﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE stcart PUBLIC "-//SDU//DTD staatscourant xml 1.1//NL" "../../dtd/stcrt-11.dtd"[]>
<stcart soort="reg" status="bewerkt" publtype="stct">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2000-229-p18-SC26443/metadata.xml" />
  </metadata>
  <frontm>
    <versie dtd="1.5" conv="$Revision: 1.5 $__0" markup="hxa"></versie>
    <artcode>229-1801</artcode>
    <stcgeg>
      <tekst>Uit: Staatscourant 24 november 2000, nr. 229</tekst>
      <dag>Vrijdag</dag>
      <datum>24 november 2000</datum>
      <nummer>229</nummer>
    </stcgeg>
    <chapeau>
      <mincodes>VWS </mincodes>
    </chapeau>
    <titel>Subsidieregeling opleiding tot specialist of tot kaakchirurg</titel>
    <opschr></opschr>
    <bron>
      <datum>22 november 2000</datum>/<kenmerk>CSZ/BO-2098159</kenmerk><afd></afd></bron>
  </frontm>
  <body>
    <al>De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,</al>
    <al>Gelet op artikel 3, tweede lid, van de Kaderwet volksgezondheidssubsidies;</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Besluit: </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 1</tuskop>
    <al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al>
    <al>a. <nadruk type="cur">minister:</nadruk> de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;</al>
    <al>b. <nadruk type="cur">universiteit:</nadruk> de Erasmus Universiteit Rotterdam, de Vrije
Universiteit Amsterdam, de Rijksuniversiteit Groningen, de Katholieke Universiteit
Nijmegen, de Universiteit Leiden, de Universiteit Maastricht, de Universiteit
van Amsterdam en de Universiteit Utrecht;</al>
    <al>c. <nadruk type="cur">bevoegd gezag:</nadruk> het college van bestuur van een universiteit;</al>
    <al>d. <nadruk type="cur">opleiding tot specialist:</nadruk> de opleiding in een academisch
ziekenhuis van een arts tot specialist op het gebied van de geneeskunde overeenkomstig
een opleidingsbesluit van het Centraal College voor Medisch Specialismen van
de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst
(verder te noemen: KNMG);</al>
    <al>e. <nadruk type="cur">opleiding tot kaakchirurg:</nadruk> de opleiding in een academisch
ziekenhuis van een tandarts tot kaakchirurg overeenkomstig het opleidingsbesluit
van het Centraal College van de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der
Tandheelkunde (verder te noemen: NMT);</al>
    <al>f. <nadruk type="cur">docenteninspanning:</nadruk> opleidingsactiviteiten van een opleider,
als zodanig erkend door de Specialisten Registratie Commissie van de KNMG
respectievelijk van de NMT;</al>
    <al>g. <nadruk type="cur">gerealiseerde opleidingsplaats:</nadruk> een opleidingsplaats voor
een arts in opleiding tot specialist respectievelijk een tandarts in opleiding
tot kaakchirurg, waarvan het bevoegd gezag heeft verklaard dat die in het
kalenderjaar is gerealiseerd. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 2</tuskop>
    <al>1. De minister verstrekt jaarlijks op aanvraag van het bevoegd gezag aan
een universiteit subsidie in de kosten van de docenteninspanning ten behoeve
van de opleiding tot specialist en de opleiding tot kaakchirurg.</al>
    <al>2. De subsidie bestaat uit het bedrag dat ontstaat door vermenigvuldiging
van het aantal door de universiteit gerealiseerde opleidingsplaatsen met het
normbedrag. Het aantal opleidingsplaatsen dat voor subsidie in aanmerking
komt, is niet groter dan het gemiddelde aantal opleidingsplaatsen dat de universiteit
heeft gerealiseerd in het zevende tot en met het tweede aan het subsidiejaar
voorafgaande kalenderjaar.</al>
    <al>3. Het normbedrag, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend door f 11.778.290,-
te delen door het gemiddelde aantal opleidingsplaatsen dat de universiteiten
tezamen hebben gerealiseerd in het zevende tot en met het tweede aan het subsidiejaar
voorafgaande kalenderjaar. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 3</tuskop>
    <al>1. De minister kan bij de verlening van de subsidie bepalen dat het subsidiebedrag
wordt bijgesteld, rekening houdend met de ontwikkeling van het prijspeil of
de ontwikkeling in de kosten van arbeidsvoorwaarden.</al>
    <al>2. De minister kan met het oog op de toepassing van het eerste lid bij
de verlening van de subsidie bepalen welk deel van het subsidiebedrag in aanmerking
zal worden genomen voor een bijstelling met de ontwikkeling van het prijspeil,
onderscheidenlijk van de kosten van de arbeidsvoorwaarden.</al>
    <al>3. Indien de subsidie met toepassing van het eerste lid wordt bijgesteld,
kan de bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 4</tuskop>
    <al>1. Uiterlijk dertien weken vóór de aanvang van het desbetreffende
jaar dient het bevoegd gezag een subsidieaanvraag in.</al>
    <al>2. De subsidieaanvraag gaat vergezeld van een opgave van het aantal te
realiseren opleidingsplaatsen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 5</tuskop>
    <al>Tenzij in de beschikking anders is bepaald, verstrekt de minister de volgende
voorschotten op de verleende subsidie: in januari 15%, februari 7%, maart
7%, april 7%, mei 15%, juni 7%, juli 7%, augustus 7%, september 3%, oktober
11%, en november 14% van het voor het desbetreffende jaar verleende bedrag. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 6</tuskop>
    <al>1. Binnen vier maanden na afloop van het jaar waarvoor subsidie is verleend,
dient het bevoegd gezag een aanvraag in voor de subsidievaststelling.</al>
    <al>2. De aanvraag voor de subsidievaststelling bestaat uit een opgave van
het aantal gerealiseerde opleidingsplaatsen. De vorenvermelde bescheiden gaan
vergezeld van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393,
eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waaruit blijkt dat de opgave
juist is. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 7</tuskop>
    <al>1. Een universiteit verstrekt aan de door de minister aangewezen personen
op hun verzoek alle bescheiden en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor
een juiste vervulling van hun taak. De bescheiden worden op één
adres getoond en de inlichtingen, op verzoek, schriftelijk verstrekt.</al>
    <al>2. Een universiteit werkt mee aan de door of namens de minister ingestelde
onderzoekingen die erop zijn gericht de minister inlichtingen te verschaffen
ten behoeve van de ontwikkeling van het subsidiebeleid. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 8</tuskop>
    <al>Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening
van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst met dien verstande dat artikel
2 voor het eerst wordt toegepast over het jaar 2001. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 9</tuskop>
    <al>Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling opleiding tot specialist
of tot kaakchirurg.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.</al>
  </body>
  <backm>
    <ondtek>
      <min>De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,</min>E.
Borst-Eilers. <nl></nl>Toelichting<nl></nl></ondtek>
    <bijlage>
      <al>Op 1 januari 1988 heeft het toenmalige Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid
en Cultuur van het toenmalige Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen de
verantwoordelijkheid met betrekking tot de financiering van vervolgopleidingen
op het gebied van de geneeskunde en tandheelkunde overgenomen. De daarbij
behorende gelden zijn indertijd overgedragen. Wat de specialistische opleidingen
betreft, waarop deze subsidieregeling van toepassing is, verstrekt het Ministerie
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) jaarlijks aan de universiteiten
een subsidie als vergoeding voor de docenteninspanning, die opleiders, in
dienst van de universiteiten, leveren ten behoeve van de medische en tandheelkundige
vervolgopleidingen. Deze opleiders zijn erkend door de Medisch Specialisten
Registratie Commissie van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering
der Geneeskunst dan wel door de Specialisten Registratie Commissie van de
Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde. De te leveren
docenteninspanning wordt bepaald door de opleidingseisen, die de desbetreffende
opleidingscolleges met goedkeuring van de Minister van VWS voor de verschillende
medische en tandheelkundige vervolgopleidingen hebben vastgesteld.</al>
      <al>Voor de docenteninspanning wordt per opleidingsplaats een deel van het
salaris van de opleider vergoed. De subsidie wordt aan de universiteiten toegekend
omdat de opleiders, werkzaam in de academische ziekenhuizen, in het kader
van het opleiden van artsen en tandartsen tot specialist werkzaamheden verrichten,
die niet tot de functie van de universiteit behoren. Er vindt dus compensatie
plaats voor deze extra werkzaamheden.</al>
      <al>Tot 2001 was van kracht een tijdelijke subsidieregeling voor de opleiding
tot specialist, inclusief kaakchirurg. Overleg met de Vereniging Samenwerkende
Nederlandse Universiteiten en met de Vereniging van Academische Ziekenhuizen
heeft geresulteerd in de onderhavige subsidieregeling, die voor onbepaalde
tijd van kracht is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">E. Borst-Eilers.</nadruk>
      </al>
    </bijlage>
  </backm>
</stcart>