktuigbouwkundige vaardigheden en verticaal transport: mobiele kraan en werken in GWW en civieltechnische vaardigheden;

      • werktuigbouwkundige vaardigheden en verticaal transport: torenkraan en werken in GWW en civieltechnische vaardigheden;

      • werktuigbouwkundige vaardigheden en fundering groot en werken in GWW en civieltechnische vaardigheden;

      • werktuigbouwkundige vaardigheden en fundering klein en werken in GWW en civieltechnische vaardigheden.

    • d. Het loon van de jeugdige werknemer die één van de hierna te noemen opleidingen volgt, is geënt op het gemiddelde van het vakvolwassen garantieloon van de functiegroepen C en D, rekening houdend met de staffel die geldt indien bij de leeftijd één jaar wordt bijgeteld.

      • voortgezette opleiding of vakopleiding Bouwradius;

      • voortgezette opleiding of vakopleiding Stichting SBW;

      • voortgezette opleiding of vakopleiding Stichting Vakopleiding Schildersbedrijf (SVS);

      • voortgezette opleiding of vakopleiding Stichting Opleidingen Metaal (SOM);

      • voortgezette opleiding of vakopleiding Stichting Hout en Meubel;

      • voortgezette opleiding of vakopleiding Vereniging Veredeling van het Ambacht (VVA);

      • opleiding monteur Vereniging Elektronisch Vakonderwijs (VEV);

      • opleiding eerste monteur Beroepsopleiding VAM (BVAM);

    • Het aldus bepaalde loon (inclusief het bijgetelde leeftijdsjaar) is vermeld in de kolom „in voortgezette opleiding of vakopleiding" van tabel III (zie bijlage 8E).

    • Alsmede indien de werktuigkundige opleidingen als bedoeld onder b. worden voortgezet na het behalen van een combinatie van deelkwalificaties als genoemd onder c.

    • e. Het loon van de jeugdige werknemer die blijkens het bezit van een diploma of getuigschrift met goed gevolg een opleiding als hierboven onder d. bedoeld heeft voltooid, alsmede aan degene die in het bezit is van een verklaring of diploma van het SOMA-college, is geënt op het gemiddelde van het vakvolwassen garantieloon van de functiegroepen C en D, rekening houdend met de staffel die geldt indien bij de leeftijd twee jaar wordt bijgeteld. Het aldus bepaalde loon (inclusief de twee bijgetelde leeftijdsjaren) is vermeld in de kolom „met voortgezette opleiding" van tabel III (zie bijlage 8E).

    • f. De jeugdige werknemer die op grond van een der onder c., d. of e. bedoelde leeftijdsverhogingen de vakvolwassen leeftijd bereikt, heeft recht op het garantieloon van een vakvolwassen werknemer als bedoeld in artikel 18. Onder het vakvolwassen loon wordt verstaan het loon van de functiegroep waartoe de functie behoort en waarin de werknemer is ingedeeld.

    • g. Aan de jeugdige werknemer die uit de aard van het beroep geen praktijk- en arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 13 kan aangaan en aan de jeugdige werknemer, waarvoor wel een op hun beroep gerichte opleiding bestaat doch die niet in de gelegenheid is deze opleiding te volgen, kan – indien naar het oordeel van de werkgever de prestatie daartoe aanleiding geeft – het loon worden uitbetaald dat geldt voor jeugdigen, die een jaar ouder zijn.

    • h. De jeugdige werknemer die gehuwd is heeft aanspraak op het loon van een drie jaar oudere werknemer, met behoud van rechten op grond van het overigens in dit lid bepaalde.

    • i. Voor jeugdige werknemers van 16 en 17 jaar die recht hebben op één van de onder c. tot en met h. genoemde leeftijdsverhogingen blijft het voor hun leeftijd geldende uniforme percentage als bedoeld in artikel 30 lid 4 van toepassing.

  • 4. Minimumloon jeugdige werknemers

    • a. Onder opleidingstoeslag wordt verstaan het verschil tussen het loon in de kolom „zonder beroepsopleiding" en het loon in de kolom „in primaire opleiding of basisberoepsopleiding" van tabel III (zie bijlage 8E), respectievelijk het verschil tussen het loon in de kolom „met primaire opleiding of basisberoepsopleiding" en het loon in de kolom „in voortgezette opleiding of vakopleiding".

    • b. Onder de loonleeftijd wordt verstaan de leeftijd waarnaar de jeugdige werknemer op grond van de bepalingen van deze CAO wordt beloond.

  • 5. Inloopschaal

    • a. In afwijking van het gestelde in het eerste lid betaalt de werkgever een werknemer, die nog nooit in de bouw heeft gewerkt, maximaal voor de periode van een jaar een loon volgens de inloopschaal. Voor de inloopschalen geldt dat werknemers die èn jonger zijn dan 22 jaar èn de beroepsopleiding instromen niet volgens deze schaal worden beloond. In dit artikel wordt onder beroepsopleiding mede verstaan het volgen van de praktijkcomponent.Deze afwijking geldt evenmin voor werknemers die in het bezit zijn van het diploma van het SOMA-college.

    • b. De lonen volgens de inloopschaal worden als volgt berekend:

    • Gedurende de eerste 26 weken van het dienstverband geldt een schaalloon van het Wettelijk Minimum Jeugd Loon vermeerderd met 25% van het verschil tussen het Wettelijk Minimum Jeugd Loon en het loon voor „jeugdige" werknemers zonder beroepsopleiding, gedurende de tweede 26 weken van het dienstverband bedraagt dit verhogingspercentage 50%.

  • 6. Afwijkende lonen

    • a. Voor het betalen van lagere lonen dan waarop de jeugdige werknemer krachtens de bepalingen van dit artikel recht kan doen gelden, is toestemming van partijen vereist.

    • b. Indien en voorzover jeugdigen, die zich hebben aangemeld voor de beroepsopleiding en eerst na de zomervakantie met de beroepsopleiding zullen aanvangen, werkzaamheden verrichten vallende onder deze CAO, geldt tot het moment waarop zij met de beroepsopleiding aanvangen een arbeidsovereenkomst waarop de beloning conform bijlage 8 van de CAO van toepassing is (zie bijlage 8E). Deze lonen zullen gelden tot en met de eerste 13 feitelijke opleidingsweken van de leer-/arbeidsovereenkomst.

  • 7. Rendementsprikkel

  • Leerling/werknemers die na 1 juli 1999 instromen in de vakopleiding en die aantoonbaar door gebrek aan eigen inzet achterop raken, kunnen de rendementsprikkel toegepast krijgen. De norm hiervoor is het aantal te behalen praktijkmodulen.

  • Per half jaar wordt beoordeeld of de leerling/werknemer de normstelling heeft behaald. Het eerste half jaar van de opleiding verdient elke leerling/werknemer het loon volgens de tabel in opleiding.

  • De beoordeling zal eerstens plaatsvinden per 1 januari 2000.

  • Indien na een half jaar blijkt dat de leerling/werknemer achterop is geraakt vindt een gesprek plaats tussen de leerling/werknemer en de werkgever. Dit is een beoordelingsgesprek waarbij de oorzaken worden besproken en de hoogte van de beloning kenbaar zal worden gemaakt.

  • Het nieuwe loon wordt voor de duur van een half jaar als volgt bepaald:

  • Loon tabel zonder opleiding + [aantal behaalde modulen x (verschil loon in opleiding – loon zonder opleiding)]

  • [normstelling x 2]

  • Indien een leerling/werknemer het niet eens is met de beoordeling kan hij beroep doen op de hardheidsclausule inzake de rendementsprikkel van de Commissie van Beroep, Postbus 3011, 2700 KG Zoetermeer.

Artikel 20 Bijzondere toeslagen

  • 1. Voor het verrichten van steenzetterswerkzaamheden aan de strandhoofden langs de Noordzeekust of onder daarmee gelijk te stellen omstandigheden elders (dit laatste mits met toestemming van partijen), alsmede voor rijswerk buitengaats, zal een toeslag worden uitbetaald van per week f 16,85 per 1 juli 1999.

  • 2. De chauffeur, die door de werkgever als zodanig is aangewezen, heeft voor elke dag dat hij/zij het vervoer van één of meer meerijder(s) verzorgt recht op een toeslag volgens onderstaande tabel, tenzij het vervoer plaatsvindt met een door de werkgever ter beschikking gestelde auto.

Toeslag per dag

Enkele reisafstand0–30 km31–65 km66 km en meer
1 of 2 meerijders4,10 5,10 6,10
3 of meeer meerijders6,1012,2018,30
  • 3. De chauffeur die werkzaamheden verricht beschreven in functie 22, 62 of 89 van de functielijst (bijlage 1) en die een geheel kalenderkwartaal heeft gereden zonder schade door zijn schuld, heeft recht op een premie voor schadevrij rijden. De premie bedraagt f 22,50 per 1 juli 1999 per kwartaal, welk bedrag voor elk aansluitend schadevrij kwartaal zal worden verhoogd met f 2,65 per 1 juli 1999 totdat het maximum van f 27,50 per 1 juli 1999 is bereikt. Zodra men over een bepaald kwartaal geen premie heeft genoten, zal over het eerstvolgende schadevrij kalenderkwartaal wederom f 22,50 per 1 juli 1999 worden uitbetaald. Na drie jaar schadevrij rijden wordt een extra bonus uitgekeerd van f 38,75 per 1 juli 1999, evenals voor elk daarop onmiddellijk volgend schadevrij jaar.

  • 4.

    • a. Indien een werknemer met goed gevolg een EHBO-cursus, welke onder supervisie van het Oranje Kruis valt, heeft gevolgd, zal de verstrekking van het eenheidsdiploma EHBO hem recht geven op vergoeding van:

      • het examen- en diplomageld;

      • het Oranje Kruisboekje;

      • het eventueel betaalde lesgeld.

    • Indien de EHBO-cursus is gevolgd op verzoek van de werkgever en plaatsvond buiten arbeidstijd, heeft de werknemer tevens recht op:

      • een bruto bedrag van f 318,– per 1 juli 1999;

      • reiskostenvergoeding conform artikel 26, lid 3 en 4.

    • b. De binnen het kader van de „regeling betreffende het eenheidsdiploma EHBO" vallende jaarlijkse oefenlessen, welke noodzakelijk zijn voor het behoud van het diploma, geven de werknemer een recht op vergoeding van de administratiekosten, verbonden aan de verlenging van het diploma, alsmede de kosten van het eventueel te betalen lesgeld.

Artikel 20a Bereikbaarheidsdienst

  • 1. Voor het in dit artikel bepaalde moet onder bereikbaarheidsdienst worden verstaan het zich buiten de normale arbeidsduur zoals bedoeld in artikel 15 lid 21, dan wel de overeengekomen afwijkende arbeidsduur conform artikel 15 lid 91met inachtneming van artikel 15 lid 3, beschikbaar houden voor het zonodig verrichten van werkzaamheden die niet kunnen worden uitgesteld tot de eerstvolgende werkdag.

  • 2. Een werknemer die in het kader van zijn functie bereikbaarheidsdienst dient te draaien en dit bij aanvang van werken in die functie met zijn werkgever is overeengekomen, heeft een verplichting voor een oproep beschikbaar te zijn.

    • De werknemer die beschikbaar is voor de bereikbaarheidsdienst heeft terzake van die dienst recht op een vergoeding. De hoogte van de vergoeding wordt door de werkgever in overleg met de werknemer vastgesteld, doch zal voor elke kalenderweek wachtdienst tenminste bedragen:

    • indien de werknemer door de bereikbaarheidsdienst voortdurend aan zijn woning gebonden is f 375,– bruto;

    • indien de werknemer door de bereikbaarheidsdienst niet voortdurend aan zijn woning gebonden is, maar op gezette tijden beschikbaar moet zijn f 325,– bruto;

    • indien de werknemer beschikt over zodanige technische hulpmiddelen dat de gebondenheid aan zijn woning tot een minimum beperkt is f 275,– bruto.

  • 3. Ingeval de bereikbaarheidsdienst zich over minder dan een kalenderweek uitstrekt zal de vergoeding naar rato worden verminderd met dien verstande dat voor elke zaterdag en zondag 1/4 deel en voor elke andere dag 1/10 deel van de weekvergoeding wordt aangehouden.

  • 4. Het werken tijdens een bereikbaarheidsdienst wordt gezien als overwerk. De overwerktoeslag zoals bepaald in artikel 22 van deze CAO is van toepassing.

  • 5. Door de werkgever zal een rooster voor de bereikbaarheidsdienst in overleg met de betreffende werknemer(s) schriftelijk vastgelegd worden. Artikel 5:11 van de Arbeidstijdenwet is van overeenkomstige toepassing.

  • 6. Ingeval tijdens een bereikbaarheidsdienst arbeid moet worden verricht op een verplichte snipperdag of feestdag, niet zijnde een zaterdag of zondag als bedoeld in artikel 34 lid 3 en 4, heeft de werknemer het recht deze dag op een ander tijdstip op te nemen.

  • 7. In een onderneming met een ondernemingsraad kan een van dit artikel afwijkende regeling van toepassing zijn, mits de werkgever met de ondernemingsraad hierover overeenstemming heeft bereikt. Deze afwijkende regeling dient per saldo minimaal gelijkwaardig te zijn aan de in dit artikel omschreven regeling. Artikel 40a is hierbij van toepassing.

Artikel 21 Prestatiebeloning

  • 1. De werkgever is bevoegd boven het voor de werknemer geldende garantieloon een prestatiepremie toe te kennen.

  • 2. Wanneer deze premie afhankelijk wordt gesteld van een prestatiebevorderend systeem, dient dit systeem in overeenstemming met de daarbij betrokken werknemer te worden vastgesteld en schriftelijk te worden vastgelegd.

  • 3. Jeugdige werknemers beneden 18 jaar mogen niet in tarief werken.

  • 4. Bij een verhoging van het garantieloon, anders dan op grond van plaatsing in een hogere functiegroep, mag de werkgever deze verhoging niet in mindering brengen op de resultaten van overeengekomen prestatiebeloning en dergelijke.

Artikel 21a Spaarloon

Wanneer een werknemer daartoe de wens te kennen geeft, zal de werkgever de faciliteiten voor een spaarloonregeling aanbieden met inachtneming van de wettelijke bepalingen terzake.

Artikel 22 Vergoeding van overwerk

  • 1. Ingeval van overwerk kan de werknemer een keuze maken of hij de hem toekomende overwerkuren beloond wil hebben dan wel of hij omzetting in vrije tijd verlangt. De werknemer is verplicht om zijn keuze binnen 3 werkdagen na het verrichten van het overwerk aan de werkgever bekend te maken.

  • 2. Ingeval de werknemer kiest voor beloning dan moet voor overwerkuren het vast overeengekomen uurloon met de volgende percentages worden verhoogd:

    • a. voor de eerste 3 uren per dag, mits onmiddellijk voorafgaande of aansluitend aan de normale arbeidsdag: 25%,

    • b. voor de overige overuren op een normale werkdag, vanaf maandag 05.00 uur alsmede voor arbeid op zaterdag tot 21.00 uur: 50%,

    • c. voor arbeid tussen zaterdag 21.00 uur en maandag 05.00 uur alsmede voor arbeid op een feestdag, als vermeld in artikel 34 lid 4: 100%.

  • Voor Kust- en Oeverwerken bedragen deze percentages voor overwerkuren:

    • a. van maandag 05.00 uur tot vrijdag 22.00 uur,

    • voor de uren tussen 05.00 uur en 22.00 uur: 25%

    • voor de uren tussen 22.00 uur en 05.00 uur: 50%

    • b. van vrijdag 22.00 uur tot zaterdag 21.00 uur: 50%

    • c. van zaterdag 21.00 uur tot maandag 05.00 uur: 100%

  • Bij overwerk in ploegendienst moeten de voor ploegendienst geldende uurlonen worden verhoogd met de in dit lid genoemde percentages.

  • Voor het Heibedrijf geldt voorts nog de bepaling dat wanneer bij nachtarbeid minder uren gewerkt kan worden dan de normale arbeidsduur bedraagt, voor het ontbrekende aantal uren het geldende garantie-uurloon zal worden uitbetaald.

  • 3. Bij overwerk tijdens verschoven werktijden GWW, zoals bepaald in artikel 15a, wordt de in lid 2 van dit artikel genoemde overwerktoeslag berekend over het vast overeengekomen loon en niet over de toeslag verschoven werktijden GWW, zoals bepaald in artikel 22b.

  • 4. Ingeval de werknemer kiest voor omzetting in vrije tijd zullen de overwerkuren worden gecompenseerd door vrije uren vermeerderd met de in uren uitgedrukte percentages genoemd in lid 2. Indien aldus 8 uren zijn verkregen kan de werknemer in overleg met de werkgever een dag vrijaf nemen, zo spoedig mogelijk nadat dit overwerk is verricht. De aldus opgenomen vrije dag wordt beloond tegen het garantieloon vermeerderd met de hem eventuele toegekende prestatiebeloning. Over deze dag is de werkgever jegens de werknemer gehouden de verplichtingen genoemd in de artikelen 28 en 29 na te komen.

Artikel 22a Toeslag verschoven uren tijwerk1

Wanneer – behoudens bij ploegendienst – bij tijwerk de arbeid wordt verricht buiten de grenzen van artikel 15 lid 5 doch de normale arbeidsduur wordt niet overschreden, moet voor de buiten deze grenzen vallende uren het garantie-uurloon worden verhoogd met 25%.

Artikel 22b Toeslag verschoven arbeidstijden GWW1

  • 1. Wanneer bij vernieuwing, reparatie of onderhoud van infrastructurele werken een gedeelte van de normale arbeidsduur per week wordt verricht vóór 07.00 uur dan wel na 20.00 uur doch de normale arbeidsduur wordt niet overschreden, dient uitsluitend over deze uren het vast overeengekomen uurloon te worden verhoogd met de toeslag verschoven arbeidstijden GWW.

  • 2. Het uurloon van de in het kader van de verschoven arbeidstijden gewerkte uren dient verhoogd te worden met de in dit artikel vermelde toeslagen. De toeslag verschoven arbeidstijden GWW bedraagt 30%. In afwijking hiervan bedraagt de toeslag voor arbeid tussen vrijdag 20.00 uur en zaterdag 20.00 uur 50%. Van zaterdag 20.00 uur tot zondag 07.00 uur 75% en voor arbeid tussen zondag 07.00 uur en maandag 07.00 uur, alsmede voor arbeid op feestdagen 100%.

  • 3. Indien gedurende een week uitsluitend wordt gewerkt in verschoven arbeidstijden en minder uren dan normaal gewerkt kan worden, wordt voor de ontbrekende uren het vast overeengekomen loon inclusief toeslag verschoven arbeidstijden GWW uitbetaald.

  • 4. Indien een werknemer en een werkgever vóór 1 januari 1989 een regeling verschoven arbeidstijden GWW in de zin van deze CAO zijn overeengekomen die qua toeslagen en vergoedingen per saldo hoger is dan lid 2 bepaalt, zal toepassing van de leden 1, 2 en 3 van dit artikel gepaard gaan met een zodanige aanpassing van de onderling overeengekomen regeling dat toeslagen en vergoedingen per saldo niet hoger zijn dan de oorspronkelijke regeling.

Artikel 23 Reisuren

  • 1. Onder reisuren worden verstaan de uren gedurende welke gereisd wordt van de woning tot het werk en terug. Zij moeten worden vergoed indien de arbeid in een andere dan de woongemeente van de werknemer plaatsvindt. Daarbij dient de werkgever de bepalingen van lid 2 in dit artikel in acht te nemen.

  • 2. De duur van de reis (reistijd) welke wordt gemaakt met een:

    • a. openbaar middel van vervoer;

    • b. door de werkgever ter beschikking gesteld vervoermiddel;

    • c. eigen vervoermiddel;

    • zal – met uitzondering van de eerste 60 minuten per dag – door de werkgever aan de werknemer worden vergoed tegen het voor die werknemer geldende garantie-uurloon.

    • De eerste 60 minuten per dag worden echter wel vergoed aan de werknemer, die met goedvinden van de werkgever als bestuurder van een auto met één of meer meerijders optreedt.

  • 3.

    • a. Als reistijd bij een openbaar vervoermiddel geldt de reistijd volgens de dienstregeling; bij een ander vervoermiddel wordt aangenomen dat per uur wordt afgelegd door:

      • een voetganger 5 km;

      • een rijwiel 15 km;

      • een rijwiel met hulpmotor 25 km;

      • een twee- of driewielig motorrijwiel 40 km;

      • een auto 50 km.

    • b. Bij gebruik van een twee- of driewielig motorrijwiel, dan wel een auto, kan in afwijking van hetgeen in lid 3a van dit artikel is bepaald, door werkgever en werknemer in onderling overleg een lagere of hogere afstand per uur worden vastgesteld, zulks met inachtneming van de af te leggen route èn de hiervoor benodigde reistijd.

  • 4. Indien de arbeidstijd, de in de standaardregeling van de Arbeidstijdenwet voorgeschreven pauze en de reistijd tezamen meer bedragen dan 11½ uur per dag, zal de arbeidstijd in zoverre worden ingekort. De in de normale arbeidstijd vallende reisuren zullen als arbeidsuren betaald worden.

  • 5. Indien het werk zo ver van de woning van de werknemer is gelegen dat dagelijks huiswaarts keren van de werknemer onredelijk zou zijn, zal hij in de gelegenheid worden gesteld een maal per week van huis te vertrekken en terug te keren. In afwijking van het bepaalde in lid 2 van dit artikel zullen aan deze werknemer alle noodzakelijk te maken reisuren worden vergoed. De in de normale werktijd vallende reisuren zullen als arbeidsuren worden betaald.

  • 6. Wanneer sprake is van arbeidsverhindering als gevolg van ongunstige weersomstandigheden in de zin van artikel 32, zullen eventuele reisuren, behoudens in situaties dat het de werknemer redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat zich arbeidsverhindering in deze zin voordoet, overeenkomstig de leden 1 tot en met 3 worden vergoed.

  • 7. In een onderneming met een ondernemingsraad kan een, van de leden 1 tot en met 6, afwijkende regeling van toepassing zijn, mits de werkgever en de ondernemingsraad hierover overeenstemming hebben bereikt. Deze afwijkende regeling dient per saldo minimaal gelijkwaardig te zijn aan de regeling zoals omschreven in de eerder genoemde leden. Artikel 40a is hierbij van toepassing.

Artikel 24 Wijze van loonbetaling

  • 1. De loonbetaling dient uiterlijk 2 werkdagen na de desbetreffende loonweek plaats te vinden (pendagen). Indien méér dan twee pendagen worden aangehouden, zal de werkgever, uiterlijk op de tweede werkdag na het einde van de loonweek, een voorschot verstrekken, dat tenminste gelijk moet zijn aan het over die loonweek verschuldigde garantieloon.

  • 2.

    • a. Indien de dienstbetrekking op een andere dan de betaaldag eindigt, zal de werkgever bij het eindigen van de werktijd op die dag aan de werknemer het gehele hem nog toekomende loon uitbetalen.

    • In het geval echter de loonadministratie automatisch wordt gevoerd, zal de betaling plaatsvinden op de eerstvolgende betaaldag.

    • b. Indien de werknemer zelf ontslag heeft genomen anders dan met een dringende reden, als bedoeld in artikel 7: 679 BW of indien aan hem ontslag is verleend op grond van een dringende reden als bedoeld in artikel 7: 678 BW zal de uitbetaling plaatsvinden op de eerstvolgende betaaldag.

  • 3. De werkgever is bevoegd, na redelijk overleg met zijn werknemers en met instemming van een aanmerkelijke meerderheid onder hen, de loonbetaling in meerwekelijkse perioden vast te stellen met dien verstande dat deze loonperiode niet langer dan 5 weken mag zijn.

  • Bij een meerwekelijkse loonperiode dient de loonbetaling uiterlijk twee werkdagen na afloop der periode plaats te vinden. Indien de betaaldag méér dan twee werkdagen na afloop der loonperiode valt, zal – behoudens over de laatste week van de loonperiode – volledige loonbetaling over de voorgaande weken dienen plaats te vinden. Voor deze laatste week zal de werkgever mogen volstaan met een voorschot dat tenminste gelijk moet zijn aan het voor deze week verschuldigde loon op basis van het garantie-uurloon.

  • 4. De werkgever is bevoegd de loonbetaling in contant geld te vervangen door betaling per bank- of girocheque of door overschrijving op bank- of girorekening. De werkgever dient er voor te zorgen dat de werknemer ook bij deze wijze van betaling op het in lid 1 bedoelde tijdstip kan beschikken over zijn loon, of een overeenkomstig lid 1 berekend voorschot.

  • 5. Bij elke loonbetaling zal aan de werknemer een specificatie worden verstrekt van:

    • a. het brutoloon, verdeeld in garantieloon, prestatiebeloning, overuren, reisurenvergoeding en andere vergoedingen en/of toeslagen. De inhoudingen van loonbelasting/premie volksverzekeringen en het aandeel van de werknemer in premies ingevolge de sociale verzekeringswetten en deze CAO.

    • b. De werkgever is tevens gehouden bij elke loonbetaling gespecificeerd aan te geven hetgeen hij ten behoeve van de werknemer voldaan heeft aan:

      • de Stichting Vakantiefonds voor de Bouwnijverheid;

      • de Stichting Risicofonds voor de Bouwnijverheid;

      • de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid (zie hoofdstuk 8).

  • 6. Achterstand ten aanzien van de in dit artikel voorgeschreven loonbetaling of achterstand in het nakomen van de bijdrageen premieverplichtingen genoemd in artikel 29 kan voor de werknemer een dringende reden opleveren, als bedoeld in artikel 7: 679 BW tot onmiddellijke beëindiging der dienstbetrekking.

  • 7. Zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 2 maanden, na afloop van elk kalenderjaar zal de werkgever aan al zijn werknemers die op 31 december van dat jaar in zijn dienst zijn, dan wel in dat kalenderjaar in zijn dienst zijn geweest, een opgave verstrekken van het in dat jaar door de werknemer genoten loon, alsmede de ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen.

HOOFDSTUK 7 KOSTENVERGOEDINGEN

Artikel 25 Voeding, huisvesting, stage en eigen uitrusting

  • 1. Indien het werk zo ver van de woning van de werknemer gelegen is dat dagelijks huiswaarts keren van de werknemer onredelijk zou zijn, zal zijn voeding, behoorlijke huisvesting en een vergoeding voor de verdere noodzakelijke verblijfkosten tijdens de daardoor ontstane afwezigheid van huis, voor rekening komen van de werkgever, tenzij de werkgever een verblijfsgelegenheid als bedoeld in het Veiligheidsbesluit voor Fabrieken of Werkplaatsen van 20 september 1960 (Staatsblad 1960 nr. 434) ter beschikking stelt en ter tegemoetkoming in de kosten voor voeding een toelage van per 1 juli 1999 f 13,75 per dag verstrekt.

  • De werknemer behoudt recht op vrije voeding en logies, indien hij door ziekte of ongeval arbeidsongeschiktheid wordt, voor zolang hij verblijf houdt in de plaats waar hij te werk is gesteld.

  • 2. Aan werknemers van Kust- en Oeverwerken zal, wanneer zij worden gehuisvest in een door de werkgever beschikbaar gesteld verblijf – uitgezonderd pensions, kosthuizen e.d. – voor elke daar doorgebrachte nacht een toeslag van per 1 juli 1999: f 8,00 worden betaald. Deze bepaling is ook van toepassing bij overnachten op vaartuigen.

  • 3. Wanneer een werknemer „Zwarte Corps" met zijn gezin door de werkgever wordt gehuisvest, bijvoorbeeld in een woonwagen of woonark, worden de voor de werknemer daaruit voortvloeiende kosten door de werkgever vergoed. Dit laatste geldt ook indien een aan de werknemer toebehorende woongelegenheid naar het oordeel van de werkgever verplaatst moet worden, in welk geval bovendien de verplaatsingskosten heen en terug voor rekening komen van de werkgever. De werknemer mag bij terugkeer kiezen tussen de plaats waar hij in het bevolkingsregister is ingeschreven of zijn feitelijke woonplaats ten dage van het aangaan der arbeidsovereenkomst.

  • Verplaatsing dient door de werkgever tenminste 2 x 24 uur tevoren aan de werknemer te worden aangezegd.

  • Indien de dienstbetrekking door de werknemer wordt beëindigd of eindigt wegens een door hem aan de werkgever gegeven dringende reden, zijn de kosten van terugkeer niet voor rekening van de werkgever.

  • 4. Indien de werkgever een werknemer „Zwarte Corps" voor de duur van de dienstbetrekking woonruimte als dienstwoning ter beschikking heeft gesteld en de dienstbetrekking eindigt door een rechtsgeldige opzegging door de werknemer, dan is deze verplicht deze woonruimte binnen een termijn van 2 weken na het einde van de dienstbetrekking te ontruimen en ter beschikking te stellen van de werkgever; eindigt de dienstbetrekking door een rechtsgeldige opzegging door de werkgever dan bedraagt vorengenoemde termijn ten hoogste 4 weken. In het laatste geval geldt voor de kosten van vervoer en verhuizing hetzelfde als in lid 3 ten aanzien van deze kosten is bepaald.

  • 5. Voor noodzakelijk gebruik van eigen uitrusting ontvangt de werknemer per gewerkte dag met betrekking tot:

 1 juli '99
– Werkkleding180 cent
– Werkkleding van een werknemer in het Heibedrijf195 cent
– Laarzen/veiligheidsschoenen110 cent
– Indien uitsluitend knielaarzen 90 cent
– Laarzen en oliegoed van een werknemer, bij Kust- en Oeverwerken230 cent
– Gereedschap van een timmerman of straatmaker, tot zijn normale uitrusting behorend155 cent
– Gereedschap van een metselaar of tegelzetter, tot zijn normale uitrusting behorend110 cent
  • Indien de hiervoor omschreven uitrusting door de werkgever wordt verstrekt, is de werkgever niet gehouden de daarbij genoemde vergoeding te verstrekken.

  • 6. Wanneer een leerling in het kader van de beroepsopleidende leerweg de beroepspraktijkvorming volgt, is de werkgever krachtens de Wet Educatie Beroepsonderwijs gehouden het door de onderwijsinstelling voorgeschreven model van de beroepspraktijkvormingsovereenkomst (stagemodel) te volgen. Gedurende de beroepsopleidende leerweg, niveau 2 en niveau 4, geldt voor de leerling als richtlijn een vergoeding van f 590,– bruto per maand of f 136,20 per week, alsmede de regelingen uit deze CAO inzake reis- en pensionkosten.

  • 7. In een onderneming met een ondernemingsraad kan een, van de leden 1 tot en met 5, afwijkende regeling van toepassing zijn, mits de werkgever en de ondernemingsraad hierover overeenstemming hebben bereikt. Deze afwijkende regeling dient per saldo minimaal gelijkwaardig te zijn aan de regeling zoals omschreven in de eerder genoemde leden. Artikel 40a is hierbij van toepassing.

Artikel 25a Kinderopvang

  • 1. De werknemer heeft recht op een financiële bijdrage van de werkgever voor de opvang van kinderen die jonger zijn dan 4 jaar, op voorwaarde dat deze opvang plaatsvindt in een erkend kinderdagverblijf.

  • 2. De in lid 1 bedoelde financiële bijdrage van de werkgever bedraagt maximaal f 4.200,- per kind zijnde de helft van de kosten na aftrek van:

    • 1. de ouderbijdrage conform de Adviestabel Ouderbijdrage kinderopvang van het Ministerie van VWS, en

    • 2. (overheids)subsidies; tot een maximum dat jaarlijks door partijen wordt vastgesteld.

Artikel 26 Reiskosten

  • 1. De werknemer die zowel binnen als buiten zijn woongemeente werkzaam is en dagelijks meer dan 15 kilometer moet reizen om van zijn woning naar het werk en weer terug te komen, heeft recht op vergoeding van de reiskosten. Het vervoer tussen woning en werk zal zoveel mogelijk als groepsvervoer plaatsvinden. Indien hiervoor gebruik moet worden gemaakt van een auto, die niet door de werkgever ter beschikking is gesteld, geldt de meerijregeling zoals opgenomen in artikel 20 lid 2.

  • 2. De werkgever is gerechtigd een vervoermiddel aan te wijzen, mits dit in alle opzichten aan de door de wet gestelde eisen voldoet.

  • 3. Kosten van reizen met een openbaar vervoermiddel worden in de laagste klasse vergoed.

  • 4. Indien de werknemer naar het oordeel van de werkgever gebruik moet maken van een ander dan een openbaar vervoermiddel, zal hem hiervoor worden betaald:

 1 juli '99
– voor het gebruik van een rijwiel(per dag):170 cent
– voor het gebruik van een rijwiel met hulpmotor (per kilometer): 15 cent
– met een minimum (per dag):190 cent
– voor het gebruik van een motorvoertuig op minder dan 4 wielen (per kilometer): 46 cent
– voor het gebruik van een auto (per kilometer), tenzij de werknemer recht heeft op een chauffeurstoeslag conform artikel 20, lid 2. 57 cent
In dat geval bedraagt de vergoeding (per kilometer): 56 cent
  • Deze vergoedingen zullen ook worden betaald wanneer de werknemer tijdens en ten behoeve van de werkzaamheden van deze vervoermiddelen gebruik moet maken alsmede wanneer de werknemer tijdens vorstverlet op verzoek van de werkgever moet reizen.

  • Indien de werkgever een vergoeding (per kilometer) voor het gebruik van een auto en een chauffeurstoeslag conform artikel 20 lid 2 van deze CAO dient te verstrekken, moet een meerijovereenkomst worden ondertekend door de chauffeur, de meerijder(s) en de werkgever. De door de fiscus gestelde voorwaarden voor het verstrekken van een vervoermiddelenvergoeding en een voorbeeldmeerijovereenkomst zijn opgenomen in bijlage 12 van deze CAO.

  • 5. Een werknemer, bedoeld in artikel 25 lid 1, heeft eenmaal per week recht op vrij vervoer van en naar huis.

  • Is de werknemer door ziekte of ongeval arbeidsongeschikt dan mag de werkgever op zijn kosten de werknemer naar diens woonplaats doen vervoeren, mits dit medisch verantwoord is; hij is daartoe verplicht als het vervoer medisch noodzakelijk is. Zolang de werknemer door zijn arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of ongeval niet in staat is wekelijks huiswaarts te keren, zal zijn echtgeno(o)t(e) of, indien hij ongehuwd is, zijn ouders, hem eenmaal per week op kosten van de werkgever kunnen bezoeken.

  • 6. Indien de werknemer bij ziekte de arbodienst moet bezoeken en daarvoor reiskosten maakt, worden deze reiskosten door de werkgever vergoed.

  • 7. In een onderneming met een ondernemingsraad kan een, van de leden 1 tot en met 6, afwijkende regeling van toepassing zijn, mits de werkgever en de ondernemingsraad hierover overeenstemming hebben bereikt. Deze afwijkende regeling dient per saldo minimaal gelijkwaardig te zijn aan de regeling zoals omschreven in de eerder genoemde leden. Artikel 40a is hierbij van toepassing.

Artikel 27 Vervoer stoffelijk overschot

Ingeval een werknemer bij afwezigheid van huis in verband met zijn werk dan wel op weg naar het werk of van het werk overlijdt, zijn de kosten van het vervoer van het stoffelijk overschot naar de woonplaats, indien deze woonplaats in Nederland gelegen is, voor rekening van de werkgever, tenzij deze kosten uit een wettelijke regeling worden betaald.

HOOFDSTUK 8 SOCIALE FONDSEN EN PREMIEVERPLICHTINGEN

Artikel 28 Sociale fondsen en premieverplichtingen

  • 1. De bepalingen van:

    • de Statuten en het Vakantiereglement van de Stichting Vakantiefonds voor de Bouwnijverheid, hierna te noemen het Vakantiefonds;

    • de Statuten en het Vorstuitkeringsreglement van de Stichting Risicofonds voor de Bouwnijverheid, hierna te noemen het Risicofonds;

    • de Statuten en het Financieringsreglement van de Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor de Bouwnijverheid, hierna te noemen het O&O-fonds;

    • de Statuten en het Reglement van de Stichting Aanvullingsfonds Bouwnijverheid, hierna te noemen Aanvullingsfonds;

    • de Statuten en het Reglement van de Stichting Scholingsfonds voor het Bouwbedrijf, hierna te noemen het Scholingsfonds;

    • De Statuten en het Reglement van de Stichting Uittreden Bouwbedrijf;

  • alsook nadere uitvoeringsvoorschriften van organisatorische aard, welke door de besturen van genoemde stichtingen worden gegeven binnen het kader en de doelstellingen van hun statuten en hun reglementen, binden werkgevers en werknemers alsof die bepalingen in deze CAO waren opgenomen.

  • 2. Krachtens de bepalingen van de in lid 1 genoemde reglementen is de werkgever voor iedere dag waarop de werknemer in zijn dienst betaalde arbeid verricht jegens hem gehouden tot het storten van de bijdragen en premies. Deze verplichtingen gelden ook indien over een dag waarop niet of slechts gedeeltelijk is gewerkt loon en/of uitkering vorstverlet is betaald. Deze verplichtingen rusten niet op de werkgever over zaterdagen en zondagen, tenzij de op zaterdag en zondag verrichtte arbeid betrekking heeft op buiten de grenzen van artikel 15 lid 5 vallende uren waarbij de normale arbeidsduur niet wordt overschreden.Tot de normale arbeidsduur worden eveneens gerekend de vrije uren, wanneer de werknemer gebruik maakt van de regeling ex. artikel 22 lid 3.

  • 3.

    • a. In het geval, dat een werknemer wegens (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW/WAO minder dan het aantal uren genoemd in artikel 15 lid 2 werkt, is de werkgever ten aanzien van deze werknemer aan de in lid 1 genoemde fondsen bijdragen en premies verschuldigd waarvan de hoogte dient te zijn afgestemd op het vast overeengekomen uurloon.1

    • b. In het geval, dat een werknemer wegens (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW/WAO wel het aantal uren genoemd in artikel 15 lid 2 werkt, maar als gevolg van een handicap tegen een lager uurloon, dient ten behoeve van de bijdrage en premieverplichtingen dat uurloon te worden verhoogd tot het uurloon dat overeenkomt met hetgeen de werknemer in hetzelfde beroep zou hebben verdiend bij volledige arbeidsgeschiktheid. Voorts dient het aantal gewerkte uren te worden verlaagd naar de mate van arbeidsgeschiktheid.

    • Bij samenloop van premievrije pensioenopbouw uit hoofde van arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW/WAO en pensioenopbouw uit hoofde van werkzaamheden als hier bedoeld is de werkgever geen hogere bijdrage- en premieverplichtingen verschuldigd dan als in dit artikellid omschreven.

  • 4.

    • a. Geen premie aan het Risicofonds is verschuldigd voor:

      • werknemers in de industriële bouw, voor zover niet mede werkzaam op de bouwplaatsen;

      • werkplaatspersoneel als bedoeld in artikel 1 lid 8;

      • werknemers in de grondboorbedrijven, die belast zijn met de uitvoering van sondeerwerkzaamheden;

      • werknemers, die belast zijn met de uitvoering van wegmarkeringswerkzaamheden (zie de nummers 14, 57 en 82 van de functielijst opgenomen in bijlage 1);

      • directeuren van vennootschappen/rechtspersonen, ook al verrichten zij werkzaamheden die door werknemers vallende onder deze CAO doorgaans worden verricht.

    • b. Geen bijdrage aan het Vakantiefonds is verschuldigd voor directeuren van vennootschappen/rechtspersonen, ook al verrichten zij werkzaamheden die door werknemers vallend onder deze CAO doorgaans worden verricht.

Artikel 29 Bijdrage- en premiebetalingen

  • 1.

    • a. De werkgever betaalt hetgeen hij ten aanzien van een bij hem in dienst zijnde werknemer is verschuldigd aan de in artikel 28 lid 1 genoemde fondsen aan het SFB, het uitvoeringsorgaan van bedoelde fondsen.

    • b. De werkgever dient per loonbetalingstijdvak, doch tenminste 1 maal per maand, de uit lid 1a voortvloeiende door hem verschuldigde bijdragen en premies aan het SFB te betalen, onder gelijktijdige verstrekking van alle gegevens, benodigd voor rechtenbijboeking van de individuele werknemer. Deze betaling en verstrekking van gegevens dient binnen 14 dagen na afloop van elk hiervoor bedoelde loonbetalingstijdvak te geschieden.

    • c. De uit lid 1.a voortvloeiende verschuldigde premies en bijdragen dienen te worden vastgesteld aan de hand van een door het SFB aan de werkgever te verstrekken overzicht.

  • 2.

    • a. Het SFB verstrekt aan de werknemer iedere vier weken een overzicht van de door zijn werkgever op zijn naam betaalde bijdragen en premies, alsmede van het totaal van zijn tegoed bij het Vakantiefonds en de door hem in het betreffende rechtjaar opgebouwde rechten bij het Pensioen- en Risicofonds.

    • b. Indien door een werkgever geen bijdragen en premies als bedoeld in lid 1. b. voor een bij hem in dienst zijnde werknemer worden gestort, ontvangt de betreffende werknemer een overzicht onder vermelding dat geen bijdragen en premies gestort zijn.

  • 3. Het bestuur van het Vakantiefonds stelt nadere voorschriften vast over de wijze waarop de werknemer over zijn tegoed kan beschikken en stelt de werknemer daarvan schriftelijk op de hoogte.

  • Indien sprake is van een situatie als gesteld onder lid 2.b. kan een werknemer onder door het bestuur van het Vakantiefonds vastgestelde voorwaarden alsdan een beroep doen op een garantieregeling zoals opgenomen in aanhangsel J met dien verstande dat onder die regeling per dienstverband per rechtjaar maximaal over 8 weken kan worden uitgekeerd.

Artikel 29a Invordering en sanctionering

  • 1.

    • a. Indien de werkgever zijn bijdrage- en premieverplichtingen jegens de in artikel 28 lid 1 genoemde fondsen niet nakomt, hebben deze fondsen een zelfstandig recht op invordering jegens de werkgever.

    • b. Indien een werkgever niet voldoet aan zijn verplichtingen jegens de werknemer met betrekking tot de voorgeschreven vakantiewaarde aan het Vakantiefonds, kan uitsluitend desbetreffende werknemer, diens gemachtigde of de vakorganisatie, waarvan de werknemer lid is, de werkgever na voorafgaande sommatie, in rechte nakoming vorderen van de verplichting onmiddellijk de verschuldigde vakantiewaarde aan het Vakantiefonds te voldoen.

  • 2. Achterstand in het nakomen door de werkgever ten aanzien van de in dit artikel neergelegde verplichtingen kan voor de werknemer een dringende reden opleveren, als bedoeld in artikel 7: 679 BW, tot onmiddellijke beëindiging van de dienstbetrekking.

Artikel 30 Vakantiewaarden en uitkeringen

Rechtjaren 1999/2000

  • 1. De ten aanzien van een werknemer verschuldigde bijdragen aan het Vakantiefonds betreffen voorzieningen voor de bestrijding van loonderving over de in deze CAO aangegeven vakantie-, snipper- en feestdagen en voor vakantietoeslag.

  • Voor zover de voor de werknemer gestorte bijdragen dit toelaten worden in het betreffende rechtjaar uit het Vakantiefonds vergoed de loonderving over het aantal verlof- en feestdagen opgenomen in artikel 34, alsmede een vakantietoeslag van 8%, met inachtneming van hetgeen onder lid 2.a., b. en c. is bepaald.

  • 2.

    • a. De 8 extra verlofdagen voor werknemers vanaf 55 jaar in 1999 (in 2000; 10) en de 11 extra verlofdagen voor werknemers vanaf 60 jaar in 1999 (in 2000; 13), als bedoeld in artikel 34 lid 1 zullen door de werkgever worden betaald.

    • De werkgever zal aan de werknemer het vast overeengekomen loon1 betalen. De werkgever is eveneens verplicht te voldoen aan de bijdrage- en premieverplichtingen, zoals genoemd in artikel 28 lid 2, 29 lid 1.a. en 29.a. lid 1.b. jegens de werknemer.

    • b. De loonkosten verbonden aan de opneming van de extra verlofdagen als genoemd in lid 2.a. worden aan de werkgever vergoed door het Vakantiefonds.

    • Daartoe dient een declaratieformulier van het Vakantiefonds te worden ondertekend, zowel door de werkgever als door de betrokken werknemer.

    • c. Een extra verlofdag als genoemd in lid 2.a. kan worden opgenomen indien daarvoor voldoende rechten zijn opgebouwd. Voor werknemers die recht hebben op 8 extra verlofdagen in het rechtjaar 1999/2000 is dit het geval na 28 dagen waarover vakantierechten worden opgebouwd; voor werknemers die recht hebben op 11 extra verlofdagen in het rechtjaar 1999/2000 is dit het geval na 20 dagen waarover vakantierechten worden opgebouwd. Voor werknemers die recht hebben op 10 extra verlofdagen in het rechtjaar 2000/2001 is dit het geval na 22 dagen waarover vakantierechten worden opgebouwd; voor werknemers die recht hebben op 13 verlofdagen in het rechtjaar 2000/2001 is dit het geval na 17 dagen waarover vakantierechten worden opgebouwd. Slechts indien een extra verlofdag daadwerkelijk wordt opgenomen zal het Vakantiefonds tot uitbetaling overgaan; in afwijking hiervan betaalt het Vakantiefonds een opgebouwde extra verlofdag wel uit voor een werknemer wiens dienstverband tijdens arbeidsongeschiktheid wordt beëindigd.

  • 3. De berekening van de loonderving tijdens vakantie-, feest- en snipperdagen en de vakantietoeslag wordt gebaseerd op het vast overeengekomen loon en voor zover hiervan sprake is, vermeerderd met de resultaten van een prestatiebevorderend systeem zoals omschreven in artikel 21 lid 2, alsmede de toeslagen als bedoeld in de artikelen 22a en 22b lid 2.

  • 4. Per betalingsperiode zal de opbouw van deze loonderving tijdens vakantie-, feest- en snipperdagen en deze vakantietoeslag van de werknemer geschieden door middel van een uniform door partijen vast te stellen percentage over het vast overeengekomen loon, vermeerderd met de eventuele resultaten van een prestatiebevorderend systeem zoals omschreven in artikel 21 lid 2, alsmede de toeslagen als bedoeld in de artikelen 22a en 22b lid 2. Voor de door partijen vastgestelde uniforme percentages wordt verwezen naar bijlage 2.

  • 5. Bij bedrijfssluiting als gevolg van vakantie heeft de jeugdige werknemer met een leer-/arbeidsovereenkomst of praktijken arbeidsovereenkomst die na het verlaten van een school niet kan beschikken over voldoende vakantiewaarde recht op een loondervingsuitkering van het Vakantiefonds indien de werknemer tenminste 5 weken heeft gewerkt direct voorafgaande aan de bedrijfssluiting.

  • 6. Het tegoed aan vakantiewaarden wordt verminderd indien de werknemer over een of meer in artikel 34 lid 4 genoemde feestdagen een uitkering krachtens de WW heeft ontvangen. Deze vermindering is gelijk aan het nettobedrag dat aan WW-uitkering over deze feestdagen werd uitbetaald. De vermindering vindt plaats ten aanzien van de werknemer op wie laatstelijk, voor het intreden van zijn werkloosheid, deze CAO van toepassing was.

HOOFDSTUK 9 ARBEIDSVERHINDERING

Artikel 31 Arbeidsongeschiktheid (ziekte en dergelijke)

  • 1. In geval van arbeidsongeschiktheid behoudt de werknemer gedurende maximaal 52 weken aanspraak op het vast overeengekomen loon1, en de daarbij behorende vakantiewaarde met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 29 lid 1 en artikel 34 lid 9. De werkgever is gerechtigd hierop in mindering te brengen een aan de werknemer toekomende uitkering krachtens de bepalingen van de Ziektewet en/of een verhoogde WAO-uitkering1 en de daarop betrekking hebbende statuten en reglementen.

  • 2.

    • a. Werknemers, die in enig jaar een uitkering krachtens de WAO ontvangen en bij werken onder deze CAO zouden vallen, hebben recht op een eindejaarsuitkering. WAO-gerechtigden die voorheen in aanmerking kwamen voor een WW-uitkering en bij werken onder deze CAO zouden vallen hebben eveneens recht op een eindejaarsuitkering.

    • Deze eindejaarsuitkering wordt in december van dat jaar uitbetaald. Werknemers die van een andere uitvoeringsinstelling dan het SFB een uitkering krachtens de WAO ontvangen komen slechts in aanmerking voor een eindejaarsuitkering indien ze hiertoe een verzoek indienen bij het Aanvullingsfonds. Het bepaalde in de tweede volzin van artikel 31b lid 4c is hierop van toepassing.

    • b. Geen uitbetaling vindt plaats indien artikel 13 AAW en/of artikel 22 WAO van toepassing is.

    • c. Indien de uitkering krachtens de WAO slechts een gedeelte van het jaar wordt genoten heeft betreffende werknemer recht op een evenredig deel van eindejaarsuitkering.

    • d. Gedeeltelijk arbeidsongeschikten ontvangen een uitkering afhankelijk van de arbeidsongeschiktheidsklasse, die op 1 december van dat jaar van toepassing was. Als in het desbetreffende jaar een hogere klasse van toepassing was, heeft de werknemer recht op een eindejaarsuitkering die afhankelijk is van de laatst van toepassing zijnde hogere klasse. Indien voorafgaand aan een indeling op 1 december in de klasse 15–25% of in de klasse 25–35% een hogere klasse van toepassing was, dan heeft de werknemer recht op een eindejaarsuitkering die afhankelijk is van de laatst van toepassing zijnde hogere klasse en de periode waarover hij op basis van een hogere klasse een WAO-uitkering ontving.

    • e. De hoogte van de eindejaarsuitkering wordt jaarlijks in oktober door partijen vastgesteld, met inachtneming van de inkomsten uit de overeengekomen premie als genoemd onder lid 2.f.

    • f. Voor de financiering van deze regeling is de werkgever aan het Aanvullingsfonds een premie op jaarbasis verschuldigd van 0,6% over het premieloon Coördinatiewet Sociale Verzekeringen van werknemers. Deze premie wordt conform de bij het Aanvullingsfonds gebruikelijke inningssystematiek geheven. Werkgever en werknemer nemen ieder de helft van de premie voor hun rekening (beiden 0,3%).

    • g. De uitvoering van de in de leden 2.a. tot en met 2.f. genoemde regeling wordt verzorgd door het Aanvullingsfonds dat zijn administratie heeft opgedragen aan het SFB.

  • 3. Indien en voorzover de werkgever ter zake van arbeidsongeschiktheid van zijn werknemer jegens een of meer derden een vordering tot schadevergoeding kan doen gelden, moet de betrokken werknemer zijn volledige medewerking verlenen om de schadevergoeding op deze derde(n) te verhalen. Artikel 6: 107a. BW is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. De werknemer die zonder toestemming van de werkgever bouwwerkzaamheden verricht ten behoeve van derden en als gevolg hiervan arbeidsongeschikt raakt, heeft voor de duur van de eerste drie maanden van deze arbeidsongeschiktheid geen recht op de aanvulling van hetgeen hem op grond van artikel 7: 629 BW toekomt tot zijn vast overeengekomen loon.

  • 5.

    • a. De werkgever is verplicht een verzuimregistratie bij te houden.

    • Geregistreerd dienen te worden:

      • leeftijd en geslacht;

      • afdeling en functie;

      • het aantal keren dat een werknemer verzuimt;

      • de duur van het verzuim.

    • b. De werkgever zal indien daarom door een werknemer wordt verzocht, inzage verstrekken in de in het verzuimregistratiesysteem van die werknemer opgenomen gegevens.

  • 6.

    • a. Herintreders die voorheen werkzaam waren als werknemer onder deze cao en die recht hadden op een (gedeeltelijke) WAO-uitkering en het werk gedurende 1 jaar als volledig arbeidsgeschikte werknemer hebben hervat, ontvangen een eenmalige „stimuleringsuitkering herintreders":

    • bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80%–100%: f 2500

    • bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65%–80%: f 2000

    • bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55%–65%: f 1625

    • bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45%–55%: f 1375

    • bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35%–45%: f 1125

    • bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25%–35%: f  875

    • bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15%–25%: f  625

    • Bepalend voor de exacte hoogte van de stimuleringsuitkering is/zijn de arbeidsongeschiktheidsklasse(n) waarin de werknemer is ingedeeld geweest in het jaar voorafgaand aan het volledig hervatten van het werk. Indien er in het laatste WAO-jaar, voorafgaand aan het volledig hervatten van het werk, sprake is van verschillende arbeidsongeschiktheidsklassen, bestaat aanspraak op een evenredig deel van de stimuleringsuitkering behorend bij de desbetreffende arbeidsongeschiktheidsklasse(n).

    • b. Deze regeling gaat in op 1 januari 1999; de stimuleringsuitkering zal derhalve vanaf 1 januari 2000 worden verstrekt mits aan de voorwaarden is voldaan.

    • c. Bij de in sub a genoemde periode van 1 jaar worden periodes van ziekte tot een maximum van 4 weken meegeteld.

    • d. Werknemers die hun WAO-uitkering hebben ontvangen van een andere uitvoeringsinstelling dan de SFB UOSV en die in aanmerking komen voor de „stimuleringsuitkering herintreders" dienen zich te melden bij het bestuur van het Aanvullingsfonds, per adres SFB-UOSV, postbus 637, 1000 EE te Amsterdam. Tevens dienen zij aan de SFB-UOSV alle relevante informatie te verstrekken.

    • e. Voor de financiering van deze regeling betalen werkgevers met ingang van 1 januari 2000 aan het Aanvullingsfonds een nader door partijen vast te stellen premie.

Artikel 31b Aanvulling werkloosheidsuitkering

  • 1. Een werknemer, die recht heeft op een werkloosheidsuitkering, heeft voor de duur van de werkloosheid als bedoeld in artikel 18 WW danwel gedurende maximaal de eerste 6 maanden van de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 42 van de WW, overeenkomstig het Reglement van het Aanvullingsfonds aanspraak op aanvulling van de vakantiewaarde tot 100% en op volledige voortzetting van de pensioenopbouw, een en ander overeenkomstig zijn aanspraken bij werken.

  • Bij de voortzetting van de pensioenopbouw wordt rekening gehouden met het werknemersdeel in de pensioenpremie dat krachtens de WW wordt betaald. Het recht op voortzetting vervalt indien en voor zover aanspraak bestaat op voortzetting uit hoofde van het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering.

  • Bij voortzetting van deelname aan de regeling inzake Invaliditeitspensioen heeft de werknemer, die recht heeft op een WW-uitkering en wiens uitkeringsduur is bepaald in hoofdstuk IIA van de WW, gedurende maximaal het eerste jaar van werkloosheid, overeenkomstig het reglement van het Aanvullingsfonds, aanspraak op betaling van het werknemersdeel van de Invaliditeitspensioenpremie, voor zover dit werknemersdeel niet krachtens de WW wordt betaald, en op een aanvullende betaling die gelijk is aan het werkgeversdeel van de Invaliditeitspensioenpremie.

  • 2.

    • a. Een werknemer die recht verkrijgt op een loongerelateerde werkloosheidsuitkering en waarvoor de bijdrage als bedoeld in lid 5 is afgedragen en behoort tot het Arbeidsbestand Bouwnijverheid, heeft gedurende de eerste 8 weken van de werkloosheid als bedoeld in artikel 18 en artikel 42 van de WW, overeenkomstig het Reglement van het Aanvullingsfonds aanspraak op aanvulling van de Werkloosheidsuitkering tot 80% van het betreffende dagloon.

    • b. Een werknemer die recht verkrijgt op een werkloosheidsuitkering tengevolge van buitengewoon natuurlijke omstandigheden, zoals vorst, en waarvoor de bijdrage als bedoeld in lid 5 is afgedragen en behoort tot het Arbeidsbestand Bouwnijverheid, heeft gedurende de eerste 8 weken van de werkloosheid als bedoeld in artikel 18 van de WW, overeenkomst het Reglement van het Aanvullingsfonds aanspraak op aanvulling van de Werkloosheidsuitkering tot 100% van het vastovereengekomen loon.

  • 3. De uitvoering van de in lid 1 en lid 2 genoemde regelingen wordt verzorgd door het Aanvullingsfonds dat zijn administratie heeft opgedragen aan het SFB. De nadere voorwaarden van de regeling zijn vastgelegd in het reglement van het Aanvullingsfonds.

  • 4.

    • a. Een werknemer die recht verkrijgt op een kortdurende uitkering als bedoeld in hoofdstuk IIB van de WW kan eveneens aanspraak maken op de in lid 1 en 2 genoemde aanvullingen, met dien verstande dat de aanvulling als bedoeld in lid 2a geschiedt tot 80% van het wettelijke minimumloon, dan wel bij een dagloon lager dan het wettelijk minimumloon tot 80% van dat dagloon, mits aan alle overige voorwaarden van dit artikel is voldaan, tenzij betrokkene als gevolg van wettelijke bepalingen geen voordeel heeft van deze aanvulling(en). De betrokkene moet een verzoek tot aanvulling indienen bij het Aanvullingsfonds. Het bestuur van het Aanvullingsfonds beslist.

    • b. De aanvullingen als bedoeld in lid 1 en 2 gelden ook ingeval een gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer deel neemt aan een „proefplaatsing" als bedoeld in de Wet REA.

    • c. De betrokkene aan wie de WW-uitkering wordt uitbetaald door een andere uitvoeringsinstelling dan het SFB, moet een verzoek tot aanvulling indienen bij het Aanvullingsfonds. Tevens dient hij alle benodigde gegevens ter beoordeling van het recht op en de hoogte van de aanvullingen vanuit het Aanvullingsfonds aan het bestuur te verstrekken. Het bestuur van het Aanvullingsfonds beslist.

    • d. Een verzoek om aanvulling als bedoeld in lid 1 en 2 wordt beschouwd als verzoek om alle aldaar bedoelde aanvullingen waarop de betrokken werknemer aanspraak kan doen gelden.

  • 5. Voor de financiering van de regeling is de werkgever een bijdrage verschuldigd over het premieloon WW van zijn krachtens de WW verzekerde werknemers. De werkgever en de werknemer nemen ieder de helft van deze bijdrage voor hun rekening. Voor 2000 zal het bestuur van het Aanvullingsfonds tijdig een percentage voor deze bijdrage vaststellen.

  • 6. Elke werkgever die werknemers in dienst heeft waarop deze CAO van toepassing is, dient aan het SFB de loongegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de jaarlijkse heffing van de bijdrage ten behoeve van het Aanvullingsfonds.

Artikel 32 Ongunstige weersomstandigheden (vorst en dergelijke)

  • 1.

    • a. De werkgever beoordeelt in redelijk overleg met de betrokken werknemers, waarbij zowel het bedrijfsbelang alsmede de veiligheid en gezondheid van de werknemers in acht genomen worden, wanneer en hoelang als gevolg van ongunstige weersomstandigheden of te weinig licht niet kan worden gewerkt.

    • b. Werknemers hebben bij vorst het recht om de buitenwerkzaamheden, dat wil zeggen werkzaamheden waarbij de werknemer direct aan de buitenlucht is blootgesteld, neer te leggen bij een gevoelstemperatuur van –6° Celcius of kouder. De gevoelstemperatuur volgens opgave van het KNMI weerstation in de regio waarin het project gelegen is, is daarbij bepalend.

  • 2.

    • a. De werkgever is in geval van arbeidsverhindering in verband met ongunstige weersomstandigheden verplicht aan de werknemer het vast overeengekomen loon1 door te betalen met de daarbij behorende bijdrage- en premieverplichtingen als bedoeld in de artikelen 28 lid 2, 29 lid 1.a en 29a lid 1.b.

    • b. Bij arbeidsverhindering door te weinig licht, mist, regen, wind, vorst of uitzonderlijke hoge of lage waterstand zullen de niet gewerkte uren als arbeidsuren worden beschouwd.

    • c. Bij arbeidsverhindering als gevolg van uitzonderlijk hoge of lage waterstand geldt dit slechts over de werkdag waarop de arbeidsverhindering ontstaat.

    • d. Onverminderd het bepaalde onder c. van dit lid geldt dit voor de grond-, water- en wegenbouw slechts over de eerste 5 werkdagen indien de arbeidsverhindering is ontstaan als gevolg van uitzonderlijk hoge waterstand ten gevolge van bijzonder zware regenval, alsmede een zodanige wateroverlast door ondoorlaatbaarheid van de bodem, dat niet meer gewerk kan worden op het werkterrein of de bouwplaats danwel het werkterrein of de bouwplaats onbegaanbaar is en de opdrachtgever de arbeid verbiedt.

  • 3. Het Risicofonds heeft als doel om de verletkosten wegens vorst op te vangen. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:

    • a. Er is een keuzemogelijkheid voor de werkgever voor een Eigen Risico van 0, 3 of 9 dagen. Daarnaast bestaat de mogelijkheid de verletkosten van vorstgevoelige werkzaamheden op te vangen.

    • b. Indien de werkgever de werknemers laat doorwerken tijdens Eigen Risico dagen, dan is de werkgever verplicht de werknemers onder goede en veilige arbeidsomstandigheden te laten werken.

    • c. Het bestuur van het Risicofonds ziet toe op de naleving van dit artikellid. Het bestuur is gerechtigd een werkgever de mogelijkheid van Eigen Risico te ontnemen, indien deze het risico op de werknemers afwentelt dan wel sub b van dit lid niet naleeft. De hogere premie behorende bij een Eigen Risico van 0 dagen is vanaf dat moment verschuldigd.

    • d. Indien het SFB een overtreding constateert van de verplichte maatregelen wordt dit onder de aandacht van partijen gebracht.

    • e. De bewijslast van hetgeen genoemd in sub b, c en d van dit artikellid berust bij de werkgever.

  • 4. De werkgever moet de verplichte maatregelen, die onderdeel uitmaken van het vorstuitkeringsreglement van het Risicofonds, toepassen tussen de eerste maandag van november en de laatste vrijdag van maart. De werkgever is tevens in deze periode verplicht de aanbevolen-maatregelen uit het vorstuitkeringsreglement toe te passen indien hij de werknemer laat doorwerken tijdens de Eigen Risico dagen. Er mag alleen gewerkt worden tijdens Eigen Risico dagen, indien de werkgever heeft geïnvesteerd in de verplichte en voorheen aanbevolen maatregelen.

Artikel 33 Korte verzuimen

  • 1. In de hierna te noemen gevallen en tot de daarbij vermelde duur heeft de werknemer recht op vrijaf, met doorbetaling van het vast overeengekomen loon1 en de daarbij behorende vakantiewaarde. Indien en voor zover het recht op vrijaf samenvalt met vakantie en/of een zaterdag, zondag, erkende algemene of erkende christelijke feestdag danwel roostervrije dag vervalt dit recht.

  • De duur van het recht op vrijaf is:

  • van de dag van overlijden tot en met de dag van de uitvaart:

    • a. bij overlijden van de echtgenote of echtgenoot, of van een kind of pleegkind van de werknemer;

    • b. bij overlijden van een der ouders, indien de werknemer daarbij inwoont;

  • ten hoogste drie dagen:

    • c. voor werknemers van 62 jaar en ouder voor het volgen van een cursus ter voorbereiding op de tijd van pensionering;

  • twee dagen:

    • d. bij huwelijk van de werknemer, mits tenminste drie dagen tevoren aan de werkgever medegedeeld;1

    • e. bij bevallen van de echtgenote van de werknemer en/of in geval van adoptie door de werknemer;

    • f. bij overlijden van één van de ouders of schoonouders van de werknemer;

  • een dag:

    • g. bij huwelijk van een kind van de werknemer of van een in zijn gezinsverband opgenomen pleegkind, van een ouder, schoonouder, broer, zuster, halfbroer, halfzuster, zwager of schoonzuster, mits tenminste drie dagen tevoren aan de werkgever medegedeeld;

    • h. bij overlijden of voor het bijwonen van de uitvaart van een grootouder, behuwdgrootouder, overgrootouder, pleegouder, behuwd-kind, kleinkind, broer, zuster, halfbroer, halfzuster, zwager, schoonzuster of een huisgenoot;

    • i. bij 25-jarig en 40-jarig huwelijksfeest van de werknemer, bij 25-, 40,- 50- en 60-jarig huwelijksfeest van de ouders of schoonouders van de werknemer;

    • j. vervallen;

  • ten hoogste een dag:

    • k. bij noodzakelijke verhuizing als gevolg van wijziging in de plaats van tewerkstelling door de werkgever;

    • l. bij militaire keuring of herkeuring;

    • m. per bezoek: indien de werknemer door zijn behandelend geneesheer wordt verwezen naar een specialist of een medisch consultatiebureau en hem geen uitkering ingevolge de Ziektewet voor dit verzuim kan worden verleend;

    • per bezoek: indien de werknemer in verband met een ongeval een bezoek moet brengen aan de medisch adviseur van de assuradeuren overeenkomstig de bepalingen van de CAO voor het Bouwbedrijf inzake „voorziening bij ongeval";

    • per bezoek: indien de werknemer tijdens werktijd een bezoek brengt aan de in opdracht van de werkgever werkende arbodienst;

    • n. bij opname en ontslag van de huisgenoten (partners, kinderen of ouders) van de werknemer in of uit het ziekenhuis;

  • ten hoogste 4½ uur:

    • o. bij militaire inspectie of het vervullen van een andere militaire verplichting van korte duur;

  • ten hoogste 3 uur:

    • p. bij dokters- dan wel tandartsbezoek, mits hiervan tijdig kennis is gegeven. Zo mogelijk wordt van dit bezoek bewijs geleverd. De noodzakelijk te maken reiskosten van en naar de woonplaats worden slechts vergoed in het geval ook de reiskosten krachtens artikel 26 aan de werknemer worden vergoed dan wel het vervoer door de werkgever wordt verzorgd en de werknemer daarvan ten gevolge van dit doktersbezoek dan wel tandartsbezoek geen gebruik kan maken;

  • ten hoogste 2 uur:

    • q. voor het zich laten inschrijven bij het Arbeidsbureau, wanneer het dienstverband van een werknemer met wie een arbeidscontract voor onbepaalde tijd is aangegaan, wordt opgezegd.

    • Hierbij geldt dat de benodigde tijd zal worden vergoed met een maximum van 3 uur, indien het betreffende Arbeidsbureau in een andere plaats is gevestigd dan waar het werkobject is gelegen;

    • r. bij het uitoefenen van het kiesrecht;

  • de duur van het verzuim:

    • s. bij medische keuring op verzoek van de werkgever, danwel bij bedrijfsgeneeskundig onderzoek en algemeen periodiek geneeskundig onderzoek in het kader van het individugerichte pakket preventiezorg, voorzover tenminste twee dagen van te voren aan de werkgever kenbaar gemaakt. De noodzakelijk te maken reiskosten hiervoor worden vergoed in het geval ook de reiskosten krachtens artikel 26 aan de werknemer worden vergoed, dan wel het vervoer door de werkgever wordt verzorgd en de werknemer daarvan tengevolge van het bovengenoemd verzuim geen gebruik kan maken;

    • t. voor het doen van een vakexamen ter verkrijging van een erkend diploma op het terrein van het bouwbedrijf.

  • 2. Werknemers als bedoeld in artikel 25 lid 1 ontvangen in de gevallen van verzuim als hiervoor vermeld:

    • a. de reiskosten die daarmede samengaan vergoed, doch ten hoogste tot het beloop van de reiskosten naar hun woonplaats en terug, te berekenen op de wijze als in artikel 26 is vermeld;

    • b. het vast overeengekomen loon1 met de bijbehorende vakantiewaarde naar rato van de noodzakelijke duur van deze reis, voor zover de reis binnen hun normale arbeidstijd plaatsvindt of in de plaats treedt van hun wekelijkse reis. Deze reistijd telt niet mee voor de berekening van de in lid 1 vermelde duur.

  • 3.

    • a. De ongehuwde werknemer, die duurzaam een gezamenlijke huishouding voert met een andere ongehuwde en dit door middel van een notarieel vastgelegde samenlevingsovereenkomst en/of partnerregistratie en/of een beschikking van de Belastinginspecteur aan de werkgever bekend heeft gemaakt, heeft bij de toepassing van lid 1 en 2 dezelfde rechten als ware hij gehuwd.

    • b. Met huwelijk wordt gelijkgesteld het geregistreerde partnerschap.

HOOFDSTUK 10 VAKANTIE-, SNIPPER- EN FEESTDAGEN; ROOSTERVRIJE DAGEN; BIJZONDER VERLOF

Artikel 34 Vakantiedagen

  • 1. Aantal verlofdagen

  • Ten aanzien van iedere werknemer is het recht op verlof als volgt geregeld:

    • a.

      • 2. Over het rechtjaar 2000/2001

      • Werknemers met een 40-urige werkweek

        • beneden 18 jaar 29 werkdagen

        • van 18 jaar tot en met 54 jaar 25 werkdagen

        • geboren voor 1 januari 1946 35 werkdagen

        • geboren voor 1 januari 1941 38 werkdagen

      • 3. Het rechtjaar 2000/2001 loopt van 24 april 2000 tot en met 22 april 2001.

    • b. De partieel leerplichtige werknemer, als bedoeld in artikel 11 heeft bij een driedaagse werkweek recht op 18 verlofdagen en bij een vierdaagse werkweek recht op 24 verlofdagen per rechtjaar.

    • c.

      • 3. Het rechtjaar 2000/2001 loopt van 24 april 2000 tot en met 22 april 2001.

    • d. Het recht op extra verlofdagen voor werknemers van 55 jaar of ouder geldt derhalve voor alle werknemers die voor de genoemde data in lid 1a. zijn geboren en gaat in bij aanvang van het nieuwe rechtjaar in april.

  • 2. Extra verlofdag

  • In het jaar dat tussen Kerstmis en Nieuwjaar 5 werkdagen vallen, hebben de werknemers recht op 1 verlofdag extra.

  • 3. Verplichte snipperdagen

  • Als verplichte snipperdagen zijn aangewezen:

    • in 2000: 3, 4 en 5 januari 2001.

  • 4. Feestdagen

  • Iedere werknemer heeft recht op verlof tijdens de erkende algemene en erkende christelijke feestdagen, te weten de beide Kerstdagen, Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag en tweede Pinksterdag alsook over de dag die als Koninginnedag wordt gevierd. Wanneer bij ploegendienst op deze dagen wordt gewerkt, zal ter compensatie op een andere dag vrijaf worden gegeven.

  • 5. Verhindering verlof

    • a. Voor zover de werknemer wegens omstandigheden als bedoeld in artikel 7 : 635 BW verhinderd is zijn verlof te genieten, moet hem alsnog verlof worden gegeven op een in overleg met de werknemer door de werkgever vast te stellen tijdstip, mits de werknemer vóór de aanvang van de verhindering deze aan de werkgever heeft medegedeeld, ofwel het betreft dagen waarop de werknemer wettelijk ziekengeld genoten heeft.

    • b. In afwijking van het gestelde sub a. geldt, dat ingeval van arbeidsongeschiktheid tijdens een verlofperiode die minimaal 5 werkdagen omvat, de werknemer na herstelmelding alsnog aansluitend het aantal verlofdagen dat hij arbeidsongeschikt was dient op te nemen.

  • 6. Betaling verlof- en feestdagen

  • De werknemer heeft geen recht op enige betaling door de werkgever over hem verleende verlof- en feestdagen als in lid 1 tot en met 5 vermeldt, indien de werkgever aan zijn verplichtingen tot betaling van de bijdragen aan het Vakantiefonds heeft voldaan, met uitzondering van de 8 respectievelijk 11 extra verlofdagen van de oudere werknemer in 1999 en 10 respectievelijk 13 extra verlofdagen van de oudere werknemer in 2000. De werkgever kan de loonkosten die hieraan verbonden zijn declareren bij het Vakantiefonds, mits aan de daaraan gestelde voorwaarden als bedoeld in artikel 30 lid 2 sub a. is voldaan.

  • 7. Schriftelijke verklaring

  • De werkgever is verplicht bij beëindiging van de dienstbetrekking de werknemer een schriftelijke verklaring te geven, waarin staat vermeld het aantal niet verplichte verlofdagen, dat de werknemer tijdens het lopende rechtjaar heeft opgenomen.

  • 8. Zomervakantie

  • De werknemer heeft recht op 3 weken aaneengesloten zomervakantie op grond van de onder lid 1 van dit artikel genoemde verlofdagen. Voor zover mogelijk zal op verzoek van de werknemer voor 1 december van enig jaar zijn aaneengesloten zomervakantie van het daaropvolgende jaar worden vastgesteld.

Artikel 35 Roostervrije dagen

  • 1. Roostervrije dagen zijn dagen waarop niet wordt gewerkt. De werkgever zal aan de werknemer over een roostervrije dag het vast overeengekomen loon1 betalen. De werkgever is over een roostervrije dag eveneens verplicht te voldoen aan de bijdrageen premieverplichtingen, zoals genoemd in de artikelen 28 lid 2, 29 lid 1. a. en 29a lid 1. b., jegens de werknemer.

  • 2. In het kader van deze CAO is het aantal roostervrije dagen per kalenderjaar vastgesteld op 24. Van de 24 roostervrije dagen per kalenderjaar worden:

    • 9 dagen in 2000 aangewend ten behoeve van collectieve roostervrije dagen als bedoeld in lid 3;

    • 2 dagen aangewend ten behoeve van scholing zoals bedoeld in artikel 35b;

    • 13 dagen in 2000 zelfstandig vastgesteld in de onderneming op basis van de in lid 4 genoemde regeling.

  • Van de collectieve roostervrije dagen worden er maximaal 7 aangewend ten behoeve van de collectieve wintersluiting zoals bedoeld in artikel 35a.

    • b. 9 collectieve roostervrije dagen van 2000 zijn aangewezen op de eerste twee werkdagen van de regionale krokusvakantie of op de carnavalsmaandag en carnavalsdinsdag, 21 april, 5 mei, 2 juni, 27, 28, 29 december en 2 januari 2001.

  • Het recht op bovengenoemde collectieve roostervrije dagen vervalt indien de werknemer op deze dag(en) arbeidsongeschikt is.

  • 4. De vaststelling van de overige roostervrije dagen geschiedt in de onderneming door de werkgever in goed en vroegtijdig overleg met de ondernemingsraad en bij het ontbreken daarvan met de werknemers, die zich door een delegatie uit hun midden kunnen doen vertegenwoordigen. Hierbij kunnen de in dit lid bedoelde roostervrije dagen tevens in halve dagen of in uren worden vastgesteld.

  • Voor elke werknemer dienen de data van de roostervrije dagen dan wel de periode van roostervrije uren aanwijsbaar te zijn. Deze dienen aan de werknemer(s) te worden bekendgemaakt tenminste 10 dagen voor de aanvang van het tijdvak waarop de roostervrije tijd betrekking heeft. Dit tijdvak is een kalenderjaar, maar kan ook een kortere periode zijn indien dit voorafgaand aan het kalenderjaar wordt afgesproken. De werkgever is verplicht de werknemer(s) hieromtrent schriftelijk te informeren.

  • Indien een werkgever nalaat de werknemer(s) op de hoogte te stellen van de vaststelling van de roostervrije dagen zoals bedoeld in dit lid en hiertoe ook niet overgaat na sommatie van de werknemer(s) of één van de werknemersorganisaties partij bij deze CAO, zullen partijen gezamenlijk maatregelen treffen die ertoe leiden dat de werkgever alsnog voldoet aan het in dit lid bepaalde.

  • Wanneer er sprake is van arbeidsongeschiktheid op een roostervrije dag als hier bedoeld, kan de werkgever in goed overleg met de werknemer besluiten dat de werknemer de betreffende roostervrije dag alsnog op een later tijdstip opneemt.

  • 5.

    • a. Vanaf 1 januari 2000 verwerft een werknemer tijdens het dienstverband per week het recht op 3,38 roostervrije uren. In het kalenderjaar 2000 kunnen maximaal 176 roostervrije uren worden opgebouwd (22 roostervrije dagen).

    • b. In afwijking van het in lid 5a bepaalde wordt geen recht op roostervrije dagen opgebouwd gedurende de periode dat de werknemer de militaire dienstplicht vervult, zulks met uitzondering van de periode waarin de werknemer deelneemt aan een herhalingsoefening.

    • c. Op de door de werkgever ingevolge het bepaalde in artikel 7: 626 BW verplicht aan de werknemer te verstrekken loonspecificatie staan telkens per vierwekenperiode de opgebouwde, maar nog niet opgenomen rechten ten aanzien van de collectief en de zelfstandig in de onderneming vast te stellen roostervrije dagen respectievelijk uren afzonderlijk geregistreerd.

  • 6. Indien een dienstverband aanvangt in de loop van een kalenderjaar gelden de volgende bepalingen:

    • a. Bij de aanvang van het dienstverband wordt overeenkomstig lid 5 berekend op hoeveel roostervrije dagen als bedoeld in lid 3 en lid 4 de betrokken werknemer recht heeft in het resterende deel van het betreffende jaar.

    • b. Bij de vaststelling van de roostervrije dagen waarop de werknemer krachtens lid 4 recht heeft, dient voorrang gegeven te worden aan de collectieve dag(en) die niet meer kan (kunnen) worden opgebouwd.

    • De resterende roostervrije dagen worden in overleg met de betrokken werknemer uiterlijk 10 dagen na aanvang van het dienstverband aan de werknemer bevestigd.

  • 7. Indien een dienstverband wordt beëindigd in de loop van een kalenderjaar gelden de volgende bepalingen:

    • a. Bij beëindiging van het dienstverband wordt, overeenkomstig lid 5, berekend op hoeveel roostervrije dagen de betrokken werknemer nog recht heeft.

    • b. Indien blijkt dat de werknemer op het tijdstip van beëindiging van het dienstverband recht heeft op een groter aantal dan de feitelijk opgenomen roostervrije dag(en) als bedoeld in lid 4, dient deze dag respectievelijk dienen deze dagen, alsnog na overleg met de werkgever voor de beëindiging van het dienstverband te worden opgenomen. De krachtens lid 3 opgebouwde collectieve roostervrije dagen dienen te worden uitbetaald en aan de bijdrage- en premieverplichting zoals bedoeld in de artikelen 28 lid 2, 29 lid 1.a en 29a lid 1.b, dient te worden voldaan. Indien het dienstverband wordt beëindigd wegens vervroegde uittreding dan wel pensionering dienen de opgebouwde collectieve roostervrije dagen evenwel voor de beëindiging van het dienstverband te worden opgenomen in plaats van te worden uitbetaald.

    • c. Alleen wanneer het dienstverband op verzoek van de werknemer wordt beëindigd dan wel bij beëindiging van het dienstverband om een dringende reden als bedoeld in artikel 7: 677 BW, kan in geval bij de beëindiging van het dienstverband de werknemer meer roostervrije dagen blijkt te hebben opgenomen dan waarop hij op de datum van beëindiging recht had, de werkgever deze meerdere dagen met de werknemer verrekenen.

  • 8. Een werkgever kan met de ondernemingsraad overeenstemming bereiken om het in lid 2 van dit artikel genoemde aantal collectieve roostervrije dagen toe te voegen aan het aantal, op basis van de in lid 4 van dit artikel genoemde regeling, in de onderneming vast te stellen roostervrije dagen. Hierbij geldt als voorwaarde dat de roostervrije tijd gespreid over het jaar wordt vastgesteld, in halve of hele dagen. Artikel 40a is van toepassing. In dit geval, zijn van dit artikel de leden 3b, 4, de eerste volzin, 7b, de tweede en derde volzin, alsmede artikel 35a niet van toepassing.

  • 9. Een onderneming die, met inachtneming van het in het vorige lid bepaalde, alle collectieve roostervrije dagen vaststelt, kan ook de ten behoeve van de wintersluiting collectief vastgestelde verplichte snipperdagen overeenkomstig het vorige lid vaststellen.

Artikel 35a Collectieve wintersluiting 2000

  • 1.

    • a. Er is een collectieve wintersluiting voor de gehele bedrijfstak rondom Kerstmis en Nieuwjaar.

    • De collectieve wintersluiting 2000 valt van 22 december 2000 tot en met 5 januari 2001 waarbij 3, 4 en 5 januari 2001 zijn aangewezen als verplichte snipperdagen conform artikel 34 lid 3.

    • b. In goed en vroegtijdig overleg kunnen de werkgever en de ondernemingsraad, en bij het ontbreken daarvan de werknemers die zich door een delegatie uit hun midden doen vertegenwoordigen, afspraken maken teneinde te komen tot een tweeweekse wintersluiting.

  • 2. De werkgever zal aan de werknemer over de bij hem opgebouwde collectieve roostervrije dag(en) van de wintersluiting het vast overeengekomen loon1 betalen. De werkgever is jegens de werknemer over deze roostervrije dag(en) eveneens verplicht te voldoen aan de bijdrage- en premieverplichtingen, zoals genoemd in de artikelen 28 lid 2, 29 lid 1.a. en 29.a. lid 1.b., jegens de werknemer.

  • 3. Indien en voor zover de werknemer, na toepassing van het in artikel 35 lid 6 bepaalde, onvoldoende rechten heeft opgebouwd voor de collectieve roostervrije dagen gedurende de wintersluiting als in lid 1 bedoeld, wordt de loonbetaling alsmede de bijdrage- en premieverplichtingen over de resterende roostervrije dagen als genoemd in de artikelen 28 lid 2, 29 lid 1.a. en 29.a. lid 1.b., in voorkomende gevallen als aanvulling op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, gewaarborgd door een daartoe strekkende garantieregeling.

  • 4. Indien de werknemer, overeenkomstig het in artikel 35 bepaalde, rechten heeft opgebouwd voor collectieve roostervrije dagen van de wintersluiting, doch de werkgever over deze collectieve roostervrije dagen zijn verplichtingen met betrekking tot het loon en/of de bijdrage- en premieverplichtingen als genoemd in de artikelen 28 lid 2, 29 lid 1.a. en 29.a. lid 1.b., niet nakomt, worden deze verplichtingen gewaarborgd door een daartoe strekkende garantieregeling, mits de werknemer kan aantonen:

    • het bestaan van de dienstbetrekking waaraan hij zijn aanspraken ontleent;

    • de omvang van zijn aanspraken jegens de garantieregeling uit die dienstbetrekking;

    • dat hij zijn werkgever schriftelijk ter nakoming van diens verplichtingen terzake (aangetekend) heeft aangemaand en in rechte heeft aangesproken.

    • Indien het uitvoeringsorgaan van de garantieregeling ingevolge het in dit lid bepaalde aan de werknemer een loondervingsuitkering verstrekt, verwerft dit orgaan jegens de werkgever een zelfstandig recht op invordering van de loonkosten over de dagen waarover de werknemer een loondervingsuitkering ontvangt.

  • 5. Ter financiering van de garantieregeling als bedoeld in lid 3 en lid 4 zullen partijen een besluit nemen, evenals ten aanzien van het in lid 4 bedoelde uitvoeringsorgaan.

Artikel 35b Scholing

  • 1. Werknemers hebben recht op gemiddeld 2 scholingsdagen per kalenderjaar met behoud van loon en bijbehorende bijdrageen premieverplichtingen als bedoeld in artikel 28 lid 2, 29 lid 1a en 29a lid 1b teneinde aldus in de gelegenheid te zijn tot het volgen van cursussen,

    • die verband houden met zijn huidige of toekomstige beroep bij een werkgever vallende onder de werkingssfeer van de CAO, èn

    • die door het bestuur van het Scholingsfonds zijn goedgekeurd.

  • Over het moment van opname van het scholingsverlof dient tussen werkgever en werknemer overeenstemming te bestaan.

  • 2. De werkgever is verplicht in zijn onderneming een opleidings- en scholingsbeleid te voeren. Per kalenderjaar dient de werkgever een scholingsplan vast te stellen. Hierbij wordt rekening gehouden met de wensen van de werknemers. Drie maanden voorafgaand aan de vaststelling van het scholingsplan worden werknemers daarvan in kennis gesteld. Indien en voor zover de werkgever geen gevolg aan deze verplichting geeft dan wel de individuele werknemer gedurende twee jaren niet in aanmerking is gekomen om een cursus in het belang van zijn functie te volgen, dan kan deze werknemer een zelfstandig recht op scholing doen gelden conform hetgeen omschreven in lid 1. Een verzoek tot scholing van de werknemer als bedoeld in de vorige volzin dient in alle gevallen gehonoreerd te worden.Het aanmelden voor de cursussen bij het opleidingsinstituut zal gebeuren via de vakbondsconsulenten c.q. regiomedewerkers of rayonbestuurders.

  • Werknemers die van bovengenoemd zelfstandig recht gebruik maken krijgen 100% van hun reis- en verletkosten vergoed krijgen uit het Scholingsfonds. Het Scholingsfonds vergoedt de cursuskosten en zal een vordering tegen de werkgever instellen.

  • 3. Met ingang van 1 januari 2000 wordt de premie voor het Scholingsfonds jaarlijks na advies van het Scholingsfondsbestuur door partijen vastgesteld. Dit betreft zowel de premie voor de verlet- en reiskosten als de premie voor de cursuskosten.

  • Werkgevers komen vanaf 1 januari 2000 in aanmerking voor een nominale vergoeding uit het Scholingsfonds voor de verleten reiskosten verbonden aan het volgen van de in lid 1 bedoelde cursussen.

  • Aan het SFB is door het Scholingsfonds de administratieve uitvoering van deze regeling opgedragen. De bijdrage is vastgesteld in de vorm van een percentage van het door de werkgever aan zijn werknemers, vallend onder deze CAO, uitbetaalde loon.

  • De bijdragegrondslag is het premieloon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen. Het SFB zal voorschotbetalingen vorderen.

Artikel 36 Bijzonder verlof

  • 3. Indien buitenlandse werknemers de wens te kennen geven verlof te willen nemen voor viering van religieuze niet-christelijke feestdagen, zal de werkgever hen daartoe zoveel mogelijk de gelegenheid geven.

  • 4. De werkgever is niet verplicht loonderving over de verlofdagen te vergoeden.

  • 5. Een werknemer heeft recht op onbetaald verlof ten behoeve van het naar Nederland halen van een adoptief kind, in aanvulling op artikel 33, lid 1e, mits daaromtrent overeenstemming bestaat met de werkgever.

Artikel 37 Vrijwillig vervroegde uittreding

  • 1. Werknemers, alsmede werknemers die in de periode van 3 maanden direct voorafgaande aan de uittredingsdatum werkloos zijn geworden, kunnen besluiten om ingaande de eerste dag van enige maand na het bereiken van de 60-jarige leeftijd vervroegd uit het arbeidsproces te treden indien deze dag valt vóór 1 mei 2000. Dit kan zowel volledig als gedeeltelijk. Een en ander met inachtneming van de wettelijke opzeggingstermijn en overeenkomstig de aan de CAO gehechte Voorwaarden vervroegde uittreding bouwbedrijf (bijlage 7).

  • 2. In afwijking van het in het voorgaande lid bepaalde kan de werknemer, alsmede de werknemer die in de periode van 3 maanden direct voorafgaande aan de uittredingsdatum werkloos is geworden, ingaande de eerste dag van enige maand na het bereiken van de 57-jarige leeftijd vervroegd uit het arbeidsproces treden indien deze dag valt vóór 1 mei 2000. Dit kan zowel volledig als gedeeltelijk. Dit indien hij voorafgaande aan de uittredingsdatum minimaal 40 jaar binnen de Europese Unie als werknemer in de zin van het BW werkzaam is geweest en gedurende 30 jaar actief deelnemer is geweest in het Bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid of een daarmee door partijen in het kader van de vrijstellingsregeling gelijkgestelde pensioenverzekering.

  • Voorts dient hij gedurende de laatste 4 jaar direct voorafgaande aan de uittredingsdatum, zonder onderbreking anders dan door arbeidsongeschiktheid of werkloosheid werkzaam te zijn geweest als werknemer in de zin van deze CAO. De wettelijke opzegtermijn en de aan deze CAO gehechte Voorwaarden vervroegde uittreding bouwbedrijf met uitzondering van hetgeen daar gesteld is in artikel 2 dienen in acht genomen te worden.

  • 3.

    • a. De werkgever is een premie verschuldigd voor de financiering van de uitvoering van lid 1 en lid 2 van dit artikel. Deze premie is verschuldigd aan de SFBgroep, hierna te noemen het SFB. Aan het SFB is door de Stichting Uittreden Bouwbedrijf de administratieve uitvoering van deze regeling opgedragen.

    • b. De premie wordt vastgesteld, overeenkomstig hetgeen hieromtrent bepaald is in het bijdrage-reglement van de Stichting Uittreden Bouwbedrijf.

    • c.

      • 1. Vanaf 1 januari 2000 tot 1 mei 2000 bedraagt de vut-premie 9,36%.

      • 2. De werknemersbijdrage in deze premie maakt deel uit van dit percentage. De werknemersbijdrage wordt ingehouden op het loon. Vanaf 1 januari 2000 tot 1 mei 2000 bedraagt de werknemersbijdrage 4,44%.

      • 3. Vanaf 1 januari 2000 tot 1 mei 2000 bedraagt de werkgeversbijdrage 4,92%.

  • 5. De werkgever is verplicht die loongegevens van het in de onderneming werkzame personeel, vallende onder deze CAO te verstrekken aan het SFB, welke het SFB noodzakelijk acht voor de jaarlijkse inning van de VUT-bijdrage.

HOOFDSTUK 12 COLLECTIEVE BELANGEN BOUWNIJVERHEID

Artikel 39 Financiering collectieve belangen bouwnijverheid

  • 1. De werkgever is voor iedere dag waarop de werknemer in zijn dienst arbeid verricht jegens hem gehouden tot het betalen van een bijdrage aan het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor de Bouwnijverheid.

  • 2. De bijdragen zijn door partijen met ingang van 1 januari 1999 als volgt vastgesteld:

Fonds1-1 t/m 30-6-19991-7 t/m 31-12-1999
 A-personeelB-personeelA-personeelB-personeel
A-fonds1,7941%1,7941%
A-fonds0,3580%0,5937%0,6283%0,5937%
C-fonds0,1650%0,1624%0,1650%0,1624%
  • De heffing wordt berekend over het premieloon Coördinatiewet Sociale Verzekeringen van werknemers

  • met een maximum van anderhalf maal het SV-dagloon.

  • 3. Onder A-personeel wordt in dit verband verstaan de werknemers bedoeld in artikel 1, lid 5, onder d. tot en met i. van deze CAO voor zover de CAO voor Uitvoerend, Technisch en Administratief personeel in de Bouwbedrijven van toepassing is. Onder B-personeel wordt in dit verband verstaan de werknemers als bedoeld in artikel 1, lid 5 onder a, b en c.

  • 4. De in lid 1 bedoelde bijdrage omvat heffingen voor:

    • a. De kosten van de vakopleiding, van andere opleidings- en beroepsscholingsprojecten en van daarmee verband houdende wetenschappelijke onderzoeken, alsmede kosten ten behoeve van de gezondheidszorg.

HOOFDSTUK 13 VAKBONDSACTIVITEITEN IN DE ONDERNEMING

Artikel 40 Vakbondsactiviteiten in de onderneming

Om contacten mogelijk te maken tussen de werknemersorganisaties en hun leden en tussen deze leden onderling, alsmede om de werknemersorganisaties in staat te stellen de leden van de ondernemingsraad in hun werk te ondersteunen, zijn partijen het volgende overeengekomen:

  • 1. De werknemersorganisaties kunnen elk uit de kring van hun leden binnen elke onderneming dan wel werkobject, dat daarvoor in aanmerking komt, een contactpersoon aanwijzen. Van deze aanwijzing wordt de werkgever mededeling gedaan.

  • 7. De werkgever draagt er zorg voor dat de contactpersoon niet vanwege zijn werkzaamheden in het kader van het vakbondswerk in de onderneming wordt benadeeld in zijn positie in de onderneming bijvoorbeeld ten aanzien van promotie of beloning.

Artikel 40a Bevoegdheden ondernemingsraad

In een onderneming met een ondernemingsraad kan een van deze CAO afwijkende regeling overeengekomen worden indien en voorzover in deze CAO de gelegenheid wordt geboden. In dit geval gelden, naast de bepalingen vastgelegd in de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) de volgende bepalingen:

  • 1. de werkgever dient met de ondernemingsraad overeenstemming te bereiken over de afwijkende regeling/bepaling. Indien geen overeenstemming wordt bereikt geldt de regeling/bepaling van deze CAO;

  • 2. de ondernemingsraad kan zich laten bijstaan door vakbondscontactpersonen als bedoeld in artikel 40, alsmede door externe vertegenwoordigers van organisaties, partij bij deze CAO;

  • 3. de duur van de afwijkende regeling/bepaling is maximaal gelijk aan de looptijd van deze CAO. De afwijkende regeling/bepaling kan niet stilzwijgend verlengd worden;

  • 4. de leden van de ondernemingsraad hebben tijdens werktijd aanspraak op minimaal 60 uren per jaar ten behoeve van onderling overleg en beraad met behoud van loon, alsmede aanspraak op minimaal 5 dagen per jaar ten behoeve van scholing en vorming met behoud van loon.

HOOFDSTUK 14 FUSIE, BEDRIJFSOVERDRACHT EN BEDRIJFSSLUITING

Artikel 41 Fusie

  • 1. Het bepaalde in dit artikel is – met gebruikmaking van artikel 15 lid 2 van het SER-besluit Fusiegedragsregels 1975 – alleen van toepassing wanneer in één van de bij de fusie betrokken, in Nederland gevestigde ondernemingen in de regel 75 personen of meer werkzaam zijn.

  • 2. De werkgever die met inachtneming van het bepaalde in lid 1 overweegt een fusie aan te gaan zal bij het nemen van zijn beslissingen de SER-fusiegedragsregels 1975 alsmede de bepalingen van dit artikel in acht nemen.

  • 3.

    • a. Indien de verwachting gewettigd is, dat de fusie wellicht doorgang zal vinden, zal de werkgever zowel de werkgeversorganisaties als de werknemersorganisaties daarvan in kennis stellen en deze kennisgeving zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigen.

    • b. Aansluitend hierop zal de werkgever de door hem overwogen maatregelen en de daaruit eventueel voor al de werknemers of een aanmerkelijk deel van de werknemers voortvloeiende gevolgen bespreken met zowel de werkgeversorganisaties als de werknemersorganisaties, waarbij voorts aandacht zal worden besteed aan het tijdstip en de wijze waarop het gehele personeel zal worden ingelicht.

  • 4. De werkgever zal de ondernemingsraad, voor zover aanwezig, in kennis stellen van het door hem voorgenomen besluit tot de fusie en daarbij een overzicht verstrekken van de beweegredenen voor het besluit, de te verwachten gevolgen voor de in de onderneming werkzame personen en de naar aanleiding daarvan voorgenomen maatregelen. Vervolgens zal de werkgever de ondernemingsraad in de gelegenheid stellen over het voorgenomen besluit advies uit te brengen.

  • 5. Met betrekking tot de in lid 3 sub a. en b. van dit artikel genoemde kennisgeving en bespreking zullen de werkgeversorganisaties en de werknemersorganisaties geheimhouding betrachten; deze geheimhouding zal duren tot een door betrokken partijen overeen te komen tijdstip. De in dit lid genoemde geheimhoudingsplicht laat onverlet de geheimhoudingsplicht van de ondernemingsraad, als opgenomen in artikel 20 van de Wet op de Ondernemingsraden.

  • 6. Bovenstaande bepalingen zijn niet van toepassing op tijdelijke bouwcombinaties.

Artikel 42 Bedrijfsoverdracht en bedrijfssluiting

  • 1. Hetgeen in de navolgende leden wordt bepaald, is alleen van toepassing op ondernemingen met in de regel tenminste 25 werknemers.

  • 2. De werkgever, die overweegt

    • zijn bedrijf over te dragen anders dan in de zin van een fusie danwel;

    • zijn bedrijf of bedrijfsonderdeel te sluiten, zal bij het nemen van zijn beslissing de sociale consequenties daarvan betrekken en de bepalingen van dit artikel in acht nemen.

  • 3.

    • a. In verband daarmee zal de werkgever, wanneer de verwachting gewettigd is dat de in lid 2 van dit artikel bedoelde overdracht of sluiting wellicht doorgang zal vinden, zowel de werkgeversorganisaties als de werknemersorganisaties onverwijld en bij voorkeur schriftelijk daarvan in kennis te stellen.

    • b. Aansluitend hierop zal de werkgever de door hem overwogen maatregelen en de daaruit eventueel voor alle werknemers of een aanmerkelijk deel van de werknemers voortvloeiende gevolgen bespreken zowel met de werkgeversorganisaties als met de werknemersorganisaties, waarbij voorts aandacht zal worden besteed aan het tijdstip en de wijze waarop het gehele personeel zal worden ingelicht.

  • 4. De werkgever zal de ondernemingsraad, voor zover aanwezig, in kennis stellen van het door hem voorgenomen besluit tot de in lid 2 van dit artikel genoemde overdracht of sluiting en daarbij een overzicht verstrekken van de beweegredenen voor het besluit, de te verwachten gevolgen voor de in de onderneming werkzame personen en de naar aanleiding daarvan voorgenomen maatregelen. Vervolgens zal de werkgever de ondernemingsraad in de gelegenheid stellen over het voorgenomen besluit advies uit te brengen.

  • 5. Met betrekking tot de in lid 3 sub a. en b. van dit artikel genoemde kennisgeving en bespreking zullen de werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties geheimhouding betrachten; deze geheimhouding zal duren tot een door betrokken partijen overeen te komen tijdstip. De in dit lid genoemde geheimhoudingsplicht laat onverlet de geheimhoudingsplicht van de ondernemingsraad, als opgenomen in artikel 20 van de Wet op de ondernemingsraden.

  • 6. Bovenstaande bepalingen zijn niet van toepassing op de beëindiging van een bouwobject en op een tijdelijke bouwcombinatie. Onder tijdelijke bouwcombinatie wordt verstaan een combinatie, welke voor één object wordt aangegaan.

Artikel 45 Werkgelegenheidsoverleg in de ondernemingen

  • 1. De werkgever is gehouden de volgende onderwerpen ter bespreking in de overlegvergadering in te brengen:

    • het jaarplan (toekomstverwachtingen ook ten aanzien van werkgelegenheid, orderportefeuille en investeringen);

    • de jaarrekeningen (evaluatie van het jaarplan);

    • het sociale beleid;

    • de werktijden (inclusief de arbeidstijdverkorting);

    • uitvoering onderhanden werken (inclusief onderaanneming).

  • 2. De leden van de ondernemingsraad kunnen de werknemersorganisaties betrekken in een overleg over de onderwerpen zoals genoemd in lid 1 van dit artikel.1

HOOFDSTUK 17 ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN

Artikel 46 Stichting Arbouw

  • 1. De werkgevers- en werknemersorganisaties zijn van mening dat de Stichting Arbouw van groot belang is voor de bedrijfstak. Partijen zullen de Stichting Arbouw medewerking verlenen bij de uitvoering van haar taak.

  • 2. Alle werknemers en werkgevers in de bouw hebben recht op de door de Stichting Arbouw, al dan niet door middel van derden, te verlenen voorlichting, informatie en onderzoek op het gebied van de veiligheid en de gezondheid in de bedrijfstak.

  • 3. Alle werknemers in de bouw hebben recht op het door de Stichting Arbouw vastgestelde, individu-gerichte pakket preventiezorg. Aan dit pakket wordt uitvoering gegeven door gecertificeerde arbodiensten die voldoen aan door de Stichting Arbouw te stellen kwaliteitseisen. Voor de inhoud van het individu-gerichte pakket preventiezorg wordt verwezen naar bijlage 9 bij deze CAO.

Artikel 46a Verplichte intredekeuring

  • 1. Het is de werkgever en de werknemer, die in het kader van de beoogde functie regelmatig uitvoerende werkzaamheden zal verrichten op de bouwplaats of indien het werk zware lichamelijke arbeid met zich meebrengt en/of de veiligheid van derden in het geding is in de werkplaats, verboden in de hieronder sub a., b. en c. genoemde situaties, een arbeidsovereenkomst schriftelijk aan te gaan, indien niet gelijktijdig, met gebruikmaking van het in aanhangsel F.b. van deze CAO opgenomen modelformulier, de uitslag van de in lid 3 genoemde intredekeuring uitwijst dat de werknemer geschikt is voor de beoogde functie.

  • De verplichte intredekeuring geldt indien:

    • a. een werknemer voor het eerst werknemer wordt in de zin van deze CAO;

    • b. een werknemer, na een eerder dienstverband bij een werkgever in de zin van deze CAO, gedurende een periode van drie jaar geen dienstverband heeft gehad bij een werkgever in de zin van deze CAO;

    • c. een werknemer, al dan niet met formeel behoud van dienstverband bij een werkgever in de zin van deze CAO, gedurende een aaneengesloten periode van langer dan drie jaar, feitelijk geen werkzaamheden heeft verricht.

  • 2. De in lid 1. bedoelde intredekeuring is niet vereist voor een arbeidsovereenkomst met een gehandicapte werknemer die onder begeleiding staat van een uitvoeringsinstelling en een arbodienst. En waarvoor afspraken bekend gemaakt dienen te worden.

  • 3. De in lid 1. bedoelde intredekeuring dient te worden uitgevoerd door een gecertificeerde arbodienst die voldoet aan door de Stichting Arbouw te stellen kwaliteitseisen. De uitslag van de keuring luidt: geschikt, geschikt onder voorwaarden of ongeschikt. Deze uitslag dient aan de werknemer en de werkgever bekend gemaakt te worden.

  • 4. Indien sprake is van geschiktheid onder voorwaarden en de werkgever tot aanstelling besluit, zal de arbeidsovereenkomst slechts tot stand komen indien over de aanstelling in een bepaalde functie met een uitvoeringsinstelling en arbodienst schriftelijk vastgelegde afspraken zijn gemaakt over hoe de voorwaarden zullen worden vervuld.

  • 5. Indien de werkgever niet overgaat tot aanstelling van een voorwaardelijk geschikt verklaarde zal hij dit melden bij de Commissie Arbeidsmarkt Bouwnijverheid in de regio.

  • 6. Indien de werknemer het op gefundeerde gronden niet eens is met de keuringsuitslag, kan hij de Stichting Arbouw verzoeken om een herkeuring te laten uitvoeren.

Artikel 47 Arbo- en verzuimbeleid

Iedere werkgever is verplicht bij de uitvoering van het wettelijk verplichte ondernemingsbeleid met betrekking tot arbo en verzuim tenminste uitvoering te geven aan hetgeen bij bijlage 10 is opgenomen.

Artikel 48 Bijzondere bepalingen

  • 1. Aan werknemers, werkzaam op bouwwerken waar gebruik wordt gemaakt van bouwkranen of andere hijsinstallaties alsmede aan werknemers grondborings- en buizenleggersbedrijf, welke zijn tewerkgesteld aan een boorstelling of werkzaam zijn in sleuven en putten, zullen door de werkgever veiligheidshelmen ter beschikking worden gesteld, die moeten voldoen aan de daarvoor gestelde voorschriften en die de werknemer verplicht is aldaar als hoofddeksel te dragen; bij ontbreken daarvan is het de werknemer verboden aldaar arbeid te verrichten. De werkgever dient op het object op een duidelijke en voor ieder zichtbare wijze aan te geven dat het dragen van helmen verplicht is. Iedere werknemer dient schriftelijk de ontvangst te bevestigen van de hem door de werkgever ter beschikking gestelde doch eigendom van de werkgever blijvende veiligheidshelm of ander veiligheidsmateriaal; hij dient voor het behoud daarvan zorg te dragen.

  • De werknemer die zonder veiligheidshelm werkzaamheden op bovengenoemde bouwwerken verricht kan door de werkgever de toegang tot het bouwwerk ontzegd worden.

  • 2. De werkgever zal in redelijk overleg met de werknemers in de onderneming dan wel op de bouwplaats uitvoeringsmaatregelen op het gebied van veiligheid en hygiëne treffen.

  • 3.

    • a. De werkgever zal maatregelen treffen opdat vanaf 1 september tot 1 mei op bouwwerken waar binnenwerk moet plaatsvinden, indien noodzakelijk, de betreffende ruimten zo goed mogelijk tochtvrij gemaakt kunnen worden.

    • b. Onder tochtvrij wordt verstaan dat de ruimten rondom met glas of ander materiaal zijn afgedicht.

  • 4. Het is niet toegestaan verpakkingseenheden cement of andere grondstoffen zwaarder dan 25 kilo op het werk te gebruiken.

  • 5. Metsel- en lijmblokken met een gewicht van 18 kilo of meer mogen slechts worden verwerkt met behulp van mechanische hulpmiddelen.

  • 6. Bouwkranen van 15 ton-meter of meer dienen voorzien te zijn van een cabine. De cabines voor kranen en grondverzetmachines dienen te voldoen aan het streefbeeld, opgesteld door de Stichting Arbouw dan wel aan de daarop afgestemde nieuwe NEN-normen.

  • 7. Het is werkgevers en werknemers niet toegestaan teer te verwerken, tenzij na advies van de Stichting Arbouw partijen daarvoor dispensatie verlenen.

  • 8. Het is werkgevers en werknemers niet toegestaan om asbest en asbesthoudende producten te bewerken of te verwerken. Voor sloop van asbesthoudende producten is een asbestsloopplan verplicht. Het vorenstaande is niet van toepassing voor werkzaamheden die uitgezonderd c.q. vrijgesteld zijn in het Asbestbesluit Arbeidsomstandigheden. Het verwerken van nieuwe asbestcementbuizen is verboden.

  • 9. De hoofdaannemer is verplicht voldoende keetruimte ter beschikking te stellen.

  • 10. Ingeval een analyserapport inzake bodemonderzoek is opgesteld, hebben werknemers die op de betrokken grond werkzaamheden moeten verrichten recht op inzage van dat rapport.

  • 11. De werknemer heeft het recht werkzaamheden met een sterk vervuilend karakter te weigeren, indien onvoldoende beschermende maatregelen zijn getroffen voor werknemer en/of omgeving.

  • 12. Bij bodemsanering en op opslagplaatsen van verontreinigde grond dient het basisdocument veiligheid en gezondheid bij bodemsanering van de Stichting Arbouw te worden toegepast.

  • 13. Bij gebouwen en woningen met een bouwhoogte van meer dan 15 meter boven het aansluitend terrein, dient een lift aanwezig te zijn voor het vervoer van personen.

  • 14. Ingeval bij het zetten van glooiingsstenen stenen dienen te worden verwerkt met een lengte van meer dan 30 centimeter dient de werknemer te beschikken over een hijsinstallatie, een zogenaamde driepoot.

  • 15. Ingeval tijdens werkzaamheden verricht op een bouwplaats in de GWW-sector gebruik wordt gemaakt van materieel zoals vrachtwagens, walsen en dergelijke zullen de uitlaatpijpen van dit soort voertuigen, voor zover die eigendom zijn van een werkgever die onder de Bouw-CAO valt, verticaal naar boven gericht zijn teneinde te bewerkstelligen dat de werknemers op de bouwplaats zo weinig mogelijk last van de uitgestoten uitlaatgassen zullen ondervinden.

  • 16. De werkgever zal bevorderen dat een werknemer die in het kader van hijswerkzaamheden lasten aanslaat, danwel daartoe aanwijzingen geeft door middel van armseinen, een hiertoe bestemde cursus in het kader van artikel 35b heeft gevolgd.

  • 17. Wegwerkers zijn verplicht vóór 1 januari 2001 een cursus veilig werken te volgen ingevolge artikel 35b vooraleer zij worden toegelaten tot wegwerkzaamheden.

  • 18. Torenkranen met een bouwjaar na 1992 (volgens Kraanboek) met een klimhoogte naar de cabine van 30 meter of meer, dienen te zijn voorzien van een transportplatform. In overleg met de Commissie Materieel wordt gekeken naar de bezwaren om ook de overige torenkranen per 1 januari 2000 onder de regeling te brengen. Met Comat wordt ook bekeken hoe de naleving van deze afspraken gestalte kan krijgen.

  • 19. Met ingang van 1 januari 2000 is er een verbod op het gebruik van oplosmiddelrijke producten in afgesloten ruimtes of bij binnenwerk, in verband met het Organisch Psycho Syndroom-gevaar.

Artikel 48a Veiligheid verschoven arbeidstijden GWW

Voor zover werkzaamheden als bedoeld in artikel 15a worden uitgevoerd in de avond en nacht dient daarbij in acht genomen te worden:

  • a. dat tijdens nachtvorst geen werkzaamheden zullen worden verricht;

  • b. dat zonder veiligheidsvesten geen wegwerkzaamheden mogen worden verricht;

  • c. dat bij wegwerkzaamheden waarbij het verkeer kan voortgaan, uitsluitend wegafbakeningssystemen zijn toegestaan die het te bewerken weggedeelte in zijn geheel afzetten;

  • d. dat voor aanvang van het werk de veiligheidsvoorschriften aan de werknemers worden verstrekt en mondeling toegelicht.

HOOFDSTUK 19 SLOTBEPALING

Artikel 50 Dispensatie

  • 1. Partijen zijn gezamenlijk bevoegd, zo nodig onder het stellen van nadere voorwaarden, afwijking toe te staan van een of meer bepalingen van deze CAO.

  • 2. Een dispensatieverzoek wordt alleen in behandeling genomen indien dit verzoek minimaal 7 dagen voordat de beoogde afwijking van een CAO-bepaling feitelijk aanvangt, is ingediend.

  • 3. Van lid 2 kan slechts worden afgeweken als verzoeker aan kan tonen dat het eerder indienen van een dergelijk verzoek niet mogelijk was.

  • 4. Partijen zullen binnen drie weken na ontvangst van het dispensatieverzoek een uitspraak aan de indiener kenbaar maken. Een dispensatieverzoek wordt gehonoreerd indien partijen tot een eensluidend standpunt zijn gekomen.

  • 5. Een dispensatieverzoek dient te worden gericht aan:

  • Partijen bij de CAO voor het Bouwbedrijf

  • T.a.v. de secretaris1

  • 6. Aan branches en sectoren kan door CAO-partijen een afwijking van een of meerdere bepalingen van deze CAO worden toegestaan indien over deze afwijking overeenstemming is bereikt met werknemersorganisaties, partij bij deze CAO.

BIJLAGE 1 Functielijst

De functielijst is in 1981 tot stand gekomen. De indeling van functies in de groepen A tot en met E is gebaseerd op functie-eisen met betrekking tot opleiding, ervaring, veiligheid en gezondheid, belastende fysieke arbeidsomstandigheden, leiding geven en de mate waarin zelfstandig beslissingen genomen moeten worden.

Bij het aangaan van een dienstverband dienen werkgever en werknemer gezamenlijk na te gaan wat de aard van de te verrichten werkzaamheden zal zijn.

Aan de hand van deze analyse wordt de werknemer ingedeeld in de juiste functie, en de daarbij behorende functiegroep vastgesteld.

Wanneer een werknemer een functie vervult, welke niet in de functielijst voorkomt, kan partijen worden verzocht uitspraak te doen inzake de indeling van deze werknemer.

In afwachting van deze uitspraak wordt de werknemer voorlopig ingedeeld in de functiegroep, waarin naar het oordeel van de werkgever vergelijkbare functies zijn opgenomen (artikel 17 lid 3).

De vermelding van het romeinse cijfer I, II of III achter de functienaam heeft betrekking op het niveau van de functie in de desbetreffende functiefamilie. Tot een functiefamilie behoren functies uit eenzelfde vakgebied.

GROEP A

  • 1.

    • Asfalteerder buisleidingen.

    • Het aanbrengen van bekledingsmateriaal op buisverbindingen en armaturen alsmede het repareren van beschadiging aan bestaande bekledingen volgens de daarvoor geldende voorschriften.

  • 2.

    • Assistent springmeester.

    • Het onder verantwoordelijkheid en toezicht van de springmeester verrichten van alle voorkomende springwerkzaamheden. De werknemer die deze functie vervult moet tenminste 18 jaar zijn en voldoende op de hoogte zijn van de gevaren die aan het werken met springstof en ontstekingsmiddelen zijn verbonden.

  • 3.

    • Bakschipper.

    • Het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het varen op en verankeren van gesleepte bakken en dekschuiten.

  • 4.

    • Bediener van een portaal- of loopkatkraan.

    • Het door middel van knoppen op een bedieningspaneel bedienen van een eenvoudige portaal- of loopkatkraan.

  • 5.

    • Bouwvakhelper.

    • Het verrichten van eenvoudige werkzaamheden in de sectoren burger-, utiliteits-, grond-, water-, spoor- en wegenbouw, waarvoor geen speciale kennis is vereist.

  • 6.

    • Buisleidingenlegger III.

    • Het onder leiding van de buisleidingenlegger I verrichten van werkzaamheden verband houdend met het leggen, verbinden en repareren van ondergrondse buisleidingen.

  • 7.

    • Heier II.

    • Het behulpzaam zijn bij het opstellen, verplaatsen, bedrijfsklaar houden, strijken en vervoeren van de stelling alsmede het behulpzaam zijn bij het verrichten van diverse werkzaamheden bij en onder de heistelling.

  • 8.

    • Kabelwerker.

    • Het verrichten van alle werkzaamheden verbonden aan het leggen en afdichten van kabels of het aanbrengen van bovengrondse kabels.

  • 9.

    • Leerling machinist hei-installatie of funderingsinstallatie.

    • Het behulpzaam zijn bij werkzaamheden van de machinist van een hei-installatie of funderingsinstallatie zoals bijvoorbeeld schroef- en boorpalenstelling, groutankermachine enzovoorts.

  • 10.

    • Magazijnbediende.

    • Het beheren van een eenvoudig magazijn op een object of het behulpzaam zijn van de magazijnmeester met het opbergen en uitgeven van magazijnartikelen, het verrichten van eenvoudige reparaties aan gereedschappen.

  • 11.

    • Monteur bronbemalingsinstallaties III.

    • Het onder leiding van de monteur bronbemalingsinstallaties I installeren en na gebruik wederom verwijderen van bronbemalingsinstallaties en het verrichten van hiervoor noodzakelijke bijkomende werkzaamheden.

  • 12.

    • Sondeerassistent II.

    • Het assisteren bij het opstellen en bedienen van apparatuur voor het uitvoeren van technisch bodemonderzoek.

  • 13.

    • Vorkheftruckbestuurder.

    • Het bedienen van een vorkheftruck en het verrichten van het dagelijks onderhoud daaraan.

  • 14.

    • Wegmarkeerder III.

    • Het verrichten van eenvoudige hulpwerkzaamheden, waarvoor geen speciale kennis vereist is, rond het aanbrengen van alle voorkomende markeringswerkzaamheden.

GROEP B

  • 15.

    • Asfaltafwerker.

    • Het verrichten van alle werkzaamheden bij het lossen, spreiden en profileren van asfaltspecie bij de aanleg van verhardingen ten behoeve van wegen, taluds en dijken en de goede afwerking daarvan. Hiervoor is minimaal drie jaar ervaring vereist.

  • 16.

    • Assistent bankwerker lasser.

    • Het verrichten van las- en/of bank- en/of smeedwerkzaamheden alsmede het assisteren bij constructiewerkzaamheden.

  • 17.

    • Bediener van een betonmenginstallatie.

    • Het mengen van grondstoffen voor de diverse betonsamenstellingen in de juiste verhoudingen met behulp van eenvoudig te transporteren betonmenginstallatie en het verrichten van het dagelijks onderhoud daaraan.

  • 18.

    • Betonwerker II.

    • Het verrichten van alle voorkomende werkzaamheden bij de fabricage van betonelementen, het afwerken van betonconstructies inclusief het aanbrengen van slijtlagen, alsmede het verrichten van technisch niet ingewikkelde reparaties aan deze constructies en elementen.

  • 19.

    • Boorassistent.

    • Het assisteren bij het bedienen van boorinstallaties voor het uitvoeren van grondboringen en het maken van pompputten dan wel het bedienen van boorinstallaties voor het uitvoeren van technisch niet ingewikkelde grondboringen en pompputten.

  • 20.

    • Buisleidingenlegger II.

    • Het verrichten van werkzaamheden verband houdende met het leggen en verbinden van hoofd- en dienstleidingen alsmede het verrichten van reparatie aan al of niet onder druk staande leidingen, een en ander met uitzondering van autogenisch en elektrisch laswerk.

  • 21.

    • Buizensteller.

    • Het op juiste hoogte, onderlinge afstand en in de juiste richting stellen van buizen.

  • 22.

    • Chauffeur III.

    • In het bezit van wettelijk rijbewijs. Het vervoeren van goederen en materieel met een auto of vrachtauto waarvan het ledig gewicht, vermeerderd met het laadvermogen niet meer bedraagt dan 7500 kg. Werkt mee aan het laden en lossen en is verantwoordelijk voor een juiste belading. Heft kleine storingen op en verricht het dagelijks onderhoud aan dit voertuig overeenkomstig de bedrijfsinstructies.

  • 23.

    • Dakdekker II.

    • Het volgens aanwijzingen zelfstandig uitvoeren van de meest voorkomende dakdekkerswerkzaamheden, ongeacht het soort bedekking.

  • 24.

    • Palenboorder/Funderingswerker II.

    • Het onder toezicht en conform aanwijzingen uitvoeren van werkzaamheden welke betrekking hebben op het boren en vullen van palen en op funderingstechnieken, anders dan heien. Hieronder begrepen werkzaamheden verband houdende met diepwanden, groutankers, groutankerpalen, verdichten en schroef- en boorpalen etcetera.

  • 25.

    • Gevelbekleder lasser (aluminiumgevels).

    • Het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met de maatvoering en het uitrichten van al het aluminiumwerk in gevels en dergelijke.

  • 26.

    • Grondwerker wegenbouw.

    • Het verrichten van alle voorkomende grondwerkzaamheden, alsmede het afwerken van bermen, taluds en aardebanen, waarvoor minimaal twee jaar ervaring in de sector wegenbouw is vereist.

  • 27.

    • Heier I.

    • Het verrichten van onderhoud en controle op onderdelen in de top van de heistelling. Het opstellen van de stelling compleet met hei- of trilblok, het plaatsen van de heibuis, paal of damwand op de juiste plaats. Bij geheide in de grond gevormde palen, het vullen van de heibuis met betonspecie, het afhangen van de wapening en het gereed maken voor het trekken van de heibuis.

  • 28.

    • Isoleerder.

    • Het zelfstandig verrichten van isolatiewerkzaamheden aan bestaande gebouwen door het mechanisch inbrengen van vulstoffen in spouwmuren. Het onderhouden van de voor deze werkzaamheden benodigde apparatuur en gereedschappen.

  • 29.

    • Kabellasser II.

    • Het maken van diverse kabelverbindingen en het waterdicht maken van deze verbindingen.

  • 30.

    • Kitter.

    • Het in het werk aanbrengen van de juiste kitten en primers op diverse ondergronden.

  • 31.

    • Kozijnmonteur.

    • Het plaatsen, richten, vastzetten en afdichten van kozijnen in gevelelementen.

  • 32.

    • Kraanbestuurder.

    • Het zelfstandig verrichten van werkzaamheden verband houdende met het bedienen van een eenvoudige bouwkraan, waarvoor geen bewijs van deskundigheid of speciale vakkennis is vereist, alsmede het verrichten van onderhoudswerkzaamheden.

  • 33.

    • Machinaal houtbewerker bouwplaats.

    • Het verrichten van eenvoudige houtbewerkingen op de bouwplaats.

  • 34.

    • Machinist eenvoudig bedienbaar materieel.

    • Het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het bedienen en het dagelijks onderhoud van motorisch aangedreven en/of voortbewogen eenvoudig bedienbaar materieel, waarvoor door opleiding en ervaring geen bijzondere vakopleiding vereist is, zoals eenvoudig bedienbare graafmachines, handtrilwalsen, smalspoorlocomotieven enzovoorts.

  • 35.

    • Machinist ketelhuis.

    • Het bedienen en bedrijfsklaar houden van de fabrieksketelhuisinstallatie en het verrichten van eenvoudige reparaties.

  • 36.

    • Machinist verdichtingen.

    • Het bedienen en onderhouden van de verdichtingsinstallatie en de daarbij behorende mobiele hijsinrichting.

  • 37.

    • Malleninstallateur.

    • Het monteren en demonteren van mallen met daarbij behorende werkzaamheden.

  • 38.

    • Matroos motordrijver.

    • Het assisteren bij het varen met sleepboten of andere door motorkracht voortbewogen schepen, voor zover deze vaartuigen een waterverplaatsing van meer dan 25 ton hebben; het smeren van motoren, lieren en pompen en het verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan genoemde vaartuigen zowel aan dek als in de machinekamer overeenkomstig de bedrijfsinstructies.

  • 39.

    • Mechanisch stamper.

    • Het op dichtheid stampen van opgevulde sleuven tot op de juiste hoogte met behulp van een mechanische stamper, alsmede het zelfstandig verrichten van het dagelijks onderhoud en het uitvoeren van kleine reparaties aan de stamper.

  • 40.

    • Metselaar II.

    • Het op aanwijzing van een vakman verrichten van eenvoudig schoon metselwerk. Het zelfstandig verrichten van vuil metselwerk, voegen raapwerk.

  • 41.

    • Molenbaas.

    • Het verrichten van alle werkzaamheden verbonden aan het installeren en bedienen van een betonmolen alsmede het dagelijks onderhoud.

  • 42.

    • Monteur bronbemalingsinstallaties II.

    • Het al dan niet aan de hand van tekeningen zelfstandig installeren van technisch niet ingewikkelde bronbemalingen.

  • 43.

    • Opperman.

    • Het verrichten van alle werkzaamheden verbonden aan het mengen van grondstoffen voor het verkrijgen van metselspecie in de juiste verhoudingen met behulp van een eenvoudig te transporteren en te bedienen metselspeciemenginstallatie en het verrichten van het dagelijks onderhoud daarvan. Het aanvoeren van metselspecie en stenen ten behoeve van metselwerkzaamheden op de bouwplaats. Het eventueel verlenen van hand- en spandiensten op de bouwplaats.

  • 44.

    • Opperman bestratingen.

    • Het verrichten van alle voorkomende werkzaamheden verband houdende met bestratingswerkzaamheden, zoals het grondwerk en het aanvoeren van stenen, blokken en trottoirbanden.

    • Voor zover de werknemer prestatietoeslag als bedoeld in artikel 21 lid 1 en lid 2 ontvangt zal deze worden verlaagd met een bedrag respectievelijk percentage corresponderend met de uit de onderhavige plaatsing in functiegroep B voortvloeiende verhoging van het garantieloon. Artikel 21 lid 4 is op deze verhoging van het garantieloon niet van toepassing.

  • 45.

    • Opperman-steigermaker.

    • Het maken van normale steigers, het maken van specie en het zorgen voor de materiaalvoorziening ten behoeve van metselaars.

  • 46.

    • Schilder II.

    • Het verrichten van eenvoudige schilderswerkzaamheden en het verlenen van hulp bij de uitvoering van minder eenvoudige schilderswerkzaamheden of het ontroesten (bikken en gritstralen), meniën, gronden en afschilderen van constructies, werktuigen en materieel.

  • 47.

    • Sloper II.

    • Het onder toezicht van sloper I verrichten van alle voorkomende sloopwerkzaamheden en het behulpzaam zijn bij het onderhouden van machines en gereedschappen.

  • 48.

    • Sondeerassistent I.

    • Het zelfstandig maken van technisch niet ingewikkelde sonderingen en proefboringen, alsmede het assisteren bij gecompliceerde sonderingen en proefboringen.

  • 49.

    • Spanmonteur.

    • Het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het voor- en naspannen van kabels ten behoeve van betonconstructies.

  • 50.

    • Spoorlegger-wisselbouwer II.

    • Het onder leiding leggen, bouwen, opbreken en onderhouden van normaalspoor en wissels.

  • 51.

    • Springmeester II.

    • Het voorbereiden en met behulp van springstoffen uitvoeren van sloopwerk aan bouwwerken of delen daarvan alsmede het verzorgen van aanvoer, opslag, gebruik en afvoer van de voor deze springwerken geëigende materialen en apparatuur. Een en ander met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke voorschriften. Om deze functie te mogen vervullen moet de werknemer tenminste 21 jaar oud en in het bezit van het door de Arbeidsinspectie erkende basisdiploma springmeester zijn.

  • 52.

    • Stelleur II.

    • Het verrichten van alle voorkomende werkzaamheden bij het aanvoeren, stellen en monteren van elementen op de bouwplaats en het assisteren van de stelleur I.

  • 53.

    • Straatmaker II.

    • Het verrichten van alle voorkomende eenvoudige bestratingswerkzaamheden.

  • 54.

    • Timmerman II.

    • Het aan de hand van tekeningen en op aanwijzingen van een vakman maken en stellen van de meest voorkomende bekistingen en verrichten van technisch niet ingewikkelde stel- en timmerwerkzaamheden.

  • 55.

    • Transportwerker.

    • Het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het laden, lossen, opslaan en transporteren van elementen en materialen en de regeling daarvan.

  • 56.

    • Voeger.

    • Het met handgereedschap of mechanische hulpmiddelen verrichten van alle voorkomend voegwerk en de daarbij behorende werkzaamheden.

  • 57.

    • Wegmarkeerder II.

    • Het onder leiding van een wegmarkeerder I met behulp van mechanische hulpmiddelen aanbrengen van wegmarkeringen zoals verkeersstrepen en figuraties. Het behulpzaam zijn bij alle noodzakelijke werkzaamheden, zoals het uitzetten van markeringen, het plaatsen en in stand houden van wegafzettingen, het aanbrengen van verkeerspunaises en voorgevormde plakstrepen, het afstrooien met parels en/of krijt van wegmarkeringen.

  • 58.

    • IJzervlechter II.

    • Het verrichten van buig- en ijzervlechtwerkzaamheden en het behulpzaam zijn bij het in het werk brengen van het vlechtwerk.

GROEP C

  • 59.

    • Betonwerker I.

    • Het zelfstandig verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het boren, zagen, injecteren dan wel repareren van beton, alsmede het bedienen en onderhouden van de voor deze werkzaamheden benodigde machines en gereedschappen.

  • 60.

    • Betonspuiter.

    • Het zelfstandig hanteren van hogedrukpistool, kruipslang/lans en dergelijke van een hogedrukinstallatie.

  • 61.

    • Boormeester II.

    • Het met behulp van boorinstallaties zelfstandig maken van grondboringen en het in samenhang met de doorboorde aardlagen afwerken hiervan tot pompput.

  • 62.

    • Chauffeur II.

    • In bezit van wettelijk rijbewijs en bewijs van vakbekwaamheid ingevolge Rijtijdenbesluit 1977 tenzij daarvoor dispensatie is verleend. Heeft minimaal 2 jaar ervaring. Voert normale transporten uit met behulp van alle soorten vrachtauto's (inclusief vrachtautocombinaties en dergelijke). Werkt mee aan het laden, lossen en is verantwoordelijk voor de belading. Heft kleine storingen op en verricht het dagelijks onderhoud aan de vrachtauto, overeenkomstig de bedrijfsinstructies.

  • 63.

    • Dakdekker I.

    • Het zelfstandig verrichten van alle bij het dakdekken voorkomende werkzaamheden en zonodig geven van instructies aan dakdekker II.

  • 64.

    • Elektromonteur II.

    • Het assisteren bij of onder toezicht verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de aanleg, het onderhoud en het herstel van elektrische geleidingen, alsmede het opheffen van eenvoudig te lokaliseren storingen aan elektrische apparatuur.

  • 65.

    • Kabellasser I.

    • Het zelfstandig verrichten van alle werkzaamheden, verband houdende met het maken van kabelverbindingen, zoals het monteren en ombouwen van aansluitingen voor hoog- en laagspanning, telefoon en centrale antenne-inrichtingen. Hiervoor is op basis van opleiding en/of ervaring een bijzondere vakbekwaamheid vereist.

  • 66.

    • Lasser buisleidingen.

    • Het verrichten van alle voorkomende laswerkzaamheden aan buisleidingen, zowel boven als ondergronds.

  • 67.

    • Machinaal metaalbewerker II.

    • Het op aanwijzing, zonodig volgens tekening vervaardigen van machineonderdelen met behulp van metaalbewerkingsmachines (zoals draaibank, freesmachine, sterkarmschaafbank, radiaalboormachine) enzovoorts.

  • 68.

    • Machinemonteur II.

    • Het opheffen van eenvoudig te lokaliseren storingen bij de in het bouwbedrijf in gebruik zijnde machines en/of voertuigen en het assisteren en onder toezicht verrichten van reparatie- en revisiewerkzaamheden daaraan.

  • 69.

    • Machinist kleine hei-installatie of funderingsinstallatie.

    • Het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het bedienen en dagelijks onderhouden van kleine hei-installaties niet werkend met een valblok, waarvan de capaciteit niet meer bedraagt dan 35 kNm (3,50 tonmeter), of het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het dagelijks bedienen en onderhouden van kleine funderingsinstallaties zoals bijvoorbeeld schroef- en boorpalenstelling, groutankermachine, enzovoorts.

  • 70.

    • Machinist kettingsleuvengraafmachine.

    • Het op juiste diepte en in de juiste richting machinaal graven van sleuven voor kabels en buizen, alsmede het zelfstandig verrichten van dagelijks onderhoud en het uitvoeren van kleine reparaties aan de sleuvengraver.

  • 71.

    • Monteur steigers II.

    • Met inachtneming van de geldende veiligheidsvoorschriften en bedrijfsinstructies, het aan de hand van tekeningen of volgens aanwijzingen zelfstandig uitvoeren van een technisch niet ingewikkelde steigerconstructie, alsmede het onder leiding uitvoeren van alle soorten steiger- en ondersteuningsconstructies op iedere voorkomende hoogte.

  • 72.

    • Palenboorder/Funderingswerker I.

    • Het verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het boren en vullen van palen en met funderingstechnieken.

  • 73.

    • Remmingwerker.

    • Het maken, afwerken en repareren van remmingwerken.

  • 74.

    • Rijswerker.

    • Het verrichten van alle voorkomende werkzaamheden voor het maken van rijsbeslag en zinkwerken.

  • 75.

    • Sloper I.

    • Het verrichten van alle voorkomende sloopwerkzaamheden met inbegrip van het zagen, boren en branden en het onderhouden van de voor deze werkzaamheden benodigde machines en gereedschappen.

  • 76.

    • Sondeermeester II.

    • Het zelfstandig maken van sonderingen en de proefboringen en het vastleggen van de verzamelde gegevens.

  • 77.

    • Spoorlegger-wisselbouwer I.

    • Het zelfstandig leggen, vernieuwen, opbreken, onderhouden en repareren van sporen en wissels.

  • 78.

    • Stelleur I.

    • Het stellen en monteren van elementen op de bouwplaats, het zorgen voor de juiste maatvoering en het geven van aanwijzingen aan assistenten.

  • 79.

    • Stortbaas (natte stort).

    • Het meewerken aan alle werkzaamheden welke voorkomen op het natte stort en het houden van toezicht op de werknemers die hem daarbij assisteren, alsmede het aflezen van de hoogte van het stort met behulp van een waterpastoestel.

  • 80.

    • Tegelzetter.

    • Het zelfstandig verrichten van alle bij het tegelzetten voorkomende werkzaamheden.

  • 81.

    • Vakman GWW.

    • Het in de sector grond-, water-, spoor- en wegenbouw verrichten van minder eenvoudige werkzaamheden zoals: aan de hand van tekeningen of op aanwijzing uitzetten naar richting en hoogte van onder andere rioleringen, verhardingen en grondwerken; inritsen, afwerken en bekleden van taluds; leggen van rioolbuizen en het stellen van duikerelementen; zelfstandig repareren van wegen; op juiste diepte en afschot brengen van sleufbodems; dichten van sleuven; stellen van stalen bekistingsrails; snoeien van bomen; bedienen van hulpwerktuigen en het verrichten van kleine reparaties daaraan.

  • 82.

    • Wegmarkeerder I.

    • Het zelfstandig – zonodig aan de hand van tekeningen – uitzetten en met behulp van mechanische hulpmiddelen aanbrengen van wegmarkeringen zoals verkeersstrepen en figuraties. Het treffen van alle noodzakelijke verkeersmaatregelen. Het verrichten van onderhoudswerk en het verhelpen van kleine storingen aan de mechanische hulpmiddelen. Het geven van leiding aan de bij de werkzaamheden betrokken werknemers en het bijhouden van de werkadministratie (productie-opnamen en dergelijke).

GROEP D

  • 83.

    • All-round lasser buisleidingen.

    • Het zelfstandig verrichten van alle laswerkzaamheden onder strenge keur aan hogedrukleidingen zowel boven- als ondergronds.

  • 84.

    • Balkman.

    • Het bedienen van de verwarmde strijkbalk op een asfaltafwerkmachine bij het spreiden, profileren en afwerken van asfalt. Het in voorkomende gevallen vervangen van de machinist groot materieel. Voor deze functie is op basis van opleiding en/of ervaring een bijzondere vakbekwaamheid vereist.

  • 85.

    • Bankwerker/lasser.

    • Het zelfstandig verrichten – zonodig aan de hand van tekeningen – van alle voorkomende las- en/of bank- en/of constructiewerkzaamheden.

  • 86.

    • Boormeester I.

    • Het met behulp van boorinstallaties zelfstandig maken van grondboringen, volgens meerdere gebruikelijke boorsystemen al of niet met toepassing van boorspoelingen en het in samenhang met de doorboorde aardlagen afwerken hiervan tot pompput.

  • 87.

    • Boormeester palen.

    • Het volgens tekening en/of aanwijzing verrichten van alle voorkomende werkzaamheden, zoals het construeren en aanbrengen van de verankering en belasting, het opstellen en bedienen van de vijzel(s), het uitpulsen van de paalkoker, het slaan van de betonnen voet en het vullen van de paal met betonspecie.

  • 88.

    • Buisleidingenlegger I.

    • Het zelfstandig verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met leggen, verbinden en repareren van leidingen (uitgezonderd laswerk), waarbij tevens leiding wordt gegeven aan andere daarbij betrokken werknemers en de bijbehorende administratie wordt verricht.

  • 89.

    • Chauffeur I.

    • In het bezit van wettelijk rijbewijs en bewijs van vakbekwaamheid ingevolge Rijtijdenbesluit 1977 tenzij daarvoor dispensatie is verleend. Heeft minimaal 5 jaar ervaring overeenkomend met de functie van chauffeur. Voert met alle soorten vrachtauto's (inclusief vrachtautocombinaties en dergelijke) speciale transporten uit zoals van groot materieel/materiaal, van verontreinigde grond en andere vracht, alsmede zonodig normale transporten. Werkt mee aan het laden en lossen en is verantwoordelijk voor de lading. Heft kleine storingen op en verricht het dagelijks onderhoud aan de vrachtauto, overeenkomstig de bedrijfsinstructies.

  • 90.

    • Dakloodgieter

    • Het zelfstandig verrichten van alle bij het dakdekken voorkomende loodgieterswerkzaamheden, waaronder het aanbrengen van zinken daken en goten en HWA-afvoeren.

  • 91.

    • Elektromonteur I.

    • In het bezit van het diploma sterkstroom uitgereikt door VEV. Het zelfstandig aan de hand van schema's en/of tekeningen installeren, onderhouden en repareren van elektrische installaties en apparaten.

  • 92.

    • Machinist Torenkranen.

    • Het zelfstandig verrichten van werkzaamheden verband houdende met het bedienen van een bouwkraan, alsmede het opsporen en opheffen van storingen, het verrichten van onderhoudswerkzaamheden en eenvoudige reparaties, overeenkomstig de bedrijfsinstructies. Het wettelijk voorgeschreven bewijs van deskundigheid is vereist.

  • 93.

    • Machinaal metaalbewerker I.

    • Het zelfstandig, eventueel volgens tekening, vervaardigen van machine-onderdelen of constructies met behulp van de gebruikelijke metaalbewerkingsmachines. Zonodig het reviseren/repareren van machines of repareren van constructies.

  • 94.

    • Machinemonteur I.

    • Het opsporen en opheffen van alle voorkomende storingen bij de in het bouwbedrijf in gebruik zijnde machines en/of voertuigen alsmede het verrichten van reparatie- en revisiewerkzaamheden daaraan. Geeft in voorkomende gevallen leiding aan de werkzaamheden van de machinemonteur II.

  • 95.

    • Machinist wegenbouw-, grondverzet-, graaf- en spoorwegbouwmachines.

    • Het zelfstandig verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het bedienen en dagelijks onderhoud van wegenbouw-, grondverzet-, graaf- en spoorwegbouwmachines waarvoor op basis van opleiding en/of ervaring een bijzondere vakbekwaamheid is vereist. Ook het verrichten van sloop en/of opruimwerkzaamheden met behulp van deze machines valt hieronder.

  • 96.

    • Machinist mobiele hei-installatie of funderinginstallatie.

    • Het zelfstandig verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het bedienen en onderhouden van hei-installaties, niet werkende met een valblok, of funderingsinstallaties (zoals bijvoorbeeld schroefpalen- en boorpalenstelling, enzovoorts) waarvoor op basis van opleiding en/of ervaring een bijzondere vakbekwaamheid is vereist.

      NB: Indien tevens gefungeerd wordt als heibaas, dan is de beloning conform die van de heibaas.

  • 97.

    • Machinist mobiele kraan.

    • Het zelfstandig verrichten van alle werkzaamheden verband houdende met het bedienen en onderhouden van een mobiele kraan. Hiervoor is op basis van opleiding en/of ervaring een bijzondere vakbekwaamheid vereist. Het lokaliseren van storingen en het verrichten van kleine reparaties aan de machine zelf, de motor en de hydraulische pneumatische en elektrische systemen overeenkomstig de bedrijfsinstructie. Het in alle situaties kunnen beoordelen van de juiste en veilige opstelling van de kraan. Het rijden met de kraan over de openbare weg.

  • 98.

    • Menger.

    • Het zelfstandig verrichten van alle technische en toezichthoudende werkzaamheden verband houdende met het bedienen van een menginstallatie van een betoncentrale of asfaltcentrale.

  • 99.

    • Metselaar I.

    • Het zelfstandig verrichten en repareren van alle soorten metselwerk, voegwerk en eenvoudig raapwerk; het leggen of herstellen van rioleringen alsmede herstellen of vernieuwen van tegelvloeren, wanden of pannendaken.

  • 100.

    • Modelmaker/mallenbouwer.

    • Het aan de hand van tekeningen zelfstandig verrichten van alle voorkomende werkzaamheden verbonden aan de nieuw- en verbouw, onderhoud en reparatie, van mallen respectievelijk maltafels en/of lijsten ten behoeve van de fabrieksmatige productie van elementen voor de industriële bouw. De betrokken werknemer is daarbij verantwoordelijk voor een exacte maatvoering.

  • 101.

    • Monteur bronbemalingsinstallaties I.

    • Het zelfstandig installeren en boren van alle voorkomende bronbemalingen, alsmede het leidinggeven aan andere daarbij betrokken werknemers en het verrichten van administratieve werkzaamheden.

  • 102.

    • Monteur steigers I.

    • Met inachtneming van de geldende veiligheidsvoorschriften en bedrijfsinstructies, het aan de hand van tekeningen of volgens aanwijzingen zelfstandig maken van alle voorkomende steiger- en ondersteuningsconstructies op iedere voorkomende hoogte, alsmede het leidinggeven aan ten hoogste 3 monteurs steigers II.

  • 103.

    • Ovenbouwer.

    • Het metselen van of het verrichten van reparaties aan industrieen andere ovens, alsmede het uitmetselen van industrieschoorstenen en ketelaanlagen.

  • 104.

    • Schilder I.

    • Het verrichten van alle voorkomende schilderswerkzaamheden, decoratieschilderen en letterzetten, waarbij eventueel mechanische hulpmiddelen kunnen worden gebruikt.

  • 105.

    • Schipper.

    • Het varen met een door motorkracht voortgedreven schip of sleepboot met een waterverplaatsing van meer dan 25 ton. Houdt toezicht op en draagt zorg voor de juiste belading en heeft kennis van de vaarreglementen.

  • 106.

    • Sondeermeester I.

    • Het zelfstandig verrichten van technisch bodemonderzoek met behulp van alle voorkomende apparatuur, alsmede het inmeten en waterpassen van sondeer- en boorlocaties.

  • 107.

    • Springmeester I.

    • Het zelfstandig voorbereiden en verrichten van sloopwerk met behulp van springstoffen aan bouwwerken. Het verzorgen van aanvoer, opslag, gebruik en afvoer van de hiervoor benodigde materialen en apparatuur. Dient op de hoogte te zijn van de hiervoor geldende wettelijke voorschriften en dient deze in acht te nemen. Voor deze functie is het bezit van het diploma springmeester met aantekening „Gebouwen en hoge bouwwerken" en „onder water" vereist en geldt een minimum leeftijd van 21 jaar.

  • 108.

    • Steenzetter.

    • Het volgens voorschriften verrichten van alle voorkomende steenzetterswerkzaamheden.

  • 109.

    • Straatmaker I.

    • Het zelfstandig verrichten van alle voorkomende bestratingswerkzaamheden. Voor deze functie is op basis van opleiding en/of ervaring een bijzondere vakbekwaamheid vereist.

  • 110.

    • Timmerman I.

    • Het aan de hand van tekeningen zelfstandig maken en stellen van alle voorkomende bekistingen en het zelfstandig verrichten van alle voorkomende stel- en timmerwerkzaamheden zowel in de nieuwbouw, vernieuwings-, als onderhoudssector.

  • 111.

    • Werkplaatstimmerman.

    • Het in een timmerwerkplaats aan de hand van tekeningen zelfstandig verrichten van alle voorkomende werkzaamheden met of zonder machines.

  • 112.

    • IJzervlechter I.

    • Het aan de hand van tekeningen zelfstandig verrichten van alle voorkomende buig-, knip- en vlechtwerkzaamheden, maatvoering en het maken van buigstaten.

GROEP E

  • 113.

    • Funderingsspecialist.

    • Medewerker belast met de dagelijkse leiding van werkzaamheden op het gebied van alle typen funderingen, anders dan heien, hetzij op een klein object of onderdeel van een groot object. Verantwoordelijk voor de juiste uitvoering van het werk overeenkomstig aanwijzingen en/of voorschriften en/of tekeningen of andere gegevens en voor juist gebruik en dagelijks onderhoud van voor de toe te passen techniek geëigend materieel. Houdt werkadministratie bij en onderhoudt werkcontacten met opdrachtgevers en eigen bedrijfsleiding.

  • 114.

    • Heibaas.

    • Werkt mee en geeft leiding aan een ploeg belast met heiwerk of het aanbrengen van in de grond gevormde palen. Het opstellen en verplaatsen, strijken en vervoeren van de stelling. Deze werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd met heistelling met trilblok, mechanische heiblokinstallatie (met trekhamer of mechanisch trekblok) of drijvende hei-installaties met een capaciteit boven 500 k p/m.

  • 115.

    • Hoofdboormeester diepboringen.

    • Het met behulp van boorinstallaties zelfstandig maken van grondboringen naar grote diepte, volgens gebruikelijke boorsystemen en het afwerken van de doorboorde aardlagen tot pompput. Voor deze functie is op basis van opleiding en/of ervaring een bijzondere vakbekwaamheid vereist.

  • 116.

    • Machinemonteur specialist.

    • Het zelfstandig opsporen en opheffen van alle voorkomende storingen bij de in het bouwbedrijf in gebruik zijnde machines en/of voertuigen, alsmede het zelfstandig verrichten van reparatie- en revisiewerkzaamheden daaraan. Eventueel toezicht houden op, of leiding geven aan werkzaamheden van machinemonteur I en/of machinemonteur II. Voor deze functie is het bezit van het diploma „machinemonteur GWSW" verplicht.

  • 117.

    • Machinist met diploma.

    • De in functiegroep D onder de functienummers 92, 95, 96 en 97 genoemde machinisten welke in het bezit zijn van het diploma machinist SBW (Stichting Beroepsopleidingen Weg- en waterbouw) respectievelijk het diploma Bouwradius of het diploma Middelbaar Technische Machinistenschool (SOMA).

BIJLAGE 2 Uniforme percentages als bedoeld in artikel 30 lid 4

In het rechtjaar 1999/2000 is het uniforme percentage voor:

  • a. jeugdige werknemers beneden 18 jaar met een 40-urige werkweek: 23,70%

  • b. jeugdige werknemers beneden 18 jaar met een 4-daagse werkweek: 24,80%

  • c. jeugdige werknemers beneden 18 jaar met een 3-daagse werkweek: 25,73%

  • d. werknemers van 18 tot en met 64 jaar: 21,56%

BIJLAGE 3 Civieltechnische werkzaamheden als bedoeld in artikel 2 lid 1 onder p

Definities

  • civieltechnische werkzaamheden: de aanleg van verhardingen, rioleringen1 en gebouwen en dergelijke waarvoor een bouwof aanlegvergunning is vereist, alsmede het hiermee samenhangende onderhoud;

  • cultuurtechnische werkzaamheden: de aanleg van groenvoorzieningen, de daarmee samenhangende grondwerkzaamheden (bovenste grondlaag) en drainage, alsmede het hiermee samenhangende onderhoud.

    De volgende activiteiten worden beschouwd als civieltechnische activiteiten in de zin van artikel 2 lid 1 onder p:

    De volgende activiteiten worden beschouwd als zijnde civieltechnische werkzaamheden en daarmee behorend tot de bouwnijverheid:

  • grondboringen,

  • bronbemalingen,

  • de aanleg, montage en onderhoud van ondergrondse kabels en buisleidingen,

  • de aanleg, montage en onderhoud van bovengrondse kabels en buisleidingen ten behoeve van de te verrichten bouwwerkzaamheden;

  • grondwerk (ten behoeve van civieltechnische bestemming),

  • wegenbouw,

  • markeringen,

  • de aanleg, montage, onderhoud en sloop van verkeersveiligheid bevorderende voorzieningen en geluidsweringen,

  • sloopwerken, met uitzondering van de sloop van objecten (nagenoeg) geheel bestaande uit metaal indien het aantal arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers die bij de werkzaamheden worden ingezet groter is dan het aantal overeengekomen arbeidsuren bij de overige te verrichten werkzaamheden van alle in dienst zijnde werknemers gemeten over de periode van een kalenderjaar,

  • waterbouwkundige werken,

  • funderingswerken en

  • verhuur van bemand materiaal voor civieltechnische activiteiten

    behoudens:

  • a. de aanleg van buisleidingen in eigen beheer voor drainage ten behoeve van landbouw, bewerking van grond en zand ten behoeve van een agrarische bestemming en de incidentele aanleg van duikers ten behoeve van ontsluiting van een landbouwperceel, welke als cultuurtechnische werkzaamheden opgevat moeten worden;

  • b. het aanleggen, verbeteren of onderhouden van sportvelden en andere recreatie-objecten alsmede alle andere grondwerken ten behoeve van cultuurtechnische, civieltechnische, sport-, recreatie- en andere objecten, beplantingen en groenstroken langs wegen. Hierbij is het uitgangspunt dat, indien er een bouw/aanlegvergunning vereist is, het civieltechnische werkzaamheden zijn, met uitzondering van de aanleg en het onderhoud van het groen alsmede drainage en de bovenste grondlaag ten behoeve van het groen, welke cultuurtechnische activiteiten zijn;

  • c. de te onderscheiden cultuurtechnische werkzaamheden bij inpoldering en ruilverkaveling; de ontsluiting van gronden en ruilverkaveling dienen als cultuurtechnische werkzaamheden opgevat te worden, indien er sprake is van daarmee samenhangende grondbewerking (ploegen, eggen, zaaien, egaliseren van de toplaag van de grond ten behoeve van de plantaardige bestemming etcetera) en als civieltechnische werkzaamheden indien er sprake is van grondverwerking in de zin van landinrichting (de aanleg van wegen, watergangen en gemalen).

BIJLAGE 5 Door werkgever en werknemer in acht te nemen opzegtermijnen

In afwijking van artikel 7: 672, lid 2 en lid 3 BW, wordt de door de werkgever en de werknemer in acht te nemen opzegtermijn bepaald aan de hand van onderstaande tabellen.

Door werkgever in acht te nemen opzeggingstermijnen

LeeftijdAANTAL VOLLE JAREN DIENSTVERBAND 
Werknemer12345678910111213
16 t/m 19max 1  door werkgever in acht te nemen opzegtermijn in weken  
201max 2           
2112max 3          
22 t/m 25123max 4         
261234max 5        
2712345max 6       
28123456max 7      
291234567max 8     
3012345678max 9    
31123456789max 10   
3212345678910max 11  
331234567891011max 12 
34 t/m 45123456789101112max 13
462345678910111213max 14
4724567891011121314max 15
48246789101112131415max 16
492468910111213141516max 17
5034681011121314151617max 18
5134681012131415161718max 19
5234681012141516171819max 20
5334681012141617181920max 21
54346810121416)18)192021max 22
5534681012141618202122max 23
56346810121416)18202223max 24
5734681012141618202224max 25
58 t/m 64346810121416)18)202224max 26
65 e.o.123456789101112max 13

Door werknemer in acht te nemen opzeggingstermijnen

LeeftijdAANTAL VOLLE JAREN DIENSTVERBAND 
Werknemer12345678910111213
16 t/m21max 1   door werknemer in acht te nemen opzegtermijn in weken  
22 t/m 26111max 2         
27/2811122max 3       
29/301112233max 4     
31/32111223344max 5   
33 e.o.11122334455max 6 

Deze tabellen zijn een uitwerking van het bepaalde in artikel 10.

In bijzondere gevallen (bijvoorbeeld bij faillissement) kunnen afwijkende opzegtermijnen gelden.

Bij minder dan 1 jaar dienstverband geldt bij normale opzegging in alle gevallen een opzeggingstermijn van 1 week.

Voor zover de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betrekking hebben op meerderjarigen, gelden deze bepalingen ook voor jeugdige werknemers, die gehuwd zijn of geweest zijn.

BIJLAGE 6 Introductie

Een introductie zoals bedoeld in artikel 9 lid 6 zal onder andere de volgende punten moeten omvatten:

  • a. informatie over aard en organisatie van het bedrijf;

  • b. informatie over de aard en duur van het object en de door de werknemer te verrichten werkzaamheden;

  • c. kennismaking op het werk;

  • d. mondelinge zowel als schriftelijke informatie over de op de werknemer van toepassing zijnde arbeidsvoorwaarden;

  • e. informatie over voorzieningen op het gebied van veiligheid, gezondheid en hygiëne;

  • f. informatie aan werknemers over de opleidingsmogelijkheden zoals het leerlingstelsel danwel de beroepsbegeleidende leerweg in de zin van de WEB;

  • g. indien in de onderneming een ondernemingsraad is ingesteld zal informatie gegeven worden over de samenstelling van de ondernemingsraad. Tevens zal overhandigd worden een reglement van de ondernemingsraad en reglementen van eventuele commissies van de ondernemingsraad.

BIJLAGE 7 Voorwaarden vervroegde uittreding bouwbedrijf

Artikel 1 Definities

Voor de toepassing van deze voorwaarden wordt verstaan onder:

  • 1. belanghebbende: de belanghebbende bedoeld in artikel 2 dan wel 2a;

  • 2. werknemer: de werknemer als bedoeld in artikel 1 lid 5 van deze CAO, met dien verstande dat de uitzondering vermeld in artikel 1 lid 5 van deze CAO onder g. en j. buiten toepassing blijft, voor zover dit geen schoonmakers en kantinepersoneel betreft. Werknemer is ook degene die in de periode van 3 maanden direct voorafgaande aan de uittredingsdatum werkloos is geworden;

  • 3. uitkeringsbasis: de in artikel 5 bedoelde basis voor de berekening van de uitkering;

  • 4. het SFB: het Sociaal Fonds Bouwnijverheid, gevestigd te Amsterdam;

  • 5. de Stichting: de Stichting Uittreden Bouwbedrijf;

  • 6. uittredingsdatum: de datum als bedoeld in artikel 37 lid 1 en lid 2 van deze CAO.

Artikel 2 Voorwaarden

Belanghebbende in de zin van deze voorwaarden is degene:

  • 1. die op de laatste dag van de maand, liggende 4 maanden voor de uittredingsdatum werknemer was;

    en

  • 2.

    • 1. die direct voorafgaande aan de uittredingsdatum, gedurende een periode van minimaal 10 jaar zonder onderbreking anders dan door arbeidsongeschiktheid of werkloosheid, als werknemer werkzaam is geweest. Na een onderbreking door arbeidsongeschiktheid dient de belanghebbende, in de periode van 2 jaar voorafgaande aan de uittredingsdatum tenminste 6 maanden werkzaam te zijn geweest als werknemer in de zin van deze CAO.

    • Bij de onderbreking door werkloosheid wordt de mee te tellen werkloosheidsperiode, gedurende de laatste 2 refertejaren, op gemiddeld 6 maanden per refertejaar gemaximeerd. Daarbij geldt bovendien per afzonderlijk refertejaar een maximum van 8 maanden. Indien belanghebbende in de laatste twee refertejaren 1 maal meer dan 8 maanden per refertejaar werkloos is geweest, kan deze toch uittreden, doch niet eerder dan een jaar na de datum waarop aan alle overige uittredingsvoorwaarden wordt voldaan.

    • Voor de berekening van deze periode van 10 jaar wordt tevens in aanmerking genomen:

      • a. de periode dat belanghebbende als werknemer in de zin van de CAO Vervroegde Uittreding voor het Uitvoerend, Technisch en Administratief Personeel in de Bouwbedrijven (VUT-UTA-CAO) werkzaam is geweest, met dien verstande dat de werknemer in ieder geval gedurende de laatste 4 jaar direct voorafgaande aan de uittredingsdatum zonder onderbreking anders dan door arbeidsongeschiktheid en werkloosheid werkzaam dient te zijn geweest als werknemer in de zin van artikel 1 lid 2;

    • en

      • b. de periode(n) dat belanghebbende als werknemer werkzaam is geweest in de zin van de CAO-en voor:

        • a. het baggerbedrijf;

        • b. het schilders- en afwerkingsbedrijf in Nederland;

        • c. het stukadoors-, afbouw- en terrazzobedrijf;

        • d. het natuursteenbedrijf;

        • e. de bitumineuze en kunststof dakbedekkingsbedrijven;

        • f. de betonmortel- en morteltransportondernemingen en

        • g. de timmerfabrieken;

      • en

      • c. de periode dat belanghebbende als werknemer in de zin van de CAO Vervroegde Uittreding Agrarische Sectoren werkzaam is geweest. Dit geldt niet voor werknemers die, in de twee jaar voorafgaand aan de uittredingsdatum:

        • van een bedrijf vallend onder de CAO Vervroegde Uittreding Agrarische Sectoren in dienst treden van een bedrijf vallend onder de CAO voor het Bouwbedrijf;

      • danwel

        • van een bedrijf vallend onder de CAO voor het Bouwbedrijf in dienst treden van een bedrijf vallend onder de CAO Vervroegde Uittreding Agrarische Sectoren. Een en ander geldt zodra en zolang een gelijkluidende bepaling in bedoelde CAO-en is opgenomen, met dien verstande dat de uittredingsleeftijd voor de CAO Vervroegde Uittreding Agrarische Sectoren 59 in plaats van 60 jaar mag bedragen. Schrapping van deze bepaling en/of eenzijdig aangebrachte wijzigingen ten aanzien van de bepalingen in bedoelde VUT-regelingen inzake:

          • 1. de referteperiode;

          • 2. de uittredingsleeftijd;

          • 3. het uitkeringspercentage en de uitkeringsbasis;

          • 4. het vrijwillig afstand doen van een uitkering krachtens de Ziektewet en/of AAW/WAO;

          • 5. de pensioenopbouw;

          • 6. de beëindiging van de VUT-regeling, hebben met de regeling vervroegde uittreding in de CAO voor het Bouwbedrijf onmiddellijke beëindiging van toepassing van wederkerigheid tot gevolg;

      • en

      • d. de periode dat belanghebbende in het buitenland werkzaam is geweest, mits over deze periode aantoonbare premiebetaling heeft plaatsgevonden;

      • en

      • e. de periode dat belanghebbende als werknemer werkzaam is geweest bij een bedrijf dat is komen te vallen onder de werkingssfeer van de CAO voor het Bouwbedrijf, mits voor de werknemer een VUT-regeling van toepassing was;

      • en

      • f. een periode van maximaal 3 jaar waarin belanghebbende, mits vrouw zijnde, het dienstverband heeft onderbroken in verband met de opvoeding van een kind in de leeftijd van 0-4 jaar. Deze periode kan zich ten hoogste tweemaal voordoen;

      • en

      • g. de periode dat belanghebbende bij een bouwbedrijf in de zin van deze CAO heeft gewerkt als uitzendkracht en er aantoonbare premiebetaling heeft plaatsgevonden;

      • of

    • met dien verstande, dat de werknemer in ieder geval gedurende de laatste 2 jaar direct voorafgaande aan de uittredingsdatum zonder onderbreking anders dan door arbeidsongeschiktheid en werkloosheid werkzaam dient te zijn geweest als werknemer in de zin van artikel 1 lid 2. Deze bepaling blijft van kracht zolang de uittredingsleeftijd als genoemd in artikel 37 lid 1 van deze CAO niet meer dan 2 jaar lager is dan de vergelijkbare uittredingsleeftijd in bovengenoemde CAO-en.

      • en

      • c. de periode dat belanghebbende als werknemer in de zin van de CAO Vervroegde Uittreding Agrarische Sectoren werkzaam is geweest. Dit geldt niet voor werknemers die, in de twee jaar voorafgaand aan de uittredingsdatum:

        • van een bedrijf vallend onder de CAO Vervroegde Uittreding Agrarische Sectoren in dienst treden van een bedrijf vallend onder de CAO voor het Bouwbedrijf;

      • danwel

        • van een bedrijf vallend onder de CAO voor het Bouwbedrijf in dienst treden van een bedrijf vallend onder de CAO Vervroegde Uittreding Agrarische Sectoren. Een en ander geldt zodra en zolang een gelijkluidende bepaling in bedoelde CAO-en is opgenomen, met dien verstande dat de uittredingsleeftijd voor de CAO Vervroegde Uittreding Agrarische Sectoren 59 in plaats van 60 jaar mag bedragen. Schrapping van deze bepaling en/of eenzijdig aangebrachte wijzigingen ten aanzien van de bepalingen in bedoelde VUT-regelingen inzake:

          • 1. de referteperiode;

          • 2. de uittredingsleeftijd;

          • 3. het uitkeringspercentage en de uitkeringsbasis;

          • 4. het vrijwillig afstand doen van een uitkering krachtens de Ziektewet en/of AAW/WAO;

          • 5. de pensioenopbouw;

          • 6. de beëindiging van de VUT-regeling, hebben met de regeling vervroegde uittreding in de CAO voor het Bouwbedrijf onmiddellijke beëindiging van toepassing van wederkerigheid tot gevolg;

      • en

      • d. de periode dat belanghebbende in het buitenland werkzaam is geweest, mits over deze periode aantoonbare premiebetaling heeft plaatsgevonden;

      • en

      • e. de periode dat belanghebbende als werknemer werkzaam is geweest bij een bedrijf dat is komen te vallen onder de werkingssfeer van de CAO voor het Bouwbedrijf, mits voor de werknemer een VUT-regeling van toepassing was;

      • en

      • f. een periode van maximaal 3 jaar waarin belanghebbende, mits vrouw zijnde, het dienstverband heeft onderbroken in verband met de opvoeding van een kind in de leeftijd van 0-4 jaar. Deze periode kan zich ten hoogste tweemaal voordoen;

      • en

      • g. de periode dat belanghebbende bij een bouwbedrijf in de zin van deze CAO heeft gewerkt als uitzendkracht en er aantoonbare premiebetaling heeft plaatsgevonden;

      • of

    • 2. die in de periode van 15 jaar direct voorafgaande aan de uittredingsdatum tenminste 10 jaar werkzaam is geweest (waaronder begrepen periode(n) van arbeidsongeschiktheid en werkloosheid) in een onderneming vallend onder de werkingssfeer van deze CAO als werknemer in de zin van artikel 1 lid 2 of in de zin van de VUT-UTA-CAO, met dien verstande dat de werknemer in ieder geval gedurende de laatste vier jaar direct voorafgaand aan de uittredingsdatum zonder onderbreking anders dan door arbeidsongeschiktheid en werkloosheid werkzaam dient te zijn geweest als werknemer in de zin van artikel 1 lid 2. Bij de onderbreking door werkloosheid wordt de mee te tellen werkloosheidsperiode, gedurende de laatste 2 refertejaren, op gemiddeld 6 maanden per kalenderjaar gemaximeerd. Daarbij geldt bovendien per afzonderlijk refertejaar een maximum van 8 maanden. Indien belanghebbende gedurende de laatste 2 refertejaren 1 maal meer dan 8 maanden per refertejaar werkloos is geweest, kan deze toch uittreden, doch niet eerder dan een jaar na de datum waarop aan alle overige uittredingsvoorwaarden wordt voldaan.

    • Na een onderbreking door arbeidsongeschiktheid dient de belanghebbende, in de periode van 2 jaar voorafgaande aan de uittredingsdatum, tenminste 6 maanden werkzaam te zijn geweest als werknemer in de zin van deze CAO.

    • Voor de berekening van de 10 jaar wordt tevens in aanmerking genomen de periode waarin belanghebbende in het buitenland werkzaam is geweest, mits over deze periode aantoonbare premiebetaling heeft plaatsgevonden, alsmede de periode dat belanghebbende als werknemer werkzaam is geweest bij een bedrijf dat is komen te vallen onder de werkingssfeer van de CAO voor het Bouwbedrijf, mits voor de werknemer een vergelijkbare VUT-regeling, in ieder geval voor wat betreft de uittredingsleeftijd van toepassing was.

    • Indien de uittredingsleeftijd niet overeenkomt in beide regelingen, geldt als vroegstmogelijke uittredingsleeftijd de leeftijd waarop betrokkene had kunnen uittreden op basis van zijn vorige regeling, voorzver deze niet lager is dan de vroegst mogelijke uittredingsleeftijd volgens dit artikel Indien het een verplichte overgang betreft, waardoor het bedrijf onder de werkingssfeer van de CAO voor het Bouwbedrijf is komen tevallen, behoeft slechts sprake te zijn geweest van een VUT-regeling, die niet vergelijkbaar hoeft te zijn. Voor de berekening van de 10 jaar wordt tevens in aanmerking genomen een periode van maximaal 3 jaar waarin belanghebbende, mits vrouw zijnde, het dienstverband heeft onderbroken in verband met de opvoeding van een kind in de leeftijd van 0–4 jaar. Deze periode kan zich ten hoogste tweemaal voordoen;

    • en

    • 3. die op de dag, voorafgaande aan de in lid 5 bedoelde datum, zijn woonplaats in Nederland, België of de Bondsrepubliek Duitsland heeft;

    • en

    • 4. die op de uittredingsdatum 60, 61, 62, 63 of 64 jaar is;

    • en

    • 5.

      • 1. wiens dienstbetrekking met ingang van de uittredingsdatum is geëindigd, of die voldoet aan alle voorwaarden voor uittreding maar op een latere datum uittreedt doordat de dienstbetrekking later eindigt;

    • of

      • 2. wiens dienstbetrekking in het kader van deeltijd-VUT met ingang van de uittredingsdatum, voor wat betreft de arbeidsduur, voor 50% is geëindigd. Deeltijd-VUT gaat steeds vooraf aan volledige uittreding;

    • en

    • 6. die in de 20 jaar direct voorafgaande aan de uittredingsdatum niet anders werkzaam is geweest dan binnen de Europese Gemeenschap als werknemer ingevolge artikel 7: 610 lid 1 BW, mits over deze perioden aantoonbare premiebetaling heeft plaatsgevonden, waarbij perioden van verplichte militaire dienst mede in aanmerking worden genomen.

  • 2.

    • 2. die in de periode van 15 jaar direct voorafgaande aan de uittredingsdatum tenminste 10 jaar werkzaam is geweest (waaronder begrepen periode(n) van arbeidsongeschiktheid en werkloosheid) in een onderneming vallend onder de werkingssfeer van deze CAO als werknemer in de zin van artikel 1 lid 2 of in de zin van de VUT-UTA-CAO, met dien verstande dat de werknemer in ieder geval gedurende de laatste vier jaar direct voorafgaand aan de uittredingsdatum zonder onderbreking anders dan door arbeidsongeschiktheid en werkloosheid werkzaam dient te zijn geweest als werknemer in de zin van artikel 1 lid 2. Bij de onderbreking door werkloosheid wordt de mee te tellen werkloosheidsperiode, gedurende de laatste 2 refertejaren, op gemiddeld 6 maanden per kalenderjaar gemaximeerd. Daarbij geldt bovendien per afzonderlijk refertejaar een maximum van 8 maanden. Indien belanghebbende gedurende de laatste 2 refertejaren 1 maal meer dan 8 maanden per refertejaar werkloos is geweest, kan deze toch uittreden, doch niet eerder dan een jaar na de datum waarop aan alle overige uittredingsvoorwaarden wordt voldaan.

    • Na een onderbreking door arbeidsongeschiktheid dient de belanghebbende, in de periode van 2 jaar voorafgaande aan de uittredingsdatum, tenminste 6 maanden werkzaam te zijn geweest als werknemer in de zin van deze CAO.

    • Voor de berekening van de 10 jaar wordt tevens in aanmerking genomen de periode waarin belanghebbende in het buitenland werkzaam is geweest, mits over deze periode aantoonbare premiebetaling heeft plaatsgevonden, alsmede de periode dat belanghebbende als werknemer werkzaam is geweest bij een bedrijf dat is komen te vallen onder de werkingssfeer van de CAO voor het Bouwbedrijf, mits voor de werknemer een vergelijkbare VUT-regeling, in ieder geval voor wat betreft de uittredingsleeftijd van toepassing was.

    • Indien de uittredingsleeftijd niet overeenkomt in beide regelingen, geldt als vroegstmogelijke uittredingsleeftijd de leeftijd waarop betrokkene had kunnen uittreden op basis van zijn vorige regeling, voorzver deze niet lager is dan de vroegst mogelijke uittredingsleeftijd volgens dit artikel Indien het een verplichte overgang betreft, waardoor het bedrijf onder de werkingssfeer van de CAO voor het Bouwbedrijf is komen tevallen, behoeft slechts sprake te zijn geweest van een VUT-regeling, die niet vergelijkbaar hoeft te zijn. Voor de berekening van de 10 jaar wordt tevens in aanmerking genomen een periode van maximaal 3 jaar waarin belanghebbende, mits vrouw zijnde, het dienstverband heeft onderbroken in verband met de opvoeding van een kind in de leeftijd van 0–4 jaar. Deze periode kan zich ten hoogste tweemaal voordoen;

    • en

    • 3. die op de dag, voorafgaande aan de in lid 5 bedoelde datum, zijn woonplaats in Nederland, België of de Bondsrepubliek Duitsland heeft;

    • en

    • 4. die op de uittredingsdatum 60, 61, 62, 63 of 64 jaar is;

    • en

    • 5.

      • 1. wiens dienstbetrekking met ingang van de uittredingsdatum is geëindigd, of die voldoet aan alle voorwaarden voor uittreding maar op een latere datum uittreedt doordat de dienstbetrekking later eindigt;

    • of

      • 2. wiens dienstbetrekking in het kader van deeltijd-VUT met ingang van de uittredingsdatum, voor wat betreft de arbeidsduur, voor 50% is geëindigd. Deeltijd-VUT gaat steeds vooraf aan volledige uittreding;

    • en

    • 6. die in de 20 jaar direct voorafgaande aan de uittredingsdatum niet anders werkzaam is geweest dan binnen de Europese Gemeenschap als werknemer ingevolge artikel 7: 610 lid 1 BW, mits over deze perioden aantoonbare premiebetaling heeft plaatsgevonden, waarbij perioden van verplichte militaire dienst mede in aanmerking worden genomen.

Artikel 2a Voorwaarden uittreding conform artikel 37 lid 2

In afwijking van artikel 2 is belanghebbende in de zin van deze voorwaarden degene:

  • 1. die op de laatste dag van de maand, liggende 4 maanden vóór de uittredingsdatum werknemer was;

    en

  • 2.

    • a. die voorafgaande aan de uittredingsdatum minstens 40 jaar binnen de Europese Gemeenschap werknemer in de zin van het BW is geweest, waarbij perioden van verplichte militaire dienst mede in aanmerking worden genomen;

en

    • b. daarvan op grond van de op hem van toepassing zijnde CAO, niet zijnde de CAO voor Timmerfabrieken, gedurende 30 jaar actief deelnemer is geweest in het Bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid en/of een daarmee in het kader van de vrijstellingsregeling per saldo gelijkwaardige pensioenverzekering;

    • en

    • c. gedurende de laatste 4 jaar direct voorafgaande aan de uittredingsdatum, zonder onderbreking anders dan door arbeidsongeschiktheid of werkloosheid werkzaam is geweest als werknemer in de zin van artikel 1 lid 2. Na een onderbreking door arbeidsongeschiktheid dient de belanghebbende, in de periode van 2 jaar voorafgaande aan de uitkeringsdatum, tenminste 6 maanden werkzaam te zijn geweest als werknemer in de zin van deze CAO. Bij de onderbreking door werkloosheid wordt de mee te tellen werkloosheidsperiode, gedurende de laatste twee refertejaren, op gemiddeld 6 maanden per refertejaar gemaximeerd. Daarbij geldt bovendien per afzonderlijk refertejaar een maximum van 8 maanden. Indien belanghebbende in de laatste 2 refertejaren 1 maal meer dan 8 maanden per refertejaar werkloos is geweest, kan deze toch uittreden, doch niet eerder dan een jaar na de datum waarop aan alle overige uittredingsvoorwaarden wordt voldaan.

    • Ten aanzien van de hierboven bedoelde termijn van vier jaar geldt tevens dat de periode, die belanghebbende bij een bouwbedrijf in de zin van deze CAO heeft gewerkt als uitzendkracht, en er aantoonbare premiebetaling heeft plaatsgevonden, mede in aanmerking wordt genomen.

    • Ten aanzien van de bij b. en c. bedoelde termijnen geldt dat de periode, die belanghebbende werkzaam is geweest bij een bedrijf dat is komen te vallen onder werkingssfeer van de CAO voor het Bouwbedrijf, mede in aanmerking wordt genomen, mits voor de werknemer een vergelijkbare VUT-regeling, in ieder geval voor wat betreft de uittredingsleeftijd, van toepassing was.

    • Indien de uittredingsleeftijd niet overeen komt in beide regelingen, geldt als vroegst mogelijke uittredingsleeftijd de leeftijd waarop betrokkene had kunnen uittreden op basis van zijn vorige regeling, voorzover deze niet lager is dan de vroegst mogelijke uittredingsleeftijd volgens dit artikel.

    • Indien het een verplichte overgang betreft, waardoor het bedrijf onder de werkingssfeer van de CAO voor het Bouwbedrijf is komen te vallen, behoeft slechts sprake te zijn geweest van een VUT-regeling, die niet vergelijkbaar hoeft te zijn.

    • Voor de berekening van de 4 jaar wordt tevens in aanmerking genomen een periode van maximaal 3 jaar waarin belanghebbende, mits vrouw zijnde, het dienstverband heeft onderbroken in verband met de opvoeding van een kind in de leeftijd van 0–4 jaar. Deze periode kan zich ten hoogste tweemaal voordoen.

    • Voor de berekening van de 4 jaar wordt tevens in aanmerking genomen de periode dat belanghebbende in het buitenland werkzaam is geweest, mits over deze periode aantoonbare premiebetaling heeft plaatsgevonden.

  • en

  • 3. die op de dag, voorafgaande aan de in lid 5 bedoelde datum, zijn woonplaats in Nederland, België of de Bondsrepubliek Duitsland heeft;

  • en

  • 4. die op de uittredingsdatum 57 jaar of ouder is;

  • en

  • 5.

    • 1. wiens dienstbetrekking met ingang van de uittredingsdatum is geëindigd, of die voldoet aan alle voorwaarden voor uittreding maar op een latere datum uittreedt doordat de dienstbetrekking later eindigt;

  • of

    • 2. wiens dienstbetrekking in het kader van deeltijd-VUT met ingang van de uittredingsdatum, voor wat betreft de arbeidsduur, voor 50% is geëindigd. Deeltijd-VUT gaat steeds vooraf aan volledige uittreding.

Artikel 3 Uitkering

  • 1. Aan de belanghebbende wordt op zijn verzoek door de Stichting een uitkering toegekend met ingang van de in artikel 2 dan wel 2a onder 5 bedoelde datum.

  • 2.

    • 1. De belanghebbende krijgt de beschikking over een uitkeringsbudget. Dit budget is bestemd voor de periode vanaf de uittredingsdatum tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Als uittredingsdatum ingevolge dit artikel geldt de vroegst mogelijke uitkeringsdatum, zoals bedoeld in artikel 2 danwel 2a. Eventueel later uittreden, omdat niet eerder aan de uittredingsvoorwaarden werd voldaan levert een uitkeringsbudget naar rato op.

    • 2. De hoogte van dit uitkeringsbudget bedraagt voor de belanghebbende die vanaf 1 mei 1997 kan uittreden op basis van de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 2: 375% van de uitkeringsbasis.

    • 3. De hoogte van dit uitkeringsbudget – in percentage van de uitkeringsbasis – bedraagt voor de belanghebbende die aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 2a voldoet:

      • a. in de periode 1 mei 1995 tot en met 30 april 1996: 560%;

      • b. in de periode 1 mei 1996 tot en met 30 april 1997: 523%;

      • c. in de periode 1 mei 1997 tot en met 30 april 1998: 486%;

      • d. in de periode 1 mei 1998 tot en met 30 april 1999: 449%;

      • e. in de periode 1 mei 1999 tot en met 30 april 2000: 412%;

      • f. vanaf 1 mei 2000: 375%.

    • 4. De uitkering per dag bedraagt bij volledig uittreden – een en ander met inachtneming van het bepaalde in lid 1 van artikel 3a. – maximaal 75% van de uitkeringsbasis.

    • De belanghebbende, die op 60-jarige leeftijd voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 2 of 2a en op 61-jarige of hogere leeftijd uittreedt, ontvangt per dag maximaal 80% van de uitkeringsbasis.

    • 5. De belanghebbende die gebruik maakt van deeltijd-VUT en zijn werkzaamheden voor 50%, zoals bedoeld in artikel 2.5.2. of 2a.5.2. voortzet, geldt gedurende maximaal 4 jaar een uitkering per dag van maximaal 25% van de uitkeringsbasis. Vanaf 61 jaar bedraagt de uitkering per dag bij volledig uittreden maximaal 75% van de uitkeringsbasis.

    • 6. Het uitkeringsbudget wordt evenredig verdeeld over het aantal uitkeringsjaren.

  • 3. Aan de belanghebbende wordt naast de uitkering een vakantietoeslag ter hoogte van 8% van de uitkering toegekend.

Artikel 3a Pensioenregelingen

  • 1. Ten behoeve van de belanghebbende wordt aan de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid de pensioenpremie betaald die voor hem in de laatste dienstbetrekking krachtens de CAO verschuldigd was, met inachtneming van de verhogingen die deze premie zou hebben ondergaan indien de belanghebbende niet vervroegd zou zijn uitgetreden.

  • 2. Voor voorzieningen van ouderdoms-, weduwen-, weduwnaars- en wezenpensioen in de plaats van de BPF-voorziening – ingeval van vrijstelling van de deelneming aan de loonafhankelijke pensioenregeling – zal, bij gehele of gedeeltelijke voortzetting van deze pensioenvoorziening met premiebetaling, telkenmale na getoond bewijs van premiebetaling, tot de pensioendatum aan belanghebbende of diens werkgever een bijdrage worden vergoed ter grootte van het werkgeversaandeel in de pensioenpremie tot maximaal het bedrag dat voor rekening zou komen bij deelneming aan de loonafhankelijke pensioenregeling.

  • Zulks geschiedt onder voorwaarde, dat:

    • a. de premie voor belanghebbende individueel moet zijn vast te stellen; en

    • b. na uittreding de belanghebbende zijn gebruikelijke evenredig aandeel in de premie, bij continuering van de verzekering door de werkgever, aan deze werkgever blijft afdragen.

  • 3. Ingeval voor 1 januari 1987 geen sprake was van deelneming aan de dagafhankelijke pensioenregeling, zal de Stichting, naast de in het vierde lid genoemde pensioenpremie, aan belanghebbende of diens werkgever een bijdrage verstrekken in de affinanciering van de voorziening, welke in plaats van de BPF-voorziening was getroffen.

  • Zulks geschiedt overeenkomstig de in het vijfde lid genoemde voorwaarden en overigens onder voorwaarde, dat de werkgever voor de werknemer op de dag vóór de datum van uittreding een bijdrage verschuldigd is ingevolge de affinanciering voor de dagafhankelijke pensioenregeling in de plaats getroffen voorziening.

  • De bijdrage ter grootte van het werkgeversaandeel in de pensioenpremie is qua hoogte en duur gemaximeerd op het bedrag van de bijdrage die in het kader van de affinanciering van de dagafhankelijke pensioenregeling zou zijn verstrekt.

  • 4. Naast de in het vijfde lid genoemde bijdrage zal door de Stichting aan het BPF een bijdrage in de dagafhankelijke pensioenregeling worden verstrekt, indien de werkgever voor de werknemer de dag vóór de datum van uittreden premie verschuldigd is ingevolge de affinanciering van de dagafhankelijke pensioenregeling.

  • 5. Ingeval van voortzetting van de pensioenopbouw na de uittredingsdatum is een werkgever niet verplicht tot een hogere bijdrage in de alsdan verschuldigde premie, dan waarop hij op grond van bovenstaande bijdrageregeling aanspraak kan maken.

  • 6. Indien op enig kalenderjaar vanaf het kalenderjaar 1987 betrekking hebbende bewijzen van premiebetaling niet binnen 6 maanden na afloop van dat kalenderjaar zijn getoond, vervallen over dat kalenderjaar aanspraken op de in het vijfde en zesde lid bedoelde vergoedingen.

Artikel 4 Wijze van verzoeken

  • 1. De belanghebbende die voor de uitkering in aanmerking wenst te komen dient minimaal 6 weken vóór de gewenste uittredingsdatum een daartoe strekkend verzoek in.

  • Het verzoek kan worden ingediend, hetzij rechtstreeks bij het SFB, hetzij bij een plaatselijk vertegenwoordiger van het SFB in of nabij de woonplaats van belanghebbende. Het recht op een VUT-uitkering kan per belanghebbende slechts eenmaal worden gehonoreerd (inclusief het beroep op de garantieregeling zoals bedoeld in artikel 14).

  • 2. Het verzoek wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier, dat volledig en naar waarheid wordt ingevuld en ondertekend. Op het formulier wordt tevens aangegeven voor welke varianten als bedoeld in lid 3 wordt gekozen, alsmede de periode waarin de gekozen variant wordt geëffectueerd. Deeltijd-VUT gaat steeds vooraf aan volledige uittreding. Deeltijd-VUT kan alleen worden toegepast indien tussen de werkgever en de werknemer consensus bestaat over de wijze waarop de 50% deeltijd-VUT wordt ingevuld (arbeidstijd en VUT).

  • 3. Indien gekozen wordt voor een deeltijdvariant, zoals bedoeld in de artikelen 2.5.2. en 2a.5.2. dan:

    • dient op het aanvraagformulier te worden aangegeven op welke wijze de deeltijdvariant wordt ingedeeld, waarbij de volgende mogelijkheden bestaan:

      • a. 2,5 dag werken, 2,5 dag VUT;

      • b. 1 week werken, 1 week VUT;

      • c. 1 maand werken, 1 maand VUT;

      • d. iedere andere verdeling in arbeidstijd en VUT (50/50) die de werkgever en de werknemer schriftelijk overeenkomen.

    • dient het aanvraagformulier te zijn voorzien van handtekeningen van zowel werkgever als werknemer.

  • 4. Indien de belanghebbende in overleg met zijn werkgever besluit om de eerder aangegeven periode van deeltijd-VUT en/of de gekozen variant te wijzigen, dient hij dit minimaal 1 maand voorafgaande aan de ingangsdatum van deze wijziging schriftelijk bij het SFB te melden.

  • 5. Indien een belanghebbende gebruik wenst te maken van de garantieregeling zoals bedoeld in artikel 14, dan dient hij dit uitdrukkelijk op het aanvraagformulier aan te geven.

Artikel 5 Referteperiode/uitkeringsbasis

  • 1. De uitkering, bedoeld in artikel 3, wordt berekend op basis van het loon dat belanghebbende gemiddeld per dag verdiende in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de drie maanden voor de uittredingsdatum (niet verminderd met het eventuele spaarloon) nadat dit loon:

    • a. is gewijzigd overeenkomstig de wijziging ingevolge artikel 18, vierde lid van deze CAO die het loon van belanghebbende voor de uittredingsdatum ondergaat;

  • en

    • b. is verminderd met dat gedeelte van het loon, dat belanghebbende ontving ter compensatie van het te zijnen laste komende aandeel in de pensioenpremie.

  • Bij de berekening van de uitkering wordt maximaal in aanmerking genomen het loon zoals zich dit in de voorafgaande 4 jaren heeft ontwikkeld volgens de loontrend ingevolge artikel 18 lid 4 vermeerderd met 10% van deze loontrend.

  • 2. Ingeval de belanghebbende op de dag vóór de datum van uittreding niet valt onder de bepalingen van de Ziekenfondswet, en, hetzij:

    • a. niet verzekerd is krachtens enige ziektekostenverzekering;

    • b. verzekerd is krachtens een te zijnen behoefte gesloten particuliere ziektekostenverzekering, waarvan de premie geheel te zijnen laste komt;

    • c. verzekerd is als onder b. genoemd, waarbij de werkgever bijdraagt in de premie;

    • d. deelnemer is in een door zijn werkgever gesloten collectieve ziektekostenverzekering; zal, na uittreding, worden uitgekeerd in de situaties als vermeld onder:

        • a. en b.: nihil

        • c. aan belanghebbende een bijdrage in de premie (telkenmale na getoond bewijs van premiebetaling door verzekerde) ter grootte van 50% van de werkelijk betaalde premie, tot maximaal het bedrag dat voor rekening van de werkgever zou komen bij toepassing van de Ziekenfondswet.Indien op enig kalenderjaar bewijzen van premiebetaling niet binnen 6 maanden na afloop van dat kalenderjaar zijn getoond, vervallen over dat kalenderjaar aanspraken op de hiervoor bedoelde bedragen;

        • d. indien en zolang belanghebbende na zijn uittreding deelnemer blijft in deze collectieve verzekering: aan de werkgever 50% van de werkelijke betaalde premie, tot maximaal het bedrag dat voor rekening van de werkgever zou komen bij toepassing van de Ziekenfondswet. Belanghebbende zal alsdan zijn aandeel in de premie, conform de terzake vigerende regeling in de onderneming van de werkgever, aan de werkgever betalen, bij gebreke waarvan de werkgever de deelname in de collectieve verzekering zal kunnen beëindigen.

    • a. Indien in (een deel van) de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan de uittredingsdatum de tussen de werknemer en zijn werkgever overeengekomen wekelijkse arbeidsduur minder heeft bedragen dan de normale arbeidsduur, wordt de volgens de voorgaande leden berekende uitkeringsbasis vastgesteld met toepassing van een gewogen part-time-breuk.

    • b. De part-time-breuk wordt verkregen door de overeengekomen wekelijkse arbeidsduur te delen door de normale wekelijkse arbeidsduur.

    • c. De gewogen part-time-breuk wordt vastgesteld, door rekening te houden met de part-time-breuken, die in de periode van 5 jaar als bedoeld onder a. voor de werknemer hebben gegolden en met de tijd gedurende welke zij hebben gegolden.

  • 3. Voor belanghebbende, die in de periode genoemd in lid 1 aanspraak had op een vergoeding voor reisuren, wordt die vergoeding bij de vaststelling van de uitkeringsbasis tot ten hoogste twee reisuren per dag in aanmerking genomen.

  • 4.

    • a. Indien in (een deel van) de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan de uittredingsdatum de tussen de werknemer en zijn werkgever overeengekomen wekelijkse arbeidsduur minder heeft bedragen dan de normale arbeidsduur, wordt de volgens de voorgaande leden berekende uitkeringsbasis vastgesteld met toepassing van een gewogen part-time-breuk.

    • b. De part-time-breuk wordt verkregen door de overeengekomen wekelijkse arbeidsduur te delen door de normale wekelijkse arbeidsduur.

    • c. De gewogen part-time-breuk wordt vastgesteld, door rekening te houden met de part-time-breuken, die in de periode van 5 jaar als bedoeld onder a. voor de werknemer hebben gegolden en met de tijd gedurende welke zij hebben gegolden.

  • 5. De uitkeringsbasis wordt telkens herzien overeenkomstig het bepaalde in artikel 18 lid 4 van deze CAO, waarbij het maximum van 1,5 x de premiegrens dagloon WW niet kan worden overschreden. Partijen kunnen telkens besluiten, al dan niet op voorstel van het bestuur, om geheel of gedeeltelijk af te zien van deze herziening.

  • Ten aanzien van de relatie met pensioenen genoemd in artikel 3a, zal aanpassing plaatsvinden in overeenstemming met de wijzigingsdata van de vigerende pensioenregeling.

Artikel 6 Kortingen op de uitkeringen

  • 1.

    • a. Het is verboden om tijdens de looptijd van de VUT-uitkering binnen de bedrijfstak bouwnijverheid werkzaamheden, van wat voor aard dan ook en tegen welke voorwaarden of beloning dan ook, te verrichten. Dit verbod is uitdrukkelijk ook van toepassing op het verrichten van werkzaamheden „om niet" of tegen een onkostenvergoeding.

    • b. Het in artikel 6.1.a. bedoelde verbod is niet van toepassing voor zover er sprake is van gedeeltelijke voortzetting van het dienstverband in relatie met een deeltijd-VUT-uitkering en voorts voldaan is aan alle voorwaarden die in dit reglement of door het bestuur van de Stichting aan de uitvoering van deeltijd-VUT gesteld worden.

    • Indien sprake is van structureel overwerk in de zin van artikel 16 lid 2 van de CAO, zullen de inkomsten die daaruit voortvloeien volledig in mindering worden gebracht op de uitkering.

    • c. Het bestuur van de Stichting kan, onverminderd het bepaalde in artikel 8.2, schriftelijk ontheffing verlenen van het in artikel 6.1.a opgenomen verbod. Het bestuur kan aan de ontheffing nadere voorwaarden verbinden.

    • d. Het is toegestaan om, onverminderd het bepaalde in artikel 8.2, met toestemming van het bestuur van de Stichting, werkzaamheden te verrichten buiten de bedrijfstak bouwnijverheid. Het bestuur kan aan de toestemming nadere voorwaarden verbinden.

    • e. Werkzaamheden binnen de bedrijfstak bouwnijverheid, die reeds verricht werden voordat een non-activiteitsregeling van toepassing was en in andere gevallen voor de ingangsdatum van de VUT-uitkering mogen, onverminderd het bepaalde in artikel 8.2, tijdens de VUT-periode worden voortgezet, mits die werkzaamheden reeds vijf jaar voor de deelname aan een non-activiteitsregeling c.q. voor de uittredingsdatum een aanvang hebben genomen. De daaruit voortvloeiende inkomsten mogen tijdens de VUT-periode jaarlijks niet meer bedragen dan het bedrag dat gevonden wordt door het totale bedrag van de hier bedoelde neveninkomsten over de vijf jaar, voorafgaande aan de deelname aan een non-activiteitsregeling c.q. voorafgaande aan de uittredingsdatum, te delen door vijf. Uitbreiding van de werkzaamheden tijdens de VUT-periode valt onder het verbod van artikel 6.1.a.

    • f. Het bestuur van de Stichting is bevoegd om bij overtreding van een in artikel 6.1. opgenomen verbod of bij het niet of niet volledig nakomen van een op grond van artikel 6.1 gestelde voorwaarde een sanctie, als bedoeld in artikel 10, op te leggen.

  • 2.

    • a. Op de voltijd-VUT-uitkering worden, onverminderd het in artikel 8.2 bepaalde, in mindering gebracht de inkomsten, waaronder begrepen beloningen in natura en het bovenmatig deel van onkostenvergoedingen, die voortvloeien uit werkzaamheden buiten de bedrijfstak bouwnijverheid, voor zover die inkomsten meer bedragen dan het verschil tussen de door belanghebbende ontvangen uitkering en de uitkeringsbasis.

    • b. Op de deeltijd-VUT-uitkering worden, onverminderd het in artikel 8.2 bepaalde, in mindering gebracht inkomsten, waaronder begrepen beloningen in natura en het bovenmatig deel van onkostenvergoedingen, die voortvloeien uit werkzaamheden buiten de bedrijfstak bouwnijverheid, voor zover die inkomsten meer bedragen dan het verschil tussen de door belanghebbende ontvangen deeltijd-VUT-uitkering, vermeerderd met de inkomsten uit de voortgezette dienstbetrekking, en de uitkeringsbasis.

    • c. De inkomsten uit werkzaamheden buiten de bedrijfstak bouwnijverheid zoals bedoeld in de artikelen 6.2.a en 6.2.b worden geacht betrekking te hebben op het kwartaal waarin deze werkzaamheden hebben plaatsgevonden.

    • d. Inkomsten uit werkzaamheden buiten de bedrijfstak bouwnijverheid komen, onverminderd het bepaalde in artikel 8.2, niet in aanmerking voor verrekening met de VUT-uitkering, voor zover die werkzaamheden al gedurende ten minste vijf jaren voor de deelname aan een non-activiteitsregeling en in andere gevallen voor de uittredingsdatum plaatsvonden en tijdens de VUT-uitkering geen uitbreiding aan die werkzaamheden wordt gegeven. De vrij te stellen inkomsten tijdens de VUT-periode worden berekend door de totale neveninkomsten over de vijf jaar, voorafgaande aan een non-activiteitsregeling c.q voorafgaande aan de uittredingsdatum, te delen door vijf.

  • 3.

    • a. Op de uitkering van de belanghebbende wordt eveneens in mindering gebracht de uitkering bij arbeidsongeschiktheid krachtens de Ziektewet en/of AWW/WAO, met dien verstande dat ingevolge artikel 2 of 2.a. uittreding niet mogelijk is indien en zolang er sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid.

    • b. Voor de toepassing van het bepaalde onder a. van dit lid wordt belanghebbende geacht een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid te genieten indien belanghebbende vrijwillig van het recht hierop afstand doet, met dien verstande dat de uitkering geheel wordt ingehouden indien de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer zou zijn berekend.

  • 4. Op de uitkering wordt ingehouden hetgeen de belanghebbende verschuldigd is aan:

    • a. premie ingevolge de Ziekenfondswet;

    • b. loonbelasting/premie volksverzekeringen;

    • c. pensioenpremie.

Artikel 7 Uitbetaling

De uitkering en de vakantietoeslag worden maandelijks door het SFB aan de belanghebbende uitbetaald.

Artikel 8 Einde van de uitkering

  • 1. Het recht op uitkering eindigt op de eerste dag van de maand, waarin de belanghebbende de leeftijd van 65 jaar bereikt.

  • 2. Het recht op uitkering eindigt voor de in het eerste lid bedoelde datum indien de belanghebbende in of buiten de bouwnijverheid opnieuw een dienstbetrekking aanvaardt en wel met ingang van de eerste dag waarop hij in die dienstbetrekking werkzaam is.

  • 3. Indien de belanghebbende tijdens het genot van de uitkering overlijdt, wordt de uitkering, alsmede de vakantiebijslag, tot en met de laatste dag van de tweede maand, volgende op die waarin het overlijden plaatsvond, uitbetaald – voor zover mogelijk – in een bedrag ineens:

    • a. aan de langstlevende van de echtgenoten indien de overledene niet duurzaam van de andere echtgenoot gescheiden leefde;

    • b. bij ontstentenis van de onder a. bedoelde persoon aan de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen;

    • c. bij ontstentenis van de onder a. en b. bedoelde personen aan degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.

  • 4. Bij toepassing van het derde lid bedraagt de uitkering, met ingang van de dag na het overlijden, per dag 100% van de uitkeringsbasis en de vakantietoeslag 8% van de aldus verleende uitkering. Bij deeltijd-VUT wordt de uitkering naar rato verstrekt.

Artikel 9 Plicht tot verstrekken van inlichtingen

  • 1. De belanghebbende verstrekt desgevraagd of uit eigen beweging aan de functionarissen, die door het SFB met het toezicht zijn belast, alle inlichtingen die voor de beoordeling van het recht op uitkering en van de hoogte daarvan van belang kunnen zijn.

  • 2. De belanghebbende doet per kwartaal opgave aan het SFB van de inkomsten uit arbeid, verricht in de periode waarover hij uitkering ontvangt, met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier, dat volledig en naar waarheid wordt ingevuld en ondertekend.

  • 3. De werkgevers verstrekken aan het SFB de benodigde informatie met betrekking tot het loon en de arbeid van degenen die een aanvraag tot vervroegd uittreden hebben ingediend.

Artikel 10 Intrekking en wijziging van een besluit tot uitkering

  • 1. Indien de belanghebbende de, op grond van deze regeling, gevraagde of uit eigen beweging te verstrekken inlichtingen niet of onjuist verstrekt kan het bestuur van de Stichting een besluit tot toekomstige uitkering, dan wel tot een reeds lopende uitkering, intrekken. Belanghebbende wordt in het kader van dit lid geacht de bedoelde inlichtingen niet te hebben verstrekt, indien binnen twee maanden, na ontvangst van de eerste oproep daartoe of het uit eigen beweging te melden feit bekend is bij belanghebbende, het bestuur van de Stichting de inlichtingen nog niet heeft ontvangen. Belanghebbende wordt in het kader van dit lid geacht de inlichtingen onjuist te hebben verstrekt, indien het bestuur van de Stichting daarbij voor meer dan f 7.500,– is benadeeld.

  • 2. Indien de belanghebbende de, op grond van deze regeling, gevraagde of uit eigen beweging te verstrekken inlichtingen niet tijdig of onjuist verstrekt, kan een uitkering worden verlaagd. De verlaging bedraagt maximaal 30% en duurt maximaal 12 maanden, naar gelang de ernst van de overtreding, blijkende uit recidive. Belanghebbende wordt in het kader van dit lid geacht de inlichtingen niet tijdig te hebben verstrekt, indien na het verstrijken van de daarvoor gegeven termijn in de eerste oproep daartoe, dan wel twee weken het uit eigen beweging te melden feit bekend is bij belanghebbende, het bestuur van de Stichting de bedoelde inlichtingen nog niet heeft ontvangen. Belanghebbende wordt in het kader van dit lid geacht inlichtingen onjuist te hebben verstrekt, indien het bestuur van de Stichting daarbij voor ten minste f 50,– en voor maximaal f 7.500,– is benadeeld.

  • 3. Indien belanghebbende niet voldoet aan enig in deze regeling gestelde voorwaarde kan een waarschuwing worden gegeven.

  • 4. Het bestuur van de Stichting is bevoegd de sancties, zoals genoemd in lid 2 en 3 te combineren.

  • 5. Het bestuur van de Stichting is bevoegd de door de Stichting opgelopen schade als gevolg van door belanghebbende niet, niet tijdig of onjuist verstrekte inlichtingen of anderszins niet voldoen aan de in deze regeling gestelde voorwaarden, al dan niet bestaand uit teveel betaalde uitkeringen, sociale lasten en rente, te verhalen op belanghebbende. Daarbij behoudt het bestuur van de Stichting zich het recht voor verhaal te halen door vermindering van de lopende uitkering.

  • 6. Het bestuur van de Stichting is bevoegd aangifte te doen bij de daarvoor bedoelde instelling in het geval het bestuur van de Stichting een gerechtvaardigd vermoeden heeft dat betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Dat laat onverlet de mogelijkheid om in civiel rechtelijke procedures of anderszins eventuele schade, al dan niet in de vorm van onverschuldigde betalingen, op betrokkene te verhalen.

  • 7. De vorige leden zijn niet van toepassing, indien de belanghebbende van een gedraging als daar bedoeld redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt, waarvan is uitgesloten een beroep op het niet kennen van de inhoud van deze regeling.

  • 8. In alle gevallen, waarin een sanctie wordt opgelegd, wordt daarvan aan betrokkene gemeld wat de sanctie inhoudt en waarom en op grond waarvan deze is opgelegd. Verder wordt melding gemaakt van de mogelijkheden voor beroep of bezwaar.

  • 9. Alle baten en/of opbrengsten, die voortvloeien uit op grond van deze regeling opgelegde sancties, zullen worden gebruikt in overeenstemming met het doel van het bestuur van de Stichting.

Artikel 11 Beslissingsbevoegdheid

  • 1. Op verzoeken om toekenning van een uitkering wordt door het bestuur van de Stichting beslist.

  • 2. Besluiten tot weigering, intrekking of wijziging van een uitkering zijn met redenen omkleed.

  • 3. Besluiten als bedoeld in de voorgaande leden worden schriftelijk aan de belanghebbende medegedeeld.

Artikel 12 Verblijf in het buitenland

De belanghebbende behoeft voor een verblijf in het buitenland voor een aaneengesloten tijdvak van langer dan 4 weken gedurende de periode waarover hij uitkering ontvangt, de voorafgaande schriftelijk toestemming van het bestuur van de Stichting. Verzoeken voor deze toestemming dienen een maand voor de voorgenomen vertrekdatum te worden ingediend. Van een voorgenomen verblijf in het buitenland voor een tijdvak van kortere duur stelt hij het SFB tevoren schriftelijk in kennis.

Artikel 13 Uitvoering

  • 1. Het SFB is belast met de uitvoering van deze regeling. De uitvoering van deze regeling geschiedt onder verantwoordelijkheid, toezicht en in opdracht van het bestuur van de Stichting, waarin zitting hebben vertegenwoordigers van de organisaties, partij bij deze CAO.

  • 2. De organisaties bedoeld in artikel 5 van de CAO zijn bevoegd dispensatie te verlenen met betrekking tot onderbrekingen van korte duur in het in artikel 2 lid 2 en artikel 2a lid 2 bedoelde arbeidsverleden en voorts in alle gevallen, waarin dit aangewezen is om een uitvoering van deze voorwaarden overeenkomstig hun strekking en naar redelijkheid te verwezenlijken.

  • De organisaties zijn bevoegd deze taak te delegeren aan het bestuur van de Stichting.

  • 3. In geval van een geschil omtrent de uitvoering van deze voorwaarden wordt, op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van een belanghebbende, een beslissing genomen door het bestuur van de in lid 1 genoemde Stichting. De in dit lid bedoelde behandeling van geschillen laat de uit anderen hoofde aan de belanghebbende toekomende rechtsmiddelen onverlet.

Artikel 14 Garantiebepaling

  • 1. Indien een belanghebbende besluit om na het bereiken van de VUT-gerechtigde leeftijd vooralsnog geen gebruik te maken van zijn recht om vervroegd uit te treden, wordt het recht op uittreding onder de voorwaarden zoals geldend op het moment van het bereiken van de VUT-gerechtigde leeftijd gehandhaafd. Indien de belanghebbende hiervan gebruik wenst te maken dient hij dit voor de eerst mogelijke uittredingsdatum bij het SFB te melden, teneinde gebruik te kunnen maken van de garantiebepaling. In het geval de belanghebbende na de eerst mogelijke uittredingsdatum aan het SFB meldt dat hij gebruik wenst te maken van de garantiebepaling dan geldt deze vanaf de dag van ontvangst door het SFB en dus voor de dan geldende uittredingsvoorwaarden en budgetten.

  • 2. Indien belanghebbende, die een beroep heeft gedaan op de garantieregeling in de periode tussen het ontstaan van het recht en het moment van voorgenomen uittreding arbeidsongeschikt wordt, zal uittreding (in tegenstelling tot artikel 6.3) ook bij volledige arbeidsongeschiktheid mogelijk zijn, waarbij eveneens de in artikel 6.3 genoemde uitkeringen en aanvullingen op de uitkering in mindering worden gebracht op de VUT-uitkering. De belanghebbende dient binnen een half jaar na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid aan te geven of hij al dan niet kiest voor instroom in de VUT-regeling, hetgeen direct na dit half jaar dient te geschieden.

  • 3. In geval de overeenkomst na 31 december 2001 niet wordt voortgezet zullen de aanspraken en rechten van deze overeenkomst blijven gelden en zullen de daaruit voortvloeiende lasten worden nagefinancierd met inachtneming van c.q. analoge toepassing van hetgeen is bepaald in artikel 15, alsmede in artikel 37 lid 3 van de CAO.

Artikel 15 Extra financiële middelen

  • 1. In aanvulling op de premie die verschuldigd is op de voet van artikel 37 lid 3 sub c van deze CAO, zullen, ter financiering van de uitkeringen volgens het omslagstelsel extra financiële middelen ter beschikking gesteld worden. Deze extra financiële middelen dienen mede ter affinanciering van de lopende vut-verplichtingen per 1 mei 2000.

  • 2. De in het vorige lid bedoelde extra financiële middelen komen beschikbaar door een eenmalige premieheffing door de Stichting van dezelfde werkgevers aan wie door het Scholingsfonds voor het Bouwbedrijf en door het Risicofonds voor de Bouwnijverheid eenmalige bijdragerestituties geschieden als nader omschreven in het volgende lid. De eenmalige extra premieheffing is per werkgever gelijk aan het bedrag van de door de betreffende werkgever te ontvangen eenmalige bijdragerestituties. Werkgevers die geen bijdragerestitutie ontvangen worden derhalve niet belast met een eenmalige extra premieheffing. Werknemers dragen niet bij aan deze eenmalige heffing.

  • 3. Ter financiering van de in het vorige lid bedoelde extra premieheffing zullen het Scholingsfonds voor het Bouwbedrijf en het Risicofonds voor de Bouwnijverheid een deel van hun vermogen restitueren aan de respectievelijke deelnemende werkgevers. Deze restituties bedragen voor:

    • a. het Scholingsfonds voor het Bouwbedrijf: een bedrag van NLG 209.640.033;

    • b. het Risicofonds voor de Bouwnijverheid: een bedrag van NLG 808.414.000;

  • Werkgevers die ten tijde van de teruggave in staat van faillissement verkeren of hun onderneming hebben gestaakt worden van restitutie uitgesloten.

  • De in dit artikel beschreven premierestituties door het Risicofonds voor de Bouwnijverheid respectievelijk het Scholingsfonds voor het Bouwbedrijf en de extra premieheffing door de Stichting vormen een ondeelbaar geheel in dier voege dat restituties niet zullen plaatsvinden als geen heffingen plaatsvinden en vice versa.

  • 4. In aanvulling op de in het tweede lid bedoelde extra heffing worden door de werkgevers extra financiële middelen bijeengebracht door afdracht aan de Stichting van de tegenwaarde van een atv-dag per jaar met betrekking tot de jaren 1997, 1998 en 1999. De tegenwaarde van een atv-dag bedraagt 1/230 van de loonsom.

  • 5. De in lid 4 bedoelde extra heffing geschiedt in de vorm van een afzonderlijke periodieke voorschotpremie. Werknemers dragen niet bij aan deze voorschotpremie.

Artikel 16 Werknemers buitenland

In aansluiting op artikel 2 en artikel 2a van de Voorwaarden vervroegde uittreding bouwbedrijf is de werkgever van de belanghebbende in artikel 2.2.1.d. en 2a.2.c van de Voorwaarden vervroegde uittreding bouwbedrijf verplicht:

  • deze bijdrage te betalen voor alle werknemers, die

    • a. verplicht verzekerd zijn krachtens de Nederlandse werknemersverzekeringen;

    • b. zijn toegelaten tot vrijwillige premiebetaling krachtens de AAW en/of de AOW en/of de ANW en/of zijn toegelaten tot vrijwillige verzekering krachtens de WAO en/of de WW;

    • c. en – voor zover niet al begrepen in de hiervoor genoemde categorieën – alle werknemers die tijdens of voor hun uitzending naar het buitenland in Nederland wo(o)n(d)en.

  • aan het SFB jaarlijks onmiddellijk na afloop van het kalenderjaar een opgave te verstrekken van de hiervoor bedoelde werknemers.

    Deze opgave dient de navolgende gegevens te bevatten:

  • naam, voorletters, geboortedatum en adres van de werknemers;

  • het aantal gewerkte dagen in het betreffende kalenderjaar per werknemer;

  • het brutoloon per werknemer, waarover premie loon Coördinatiewet SV per werknemer verschuldigd zou zijn.

    Het bestuur kan van een werkgever verlangen een accountantsverklaring te overleggen ten bewijze dat de verstrekte opgave van werknemers, die in het buitenland werkzaam zijn, juist is.

    Na betaling van de VUT-bijdrage worden de werknemers voor wie de werkgever vrijwillig de VUT-bijdrage heeft voldaan, van het voldoen van de VUT-bijdrage door het SFB in kennis gesteld.

BIJLAGE 8 Nadere voorwaarden als bedoeld in artikel 13 lid 3 en lid 4

  • 1. Begripsomschrijving

  • Samenwerkingsverband:

  • In aansluiting op de definitie van het samenwerkingsverband in artikel 1 lid 4 van de CAO voor het Bouwbedrijf wordt onder „samenwerkingsverband" verstaan een stichting of vereniging van werkgevers, die is opgericht conform de richtlijnen voor de Statuten van Bouwradius, respectievelijk conform de voorbeeldstatuten van de Stichting SBW en met Bouwradius, respectievelijk SBW een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten. Voor de samenwerkingsverbanden in de B & U geldt hierbij dat onderdeel van deze samenwerkingsovereenkomst het Reglement Commissies van Toezicht Leerlingwerkplaats opgesteld door Bouwradius dient te zijn.

  • Werknemer:

  • Onder „werknemer" wordt in de navolgende bepalingen verstaan de jeugdige werknemer tot en met 20 jaar in de zin van de CAO voor het Bouwbedrijf, die bij een samenwerkingsverband in dienst treedt; dus niet de leermeester.

  • 2. Duur van de overeenkomst

  • Tussen het samenwerkingsverband en de werknemer wordt een leer-/ arbeidsovereenkomst of praktijk- en arbeidsovereenkomst gesloten voor de periode dat de primaire opleiding of basisberoepsopleiding (met goed gevolg) wordt doorlopen.

  • 3. Arbeidsduur

  • De scholings- en arbeidsduur in een samenwerkingsverband bedraagt 40 uur.

  • 4. Lonen

  • In afwijking van artikel 19 lid 1 van de CAO voor het Bouwbedrijf gelden voor de eerste dertien opleidingsweken van de leer-/arbeidsovereenkomst of praktijk- en arbeidsovereenkomst de in de lonen per week respectievelijk per uur opgenomen in bijlage 8E van deze CAO.

  • 5. Vakantiewaarde

  • Voor de bepaling van de vakantiewaarde gelden de bepalingen zoals deze in de CAO voor het Bouwbedrijf zijn neergelegd.

  • 6. Arbeidsverhindering

  • Vorstverlet:

  • Ingeval werknemers in dienst van een samenwerkingsverband te werk zijn gesteld bij een der inlenende werkgevers en zich arbeidsverhindering voordoet, zoals is neergelegd in artikel 32 lid 2 dan zal het samenwerkingsverband pas dan kunnen declareren, indien deze declaratie mede is voorzien van de handtekening van de hiervoor genoemde werkgever en op deze dagen door de betrokken werknemers geen vervangende arbeid respectievelijk, scholing op de leerlingwerkplaats wordt verricht.

  • 7. Kostenvergoedingen

  • Ingeval door het samenwerkingsverband handgereedschap en kleding, zoals omschreven in artikel 25 lid 6 aan de werknemers ter beschikking wordt gesteld, zal de werknemer geen vergoeding ontvangen voor de eigen uitrusting.

  • 8. Gedeeltelijk gevolgde primaire opleiding of beroepsopleiding bij indiensttreding

  • Ingeval een werkgever, bij wie leerlingen in dienst zijn die een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 13 volgen, toetreedt tot een samenwerkingsverband en artikel 13 lid 3 van toepassing wordt, wordt de daarin genoemde periode van de eerste dertien opleidingsweken gerekend te zijn begonnen op het moment van de aanvang van de primaire opleiding. Ook ingeval een werknemer, die een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 13 volgt, onder toepassing van artikel 9 lid 11 van de CAO voor het Bouwbedrijf in dienst treedt bij een samenwerkingsverband en artikel 13 lid 3 van toepassing wordt, zal de daarin genoemde periode van de eerste dertien opleidingsweken worden gerekend te zijn begonnen op het moment van de aanvang van de primaire opleiding of basisberoepsopleiding.

  • Voor zover artikel 9 lid 11 door de werkgever als bovenbedoeld wordt toegepast, zal de werkgever zorgdragen voor een verklaring („in dienst getreden bij het samenwerkingsverband onder toepassing van artikel 9 lid 11 van de CAO voor het Bouwbedrijf") welke wordt afgegeven aan het samenwerkingsverband.

  • 9. De Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB)

  • Met het van kracht worden van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) worden veel bestaande begrippen, benamingen en werkwijzen niet meer gebruikt.

  • De Wet op het Cursorisch Beroepsonderwijs (WCBO) geldt nog voor leerlingen die vóór 1 augustus 1997 zijn ingeschreven voor een leerlingwezenopleiding aan een streekschool. Zij kunnen hun opleiding volgens de oude wetgeving afmaken. dit zal maximaal drie jaar duren.

  • Leerlingen die zijn ingeschreven vanaf het schooljaar 1997-1998 vallen onder de WEB. Zij volgen de beroepsbegeleidende leerweg.

  • Leerlingen die vóór 1 augustus 1997 zijn begonnen met hun opleiding aan een school voor middelbaar beroepsonderwijs (mbo) kunnen die opleiding nog volgens de oude wetgeving, de WCBO, afronden. Dit zal nog drie jaren doorlopen. Leerlingen die zijn ingeschreven vanaf het schooljaar 1997-1998 vallen onder de WEB en volgen de beroepsopleidende leerweg.

  • Met het verschijnen van de WEB veranderen de volgende woorden:

    • „leerling" wordt „deelnemer",

    • „de school" wordt „de (onderwijs)instelling",

    • een „opleiding" wordt „kwalificatie" genoemd en onderverdeeld in „deelkwalificaties".

  • De WEB maakt geen onderscheid meer tussen leerlingwezen (llw) en kort of lang mbo (kmbo/mbo). De nieuwe wet kent:

    • de beroepsopleidende leerweg, beroepsopleiding met een praktijkdeel van tenminste 20% en minder dan 60% van de studieduur (voorheen kmbo/mbo):

    • de beroepsbegeleidende leerweg, beroepsopleidingen met een praktijkdeel van meer dan 60% van de studieduur (voorheen llw).

  • Verder is de onderverdeling in primaire en voortgezette opleiding verlaten. In de WEB wordt een niveau-indeling gehanteerd:

    • niveau 1 – assistentopleiding – ½ tot 1 jaar

    • niveau 2 – basisberoepsopleiding – 2 tot 3 jaar (was primaire opleiding)

    • niveau 3 – vakopleiding – 2 tot 4 jaar (was voortgezette opleiding)

    • niveau 4 – middenkaderopleiding – 3 tot 4 jaar (was mbo)

    • specialistenopleiding – 1 tot 2 jaar (was tertiair leerlingwezen)

  • De WEB kent geen onderscheid tussen stage (mbo) en praktijkopleiding (llw), het heet beide beroepspraktijkvorming. Aan deze beroepspraktijkvorming worden inhoudelijke eisen gesteld. Deze eisen zijn door de landelijke organen vastgelegd in de kwalificatiestructuur en de eindtermen.

  • Verder mag de beroepspraktijkvorming alleen worden verzorgd door bedrijven die door het landelijk orgaan zijn erkend als leerbedrijf volgens erkenningscriteria.

  • In de WEB wordt niet meer gesproken van een leerovereenkomst. De wet onderscheidt:

    • een onderwijsovereenkomst, tussen de (onderwijs)instelling en de deelnemer;

    • een praktijkovereenkomst, tussen (onderwijs)instelling, bedrijf, deelnemer en, alleen voor zover het een opleiding in de beroepsbegeleidende leerweg betreft, ook het landelijk orgaan.

  • De deelnemer sluit dus een onderwijsovereenkomst met de (onderwijs)instelling en vervolgens wordt voor de beroepspraktijkvorming een praktijkovereenkomst afgesloten. Deze staat los van de arbeidsovereenkomst. Het landelijk orgaan is formeel niet meer de initiatiefnemer. De (onderwijs)instelling is ook degene die het examen afneemt en het diploma uitreikt.

    Praktijkopleiding

In de huidige situatie onder de WCBO worden de bedrijven, waar leerlingen voor een leerlingwezenopleiding worden geplaatst, bezocht door de consulent. Deze overlegt met het bedrijf over de opleidingsmogelijkheden, hij sluit de leer(/arbeids)overeenkomst af. Tijdens de opleiding bezoekt de consulent de bedrijven en worden de vorderingen en de eventuele knelpunten met de leerling en de leermeester besproken. Dit betreft vooral de praktijkopleiding, over de vorderingen met de theorie-opleiding heeft hij contacten met de leraar op school.

Met de bedrijven, waar mbo-leerlingen worden geplaatst voor de stage, regelt de leraar van de school de contacten. Hij bespreekt met het bedrijf de vorderingen van de leerling.

Onder de WEB, vanaf 1 mei 1997, moet door het landelijk orgaan een lijst van erkende leerbedrijven aan de (onderwijs)instellingen worden aangeleverd. Afhankelijk van de kwalificatie kiest de (onderwijs) instelling uit deze lijst een voor de deelnemer geschikt leerbedrijf en sluit hiermee een praktijkovereenkomst af. Dit geldt zowel voor de beroepsbegeleidende leerweg als voor de beroepsopleidende leerweg.

Naar leerweg en soort bedrijf wordt in de criteria voor de erkenning van leerbedrijven het volgende onderscheid gemaakt:

beroepsbegeleidende leerwegberoepsopleidende leerweg
bedrijfSamenwerkingsverbandbedrijf
opleidingscoördinatorCoördinatoropleidingscoördinator
leermeesterInstructeurbegeleider
begeleidend vakman  

Voorgaande indeling wil niet zeggen dat in elk leerbedrijf alle soorten functionarissen aanwezig moeten zijn. De hier beschreven functies of taken kunnen door één persoon worden vervuld, mits hij aan de daarvoor gestelde eisen voldoet.

Beschrijving van de bij de praktijkopleiding betrokken functionarissen:

opleidingscoördinator:Deze medewerker van het bedrijf heeft vanuit zijn positie in het bedrijf o.a. verantwoordelijkheid voor het personeel en/of de opleiding daarvan. Hij kan de werkgever, directeur, bedrijfsleider, personeelschef, uitvoerder e.d. zijn. Naast de daaraan verbonden taken heeft hij in het kader van de beroepspraktijkvorming een coördinerende en leidinggevende taak.
 Opleidingscoördinator is in deze zin geen functie maar een taak.
  
leermeester:Deze medewerker van het bedrijf is in de eerste plaats vakman, hij verstaat zijn vak en is daarnaast in staat (gesteld) zijn kennis en kunde over te dragen aan anderen. Hij is dus een vakman met een extra activiteit, hij begeleidt, instrueert en beoordeelt de vorderingen van de deelnemers in de beroepsbegeleidende leerweg.
  
begeleidend vakman:Deze medewerker van het bedrijf is de vakman die tijdens zijn dagelijkse produktieve werk deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg begeleidt en instrueert. Hij beoordeelt de deelnemer niet.
  
begeleider:Deze medewerker van het bedrijf kent zijn vak en het bedrijf. Tijdens zijn dagelijkse produktieve werk begeleidt, instrueert en beoordeelt hij deelnemers aan de beroepsopleidende leerweg.
  
coördinator:Deze medewerker van een samenwerkingsverband coördineert de dagelijkse gang van zaken ten behoeve van de beroepspraktijkvorming binnen het samenwerkingsverband, hij geeft leiding aan de instructeur(s).
  
instructeur:Deze medewerker van een samenwerkingsverband is in de eerste plaats vakman. Hij verstaat zijn vak en is mede daarom aangesteld zijn kennis en kunde over te dragen aan anderen. Hij is dus een vakman met een speciale opdracht om de deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg te begeleiden, te instrueren en te beoordelen.

BIJLAGE 8E Lonen per 1 juli 2000 (1,25%)

Tabel I

FunctiegroepWeekloonUurloon
A 804,0020,10
B 852,8021,32
C 903,2022,58
D 966,4024,16
E1015,2025,38

Tabel II

FunctiegroepWeekloonUurloon
A 900,0022,50
B 948,8023,72
C 999,2024,98
D1062,4026,56

Tabel bijlage 8: werknemers in dienst van samenwerkingsverbanden gedurende de eerste drie maanden

LeeftijdWeekloon (25 uur)Uurloon
16 jaar213,25 8,53
17 jaar239,75 9,59
18 jaar293,2511,73
19 jaar346,5013,86
20 jaar399,7515,99

Tabel III Garantielonen voor jeugdige werknemers

  Zonder VakopleidingIn primaire opleidingMet primaire opleidingIn voortgezette opleidingMet voortgezette opleiding
LeeftijdStaffelWeekUurWeekUurWeekUurWeekUurWeekUur
1640%257,28* 8,04341,20 8,53      
1745%289,60* 9,05383,60 9,59469,2011,73514,0012,85  
1855%442,4011,06469,2011,73554,4013,86607,6015,19701,2017,53
1965%522,8013,07554,4013,86639,6015,99701,2017,53818,0020,45
2075%603,2015,08639,6015,99746,4018,66818,0020,45vakvolw.loon
2187,50%703,6017,59746,4018,66vakvolw. loonvakvolw. loonvakvolw. loon

Dit is het weekloon bij 32 uur werken voor partieel leerplichtigen; de 17-jarige die niet partieel leerplichtig is en 40 uur werkt, heeft een weekloon van f 362,00 zijnde 40 keer het genoemde uurloon. Voor 16-jarige partieel leerplichtigen met een driedaagse werkweek is het weekloon f 192,96.

Tabel IV Inloopschalen vakvolwassen en jeugdige werknemers per 1 juli 2000.

De bedragen die gelden per 1 juli 2000 zijn nog niet bekend, omdat het wettelijk minimum (jeugd)loon per die datum nog niet bekend is.

BIJLAGE 9 Het individu-gerichte pakket preventiezorg

Het pakket individu-gerichte preventiezorg, als bedoeld in artikel 46 lid 3 omvat:

  • Een intredekeuring, als bedoeld in artikel 46a. De intredekeuring is een functiegericht onderzoek, waarbij zorgvuldige afweging plaatsvindt van de belasting van het werk en de belastbaarheid van de werknemer. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de bouwspecifieke beoordelingsrichtlijnen „Arbeidsgeschiktheid" van de Stichting Arbouw.

  • Het Arbeids Gezondheidskundig Onderzoek voor Jongeren op vrijwillige basis, een jaar na intrede in de bedrijfstak, waarbij de afweging tussen de belasting van het werk en de belastbaarheid van de werknemer zal plaatsvinden en de werknemer een gericht advies krijgt met betrekking tot een gezonde en veilige invulling van de functie.

  • Het Periodiek Arbeids Gezondheidskundig Onderzoek (PAGO). Dit PAGO vangt aan op de leeftijd van 16 jaar en vervolgens op de leeftijden 20, 24, 28 32, 36, 40, 44, 48, 52, 54, 56, 58 en 60 en 62 jaar. Daarna individueel op indicatie.

  • Een Arbo-spreekuur, dat de werknemer spontaan kan bezoeken.

  • Vervolgactiviteiten, voorzover de hiervoor genoemde activiteiten daartoe aanleiding geven.

  • De activiteiten in het kader van het individugerichte pakket preventiezorg worden uitgevoerd door gecertificeerde arbodiensten, die voldoen aan door de Stichting Arbouw vastgestelde kwaliteitseisen. De arbodiensten zijn verplicht de door hen verzamelde werknemersgegevens door te geven aan de Stichting Arbouw op een wijze die door de Stichting Arbouw is voorgeschreven. Voornoemde activiteiten worden door de Stichting Arbouw aan de arbodienst vergoed op basis van contractuele afspraken.

  • Op basis van een experiment kan de werkgever vanaf 1 januari 2000 onder strikte voorwaarden afspraken maken met de arbodienst over de uitvoering van het hierboven omschreven pakket individugerichte preventiezorg. Voor de uitvoering van dit pakket verstrekt de Stichting Arbouw een vergoeding aan de werkgever.

  • De Stichting Arbouw zal deze regeling voorbereiden. Na 2 jaar zal de regeling worden geëvalueerd.

  • De werknemer heeft – in aanvulling op het PAGO – in de hieronder genoemde beroepen en/of werkzaamheden recht op een Gericht Periodiek Onderzoek (GPO):

    • torenkraanbestuurders: elke twee jaar of frequenter op indicatie;

    • werknemers, die werkzaam zijn op terreinen van de chemische industrie danwel werken met vervuilde grond: elk jaar;

    • werknemers die hun werk doen met behulp van persluchtapparatuur: tot 50ste levensjaar eens per 2 jaar, daarna elk jaar;

    • werknemers die werken met asbest: voor aanvang van het werk waarbij blootstelling aan asbest boven het actieniveau mogelijk is, daarna tot 50ste levensjaar eens per 2 jaar. Vanaf het 50ste levensjaar kan worden volstaan met het PAGO.

    • Het GPO wordt met de extra frequentie in aanvulling op het PAGO uitgevoerd. Daarbij kan de werknemer op de PAGO-gerechtigde leeftijden op normale wijze van het PAGO gebruik maken.

    • Vanaf 1 januari 2000 dient de werkgever voor het GPO zelf afspraken met de arbodienst te maken en de kosten daarvoor ook zelf te dragen. Hierbij geldt de voorwaarde dat de arbodienst een samenwerkingsovereenkomst met de Stichting Arbouw heeft en het GPO overeenkomstig de door de Stichting Arbouw vastgestelde uitvoeringsprotocollen uitvoert.

BIJLAGE 10 Arbo- en verzuimbeleid in de onderneming

  • 1. Doel

    • Het bevorderen en beschermen van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers in verband met de arbeid als integraal onderdeel van het bedrijfsbeleid.

    • Het terugdringen van het ziekteverzuim, met name door preventieve maatregelen.

  • 2. Basis

  • Het arbo- en verzuimbeleid in de onderneming wordt vastgesteld op basis van een deugdelijke en op schrift gestelde inventarisatie en evaluatie van alle gevaren die de arbeid voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de werknemers met zich brengt, alsmede een analyse van op ziekte en ongevallen betrekking hebbende verzuimgegevens binnen het bedrijf.

  • 3. Arbobeleid

  • Op basis van de risico-inventarisatie en -evaluatie wordt een Plan van Aanpak opgesteld, waarin zijn opgenomen de middelen en de wijze waarop het bovenbeschreven doel moet worden bereikt en waarin de bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn vastgelegd van de in dit verband aangewezen personen.

  • Over dit Plan wordt overleg gevoerd met de Ondernemingsraad c.q. met de werknemers.

  • Naast de maatregelen die zullen worden getroffen ter voorkoming c.q. reducering van de in de risico-inventarisatie en -evaluatie gesignaleerde gevaren maken de volgende onderdelen deel uit van het Plan:

    • De vastlegging van te ontwikkelen activiteiten ter bevordering van de veiligheid en ter bescherming van de gezondheid in de vorm van te treffen maatregelen van technische aard en/of organisatorische aard of indien dit niet tot de mogelijkheden behoort, het aanwenden van persoonlijke beschermingsmiddelen;

    • De wijze waarop de introductie, voorlichting en onderricht is georganiseerd van in dienst zijnde en nieuwe werknemers met betrekking tot het veilig en gezond uitvoeren van de werkzaamheden, met speciale aandacht voor de doelmatige begeleiding van jeugdige werknemers;

    • De wijze waarop voorzieningen zijn getroffen opdat werknemers in het bedrijf gebruik kunnen maken van het door partijen vastgestelde, op het individu-gerichte pakket preventiezorg.

BIJLAGE 11 Jaarmodel GWW

Onder Jaarmodel GWW wordt verstaan: een geheel van arbeidsvoorwaarden, waarbij de werknemers in de GWW-sector gedurende het gehele jaar werk en inkomenszekerheid wordt geboden. Het jaarmodel GWW heeft betrekking op alle of een deel van de werknemers in een bedrijf in de GWW-sector.

In de periode half april tot half november kan de werknemer 1 extra uur boven de normale arbeidsduur van 8 uur per dag werken en dit omzetten in individueel verlof gedurende de winterperiode (november–april). Ook kunnen voor uitbetaling in aanmerking komende reisuren van het gehele jaar worden omgezet in individueel verlof. Deze uren, alsmede het opnemen van een aantal roostervrije dagen en snipperdagen, leidt tot een maximum periode van acht weken verlof.

  • 1. Duur van de arbeidsovereenkomst

  • Werknemers die in dienst treden en volgens het Jaarmodel GWW gaan werken, ontvangen een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, waarin tevens is vermeld dat zij volgens het Jaarmodel GWW gaan werken. Werknemers die al een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd hebben, ontvangen een schriftelijke bevestiging.Een dienstverband voor bepaalde tijd wordt omgezet in een dienstverband voor onbepaalde tijd met de vermelding dat volgens het Jaarmodel GWW gewerkt wordt.

  • 2. Beëindiging van de arbeidsovereenkomst

  • In aanvulling op artikel 10 is beëindiging van de arbeidsovereenkomst in beginsel niet toegestaan, anders dan:

    • met wederzijds goedvinden; de arbeidsovereenkomst kan met wederzijds goedvinden tussen werkgever en werknemer worden beëindigd;

    • bij calamiteiten; onder opzegging vanwege calamiteiten wordt begrepen de dringende redenen zoals bedoeld in artikel 7:678 en 7:679 BW alsmede de ontbinding wegens gewichtige redenen zoals bedoeld in artikel 7:685 BW;

    • indien de continuïteit van de onderneming bij voortzetting van het Jaarmodel in gevaar dreigt te komen. De wettelijke procedures zullen dan in acht moeten worden genomen.

  • Indien blijkt dat een werknemer bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst recht heeft op meeruren, zogenaamde spaaruren en niet uitbetaalde reisuren ten behoeve van de opbouw van opname-uren, dienen deze uren te worden uitbetaald. Overuren worden uitbetaald tegen 125 procent van het vast overeengekomen loon. Reisuren dienen tegen het garantieuurloon te worden uitbetaald. Uren die op zaterdag zijn gewerkt worden tegen 150 procent van het vastovereengekomen loon uitbetaald. Indien gewerkt is in verschoven arbeidstijden GWW dienen de vergoedingen conform artikel 22b te worden uitbetaald.

  • 3. De arbeidsduur

  • 3.

    • 1. Opbouw en opname

      • 1. Opbouw- en opnameperiode

      • In het Jaarmodel GWW is sprake van een opbouw- en een opnameperiode1. In 2000 is de opbouwperiode van 10 april 2000 tot en met 11 november 2000.

      • 2. Opbouw- en opname-uren t.b.v. verlof

      • De opbouw van opname-uren kan plaatsvinden door het sparen van meeruren en/of niet laten uitbetalen van reisuren in de opbouwperiode die volgens art. 23 lid 2 voor uitbetaling in de opname en/of opbouwperiode in aanmerking zouden komen. Een meer-uur is gelijk aan 1,25 opname-uur. Een niet uitbetaald reisuur is gelijk aan 0,75 opname-uur in de opnameperiode. Indien op zaterdag wordt gewerkt is een meeruur gelijk aan 1,5 opname-uur. Op zondag is een meeruur gelijk aan 2 opname-uren. Is er sprake van verschoven arbeidstijden GWW dan is een meeruur gelijk aan:

 jaarmodel GWWverschoven arbeidstijden GWW
Weekdagen125%150%
Zaterdag150%175%
Zondag200%225%
      • 3. Bekendmaking

      • Voor de aanvang van de loonbetalingsperiode zal de werkgever, na overleg met de betrokken werknemer(s), bekend maken op welke wijze de opbouw van de opname-uren zal worden gerealiseerd.

    • 2. Normale arbeidsduur per dag

      • 1. Normale arbeidsduur in de opbouwperiode

      • Onder toepassing van de mogelijkheden van de Arbeidstijdenwet, bedraagt de normale arbeidsduur in de opbouwperiode acht uur en maximaal één extra uur per dag. De aldus gewerkte meeruren (zogenaamde „spaaruren") boven de normale arbeidsduur van acht uur per dag worden gespaard voor het opnemen van het individueel winterverlof. Ingeval van straatmaken mogen van de totale arbeidsduur van negen uur niet meer dan acht uur straatmakerswerkzaamheden worden verricht.

      • 2. Normale arbeidsduur in de opnameperiode

      • De normale arbeidsduur bedraagt in de opnameperiode acht uur per dag.

      • 3. Arbeidsongeschiktheid

      • Ingeval van arbeidsongeschiktheid tijdens de opbouwperiode wordt geacht de werkdag acht uur te hebben bedragen. Hierbij dient te worden opgeteld het aantal uren dat zou zijn opgebouwd ten behoeve van de opname-uren, zoals bekend is gemaakt ingevolge artikel 3.1.3. De werkdag wordt in geval van arbeidsongeschiktheid tijdens de opnameperiode geacht acht uur per dag te hebben bedragen. Is er sprake van het opnemen van opname-uren tijdens arbeidsongeschiktheid, dan komen deze te vervallen.

    • 3. Opbouw op zaterdag

    • Alleen in geval tijdens de opbouwperiode gedurende de normale werkweek minder dan acht uur plus maximaal één uur extra per dag volgens de planning wordt gewerkt of er onvoldoende reisuren beschikbaar zijn, kan het restant aan spaaruren met overuren en reisuren op de zaterdag worden ingehaald.

    • 4. Winterverlof

      • 1. Duur van het verlof

      • De werknemer heeft in de opnameperiode recht op:

      • Twee weken collectieve wintersluiting waarvoor drie verplichte snipperdagen en vier of vijf collectieve roostervrije dagen in de CAO voor het Bouwbedrijf zijn vastgesteld.

      • Twee weken verlof in blokken van vijf dagen (al dan niet onderbroken door een weekeinde). Deze worden ingevuld door vier verlof- en zes in de onderneming vast te stellen roostervrije dagen. De resterende, in de onderneming vast te stellen vijf roostervrije dagen dienen in gehele dagen in de opbouwperiode te worden vastgesteld.

      • Maximaal twintig dagen verlof uit de opname-uren. Hiervan zal de helft in twee blokken van vijf dagen (al dan niet onderbroken door een weekeinde) worden opgenomen. De andere dagen worden in gehele dagen opgenomen. Indien er sprake is van één of meerdere halve dagen vorstverlet kunnen de opname-uren ook benut worden voor het opnemen van halve dagen.

      • 2. Maximaal aantal opname-uren

      • Het maximaal aantal opname-uren tijdens de winterperiode bedraagt 160 uur. Van dit maximum kan worden afgeweken na dispensatie door partijen. In dat geval geldt een absoluut maximum van 200 uur. De twintig dagen genoemd onder 3.4.1. worden in dit geval 25 dagen.

      • 3. De werkgever stelt het verlof vast. Blijkt het verlof te vallen op de dagen dat wegens vorst niet gewerkt kan worden dan wordt het verlof niet verschoven naar een later tijdstip.

      • 4. Bekendmaking

      • De invulling van de verlofperiode in blokken van vijf dagen dient drie weken voor de verlofperiode kenbaar te worden gemaakt en ingeroosterd te worden. In onderling overleg is afwijking mogelijk.

    • 5. Verschuiving en uitbetaling gespaarde uren

    • De gewerkte uren tijdens het winterverlof zullen zoveel als mogelijk op een later tijdstip worden opgenomen.

    • Ingeval het aantal gespaarde opname-uren niet geheel wordt opgenomen kan een derde deel van het totaal aantal opname-uren worden doorgeschoven naar de volgende opnameperiode. Het restant wordt uitbetaald tegen de gebruikelijke toeslagen zoals deze in artikel 22 vermeld staan. Uitbetaling van zaterdaguren geschiedt met een toeslag van 50 procent en zondaguren met een toeslag van 100%. Ingeval van extra uren boven de normale arbeidsduur van acht uur per dag wordt dit uur beloond tegen 125 procent van het vast overeengekomen uurloon. Reisuren die volgens art. 23 lid 2 voor uitbetaling in aanmerking komen, worden uitbetaald tegen het garantie-uurloon. Indien er sprake is van verschoven uren zie dan onder de tabel 3.1.2.

    • 6. Zomervakantie

    • In afwijking van artikel 34 lid 8 heeft de werknemer in de periode van 1 mei tot en met 31 oktober recht op drie weken zomervakantie, waarvan tenminste 2 weken aaneengesloten.

    • 7. Roostervrije uren

    • Gedurende de opnameperiode kunnen in afwijking van artikel 35 lid 4 geen roostervrije dagen in uren worden vastgesteld.

  • 4. Het loon

    • 1. Basis vast overeengekomen loon

    • Zodra de werknemer volgens het Jaarmodel GWW gaat werken, geldt het vastovereengekomen loon zoals dit voorheen gold. Het vast overeengekomen loon is gebaseerd op een normale werkdag van acht uur dan wel een werkweek van veertig uur.

    • 2. Verplichting tot betalen bijdragen

    • Zowel gedurende de opbouw- als de opnameperiode zal de werkgever jegens de werknemer zijn verplichtingen conform artikel 28 en 29 van het CAO voor het Bouwbedrijf nakomen. Verstrekking van de vakantierechtwaarde en overige bijdrage- en premieverplichtingen zal geschieden op basis van acht uur per dag.

    • 3. Opbouw roostervrije dagen

    • Tijdens de opbouw- en opnameperiode worden de roostervrije dagen normaal opgebouwd conform artikel 35 lid 5 van de CAO voor het Bouwbedrijf.

    • 4. Geen loonbetaling tijdens vakantie- en feestdagen

    • Tijdens de vakantie- en feestdagen vindt geen loonbetaling plaats door de werkgever conform artikel 34 lid 6 van de CAO voor het Bouwbedrijf.

    • 5. Vergoeding overuren tijdens de opbouwperiode

    • In afwijking van artikel 22 lid 2 geldt in de opbouwperiode dat na het eerste meeruur de eerste twee overuren worden betaald met een toeslag van 25 procent. Reeds met ingang van het derde overuur per dag wordt een toeslag betaald van 50 procent. Indien op zaterdag gewerkt wordt, geldt de normale overwerktoeslag, als bedoeld in artikel 22 lid 2 van 50 procent.

    • 6. Vermelding opbouw- en opname-uren

    • Op de loonstrook van betreffende werknemer zal het aantal opgebouwde meeruren en niet uitbetaalde reisuren ten behoeve van de opname-uren worden vermeld. Eveneens zal het aantal opname-uren op de loonstrook worden vermeld.

  • 5. Slotbepaling

  • Van de voorwaarden, met uitzondering van artikel 15 c lid 2 alsmede de artikelen 1 en 3.5. in deze bijlage, kan worden afgeweken indien overeenstemming is over een per saldo minimaal gelijkwaardige regeling tussen werkgever en de ondernemingsraad respectievelijk de personeelsvertegenwoordiging.

  • Voor een dergelijke afwijking geldt voor de personeelsvertegenwoordiging als voorwaarde dat zij eenzelfde instemming- en adviesrecht heeft als de ondernemingsraad.

BIJLAGE 12 Voorwaarden meerijovereenkomst oude regeling en voorbeeld meerijovereenkomst

Het ministerie van Financiën is in 1998 overeengekomen dat werknemers die carpoolen kunnen kiezen tussen de oude en de nieuwe meerijregeling (carpoolregeling). Indien wordt gekozen voor de oude meerijregeling dienen onderstaande formulieren door werkgever, chauffeur en meerijder(s) worden ingevuld. Het ministerie van Financiën zal beide regelingen in het najaar van 1999 evalueren.

Meerijovereenkomst oude regeling conform de fiscale regelgeving

De inhoudingsplichtige van/alsmede de aan de ommezijde vermelde chauffeur en meerijder(s) verklaren in het kader van de in de CAO voor het Bouwbedrijf vastgestelde regeling een overeenkomst van vervoer te hebben afgesloten:

  • 1. De autobestuurder maakt voor het afleggen van de afstand tussen zijn woon/verblijfplaats en de arbeidsplaats, waarvan de afstand langs de meest gebruikelijke weg gemeten meer dan 10 km bedraagt, gebruik van een niet door de inhoudingsplichtige ter beschikking gestelde auto.

  • 2. De autobestuurder is gehouden de hierboven genoemde meerijder(s) te vervoeren van de opstapplaats(en) naar de arbeidsplaats(en)/uitstapplaats(en), waarvan de langs de meest gebruikelijke weg gemeten afstand eveneens meer dan 10 km bedraagt.

  • 3. De meerijder(s) is (zijn) gehouden zicht te doen vervoeren op de wijze als bedoeld onder 2.

  • 4. De inhoudingsplichtige is gehouden de chauffeur voor het onder 2. bedoelde vervoer de in de CAO voor het Bouwbedrijf vermelde vergoedingen per kilometer te verstrekken over de totale afstand per dag, alsmede de daarin vermelde toeslag per gereden dag.

  • 5. Als de bestuurder door langdurige verhindering (tenminste vier aaneengesloten weken) van de meerrijder(s) alleen rijdt, vervalt het recht op de belastingvrije vergoeding.

  • 6. De autobestuurder en de meerijder(s) verklaren ermee bekend te zijn, dat zolang deze overeenkomst van vervoer geldt, geen aanspraak bestaat op andere reiskostenvergoeding voor woonwerkverkeer van de inhoudingsplichtige, behoudens langdurige verhindering.

  • 7. De autobestuurder en de meerijder(s) verklaren dat zij gedurende de looptijd van deze overeenkomst vervoerd worden vanwege de inhoudingsplichtige en dientengevolge geen recht hebben op de belastingaftrek van reiskosten voor woonwerkverkeer, behoudens bij langdurige verhindering. De autobestuurder en de meerijder(s) verklaren in het kader van hun aangifte inkomstenbelasting geen aanspraak te maken op enige aftrek volgens het reiskostenforfait.

  • 8. De inhoudingsplichtige, de autobestuurder en meerijder(s) verklaren jegens elkaar dat op degene die in strijd handelt met het onder 7 bepaalde toch een beroep doet op de aftrek van het reiskostenforfait het bedrag van een in verband daarmee aan de inhoudingsplichtige (al dan niet bij wijze van eindheffing) op te leggen naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen (inclusief een eventuele verhoging) kan worden verhaald. Tevens verklaart iedere meerijder zich ermee akkoord dat, zo verhaal plaatsvindt, het aldus op hem verhaalde bedrag wordt aangemerkt als een bijdrage voor het vervoer vanwege de inhoudingsplichtige.

  • 9. De inhoudingsplichtige kent de bestuurder en meerijder(s) geen onbelaste vergoeding volgens het reiskostenforfait toe en evenmin een onbelaste meerijbonus.

Voorbeeldformulier RITTENVERANTWOORDING PRIVÉ-AUTO

WEEKNUMMERVAN ..... TOT ....KENTEKEN ..-..-..  
 CHAUFFEURMEERIJDER 1MEERIJDER 2MEERIJDER 3MEERIJDER 4
MANNUMMER     
NAAM     
ADRES     
WOONPLAATS     
POSTCODE     
HANDTEKENING     
SOFI-NUMMER     
Datumrit vanvia opstap- plaatsennaar meerijdersaantal kms.vergoedingtotaal
   werknr.plaats1234 kms.cao art.20belastonbelast

Aanhangsel F

A. Modelformulier als bedoeld in artikel 6 en artikel 17

ARBEIDSOVEREENKOMST

1. ..........

hierna te noemen werkgever,

en

2. ..........

hierna te noemen werknemer,

verklaren te hebben gesloten een arbeidsovereenkomst, bij welke de werknemer zich verbindt met ingang van ................................... in dienst van de werkgever arbeid te verrichten.

De dienstbetrekking wordt aangegaan voor: ........... 1)

De werknemer wordt aangenomen voor de functie van

.........................

en op grond hiervan ingedeeld in functiegroep ......

Het daarbij behorende garantieloon is: bruto per

Het vast overeengekomen loon voor de werknemer bedraagt f .......... bruto per .......... en is als volgt samengesteld:

  • a. garantieloon zoals bovenvermeld;

  • b. de voor zover overeengekomen individuele toeslag conform artikel 21 lid 1 van de CAO

    bruto per ................... voor de duur van .............. 2)

    Aldus in duplo opgemaakt te ............................ d.d. ..... - .....- 19.....

De werkgever: De werknemer: 3)

...............................

  • 1. Afhankelijk van de gemaakte afspraak kiezen tussen:

    • a. onbepaalde tijd

    • b. bepaalde tijd en wel van ......... tot ...........

    • c. het verrichten van werkzaamheden voor duur van het object (object nader omschreven)

  • 2. Afhankelijk van de gemaakte afspraak kiezen tussen:

    • a. het dienstverband;

    • b. de periode van ............. tot .............

    • c. het werkobject (nader omschrijven) .............

  • 3. Wanneer de werknemer nog geen 18 jaar oud is, onderstaande clausule toevoegen aan de arbeidsovereenkomst en te doen ondertekenen door zijn/haar wettelijke vertegenwoordig(st)er (vader, moeder. voogd of voogdes). „Ondergetekende, in zijn/haar kwaliteit van wettelijke vertegenwoordig(st)er van de minderjarige werknemer

    ............................................

verklaart deze tot het aangaan van bovenstaande arbeidsovereenkomst te hebben gemachtigd"

(Handtekening)

Aanhangsel F

B. Modelformulier als bedoeld in artikel 46a

1. .....................................

hierna te noemen werkgever,

en

2. .....................................

hierna te noemen werknemer,

verklaren te hebben gesloten een arbeidsovereenkomst. bij welke de werknemer zich verbindt in dienst van de werkgever arbeid te verrichten.

De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan onder de ontbindende voorwaarde van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 46a.

Het dienstverband vangt aan op .......-.......-........ tenzij op die datum de keuringsprocedure nog niet is afgerond en de eventuele opzeggingstermijn nog niet is verstreken.

In dat geval vangt het dienstverband aan op de eerstvolgende werkdag na het verstrijken van de bedoelde termijn(en).

Aldus in duplo opgemaakt te d.d. .........-.........-............

De werkgever: De werknemer:

N.B.

Wanneer de werknemer nog geen 18 jaar oud is, onderstaande clausule toevoegen aan de arbeidsovereenkomst en te doen ondertekenen door zijn/haar wettelijke vertegenwoordig(st)er (vader, moeder, voogd of voogdes).

„Ondergetekende in zijn/haar kwaliteit van wettelijke vertegenwoordig(st)er van de minderjarige werknemer

.........................................

verklaart deze tot het aangaan van bovenstaande arbeidsovereenkomst te hebben gemachtigd "

(Handtekening)

Aanhangsel N

Protocol Garantieregeling collectieve roostervrije dagen

  • 1. Onvoldoende opbouw van rechten

  • Indien en voor zover de werknemer, volgens de betreffende bepalingen in de CAO voor het Bouwbedrijf, onvoldoende rechten heeft kunnen opbouwen voor de collectieve roostervrije dagen gedurende de wintersluiting wordt, onder de in dit reglement genoemde voorwaarden, de loondoorbetaling over de resterende dagen alsmede de bijdrage- en premieverplichtingen als genoemd in Hoofdstuk 8 van de CAO voor het Bouwbedrijf, in voorkomende gevallen in aanvulling op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, gewaarborgd door het Vakantiefonds krachtens de garantieregeling.

  • 2. Oorzaken onvoldoende opbouw van rechten

  • De garantieregeling voorziet in de betaling van een uitkering aan de werknemer indien onvoldoende rechten voor de wintersluiting werden opgebouwd indien de werknemer tijdens de opbouwperiode:

    • a. anders dan onder de CAO voor het Bouwbedrijf werkzaam was;

    • b. geheel niet werkzaam. maar werkloos was;

    • c. in militaire dienst verbleef voor eerste oefening;

    • d. een omscholings- of herscholingscursus volgde aan een Centrum voor Vakopleiding voor Volwassenen;

    • e. een examen aflegde aan een Centrum voor Vakopleiding voor Volwassenen;

    • f. schoolverlater was, of

    • g. ex-uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering was.

  • 3. Garantieregeling, wel rechten opgebouwd maar niet uitbetaald

  • Indien de werknemer, overeenkomstig de betreffende bepalingen in de CAO voor het Bouwbedrijf, rechten heeft opgebouwd voor collectieve roostervrije dagen tijdens de wintersluiting, doch de werkgever over deze collectieve roostervrije dagen zijn verplichtingen met betrekking tot het loon en/of de bijdragen en premies als bedoeld in Hoofdstuk 6 van de CAO voor het Bouwbedrijf niet nakomt, worden deze verplichtingen gewaarborgd door het Vakantiefonds krachtens de garantieregeling.

  • 4. Garantieregeling, aanvulling op WW-uitkering

  • De werknemer die tijdens de wintersluitingsperiode recht heeft op een WW-uitkering heeft recht op een aanvulling op de WW-uitkering krachtens de garantieregeling indien hij tijdens de opbouwperiode wel rechten ten behoeve van de wintersluiting opbouwde doch deze van zijn werkgever niet uitbetaald heeft gekregen.

  • 5. Werknemer dient werkgever tot betaling aan te spreken

  • De werknemer is verplicht om in de omstandigheden bedoeld in het derde lid, de werkgever bij aangetekende brief aan te manen en zo nodig in rechte aan te spreken tot de nakoming van zijn verplichtingen. De werknemer is jegens het Vakantiefonds verplicht bewijsstukken van de door hem in dit verband ondernomen acties aan het Vakantiefonds te overleggen.

  • 6. Overgang vordering

  • Indien het Vakantiefonds ingevolge het in de leden 2 en 3 bepaalde aan de werknemer een uitkering krachtens de garantieregeling heeft verstrekt, verwerft het Vakantiefonds jegens de werkgever een zelfstandig recht op invordering van de door het Vakantiefonds om die reden betaalde uitkering, vermeerderd met de betaalde premies en bijdragen volgens Hoofdstuk 8 van de CAO voor het Bouwbedrijf.

  • 7. Voorwaarden beroep garantieregeling

  • Om een beroep op de garantieregeling te kunnen doen dient de werknemer op de eerste dag van de collectieve wintersluitingsperiode in een dienstbetrekking te staan tot een werkgever die gehouden is de CAO voor het Bouwbedrijf toe te passen. danwel een uitkering krachtens de WW – voortvloeiende uit een dienstbetrekking waarop de CAO voor het Bouwbedrijf van toepassing was – te ontvangen. De eerstgenoemde dienstbetrekking dient gedurende de gehele wintersluiting voort te duren.

  • 8. Geldend maken recht

  • De werknemer dient een aanvraag om een uitkering krachtens de garantieregeling te doen onder gebruikmaking van een bij de Stichting verkrijgbaar formulier. Dit aanvraagformulier dient vóór 15 februari van het jaar volgend op de collectieve wintersluiting door de Stichting te zijn ontvangen.

  • 9. Geen samenloop met ziekengeld

  • Geen recht op een uitkering krachtens de garantieregeling bestaat over de dag of dagen waarover recht op een uitkering krachtens de Ziektewet bestaat.

  • 10. Hoogte van de uitkering

  • De hoogte van de uitkering die wordt verstrekt indien ten behoeve van één of meer dagen van de wintersluiting geen opbouw heeft plaatsgevonden, of wel opbouw heeft plaatsgevonden maar de werkgever niet uitbetaalde, is gelijk aan het netto loon dat de werkgever over deze dag of dagen zou hebben dienen te betalen.

  • 11. Financiering

  • De financiering van deze garantieregeling vindt plaats uit het saldo van het opgeheven Fonds Roostervrije Dagen voor het Bouwbedrijf.

  • Indien dit saldo ontoereikend is om de te verstrekken uitkeringen te kunnen financieren zal de financiering geschieden door een korting op de rentekorting, welke aan de werkgevers wordt verstrekt die de CAO voor het Bouwbedrijf dienen toe te passen.

  • Onder rentekorting wordt verstaan het vastgestelde bijdragepercentage Vakantiefonds nadat rekening is gehouden met het op de balans vermelde beschikbare saldo van baten en lasten aan het einde van het boekjaar van het Vakantiefonds.

  • 12. Inwerkingtreding

  • Deze garantieregeling wordt geacht in werking te zijn getreden op 1 december 1991.

  • 13. Garantieregeling

  • Deze regeling is het reglement zoals genoemd in artikel 3b van de statuten van het Vakantiefonds.

Aanhangsel S

Protocol vorstverlet

  • A. De verplichte en aanbevolen maatregelen zoals bedoeld in artikel 32 lid 4 van deze CAO.

  • De verplichte maatregelen zijn:

    • 1. Het in begaanbare staat houden van rijwegen en looppaden op en om het bouwterrein.

    • 2. Het vorstvrij aanleggen van bouwwaterleidingen en het aftappen daarvan zodra dit noodzakelijk is, of het vroegtijdig isoleren van tappunten.

    • 3. Het beschermen van materieel ter handhaving van de bedrijfsvaardigheid.

    • 4. Het met doeltreffende middelen beschermen van bouwmaterialen die verwerkt moeten worden.

    • 5. Het zoveel mogelijk te werk stellen van de werknemers op die plaatsen waar de minste hinder wordt ondervonden van de ongunstige weersomstandigheden. In het algemeen dienen zodanige maatregelen getroffen te worden dat de werknemers in hun werk zo min mogelijk door ongunstige weersomstandigheden belemmerd worden.

  • De aanbevolen maatregelen voor burgerlijke en utiliteitsbouw zijn:

    • Het voorbewerken van daartoe geëigende materialen en constructies, of hulpconstructies in afgesloten en verwarmde ruimten;

    • Het bij vorst- en /of sneeuwverwachting preventief beschermen van werkonderdelen waarop of waaraan moet worden gewerkt;

    • Het plaatsen van afschermingen tegen wind bij uitvoering van werkzaamheden;

    • Het dichtmaken met glas of andere materialen van afbouwwerken, opdat afbouwwerkzaamheden tochtvrij kunnen worden uitgevoerd;

    • Het verwarmen van bouwwerken of onderdelen van bouwwerken, die definitief glas- en waterdicht zijn;

    • Het in gebruik nemen van de definitieve centraleverwarmingsinstallatie zodra deze bedrijfsklaar is;

    • Het laten dragen van doelmatige winterkleding door de werknemers die in de open lucht moeten werken.

  • De aanbevolen maatregelen voor de grond-, water-, en wegenbouw zijn:

    • Het voorbewerken van daartoe geëigende materialen en constructies, of hulpconstructies in afgesloten verwarmde ruimten;

    • Het bij vorst en/of vorstverwachting zo mogelijk preventief beschermen van werkonderdelen waarop of waaraan moet worden gewerkt;

    • Gedurende de winterperiode zorg dragen voor een vlotte afvoer van het oppervlaktewater op het werkterrein;

    • Het bij vorst en/of vorstverwachting egaliseren van rijsporen die moeten worden bereden;

    • Het bij vorst en/of vorstverwachting zo mogelijk beschermen tegen bevriezing van de plaats waar moet worden gegraven;

    • Het bij vorst en/of vorstverwachting zo mogelijk voorkomen van bevriezing van sleuven. door een zo kort mogelijk stuk te graven en door het afdekken van de sleuf;

    • De cabines voor machinisten verwarmen;

    • De werknemers winterkleding laten dragen.

  • B. Partijen hebben afgesproken dat er een experiment komt met een apparaatje waarmee de gevoelstemperatuur op de werkplek kan worden vastgesteld.

  • C. Partijen zijn overeengekomen dat het niet nakomen van de bepalingen gesteld in artikel 32 lid 3 en aanhangsel S zullen leiden tot het ondernemen van de benodigde acties door de werkgeversorganisatie en/of de werknemersorganisatie.

Aanhangsel W

Protocol leeftijdsbewust personeelsbeleid

Leeftijdsbewust personeelsbeleid is beleid dat zoveel mogelijk rekening houdt met de specifieke omstandigheden en behoeften van de ouder wordende werknemers in de verschillende fases van hun loopbaan. Het richt zich erop dat zoveel mogelijk werknemers gezond en gemotiveerd de vut- en (pre)pensioengerechtigde leeftijd halen. Hiertoe dient afstemming plaats te vinden tussen de mogelijkheden en wensen van werknemers en mogelijkheden en wensen van de onderneming.

Leeftijdsbewust personeelsbeleid dient, met inachtneming van het voorgaande, in ieder geval aandacht te besteden aan de volgende onderwerpen.

  • Opleiding, scholing en training voor oudere werknemers om het werk te kunnen blijven doen.

  • Functieverandering en taakaanpassing daar waar de huidige functie te zwaar is.

  • Aangepaste werktijden cq. vrijstelling van onregelmatige diensten, avonddiensten en/of nachtdiensten.

  • Arbeidsomstandigheden; in het kader van de Arbowet preventief beleid versterken. Sociaal-medische begeleiding speelt een belangrijke rol om gezondheidsproblemen vroegtijdig te signaleren.

  • Verlofmogelijkheden.

Aanhangsel X

Protocol scholing en vakopleiding

  • 1. Per 1 juli 1999 dienen alle leerling/werknemers waarop na 1 juli 1998 de rendementsprikkel is toegepast, het totaal ingehouden bedrag als een bonus uitgekeerd te krijgen. Uitgangspunt is dat er geen netto nadelige effecten voor de leerling/werknemer optreden en de fiscaal en juridische problemen ondervangen zijn.

  • Indien met de fiscus geen regeling met een dergelijke strekking kan worden getroffen, zullen partijen hierover wederom in overleg treden.

  • Als er geen nadere uitwerking gegeven kan worden aan deze bepaling zullen leerling/werknemers waarop na 1 juli 1998 de rendementsprikkel van toepassing is niet geconfronteerd worden met de nieuwe regeling per 1 juli 1999. De oude regeling wordt dan tevens niet meer toegepast.

  • 2. Een deskundige werkgroep van partijen zal de normstelling van de nieuwe rendementsprikkel als bedoeld in het deelakkoord scholing en vakopleiding van 7 juni 1999 verder uitwerken op advies van de vakopleidingsinstellingen. Per 1 september 1999 dienen deze normen kenbaar te worden gemaakt.

  • 3. Partijen zijn overeengekomen dat de mogelijk ongewenste gevolgen van de differentiatie in de tegemoetkomingsgelden voor de machinistenopleiding dienen te worden opgelost binnen de totale lump-sum-financiering van de SBW.

VORSTUITKERINGSREGLEMENT 2000

Reglement van de Stichting Risicofonds voor de Bouwnijverheid, geldend voor de deelnemers als bedoeld in de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Bouwbedrijf.

De laatste wijziging van dit reglement vond plaats op 10 juli 2000.

HOOFDSTUK I BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1 Definities

In dit reglement wordt verstaan onder:

het Risicofonds: de Stichting Risicofonds voor de Bouwnijverheid, gevestigd te Amsterdam;

de statuten: de statuten van het Risicofonds;

het bestuur: het bestuur van het Risicofonds;

de CAO: de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Bouwbedrijf;

de werkgever: de werkgever op wie de bepalingen van de CAO van toepassing zijn;

de werknemer: de werknemer op wie de bepalingen van de CAO van toepassing zijn;

Als werknemer wordt tevens beschouwd degene die op basis van een overeenkomst met een uitzendburo werkzaamheden verricht als bedoeld in de CAO en voor wie krachtens de bepalingen van die CAO het uitzendburo gehouden is bijdragen te betalen aan het Risicofonds.

de administrateur: SFB CAO-Regelingen B.V. gevestigd te Amsterdam;

het rechtjaar: de periode die begint met ingang van de zeventiende week van het kalenderjaar en eindigt aan het einde van de zestiende week van het daarop volgende kalenderjaar;

de bijdrage: de door de werkgever aan het Risicofonds over het loon verschuldigde betaling;

het loon: het vast overeengekomen loon als omschreven in de CAO;

vorst: de weersomstandigheid waarbij de door het KNMI gemeten luchttemperatuur, in een door het bestuur bepaald weergebied, op een dag:

  • om 7.00 uur – 3,5° Celsius of lager is;

  • om 7.00 uur en om 10.00 daaropvolgend – 0,5° Celsius of lager is;

  • of om 10.00 – 1,5° Celsius of lager is.

    Met vorst wordt gelijkgesteld de situatie waarbij op het werk:

  • een niet met eenvoudige middelen te verwijderen sneeuwdek aanwezig is, dan wel

  • zich directe gevolgen van vorst ten aanzien van materialen, materieel of de bodemgesteldheid ter plaatse van het werk voordoen.

    de declaratieperiode: de periode die aanvangt op de eerste maandag van november en eindigt op de laatste vrijdag in maart daaropvolgend;

    de eigen risicoperiode: de periode die aanvangt op de eerste maandag van november en eindigt nadat voor de werknemer, bij dezelfde werkgever, 0- 24- of 72 uren tijdens vorst zijn verstreken waarop hij krachtens de dienstbetrekking, met een maximaal aantal arbeidsuren van acht per dag, arbeid pleegt te verrichten.

De eigen risicoperiode geldt per declaratieperiode.

Met verrichten van arbeid wordt in dit verband gelijkgesteld het volgen van scholingsdagen, en ten aanzien van werknemers die werken volgens de voorwaarden van het zogeheten Jaarmodel in de GWW-sector het opnemen van extra verlofdagen als bedoeld in het Jaarmodel, voorzover deze dagen niet vallen in de collectieve wintersluitingsperiode als bedoeld in de CAO.

vorstgevoelige werkzaamheden:

  • voegen;

  • straatwerk;

  • het leggen van kabels en kunststof buizen en het aanleggen van drainage;

  • het injecteren van spankabelkanalen;

  • het uitvoeren van zand-cementstabilisaties bij de aanleg van wegen;

  • het aanbrengen van dek- en slijtlagen bij asfaltwerk;

  • het aanbrengen van verfmarkeringen op wegoppervlakken;

  • gevelreiniging met hogedrukspuit en gritstralen;

  • het zetten en/of herzetten van stenen bij het verrichten van glooiingswerkzaamheden;

  • werkzaamheden aan spoor- en tramwegen;

  • het steken-, planten- en verplanten van helmgras, bomen, heesters enzovoort;

  • het rietdekken (oud werk);

  • het leidekken op daken met een helling van meer dan 45°;

  • het aanbrengen van kunststof dakbedekkingen;

  • het met handkracht uitvoeren van oppervlakte-grondwerk;

  • het aanbrengen van kunststofleidingen waarbij lijm- of lasverbindingen worden toegepast;

  • het repareren van gescheurde betonconstructies (door injectie) met epoxyharsen;

  • het repareren en verwerken van oppervlakken met kunstharsen en kunstharsmortel;

  • bitumineuze en kunststof dakbedekkings-werkzaamheden, voor zover deze bestaan uit het aanbrengen van flexibele dakbedekkingen.

HOOFDSTUK IA DE KEUZEMOGELIJKHEDEN DECLARATIEVOORWAARDEN

Artikel 1a Eigen risico periode (ERP)

De werkgever dient voorafgaand aan de declaratieperiode op een door het bestuur aangegeven wijze mee te delen of hij een eigen risico wenst anders dan nul uren.

Artikel 1b Vorstgevoelige werkzaamheden

De werkgever dient voorafgaand aan de declaratieperiode op een door het bestuur aangegeven wijze mee te delen of hij de vorstgevoelige werkzaamheden onder de declaratieregeling wenst onder te brengen.

Artikel 1c Herroepen keuze

Een keuze als bedoeld in de artikelen 1a en/of 1b geldt voor de gehele declaratieperiode en voor alle werknemers die in dienst zijn bij de werkgever. Een keuze kan na aanvang van de declaratieperiode niet meer herroepen worden door de werkgever.

HOOFDSTUK II DE VERSCHULDIGDE BIJDRAGE

Artikel 2 De aan het Risicofonds verschuldigde bijdrage

  • 1. Het bestuur stelt jaarlijks een begroting op. Deze begroting wordt aan belanghebbenden op verzoek ter inzage beschikbaar gesteld.

  • 2. Het bijdragepercentage wordt jaarlijks door het bestuur vastgesteld en ter goedkeuring voorgelegd aan partijen bij de CAO.

  • 3. Het bijdragepercentage kan tijdens door het bestuur te bepalen perioden van een kalenderjaar verschillend van hoogte zijn.

  • 4. Het bestuur kan voor de werkgever die vorstgevoelige werkzaamheden onder de declaratieregeling heeft ondergebracht een opslag op de bijdrage vaststellen.

  • 5. Het bestuur kan voor de werkgever die gekozen heeft voor een eigen risicoperiode van meer dan nul uren een korting op de bijdrage vaststellen.

  • 6. De werkgever is gehouden tot het betalen van de bijdrage aan het Risicofonds volgens de voorwaarden van de CAO.

  • 7. De bijdrage is door de werkgever verschuldigd over het loon.

  • 8. De bijdrage is in december terstond en ineens opeisbaar.

  • 9. De bijdragen zijn als volgt vastgesteld.

Soort dekkingjaarbijdrage %winterbijdrage %zomerbijdrage %
  01-01-2000 t/m 23-04-2000 en 13-11-2000 t/m 31-12-200024-04-2000 t/m 12-11-2000
72 uren ERP    
zonder vorstgevoelige werkzaamheden4,54,05,0
    
72 uren ERP    
met vorstgevoelige werkzaamheden8,47,98,9
    
24 uren ERP   
zonder vorstgevoelige werkzaamheden8,47,98,9
    
24 uren ERP    
met vorstgevoelige werkzaamheden12,311,812,8
    
0 uren ERP    
zonder vorstgevoelige werkzaamheden10,49,910,9
    
0 uren ERP    
met vorstgevoelige werkzaamheden14,313,814,8

Artikel 2a Bijdragerestitutie

  • 1. Indien de omvang van de vermogensreserve van het Risicofonds naar de opvatting van het bestuur daartoe aanleiding geeft is het bestuur bevoegd te besluiten over te gaan tot bijdragerestitutie aan de deelnemende werkgevers.

  • 2. Een besluit tot bijdragerestitutie behoeft de goedkeuring van de organisaties van werkgevers en werknemers die partij zijn bij de CAO.

Artikel 3 Vorderingstermijnen

  • 1. De vaststelling van de hoogte van de bijdrage alsmede de betaling van de verschuldigde bijdrage dienen binnen de in de CAO genoemde termijnen te hebben plaatsgevonden.

  • 2. Indien vaststelling van de hoogte van de bijdrage niet tijdig heeft kunnen plaatsvinden door toedoen van de werkgever en/of de werkgever te laat de bijdragen heeft betaald is de werkgever in verzuim.

  • 3. Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen over de bijdragen.

  • 4. Deze rente is gelijk aan de wettelijke rente

Artikel 4 Invorderingskosten

  • 1. Als een werkgever niet tijdig de verschuldigde bijdrage heeft betaald zullen buitengerechtelijke incassokosten worden gevorderd.

  • 2. Deze incassokosten worden gesteld op maximaal zevenhonderdvijftig gulden per vordering.

  • 3. Deze incassokosten worden naar evenredigheid van de hoogte van de te vorderen bedragen toebedeeld aan de vorderingen van eventueel overige CAO-fondsen.

HOOFDSTUK III DE AANSPRAKEN

Artikel 5 Aanspraken werkgever tijdens vorstverlet

  • 1. De werkgever heeft, indien en voor zover de financiële positie van het Risicofonds dit toelaat en met inachtneming van het overigens in dit reglement bepaalde, tegenover het Risicofonds aanspraak op een vergoeding ter (gedeeltelijke) compensatie van de door hem aan zijn werknemer verstrekte uitkering. De hoogte van de in het eerste lid bedoelde vergoeding aan de werkgever is gelijk aan het gemiddelde van het bij de administrateur laatst bekende loon (waaronder begrepen loonsverhogingen krachtens de Cao) van zijn werknemer. Dit gemiddelde wordt berekend over een periode van acht weken voorafgaand aan de periode waarover vorstverlet wordt gedeclareerd.

  • 2. Als over de laatstbekende loonperiode van acht weken, als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, minder dan acht weken loon is genoten, dan is de vergoeding gelijk aan het gemiddelde over die kortere periode.

  • 3. De werkgever ontvangt tevens een vergoeding voor de bedragen, die door hem verschuldigd zijn ter zake van premies en bijdragen ingevolge de sociale verzekeringswetten en ingevolge de CAO alsmede ter zake van de toeslag als bedoeld in artikel 1 van de Wet Overhevelingstoeslag Opslagpremies, over de in het eerste lid bedoelde betaling.

  • 4. Het bestuur is bevoegd de kosten van de premie- en bijdrageverplichtingen ingevolge de sociale verzekeringswetten, de CAO alsmede de toeslag ingevolge artikel 1 van de Wet Overhevelingstoeslag Opslagpremies, als bedoeld in lid 4, te begroten en bindend vast te stellen op een percentage van het in dit artikel bedoelde, door het Risicofonds uit te betalen bedrag.

  • 5. De werkgever kan zijn in dit artikel bedoelde aanspraken slechts dan geldend maken, indien deze berusten op een arbeidsovereenkomst die ten tijde van het intreden van de vorst reeds was aangegaan.

  • 6. Bij de vaststelling van het totaal aantal per week voor declaratie in aanmerking komende uren wordt een gedeelte van een uur naar beneden op een kwartier afgerond.

Artikel 6 Eigen risico werkgever tijdens vorstverlet

Gedurende de eigen risicoperiode heeft de werkgever tegenover het Risicofonds geen aanspraak op vergoeding ter (gedeeltelijke) compensatie van het door hem aan zijn werknemer wegens vorstverlet doorbetaalde loon. De eigen risicoperiode wordt per individuele werknemer geregistreerd.

HOOFDSTUK IV VERREKENING

Artikel 7 Uitbetaling vergoedingen Risicofonds

Ingeval de werkgever ten tijde van de vaststelling van de vergoedingen door het Risicofonds een opeisbare schuld aan het fonds heeft, wordt deze schuld met openstaande vorderingen van het fonds verrekend.

HOOFDSTUK V TEMPERATUURNORMEN

Artikel 8 Temperatuurnormen

  • 1. De werkgever heeft over dagen waarop wegens vorst geen werkzaamheden verricht worden eerst aanspraak op vergoeding van zijn declaratie door het Risicofonds indien voldaan is aan de in de volgende leden gestelde voorwaarden.

  • 2. In het door het bestuur vastgestelde rayon, waarin het werk is gelegen, moet zijn voldaan aan de voor vorst geldende temperatuurnormen. Hiervoor is de door het KNMI-station in het betreffende rayon gemeten temperatuur bepalend.

  • 3. In afwijking van het in het vorige lid bepaalde kan het bestuur vorstgevoelige werkzaamheden aanwijzen, waarvoor bovengenoemde temperatuurnormen niet gesteld worden.

  • 4. De vaststelling of wegens vorst geen werkzaamheden verricht hadden kunnen worden, geschiedt door of namens het bestuur op basis van door de administrateur op te maken vorstbetalingsadviezen.

HOOFDSTUK VI VERPLICHTE MAATREGELEN

Artikel 9 Verplichte vorstverlet beperkende maatregelen

  • 1. Om voor vergoeding van een declaratie door het Risicofonds in aanmerking te komen dient de werkgever in ieder geval de volgende maatregelen ter voorkoming van vorstverlet te hebben getroffen:

    • 1. het in begaanbare staat houden van rijwegen en looppaden op en om het bouwterrein;

    • 2. het vorstvrij aanleggen van bouwwaterleidingen en het aftappen daarvan, zodra dit noodzakelijk is als ook het vroegtijdig vorstvrij isoleren van de aftappunten;

    • 3. het beschermen van materieel ter handhaving van de bedrijfsvaardigheid;

    • 4. het met doeltreffende middelen beschermen van bouwmaterialen die verwerkt moeten worden;

    • 5. het zoveel mogelijk te werk stellen van de werknemers op die plaatsen waar de minste hinder wordt ondervonden van de ongunstige weers-omstandigheden en in het algemeen het treffen van zodanige maatregelen, dat werknemers zo min mogelijk door ongunstige weersomstandigheden in hun werk worden belemmerd.

  • Het bestuur kan ter zake aanvullende voorwaarden stellen.

  • 2. Geen aanspraak tegenover het Risicofonds heeft de werkgever die niet heeft kunnen laten werken door kennelijk uitvoeringstechnische nalatigheid.

Artikel 9a Aanvullende vorstverlet beperkende maatregelen

De werkgever is gedurende de eigen risico periode verplicht om de volgende maatregelen te treffen als de werkgever de werknemer tijdens perioden van vorst laat doorwerken:

  • 1. Het voorbewerken van daartoe geëigende materialen en constructies of hulpconstructies in afgesloten en verwarmde ruimten.

  • 2. Het bij vorst- en/of sneeuwverwachting preventief beschermen van werkonderdelen waarop of waaraan moet worden gewerkt.

  • 3. Het plaatsen van afschermingen tegen wind bij uitvoering van werkzaamheden.

  • 4. Het dichtmaken met glas of andere materialen van afbouwwerken opdat afbouwwerkzaamheden tochtvrij kunnen worden uitgevoerd.

  • 5. Het verwarmen van bouwwerken of onderdelen van bouwwerken die definitief glas- en waterdicht zijn.

  • 6. Het in gebruik nemen van de definitieve centrale verwarmingsinstallatie zodra deze bedrijfsklaar is.

  • 7. Het bij vorst en/of vorstverwachting zo doelmatig mogelijk beschermen tegen bevriezing van de plaats waar moet worden gegraven.

  • 8. Het laten dragen van doelmatige winterkleding door de werknemers die in de open lucht moeten werken.

    Voor bedrijven die werkzaamheden verrichten in de grond-, weg- en waterbouw en waar geen sprake is van een vaste bouwplaatsopstelling zijn de punten 1 tot en met 6 niet van toepassing.

Artikel 10 Verplichte vorstmaatregelen bij onderaanneming

  • 1. Ingeval een werkgever in gebreke is gebleven de verplichte vorstmaatregelen te treffen en dientengevolge op een werkobject wegens vorst geen arbeid kan worden verricht door werknemers in dienst van een andere werkgever, heeft die andere werkgever slechts dan aanspraken jegens het Risicofonds, indien die andere werkgever niet mede verantwoordelijk is voor het achterwege blijven van de maatregelen en hij de eerstbedoelde werkgever tijdig schriftelijk heeft gemaand om de maatregelen te treffen.

  • 2. Indien het Risicofonds, in een situatie als in het eerste lid omschreven, de aanspraken van de daar bedoelde andere werkgever heeft voldaan, is het Risicofonds bevoegd het betrokken bedrag terug te vorderen van de werkgever, die in gebreke is gebleven de vereiste maatregelen te treffen.

HOOFDSTUK VII MELDING VORSTVERLET

Artikel 11 Melding vorstverlet

De werkgever dient tijdens de declaratieperiode op de dag, waarop hij wegens vorst de werkzaamheden heeft gestaakt of waarvoor hij uren als bedoeld in de eigen risico periode wil laten registreren, daarvan mededeling te doen aan het Risicofonds op de door het bestuur aangegeven wijze. Deze mededeling behoort voor elk werk afzonderlijk te worden gedaan.

Indien geen tijdige mededeling is gedaan als bedoeld in dit artikel vervalt in beginsel de aanspraak van de werkgever tegenover het Risicofonds over de dagen voorafgaande aan die mededeling.

HOOFDSTUK VIII DE DECLARATIESTAAT

Artikel 12 Declaratiestaat

De werkgever kan zijn aanspraak tegenover het Risicofonds slechts geldend maken door middel van een door of vanwege het Risicofonds ter beschikking gestelde of goedgekeurde declaratiestaat of andere gegevensdrager.

Artikel 13 Indiening declaratiestaat

  • 1. Om voor volledige vergoeding van de declaratie in aanmerking te komen dient de werkgever de declaratiestaat binnen zes weken na het einde van de week waarop de staat betrekking heeft op een door het bestuur aangewezen adres in te dienen.

  • 2. Indien de declaratiestaat niet is ingediend binnen zes weken wordt op het bij tijdige inlevering verschuldigde bedrag een korting toegepast overeenkomstig de navolgende regels:

    • indien de declaratiestaat wordt ingediend in de 7e tot en met de 8e week na het einde van de week waarop deze betrekking heeft, wordt van het verschuldigde bedrag uitbetaald 90%;

    • indien de declaratiestaat wordt ingediend in de 9e tot en met de 13e week na het einde van de week waarop deze betrekking heeft, wordt van het verschuldigde bedrag uitbetaald 75%;

    • indien de declaratiestaat wordt ingediend in de 14e tot en met de 26e week na het einde van de week waarop deze betrekking heeft, wordt van het verschuldigde bedrag uitbetaald 50%.

  • 3. Indien de declaratiestaat wordt ingediend later dan de 26e week na het einde van de week waarop deze betrekking heeft, vervalt de aanspraak.

HOOFDSTUK IX VERGOEDING AAN WERKGEVER

Artikel 14 Uitbetaling vergoeding aan werkgever

  • 1. Het Risicofonds zal binnen één week na ontvangst van een volledig ingevulde en ondertekende declaratiestaat de vergoeding aan de werkgever uitbetalen.

  • 2. Indien het bestuur aanleiding ziet om aan de uitbetaling van de declaratie een onderzoek naar de juistheid daarvan te doen voorafgaan vindt de uitbetaling eerst plaats zodra en voor zo ver uit het onderzoek is gebleken, dat de declaratie als juist kan worden erkend. Het Risicofonds stelt de werkgever in kennis van het instellen van een onderzoek.

HOOFDSTUK X SANCTIEBEPALINGEN

Artikel 15 Terugvordering

  • 1. In situaties waarin de werkgever de juistheid van de door hem ingediende en door het Risicofonds betaalbaargestelde declaraties niet aantoont, vordert het bestuur het betaalbaargestelde bedrag terug.

  • 2. Het bestuur is bevoegd in de in het eerste lid bedoelde situaties het teruggevorderde bedrag te verhogen met een bedrag ter hoogte van 25% van het betaalbaargestelde bedrag.

  • 3. Tevens is het bestuur bevoegd de wettelijke rente te vorderen vanaf het tijdstip van betaling van het aan de werkgever betaalbaar gestelde bedrag.

Artikel 16 Sanctie bij onjuiste declaratie

  • 1. In geval vast komt te staan dat een declaratie opzettelijk of wegens grove schuld van de werkgever onjuist is opgemaakt, geldt bij een eerste overtreding een boete van 25% van het ten onrechte gedeclareerde bedrag.

  • 2. Bij een tweede overtreding geldt een boete van 50% van het in het eerste lid bedoelde bedrag en bij een derde en volgende overtreding een boete van 100% van het in het eerste lid bedoelde bedrag.

  • 3. Bij ernstige en omvangrijke fraude van de werkgever geldt bij een eerste overtreding en bij volgende overtredingen een boete van 100% van het betrokken bedrag.

  • 4. Tevens kan het bestuur van de werkgever ter zake van het in het eerste lid bedoelde bedrag de wettelijke rente vorderen vanaf het tijdstip van betaling van dat bedrag aan de werkgever.

Artikel 16a Sanctie bij niet treffen van de aanvullende vorstverletperkende maatregelen

Indien gebleken is dat de werkgever de voorschriften als bedoeld in artikel 9a niet of onvoldoende naleeft of nageleefd heeft is het bestuur bevoegd:

  • de reeds geregistreerde uren eigen risico periode geheel of gedeeltelijk niet van toepassing te verklaren of;

  • de verdere opbouw van uren eigen risico te staken of;

  • de werkgever te verbieden een eigen risico periode te kiezen die groter is dan nul uren.

HOOFDSTUK XI RESTITUTIEREGELING

Artikel 17 Restitutieklassen

  • 1. Met in achtneming van het in de volgende leden bepaalde heeft de werkgever, die heeft voldaan aan zijn jegens het Risicofonds bestaande betalingsverplichting, aanspraak op restitutie van een gedeelte van de aan het Risicofonds betaalde bijdrage over het direct daaraan voorafgaande rechtjaar.

  • 2. Indien gedurende drie opeenvolgende declaratieperioden, inclusief de laatst verstreken declaratieperiode, niet is deelgenomen aan de declaratieregeling bedraagt de restitutie 80% van de aan het Risicofonds betaalde bijdrage over het voorgaande rechtjaar.

  • 3. De werkgever die over de laatstverstreken declaratieperiode voor het eerst onder de werkingssfeer van het Risicofonds valt komt voor 80% restitutie in aanmerking indien over deze declaratieperiode niet aan de declaratieregeling is deelgenomen.

  • 4. Onder deelnemen aan de declaratieregeling wordt in dit verband verstaan het inzenden van de mededeling als bedoeld in artikel 11 dat zich op een werk vorst heeft voorgedaan en/of het inzenden van een declaratiestaat.

Artikel 18 Berekening hoogte restitutie

  • 1. Voor de berekening van de hoogte van de restitutie wordt verstaan onder „de aan het Risicofonds betaalde bijdrage": het totaalbedrag van de over het betrokken rechtjaar door de werkgever aan dit fonds tijdig betaalde bijdragen.

  • 2. Indien echter de gemiddelde personeelsbezetting in het vierde en eerste kalenderkwartaal, vallende in het rechtjaar, lager is geweest dan die over het gehele rechtjaar wordt de in het vierde en eerste kwartaal betaalde bijdrage herleid naar een rechtjaar en dit herleide bedrag wordt in dat geval als grondslag gehanteerd.

  • 3. De gemiddelde personeelsbezetting wordt berekend door het totaal aantal dagen waarover bijdrage is betaald te delen door het maximum aantal dagen waarover door de werkgever voor een werknemer van 18 jaar of ouder bijdrage in dat tijdvak verschuldigd was.

  • 4. Het aan de werkgever toekomende restitutiebedrag wordt door het Risicofonds, eventueel na verrekening met openstaande schulden aan het Risicofonds, binnen 6 maanden na afloop van het rechtjaar uitgekeerd.

HOOFDSTUK XII VERSTREKKEN VAN INLICHTINGEN

Artikel 19

  • 1. De werkgever en de werknemer zijn verplicht aan het bestuur en aan een schriftelijk door hem gemachtigd persoon inzage te verlenen in alle bescheiden, die direct of indirect betrekking hebben op de betaling van de bijdrage, de loonbetaling enøf de declaraties, en voorts alle overige inlichtingen te verschaffen, die ten behoeve van de uitvoering van het bepaalde in de statuten en in dit reglement worden gevraagd.

  • 2. Degene die bij de uitvoering van het bepaalde in de statuten of in dit reglement kennis neemt van enig gegeven waarvan men het vertrouwelijke karakter moet begrijpen is daarover tegenover derden tot geheimhouding verplicht.

HOOFDSTUK XIII HARDHEIDSCLAUSULE

Artikel 20

Het bestuur is bevoegd tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard die zich bij de toepassing van dit reglement voordoen.

HOOFDSTUK XIV SLOTBEPALINGEN

Artikel 21 Nadere voorschriften

Teneinde een efficiënte werking van het Risicofonds te verzekeren, kunnen door het bestuur nadere voor-schriften gegeven worden in overeenstemming met de bepalingen van de statuten en van dit reglement, mits deze voorschriften niet in strijd komen met de bepalingen van de CAO.

Artikel 22 Inwerkingtreding

Dit reglement treedt in werking met ingang van 29 september 1999 onder intrekking van het voor die datum geldende reglement.

Artikel 23 Citeertitel

Dit reglement kan worden aangehaald als Vorst-uitkeringsreglement CAO-Bouwbedrijf 2000.

STATUTEN VORSTRISICOFONDS

Statuten van de stichting Vorstrisicofonds voor de Bouwnijverheid. Vastgesteld op 1 juli 1953. Laatstelijk gewijzigd door het bestuur bij besluit van 17 januari 1997.

Artikel 1 Naam en zetel

  • 1. De stichting draagt de naam „Stichting Vorstrisicofonds voor de Bouwnijverheid".

  • 2. De stichting is gevestigd te Amsterdam.

Artikel 2 Definities

In deze statuten wordt verstaan onder:

  • a. Risicofonds de in artikel 1 genoemde stichting;

  • b. cao: collectieve arbeidsovereenkomst;

  • c. werkgever: de werkgever in de zin van de:

    • CAO voor het Bouwbedrijf, of

    • CAO voor het Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzobedrijf;

  • d. werknemer: de werknemer in de zin van de:

    • CAO voor het Bouwbedrijf, of

    • CAO voor het Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzobedrijf;

  • e. bestuur: het bestuur als bedoeld in artikel 10 van de statuten;

  • f. reglement: een reglement als bedoeld in artikel 14 van de statuten;

  • g. sfb: de te Amsterdam gevestigde besloten vennootschap SFB CAO-Regelingen B.V.

Artikel 3 Doel

Het Risicofonds heeft ten doel:

  • a. in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen in de cao's en/of loonregelingen en volgens het (de) in artikel 14 lid 1 genoemde reglement(en), loonderving bij verzuim wegens vorst of de directe gevolgen daarvan in de bouwnijverheid in Nederland te bestrijden;

  • b. geldelijke steun te verlenen aan instellingen op het terrein van de bouwnijverheid die zich ten doel stellen:

    • 1. het doen ontwikkelen, bestuderen en propageren van middelen ter bestrijding van verlet wegens vorst of de directe gevolgen daarvan, en

    • 2. het geven van bijdragen aan werkgevers in de bouwnijverheid die maatregelen treffen om in de genoemde omstandigheden het personeel te doen doorwerken.

Artikel 4 Werkingssfeer

  • 1. In het Risicofonds wordt deelgenomen door de werkgevers en de werknemers op wie één van de hierna genoemde cao's van toepassing is:

    • a. de cao voor het Bouwbedrijf;

    • b. de cao voor het Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo-bedrijf;

    • c. enige cao of bindend opgelegde regeling van lonen en andere arbeidsvoorwaarden die voor één der hiervoor genoemde overeenkomsten in de plaats is gekomen.

  • 2. De statuten en de op basis van de statuten vastgestelde reglementen worden geacht onderdeel te zijn van de in het eerste lid van dit artikel genoemde cao's of bindend opgelegde regeling van lonen en andere arbeidsvoorwaarden.

Artikel 5 Duur

Het Risicofonds is opgericht voor onbepaalde tijd.

Artikel 6 Geldmiddelen

De geldmiddelen van het Risicofonds bestaan uit:

  • a. het stichtingskapitaal;

  • b. de bijdragen die ter uitvoering van het doel van het Risicofonds jaarlijks door de werkgevers worden opgebracht op de wijze als nader bij reglement(en) is bepaald;

  • c. renten;

  • d. eventuele overheidssubsidies;

  • e. geldleningen;

  • f. eventuele andere baten.

Artikel 7 Bijdrageverplichtingen

De werkgever is ten aanzien van zijn werknemer over iedere werkdag een bijdrage aan het Risicofonds verschuldigd zoals nader is aangegeven in het reglement.

Artikel 8 Uitkeringen

De overeenkomstig artikel 4 in het Risicofonds deelnemende werknemers hebben recht op uitkering in de gevallen, onder de voorwaarden en op de wijze als in de reglementen is vastgesteld.

Artikel 9 Administratie

Het Risicofonds draagt zijn administratie op aan het sfb.

Artikel 10 Bestuur

  • 1. Het bestuur van het Risicofonds bestaat uit twaalf leden. De benoeming geschiedt als volgt:

  • vijf door de Vereniging „Algemeen Verbond Bouwbedrijf" (AVBB);

  • één door de Stichting Federatie Aannemers in de Afbouw- en Nevenbedrijven van de Bouwnijverheid;

  • vier door de Bouw- en Houtbond FNV;

  • twee door de Hout- en Bouwbond CNV.

  • 2. Het lidmaatschap van het bestuur eindigt door intrekking van de benoeming door het orgaan dat het betrokken bestuurslid heeft aangewezen of door het bedanken van betrokkene.

  • 3. Ter vervanging van elk bestuurslid wordt een plaatsvervangend lid benoemd. Hetgeen is bepaald ten aanzien van bestuursleden geldt evenzeer voor plaatsvervangende leden.

  • 4. De leden van het bestuur en de directie mogen niet deelnemen aan leveringen of aannemingen ten behoeve van het Risicofonds of belang hebben bij de belegging van zijn gelden.

Artikel 11 Besluitvorming en quorum

  • 1. Het aantal stemmen dat elk bestuurslid uitbrengt wordt zodanig bepaald dat het aantal stemmen aan werkgeverszijde even groot is als het aantal stemmen aan werknemerszijde.

  • 2. Is het aantal ter vergadering aanwezige bestuursleden aan werkgeverszijde niet even groot als het aantal ter vergadering aanwezige bestuursleden aan werknemerszijde dan brengen de leden van die groep waarvan het grootste aantal ter vergadering aanwezig is ieder evenveel stemmen uit als het aantal stemmen van de leden van de andere groep ter vergadering aanwezig, maal het eigen stemmenaantal. De leden van de andere groep brengen in dat geval ieder evenveel stemmen uit als het aantal stemmen van de grootste groep ter vergadering aanwezig, maal het eigen stemmenaantal.

  • 3. Voorzover in deze statuten niet anders is bepaald kunnen geldige besluiten slechts worden genomen met gewone meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen.

  • 4. Door het bestuur worden geen beslissingen genomen indien niet meer dan de helft van het aantal bestuursleden aanwezig is. Indien het vereiste aantal bestuursleden in een vergadering niet aanwezig is kan in een volgende vergadering, ongeacht het aantal aanwezige bestuurs-leden, een besluit worden genomen over die voorstellen waarover wegens het ontbreken van het quorum in eerstbedoelde vergadering geen besluit kan worden genomen.

  • 5. Het bestuur kan slechts besluiten nemen indien ter vergadering ten minste één lid van werkgeverszijde en één lid van werknemerszijde aanwezig is.

Artikel 12 Delegatie

Het bestuur kan uitdrukkelijk omschreven bevoegdheden delegeren aan het sfb en/of aan door het bestuur, al dan niet geheel uit zijn midden, benoemde paritaire commissies waarbij aan deze commissies toestemming kan worden verleend, volgens door het bestuur te stellen richtlijnen, een deel van deze bevoegdheden weer over te dragen aan het sfb. De gedelegeerde bevoegdheden worden door de commissies en het sfb uitgeoefend onder toezicht en verantwoordelijkheid van het bestuur.

Artikel 13 Voorzitter en secretarissen

  • 1. Het bestuur benoemt uit zijn midden twee voorzitters: een van werkgeverszijde en een van werknemerszijde; deze vertegenwoordigen tezamen het Risicofonds in en buiten rechte.

  • 2. Om beurten treden de voorzitters voor de tijd van een kalenderjaar als voorzitter en als tweede voorzitter op.

  • 3. Het bestuur kiest uit zijn midden twee secretarissen: een van werkgeverszijde en een van werknemerszijde. Indien als voorzitter een werkgeversvertegenwoordiger fungeert, fungeert als secretaris de secretaris van werknemerszijde en omgekeerd.

Artikel 14 Reglementen

  • 1. Het bestuur stelt een of meer reglementen vast waarin wordt geregeld de wijze waarop het doel van het Risicofonds zal worden bereikt alsmede die zaken die nadere voorziening behoeven.

  • Het bestuur is zelfstandig bevoegd wijzigingen in een reglement aan te brengen.

  • Het reglement kan bepalingen inhouden die alleen gelden voor een of meer onderdelen van de bouwnijverheid mits door deze speciale voorzieningen de goede werking van het Risicofonds als geheel niet wordt geschaad

  • 2. Het reglement en eventuele wijzigingen daarin treedt niet in werking alvorens, krachtens goedkeuring door de partijen bij de in artikel 4 van deze statuten genoemde cao's, de tekst van het reglement is aanvaard voor een meerderheid van de werknemers in de bouwnijverheid.

  • Reglementswijzigingen die uitsluitend betrekking hebben op werkgevers en werknemers als bedoeld in één bepaalde cao behoeven alleen de goedkeuring van de partijen bij die cao.

  • 3. Ter verkrijging van de in het voorgaande lid bedoelde goedkeuring wordt het reglement (of worden de wijzigingen) toegezonden aan de organisaties die partij zijn bij de betrokken cao's. Een organisatie wordt geacht goedkeuring te hebben verleend indien die organisatie niet binnen acht weken na de toezending van het tegenovergestelde heeft doen blijken door het insturen van op schrift gestelde bezwaren.

  • 4. Een reglement en de in een reglement aangebrachte wijzigingen zullen niet in werking treden voordat een volledig exemplaar van die stukken, of onderscheidenlijk van de wijzigingen daarin door het bestuur ondertekend voor een ieder ter inzage zijn gelegd ter griffie van het kantongerecht te Amsterdam

Artikel 15 Beheer

  • 1. Het bestuur is belast met het beheer van het Risicofonds. Het is bevoegd uit naam van het Risicofonds alle handelingen te verrichten die met de doelstelling in overeenstemming zijn en die niet bij of krachtens deze statuten aan de bevoegdheid van het bestuur onttrokken zijn.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 291 tweede lid van Boek 2 BW omvat de bevoegdheid van het bestuur mede het sluiten van overeenkomsten tot het kopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen en het sluiten van overeenkomsten waarbij het Risicofonds zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidsstelling voor een schuld van een derde verbindt.

  • 3. De beleggingen van het Risicofonds zullen door het bestuur op een zodanige wijze geschieden dat:

    • a. een redelijke spreiding naar aard en risico der bezittingen en interessen wordt verkregen;

    • b. een optimaal rendement wordt verkregen;

    • c. geen belangrijk risico van blijvende vermogensverliezen wordt gelopen.

  • 4. De aan het Risicofonds toebehorende zaken worden als zij niet ten kantore worden gehouden in bewaring gegeven bij een ingevolge de Wet Toezicht Kredietwezen geregistreerde instelling.

  • 5. De kosten van beheer met betrekking tot een boekjaar komen ten laste van de rekening van baten en lasten over dat boekjaar.

Artikel 16 Boekjaar, accountant en jaarverslag

  • 1. Het boekjaar van het Risicofonds loopt, tenzij het bestuur anders beslist, van één juni tot en met een en dertig mei.

  • 2. Het bestuur benoemt, gehoord het sfb, een externe registeraccountant aan wie de controle van de jaarrekening wordt opgedragen.

  • 3. De registeraccountant is gerechtigd tot inzage van alle boeken en bescheiden van de stichting. De waarden van de stichting moeten hem desgevraagd worden getoond.

  • 4. De registeraccountant brengt tenminste eenmaal per jaar aan het bestuur verslag uit van zijn bevindingen.

  • 5. Het bestuur legt van zijn beleid jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar schriftelijk verantwoording aan partijen bij de in artikel 4 van deze statuten genoemde cao's af door middel van een verslag.

  • 6. Het in het vijfde lid bedoelde verslag bevat:

    • a. een algemeen overzicht van de werkzaamheden van de stichting gedurende het afgelopen boekjaar;

    • b. een rekening en verantwoording omtrent het beheer van de stichting, bestaande uit een balans en een rekening van baten en lasten, vergezeld van een verklaring van de registeraccountant terzake van zijn bevindingen bij de controle opgedaan;

    • c. in voorkomende gevallen, mededelingen omtrent de wijzigingen die in de statuten en/of reglement(en) hebben plaatsgehad.

  • 7. Het jaarverslag wordt toegezonden aan de werkgevers- en werknemersorganisaties betrokken bij de in de artikel 4 genoemde cao's.

  • 8. Het jaarverslag wordt ter inzage van de bij het Risicofonds betrokken werkgevers en werknemers gelegd:

    • a. ten kantore van het Risicofonds;

    • b. op een of meer door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen plaatsen.

  • 9. Het jaarverslag wordt op aanvraag aan de bij het Risicofonds betrokken werkgevers en werknemers toegezonden tegen betaling van de daaraan verbonden kosten.

Artikel 17 Wijziging statuten

  • 1. Wijzigingen in de statuten kunnen worden aangebracht bij besluit van het bestuur.

  • 2. Een besluit tot statutenwijziging moet worden genomen in een bijzondere daartoe uitgeschreven vergadering waarop tenminste de helft van de werkgevers- en tenminste de helft van de werknemersleden van het bestuur aanwezig is. De uitnodiging voor deze vergadering moet met het voorstel uiterlijk veertien dagen voor de vergadering aan de bestuursleden worden toegezonden.

  • 3. Indien op een vergadering waarin een statutenwijziging zal worden behandeld niet het voor het nemen van een besluit vereiste aantal leden aanwezig is zal binnen een maand nadien een tweede vergadering worden gehouden. De uitnodiging voor deze vergadering moet met het voorstel uiterlijk veertien dagen voor de vergadering aan de bestuursleden worden toegezonden. Het bestuur is bevoegd tot het nemen van een besluit ongeacht het ter vergadering aanwezige aantal leden.

  • 4. Een besluit tot statutenwijziging moet worden genomen met een meerderheid van twee derde der uitgebrachte geldige stemmen.

  • 5. Een statutenwijziging treedt in werking indien deze krachtens goedkeuring door de partijen bij de in artikel 4 van deze statuten genoemde cao's is aanvaard voor een meerderheid van de werknemers in de bouwnijverheid.

  • Ter verkrijging van de goedkeuring wordt de wijziging toegezonden aan de organisaties die partij zijn bij de betrokken cao's.

  • Een organisatie wordt geacht goedkeuring te hebben verleend indien die organisatie niet binnen acht weken na de toezending van het tegenovergestelde heeft doen blijken door het insturen van op schrift gestelde bezwaren.

  • 6. De statuten en de in de statuten aangebrachte wijzigingen zullen niet in werking treden voordat een volledig exemplaar van die stukken of onderscheidenlijk van wijzigingen daarin door het bestuur ondertekend voor een ieder ter inzage zijn gelegd ter griffie van het kantongerecht te Amsterdam.

Artikel 18 Ontbinding van de stichting

  • 1. Voor een besluit tot ontbinding van het Risicofonds gelden dezelfde bepalingen als voor een besluit tot wijziging van de statuten.

  • 2. In geval van ontbinding zal het bestuur – met een meerderheid en op een wijze als genoemd in lid 5 van het voorgaande artikel – met de liquidatie zijn belast, tenzij de organisaties die partij zijn bij een van de cao's genoemd in artikel 4 van deze statuten een ander besluit nemen.

  • 3. Het bestuur beslist over de bestemming van een batig saldo. Een batig saldo moet worden bestemd voor een doel dat het meest overeenkomt met het doel van het Risicofonds. Een nadelig saldo dient door de werkgevers te worden opgebracht.

Artikel 19 Ministerieel vertegenwoordiger

Als de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daartoe de wens te kennen geeft wordt in overleg tussen de minister en het bestuur een waarnemer toegelaten. De waarnemer is gerechtigd alle vergaderingen van het bestuur bij te wonen. De waarnemer ontvangt daartoe alle voor het bestuur bestemde stukken.

Artikel 20 Slotbepaling

In alle gevallen waarin niet door deze statuten of de reglementen van de stichting is voorzien beslist het bestuur.

Artikel 21 Inwerkingtreding

Deze statuten treden in werking met ingang van 17 januari 1997 onder intrekking van de voor die datum geldende statuten.

REGLEMENT VAKANTIEFONDS 2000

Laatstelijk integraal vastgesteld door het bestuur op 21 september 1995

HOOFDSTUK I BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1

In dit reglement wordt verstaan onder:

het Vakantiefonds: de Stichting Vakantiefonds voor de Bouwnijverheid, gevestigd te Amsterdam;

de statuten: de statuten van het Vakantiefonds;

het bestuur: het bestuur van het Vakantiefonds;

de Cao: de Cao voor het Bouwbedrijf, c.q. de Cao voor het Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo-/Vloerenbedrijf, c.q. de Cao voor het Natuursteenbedrijf, c.q. de Cao voor de Timmerfabrieken, c.q. de Cao Railinfrastructuur;

de werkgever: de werkgever op wie de bepalingen van één van de Cao's van toepassing zijn;

de werknemer: de werknemer op wie de bepalingen van één van de Cao's van toepassing zijn.

Als werknemer wordt tevens beschouwd degene die op basis van een overeenkomst met een uitzendburo werkzaamheden verricht als bedoeld in de Cao voor het Bouwbedrijf en voor wie krachtens de bepalingen van die Cao het uitzendburo gehouden is bijdragen te betalen aan het Vakantiefonds.

verlofdagen: de in de Cao bedoelde vakantiedagen, feestdagen en daarmee gelijkgestelde dagen.

het rechtjaar: de periode die begint met ingang van de zeventiende week van het kalenderjaar en eindigt aan het einde van de zestiende week van het daaropvolgende kalenderjaar;

het loon:

  • voor de werknemer op wie de Cao voor het Bouwbedrijf van toepassing is: het vast overeengekomen loon als omschreven in die Cao, vermeerderd met de resultaten van een prestatiebevorderend systeem voortvloeiend uit die Cao, indien dat voor de werknemer van toepassing is;

  • voor de werknemer op wie de Cao voor het Natuursteenbedrijf van toepassing is: het individueel geldende loon als omschreven in die Cao;

  • voor de werknemer op wie de Cao voor het Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo-/Vloerenbedrijf van toepassing is: het vast overeengekomen loon als omschreven in die Cao;

  • voor de werknemer op wie de Cao voor de Timmerfabrieken van toepassing is: het individueel overeengekomen loon;

  • voor de werknemer op wie de Cao Railinfrastructuur van toepassing is: het periode-inkomen.

    het vakantiewaardepercentage: het vastgestelde percentage voor de opbouw van de loonderving tijdens de verlofdagen en de vakantietoeslag (in de Cao aangeduid als „uniform percentage");

    de vakantiewaarde: het ten gunste van een werknemer bij het Vakantiefonds in diens tegoed geboekte geldbedrag, dat wordt verkregen door vermenigvuldiging van het voor die werknemer geldende vakantiewaardepercentage met het loon;

    het vakantiebijdragepercentage: het percentage van het loon dat de werkgever periodiek aan het Vakantiefonds dient af te dragen;

    het kortingspercentage: het verschil tussen het vakantiewaardepercentage en het vakantiebijdragepercentage;

    de loonkosten: het loon, alsmede de werkgeversbijdrage sociale verzekeringswetten, de overhevelingstoeslag en de premies en bijdragen ingevolge de Cao.

HOOFDSTUK II INNEN EN UITBETALEN VAN DE VAKANTIEWAARDEN

Artikel 2 De aan het Vakantiefonds verschuldigde bijdragen

  • 1. Het bestuur stelt jaarlijks een begroting op. Deze begroting wordt aan belanghebbenden op verzoek ter inzage beschikbaar gesteld.

  • 2. Het vakantiewaardepercentage, het vakantiebijdragepercentage en het kortingspercentage worden jaarlijks door het bestuur vastgesteld na goedkeuring door partijen bij de toepasselijke Cao.

  • 3. In het kalenderjaar 2000 bedraagt het vakantiebijdragepercentage voor werkgevers vallende onder:

    • de Cao voor het Bouwbedrijf 22,66

    • de Cao voor het Stukadoors- Afbouw- en Terrazzo/Vloerenbedrijf 22,72

    • de Cao voor het Natuursteenbedrijf 22,64

    • de Cao voor de Timmerfabrieken 22,64 en

    • de Cao Railinfrastructuur 22,45.

  • 4. Het vakantiebijdragepercentage is door de werkgever verschuldigd over het loon.

Artikel 3 Wijze van betalen

  • 1. De betaling van de verschuldigde bijdrage dient binnen veertien dagen na afloop van het loonbetalingstijdvak of na een periode van vier weken te hebben plaatsgevonden.

  • 2. Indien deze betaling niet tijdig heeft plaatsgevonden is de werkgever in verzuim.

  • 3. Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen over de achterstallige betalingen.

  • 4. Deze rente is gelijk aan de wettelijke rente.

Artikel 4 De vakantiewaarden

De vakantiewaarden zijn bestemd ter financiering van de verlofdagen en van de vakantietoeslag.

Artikel 5 Uitbetalen vakantiewaarden

  • 1. Het dagbedrag dat de werknemer ter gelegenheid van de verlofdagen uit zijn tegoed kan opnemen wordt jaarlijks door het bestuur vastgesteld.

  • 2. Voor een verlofdag wordt slechts tot uitbetaling overgegaan indien een schriftelijke verklaring van de werkgever wordt overlegd waaruit blijkt dat deze met het opnemen van de verlofdag akkoord gaat en mits het tegoed van de werknemer toereikend is.

  • 3. Verzoeken tot uitbetaling van dagbedragen dienen door de werknemer op een door het bestuur aan te geven wijze en plaats te worden ingediend.

  • 4. De niet eerder uitbetaalde vakantiewaarden worden vóór de jaarlijkse zomervakantie giraal aan de werknemer uitbetaald. Artikel 6Beschikken over het tegoed

  • 1. Vóór het tijdstip waarop uitbetaling van vakantiewaarden mogelijk is, is de aanspraak van de werknemer op zijn tegoed onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding of belening.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid is uitbetaling van vakantiewaarden mogelijk:

    • op het moment dat de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, tenzij de werknemer in dienstbetrekking blijft werken;

    • indien de werknemer gebruik maakt van een regeling voor vervroegde uittreding (vut);

    • indien de werknemer emigreert;

    • indien de werknemer overlijdt;

    • indien aan de werknemer een uitkering wordt toegekend krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktsheidsverzekering naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100 procent;

    • indien de werknemer definitief vertrekt uit de bedrijfstak bouwnijverheid.

Artikel 7 Verjaring uitbetalingstermijn

De vakantiewaarden zullen door het Vakantiefonds aan de werknemers worden uitbetaald tot maximaal vijf jaar na afloop van het rechtjaar. Na afloop van voormelde termijn zal uitbetaling niet meer geschieden.

HOOFDSTUK III UITKERINGEN AAN WERKNEMERS BIJ CURSUS

Artikel 8 Aanvullende uitkeringen

  • 1. Werknemers die als gevolg van het volgen van een omscholings- of herscholingscursus aan een centrum voor vakopleiding van volwassenen of het afleggen van een examen aan een centrum voor vakopleiding van volwassenen, gedurende de loop van een rechtjaar vakantiewaarden derven hebben recht op een uitkering van het Vakantiefonds.

  • 2. De werknemer dient in het jaar direct voorafgaande aan de onderbreking van zijn werkzaamheden wegens scholing of het afleggen van een examen ten minste 65 dagen als werknemer te hebben gewerkt.

  • 3. Het dienstverband mag tijdens de vakantieperiode niet verbroken zijn.

  • 4. De hoogte van deze uitkering wordt door het bestuur bepaald.

  • 5. De hoogte van de aanvullende uitkeringen kan ten aanzien van elk van de hiervoor genoemde groepen van werknemers en per Cao verschillend zijn.

HOOFDSTUK IV DECLARATIEREGELING EXTRA VERLOFDAGEN

Artikel 9 Extra verlofdagen oudere werknemers

  • 1. Overeenkomstig het bepaalde in de Cao hebben oudere werknemers recht op extra verlofdagen met behoud van loondoorbetaling door de werkgever.

  • 2. Aan de werkgever worden onder de voorwaarden die de Cao stelt de loonkosten over deze dagen vergoed.

  • 3. De werkgever dient deze loonkosten uiterlijk binnen zes maanden na het opnemen van de extra verlofdag bij het Vakantiefonds te declareren.

  • 4. Na deze termijn ontvangen aanvragen worden niet vergoed.

  • 5. De over enig rechtjaar opgebouwde extra verlofdagen dienen uiterlijk op de laatste dag van het kalenderjaar waarin dat rechtjaar eindigt te zijn opgenomen. Nadien opgenomen dagen komen niet voor vergoeding door het Vakantiefonds in aanmerking.

  • 6. De werknemer wiens dienstverband tijdens arbeidsongeschiktheid wordt beëindigd heeft recht op uitbetaling van het loon over de opgebouwde maar niet opgenomen extra verlofdagen.

  • 7. Laatstbedoelde werknemer dient daartoe binnen zes maanden na beëindiging van het dienstverband een verzoek in te dienen bij zijn werkgever. Het ingevolge de eerste volzin aan de werknemer uitbetaalde loon kan de werkgever bij het Vakantiefonds declareren.

HOOFDSTUK V DECLARATIEREGELING SCHOOLVERLATERS

Artikel 10 Loondervingsuitkering schoolverlaters

  • 1. Overeenkomstig het bepaalde in de Cao hebben schoolverlaters die bij een bedrijfssluiting als gevolg van vakantie in het kalenderjaar waarin deze de school verlaten hebben niet over voldoende vakantiewaarden beschikken recht op doorbetaling van het loon.

  • 2. Aan de werkgever worden de loonkosten over deze dagen vergoed.

  • 3. De werkgever dient deze loonkosten uiterlijk binnen zes maanden na de bedrijfssluiting bij het Vakantiefonds te declareren.

HOOFDSTUK VI VERREKENING EN SANCTIES

Artikel 11 Verrekening

Als de werkgever ten tijde van de vaststelling van de vergoedingen ingevolge de artikelen 9 en 10 van het reglement door het Vakantiefonds een opeisbare schuld aan het fonds heeft wordt deze schuld met de te betalen bedragen verrekend.

Artikel 12 Sanctie bij onjuiste declaratie

  • 1. Indien de werkgever desverlangd de juistheid van een door het Vakantiefonds betaalbaar gestelde declaratiestaat niet aantoont, dient hij het betrokken bedrag aan het Vakantiefonds terug te betalen.

  • 2. Het bestuur kan bovendien beslissen dat de werkgever een boete aan het Vakantiefonds verschuldigd is.

  • 3. In geval van opzet en grove schuld van de werkgever geldt bij een eerste overtreding een boete van 25% van het betrokken bedrag, bij een tweede overtreding een boete van 50% van het in het betrokken bedrag en bij een derde en volgende overtreding een boete van 100% van het betrokken bedrag.

  • 4. Bij elke ernstige of omvangrijke fraude van de werkgever geldt een boete van 100% van het betrokken bedrag.

  • 5. Het bestuur kan de vordering verhogen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van betaling van dat bedrag aan de werkgever.

HOOFDSTUK VII VERSTREKKEN VAN INLICHTINGEN

Artikel 13 Verstrekken van inlichtingen

De werkgever en werknemer zijn verplicht aan het bestuur of een schriftelijk door hem gemachtigd persoon alle opgaven en inlichtingen te verstrekken die van hen worden verlangd ten behoeve van de uitvoering van de taak van het Vakantiefonds. De werkgever is desverlangd gehouden inzage van zijn boeken, bescheiden of andere stukken te geven, voor zover die betrekking hebben op de arbeid en het loon van de werknemer.

Artikel 14 Controle declaraties

De werkgever is gehouden om op verzoek van het bestuur de juistheid van de ingediende declaratiestaat aan te tonen, bijvoorbeeld door overlegging van administratieve bescheiden.

HOOFDSTUK VIII BUITENLAND

Artikel 15 Werken in het buitenland

  • 1. Bij arbeid buiten Nederland, waarop de Nederlandse sociale verzekeringswetten van toepassing zijn, terwijl de bepalingen van de Cao en loonregelingen van toepassing zouden zijn geweest, indien overeenkomstige werkzaamheden in Nederland verricht zouden zijn, kunnen de werkgever en de werknemer overeenkomen dat vakantiewaarden worden opgebouwd met inachtneming van de bepalingen van dit reglement.

  • 2. Voor de bepaling van het loon waarover vakantiewaarden worden opgebouwd wordt uitgegaan van het loon dat de werknemer zou verdienen indien hij gelijksoortige arbeid in Nederland verricht.

HOOFDSTUK IX SLOTBEPALINGEN

Artikel 16 Hardheidsclausule

Het bestuur is bevoegd voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard die zich bij de toepassing van dit reglement voordoen.

Artikel 17 Slotbepalingen

Teneinde een efficiënte werking van het Vakantiefonds te verzekeren, kunnen door het bestuur nadere voorschriften gegeven worden, in overeenstemming met de bepalingen der statuten en van dit reglement, mits deze voorschriften niet in strijd komen met één of meer bepalingen van de Cao.

Artikel 18 Inwerkingtreding

Dit reglement treedt in werking met ingang van 27 juni 1955.

De laatste wijziging van dit reglement is van 10 juli 2000.

STICHTING SCHOLINGSFONDS VOOR HET BOUWBEDRIJF

Reglement Scholingsdagen bedoeld in artikel 11 van de statuten van de Stichting Scholingsfonds voor het Bouwbedrijf

Artikel 1 Definities

In dit reglement wordt verstaan onder:

  • a. het fonds: de Stichting Scholingsfonds voor het Bouwbedrijf.

  • b. cao: CAO voor het Bouwbedrijf.

  • c. werkgever: de werkgever op wie de bepalingen van de cao van toepassing zijn.

  • d. werknemer: de werknemer op wie de bepalingen van de cao van toepassing zijn. Als werknemer wordt tevens beschouwd degene die op basis van een overeenkomst met een uitzendburo werkzaamheden verricht als bedoeld in de cao en voor wie krachtens de bepalingen van die cao het uitzendburo gehouden is bijdragen te betalen aan het fonds.

  • e. bestuur: het bestuur van het fonds.

  • f. het loon: het vast overeengekomen loon per betalingsperiode als bedoeld in artikel 1, twaalfde lid, onder b van de cao, vermeerderd met de daarbij behorende vakantiewaarde. Indien een prestatiebevorderend systeem zoals bedoeld in artikel 21, tweede van de cao van toepassing is, dient het vast overeengekomen loon te worden vermeerderd met de gemiddelde prestatiepremie gedurende de betalingsperiode.

  • g. verletkosten: het loon, alsmede de over dat loon op grond van de bepalingen in de cao door de werkgever verschuldigde premies en bijdragen.

  • h. sfb: SFB CAO-Regelingen B.V. te Amsterdam.

Artikel 2 De aan het fonds verschuldigde bijdrage

  • 1. Het bestuur stelt jaarlijks een begroting op. Deze begroting wordt aan belanghebbenden op hun verzoek ter inzage beschikbaar gesteld.

  • 2. De werkgever is aan het fonds een bijdrage verschuldigd als nader aangegeven in de leden 3 en 4. De bijdrage wordt berekend op basis van het premieloon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen.

  • 3. De bijdrage zoals bedoeld in het tweede lid wordt vastgesteld door de organisaties van werkgevers en werknemers die partij zijn bij de cao. Deze organisaties kunnen het bijdragepercentage wijzigen.

  • 4. De in het tweede lid van dit artikel bedoelde bijdrage is door het sfb, dat daartoe door het fonds gemachtigd is, terstond en ineens opeisbaar op 31 december van het betreffende kalenderjaar.

  • 5. De bijdrage bedraagt in het kalenderjaar 2000 1,95 procent.

Artikel 3 Wijze van betalen

  • 1. De betaling van de verschuldigde bijdrage dient binnen veertien dagen na afloop van het loonbetalingstijdvak of na een periode van vier weken te hebben plaatsgevonden.

  • 2. Indien deze betaling niet tijdig heeft plaatsgevonden, is de werkgever in verzuim.

  • 3. Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen over de achterstallige betalingen.

  • 4. Deze rente is gelijk aan de wettelijke rente.

  • 5. Het bestuur is bevoegd forfaitaire invorderingskosten bij de werkgever in rekening te brengen.

Artikel 4 Bijdragerestitutie

  • 1. Als de omvang van de vermogensreserve van het fonds naar de opvatting van het bestuur daartoe aanleiding geeft, is het bestuur bevoegd te besluiten over te gaan tot bijdragerestitutie aan de deelnemende werkgevers.

  • 2. Een besluit tot bijdragerestitutie behoeft de goedkeuring van de organisaties van werkgevers en werknemers die partij zijn bij de cao.

Artikel 5 Vergoeding van verletkosten

De werkgever heeft tegenover het fonds aanspraak op vergoeding van verletkosten verbonden aan een door werknemer gevolgde cursus die

  • verband houdt met zijn huidige of toekomstige beroep bij een werkgever vallende onder de werkingssfeer van de cao èn

  • door het bestuur is goedgekeurd.

Artikel 6 Vergoeding van cursuskosten

Het fonds vergoed aan de werkgever cursuskosten volgens de bepalingen in de cao. De voorwaarden waaronder deze vergoeding wordt verstrekt, worden doorhet bestuur van het fonds vastgesteld.

Artikel 7 Subsidies in het kader van een voorschakeltraject

De werkgever kan ter zake van reiskosten die zijn werknemer maakt in verband met het volgen van een cursus een vast bedrag per dag bij het fonds declareren. Dit bedrag wordt, na verkregen goedkeuring van partijen, jaarlijks doorhet bestuur vastgesteld.

Artikel 8 Verrekening

Als de werkgever ten tijde van de vaststelling van de vergoedingen door het fonds ingevolge artikel 5 een opeisbare schuld aan het fonds heeft, wordt deze schuld met het te betalen bedrag verrekend.

Artikel 9 Scholingsdagen tijdens ziekte, vorstverlet of werkloosheid

  • 1. Als de werkgever een scholingsbeleid heeft zoals voorgeschreven in artikel 35b van de cao, verstrekt het Scholingsfonds de vergoedingen genoemd in de artikelen 5 en 6 ook als een werknemer tijdens ziekte deelneemt aan een cursus.

  • 2. Als een werknemer deelneemt aan een cursus op een dag dat hij anders wegens vorst niet gewerkt zou hebben, verstrekt het Scholingsfonds de vergoedingen genoemd in de artikelen 5 en 6 onder de voorwaarde dat de scholingsdagen al voor het intreden van vorst gepland waren.

  • 3. Als een werknemer tijdens werkloosheid deelneemt aan een cursus, verstrekt het Scholingsfonds de volgende vergoedingen onder de voorwaarden dat werknemer tijdens de dienstbetrekking is aangemeld voor de cursus en de cursus gevolgd wordt binnen vier maanden na het beëindigen van de dienstbetrekking:

    • aan werkgever de vergoeding genoemd in artikel 6 èn

    • aan werknemer een vergoeding voor reiskosten van een vast bedrag per dag en een aanvulling op zijn uitkering op grond van de Werkloosheidswet plus aanvulling vanuit het Aanvullingsfonds WW, tot in totaal 100 procent van het dagloon WW. Bedoeld bedrag wordt na verkregen goedkeuring van partijen, jaarlijks door het bestuur vastgesteld.

Artikel 10 Vergoedingen

  • 1. Het fonds stelt op basis van deelnamelijsten van het desbetreffende opleidingsinstituut voor de werkgever een specificatie van aan hem te betalen vergoedingen op.

  • 2. Gelijktijdig met de toezending van de specificatie aan de werkgever wordt overgegaan tot betaling van het bedrag dat op de specificatie staat.

Artikel 11 Verstrekken van inlichtingen

  • 1. De werkgever en de werknemer zijn verplicht aan het bestuur en aan degene, die door het bestuur schriftelijk tot het inwinnen van inlichtingen is gemachtigd, inzage te verlenen van alle bescheiden, en voorts alle overige inlichtingen te verschaffen, die ten behoeve van de uitvoering van het bepaalde in de statuten van het fonds en in dit reglement worden gevraagd.

  • 2. Degene aan wie bij de uitvoering van het bepaalde in de statuten van het fonds of in dit reglement enig bedrijfsgegeven (waarvan hij het vertrouwelijk karakter moet begrijpen) ter kennis komt, is dienaangaande jegens derden tot geheimhouding verplicht.

Artikel 12 Garantie

Het bestuur kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de aanspraken van de werknemer als diens werkgever ten opzichte van hem de verplichting niet nakomt om het loon te verstrekken over opgenomen scholingsdagen, als bedoeld in artikel 35b, eerste lid van de cao.

Artikel 13 Voorschriften

Teneinde een efficiënte werking van het fonds te verzekeren, kunnen door het bestuur nadere voorschriften gegeven worden in overeenstemming met de bepalingen van de statuten en van dit reglement, mits deze voorschriften niet in strijd komen met een of meer bepalingen van de cao. In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet beslist het bestuur.

Artikel 14 Inwerkingtreding

Dit reglement is in werking getreden met ingang van 1 januari 1988 en is laatstelijk gewijzigd op 6 juli 2000.

Artikel 15 Citeertitel

Dit reglement kan worden aangehaald als Scholingsfonds- reglement 2000/1.

Statuten van de Stichting Aanvullingsfonds WW voor de Bouwnijverheid

VASTGESTELD OP 1 JANUARI 1988

LAATSTELIJK GEWIJZIGD BIJ BESTUURSBESLUIT VAN 18 FEBRUARI 1997.

Artikel 1 Naam en zetel

  • 1. De stichting draagt de naam „Stichting Aanvullingsfonds WW voor de Bouwnijverheid".

  • 2. De stichting is gevestigd te Amsterdam.

Artikel 2 Definities

In deze statuten wordt verstaan onder:

  • a. fonds: de in artikel 1 genoemde stichting;

  • b. CAO: Collectieve Arbeidsovereenkomst;

  • c. werkgever: de werkgever in de zin van de:

  • CAO voor het Bouwbedrijf, of CAO voor het Uitvoerend, Technisch en Administratief personeel in de Bouwbedrijven, of CAO voor het Schilders-, Afwerkings- en Glaszetbedrijf, of CAO betreffende de loon- en arbeidsvoorwaarden voor het personeel werkzaam in het Baggerbedrijf, of CAO voor het Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzobedrijf, of CAO voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven, of CAO voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen, of CAO voor het Natuursteenbedrijf;

  • d. werknemer: de werknemer in de zin van de:

  • CAO voor het Bouwbedrijf, of CAO voor het Uitvoerend, Technisch en Administratief personeel in de Bouwbedrijven, of CAO voor het Schilders-, Afwerkings- en Glaszetbedrijf, of CAO betreffende de loon- en arbeidsvoorwaarden voor het personeel werkzaam in het Baggerbedrijf, of CAO voor het Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzobedrijf, of CAO voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven, of CAO voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen, of CAO voor het Natuursteenbedrijf;

  • e. bestuur: het bestuur als bedoeld in artikel 10 van de statuten;

  • f. reglement: een reglement als bedoeld in artikel 3 lid 3 van de statuten;

  • g. SFB: de SFB CAO-regelingen B.V. te Amsterdam;

  • h. directie: de directie van het SFB;

  • i. pensioenpremie: de betaling ter voortzetting van de pensioenopbouw conform het daaromtrent bepaalde bij of krachtens de laatstelijk op de werknemer van toepassing zijnde CAO;

  • j. vakantiegeld: de aanspraak van de werknemer op een betaling ter bestrijding van loonderving over het aantal hem toekomende vakantie-, snipper- en feestdagen en/of de vakantietoeslag.

Artikel 3 Doel

  • 1. Het fonds heeft ten doel aan, of ten behoeve van, werknemers die een uitkering krachtens de WW, de WAO of de ZW ontvangen een aanvulling te verstrekken of een verstrekking te doen, als door partijen bij één van de in artikel 2 genoemde collectieve arbeidsovereenkomsten is overeengekomen een dergelijke aanvulling/verstrekking via het fonds te regelen.

  • 2. Het fonds heeft verder ten doel de financiering van uitkeringen aan deelnemers in werkgelegenheidsprojecten, indien zulks is overeengekomen in één van de in artikel 2 genoemde collectieve arbeidsovereenkomsten.

  • 3. De nadere voorwaarden waaronder de in het eerste en tweede lid genoemde aanvullingen, verstrekkingen en uitkeringen worden toegekend worden bij reglement vastgesteld.

Artikel 4 Werkingssfeer

  • 1. De regeling is van toepassing op werknemers die in loondienst werkzaam zijn of zijn geweest bij een werkgever als bedoeld in artikel 2 van deze statuten.

  • 2. De statuten en de op basis van de statuten vastgestelde reglementen worden geacht onderdeel te zijn van de in artikel 2 genoemde collectieve arbeidvoorwaarden/overeenkomsten.

Artikel 5 Duur

Het fonds is opgericht voor onbepaalde tijd.

Artikel 6 Geldmiddelen

De geldmiddelen van het fonds bestaan uit:

  • a. de bijdragen die voor de financiering van de regeling door de werkgevers en werknemers worden opgebracht;

  • b. rente;

  • c. eventuele andere baten.

Artikel 7 Bijdrageverplichtingen

Bijdrageplichtig zijn degenen die krachtens een bepaling van de CAO of anderszins verplicht zijn tot het geven van bijdragen als bedoeld in artikel 6 aan de stichting.

Artikel 8 Bijdragen

  • 1. De methode van de berekening van de bijdragen als bedoeld in artikel 6 alsmede de wijze van incassering daarvan worden bij reglement als bedoeld in artikel 3 vastgesteld.

  • 2. De hoogte van de in het eerste lid bedoelde bijdragen worden telkenmale door het bestuur van de stichting vastgesteld.

  • 3. Met het saldo tussen baten en lasten, zoals dit blijkt uit de laatstelijk vastgestelde jaarrekening(en) zal in het volgende boekjaar bij de vaststelling van de desbetreffende bijdrage rekening worden gehouden.

Artikel 9 Administratie

  • 1. Het fonds draagt zijn administratie op aan het SFB.

  • 2. De directie van het fonds berust bij de directie van het SFB.

Artikel 10 Bestuur

  • 1. Het bestuur van het fonds bestaat uit twaalf leden en wel zes van werkgeverszijde en zes van werknemerszijde.

  • Vijf leden van werkgeverszijde worden benoemd door de vereniging Algemeen Verbond Bouwbedrijf (AVBB).

  • Eén lid van werkgeverszijde wordt benoemd door de Stichting Federatie Aannemers in de Afbouw- en Nevenbedrijven voor de Bouwnijverheid (FAANB).

  • Vier leden van werknemerszijde worden benoemd door de Bouw- en Houtbond FNV.

  • Twee leden van werknemerszijde worden benoemd door de Nederlandse Christelijke Bond van Werknemers in de Hout- en Bouwnijverheid (de Hout- en Bouwbond CNV).

  • 2. Indien langdurige afwezigheid van één der bestuursleden kan worden verwacht, kan de instelling, die dat bestuurslid heeft benoemd, een plaatsvervanger aanwijzen.

  • 3. Het lidmaatschap van het bestuur eindigt door bedanken, dan wel door intrekking van de benoeming door de instelling, die het betrokken bestuurslid heeft aangewezen.

  • 4. Indien in het bestuur één of meer vacatures ontstaan, wordt daarin zo spoedig mogelijk voorzien; de benoeming geschiedt door de instelling, door welke het lid, wiens zetel is opengevallen, was aangewezen. Gedurende het bestaan van een vacature behoudt het bestuur zijn volledige bevoegdheden.

  • 5. Bestuursleden genieten geen bezoldiging ten laste van het fonds; het bestuur kan een regeling treffen inzake vacatiegelden en vergoeding van reis- en verblijfkosten.

Artikel 11 Besluitvorming

  • 1. Het aantal stemmen dat elk bestuurslid uitbrengt wordt zodanig bepaald, dat het aantal stemmen aan werkgeverszijde even groot is als het aantal stemmen aan werknemerszijde.

  • 2. Is het aantal ter vergadering aanwezige stemmen aan werkgeverszijde niet even groot als het aantal ter vergadering aanwezige stemmen aan werknemerszijde, dan brengen de leden van die groep waarvan het grootste stemmenaantal ter vergadering aanwezig is, ieder evenveel stemmen uit als het aantal stemmen van de leden van de andere groep, ter vergadering aanwezig, maal het eigen stemmenaantal. De leden van de andere groep brengen alsdan ieder evenveel stemmen uit als het aantal stemmen van de leden van de grootste groep, ter vergadering aanwezig, maal het eigen stemmenaantal.

  • 3. Voorzover in deze statuten niet anders is bepaald, kunnen geldige besluiten slechts worden genomen met gewone meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen.

  • 4. Door het bestuur worden geen beslissingen genomen, indien niet meer dan de helft van het aantal bestuursleden aanwezig is. Indien het vereiste aantal bestuursleden in een vergadering niet aanwezig is, kan in een volgende vergadering, ongeacht het aantal aanwezige bestuursleden, een besluit worden genomen over die voorstellen waarover wegens het ontbreken van het quorum in eerstbedoelde vergadering geen besluit kon worden genomen.

Artikel 12 Mandaat

Het bestuur kan uitdrukkelijk omschreven bevoegdheden mandateren aan het sfb en/of aan door het bestuur al dan niet geheel uit zijn midden benoemde paritaire commissies. De gemandateerde bevoegdheden worden door de commissies en het SFB uitgeoefend onder toezicht en verantwoordelijkheid van het bestuur.

Artikel 13 Voorzitters en secretarissen

  • 1. Het bestuur benoemt uit zijn midden twee voorzitters: één van werkgeverszijde en één van werknemerszijde; deze vertegenwoordigen tezamen het fonds in en buiten rechte.

  • 2. Om beurten treden de voorzitters voor de tijd van een jaar als voorzitter en als tweede voorzitter op. Het bestuur wijst bij de eerste benoeming van twee voorzitters aan, welke van hen beiden gedurende het eerste boekjaar als voorzitter en welke als tweede voorzitter zal optreden.

  • 3. Het bestuur kiest uit zijn midden twee secretarissen: één van werkgeverszijde en één van werknemerszijde. Indien als voorzitter een werkgeversvertegenwoordiger fungeert, fungeert als secretaris de secretaris van werknemerszijde, en omgekeerd.

Artikel 14 Reglementen

  • 1. Het bestuur stelt één of meerdere reglementen vast als bedoeld in artikel 3 van de statuten, waarin wordt geregeld de wijze waarop het doel van het fonds zal worden bereikt, alsmede die zaken die nadere voorziening behoeven.

  • 2. Het bestuur is zelfstandig bevoegd wijzigingen in een reglement aan te brengen. Het bestuur brengt een reglementswijziging ter kennis van de werkgevers- en werknemersorganisaties betrokken bij de in artikel 2 genoemde CAO'en.

  • 3. Een reglement, alsmede de in het reglement aangebrachte wijzigingen zullen niet in werking treden, alvorens een volledig exemplaar van die stukken, onderscheidenlijk van de wijzigingen daarin, door het bestuur ondertekend, voor een ieder ter inzage zijn gelegd ter griffie van het kantongerecht te Amsterdam.

  • 4. Ten aanzien van de besluitvorming over de vaststelling of wijziging van een reglement is het bepaalde in artikel 17 van toepassing.

Artikel 15 Beheer van het fondsvermogen

  • 1. Het bestuur is belast met het beheer van het fonds. Het is bevoegd uit naam van het fonds alle handelingen te verrichten, welke met de doelstelling in overeenstemming zijn en die niet bij of krachtens deze statuten aan de bevoegdheid van het bestuur onttrokken zijn.

  • 2. Het bestuur is bevoegd tot het sluiten van overeenkomsten tot het kopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen. Het bestuur is niet bevoegd tot het sluiten van overeenkomsten, waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een derde verbindt.

  • 3. Het bestuur belegt (tijdelijk overtollige) middelen op een zodanige wijze dat:

    • a. een redelijke spreiding naar aard en risico der bezittingen en interessen wordt verkregen;

    • b. een optimaal rendement wordt verkregen;

    • c. geen belangrijk risico van blijvende vermogensverliezen wordt gelopen.

  • 4. De aan de stichting toebehorende zaken worden, indien zij niet ten kantore worden gehouden, in bewaring gegeven bij een ingevolge de Wet Toezicht Kredietwezen geregistreerde instelling.

  • 5. De kosten van beheer met betrekking tot een boekjaar komen ten laste van de rekening van baten en lasten over dat boekjaar.

Artikel 16 Boekjaar, accountant en jaarverslag

  • 1. Het boekjaar van het fonds valt samen met het kalenderjaar.

  • 2. Het bestuur benoemt een externe registeraccountant, aan wie de controle van de jaarrekening wordt opgedragen.

  • 3. De registeraccountant is gerechtigd tot inzage van alle boeken en bescheiden van de stichting. De waarden van de stichting moeten hem desverlangd worden getoond.

  • 4. De registeraccountant brengt tenminste eenmaal per jaar aan het bestuur verslag uit over zijn bevindingen.

  • 5. Het bestuur legt van de uitvoering van het beleid jaarlijks binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar schriftelijk verantwoording af.

  • 6. Het in het vijfde lid bedoelde verslag bevat:

    • a. een algemeen overzicht van de werkzaamheden van de stichting gedurende het afgelopen boekjaar;

    • b. een rekening en verantwoording omtrent het beheer van de stichting, bestaande uit een balans en een staat van lasten en baten van elke regeling waarvoor een aparte bijdrage verschuldigd is, vergezeld van een verklaring van de registeraccountant ter zake van zijn bevindingen bij de controle opgedaan;

    • c. in voorkomende gevallen, mededeling omtrent de wijzigingen die in de statuten en/of reglement(en) hebben plaatsgehad.

  • 7. Het jaarverslag wordt toegezonden aan de werkgevers- en werknemersorganisaties betrokken bij de in artikel 2 genoemde CAO'en.

  • 8. Het jaarverslag wordt ter inzage van de bij de stichting betrokken werkgevers en werknemers gelegd:

    • a. ten kantore van de stichting;

    • b. op een of meer door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen plaatsen.

  • 9. Het jaarverslag wordt op aanvraag aan de bij de stichting betrokken werkgevers en werknemers toegezonden tegen betaling van de daaraan verbonden kosten.

Artikel 17 Wijziging Statuten

  • 1. Het bestuur is zelfstandig bevoegd deze statuten te wijzigen. Het bestuur brengt een statutenwijziging ter kennis van de werkgevers- en werknemersorganisaties betrokken bij de in artikel 2 genoemde CAO'en.

  • 2. Een besluit tot statutenwijziging moet worden genomen in een bijzondere daartoe uitgeschreven vergadering, waarop tenminste de helft van de werkgevers- en tenminste de helft van de werknemersleden van het bestuur aanwezig zijn. De uitnodiging voor deze vergadering moet met het voorstel uiterlijk veertien dagen voor de vergadering aan de bestuursleden worden toegezonden.

  • 3. Indien in een vergadering, waar een statutenwijziging zal worden behandeld, niet het voor het nemen van een besluit vereiste aantal leden aanwezig is, zal binnen een maand nadien een tweede vergadering worden gehouden op te roepen met inachtneming van de voor oproeping gestelde termijn, welke ongeacht het ter vergadering aanwezige aantal leden tot het nemen van een besluit bevoegd zal zijn.

  • 4. Een besluit tot statutenwijziging moet worden genomen met een meerderheid van twee/derde van de uitgebrachte geldige stemmen.

  • 5. Een statutenwijziging treedt eerst in werking nadat hiervan een notariële akte is opgemaakt en een door het bestuur ondertekend exemplaar van de wijziging voor een ieder ter inzage is neergelegd ter griffie van het kantongerecht Amsterdam.

  • 6. Het bestuur is verplicht een authentiek afschrift van de wijziging, alsmede de gewijzigde statuten neer te leggen ten kantore van het openbaar stichtingenregister, gehouden bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Amsterdam.

Artikel 18 Ontbinding van de stichting

  • 1. Voor een besluit tot ontbinding van het fonds gelden dezelfde bepalingen als voor een besluit tot wijziging van de statuten.

  • 2. In geval van ontbinding zal het bestuur met de liquidatie zijn belast.

  • 3. Het bestuur beslist over de bestemming van een eventueel batig saldo, met dien verstande dat dit batig saldo moet worden bestemd voor een doel dat het meest overeenkomt met het doel van de stichting. Een eventueel nadelig saldo dient door de werkgevers en de werknemers ieder voor de helft te worden opgebracht.

Artikel 19 Ministerieel vertegenwoordiger

Indien door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daartoe de wens te kennen wordt gegeven, wordt in overleg tussen de minister en het bestuur een waarnemer toegelaten. De waarnemer is gerechtigd alle vergaderingen van het bestuur bij te wonen. De waarnemer ontvangt daartoe alle voor het bestuur bestemde stukken.

Artikel 20 Slotbepalingen

In alle gevallen waarin niet door de wet, deze statuten of het reglement is voorzien, beslist het bestuur.

Artikel 21

Deze statuten worden geacht in werking te zijn getreden op één januari negentienhonderd achtentachtig.

AANVULLINGSREGLEMENT VERSTREKKING WW-AANVULLINGEN (AR-WW BOUW)

Reglement van de Stichting Aanvullingsfonds Bouwbedrijf

Paragraaf 1 Algemeen

Artikel 1 Definities

In dit reglement wordt verstaan onder:

  • a. het fonds: de Stichting Aanvullingsfonds Bouwbedrijf;

  • b. de statuten: de statuten van het fonds;

  • c. het bestuur: het bestuur van het fonds;

  • d. CAO: Collectieve Arbeidsovereenkomst;

  • e. CAO Bouwbedrijf: CAO voor het Bouwbedrijf;

  • f. CAO Uta bouwbedrijven: CAO voor het uitvoerend, technisch en administratief personeel in de bouwbedrijven;

  • g. het premieloon: het loonbedrag per werknemer per kalenderjaar waarover krachtens de WW premie wordt geheven;

  • h. de werkgever: de werkgever als bedoeld in artikel 2 van de statuten;

  • i. de werknemer: de werknemer als bedoeld in artikel 2 van de statuten en degene die laatstelijk voordat er krachtens artikel 17, 18 of 52b WW voor hem een recht op uitkering ontstond, werknemer was in de zin van artikel 2 van de statuten;

  • j. ABB-er: de werknemer die behoort tot het Arbeidsbestand Bouwnijverheid;

  • k. loongerelateerde uitkering: uitkering als bedoeld in hoofdstuk IIa van de WW;

  • l. kortdurende uitkering: uitkering als bedoeld in hoofdstuk IIb van de WW;

  • m. vakantietoeslag: de vakantiebijslag als bedoeld in artikel 33 van de WW en de vakantie-uitkering als bedoeld in artikel 10 van de TW;

  • n. vakantiefonds: de Stichting Vacantiefonds voor de Bouwnijverheid;

  • o. pensioenpremie: de betaling voor de voortzetting van de pensioenopbouw conform het daarover bepaalde bij of krachtens de laatstelijk op de werknemer van toepassing zijnde CAO;

  • p. invaliditeitspensioenpremie: de betaling voor de voortzetting van de aanvullende verzekering op de uitkering op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering conform het daarover bepaalde bij of krachtens de laatstelijk op de werknemer van toepassing zijnde CAO;

  • q. de WW: de Werkloosheidswet;

  • r. het U.R.: het Uitkeringsreglement WW 1997, zoals vastgesteld door het Landelijk instituut sociale verzekeringen;

  • s. REA: de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten;

  • t. de TW: de Toeslagenwet;

Paragraaf 2 Financiering

Artikel 2 Bijdrage

  • 1. De werkgever is aan het fonds jaarlijks een bijdrage verschuldigd.

  • 2. De hoogte van de bijdrage wordt, na overleg met partijen bij de desbetreffende CAO, jaarlijks door het bestuur vastgesteld en uitgedrukt in een percentage van het premieloon. Bij de vaststelling van dit percentage voor enig kalenderjaar houdt het bestuur rekening met het overschot of het tekort volgens de balans over het voorafgaande kalenderjaar.

  • 3. Voor het jaar 2000 zijn de volgende bijdragen vastgesteld:

    • a. voor de CAO Bouwbedrijf: 0,17%, waarvan 0,085% voor rekening komt van de werknemer en 0,085% voor rekening komt van de werkgever.

    • b. voor de UTA-CAO: nihil.

  • 4. Het bijdragepercentage wordt gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant.

  • 5. De werknemersbijdrage, die de helft bedraagt van de door de werkgever verschuldigde bijdrage, wordt door de werkgever bij iedere loonbetaling ingehouden op het loon van de werknemer.

Artikel 3 Loonopgave

De werkgever is verplicht jaarlijks de loongegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de heffing van de bijdragen. Als de werkgever in gebreke blijft deze loongegevens te verstrekken wordt de heffingsgrondslag ambtshalve vastgesteld.

Artikel 4 Heffing bijdrage

  • 1. De bijdrage dient bij voorschot te worden voldaan over elk loonbetalingstijdvak of na iedere periode van vier weken.

  • 2. De betaling van de eventueel nog resterende bijdrage dient plaats te vinden na ontvangst van de zogenaamde verzamelnota.

  • 3. Als blijkt dat minder bijdrage is geheven dan door de werkgever is verschuldigd wordt het verschil nagevorderd. Teveel geheven bijdrage wordt aan de werkgever terugbetaald.

  • 4. De werkgever is verplicht medewerking te verlenen aan een controle op de juistheid van de verstrekte loongegevens. Daartoe dient de werkgever inzage te verlenen in de onderdelen van zijn administratie die voor deze controle nodig worden geacht.

Artikel 5 Invordering bijdrage

Als een werkgever in gebreke blijft de verschuldigde bijdrage te betalen zal zo nodig tot gerechtelijke invordering worden overgegaan.

Artikel 6 Rentebepaling

  • 1. Als de betaling van het in artikel 4, eerste lid, bedoelde voorschot niet binnen veertien dagen na afloop van de in dat lid bedoelde termijn heeft plaatsgevonden, is de werkgever in verzuim.

  • 2. Als de betaling van de in artikel 4, tweede lid bedoelde bijdrage niet binnen veertien dagen na de datum van ontvangst van de verzamelnota heeft plaatsgevonden is de werkgever in verzuim.

  • 3. Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen over de achterstallige betalingen.

  • 4. De in het vorige lid van dit artikel bedoelde rente is gelijk aan de wettelijke rente.

  • 5. Het bestuur is bevoegd van invordering van rente geheel of gedeeltelijk af te zien.

Paragraaf 3 Rechten

Artikel 7 Werkingssfeer

Een werknemer of ABB-er die zijn uitkering WW ontvangt van een andere uitvoeringsinstelling dan de SFB Uitvoeringsorganisatie N.V. te Amsterdam, heeft, met inachtneming van het bepaalde in de volgende artikelen, recht op een aanvulling als:

  • a. in de desbetreffende CAO geformaliseerd is dat de aanvullingsregeling ook van toepassing is op bedoelde werknemers of ABB-ers, èn

  • b. de extra kosten die verbonden zijn aan de bijdrageheffing en de uitkeringsverzorging voor bedoelde werknemers of ABB-ers voor rekening komen van werkgevers en werknemers op wie de desbetref- fende cao van toepassing is, èn

  • c. een deel van de desbetreffende werkgevers is ingedeeld bij één van de sectoren in de bouwnijverheid, èn

  • d. in de cao een bijdrageplicht voor de werkgevers van bedoelde werknemers is opgenomen, èn

  • e. in de cao een meldings- en informatieplicht voor genoemde werknemers of ABB-ers is opgenomen.

Artikel 8 Aanvulling op het aan een werknemer of ABB-er te betalen deel van de loongerelateerde WW-uitkering

  • 1. Een werknemer of ABB-er die over een dag in de eerste 8 weken van de periode als bedoeld in artikel 42 van de WW op grond van de verplichte verzekering krachtens de WW recht heeft op betaling van een uitkering, heeft over die dag jegens het fonds recht op betaling van een bedrag ter aanvulling van het over die dag krachtens de WW aan hem te betalen bedrag.

  • 2. Als voor het verstrijken van de termijn van 8 weken als bedoeld in het eerste lid van dit artikel het recht op uitkering WW geheel wordt beëindigd wegens het ontvangen van een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, WW, wordt die termijn van 8 weken verlengd met de periode gelegen tussen de eindiging en de herleving van het recht op uitkering WW. Als een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, WW niet wordt uitbetaald wegens een omstandigheid als genoemd in artikel 19, tweede lid, WW, wordt het niet betalen daarvan voor de vaststelling van de aanvullingstermijn gelijkgesteld met het ontvangen van die uitkering.

  • 3. De hoogte van de aanvullende betaling is gelijk aan 10/70ste deel van het aan werknemer of ABB-er over de desbetreffende dag krachtens de WW uit te betalen bedrag.

  • 4. Onder „het krachtens de WW aan werknemer of ABB-er uit te betalen bedrag" wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan: Het krachtens artikel 33, eerste lid en de artikelen 34 tot en met 41 van de WW te betalen bedrag verminderd met:

    • a. Een krachtens artikel 33, derde en vierde lid als vakantietoeslag te reserveren en uit te betalen bedrag,

    • b. Een krachtens artikel 14 van het U.R. niet aan werknemer maar aan een Vakantiefonds uit te betalen deel van de uitkering krachtens de WW,

    • c. Een krachtens artikel 15 van het U.R. niet aan werknemer maar aan een Pensioenfonds, dan wel pensioenverzekeraar uit te betalen deel van de uitkering krachtens de WW,

    • d. Een krachtens artikel 16 van het U.R. niet aan de werknemer maar aan de desbetreffende pensioenverzekeraar uit te betalen deel van de uitkering WW.

  • 5. Als artikel 14 van de TW wordt toegepast, wordt bij de berekening van de hoogte van de te verstrekken aanvulling uitgegaan van de toeslag zoals deze werd verstrekt zonder toepassing van artikel 14 TW.

Artikel 9 Aanvulling op het aan een ABB-er op grond van de CAO Bouwbedrijf of CAO Uta bouwbedrijven te betalen deel van de kortdurende WW-uitkering

  • 1. Een ABB-er die onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies, als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, werkzaam was onder de CAO Bouwbedrijf of CAO Uta bouwbedrijven en die over een dag in de eerste 8 weken van de periode als bedoeld in artikel 52g WW op grond van de verplichte verzekering krachtens de WW recht heeft op betaling van een uitkering, heeft, als hij zich daarvoor meldt, over die dag jegens het fonds recht op betaling van een bedrag ter aanvul- ling van het over die dag krachtens de WW aan hem te betalen bedrag, tenzij hij als gevolg van wettelijke bepalingen geen voordeel heeft van deze aanvulling.

  • 2. De melding die in het eerste lid van dit artikel wordt genoemd, dient binnen een termijn van 26 weken vanaf de eerste werkloosheidsdag plaats te vinden.

  • 3. Als voor het verstrijken van de termijn van 8 weken als bedoeld in het eerste lid van dit artikel het recht op uitkering WW geheel wordt beëindigd wegens het ontvangen van een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, WW, wordt die termijn van 8 weken verlengd met de periode gelegen tussen de eindiging en de herleving van het recht op uitkering WW.

  • Als een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, WW niet wordt uitbetaald wegens een omstandigheid als genoemd in artikel 19, tweede lid, WW, wordt het niet betalen daarvan voor de vaststelling van de aanvullingstermijn gelijkgesteld met het ontvangen van die uitkering.

  • 4. De hoogte van de aanvullende betaling is gelijk aan 10/70ste deel van het aan de ABB-er over de desbetreffende dag krachtens de WW uit te betalen bedrag.

  • 5. Onder „het krachtens de WW aan de ABB-er uit te betalen bedrag" wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan: Het krachtens artikel 33, eerste lid en de artikelen 34 tot en met 41 van de WW te betalen bedrag, verminderd met een krachtens artikel 33, derde en vierde lid als vakantietoeslag te reserveren en uit te betalen bedrag.

  • 6. Als artikel 14 van de TW wordt toegepast, wordt bij de berekening van de hoogte van de te verstrekken aanvulling uitgegaan van de toeslag zoals deze werd verstrekt zonder toepassing van artikel 14 TW.

Artikel 10 Aanvulling op het bij werkloosheid ten gevolge van buitengewone natuurlijke omstandigheden aan werknemer te betalen deel van de WW-uitkering

  • 1. Een werknemer of ABB-er die over een dag of een deel van die dag in de eerste 8 weken van de periode als bedoeld in artikel 18, eerste lid van de WW op grond van de verplichte verzekering krachtens de WW recht heeft op betaling van een uitkering, heeft over die dag jegens het fonds recht op betaling van een bedrag ter aanvulling van het over die dag krachtens de WW aan hem te betalen bedrag.

  • 2. Als de werknemer uit het eerste lid voorafgaand aan zijn werkloosheid werknemer was in de zin van de CAO Bouwbedrijf en werkloos is ten gevolge van vorst, heeft hij naast de in het eerste lid bedoelde aanvullende betaling, recht op een aanvullende betaling tot 100% van het loon bij werken.

  • 3. Op het in het eerste lid bepaalde is artikel 9, derde, vierde en vijfde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Op het in het derde lid bepaalde is artikel 9, vierde en vijfde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11 Aanvulling op het als vakantietoeslag te betalen deel van de WW-uitkering

  • 1. Een werknemer die over een dag gelegen in de eerste 6 maanden van de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 42 WW op grond van de verplichte verzekering krachtens de WW recht heeft op betaling van een vakantietoeslag, heeft over die dag jegens het fonds recht op betaling van een bedrag ter aanvulling van de hem te betalen vakantietoeslag.

  • 2. Een werknemer die onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies, als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, werknemer was in de zin van de CAO Uta bouwbedrijven en die over een dag gelegen binnen de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 52g WW op grond van de verplichte verzekering krachtens de WW recht heeft op betaling van een vakantietoeslag, heeft, als hij zich daarvoor meldt, over die dag jegens het fonds recht op betaling van een bedrag ter aanvulling van de hem te betalen vakantietoeslag.

  • 3. De melding die in het tweede lid van dit artikel wordt genoemd, dient binnen een termijn van 26 weken vanaf de eerste werkloosheidsdag plaats te vinden.

  • 4. De hoogte van de aanvullende vakantietoeslag is gelijk aan 30/70ste deel van de hem over de desbetreffende dag krachtens de WW uit te betalen vakantietoeslag, verminderd met de hem eventueel over die dag krachtens de TW uit te betalen vakantietoeslag.

  • 5. Als voor het verstrijken van een termijn als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid van dit artikel het recht op uitkering WW geheel wordt beëindigd wegens het ontvangen van een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a WW, wordt die termijn verlengd met de periode gelegen tussen de eindiging en de herleving van het recht op uitkering WW.

  • Als een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, WW niet wordt uitbetaald wegens een omstandigheid als genoemd in artikel 19, tweede lid, WW, wordt het niet betalen daarvan voor de vaststelling van de aanvullingstermijn gelijkgesteld met het ontvangen van die uitkering.

  • 7. De aanvullende vakantietoeslag wordt gelijktijdig met de te betalen vakantietoeslag uitbetaald aan de persoon waaraan de krachtens de WW te betalen vakantietoeslag wordt uitbetaald.

  • 8. Als artikel 14 van de TW wordt toegepast, wordt bij de berekening van de hoogte van de te verstrekken aanvulling uitgegaan van de toeslag zoals deze werd verstrekt zonder toepassing van artikel 14 TW.

Artikel 12 Aanvulling op het als vakantiewaarde te betalen deel van de loongerelateerde WW-uitkering

  • 1. Een werknemer die over een dag in de periode als bedoeld in artikel 18, eerste lid dan wel over een dag gelegen in de eerste 6 maanden van de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 42 WW op grond van de verplichte verzekering krachtens de WW recht heeft op betaling van een deel van zijn uitkering aan een vakantiefonds, heeft over die dag jegens het fonds recht op betaling van een bedrag aan dat vakantiefonds, ter aanvulling van het krachtens de WW te betalen bedrag.

  • 2. De werknemer bedoeld in het eerste lid heeft jegens het fonds geen recht op betaling van een bedrag aan het vakantiefonds als op hem onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren, als bedoeld in artikel 16 WW, de CAO Bouw- bedrijf van toepassing was en hij over een dag als bedoeld in het eerste lid recht heeft op een toeslag op grond van de TW.

  • 3. De hoogte van deze aanvullende betaling is gelijk aan 30/70ste deel van het over de desbetreffende dag krachtens de WW ten gunste van de werknemer aan het vakantiefonds te betalen bedrag, verminderd met de hem eventueel over die dag krachtens de TW uit te betalen vakantietoeslag.

  • 4. De aanvullende betaling wordt gelijktijdig met het krachtens de WW te betalen bedrag uitbetaald aan het vakantiefonds waaraan dat bedrag wordt uitbetaald.

  • 5. Als artikel 14 van de TW wordt toegepast, wordt bij de berekening van de hoogte van de te verstrekken aanvulling uitgegaan van de toeslag zoals deze werd verstrekt zonder toepassing van artikel 14 TW.

Artikel 13 Betaling aan een vakantiefonds tijdens de kortdurende uitkering

  • 1. Een werknemer die over een dag in de periode als bedoeld in artikel 52g WW op grond van de verplichte verzekering krachtens de WW recht heeft op betaling van die uitkering en op wie onmiddellijkvoorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies, als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, de CAO Bouwbedrijf van toepassing was, en voor wie de werkgever op grond van de CAO betalingen aan een vakantiefonds verrichtte, heeft over die dag jegens het fonds recht op betaling van een bedrag aan dat vakantiefonds.

  • 2. Een werknemer op wie onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren, als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, de CAO Bouwbedrijf van toepassing was, heeft over een dag als bedoeld in het eerste lid jegens het fonds geen recht op betaling van een bedrag aan het vakantiefonds als hij over die dag recht heeft op een toeslag op grond van de TW.

  • 3. Een werknemer op wie onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren, als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, de CAO Bouwbedrijf van toepassing was, dient zich voor de aanvulling te melden. De melding dient binnen een termijn van 26 weken vanaf de eerste werkloosheidsdag plaats te vinden.

  • 4. Een werknemer heeft jegens het fonds geen recht op de in het eerste lid bedoelde betaling van een bedrag aan het vakantiefonds als tegelijkertijd recht bestaat op één of meer uitkeringen op grond van hoofdstuk IIa van de WW en één of meer uitkeringen op grond van hoofdstuk IIb van de WW.

  • 5. De hoogte van de betaling aan het vakantiefonds is gelijk aan 100/70ste deel van het bedrag dat over de desbetreffende dag krachtens de WW ten gunste van de werknemer aan het vakantiefonds betaald zou zijn, als hij recht gehad zou hebben op een loongerelateerde uitkering.

  • 6. Op de betaling bedoeld in het vierde lid worden in mindering gebracht de aan de werknemer over de betreffende dag krachtens de WW en de TW uit te betalen vakantietoeslag.

  • 7. De betaling aan het vakantiefonds wordt gedaan op het moment dat het krachtens de WW te betalen bedrag aan het vakantiefonds zou zijn betaald als werknemer recht gehad zou hebben op een loongerelateerde uit- kering.

Artikel 14 Aanvulling op het als pensioenpremie te betalen deel van de loongerelateerde WW-uitkering

  • 1. Een werknemer die over een dag in de periode als bedoeld in artikel 18, eerste lid dan wel over een dag gelegen in de eerste 6 maanden van de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 42 WW, op grond van de verplichte verzekering krachtens de WW recht heeft op uitkering, heeft over die dag jegens het fonds recht op betaling van een bedrag aan een pensioenverzekeraar, eventueel ter aanvulling van het krachtens de WW aan een pensioenverzekeraar te betalen bedrag.

  • 2. De hoogte van deze aanvullende betaling is gelijk aan de som van:

    • a. 30/70ste deel van het over de betreffende dag krachtens de WW ten gunste van werknemer aan de pensioenverzekeraar te betalen bedrag en

    • b. het, met een breuk te vermenigvuldigen, werkgeversdeel van de pensioenpremie, welke begrepen is in het bedrag dat bij het ontstaan van het recht op WW-uitkering als dagloon zou zijn berekend, als dit werkgeversdeel van de pensioenpremie loon zou zijn voor de berekening van het WW-dagloon en artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid van de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zouden zijn toegepast. De teller van de breuk wordt gevormd door een bedrag ter grootte van de over die dag in feite aan werknemer toekomende WW-uitkering. De noemer van de breuk wordt gevormd door een bedrag ter grootte van 70% van het bedrag dat bij het ontstaan van het recht op WW-uitkering als dagloon zou zijn berekend, indien artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid van de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zouden zijn toegepast.

  • 3. Als het dagloon waarnaar de uitkering krachtens de WW waarbij de aanvulling wordt verstrekt is vastgesteld met toepassing van artikel 11, derde, vierde of vijfde lid van het Bijzonder Dagloonbesluit IWS Bouwnijverheid, is de hoogte van deze aanvullende betaling voor zover nodig in afwijking van het vermelde in het tweede lid gelijk aan de som van:

    • a. 30/70ste deel van het over de betreffende dag krachtens de WW ten gunste van werknemer aan de pensioenverzekeraar te betalen bedrag en

    • b. het, met een breuk te vermenigvuldigen, werkgeversdeel van de pensioenpremie, welke begrepen is in het bedrag dat bij het ontstaan van het recht op WW-uitkering als secundair dagloon zou zijn berekend, als dit werkgeversdeel van de pensioenpremie loon zou zijn voor de berekening van het WW-dagloon en artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid van de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zouden zijn toegepast. De teller van de breuk wordt gevormd door een bedrag ter grootte van de over die dag in feite aan werknemer toekomende WW-uitkering. De noe mer van de breuk wordt gevormd door een bedrag ter grootte van 70% van het bedrag dat bij het ontstaan van het primaire recht op WW-uitkering als primair dagloon zou zijn berekend, als artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid van de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zouden zijn toegepast.

  • 4. Als het dagloon, waarnaar een werkloosheidsuitkering is berekend krachtens het bepaalde in artikel 14, eerste en tweede lid van de Dagloonregels Invoeringswet Stelselherziening sociale zekerheid is afgeleid van het dagloon voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, bedraagt deze aanvullende betaling in afwijking van het vermelde in het tweede lid en derde lid, het bedrag aan pensioenpremie welke begrepen is in het bedrag dat bij het ontstaan van het recht op WW-uitkering als dagloon zou zijn berekend als het werknemers- en het werkgeversdeel van de pensioenpremie loon zouden zijn voor de berekening van het dagloon voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid van de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zouden zijn toegepast, vermenigvuldigd met een breuk. De teller van de breuk wordt gevormd door een bedrag ter grootte van de over die dag in feite aan werknemer toekomende WW-uitkering. De noemer van de breuk wordt gevormd door een bedrag ter grootte van 70% van het bedrag dat bij het ontstaan van het recht op WW-uitkering als dagloon zou zijn berekend, als artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid van de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet zouden zijn toegepast.

  • 5. Een werknemer heeft geen recht op de in het eerste lid van dit artikel bedoelde betaling vanuit het fonds, als tijdens werkloosheid sprake is van een recht op pensioenopbouw via het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering.

  • 6. De aanvullende pensioenpremiebetaling wordt gelijktijdig met het krachtens de WW te betalen bedrag uitbetaald aan de pensioenverzekeraar waaraan dat bedrag wordt uitbetaald.

Artikel 15 Betaling aan een pensioenverzekeraar tijdens de kortdurende uitkering

  • 1. Een werknemer die over een dag in de periode als bedoeld in artikel 52g WW op grond van de verplichte verzekering krachtens de WW recht heeft op betaling van die uitkering en op wie onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies, als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met 52a WW, de CAO Bouwbedrijf of de CAO Uta bouwbedrijven van toepassing was, heeft over die dag jegens het fonds recht op betaling van een bedrag aan een pensioenverzekeraar.

  • 2. Een werknemer op wie onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren, als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, de CAO Bouwbedrijf of de CAO Uta bouwbedrijven van toepassing was, dient zich voor de aanvulling te melden. De melding dient binnen een termijn van 26 weken vanaf de eerste werkloosheidsdag plaats te vinden.

  • 3. De hoogte van de betaling aan de pensioenverzekeraar is gelijk aan de hoogte van de betaling die zou zijn vastgesteld als de werknemer bedoeld in het eerste lid recht zou hebben gehad op een loongerelateerde uitkering en artikel 18 op hem van toepassing zou zijn geweest, vermeerderd met het deel dat krachtens de WW aan de pensioenverzekeraar zou zijn betaald.

  • 4. De betaling aan de pensioenverzekeraar wordt gedaan op het moment dat het krachtens de WW te betalen bedrag aan de pensioenverzekeraar zou zijn betaald als artikel 18 van toepassing zou zijn.

Artikel 16 Betaling van invaliditeitspensioenpremie

  • 1. De werknemer op wie vóór de na 25 januari 1993 ingetreden werkloosheid de CAO Bouwbedrijf van toepassing is geweest en voor wie over een dag gelegen in het eerste jaar van aaneengesloten werkloosheid, te rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid, een deel van de uitkering WW als werknemersaandeel in de invaliditeitspensioenpremie betaald wordt aan de desbetreffende pensioenverzekeraar heeft over die dag jegens het fonds recht op betaling van een bedrag aan de desbetreffende pensioenverzekeraar, ter aanvulling van het deel van de uitkering WW dat als werknemersaandeel in de invaliditeitspensioenpremie betaald wordt.

  • 2. De hoogte van de in het eerste lid bedoelde aanvullende betaling wordt berekend overeenkomstig de berekening van het werkgeversaandeel in de invaliditeitspensioenpremie volgens de CAO Bouwbedrijf, waarbij onder premieloon SV wordt verstaan de uitkering WW waarnaar premie ingevolge de WW wordt geheven.

  • 3. De aanvullende betaling wordt gelijktijdig met het deel van de uitkering WW dat als werknemersaandeel in de invaliditeitspensioenpremie betaald wordt, uitbetaald aan de desbetreffende pensioenverzekeraar.

  • 4. Als in het jaar als bedoeld in het eerste lid recht ontstaat op vervolguitkering WW wegens het bereiken van de maximum uitkeringsduur als bedoeld in artikel 42 WW, heeft de werknemer gedurende het restant van het jaar als bedoeld in het eerste lid over iedere dag dat recht bestaat op betaling van vervolguitkering WW, gebaseerd op het voor de werknemer geldende minimumloon, jegens het fonds recht op betaling van een bedrag aan de desbetreffende pensioenverzekeraar.

  • 5. Een werknemer op wie laatstelijk voor het ontstaan van het recht op kortdurende uitkering WW de CAO Bouwbedrijf van toepassing was, heeft gedurende de periode als bedoeld in artikel 52g WW over iedere dag dat recht bestaat op betaling van kortdurende uitkering jegens het fonds recht op betaling van een bedrag aan de desbetreffende pensioenverzekeraar.

  • 7. De hoogte van de in het vierde en vijfde lid bedoelde betaling is gelijk aan de som van het werknemersaandeel en het werkgeversaandeel in de invaliditeitspensioenpremie. Het werknemersaandeel en het werkgeversaandeel in de invaliditeitspensioenpremie worden berekend overeenkomstig de berekening van het werknemersaandeel en het werkgeversaandeel in de invaliditeitspensioenpremie volgens de CAO Bouwbedrijf waarbij onder premieloon SV wordt verstaan de uitkering WW waarnaar premie ingevolge de WW wordt geheven en onder premieloon voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering de uitkering WW waarnaar premie ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt geheven.

Artikel 17 Aanvullingen op reïntegratie-uitkeringen op grond van de Wet REA

De artikelen 9 tot en met 11, 13 en 15 tot en met 20 zijn van overeenkomstige toepassing voor een werknemer of ABB-er die op grond van de Wet REA recht heeft op een reïntegratieuitkering.

Paragraaf 4 Overige bepalingen

Artikel 18 Betaling van de uitkering via de werkgever

  • 1. Het bestuur kan toestaan dat de betaling van de aanvulling als bedoeld in artikel 14 van dit reglement door tussenkomst van de werkgever plaatsvindt.

  • 2. De werkgever aan wie het bestuur heeft toegestaan dat de betaling van de uitkering door zijn tussenkomst geschiedt, is verplicht, ten genoegen van het bestuur, een overeenkomstig de daaraan door het bestuur gestelde eisen ingerichte administratie aan te houden van de perioden gedurende welke de werknemer op grond van de omstandigheden als bedoeld in artikel 18 WW niet heeft gewerkt.

  • 3. Als de werkgever aan wie de in het eerste lid bedoelde toestemming is verleend, de in het tweede lid omschreven verplichtingen niet of niet volledig nakomt, kan het bestuur besluiten om de betalingen die de werkgever als voorschot op de aanvulling aan de werknemer of werknemers heeft gedaan, geheel of gedeeltelijk niet te vergoeden.

  • 4. Als en voorzover zodanige betalingen naar het oordeel van het bestuur ten onrechte zijn vergoed omdat de werkgever niet of niet volledig heeft voldaan aan de in het tweede lid van dit artikel bedoelde verplichtingen, kan het bestuur besluiten om deze vergoeding geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. De werkgever is dan verplicht binnen een door het bestuur vast te stellen termijn aan deze vordering te voldoen.

  • 5. Het bestuur kan naast en boven het in het derde en vierde lid bepaalde beslissen dat, ingeval de werkgever de juistheid van de ingediende declaratiestaat niet aantoont, deze een boete aan het fonds verschuldigd is. De boeten die door het bestuur kunnen worden opgelegd, zijn:

  • bij opzet en grove schuld van de werkgever geldt bij een eerste verzuim een boete van 25% van het betrokken bedrag; bij een tweede verzuim 50% van het betrokken bedrag en bij een derde en volgende verzuim 100% van het betrokken bedrag, en bij ernstige en omvangrijke fraude van de werkgever geldt bij een eerste verzuim en bij volgende verzuimen een boete van 100% van het betrokken bedrag.

Artikel 19 Verstrekken van inlichtingen

  • 1. De werkgever en de werknemer zijn verplicht aan het bestuur en aan degene die door het bestuur schriftelijk tot het inwinnen van inlichtingen is gemachtigd inzage te verlenen in alle bescheiden en voorts alle overige inlichtingen te verschaffen die worden gevraagd voor de uitvoering van het bepaalde in de statuten van het fonds en in dit reglement.

  • 2. Degene die bij de uitvoering van het bepaalde in de statuten van het fonds of in dit reglement kennis neemt van enig gegeven waarvan hij het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, is daarover tegenover derden tot geheimhouding verplicht.

Artikel 20 Voorschriften

Het bestuur is bevoegd nadere voorschriften vast te stellen die nodig zijn voor een verantwoorde uitvoering, mits deze voorschriften in overeenstemming zijn met de bepalingen in de statuten van het fonds en in dit reglement.

Artikel 21 Analoge toepassing van WW-bepalingen

  • 1. Het bepaalde in de artikelen 30, 32, 33, 38, 39, 39a en 40 van de WW is van overeenkomstige toepassing op de bepalingen van dit reglement.

  • 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet als en voorzover in dit reglement uitdrukkelijk anders is bepaald.

Artikel 22 Terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen

  • 1. Betalingen die op grond van dit reglement onverschuldigd zijn gedaan, worden teruggevorderd.

  • 2. Als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het bestuur besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Artikel 23 Bijzondere gevallen

Als de bepalingen in dit reglement in individuele gevallen of in categorieën van gevallen leiden tot niet voorziene of onbedoelde gevolgen kan het bestuur een afwijkende beslissing nemen die tegemoet komt aan de bedoelingen van de aanvullingsregeling.

Artikel 24 Intern beroep

  • 1. Als een werkgever of werknemer zich niet kan verenigen met een beslissing die hem betreft, kan hij zich tot het bestuur wenden met het verzoek terug te komen op een beslissing op grond van dit reglement.

  • 2. Aan de werkgever of werknemer wordt desgevraagd schriftelijk kennis gegeven van een beslissing van het bestuur op grond van dit reglement die hem betreft.

  • 3. Een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid is gedagtekend en vermeldt de gronden waarop de beslissing berust.

Artikel 25 Citeertitel

Dit reglement kan worden aangehaald als het Aanvullingsreglement verstrekking WW-aanvullingen Bouwbedrijf (AR-WW Bouw).

Artikel 26 Inwerkingtreding

Dit reglement wordt geacht in werking te zijn getreden op 1 januari 2000.

AANVULLINGSREGLEMENT VERSTREKKING EINDEJAARSUITKERING WAO BOUWNIJVERHEID (AR-WAO BOUWNIJVERHEID)

Reglement van de Stichting Aanvullingsfonds WW voor de Bouwnijverheid

VASTGESTELD OP 15 JUNI 1993

LAATSTELIJK GEWIJZIGD DOOR HET BESTUUR VAN DE STICHTING AANVULLINGSFONDS WW VOOR DE BOUWNIJVERHEID BIJ BESLUIT VAN 10 JUNI 1997

Paragraaf 1 Algemeen

Artikel 1 Definities

In dit reglement wordt verstaan onder:

  • a. het fonds: de Stichting Aanvullingsfonds WW voor de Bouwnijverheid;

  • b. de statuten: de statuten van het fonds;

  • c. het bestuur: het bestuur van het fonds;

  • d. het premieloon: het loonbedrag per werknemer per kalenderjaar waarover krachtens de Werkloosheidswet premie wordt geheven;

  • e. eindejaarsuitkering: jaarlijkse betaling van een bedrag aan WAO-uitkeringsgerechtigden op wie bij werken een CAO in de zin van dit reglement van toepassing zou zijn geweest;

  • f. CAO: een collectieve arbeidsovereenkomst als genoemd in artikel 2 van de statuten waarin is opgenomen de betaling door het fonds van een eindejaarsuitkering;

  • g. de werkgever: de werkgever als bedoeld in de CAO;

  • h. de werknemer:

    • degene die werknemer is in de zin van de CAO, dan wel

    • degene die direct voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheid werknemer was in de zin van de CAO, dan wel

    • degene wiens arbeidsongeschiktheid is ingetreden in de eerste zes maanden van de uitkeringsduur als bedoeld in artikel 42 WW, dan wel in de periode als bedoeld in artikel 52g WW en die direct voorafgaand aan zijn werkloosheid werknemer was in de zin van de CAO;

  • i. de WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

Paragraaf 2 Financiering

Artikel 2 De bijdrage

  • 1. De werkgever is aan het fonds jaarlijks, dan wel over een volgens de CAO voorgeschreven periode, een bijdrage verschuldigd.

  • 2. De hoogte van de bijdrage wordt, na overleg met partijen bij de desbetreffende CAO, door het bestuur vastgesteld en uitgedrukt in een percentage van het premieloon. Bij de vaststelling van dit percentage houdt het bestuur rekening met het overschot of het tekort volgens de balans met betrekking tot de eindejaarsuitkering van de desbetreffende CAO over het voorafgaande kalenderjaar.

  • 3. Het bijdragepercentage wordt gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant.

Artikel 3 Loonopgave

De werkgever is verplicht jaarlijks de loongegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de heffing van de bijdrage. Als de werkgever in gebreke blijft deze loongegevens te verstrekken wordt de heffingsgrondslag ambtshalve vastgesteld.

Artikel 4 Heffing

  • 1. De bijdrage dient bij voorschot te worden voldaan over elk loonbetalingstijdvak of na iedere periode van vier weken.

  • 2. De betaling van de eventueel nog resterende bijdrage dient plaats te vinden na ontvangst van de zogenaamde verzamelnota.

  • 3. Als blijkt dat minder bijdrage is geheven dan door de werkgever is verschuldigd wordt het verschil nagevorderd. Teveel geheven bijdrage wordt aan de werkgever terugbetaald.

  • 4. De werkgever is verplicht medewerking te verlenen aan een controle op de juistheid van de verstrekte loongegevens. Daartoe dient de werkgever inzage te verlenen in de onderdelen van zijn administratie die voor deze controle nodig worden geacht.

Artikel 5 Invordering

Als een werkgever in gebreke blijft de verschuldigde bijdrage te betalen zal zo nodig tot gerechtelijke invordering worden overgegaan.

Artikel 6 Rentebepaling

  • 1. Als de betaling van het in artikel 4, eerste lid, bedoelde voorschot niet binnen veertien dagen na afloop van de in dat lid bedoelde termijn heeft plaatsgevonden, is de werkgever in verzuim.

  • 2. Als de betaling van de in artikel 4, tweede lid bedoelde bijdrage niet binnen veertien dagen na de datum van ontvangst van de verzamelnota heeft plaatsgevonden, is de werkgever in verzuim.

  • 3. Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen over de achterstallige betalingen.

  • 4. De in het vorige lid van dit artikel bedoelde rente is gelijk aan de wettelijke rente.

  • 5. Het bestuur is bevoegd van invordering van rente geheel of gedeeltelijk af te zien.

Paragraaf 3 Rechten

Artikel 7 Werkingssfeer

  • 1. Een werknemer die zijn WAO-uitkering ontvangt van een andere uitvoeringsinstelling dan de SFB Uitvoeringsorganisatie N.V. te Amsterdam, heeft, met inachtneming van het bepaalde in de volgende artikelen, recht op een eindejaarsuitkering als:

    • a. in de desbetreffende CAO geformaliseerd is dat de eindejaarsuitkeringsregeling ook van toepassing is op bedoelde werknemers, èn

    • b. de extra kosten die verbonden zijn aan de bijdrageheffing en de uitkeringsverzorging voor bedoelde werknemers voor rekening komen van werkgevers en werknemers op wie de desbetreffende CAO van toepassing is, èn

    • c. in de CAO een bijdrageplicht voor de werkgevers van bedoelde werknemers is opgenomen, èn

    • d. in de CAO een meldings- en informatieplicht voor bedoelde werknemers is opgenomen.

  • 2. Als partijen bij een andere CAO dan genoemd in artikel 2 van de statuten de betaling van eindejaarsuitkeringen vanuit het fonds willen regelen, dienen zij een verzoek daartoe bij het bestuur in te dienen.

Artikel 8 De eindejaarsuitkering

  • 1. Een werknemer die op 1 december van het kalenderjaar waarin de eindejaarsuitkering betaalbaar wordt gesteld, een WAO-uitkering ontvangt, heeft recht op een eindejaarsuitkering, tenzij hij is ingedeeld in één van de twee laagste arbeidsongeschiktheidsklassen enøf artikel 22 WAO van toepassing is.

  • 2. Naast het bepaalde in het eerste lid, geldt voor een werknemer die bij werken werkzaam was onder de CAO voor het Natuursteenbedrijf, dat hij geen recht op een eindejaarsuitkering heeft als hij op 1 december van het desbetreffende kalenderjaar op grond van genoemde CAO in aanmerking komt voor een maandelijkse aanvulling op zijn WAO-uitkering tot een bepaald percentage van het geldende WAO-dagloon.

  • 3. Naast het bepaalde in het eerste lid, geldt voor een werknemer die bij werken werkzaam was onder de CAO voor het Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzobedrijf, dat hij geen recht op een eindejaarsuitkering heeft als hij naast zijn WAO-uitkering inkomsten uit arbeid geniet enøf een uitkering wegens vrijwillig vervroegde uittreding ontvangt. Is de werknemer op 1 december van het desbetreffende kalenderjaar ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid, dan is de situatie voorafgaand aan die ongeschiktheid van toepassing.

  • 4. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, geldt voor een werknemer die bij werken werkzaam was onder de CAO voor het Bouwbedrijf dat hij in het kalenderjaar waarin de eindejaarsuitkering betaalbaar wordt gesteld, een WAO-uitkering dient te (hebben) ontvangen.

  • 5. De hoogte van de eindejaarsuitkering wordt bepaald door de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de werknemer is ingedeeld op 1 december van het kalenderjaar waarin de eindejaarsuitkering betaalbaar wordt gesteld.

  • 6. Naast het bepaalde in het vijfde lid, geldt voor een werknemer die bij werken werkzaam was onder de CAO voor het Natuursteenbedrijf het volgende. Als de werknemer in de twaalf maanden voorafgaande aan 1 december van het desbetreffende kalenderjaar gedurende één of meer maanden op grond van genoemde CAO een maandelijkse aanvulling op zijn WAOuitkering heeft ontvangen, worden de bedragen die genoemd worden in de CAO uitbetaald naar rato van het aantal maanden waarover werknemer geen maandelijkse aanvulling heeft ontvangen.

  • 7. In afwijking van het bepaalde in het vijfde lid, geldt voor een werknemer die bij werken werkzaam was onder de CAO voor het Bouwbedrijf het volgende. Als de WAO-uitkering slechts een gedeelte van het desbetreffende kalenderjaar wordt ontvangen, heeft de werknemer recht op een evenredig deel van de eindejaarsuitkering. Gedeeltelijk arbeidsongeschikten ontvangen een eindejaarsuitkering afhankelijk van de arbeidsongeschiktheidsklasse die in dat jaar het laatst van toepassing was. Als in het desbetreffende kalenderjaar voorafgaand aan een indeling op 1 december in één van de twee laagste arbeidsongeschikt heidsklassen een hogere klasse van toepassing was, heeft werknemer recht op een eindejaarsuitkering die afhankelijk is van de laatst van toepassing zijnde hogere klasse en de periode waarover hij op basis van een hogere klasse een WAO-uitkering ontving.

  • 8. De eindejaarsuitkering wordt in de maand december betaalbaar gesteld.

Paragraaf 4 Overige bepalingen

Artikel 9 Verstrekken van inlichtingen

  • 1. De werkgever en de werknemer zijn verplicht aan het bestuur en aan degene die door het bestuur schriftelijk tot het inwinnen van inlichtingen is gemachtigd inzage te verlenen in alle bescheiden en voorts alle overige inlichtingen te verschaffen die worden gevraagd ten behoeve van de uitvoering van het bepaalde in de statuten van het fonds en in dit reglement.

  • 2. Degene die bij de uitvoering van het bepaalde in de statuten van het fonds of in dit reglement kennis neemt van enig gegeven waarvan hij het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, is daarover tegenover derden tot geheimhouding verplicht.

Artikel 10 Voorschriften

Het bestuur is bevoegd nadere voorschriften vast te stellen die nodig zijn voor een verantwoorde uitvoering, mits deze voorschriften in overeenstemming zijn met de bepalingen in de statuten van het fonds en in dit reglement.

Artikel 11 Terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen

  • 1. Betalingen die op grond van dit reglement onverschuldigd zijn gedaan, worden teruggevorderd.

  • 2. Als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het bestuur besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Artikel 12 Bijzondere gevallen

Als de bepalingen in dit reglement in individuele gevallen of in categorieën van gevallen leiden tot niet voorziene of onbedoelde gevolgen kan het bestuur een afwijkende beslissing nemen die tegemoet komt aan de bedoelingen van de aanvullingsregeling.

Artikel 13 Intern beroep

  • 1. Als een werkgever of werknemer zich niet kan verenigen met een beslissing die hem betreft, kan hij zich tot het bestuur wenden met het verzoek terug te komen op een beslissing op grond van dit reglement.

  • 2. Aan de werkgever of werknemer wordt desgevraagd schriftelijk kennis gegeven van een beslissing van het bestuur op grond van dit reglement die hem betreft.

  • 3. Een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid is gedagtekend en vermeldt de gronden waarop de beslissing berust.

Artikel 14 Citeertitel

Dit reglement kan worden aangehaald als het Aanvullingsreglement verstrekking eindejaarsuitkering WAO Bouwnijverheid (AR-WAO Bouwnijverheid).

AANVULLINGSREGLEMENT VERSTREKKINGEN AAN ZIEKE WERKLOZEN (AR-ZW)

Reglement van de Stichting Aanvullingsfonds WW voor de Bouwnijverheid

VASTGESTELD OP 13 DECEMBER 1994

LAATSTELIJK GEWIJZIGD DOOR HET BESTUUR VAN DE STICHTING AANVULLINGSFONDS WW VOOR DE BOUWNIJVERHEID BIJ BESLUIT VAN 10 JUNI 1997

Paragraaf 1 Algemeen

Artikel 1 Definities

In dit reglement wordt verstaan onder:

  • a. het fonds: de Stichting Aanvullingsfonds WW voor de Bouwnijverheid;

  • b. de statuten: de statuten van het fonds;

  • c. het bestuur: het bestuur van het fonds;

  • d. CAO: Collectieve Arbeidsovereenkomst;

  • e. CAO Bouwbedrijf: CAO voor het Bouwbedrijf;

  • f. CAO Uta bouwbedrijven: CAO voor het uitvoerend, technisch en administratief personeel in de bouwbedrijven;

  • g. CAO Stukadoorsbedrijf: Landelijke CAO voor het Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzobedrijf;

  • h. CAO Natuursteenbedrijf: Landelijke CAO voor het Natuursteenbedrijf;

  • i. CAO Mortel: CAO voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen;

  • j. premieloon: het loonbedrag per werknemer per kalenderjaar waarover op grond van de WW premie wordt geheven;

  • k. de werkgever: de werkgever als bedoeld in artikel 2 van de statuten;

  • l. de werknemer: de werknemer als bedoeld in artikel 2 van de statuten en degene die op de eerste dag van ongeschiktheid tot werken in de zin van de Ziektewet of laatstelijk voordat er krachtens artikel 17, 18 of 52b WW voor hem een recht op uitkering ontstond, werknemer was in de zin van artikel 2 van de statuten;

  • m. zieke werkloze: de werknemer die een uitkering krachtens de Ziektewet ontvangt of uitsluitend op grond van het bepaalde in artikel 29, tweede lid, onderdeel b of c, ZW over de eerste twee dagen van ongeschiktheid tot werken geen uitkering ontvangt, en

    • 1. op de dag van het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken als werknemer werd beschouwd op grond van het bepaalde in artikel 7 ZW en wiens ongeschiktheid tot werken is ingetreden tijdens de periode, bedoeld in artikel 18, eerste lid, dan wel in de eerste 6 maanden van de uitkerings- duur als bedoeld in artikel 42 WW;

    • 2. op de dag van het ontstaan van zijn ongeschikt- heid tot werken als werknemer werd beschouwd op grond van het bepaalde in artikel 7 ZW en wiens ongeschiktheid tot werken is ingetreden tijdens de periode, bedoeld in artikel 52g WW;

    • 3. gedurende een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 ZW wegens ziekte ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid en wiens dienstbetrekking is geëindigd binnen het loondoorbetalingstijdvak van 52 weken, bedoeld in artikel 7:629, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.

    • 4. wegens ziekte ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid op de dag met ingang waarvan zijn dienstbetrekking is geëindigd, op grond van het bepaalde in artikel 46 ZW aanspraak op ziekengeld heeft en op de dag met ingang waarvan zijn dienstbetrekking is geëindigd, recht zou hebben gehad op een uitkering krachtens de WW als hij niet arbeidsongeschikt was geworden.

  • n. vakantietoeslag: de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 11 AD-ZW en de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 10 TW;

  • o. vakantiefonds: één van de hierna vermelde stichtingen:

    • Stichting Vacantiefonds voor de Bouwnijverheid;

    • Stichting Vacantiefonds Schildersbedrijf;

    • Stichting Vacantiefonds Baggerbedrijf;

  • p. pensioenpremie: de betaling ter voortzetting van de pensioenopbouw bij het pensioenfonds waarbij de werknemer was aangesloten, conform het daarover bepaalde bij of krachtens de laatstelijk op de werknemer van toepassing zijnde CAO;

  • q. de WW: de Werkloosheidswet;

  • r. de ZW: de Ziektewet;

  • s. de TW: de Toeslagenwet;

  • t. de CSV: de Coördinatiewet Sociale Verzekering;

  • u. de IWS: de Invoeringswet Stelselherziening sociale zekerheid;

  • v. de AD-ZW: de Algemene Dagloonregelen Ziektewet.

Paragraaf 2 Financiering

Artikel 2 Bijdrage

  • 1. De werkgever is aan het fonds jaarlijks een bijdrage verschuldigd, tenzij in de desbetreffende CAO anders is overeengekomen en naar genoegen van het bestuur op een andere wijze in de financiering is voorzien.

  • 2. De hoogte van de bijdrage wordt jaarlijks door het bestuur vastgesteld en uitgedrukt in een percentage van het premieloon. Bij de vaststelling van dit percentage voor enig kalenderjaar houdt het bestuur rekening met het overschot of het tekort volgens de balans over het voorafgaande kalenderjaar.

  • 3. Het bijdragepercentage wordt gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant.

Artikel 3 Loonopgave

De werkgever is verplicht jaarlijks de loongegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de heffing van de bijdragen. Als de werkgever in gebreke blijft deze loongegevens te verstrekken, wordt de heffingsgrondslag ambtshalve vastgesteld.

Artikel 4 Heffing bijdrage

  • 1. De bijdrage dient bij voorschot te worden voldaan over elk loonbetalingstijdvak of na iedere periode van vier weken.

  • 2. De betaling van de eventueel nog resterende bijdrage dient plaats te vinden na ontvangst van de zogenaamde verzamelnota.

  • 3. Als blijkt dat minder bijdrage is geheven dan door de werkgever is verschuldigd, wordt het verschil nagevorderd. Teveel geheven bijdrage wordt aan de werkgever terugbetaald.

  • 4. De werkgever is verplicht medewerking te verlenen aan een controle op de juistheid van de verstrekte loongegevens. Daartoe dient de werkgever inzage te verlenen in de onderdelen van zijn administratie die voor deze controle nodig worden geacht.

Artikel 5 Invordering bijdrage

Als een werkgever in gebreke blijft de verschuldigde bijdragen te betalen, zal zo nodig tot gerechtelijke invordering worden overgegaan.

Artikel 6 Rentebepaling

  • 1. Als de betaling van het in artikel 4, eerste lid, bedoelde voorschot niet binnen veertien dagen na afloop van de in dat lid bedoelde termijn heeft plaatsgevonden, is de werkgever in verzuim.

  • 2. Als de betaling van de in artikel 3, tweede lid bedoelde bijdrage niet binnen veertien dagen na de datum van ontvangst van de verzamelnota heeft plaatsgevonden, is de werkgever in verzuim.

  • 3. Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen over de achterstallige betalingen.

  • 4. De in het derde lid van dit artikel bedoelde rente is gelijk aan de wettelijke rente.

  • 5. Het bestuur is bevoegd van invordering van rente geheel of gedeeltelijk af te zien.

Artikel 7 Werkingssfeer

  • 1. Een zieke werkloze die zijn uitkering ZW ontvangt van een andere uitvoeringsinstelling dan de SFB Uitvoeringsorganisatie N.V. te Amsterdam, heeft, met inachtneming van het bepaalde in de volgende artikelen, recht op een aanvulling als:

    • a. in de desbetreffende CAO geformaliseerd is dat de aanvullingsregeling ook van toepassing is op bedoelde zieke werkloze, èn

    • b. de extra kosten die verbonden zijn aan de bijdrageheffing en de uitkeringsverzorging voor bedoelde werknemers voor rekening komen van werkgevers en werknemers op wie de desbetreffende CAO van toepassing is, èn

    • c. in de CAO een bijdrageplicht voor de werkgevers van bedoelde werknemers is opgenomen, èn

    • d. in de CAO een meldings- en informatieplicht voor bedoelde zieke werkloze is opgenomen.

  • 2. Als partijen bij een andere CAO dan genoemd in artikel 2 van de statuten het doen van verstrekkingen aan zieke werklozen vanuit het fonds willen regelen, dienen zij een verzoek daartoe bij het bestuur in te dienen.

Artikel 8 Aanvulling op ZW-uitkering

  • 1. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid m, sub 1, heeft vanaf de 16e dag na aanvang van de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte – zaterdagen en zondagen niet meegerekend jegens het fonds recht op betaling van een aanvulling van 30/70ste van het bedrag dat als ziekengeld wordt uitbetaald, nadat op dat bedrag de vakantietoeslagcomponent in mindering is gebracht.

  • 2. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid m, sub 2, die onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, werkzaam was onder de CAO Bouwbedrijf, CAO Uta bouwbedrijven, CAO Natuursteenbedrijf of CAO Mortel, heeft, als hij zich daarvoor meldt, vanaf de 16e dag na aanvang van de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte – zaterdagen en zondagen niet meegerekend – jegens het fonds recht op betaling van een aanvulling van 30/70ste van het bedrag dat als ziekengeld wordt uitbetaald, nadat op dat bedrag de vakantietoeslagcomponent in mindering is gebracht, tenzij hij als gevolg van wettelijke bepalingen geen voordeel heeft van deze aanvulling.

  • 3. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid m, sub 2, die onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, werkzaam was onder de CAO Stukadoorsbedrijf, heeft vanaf de 16e dag na aanvang van de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte – zaterdagen en zondagen niet meegerekend – jegens het fonds recht op betaling van een aanvulling van 30/70ste van het bedrag dat als ziekengeld wordt uitbetaald, nadat op dat bedrag de vakantietoeslagcomponent in mindering is gebracht, tenzij hij als gevolg van wettelijke bepalingen geen voordeel heeft van deze aanvulling.

  • 4. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid m, sub 3, heeft vanaf de dag met ingang waarvan de dienstbetrekking is geëindigd jegens het fonds recht op betaling van een aanvulling van 30/70ste van het bedrag dat als ziekengeld wordt of zou worden uitbetaald, nadat op dat bedrag de vakantietoeslagcomponent in mindering is gebracht.

  • 5. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid m, sub 4, heeft vanaf de 16e dag na aanvang van de arbeidsongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte – zaterdagen en zondagen niet meegerekend – jegens het fonds recht op betaling van een aanvulling van 30/70ste van het bedrag dat als ziekengeld wordt uitbetaald, nadat op dat bedrag de vakantietoeslagcomponent in mindering is gebracht.

  • 6. Als een zieke werkloze op grond van artikel 38 of 39 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering recht heeft op herziening van zijn uitkering op grond van die wet, wordt het bedrag van de aan- vulling bepaald op 100/70ste van het bedrag dat voor herziening als ziekengeld werd uitbetaald, nadat op dat bedrag de vakantietoeslagcomponent in mindering is gebracht, minus het bedrag waarmee de WAOuitkering is verhoogd en minus het resterende ziekengeld.

  • 7. De melding die in het tweede lid van dit artikel wordt genoemd, dient binnen een termijn van 26 weken vanaf de eerste werkloosheidsdag plaats te vinden.

  • 8. De in het eerste tot en met zesde lid van dit artikel bedoelde aanvulling wordt gelijktijdig met het te betalen ziekengeld betaalbaar gesteld aan degene aan wie het ziekengeld betaalbaar wordt of zou worden gesteld.

Artikel 9 Aanvulling op het als vakantietoeslag te betalen deel van de ZW-uitkering

  • 1. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid m, sub 1, 3 of 4, die, als hij niet werkloos zou zijn, jegens zijn werkgever recht zou hebben gehad op betaling van vakantietoeslag, heeft over elke dag dat hij ziekengeld ontvangt jegens het fonds recht op een betaling van een bedrag van 8% van de aanvulling die op grond van artikel 8 wordt betaald.

  • 2. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid m, sub 2, die bij werken van zijn werkgever vakantietoeslag ontving en onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, werkzaam was onder de CAO Uta bouwbedrijven, de CAO Mortel, de CAO Stukadoorsbedrijf of de CAO Natuursteenbedrijf heeft over elke dag dat hij ziekengeld ontvangt jegens het fonds recht op een betaling van 8% van de aanvulling die op grond van artikel 8 wordt betaald.

  • 3. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid m, sub 2, die onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren, als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, werkzaam was onder de CAO Uta bouwbedrijven, de CAO Mortel of de CAO Natuursteenbedrijf, dient zich voor de aanvulling te melden. De melding dient binnen een termijn van 26 weken vanaf de eerste werkloosheidsdag plaats te vinden.

  • 4. Een zieke werkloze als bedoeld in het eerste lid die op grond van het bepaalde in artikel 29, tweede lid, onderdeel b of c, ZW over een dag geen recht heeft op ziekengeld, heeft jegens het fonds over die dag recht op betaling van een bedrag van 100/70 van de vakantietoeslag die hij krachtens de ZW zou hebben ontvangen, als hij recht op uitkering zou hebben gehad.

Artikel 10 De vakantiewaarde

  • 1. Een zieke werkloze die, als hij niet werkloos zou zijn, jegens zijn werkgever recht zou hebben gehad op een vakantiewaarde, heeft jegens het fonds recht op betaling van een bedrag aan het vakantiefonds over elke dag dat hij ziekengeld ontvangt.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de zieke werkloze voor wie bij de berekening van zijn dagloon krachtens de ZW een vakantiewaarde in aanmerking is of zou zijn genomen, slechts jegens het fonds recht op betaling van een bedrag aan het vakantiefonds als hij een machtiging verstrekt om van zijn uitkering krachtens de ZW aan het vakantiefonds per dag te voldoen zijn uitkering over de desbetreffende dag, vermenigvuldigd met een breuk.

  • De teller van die breuk is gelijk aan de vakantiewaarde welke begrepen is in het bedrag dat als dagloon zou zijn berekend als bij die berekening artikel 9, eerste lid, en artikel 9, negende lid, CSV niet zou zijn toegepast.

  • De noemer van de breuk is gelijk aan het bedrag dat als dagloon zou zijn berekend als bij die berekening artikel 9, eerste lid, en artikel 9, negende lid, CSV niet zouden zijn toegepast.

  • 3. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid m, sub 1 of sub 2 heeft jegens het fonds geen recht op betaling van een bedrag aan het vakantiefonds als hij onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies, als bedoeld in artikel 16 WW en voor zover van toepassing in verbinding met artikel 52a WW, werkzaam was onder de CAO Bouwbedrijf en hij over een dag als bedoeld in het eerste lid recht heeft op een toeslag op grond van de TW.

  • 4. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid m, sub 2, alleen recht op een betaling aan een vakantiefonds als hij onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies, als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, werkzaam was onder de CAO Bouwbedrijf, de CAO Stukadoorsbedrijf of de CAO Natuursteenbedrijf.

  • 5. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid m, sub 2, die onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren, als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, werkzaam was onder de CAO Bouwbedrijf of de CAO Natuursteenbedrijf, dient zich voor de aanvulling te melden. De melding dient binnen een termijn van 26 weken vanaf de eerste werkloosheidsdag plaats te vinden.

  • 6. Het in het eerste lid bedoelde bedrag bedraagt voor de zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid m, sub 1, het met een breuk te vermenigvuldigen bedrag van de vakantiewaarde die begrepen is in het bedrag dat bij het ontstaan van het recht op WW-uitkering of de dag met ingang waarvan de dienstbetrekking is geëindigd als WW-dagloon zou zijn berekend als bij die berekening artikel 9, eerste lid, en artikel 9, negende lid, CSV niet zou zijn toegepast.

  • De teller van de breuk wordt gevormd door een bedrag ter grootte van de over die dag in feite aan de werknemer toekomende ZW-uitkering.

  • De noemer van die breuk is gelijk aan 70% van het bedrag dat bij het ontstaan van het recht of op de eerste dag dat de dienstbetrekking is geëindigd als WW-dagloon zou zijn berekend als bij die berekening artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid, CSV niet zouden zijn toegepast.

  • 7. Als het dagloon waarnaar het ziekengeld is berekend, is gebaseerd op een WW-dagloon dat is vastgesteld met toepassing van artikel 11, derde, vierde of vijfde lid van het Bijzonder Dagloonbesluit IWS Bouwnijverheid, is de teller van de in het tweede en vijfde lid bedoelde breuk, in afwijking van het in die leden bepaalde, gelijk aan de vakantiewaarde die begrepen is in het bedrag dat bij het ontstaan van het secundair recht als secundair dagloon zou zijn berekend als bij die berekening artikel 9, eerste en artikel 9, negende lid, CSV niet zouden zijn toegepast.

  • 8. Het in het eerste lid bedoelde bedrag bedraagt voor de zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid m, sub 2, 100/70ste deel van het bedrag dat over de desbetreffende dag krachtens de WW ten gunste van werknemer aan het vakantiefonds betaald zou zijn, als hij recht gehad zou hebben op een loon- gerelateerde WW-uitkering.

  • 9. Voor de zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid m, sub 3 en 4 is de in het eerste lid bedoelde betaling gelijk aan het bedrag dat de laatste werkgever voor de zieke werkloze bij werken aan het vakantiefonds verschuldigd zou zijn geweest.

  • 10. Op het in het vijfde, zesde, zevende en achtste lid bedoelde bedrag wordt in mindering gebracht:

    • a. de betaling aan het vakantiefonds als bepaald in het tweede lid;

    • b. de eventueel op grond van de TW uit te betalen vakantietoeslag. Als artikel 14 TW is toegepast wordt bij de berekening van de hoogte van de te verstrekken aanvulling uitgegaan van de toeslag zoals deze werd verstrekt zonder toepassing van artikel 14 TW.

  • 11. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het aantal dagen waarop jegens het fonds recht bestaat op een betaling aan een vakantiefonds gesteld op 230 opbouwdagen voor de zieke werkloze op wie bij werken een CAO van toepassing was die ingeval van ziekte de afdracht aan het vakantiefonds door de werkgever – al dan niet onder voorwaarden – beperkt tot maximaal het aantal opbouwdagen per rechtjaar.

  • 12. In afwijking van het bepaalde in het vijfde, zesde en zevende lid wordt het bedrag van de betaling aan het vakantiefonds ten behoeve van de zieke werkloze op wie bij werken een CAO van toepassing was op grond waarvan de hoogte van de afdracht door de werkgever aan het vakantiefonds na 26 weken wordt verlaagd, na 130 opbouwdagen aangepast overeenkomstig het bepaalde in de betreffende CAO.

  • 13. De zieke werkloze als bedoeld in het eerste lid die op grond van het bepaalde in artikel 29, tweede lid, onderdeel b of c, ZW over een dag geen recht heeft op ziekengeld, heeft jegens het fonds over die dag recht op betaling van een bedrag aan het vakantiefonds conform het bepaalde in het achtste lid.

  • 14. De betaling wordt uitbetaald aan het vakantiefonds waaraan de werkgever zou betalen of het krachtens de WW te betalen bedrag uitbetaald zou worden.

Artikel 11 De pensioenpremie

  • 1. De zieke werkloze heeft jegens het fonds recht op betaling van pensioenpremie over elke dag dat hij ziekengeld ontvangt.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid m, sub 2, alleen recht op een betaling van pensioenpremie als hij onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies, als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, werkzaam was onder de CAO Bouwbedrijf, de CAO Uta bouwbedrijven, de CAO Stukadoorsbedrijf, de CAO Natuursteenbedrijf of de CAO Mortel.

  • 3. Een zieke werkloze als bedoeld in artikel 1, lid m, sub 2, die onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van zijn verlies aan arbeidsuren, als bedoeld in artikel 16 WW in verbinding met artikel 52a WW, werkzaam was onder de CAO Bouwbedrijf, de CAO Uta bouwbedrijven, de CAO Natuursteen of de CAO Mortel, dient zich voor de aanvulling te melden. De melding dient binnen een termijn van 26 weken vanaf de eerste werkloosheidsdag plaats te vinden.

  • 4. De hoogte van deze betaling is gelijk aan de pensioenpremie die voor de zieke werkloze bij werken verschuldigd zou zijn geweest aan het pensioenfonds.

  • 5. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de zieke werkloze voor wie bij de berekening van zijn dagloon krachtens de ZW het werknemersaandeel in de pensioenpremie in aanmerking is of zou zijn genomen, slechts jegens het fonds recht op betaling van een bedrag aan het pensioenfonds als hij een machtiging verstrekt om van zijn uitkering krachtens de ZW aan het pensioenfonds per dag te voldoen zijn uitkering over de desbetreffende dag, vermenigvuldigd met een breuk.

  • De teller van die breuk is gelijk aan het werknemersaandeel in de pensioenpremie die begrepen is in het bedrag dat als dagloon zou zijn berekend als bij die berekening artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid, CSV niet zouden zijn toegepast.

  • De noemer van de breuk is gelijk aan het bedrag dat als dagloon zou zijn berekend als bij die berekening artikel 9, eerste lid en artikel 9, negende lid, CSV niet zouden zijn toegepast. Deze betaling wordt in mindering gebracht op de betaling door het fonds.

  • 6. De zieke werkloze als bedoeld in het eerste lid die op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel b of c, ZW over een dag geen recht heeft op ziekengeld, heeft jegens het fonds over die dag recht op betaling van een bedrag aan het pensioenfonds dat gelijk is aan het bedrag dat op grond van het vierde lid aan het pensioenfonds zou worden voldaan, als betrokkene over die dag ziekengeld zou ontvangen.

  • 7. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het aantal dagen waarop jegens het fonds recht bestaat op betaling aan een pensioenfonds gesteld op 230 opbouwdagen voor de zieke werkloze op wie bij werken een CAO van toepassing was die ingeval van ziekte de afdracht aan het pensioenfonds door de werkgever – al dan niet onder voorwaarden – beperkt tot maximaal het aantal opbouwdagen per rechtjaar.

  • 8. De pensioenpremiebetaling wordt gedaan aan het pensioenfonds waaraan de pensioenpremie bij werken zou zijn afgedragen.

Artikel 12 Uitkering over wachtdagen

Een zieke werkloze die op grond van het bepaalde in artikel 29, tweede lid, onderdeel b of c, ZW over een dag geen recht heeft op ziekengeld, heeft jegens het fonds over die dag recht op betaling van 70% van het bedrag waarop het dagloon krachtens de ZW is of zou zijn vastgesteld.

Paragraaf 5 overige bepalingen

Artikel 13 Verstrekken van inlichtingen

  • 1. De werkgever en de werknemer zijn verplicht aan het bestuur en degene die door het bestuur schriftelijk tot het inwinnen van inlichtingen is gemachtigd inzage te verlenen in alle bescheiden en voorts alle overige inlichtingen te verschaffen die worden gevraagd voor de uitvoering van het bepaalde in de statuten van het fonds en in dit reglement.

  • 2. Degene die bij de uitvoering van het bepaalde in de statuten van het fonds of in dit reglement kennis neemt van enig gegeven waarvan hij het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, is daarover tegenover derden tot geheimhouding verplicht.

Artikel 14 Voorschriften

Het bestuur is bevoegd nadere voorschriften vast te stellen die nodig zijn voor een verantwoorde uitvoering, mits deze voorschriften in overeenstemming zijn met de bepalingen in de statuten van het fonds en in dit reglement.

Artikel 15 Analoge toepassing van ZW-bepalingen

  • 1. Het bepaalde in de artikelen 47, 48, 50 en 85 ZW is op het in dit reglement bepaalde van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet als en voorzover in dit reglement uitdrukkelijk anders is bepaald.

Artikel 16 Terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen

  • 1. Betalingen die op grond van dit reglement onverschuldigd zijn gedaan, worden teruggevorderd.

  • 2. Als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het bestuur besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Artikel 17 Bijzondere gevallen

Als de bepalingen in dit reglement in individuele gevallen of in categorieën van gevallen leiden tot niet voorziene of onbedoelde gevolgen, kan het bestuur een afwijkende beslissing nemen die tegemoet komt aan de bedoelingen van de aanvullingsregeling.

Artikel 18 Intern beroep

  • 1. Als een werkgever of werknemer zich niet kan verenigen met een beslissing die hem betreft, kan hij zich tot het bestuur wenden met het verzoek een nieuwe beslissing te nemen in de plaats van een beslissing op grond van dit reglement.

  • 2. Aan de werkgever of werknemer wordt desgevraagd schriftelijk kennis gegeven van een beslissing van het bestuur op grond van dit reglement die hem betreft.

Artikel 19 Citeertitel

Dit reglement kan worden aangehaald als het Aanvullingsreglement Verstrekkingen aan zieke werklozen (AR-ZW).

STATUTEN VAN DE STICHTING UITTREDEN BOUWBEDRIJF

Artikel 1 Naam en zetel

  • a. De stichting draagt de naam: „Stichting Uittreden Bouwbedrijf. Zij wordt bij afkorting ook genaamd: SUB.

  • b. De stichting is gevestigd te Amsterdam.

Artikel 2 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze statuten en de reglementen wordt verstaan onder:

Stichting: de in artikel 1 genoemde stichting.

Bouwbedrijf: de bedrijfstak waarin ondernemingen, als genoemd in artikel 2 van de CAO werkzaam zijn.

CAO: de geldende collectieve arbeidsovereenkomst voor het bouwbedrijf (CAO voor het Bouwbedrijf) met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bijlagen en voorwaarden.

Nevenbedrijven: ondernemingen vallend onder de werkingssfeer van de CAO's voor het Stukadoorsbedrijf en het Steen-, Houtgraniet- en Kunststeenbedrijf, voor het Natuursteenbedrijf, voor het Bitumineuze Dakbedekkingsbedrijf en voor de Betonmortel- en Betonmorteltransportondernemingen.

Bestuur: het bestuur van de stichting als bedoeld in artikel 10.

Organisaties: de organisaties van werkgevers en werknemers, partij bij de CAO.

Werkgeverslid: het bestuurslid aangewezen door de vereniging algemeen Verbond bouwbedrijf (AVBB) te 's-Gravenhage of diens rechtsopvolger, namens de werkgeversorganisaties, partij bij de CAO.

Werknemerslid: het bestuurslid aangewezen of door de Bouw- en Houtbond FNV, gevestigd te Woerden, of door de Hout- en Bouwbond CNV, gevestigd te Utrecht, of door de Vakvereniging Het Zwarte Corps, gevestigd te Nieuwegein, of door hun respectieve danwel gezamenlijke rechtsopvolgers, namens de werknemersorganisaties, partij bij de CAO.

Vrijwillig vervroegd uittreden: het vrijwillig vervroegd beëindigen van een dienstbetrekking in een bouwbedrijf door een werknemer overeenkomstig het bepaalde in de CAO.

Deelnemer: deelnemer aan de regeling is de werknemer die gebruik maakt van de mogelijkheid om vrijwillig vervroegd uit het arbeidsproces te treden overeenkomstig de desbetreffende bepalingen in de CAO.

De statuten: deze statuten.

Reglementen: de reglementen als bedoeld in artikel 18.

Artikel 3 Doel

Het doel van de stichting is het doen van uitkeringen aan de deelnemers overeenkomstig de voorwaarden van de CAO. Indien partijen, betrokken bij de CAO's van de onder artikel 2 genoemde nevenbedrijven ook een VUT-regeling casu quo VUT-CAO zijn overeengekomen, dan bestaat in beginsel, en onder te stellen voorwaarden, de mogelijkheid de daaruit voortvloeiende werkzaamheden op te dragen aan de stichting.

Deze voorwaarden zijn ten minste:

  • a. de inhoud van de VUT-regeling casu quo VUT-CAO van de desbetreffende nevenbedrijven dient volledig identiek te zijn aan de regeling in de CAO voor het bouwbedrijf;

  • b. door partijen bij de CAO voor het bouwbedrijf overeen te komen wijzigingen in de VUT-bepalingen en voorwaarden, dienen eveneens tegelijkertijd van toepasing te worden verklaard, in de VUT-regeling casu quo VUT-CAO van de desbetreffende nevenbedrijven;

  • c. wanneer door wijzigingen de VUT-regeling casu quo VUT-CAO van de desbetreffende nevenbedrijven, afwijkt van hetgeen is vastgesteld in de VUT-voorwaarden van de CAO voor het bouwbedrijf, zal het bestuur van de SUB de werkzaamheden welke uit de VUT-regeling casu quo VUT-CAO voortvloeien, onmiddellijk kunnen beëindigen.

    Een besluit tot inwilliging van een verzoek van partijen, betrokken bij de VUT-regeling caso quo VUT-CAO van de nevenbedrijven om de uit deze VUT-regeling casu quo VUT-CAO voortvloeiende werkzaamheden te doen uitvoeren door de SUB, kan slechts worden genomen met instemming van alle bestuursleden van de SUB. Het bestuur van de SUB heeft het recht nadere voorwaarden te stellen.

Artikel 4 Middelen tot bereiking van het doel

De stichting tracht haar doel te bereiken door:

  • a. het innen en beheren van gelden in overeenstemming met het bepaalde in de statuten en reglementen;

  • b. het doen van uitkeringen aan uitkeringgerechtigden overeenkomstig het gestelde in de statuten en reglementen;

  • c. andere wettige middelen, die tot het doel bevordelijk kunnen zijn.

Artikel 5 Duur

De stichting is opgericht voor onbepaalde tijd.

Artikel 6 Geldmiddelen van de stichting

De geldmiddelen van de stichting zullen worden gevormd door:

  • a. de door de werkgevers te storten werkgevers- en werknemersbijdragen als bedoeld in de CAO;

  • b. bijdragen van de Overheid, indien en voorzover zij worden verleend;

  • c. alle overige haar toevallende baten en inkomsten.

Artikel 7 Bijdrageplichtigen

Bijdrageplichtig zijn degenen, die krachtens een bepaling van de CAO of anderszins verplicht zijn tot het geven van bijdragen aan de stichting.

Artikel 8 Bijdragen

  • 1. De methode van de berekening van de bijdrage als bedoeld in artikel 7, alsmede de wijze van incassering daarvan, worden bij reglement, als bedoeld in artikel 18 vastgesteld.

  • 2. De hoogte van de in het vorige lid bedoelde bijdragen wordt telkenjare door het bestuur van de stichting aan de hand van een begroting geschat en (voorlopig) vastgesteld.

  • Deze begroting wordt direct ter beschikking gesteld van partijen bij de CAO. De hoogte wordt pas definfitief vastgesteld door het bestuur, nadat daaromtrent door partijen bij de CAO overeenstemming is bereikt.

  • 3. Tot gerechtelijke invordering der bijdragen wordt niet overgegaan dan krachtens besluit van het bestuur.

Artikel 9 Uitkeringen

De uitkeringen aan de deelnemers geschieden op basis van de voorwaarden die door partijen in de CAO zijn vastgesteld.

Artikel 10 Bestuur

  • 1. Het bestuur van de SUB bestaat uit tien (10) leden en ingeval de SUB werkzaamheden voortvloeiende uit een VUT-regeling casu quo VUT-CAO van nevenbedrijven, uitvoert, uit twaalf (12) leden.

  • 2. De bestuursleden worden benoemd als volgt:

    • a. vijf (5) leden door de vereniging: Algemeen Verbond Bouwbedrijf (AVBB), gevestigd te 's-Gravenhage, namens de gezamenlijke werkgeversorganisaties, partij bij de CAO;

    • b. drie (3) leden door de Bouw- en Houtbond FNV, gevestigd te Woerden;

    • c. één (1) lid door de Hout- en Bouwbond CNV, gevestigd te Utrecht;

    • d. één (1) lid door de Vakvereniging Het Zwarte Corps, gevestigd te Nieuwegein;

    • e. ingeval de SUB werkzaamheden, voortvloeiende uit een VUT-regeling casu quo VUT-CAO van nevenbedrijven, uitvoert: één (1) lid door de werkgeversorganisaties en één (1) lid door de werknemersorganisaties, partijen bij de CAO van deze nevenbedrijven. Deze bestuursleden worden geacht die nevenbedrijven in de stichting te vertegenwoordigen ten behoeve van wie de SUB werkzaamheden uitvoert voortvloeiende uit een VUT-regeling casu quo VUT-CAO.

  • 3. De benoeming van een bestuurslid geschiedt voor onbepaalde tijd.

  • 4. De organisatie die een bestuurslid benoemde, kan te allen tijde die benoeming intrekken en een ander in diens plaats tot bestuurslid benoemen.

  • 5. Het bestuurslidmaatschappij eindigt:

    • a. door overlijden;

    • b. door schriftelijk bedanken;

    • c. door onder curatelestelling of faillissement;

    • d. door vervanging door de organisatie, die het desbetreffende bestuurslid benoemde;

    • e. bovendien voor de twee bestuursleden in lid 2 sub e bedoeld: door ontslag door het bestuur van de SUB op grond van het niet langer door de SUB uitvoeren van werkzaamheden voortvloeiende uit VUT-regelingen casu quo VUT-CAO's van nevenbedrijven.

Artikel 11 Voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, secretaris

  • 1. De werkgevers- en werknemersleden van het bestuur wijzen elk uit hun midden een lid aan die bij toerbeurt volgens een door het bestuur op te maken rooster, als voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van het bestuur optreden.

  • 2. De secretaris wordt door het bestuur, al dan niet uit zijn midden, benoemd.

  • 3. Indien de secretaris niet uit het bestuur wordt benoemd, heeft hij het recht bestuursvergaderingen bij te wonen, doch heeft hij slechts een adviserende stem.

Artikel 12 Taak en bevoegdheden van het bestuur

  • 1. Het bestuur heeft de gehele leiding van zaken en is bevoegd tot alle handelingen, de zaken van de stichting betreffende, voorzover daaromtrent bij of krachtens statuten en reglement(en) niet anders is bepaald.

  • 2. Het bestuur is belast met het beheer van de bezittingen van de stichting en met de uitvoering van de statuten en reglement(en).

  • 3. Het bestuur is bevoegd tot het sluiten van overeenkomsten tot het kopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen.

  • 4. Het bestuur kan de uitoefening van onderdelen van zijn taak delegeren aan een dagelijks bestuur, bestaande uit één of twee werkgeversbestuursleden en een gelijk aantal werknemersbestuursleden.

  • 5. Het bestuur is niet bevoegd om middelen die geacht kunnen worden te zijn verkregen voor een bepaald doel, danwel daaraan moeten worden toegerekend, aan te wenden voor een ander doel.

  • Indien niet vastgesteld kan worden aan welk doel een bepaald middel moet worden toegerekend, is het bestuur bevoegd om de bestemming daarvan te bepalen naar evenredigheid van de voor het lopende boekjaar voorziene uitgaven voor elk doel.

  • 6. De stichting wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door de voorzitter en plaatsvervangend voorzitter.

Artikel 13 Beheer

  • 1. De beleggingen van de stichting zullen door het bestuur op zodanige wijze geschieden dat:

    • a. een redelijke spreiding naar aard en risico der bezittingen en interessen wordt verkregen;

    • b. een optimaal rendement wordt verkregen;

    • c. geen belangrijk risico van blijvende vermogensverliezen wordt gelopen.

  • Daarenboven zal door het bestuur uit vermogenswinsten en/of opbrengsten een reserve worden gevormd ter dekking van het overblijvende risico van vermogensverliezen.

  • 2. De aan de stichting toebehorende zaken worden, indien zij niet ten kantore worden gehouden, in bewaring gegeven bij een ingevolge de Wet Toezicht Kredietwezen geregistreerde instelling.

  • 3. De kosten van beheer met betrekking tot een boekjaar komen ten laste van de rekening van lasten en baten over dat boekjaar.

  • 4. Het bestuur kan zich terzake van het beheer laten adviseren.

Artikel 14 Vergaderingen

  • 1. Het bestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter of ten minste twee bestuursleden dit nodig oordeelt/oordelen, doch tenminste één keer per jaar.

  • 2. De convocatie voor vergaderingen van het bestuur geschiedt, behoudens in spoedeisende gavallen ter beoordeling van de voorzitter, schriftelijk op een temijn van ten minste veertien dagen.

Artikel 15 Besluitvorming

  • 1. Opdat de stemverhouding tussen de twee in het bestuur vertegenwoordigde groeperingen zo gelijk mogelijk blijft, kan het bestuur alleen besluiten nemen in een vergadering waarin van beide groeperingen ten minste één vertegenwoordigd bestuurslid aanwezig is.

  • Een besluit als bedoeld in arikel 19 lid 1 kan slechts genomen worden met instemming van alle bestuursleden.

  • 2. De bestuursleden brengen in beginsel ieder een gelijk aantal stemmen ter vergadering uit.

  • Wanneer een of meer bestuursleden ter vergadering afwezig is (zijn) brengt (brengen) het (de) andere bestuurslid (leden), dezelfde groepering als de afwezige vertegenwoordigend, uit eigen hoofde de stem(men) van de afwezige(n) mede uit.

  • 3. Voor zover in deze statuten niet anders is bepaald, kunnen geldige besluiten slechts worden genomen met gewone meerderheid der geldig uitgebrachte stemmen.

  • 4. Over zaken wordt mondeling, over personen wordt schriftelijk gestemd.

  • 5. Bij staking van stemmen wordt het voorstel in een volgende vergadering opnieuw aan de orde gesteld.

  • Staken de stemmen wederom, dan wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

  • 6. Indien een bestuurslid niet ter vergadering aanwezig kan zijn, kan hij een medebestuurslid machtigen zijn stem uit te brengen middels een schriftelijke volmacht.

Artikel 16 Administratie

De stichting kan zijn administratieve en uitvoerende taken aan de „Stichting Sociaal Fonds Bouwnijverheid" te Amsterdam opdragen of aan een andere organisatie, onder verantwoordelijkheid van het bestuur van de stichting.

Artikel 17 Boekjaar, accountant en jaarverslag

  • 1. Het boekjaar van de stichting valt samen met het kalenderjaar.

  • 2. De boekhouding van de stichting wordt onder toezicht van een register-accountant gesteld, aan te wijzen door het bestuur. Deze accountant brengt elk jaar, of zoveel vaker als het bestuur nodig zal oordelen, verslag uit.

  • 3. De accountant is gerechtigd tot inzage van alle boeken en bescheiden van de stichting. De waarden van de stichting moeten hem desverlangd worden getoond.

  • 4. Het bestuur brengt na afloop van het boekjaar schriftelijk een jaarverslag uit.

  • 5. Het in het vorige lid bedoelde verslag bevat:

    • a. een algemeen overzicht van de werkzaamheden van de stichting gedurende het afgelopen boekjaar;

    • b. een rekening en verantwoording omtrent het beheer van de stichting, bestaande uit een balans en een staat van lasten en baten vergezeld van een verklaring van de register-accountant terzake van zijn bevindingen bij de controle opgedaan.

    • In de rekening en verantwoording zal voor elk doel afzonderlijk vermeld worden welke middelen en welke uitgaven aan dat doel moeten worden toegerekend;

    • c. in voorkomende gevallen, mededeling omtrent de wijzigingen die in de statuten en/of reglement hebben plaatsgehad.

  • 6. Het jaarverslag wordt toegezonden aan de werkgevers- en werknemersorganisaties in het bouwbedrijf en in de nevenbedrijven.

  • 7. Het jaarverslag wordt ter inzage van de bij de stichting betrokken werkgevers en werknemers neergelegd:

    • a. ten kantore van de stichting;

    • b. op een of meer door de Minister van Sociale Zaken aan te wijzen plaatsen.

  • 8. Het jaarverslag wordt op aanvraag aan de bij de stichting betrokken bedrijven en werknemers toegezonden tegen betaling van de daaraan verbonden kosten.

Artikel 18 Reglementen

  • 1. Het bestuur kan een of meer reglementen vaststellen; deze behoeven goedkeuring van de in artikel 10 genoemde organisaties.

  • 2. De bepalingen van de reglementen mogen niet in strijd zijn met de bepalingen van deze statuten of met de wet.

Artikel 19 Wijziging statuten en reglementen/ontbinding van de stichting

  • 1. Het bestuur is bevoegd deze statuten te wijzigen of de stichting te ontbinden na verkregen goedkeuring van partijen bij de CAO.

  • 2. Een besluit als onder lid 1 bedoeld, kan slechts worden genomen met instemming van alle bestuursleden.

  • 3. Een statutenwijziging treedt in werking nadat hiervan een notariële akte is opgemaakt.

  • 4.

    • a. De leden van het bestuur zijn verplicht een authentiek afschrift van de wijziging, alsmede de gewijzigde statuten neer te leggen ten kantore van het openbaar stichtingenregister, gehouden bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Amsterdam.

    • b. Reglementen, alsmede de in de statuten en reglementen aangebrachte wijzigingen, zullen niet in werking treden, alvorens een volledig exemplaar van die stukken onderscheidenlijk van de wijzigingen daarin, door het bestuur ondertekend, voor een ieder ter inzage is neergelegd ter griffie van het kantongerecht binnen welks ressort de stichting is gevestigd.

  • 5. Bij ontbinding van de stichting is het bestuur belast met de vereffening. Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van deze statuten zoveel mogelijk van kracht.

  • 6. Het besluit tot ontbinding van de stichting moet inhouden de bestemming van een eventueel batig saldo met dien verstande, dat een batig saldo moet worden bestemd voor een doel dat het meest overeenkomt met het doel van de stichting.

Artikel 20 Waarnemers

Indien door de Minister van Sociale Zaken de wens daartoe te kennen wordt gegeven, wordt in overleg tussen de Minister en het bestuur een waarnemer toegelaten. De waarnemer is gerechtigd alle vergaderingen van het besuur bij te wonen.

De waarnemer ontvangt alle voor het bestuur bestemde stukken.

Artikel 21 Slotbepaling

In alle gevallen, waarin niet door deze statuten of de reglementen van de stichting is voorzien, beslist het bestuur.

Bijdragereglement van de Stichting Uittreden Bouwbedrijf

LAATSTELIJK GEWIJZIGD BIJ BESTUURSBESLUIT VAN 5 JULI 2000.

Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:

Stichting: de Stichting Uittreden Bouwbedrijf

Bestuur: het bestuur van de Stichting

CAO: de CAO voor het Bouwbedrijf

Statuten: de statuten van de Stichting Uittreden Bouwbedrijf

Partijen: de organisaties van werkgevers en werknemers, partij bij de CAO

Werkgever: de werkgever als bedoeld in de CAO

Werknemer: de werknemer als bedoeld in de CAO

De administrateur: SFB Pensioenen B.V. gevestigd te Amsterdam

Artikel 2 Bijdrageverplichting

  • 1.

    • a. De werkgever is aan de Stichting een bijdrage verschuldigd voor de financiering van de in de statuten omschreven doelstelling. Deze bijdrage dient te worden betaald aan de administrateur.

    • b. De bijdrage wordt vastgesteld in de vorm van een percentage van het door de werkgever aan zijn werknemers uitbetaalde loon.

    • c. Als loon wordt te dezen aangemerkt het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering. De bijdrage wordt aan het eind van elk kalenderjaar terstond en ineens opeisbaar.

    • d. De administrateur kan voorschotbetalingen vorderen.

  • 2. Het verschuldigde bijdragepercentage wordt jaarlijks – op advies van het bestuur van de stichting – door partijen vastgesteld, met inachtneming van hetgeen in het eerste lid is bepaald. Het in de voorgaande zin bedoelde advies van het bestuur wordt gegeven aan de hand van een begroting die het bestuur jaarlijks opstelt. Deze begroting is, tegen vergoeding van kosten, voor iedere belanghebbende op aanvraag beschikbaar. Partijen zijn bevoegd tussentijds het bijdragepercentage voor de financiering aan te passen. Ingeval het totaal van de over enig kalenderjaar geheven bijdragen hoger dan wel lager blijkt te zijn dan het in dat jaar voor de uitvoering van de regelingen benodigde bedrag, wordt het verschil ten gunste respectievelijk ten laste van het volgend kalenderjaar gebracht.

  • 3. Het bestuur is bevoegd, na toestemming van partijen, met inachtneming van hetgeen in het eerste lid is bepaald een incidentele premie conform de CAO te heffen. Deze incidentele heffing kan direct en ineens invorderbaar worden verklaard.

  • 4. Het bestuur is bevoegd, na toestemming van partijen, met inachtneming van hetgeen in het eerste lid is bepaald, een incidentele premie ter financiering van de uitkeringslasten boven de achtprocent conform de CAO te heffen. Deze incidentele heffing kan direct en ineens invorderbaar worden verklaard.

Artikel 3 Vorderingstermijnen

  • 1. De betaling van de verschuldigde premie dient binnen de in de CAO genoemde termijnen te hebben plaatsgevonden.

  • 2. Indien deze betaling niet tijdig heeft plaatsgevonden is de werkgever in verzuim.

  • 3. Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen over de achterstallige betalingen.

  • 4. Deze rente is gelijk aan de wettelijke rente.

Artikel 4 Loonsomopgave

  • 1. De werkgever is gehouden jaarlijks aan de stichting op te geven de loonsom per werknemer, welke opgave dient te geschieden binnen de termijn en op de wijze door het bestuur schriftelijk aan de werkgever kenbaar gemaakt.

  • 2. Ingeval de werkgever niet aan het gestelde in het vorige lid voldoet, zal het bestuur bij besluit bepalen welke loonsom aangehouden moet worden ter berekening van de bijdrage van de werkgever.

  • 3. De gegevens die de werkgever krachtens dit artikel verstrekt, dienen uitsluitend ter bepaling van de door de werkgever verschuldigde bijdrage.

Artikel 5 Verstrekken van inlichtingen

De werkgever is verplicht alle gegevens en inlichtingen te verschaffen, alsmede iedere medewerking te verlenen, die noodzakelijk of gewenst worden geacht door personen of instellingen die, door of namens de stichting, zijn belast met de inning van de bijdrage en de controle op de naleving van het gestelde in de statuten en dit reglement.

Artikel 6 Inwerkingtreding

Dit reglement treedt in werking met ingang van 5 juli 2000 onder intrekking van het voor die datum geldende reglement.

Artikel 7 Citeertitel

Dit reglement kan worden aangehaald als bijdragereglement SUB 2000.

STATUTEN VAKANTIEFONDS

LAATSTELIJK VASTGESTELD DOOR HET BESTUUR OP 17 MAART 1994

Artikel 1 Naam en zetel

  • 1. De stichting draagt de naam „Stichting Vakantiefonds voor de Bouwnijverheid".

  • 2. De stichting is gevestigd te Amsterdam.

Artikel 2 Definities

In deze statuten wordt verstaan onder:

  • a. Vakantiefonds: de in artikel 1 genoemde stichting;

  • b. cao: collectieve arbeidsovereenkomst;

  • c. werkgever: de werkgever in de zin van de:

    • cao voor het Bouwbedrijf, of

    • cao voor het Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzobedrijf, of

    • cao voor het Natuursteenbedrijf;

  • d. werknemer: de werknemer in de zin van de:

    • cao voor het Bouwbedrijf, of

    • cao voor het Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzobedrijf, of

    • cao voor het Natuursteenbedrijf;

  • e. bestuur: het bestuur als bedoeld in artikel 10 van de statuten;

  • f. reglement: een reglement als bedoeld in artikel 14 van de statuten;

  • g. sfb: de Stichting Sociaal Fonds Bouwnijverheid te Amsterdam;

Artikel 3 Doel

Het Vakantiefonds heeft ten doel:

  • a. in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen in de in artikel 4 genoemde collectieve arbeidsovereenkomsten en/of loonregelingen en overeenkomstig bij reglement vast te stellen bepalingen, aan werknemers die onder een van de genoemde cao's vallen vergoeding te verschaffen wegens loonderving bij vakantiedagen en algemeen erkende feestdagen en daarmee bij cao gelijkgestelde te stellen dagen, vakantietoeslag alsmede eventuele andere daarmee verband houdende uitkeringen te doen.

  • b. volgens bij reglement vast te stellen bepalingen ten behoeve van werkgevers en werknemers die vallen onder de werkingssfeer van de cao voor het Bouwbedrijf een garantieregeling collectieve roostervrijedagen uit te voeren.

  • c. volgens bij reglement vast te stellen bepalingen ten behoeve van werkgevers en werknemers die vallen onder de in artikel 4 genoemde collectieve arbeidsovereenkomsten een garantieregeling voor loonbetaling bij de eerste twee tot zes weken van ziekte uit te voeren.

Artikel 4 Werkingssfeer

  • 1. In het Vakantiefonds wordt deelgenomen door de werkgevers en de werknemers op wie een van de hierna genoemde collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing is:

    • a. de cao voor het Bouwbedrijf;

    • b. de cao voor het Natuursteenbedrijf;

    • c. de cao voor het Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzobedrijf;

    • d. enige collectieve arbeidsovereenkomst of bindend opgelegde regeling van lonen en andere arbeidsvoorwaarden, die voor een van de hiervoor genoemde overeenkomsten in de plaats is gekomen, alsmede door de werkgevers en werknemers die, overeenkomstig het dienaangaande bepaalde in het reglement, de opbouw van vakantiewaarden via het Vakantiefonds overeenkomen.

  • 2. De statuten en de op basis van de statuten vastgestelde reglementen worden geacht onderdeel te zijn van de in het eerste lid van dit artikel genoemde collectieve arbeidsovereenkomsten of bindend opgelegde regeling van lonen en andere arbeidsvoorwaarden.

Artikel 5 Duur

Het Vakantiefonds is opgericht voor onbepaalde tijd.

Artikel 6 Geldmiddelen

De geldmiddelen van het Vakantiefonds bestaan uit:

  • a. het stichtingskapitaal;

  • b. de door de werkgevers in het Vakantiefonds gestorte bedragen bedoeld in artikel 7;

  • c. de opbrengst van de in artikel 7 bedoelde opslag voor administratiekosten;

  • d. de opbrengst van de in artikel 8 bedoelde inhouding voor administratiekosten;

  • e. renten;

  • f. andere baten.

Artikel 7 Bijdrageverplichtingen

  • 1. Ter uitvoering van het doel worden de door partijen bij de in artikel 4 genoemde cao's vast te stellen bedragen voor de opbouw van vakantiewaarden – al dan niet verhoogd met een opslag voor administratiekosten – door de werkgever aan het Vakantiefonds betaald.

  • 2. Indien in enig boekjaar de opbrengst van de in het vorige lid bedoelde middelen groter is dan het totaal van de uitgaven van het fonds dan wordt het overschot ten gunste van het volgende boekjaar gebracht.

  • 3. Indien in enig boekjaar de opbrengst van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde middelen kleiner is dan het totaal van de uitgaven van het fonds dan wordt het nadelig verschil ten laste van het volgende boekjaar gebracht.

  • 4. Bij de jaarlijkse vaststelling van de in artikel 4 bedoelde bedragen bestemd voor de opbouw van de vakantiewaarden wordt rekening gehouden met het saldo van het Vakantiefonds zoals dat blijkt uit de laatstelijk vastgestelde balans.

Artikel 8 Uitkeringen

De geldswaarde van de opgebouwde vakantiewaarden wordt – al dan niet onder inhouding van een bij reglement vast te stellen bijdrage voor administratiekosten – aan de werknemer uitbetaald.

Artikel 9 Administratie

Het Vakantiefonds draagt zijn administratie op aan het sfb.

Artikel 10 Bestuur

  • 1. Het bestuur van het Vakantiefonds bestaat uit twaalf leden. De benoeming geschiedt als volgt:

  • vijf door de Vereniging „Algemeen Verbond Bouwbedrijf" (AVBB);

  • één door de Stichting Federatie Aannemers in de Afbouw- en Nevenbedrijven van de Bouwnijverheid;

  • vier door de Bouw- en Houtbond FNV;

  • twee door de Hout- en Bouwbond CNV.

  • 2. Het lidmaatschap van het bestuur eindigt door intrekking van de benoeming door het orgaan dat het betrokken bestuurslid heeft aangewezen of door het bedanken van betrokkene.

  • 3. Ter vervanging van elk bestuurslid wordt een plaatsvervangend lid benoemd. Hetgeen is bepaald ten aanzien van bestuursleden geldt evenzeer voor plaatsvervangende leden.

  • 4. De leden van het bestuur en de directie mogen niet deelnemen aan leveringen of aannemingen ten behoeve van het Vakantiefonds of belang hebben bij de belegging van zijn gelden.

Artikel 11 Besluitvorming en quorum

  • 1. Het aantal stemmen dat elk bestuurslid uitbrengt wordt zodanig bepaald dat het aantal stemmen aan werkgeverszijde even groot is als het aantal stemmen aan werknemerszijde.

  • 2. Is het aantal ter vergadering aanwezige bestuursleden aan werkgeverszijde niet even groot als het aantal ter vergadering aanwezige bestuursleden aan werknemerszijde dan brengen de leden van die groep waarvan het grootste aantal ter vergadering aanwezig is ieder evenveel stemmen uit als het aantal stemmen van de leden van de andere groep ter vergadering aanwezig, maal het eigen stemmenaantal. De leden van de andere groep brengen in dat geval ieder evenveel stemmen uit als het aantal stemmen van de grootste groep ter vergadering aanwezig, maal het eigen stemmenaantal.

  • 3. Voorzover in deze statuten niet anders is bepaald kunnen geldige besluiten slechts worden genomen met gewone meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen.

  • 4. Door het bestuur worden geen beslissingen genomen indien niet meer dan de helft van het aantal bestuursleden aanwezig is.

  • Indien het vereiste aantal bestuursleden in een vergadering niet aanwezig is kan in een volgende vergadering, ongeacht het aantal aanwezige bestuursleden, een besluit worden genomen over die voorstellen waarover wegens het ontbreken van het quorum in eerstbedoelde vergadering geen besluit kan worden genomen.

  • 5. Het bestuur kan slechts besluiten nemen indien ter vergadering ten minste één lid van werkgeverszijde en één lid van werknemerszijde aanwezig is.

Artikel 12 Delegatie

Het bestuur kan uitdrukkelijk omschreven bevoegdheden delegeren aan het sfb en/of aan door het bestuur, al dan niet geheel uit zijn midden, benoemde paritaire commissies waarbij aan deze commissies toestemming kan worden verleend, volgens door het bestuur te stellen richtlijnen, een deel van deze bevoegdheden weer over te dragen aan het sfb. De gedelegeerde bevoegdheden worden door de commissies en het sfb uitgeoefend onder toezicht en verantwoordelijkheid van het bestuur.

Artikel 13 Voorzitter en secretarissen

  • 1. Het bestuur benoemt uit zijn midden twee voorzitters: een van werkgeverszijde en een van werknemerszijde; deze vertegenwoordigen tezamen het Vakantiefonds in en buiten rechte.

  • 2. Om beurten treden de voorzitters voor de tijd van een kalenderjaar als voorzitter en als tweede voorzitter op.

  • 3. Het bestuur kiest uit zijn midden twee secretarissen: een van werkgeverszijde en een van werknemerszijde. Indien als voorzitter een werkgeversvertegenwoordiger fungeert, fungeert als secretaris de secretaris van werknemerszijde en omgekeerd.

Artikel 14 Reglementen

  • 1. Het bestuur stelt een of meer reglementen vast waarin wordt geregeld de wijze waarop het doel van het Vakantiefonds zal worden bereikt alsmede die zaken die nadere voorziening behoeven.

  • Het bestuur is zelfstandig bevoegd wijzigingen in een reglement aan te brengen.

  • Het reglement kan bepalingen inhouden die alleen gelden voor een of meer onderdelen van de bouwnijverheid mits door deze speciale voorzieningen de goede werking van het Vakantiefonds als geheel niet wordt geschaad.

  • 2. Het reglement en eventuele wijzigingen daarin treedt niet in werking alvorens, krachtens goedkeuring door de partijen bij de in artikel 4 van deze statuten genoemde cao's, de tekst van het reglement is aanvaard voor een meerderheid van de werknemers in de bouwnijverheid.

  • Reglementswijzigingen die uitsluitend betrekking hebben op werkgevers en werknemers als bedoeld in één bepaalde cao behoeven alleen de goedkeuring van de partijen bij die cao.

  • 3. Ter verkrijging van de in het voorgaande lid bedoelde goedkeuring wordt het reglement (of worden de wijzigingen) toegezonden aan de organisaties die partij zijn bij de betrokken cao's. Een organisatie wordt geacht goedkeuring te hebben verleend indien die organisatie niet binnen acht weken na de toezending van het tegenovergestelde heeft doen blijken door het insturen van op schrift gestelde bezwaren.

  • 4. Een reglement en de in een reglement aangebrachte wijzigingen zullen niet in werking treden voordat een volledig exemplaar van die stukken, of onderscheidenlijk van de wijzigingen daarin door het bestuur ondertekend voor een ieder ter inzage zijn gelegd ter griffie van het kantongerecht te Amsterdam.

Artikel 15 Beheer

  • 1. Het bestuur is belast met het beheer van het Vakantiefonds.

  • Het is bevoegd uit naam van het Vakantiefonds alle handelingen te verrichten die met de doelstelling in overeenstemming zijn en die niet bij of krachtens deze statuten aan de bevoegdheid van het bestuur onttrokken zijn.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 291 tweede lid van Boek 2 BW omvat de bevoegdheid van het bestuur mede het sluiten van overeenkomsten tot het kopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen en het sluiten van overeenkomsten waarbij het Vakantiefonds zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een derde verbindt.

  • 3. De beleggingen van het Vakantiefonds zullen door het bestuur op een zodanige wijze geschieden dat:

    • a. een redelijke spreiding naar aard en risico der bezittingen en interessen wordt verkregen;

    • b. een optimaal rendement wordt verkregen;

    • c. geen belangrijk risico van blijvende vermogensverliezen wordt gelopen.

  • 4. De aan het Vakantiefonds toebehorende zaken worden als zij niet ten kantore worden gehouden in bewaring gegeven bij een ingevolge de Wet Toezicht Kredietwezen geregistreerde instelling.

  • 5. De kosten van beheer met betrekking tot een boekjaar komen ten laste van de rekening van baten en lasten over dat boekjaar.

Artikel 16 Boekjaar, accountant en jaarverslag

  • 1. Het boekjaar van het Vakantiefonds loopt, tenzij het bestuur anders beslist, van één juni tot en met een en dertig mei.

  • 2. Het bestuur benoemt, gehoord het bestuur van het sfb, een externe registeraccountant aan wie de controle van de jaarrekening wordt opgedragen.

  • 3. De registeraccountant is gerechtigd tot inzage van alle boeken en bescheiden van de stichting. De waarden van de stichting moeten hem desgevraagd worden getoond.

  • 4. De registeraccountant brengt tenminste eenmaal per jaar aan het bestuur verslag uit van zijn bevindingen.

  • 5. Het bestuur legt van zijn beleid jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar schriftelijk verantwoording aan partijen bij de in artikel 4 van deze statuten genoemde cao's af door middel van een verslag.

  • 6. Het in het vijfde lid bedoelde verslag bevat:

    • a. een algemeen overzicht van de werkzaamheden van de stichting gedurende het afgelopen boekjaar;

    • b. een rekening en verantwoording omtrent het beheer van de stichting, bestaande uit een balans en een rekening van baten en lasten, vergezeld van een verklaring van de registeraccountant terzake van zijn bevindingen bij de controle opgedaan;

    • c. in voorkomende gevallen, mededelingen omtrent de wijzigingen die in de statuten en/of reglement(en) hebben plaatsgehad.

  • 7. Het jaarverslag wordt toegezonden aan de werkgevers- en werknemersorganisaties betrokken bij de in de artikel 4 genoemde cao's.

  • 8. Het jaarverslag wordt ter inzage van de bij het Vakantiefonds betrokken werkgevers en werknemers gelegd:

    • a. ten kantore van het Vakantiefonds;

    • b. op een of meer door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen plaatsen.

  • 9. Het jaarverslag wordt op aanvraag aan de bij het Vakantiefonds betrokken werkgevers en werknemers toegezonden tegen betaling van de daaraan verbonden kosten.

Artikel 17 Wijziging statuten

  • 1. Wijzigingen in de statuten kunnen worden aangebracht bij besluit van het bestuur.

  • 2. Een besluit tot statutenwijziging moet worden genomen in een bijzondere daartoe uitgeschreven vergadering waarop tenminste de helft van de werkgevers- en tenminste de helft van de werknemersleden van het bestuur aanwezig is. De uitnodiging voor deze vergadering moet met het voorstel uiterlijk veertien dagen voor de vergadering aan de bestuursleden worden toegezonden.

  • 3. Indien op een vergadering waarin een statutenwijziging zal worden behandeld niet het voor het nemen van een besluit vereiste aantal leden aanwezig is zal binnen een maand nadien een tweede vergadering worden gehouden. De uitnodiging voor deze vergadering moet met het voorstel uiterlijk veertien dagen voor de vergadering aan de bestuursleden worden toegezonden. Het bestuur is bevoegd tot het nemen van een besluit ongeacht het ter vergadering aanwezige aantal leden.

  • 4. Een besluit tot statutenwijziging moet worden genomen met een meerderheid van twee derde der uitgebrachte geldige stemmen.

  • 5. Een statutenwijziging treedt in werking indien deze krachtens goedkeuring door de partijen bij de in artikel 4 van deze statuten genoemde cao's is aanvaard voor een meerderheid van de werknemers in de bouwnijverheid.

  • Ter verkrijging van de goedkeuring wordt de wijziging toegezonden aan de organisaties die partij zijn bij de betrokken cao's.

  • Een organisatie wordt geacht goedkeuring te hebben verleend indien die organisatie niet binnen acht weken na de toezending van het tegenovergestelde heeft doen blijken door het insturen van op schrift gestelde bezwaren.

  • 6. De statuten en de in de statuten aangebrachte wijzigingen zullen niet in werking treden voordat een volledig exemplaar van die stukken, of onderscheidenlijk van de wijzigingen daarin door het bestuur ondertekend voor een ieder ter inzage zijn gelegd ter griffie van het kantongerecht te Amsterdam.

Artikel 18 Ontbinding van de stichting

  • 1. Voor een besluit tot ontbinding van het Vakantiefonds gelden dezelfde bepalingen als voor een besluit tot wijziging van de statuten.

  • 2. In geval van ontbinding zal het bestuur – met een meerderheid en op een wijze als genoemd in lid 5 van het voorgaande artikel – met de liquidatie zijn belast, tenzij de organisaties die partij zijn bij een van de cao's genoemd in artikel 4 van deze statuten een ander besluit nemen.

  • 3. Het bestuur beslist over de bestemming van een batig saldo.

  • Een batig saldo moet worden bestemd voor een doel dat het meest overeenkomt met het doel van het Vakantiefonds. Een nadelig saldo dient door de werkgevers te worden opgebracht.

Artikel 19 Ministerieel vertegenwoordiger

Als de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daartoe de wens te kennen geeft wordt in overleg tussen de minister en het bestuur een waarnemer toegelaten. De waarnemer is gerechtigd alle vergaderingen van het bestuur bij te wonen. De waarnemer ontvangt daartoe alle voor het bestuur bestemde stukken.

Artikel 20 Slotbepaling

In alle gevallen waarin niet door deze statuten of de reglementen van de stichting is voorzien beslist het bestuur.

Artikel 21 Inwerkingtreding

Deze statuten worden geacht in werking te zijn getreden op een juli negentienhonderd drie en vijftig.

STICHTING SCHOLINGSFONDS VOOR HET BOUWBEDRIJF

Statuten van de Stichting Scholingsfonds voor het Bouwbedrijf

VASTGESTELD DOOR HET BESTUUR BIJ BESLUIT VAN 6 SEPTEMBER 2000

Artikel 1 Naam en zetel

  • 1. De stichting draagt de naam „Stichting Scholingsfonds voor het Bouwbedrijf".

  • 2. De stichting is gevestigd te Amsterdam.

Artikel 2 Definities

In deze statuten wordt verstaan onder:

  • a. het fonds: de in artikel 1 genoemde stichting.

  • b. cao: CAO voor het Bouwbedrijf.

  • c. werkgever: de werkgever op wie de bepalingen van de cao van toepassing zijn.

  • d. werknemer: de werknemer op wie de bepalingen van de cao van toepassing zijn.

  • e. bestuur: het bestuur van het fonds.

  • f. reglement: een reglement als bedoeld in artikel 11 van de statuten.

  • g. sfb: SFB CAO-Regelingen B.V. te Amsterdam.

Artikel 3 Doel

Het fonds stelt zich ten doel om, in aansluiting op de desbetreffende bepaling in de cao, en overeenkomstig bij reglement vast te stellen bepalingen, loonkosten wegens scholingsdagen in de bouwnijverheid in Nederland te vergoeden, alsmede nader door partijen bij de cao aan het fonds op te dragen activiteiten in het kader van de volwassenenscholing.

Het fonds stelt zich voorts ten doel het financieren of subsidiëren van werkgelegenheidsprojecten als bedoeld in de cao en het verstrekken van algemene voorlichting aan de bedrijfstak omtrent Scholingsfondsactiviteiten in het kader van artikel 35b.

Artikel 4 Administratie

  • 1. Het fonds draagt zijn administratie conform contract op aan het sfb.

  • 2. De administratie-opdracht aan het sfb omvat de bijdragevaststelling en bijdrage-inning, de controle op en het uitbetalen van declaraties, de financiële verslaglegging van het fonds, het verstrekken van allerhande faciliteiten en de activiteiten die voortvloeien uit de aan het sfb opgedragen taken, alsmede andere door het bestuur aan het sfb opgedragen activiteiten.

Artikel 5 Geldmiddelen

De geldmiddelen van het fonds bestaan uit:

  • a. de bijdragen die ter uitvoering van het doel van het fonds door de werkgevers worden opgebracht op de wijze als door partijen bepaald en nader vastgesteld in het reglement;

  • b. renten;

  • c. eventuele andere baten.

Artikel 6 Bestuur

  • 1. Het bestuur van het fonds bestaat uit zes leden.

  • De benoeming geschiedt als volgt:

    • drie leden door de Vereniging „Algemeen Verbond Bouwbedrijf" (AVBB);

    • één lid door de Bouw- en Houtbond FNV;

    • één lid door de Hout- en Bouwbond CNV;

    • één lid door de Vakvereniging 'Het Zwarte Corps'.

  • 2. Voor ieder bestuurslid wordt een plaatsvervangend lid benoemd. Hetgeen is bepaald ten aanzien van bestuursleden geldt evenzeer voor de plaatsvervangende bestuursleden.

  • 3. Het lidmaatschap van het bestuur eindigt door overlijden van betrokkene, dan wel door intrekking van de benoeming door het orgaan dat het betrokken bestuurslid heeft aangewezen, dan wel door het schriftelijk bedanken van betrokkene, dan wel door onder curatelestelling van betrokkene.

  • 4. De leden van het bestuur mogen, noch middellijk, noch onmiddellijk, in een andere hoedanigheid deelnemen aan leveringen of aan nemingen ten behoeve van het fonds, noch op enigerlei wijze belang hebben bij de beleggingen van zijn gelden.

Artikel 7 Besluitvorming en quorum

  • 1. De leden van het AVBB brengen ieder vijf stemmen uit, het lid van de Bouw- en Houtbond FNV brengt negen stemmen uit en de overige leden ieder drie stemmen.

  • 2. Is het aantal ter vergadering aanwezige stemmen aan werkgeverszijde niet even groot als het aantal ter vergadering aanwezige stemmen aan werknemerszijde, dan brengen de leden van die groep waarvan het grootste stemmenaantal ter vergadering aanwezig is ieder evenveel stemmen uit als het aantal stemmen van de leden van de andere groep ter vergadering aanwezig, maal het eigen stemmenaantal. De leden van de andere groep brengen alsdan ieder evenveel stemmen uit als het aantal stemmen van de leden van de grootste groep ter vergadering aanwezig, maal het eigen stemmenaantal.

Artikel 8 Delegatie

Het bestuur kan uitdrukkelijk omschreven bevoegdheden delegeren aan het sfb en/of aan door het bestuur, al dan niet geheel uit zijn midden, benoemde paritaire commissies. Daarbij kan aan deze commissies toestemming worden verleend, volgens door het bestuur te stellen richtlijnen, een deel van haar bevoegdheden weer over te dragen aan het sfb. De gedelegeerde bevoegdheden worden door de commissies en het sfb uitgeoefend onder toezicht en verantwoordelijkheid van het bestuur.

Artikel 9 Voorzitters en secretarissen

  • 1. Het bestuur benoemt uit zijn midden twee voorzitters: één van werkgeverszijde en één van werknemerszijde.

  • Het bestuur vertegenwoordigt het fonds. Daarnaast komt de vertegenwoordigingsbevoegdheid toe aan de twee voorzitters gezamenlijk.

  • 2. Om beurten treden de voorzitters voor de tijd van een jaar als fun gerend voorzitter en als plaatsvervangend voorzitter op. Het bestuur wijst bij de eerste benoeming van twee voorzitters aan, welke van hen beiden gedurende het eerste boekjaar als fungerend voorzitter en welke als plaatsvervangend voorzitter zal optreden.

  • 3. Het bestuur kiest uit zijn midden twee secretarissen: één van werkgeverszijde en één van werknemerszijde. Wanneer als voorzitter een werkgevers vertegenwoordiger fungeert, fungeert als secretaris de secretaris van werknemerszijde, en omgekeerd. Overeenkomstig het gestelde in het eerste lid vertegenwoordigt/vertegenwoordigen hij/zij het fonds in en buiten rechte bij ontstentenis van één of beide voorzitters.

Artikel 10 Beheer

Het bestuur is belast met het beheer van het fonds. Het is bevoegd uit naam van het fonds alle handelingen te verrichten die met de doelstelling in overeenstemming zijn en die niet bij of krachtens deze statuten aan de bevoegdheid van het bestuur onttrokken zijn. In afwijking van het bepaalde in artikel 291, tweede lid van Boek II Burgerlijk Wetboek, omvat de bevoegdheid van het bestuur mede het sluiten van overeenkomsten tot het kopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen, als ook het sluiten van overeenkomsten waarbij het fonds zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een derde verbindt.

Artikel 11 Reglement

  • 1. Het bestuur stelt een reglement vast dat de wijze waarop het doel van het fonds zal worden bereikt en die zaken welke nadere voorziening behoeven, regelt.

  • 2. Het bestuur dient voor wijzigingen in het reglement goedkeuring van partijen te krijgen. Ter verkrijging van de goedkeuring wordt de wijziging toegezonden aan de organisaties die partij zijn bij de cao. Een organisatie wordt geacht haar goedkeuring te hebben verleend als zij niet binnen vier weken na de toezending van het tegenovergestelde heeft doen blijken door het insturen van haar op schrift gestelde bezwaren.

  • 3. Een reglement, alsmede in het reglement aangebrachte wijzigingen zullen niet in werking treden, alvorens een volledig exemplaar van die stukken, onderscheidenlijk van de wijzigingen daarin, door het bestuur ondertekend, voor een ieder ter inzage zijn gelegd ter griffie van het kantongerecht te Amsterdam.

  • 4. Ten aanzien van de besluitvorming over de vast- stelling of wijziging van een reglement is het bepaalde in artikel 15 van toepassing.

Artikel 12 Sancties

Het bestuur is bevoegd in het reglement omschreven sancties toe te passen als declaraties worden ingediend ná de daartoe in het reglement vastgestelde termijn, of niet overeenkomstig de in het reglement voorgeschreven wijze.

Artikel 13 Boekjaar en jaarverslag

  • 1. Het boekjaar van het fonds valt samen met het kalenderjaar.

  • 2. Het bestuur legt van zijn beleid jaarlijks binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar schriftelijk verantwoording af aan de organisaties die partij zijn bij de cao door middel van een verslag.

  • 3. Het in het tweede lid bedoelde verslag bevat:

    • a. een algemeen overzicht van de werkzaamheden van de stichting gedurende het afgelopen boekjaar;

    • b. een rekening en verantwoording omtrent het beheer van de stichting, bestaande uit een balans en een rekening van baten en lasten, vergezeld van een verklaring van de registeraccountant terzake van zijn bevindingen bij de controle opgedaan;

    • c. in voorkomende gevallen, mededelingen omtrent de wijzigingen die in de statuten en/of reglement(en) hebben plaatsgehad.

  • 4. Het saldo, zoals dit blijkt uit de laatstelijk vastgestelde balans, wordt toegevoegd aan de middelen voor het volgende boekjaar.

  • 5. Het jaarverslag wordt toegezonden aan de werkgevers- en werknemersorganisaties betrokken bij de cao.

  • 6. Het jaarverslag wordt ter inzage van de bij het fonds betrokken werkgevers en werknemers gelegd:

    • a. ten kantore van het fonds;

    • b. op één of meer door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen plaatsen.

  • 7. Het jaarverslag wordt op aanvraag aan de bij het fonds betrokken werkgevers en werknemers toegezonden tegen betaling van de daaraan verbonden kosten.

Artikel 14 Accountant

  • 1. Het bestuur benoemt, gehoord het sfb, een externe registeraccountant aan wie de controle van de jaarrekening wordt opgedragen.

  • 2. De accountant is gerechtigd tot inzage van alle boeken en bescheiden van de stichting. De waarden van de stichting moeten hem desgevraagd worden getoond.

  • 3. De accountant brengt ten minste jaarlijks een rapport uit over zijn bevindingen.

Artikel 15 Wijziging statuten

  • 1. Wijzigingen in de statuten kunnen worden aangebracht bij besluit van het bestuur.

  • 2. Een besluit tot statutenwijziging moet worden genomen in een bijzondere daartoe uitgeschreven vergadering, waarin ten minste twee werkgevers- en ten minste twee werknemersleden van het bestuur aanwezig zijn. De uitnodiging voor deze vergadering moet met het voorstel uiterlijk veertien dagen voor de vergadering aan de bestuursleden worden toegezonden.

  • 3. Als in een vergadering, waarin een statutenwijziging zal worden behandeld, niet het voor het nemen van een besluit vereiste aantal leden aanwezig is, zal binnen een maand nadien een tweede vergadering worden gehouden, op te roepen met inachtneming van de voor oproeping gestelde termijn, welke ongeacht het ter vergadering aanwezige aantal leden tot het nemen van een besluit bevoegd zal zijn.

  • 4. Een besluit tot statutenwijziging moet worden genomen met een meerderheid van ten minste twee derde van de uitgebrachte geldige stemmen.

  • 5. Een statutenwijziging treedt in werking als deze door partijen is goedgekeurd. Ter verkrijging van de goedkeuring wordt de wijziging toegezonden aan de organisaties, die partij zijn bij de cao.

  • 6. Een organisatie wordt geacht haar goedkeuring te hebben verleend, als zij niet binnen vier weken na de toezending van het tegenovergestelde heeft doen blijken door het insturen van haar op schrift gestelde bezwaren.

  • 7. Een statutenwijziging treedt eerst in werking nadat hiervan een notariële akte is opgemaakt en een door het bestuur ondertekend exemplaar van de wijziging voor een ieder ter inzage is neergelegd ter griffie van het kantongerecht Amsterdam.

  • 8. Het bestuur is verplicht een authentiek afschrift van de wijziging, alsmede de gewijzigde statuten neer te leggen ten kantore van het openbaar handelsregister, gehouden bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Amsterdam.

Artikel 16 Ontbinding

  • 1. Voor een besluit tot ontbinding van het fonds gelden dezelfde bepalingen als voor een besluit tot wijziging van de statuten.

  • 2. In geval van ontbinding zal, tenzij partijen een ander besluit nemen, het bestuur met de liquidatie zijn belast. Over een eventueel batig dan wel nadelig saldo zal door partijen worden beslist.

  • 3. Een batig saldo moet worden bestemd voor een doel dat het meest overeenkomt met het doel van het fonds.

Artikel 17 Ministerieel vertegenwoordiger

Als door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de wens daartoe te kennen wordt gegeven, wordt in overleg tussen de minister en het bestuur een waarnemer toegelaten. De waarnemer is gerechtigd alle vergaderingen van het bestuur bij te wonen. De waarnemer ontvangt alle voor het bestuur bestemde stukken.

Artikel 18 Slotbepaling

In alle gevallen waarin niet door deze statuten of het reglement van het fonds is voorzien, beslist het bestuur.

Artikel 19 Inwerkingtreding

Deze statuten treden in werking met ingang van 6 september 2000 onder intrekking van de voor die datum geldende statuten.

STATUTEN VAN DE STICHTING OPLEIDINGS- EN ONTWIKKELINGSFONDS VOOR DE BOUWNIJVERHEID

VASTGESTELD OP 9 OKTOBER 1967

Laatstelijk gewijzigd bij bestuursbesluit van 8 juni 2000

DEEL I VAN DE STICHTING

Artikel 1 Naam en zetel

De stichting draagt de naam „Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor de Bouwnijverheid" en is gevestigd te 's-Gravenhage.

Artikel 2 Doel

De stichting heeft ten doel het financieren van opleidings- en ontwikkelingsactiviteiten in de bouwnijverheid. De stichting tracht dit doel te bereiken door gelden te innen bij ondernemingen in de bouwnijverheid en deze, met de andere baten van de stichting, aan te wenden voor de financiering van activiteiten als bedoeld in artikel 16.

DEEL II VAN HET BESTUUR

Artikel 3 Bestuur

Het bestuur bestaat uit zes leden.

Het bestuur is bevoegd tot het sluiten van overeenkomsten tot het kopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen en tot het sluiten van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van derden verbindt.

Artikel 4 Adviseurs en waarnemers

De bestuursleden kunnen zich in de vergaderingen van het bestuur laten bijstaan door adviseurs.

Indien door betrokken overheidsinstanties de wens daartoe te kennen wordt gegeven, wordt in overleg tussen het bestuur en de bedoelde instanties een waarnemer toegelaten. Waarnemers zijn gerechtigd tot het bijwonen van alle bestuursvergaderingen, alsmede van alle vergaderingen als bedoeld in artikel 10. Waarnemers ontvangen alle ter zake dienende stukken.

Artikel 5 Benoeming van de leden van het bestuur

De leden van het bestuur en de vaste plaatsvervangers worden benoemd door:

  • a. het Algemeen Verbond Bouwbedrijf (AVBB), dat drie leden en voor hen drie vaste plaatsvervangers benoemt;

  • b. de Bouw- en Houtbond FNV, die twee leden en voor hen twee vaste plaatsvervangers benoemt;

  • c. de Hout- en Bouwbond CNV, die één lid en één vaste plaatsvervanger benoemt.

Artikel 6 Zittingsduur

De leden van het bestuur en de vaste plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van twee jaar, met inachtneming van het bepaalde in artikel 7. Aftredende bestuursleden en hun plaatsvervangers komen voor herbenoeming in aanmerking. Voor benoeming of herbenoeming komen niet in aanmerking zij die de leeftijd van 65 jaar zijn gepasseerd.

Artikel 7 Aftreding van bestuursleden

Telkenjare treden drie bestuursleden en drie vaste plaatsvervangers af, te weten van de leden bedoeld in artikel 5:

lid a: het eerste jaar twee leden en twee plaatsvervangers;

het tweede jaar één lid en één plaatsvervanger;

lid b: ieder jaar één lid en één plaatsvervanger;

lid c: ieder tweede jaar het lid en de plaatsvervanger.

Artikel 8 Voorzitter

Telkenjare wijst het bestuur uit zijn midden twee voorzitters aan, met dien verstande dat één voorzitter wordt aangewezen uit de leden, benoemd door het Algemeen Verbond Bouwbedrijf (AVBB) en de andere voorzitter uit de leden, benoemd door de Bouw- en Houtbond FNV en Hout- en Bouwbond CNV.

Het fungerend voorzitterschap zal afwisselend (jaarlijks) worden bekleed door een bestuurslid, benoemd door het Algemeen Verbond Bouwbedrijf (AVBB) en een bestuurslid, benoemd door de FNV Bouw en de Hout- en Bouwbond CNV.

Beide voorzitters gezamenlijk vertegenwoordigen de stichting in en buiten rechte.

Artikel 9 Quorum en stemming

  • 1. Voor het houden van vergaderingen en het nemen van besluiten is de aanwezigheid vereist van tenminste vier bestuursleden en/of plaatsvervangende bestuursleden.

  • 2. Indien minder dan zes bestuursleden en/of plaatsvervangende bestuursleden aanwezig zijn, kan slechts worden gestemd wanneer geen der aanwezige leden daartoe bezwaar maakt.

  • Indien een der aanwezige leden tegen de stemming bezwaar maakt, zal de stemming over het betreffende onderwerp plaatsvinden in de eerstvolgende vergadering, ook indien minder dan zes doch tenminste vier leden en/of plaatsvervangende bestuursleden aanwezig zijn.

  • De vaste plaatsvervangende leden kunnen ieder slechts één stem uitbrengen, ongeacht het aantal bestuursleden dat zij vervangen.

Artikel 10 Staken der stemmen

  • 1. Bij het staken der stemmen wordt in een volgende vergadering, welke ten hoogste één maand later plaatsvindt, andermaal over hetzelfde onderwerp gestemd. Staken de stemmen in tweede instantie wederom, dan wordt over het betreffende onderwerp beslist door partijenoverleg tussen het Algemeen Verbond Bouwbedrijf (AVBB), de Bouw- en Houtbond FNV en de Hout- en Bouwbond CNV.

  • 2. Nadat het onderwerp aan het partijenoverleg is voorgelegd en uiterlijk binnen één maand geen kennisgeving van een ter zake genomen beslissing is ontvangen, zal omtrent het betreffende onderwerp een beslissing worden genomen door een daartoe ingestelde commissie, waarvan één lid wordt aangewezen door de bestuursleden en/of vaste plaatsvervangers, benoemd door het Algemeen Verbond Bouwbedrijf (AVBB) en één lid wordt aangewezen door de bestuursleden en/of vaste plaatsvervangers, benoemd door de Bouw- en Houtbond FNV en de Hout- en Bouwbond CNV. Deze aldus benoemde leden benoemen in gezamenlijk overleg een derde lid. De beslissing welke door de commissie wordt genomen, is bindend.

  • 3. De in het tweede lid bedoelde commissieleden mogen geen bestuursleden en/of plaatsvervangende bestuursleden zijn.

Artikel 11 Huishoudelijk Reglement

Het bestuur stelt onder goedkeuring van het Algemeen Verbond Bouwbedrijf (AVBB), de Bouw- en Houtbond FNV en de Hout- en Bouwbond CNV een huishoudelijk reglement vast. Bepalingen in dit huishoudelijk reglement mogen niet in strijd zijn met deze Statuten.

Artikel 12 Bestuur en secretariaat

Het bestuur laat zich bijstaan door een ambtelijk secretaris, die leiding geeft aan het bureau van de stichting.

De secretaris en eventueel ander personeel worden door het bestuur benoemd.

De rechtspositie alsmede de taken en bevoegdheden worden door het bestuur vastgesteld.

DEEL III VAN DE FINANCIERING VAN ACTIVITEITEN DOOR DE BEDRIJFSTAK BOUWNIJVERHEID

Artikel 13 Ontvangsten en uitgaven

  • 1. De middelen van de stichting bestaan uit:

    • a. het stichtingskapitaal;

    • b. bijdragen die door de ondernemers in de bouwnijverheid worden verstrekt ingevolge het bepaalde in een collectieve arbeidsovereenkomst of loonregeling, geldend in de bedrijfstak bouwnijverheid;

    • c. eventuele andere baten.

  • 2. De begroting van inkomsten en uitgaven behoeft de goedkeuring van het Algemeen Verbond Bouwbedrijf (AVBB), de Bouw- en Houtbond FNV en de Hout- en Bouwbond CNV.

Artikel 14 Financieringsreglement

Het Algemeen Verbond Bouwbedrijf (AVBB), de Bouw- en Houtbond FNV en de Hout- en Bouwbond CNV stellen op advies van de stichting een financieringsreglement vast, waarin tenminste zijn geregeld de vaststelling en de hoogte van de bijdrage en de wijze van incasseren daarvan. Bepalingen in dit financieringsreglement mogen niet in strijd zijn met deze Statuten.

Artikel 15 Beheer en administratie

  • 1. De gelden van de stichting worden door het bestuur beheerd.

  • De inning van de bijdragen, verschuldigd aan de hierna genoemde fondsen, is opgedragen aan de besloten vennootschap SFB CAO-Regelingen BV te Amsterdam.

  • Het bestuur kan uitdrukkelijk omschreven bevoegdheden delegeren aan de besloten vennootschap SFB CAO-Regelingen BV te Amsterdam en/of aan door het bestuur al dan niet geheel uit zijn midden benoemde paritaire commissies. De gedelegeerde bevoegdheden worden door de commissies en SFB CAO-Regelingen BV uitgeoefend onder toezicht en verantwoordelijkheid van het bestuur.

  • 2. De in artikel 13, lid 1 onder b, bedoelde bijdragen worden geadministreerd in vier afzonderlijke fondsen, nl.:

    • A'. fonds ter bevordering van de financiering van de verletkosten en de organisatiekosten van directe opleiders verbonden aan de beroepsopleiding en de financiering van bijscholingsactiviteiten;

    • A. fonds ter bevordering van de financiering van de organisatie van de beroepsopleiding;

    • C. fonds ter bevordering en bescherming van de gezondheid.

  • 3. De beleggingen zullen door het bestuur op een zodanige wijze geschieden, dat:

    • a. een redelijke spreiding naar aard en risico van de bezittingen en interesses wordt verkregen;

    • b. een optimaal rendement wordt verkregen;

    • c. geen belangrijk risico van blijvende vermogensverliezen wordt gelopen.

  • 4. De aan de stichting toebehorende zaken worden, als zij niet ten kantore worden gehouden, in bewaring gegeven bij een ingevolgde de Wet Toezicht Kredietwezen geregistreerde instelling.

  • 5. De kosten van beheer met betrekking tot een boekjaar komen ten laste van de rekening van baten en lasten over dat boekjaar.

  • 6. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

  • 7. Het bestuur benoemt een externe registeraccountant aan wie de controle van de jaarrekening wordt opgedragen.

  • 8. De registeraccountant is gerechtigd tot inzage in alle boeken en bescheiden van de stichting. De waarden van de stichting moeten hem desgevraagd worden getoond.

  • 9. De registeraccountant brengt ten minste eenmaal per jaar aan het bestuur verslag uit van zijn bevindingen.

  • 10. het bestuur legt van zijn beleid jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar schriftelijk verantwoording af aan bij de in artikel 5 van deze Statuten genoemde partijen.

  • 11. Het in het negende lid bedoelde verslag bevat:

    • a. een algemeen overzicht van de werkzaamheden van de stichting gedurende het afgelopen boekjaar;

    • b. een rekening en verantwoording omtrent het beheer van de stichting, bestaande uit een balans en een rekening van baten en lasten, vergezeld van een verklaring van de registeraccountant ter zake van zijn bevindingen bij de controle opgedaan;

    • c. in voorkomende gevallen, mededelingen omtrent de wijzigingen die in de Statuten en/of Reglementen hebben plaatsgehad.

  • 12. Het jaarverslag wordt toegezonden aan de werkgevers- en werknemersorganisaties genoemd in artikel 5 van deze Statuten.

  • 13. Het jaarverslag wordt ter inzake van de bij het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor de Bouwnijverheid betrokken werkgevers en werknemers gelegd:

    • a. ten kantore van het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds;

    • b. op één of meer door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen plaatsen.

  • 14. Het jaarverslag wordt op aanvraag aan de bij het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds betrokken werkgevers en werknemers toegezonden tegen betaling van de daaraan verbonden kosten.

Artikel 16 Te financieren en subsidiëren activiteiten

De in artikel 15 genoemde fondsen worden aangewend voor:

  • A'. Voor wat betreft het fonds ter financiering van verletkosten verbonden aan de beroepsopleiding en de financiering van bijscholingsactiviteiten;

  • de bestrijding van verletkosten van in opleiding zijnde werknemers, onder meer door het zo nodig verstrekken van vergoedingen aan werkgevers bij wie bedoelde werknemers in dienst zijn.

  • A. Voor wat betreft het fonds ter bevordering van de financiering van de organisatie van de beroepsopleiding, de financiering danwel subsidiëring van:

    • 1. beroepsopleidingen in de ruimste zin des woords in of ten behoeve van het bouwbedrijf;

    • 2. het verrichten van onderzoekingen naar de verwachte behoefte in de toekomst aan werknemers met bepaalde scholing in de onderscheiden categorieën in het bouwbedrijf en het aan de hand daarvan bepalen van de gewenste aard en omvang van de opleidingen;

    • 3. het onderzoek van de invloed van de technische ontwikkeling op de opleidingen en de verwerking van de gevonden gegevens in bestaande danwel nieuwe opleidingen;

    • 4. het onderzoek ten behoeve van de opleidingen in nieuwe werkmethoden en andere arbeidsproductiviteit-bevorderende middelen en de verwerking van de gevonden gegevens in bestaande danwel nieuwe opleidingen;

    • 5. het onderzoek van nieuwe methoden van leidinggeven en het verwerken van de resultaten daarvan in bestaande danwel nieuwe opleidingen;

    • 6. het verwerken van de onder 4 tot en met 6 genoemde resultaten van de onderzoekingen in cursussen voor ondernemers en werknemers;

    • 7. het bevorderen van de resultaten van de onderzoekingen als bedoeld onder 4 tot en met 6 door publicaties, vergaderingen en bijeenkomsten;

    • 8 het bevorderen van schriftelijke en mondelinge propaganda ten doel hebbende dat nieuwe leerlingen ten behoeve van het bouwbedrijf kunnen worden aangetrokken en dat zo groot mogelijke categorieën van in het bouwbedrijf werkzame ondernemers en werknemers deelnemen aan de voor hen geschikte opleidingen, bijscholingen, cursussen, bijeenkomsten en andere middelen die een zo groot mogelijke deelneming aan de hierboven genoemde opleidingen, bijscholingen, cursussen en bijeenkomsten kunnen bevorderen.

  • C. voor wat betreft het fonds voor de bevordering en bescherming van de gezondheid, de financiering danwel subsidiëring van de Stichting Arbouw.

    Van de gefinancierde en gesubsidieerde verenigingen, instellingen en personen zal vooraf een begroting worden verlangd betreffende de besteding van de door hen aangevraagde gelden.

    Voorts zal jaarlijks aan het bestuur van de stichting verantwoording omtrent de besteding van de ontvangen middelen worden afgelegd. Deze verantwoording dient te zijn voorzien van een goedkeurende verklaring door een erkend registeraccountant of accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid.

De ontvangen verantwoordingen worden opgenomen in de door de stichting af te leggen rekening en verantwoording als bedoeld in artikel 19.

Artikel 17 Financiering bijzondere activiteiten

Omtrent de financiering van activiteiten, als bedoeld in artikel 16, voor zover deze financiering krachtens artikel 13, lid 2, goedgekeurde bedragen in de begroting te boven gaat, dient afzonderlijk goedkeuring van het Algemeen Verbond Bouwbedrijf (AVBB), de Bouw- en Houtbond FNV en de Hout- en bouwbond CNV te worden aangevraagd.

Omtrent de financiering van activiteiten waarvoor geen kredieten uit de jaarlijkse begroting beschikbaar kunnen worden gesteld, dient een aanvullende begroting te worden ingediend en goedkeuring conform het bepaalde in artikel 13, lid 2.

Artikel 18 Beroep

Op beslissingen van het bestuur omtrent de financierings- en subsidieaanvragen kan geen beroep worden ingesteld, onverlet de mogelijkheid een nieuwe aanvraag in te dienen.

Artikel 19 Rekening en verantwoording

Jaarlijks legt het bestuur omtrent het gevoerde en te voeren beleid rekening en verantwoording af aan de in artikel 5 genoemde organisaties. Deze organisaties dienen decharge te verlenen voor het gevoerde beleid.

DEEL IV SLOTBEPALINGEN

Artikel 20 Duur van de stichting

De stichting is aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 21 Statutenwijziging en ontbinding

Statutenwijziging

Wijziging van de Statuten, het Huishoudelijk Reglement en het Financieringsreglement kan slechts plaatsvinden door het bestuur met goedkeuring van het Algemeen Verbond Bouwbedrijf (AVBB), de Bouw- en HoutbondFNV en de Hout- en Bouwbond CNV.

De Statuten en Reglementen en de in de Statuten en Reglementen aangebrachte wijzigingen zullen niet in werking treden voordat een volledig exemplaar van die stukken, of onderscheidenlijk van de wijzigingen daarin door het bestuur ondertekend voor een ieder ter inzage zijn gelegd ter griffie van het kantongerecht te Amsterdam.

Ontbinding

Zowel het Algemeen Verbond Bouwbedrijf (AVBB) als de Bouw- en Houtbond FNV met de Hout- en Bouwbond CNV gezamenlijk, kunnen de stichting ontbinden door in een aangetekend schrijven aan het bestuur mede te delen dat zij hun medewerking in de stichting beëindigen. Nadat twee jaar sinds bedoelde kennisgeving is verstreken, is de stichting van rechtswege ontbonden.

Het bestuur is alsdan belast met de liquidatie en geeft een bestemming aan het batig saldo van de stichting. De bestemming van de saldi van de in artikel 15, lid 2, sub A en C genoemde fondsen, behoeft de goedkeuring van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

HUISHOUDELIJK REGLEMENT

INGEVOLGE ARTIKEL 11 VAN DE STATUTEN VAN DE STICHTING OPLEIDINGS- EN ONTWIKKELINGSFONDS VOOR DE BOUWNIJVERHEID

VASTGESTELD OP 9 OKTOBER 1967

Nadien gewijzigd bij bestuursbesluit van 21 november 1996 (laatste wijziging)

Artikel 1 Voorwaarden rond subsidieaanvragen

  • 1. Ten behoeve van projecten

    • 1.Tijdstip van indiening

    • Een aanvraag ten behoeve van subsidiëring van projecten dient vóór 1 november, voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor subsidiëring wordt gevraagd, te zijn ingediend.

    • 2.Vermelding gegevens in de subsidieaanvraag

    • De ingediende verzoeken om subsidie dienen de volgende gegevens te bevatten:

      • omschrijving doelstelling van de activiteiten, alsmede de te volgen werkwijze;

      • aanvangsdatum en geschatte tijdsduur;

      • uitvoerende personen c.q. instelling;

      • geraamde kosten, gespecificeerd in:

        • a. voorbereidende kosten;

        • b. tarieven, mandagen, uren e.d.;

        • c. werkzaamheden derden;

        • d. raming beschikbaarheid geldbehoefte.

      • a. totaal verwerkt bedrag tot moment van rapportage;

      • b. het nog beschikbare bedrag;

      • c. de nog te verwachten uitgaven;

      • d. percentage gereed;

      • e. de eventueel te verwachten afwijkingen;

      • f. de gerealiseerde activiteiten en de geprogrammeerde activiteiten in de tijd gezien.

    • 3.Voortgangsrapportage bij toewijzing

    • Per kwartaal dient informatie te worden verstrekt, waaruit per activiteit moet blijken:

      • a. totaal verwerkt bedrag tot moment van rapportage;

      • b. het nog beschikbare bedrag;

      • c. de nog te verwachten uitgaven;

      • d. percentage gereed;

      • e. de eventueel te verwachten afwijkingen;

      • f. de gerealiseerde activiteiten en de geprogrammeerde activiteiten in de tijd gezien.

    • 4.Beëindiging van een project

    • Indien bij de beëindiging van een project een eindrapport wordt opgesteld, dient een exemplaar van dat eindrapport aan het O&O-fonds te worden verstrekt. Eveneens dient een definitieve afrekening aan het O&O-bestuur te worden verstrekt.

  • 2. Ten behoeve van doorlopende bijdragen aan subsidiegenietende instellingen

    • 1.Tijdstip van indiening begroting

    • De desbetreffende instelling dient per kalenderjaar een begroting omtrent haar activiteiten op te stellen. Deze jaarbegroting dient vóór 1 november, voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de begroting betrekking heeft, te zijn ingediend.

    • 2.Samenstelling begroting

    • De begroting dient te zijn samengesteld uit zogenaamde kostensoorten met zo nodig een specificatie per deelpost op de begroting en een toelichting.

    • 3.Kwartaalverantwoording

    • De subsidiegenietende instelling dient ieder kwartaal een overzicht te verstrekken, waarin naast de begrote cijfers opgenomen zijn (cumulatief) de uitgaven, c.q. verwerkte bedragen tot en met dat kwartaal.

  • 3. Overschrijdingen op activiteiten en begrotingen

  • Alle relevante overschrijdingen op toegewezen bedragen inzake activiteiten en begrotingen dienen in een zo vroeg mogelijke fase aan het secretariaat van het O&O-fonds kenbaar te worden gemaakt met opgave van redenen.

  • Relevante overschrijdingen binnen een begroting van de deelposten, dienen eveneens – zo nodig mondeling – aan het O&O-fonds te worden gemeld.

  • Voor overboekingen van bedragen binnen een begroting van de ene deelpost naar de andere deelpost, moet vooraf toestemming worden gevraagd aan het O&O-fonds.

Artikel 2 Betalingen aan subsidiënten

Teneinde te voorkomen, dat er bij de subsidiënten overtollige liquide middelen aanwezig zijn, zullen betalingen aan subsidiënten uitsluitend plaatsvinden op grond van de werkelijk te verrichten uitgaven door de subsidiënten. Hiertoe zal de wijze van betaling, alsmede het betalingsschema, in overleg worden vastgesteld door het O&O-fonds en de betreffende subsidiënt.

Artikel 3 Toets doelmatigheid

Het O&O-bestuur heeft tot taak de doelmatigheid van de uitgaven van de subsidiënten te bezien en te toetsen of die uitgaven rechtmatig zijn ontleend aan de begrotingen. Deze toets vindt onder meer plaats aan de hand van de door het O&O-bestuur vastgestelde Leidraad Administratieve Voorwaarden.

Artikel 4 Onvoorziene uitgaven

Ten laste van een daarvoor in de begroting op te nemen post voor onvoorziene uitgaven kan het O&O-bestuur in de loop van een kalenderjaar subsidies toekennen aan verenigingen en instellingen ten behoeve van activiteiten waarmee een opleidings- en of ander bedrijfstakbelang wordt gediend. De post onvoorziene uitgaven bedraagt ten hoogste één procent van het begrotingstotaal.

Artikel 5 Vacatiegeld

De bestuursleden hebben aanspraak op vacatiegeld en kostenvergoedingen. Als maatstaf voor de vergoedingen geldt de regeling van de SFB-organisatie.

FINANCIERINGSREGLEMENT

IN GEVOLGE ARTIKEL 14 VAN DE STATUTEN VAN DE STICHTING OPLEIDINGS- EN ONTWIKKELINGSFONDS VOOR DE BOUWNIJVERHEID

VASTGESTELD OP 9 OKTOBER 1967

Laatstelijk gewijzigd bij bestuursbesluit van 8 juni 2000

Artikel 1 Definities

In dit reglement wordt verstaan onder:

de stichting: de Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor de Bouwnijverheid;

de statuten: de Statuten van de stichting voornoemd;

de werkgever: de werkgever als bedoeld in een CAO of loonregeling geldende op het terrein van de bouwnijverheid, voor zover deze CAO of loonregeling de werkgevers verplicht tot bijdragen aan de stichting.

de werknemer: als werknemer wordt tevens beschouwd degene die op basis van een overeenkomst met een uitzendbureau werkzaamheden verricht als bedoeld in de CAO voor het Bouwbedrijf en voor wie krachtens de bepalingen van die CAO het uitzendbureau gehouden is bijdragen te betalen aan de stichting.

CAO-Regelingen: de besloten vennootschap SFB CAO-Regelingen BV, gevestigd te Amsterdam.

Artikel 2 Bijdrageverplichting

  • 1. De werkgever is een bijdrage verschuldigd voor de financiering van de in de Statuten omschreven doelstelling. Deze bijdrage is verschuldigd aan CAO-Regelingen. De bijdrage wordt vastgesteld in de vorm van een percentage van het door de werkgever aan zijn werknemers, vallende onder een CAO die de werkgever verplicht tot bijdragen aan de stichting, uitbetaalde loon. Als loon wordt aangemerkt het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

  • 2. De bijdrage is verschuldigd over maximaal anderhalfmaal het maximum premieloon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

  • 3. De hoogte van de in lid 1 bedoelde bijdrage, alsmede de verdeling over de fondsen als genoemd in artikel 15, lid 2 van de Statuten, wordt – onder goedkeuring van het Algemeen Verbond Bouwbedrijf (AVBB), de Bouw- en Houtbond FNV en de Hout- en Bouwbond CNV – jaarlijks door het bestuur van de stichting vastgesteld.

Artikel 3 Invordering

  • 1. De invordering van de in artikel 2 bedoelde bijdrage is opgedragen aan CAO-Regelingen.

  • 2. De werkgever wordt ten aanzien van de bijdrageverplichting gekweten door betaling van het verschuldigde bedrag aan CAO-Regelingen.

  • 3. De bijdrage wordt in december terstond ineens opeisbaar.

Artikel 4 Betaaltermijnen

  • 1. De betaling van de verschuldigde bijdrage dient per loonbetalingstijdvak, maar tenminste eenmaal per maand plaats te vinden.

  • 2. Indien de betaling niet binnen veertien dagen na afloop van elke hiervoor bedoelde periode heeft plaatsgevonden is de werkgever in verzuim.

  • 3. Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen over de achterstallige betalingen.

  • 4. Deze rente is gelijk aan de wettelijke rente.

  • 5. Het bestuur is bevoegd van invordering van rente geheel of gedeeltelijk af te zien.

  • 6. CAO-Regelingen is bevoegd tot uitvoering van het bepaalde in de leden 3 en 5.

III. Het is de werkgever toegestaan om in het kader van een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945, af te wijken van de onder II opgenomen bepaling(en) houdende een mutatie van het loon voorzover de onverkorte toepassing van die bepaling(en) de verlening van een ontheffing in de weg zou staan om reden dat de personeelskosten van de betrokken onderneming onvoldoende zijn gematigd.

IV. Indien en voor zover de onder II opgenomen bepalingen strijdig zijn met bij of krachtens de wet gestelde of te stellen regelen, prevaleren deze regelen.

V. Dit besluit tot algemeen verbindend verklaring, voor zover het betreft het begrip „spoorwerken" als bedoeld in artikel 1, lid 9b2, is niet van toepassing op de werkgever die ressorteert onder de (algemeen verbindend verklaarde) bepalingen van de CAO voor het Elektrotechnisch bedrijf en/of de CAO voor het Metaalbewerkingsbedrijf;

VI. Op grond van een daartoe strekkend verzoek van cao-partijen is dit besluit niet van toepassing op ICDS Constructors Ltd;

VII. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van publicatie in de Staatscourant en heeft geen terugwerkende kracht.

VIII. Dit besluit wordt gepubliceerd door plaatsing in een bijvoegsel bij de Staatscourant.

's-Gravenhage, 14 december 2000

C. J. Meerhof.


XNoot
1

Gewijzigde dan wel toegevoegde artikelen en bepalingen in deze CAO ten opzichte van de CAO 1997/1998 zijn aangegeven met *.

XNoot
1

Onder vloerbedrijf wordt verstaan het ten behoeve van derden verrichten of doen verrichten van werkzaamheden als: a. Het vervaardigen, bewerken dan wel afwerken van vloeren door menging van grint, steenslag en/of zand en mengsels daarvan al dan niet met andere vulstoffen en/of vezels met cement en/of andere bindmiddelen en/of toeslagstoffen b. Het monolithisch afwerken van vloeren middels het aanbrengen van een dunne pleisterlaag. c. Het vervaardigen en/of bewerken van vloeren door menging van korrels, poeder of vezelachtige vulstoffen hetzij van organische hetzij van anorganische aard met bindmiddelen dan wel componenten welke tezamen het bindmiddel vormen. d. Het in werk aanbrengen, vervaardigen en/of bewerken van kunststof vloeren, slijtlagen, beschermlagen of andere afwerklagen al dan niet naadloos. e. Het prepareren, bewerken en/of afwerken van niet constructieve cementgeboden of kunststofvloeren door middel van vlinderen, frezen, stralen, schuren en/of andere soortgelijke werkzaamheden.

XNoot
1

Ingeval een prestatiebevorderend systeem zoals bedoeld in artikel 21 lid 2 van toepassing is, dient het vast overeengekomen loon te worden vermeerderd met de prestatiepremie.

XNoot
1

idem noot 4.

XNoot
1

Bedoelde toeslag maakt onderdeel uit van de VIP (voormalig RBS-)grondslag in artikel 30.

XNoot
1

idem noot 7.

XNoot
1

Ingeval een presatiebevorderend systeem zoals bedoeld in artikel 21 lid 2 van toepassing is, dient het vast overeengekomen loon te worden vermeerderd met de gemiddelde prestatiepremie gedurende de betalingsperiode.

XNoot
1

Ingeval een presatiebevorderend systeem zoals bedoeld in artikel 21 lid 2 van toepassing is, dient het vast overeengekomen loon nog te worden verhoogd met de gemiddelde prestatiepremie van de overige dagen gedurende de betalingsperiode waarin de extra vrije dag valt. Indien de extra vrije dagen de gehele betalingsperiode omvatten, dient het vast overeengekomen loon te worden verhoogd met de gemiddelde prestatiepremie over de voorgaande betalingsperiode.

XNoot
1

Ingeval een presatiebevorderend systeem zoals bedoeld in artikel 21 lid 2 van toepassing is, dient het vast overeengekomen loon te worden vermeerderd met de gemiddelde prestatiepremie gedurende de betalingsperiode.

XNoot
1

Bedoeld is de toename van de WAO-uitkering als gevolg van een toename van de arbeidsongeschiktheid, mits deze uitkering rechtstreeks aan de werknemer wordt uitgekeerd door het SFB.

XNoot
1

Ingeval een presatiebevorderend systeem van toepassing is, zoals bedoeld in artikel 21 lid 2 dient het vast overeengekomen loon te worden vermeerderd met de gemiddelde prestatiepremie van de overige dagen in de betreffende betalingsperiode waarin het vorstverzuim valt, dan wel indien vorstverzuim gedurende de gehele betreffende betalingsperiode valt het gemiddelde over de voorgaande betalingsperiode.

XNoot
1

Ingeval een presatiebevorderend systeem van toepassing is, zoals bedoeld in artikel 21 lid 2 dient het vast overeengekomen loon te worden vermeerderd met de gemiddelde prestatiepremie van de overige dagen gedurende de betalingsperiodewaarin het kort verzuim valt.

XNoot
1

Indien het huwelijk van de werknemer of de bevalling van zijn echtegnote valt op zaterdag, zondag, een erkende algemene of erkende christelijke feestdag of de laatste werkdag van de zomer-of wintervakantie, heeft de werknemer recht op één dag vrijaf.

XNoot
1

Ingeval een presatiebevorderend systeem van toepassing is, zoals bedoeld in artikel 21 lid 2 dient het vast overeengekomen loon te worden vermeerderd met de gemiddelde prestatiepremie van de overige dagen gedurende de betalingsperiodewaarin het kort verzuim valt.

XNoot
1

Ingeval een presatiebevorderend systeem van toepassing is, zoals bedoeld in artikel 21 lid 2 dient het vast overeengekomen loon te worden vermeerderd met de gemiddelde prestatiepremie van de overige dagen gedurende de betalingsperiodewaarin het kort verzuim valt.

XNoot
1

Ingeval een presatiebevorderend systeem van toepassing is, zoals bedoeld in artikel 21 lid 2 dient het vast overeengekomen loon te worden vermeerderd met de gemiddelde prestatiepremie van de overige dagen gedurende de betalingsperiodewaarin het kort verzuim valt.

XNoot
1

Partijen gaan ervan uit dat een dergelijk besluit als regel bij meerderheid van stemmen van de leden wordt genomen.

XNoot
1

Partijen zullen nader, doch zo spoedig mogelijk, bepalen waar het secretariaat van CAO-partijen in de nabije toekomst zal worden gehuisvest.

XNoot
1

Met uitzondering van huis- en bedrijfsrioleringen.

XNoot
1

Voor de bepaling van de data voor de opbouw- en opnameperiode wordt uitgegaan van de volgende systematiek. De opbouwperiode is van de maandag van de tweede gehele loondoorbetalingsweek in april tot en met de laatste zaterdag van de tweede gehele loonbetalingsweek in november. De opname periode gaat in op de maandag van de derde gehele loonbetalingsweek in november en eindigt op de zaterdag van de eerste gehele loonbetalingsweek in april.

XNoot
1

Ongeacht het moment waarop de arbeid, als bedoeld in artikel 15 lid 5, dan wel artikel 15a lid 1, wordt verricht

Naar boven