﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE stcart PUBLIC "-//SDU//DTD staatscourant xml 1.1//NL" "../../dtd/stcrt-11.dtd"[]>
<stcart soort="reg" status="bewerkt" publtype="stct">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2000-213-p13-SC26183/metadata.xml" />
  </metadata>
  <frontm>
    <versie dtd="1.5" conv="$Revision: 1.5 $__0" markup="hxa"></versie>
    <artcode>213-1301</artcode>
    <stcgeg>
      <tekst>Uit: Staatscourant 2 november 2000, nr. 213</tekst>
      <dag>Donderdag</dag>
      <datum>2 november 2000</datum>
      <nummer>213</nummer>
    </stcgeg>
    <chapeau>
      <mincodes>VROM </mincodes>
    </chapeau>
    <titel>Subsidieregeling internationale samenwerking milieubeheer 2001</titel>
    <opschr></opschr>
    <bron>
      <datum>22 oktober 2000</datum>/<kenmerk>Nr. DGM/IMZ/2000123129</kenmerk><afd></afd></bron>
  </frontm>
  <body>
    <al>De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</al>
    <al>Gelet op artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer;</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Besluit: </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 1</tuskop>
    <al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al>
    <al>a. <nadruk type="cur">minister:</nadruk> Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer;</al>
    <al>b. <nadruk type="cur">samenwerkingsovereenkomst:</nadruk> overeenkomst in de vorm van een
Memorandum of Understanding, een Letter of Intent of een Arrangement tussen
de minister of diens vertegenwoordiger en zijn buitenlandse ambtgenoot of
diens vertegenwoordiger om op milieuterrein gezamenlijk activiteiten ter hand
te nemen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 2</tuskop>
    <al>De minister kan aan een aanvrager subsidie verstrekken in de kosten van
een project ter bevordering van internationale samenwerking op het terrein
van milieubeheer, dat bijdraagt aan:</al>
    <al>a. het proces van toetreding van landen die door de Raad van de Europese
Unie als toetreders tot de Europese Unie zijn aangemerkt, de totstandkoming
van een Zesde Milieu Actie Programma, zoals aangegeven in de `Staat van Europese
Unie - de Europese Agenda 1999-2000 vanuit Nederlands perspectief' die bij
brief van 24 september 1999 door de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken
aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is aangeboden (Kamerstukken
II 1999/2000, 26 580, nr. 2), of de tenuitvoerlegging van het Verdrag tot
oprichting van de Europese Gemeenschappen of de aanpassing of tenuitvoerlegging
van het Verdrag betreffende de Europese Unie;</al>
    <al>b. de bevordering van de bilaterale betrekkingen van Nederland met Bulgarije,
Hongarije, Litouwen, Oekraïne, Polen, Roemenië, Russische Federatie,
Slowakije of Tsjechië, door uitwerking dan wel uitvoering van de werkprogramma's,
die onder de met deze landen gesloten samenwerkingsovereenkomsten ressorteren;</al>
    <al>c. de bevordering van de bilaterale betrekkingen van Nederland met Letland
of Georgië op het gebied van de toetreding tot de Europese Unie, respectievelijk
de implementatie en handhaving van duurzaam afvalbeheer;</al>
    <al>d. de uitwerking en concretisering van initiatieven en werkprogramma's
van en uitgevoerd door de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling,
de Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, het Regionaal Milieu
Centrum, de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties of de
Organisatie voor Europese Samenwerking en Ontwikkeling ter voorbereiding van
de Paneuropese Milieuconferentie in Kiev in 2002;</al>
    <al>e. de bevordering van de bilaterale betrekkingen van Nederland met Aruba,
Canada, China, Indonesië, de Nederlandse Antillen, Verenigde Staten,
Zuid-Afrika of Zuid-Korea, in het bijzonder door uitwerking dan wel uitvoering
van de werkprogramma's die onder de met deze landen gesloten samenwerkingsovereenkomsten
ressorteren;</al>
    <al>f. het duurzaam beheer en gebruik van bossen en biodiversiteit;</al>
    <al>g. het bereiken van milieudoelen bij internationale afspraken over handel
en investeringen, zoals die zijn aangegeven in de notitie `Ambities voor een
nieuwe ronde' die bij brief van 12 november 1999 van de Staatssecretaris van
Economische Zaken aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
is aangeboden (Kamerstukken II 1999/2000, 25 074, nr. 31);</al>
    <al>h. de uitwerking en concretisering van de resultaten van de United Nations
Conference on Environment and Development in het kader van Agenda 21 en de
verklaring van Rio de Janeiro, alsmede het verankeren van de doelstellingen
van de United Nations Conference on Environment and Development in de Nederlandse
samenleving, of</al>
    <al>i. de uitvoering van één van de volgende verdragen:</al>
    <al>1°. het op 13 november 1979 te Genève totstandgekomen Verdrag
betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand (Trb.
1980, 21);</al>
    <al>2°. het op 25 juni 1998 totstandgekomen Verdrag betreffende toegang
tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake
milieu-aangelegenheden (Trb. 1998, 289);</al>
    <al>3°. het op 25 februari 1991 totstandgekomen Verdrag inzake milieu-effectrapportage
in grensoverschrijdend verband (Trb. 1997, 298);</al>
    <al>4°. het op 22 juni 1993 te Genève totstandgekomen Verdrag betreffende
het voorkomen van zware industriële ongevallen (Trb. 1996, 185);</al>
    <al>5°. het op 17 maart 1992 te Helsinki totstandgekomen Verdrag inzake
de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale
meren (Trb. 1996, 299);</al>
    <al>6°. het op 22 maart 1989 te Bazel totstandgekomen Verdrag van Bazel
inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke
afvalstoffen en de verwijdering ervan (Trb. 1996, 81);</al>
    <al>7°. het op 22 maart 1985 te Wenen totstandgekomen Verdrag van Wenen
ter bescherming van de ozonlaag (Trb. 1996, 79);</al>
    <al>8°. het op 9 mei 1992 te New York totstandgekomen Raamverdrag van
de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (Trb. 1999, 53);</al>
    <al>9°. het op 10 september 1998 te Rotterdam totstandgekomen Verdrag
van Rotterdam inzake voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien
van gevaarlijk chemicaliën en pesticiden in de internationale handel
(Trb. 1999, 30);</al>
    <al>10°. het op 5 juni 1992 te Rio de Janeiro totstandgekomen Verdrag
inzake biologische diversiteit (Trb. 1996, 86). </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 3</tuskop>
    <al>Een project komt niet voor subsidie in aanmerking indien het project naar
het oordeel van de minister valt binnen de reikwijdte van:</al>
    <al>1. het Matra Projecten Programma in het kader waarvan subsidie kan worden
aangevraagd op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken;</al>
    <al>2. artikel 2.6.13 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse
Zaken;</al>
    <al>3. het Programma Samenwerking Oost-Europa van het Ministerie van Economische
Zaken;</al>
    <al>4. het Besluit natuurbeheer Midden- en Oost-Europa;</al>
    <al>5. het Pre-toetredingsinstrument voor structuurbeleid van de Europese
Unie (Instrument for Structural Policies for Pre-accession);</al>
    <al>6. het Pre-toetredingsinstrument voor landbouw- en plattelandsontwikkeling
van de Europese Unie (Special Accession Programme for Agriculture and Rural
Development);</al>
    <al>7. het Pre-toetredingsinstrument voor Midden- en Oost-Europa van de Europese
Unie (Pologne, Hongrie: Aide á la Reconstruction Economique), of</al>
    <al>8. de bijstand aan partnerstaten in Oost-Europa en Centraal Azië
van de Europese Unie (Technical Assistance to the Commonwealth of Independent
States and Georgia and Mongolia). </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 4</tuskop>
    <al>Een aanvraag voor subsidie kan worden ingediend door een staat, een volkenrechtelijke
organisatie of een rechtspersoon. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 5</tuskop>
    <al>1. Indien de aanvraag voor subsidie wordt ingediend door een rechtspersoon
die krachtens privaatrecht is opgericht, kan de minister verlangen dat de
aanvraag vergezeld gaat van:</al>
    <al>a. een afschrift van de oprichtingsakte van de rechtspersoon dan wel van
de statuten zoals deze laatstelijk zijn gewijzigd, en</al>
    <al>b. de laatst opgemaakte jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek dan wel de balans en de staat van baten en lasten
en de toelichting daarop of, indien deze bescheiden ontbreken, een verslag
over de financiële positie van de aanvrager op het moment van de aanvraag.</al>
    <al>2. De in het eerste lid, onder b, bedoelde bescheiden dan wel het verslag
over de financiële positie zijn voorzien van een van een accountant als
bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek
afkomstige schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid onderscheidenlijk
een mededeling, inhoudende dat van onjuistheden niet is gebleken. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 6</tuskop>
    <al>De minister neemt bij de beoordeling van de aanvraag in acht de mate waarin:</al>
    <al>a. het project bijdraagt aan één of meerdere van de in artikel
2 bedoelde doelstellingen;</al>
    <al>b. de gevraagde subsidie in evenredige verhouding staat tot de aard, omvang
en beoogde resultaten van het project;</al>
    <al>c. het project een meer dan incidentele uitwerking zal hebben;</al>
    <al>d. de subsidie wordt gebruikt in de aanloop van een project, waarvoor
subsidies in breder Nederlands of Europees verband kunnen worden aangevraagd;</al>
    <al>e. er sprake is van draagvlak voor het project bij de bij het project
betrokken organisaties en overheden, bijvoorbeeld blijkend uit bijdragen die
organisaties of overheden ten behoeve van het project of uit documenten waarin
is vastgelegd dat die organisaties of overheden met het project hebben ingestemd;</al>
    <al>f. een spreiding van de beschikbare middelen over verschillende ontvangers
bijdraagt aan de doelmatige besteding hiervan;</al>
    <al>g. sprake is van een evenwichtige spreiding over doelgroepen, landen,
thema's en de categorieën van projecten. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 7</tuskop>
    <al>1. Als subsidiabele kosten worden in aanmerking genomen de noodzakelijke,
rechtstreeks aan het project toe te rekenen en door de subsidieaanvrager gemaakte
kosten.</al>
    <al>2. Verrekenbare omzetbelasting en exploitatiekosten worden niet tot de
subsidiabele kosten gerekend.</al>
    <al>3. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag
worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend.</al>
    <al>4. Het maximale subsidiebedrag voor een project als bedoeld in artikel
2, aanhef en onder a, b, c, e, f, g, h, of i, bedraagt f 200.000,-. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 8</tuskop>
    <al>Het subsidieplafond bedraagt voor:</al>
    <al>1. projecten als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, b, c, d en i,
onderdelen 1° tot en met 5°, tezamen: f 2.731.000,-;</al>
    <al>2. projecten als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder e, f, g, h en i,
onderdelen 6° tot en met 10°, tezamen: f 2.455.000,-. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 9</tuskop>
    <al>Bij de subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van
de aanvragen, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel
4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gekregen de aanvraag
aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld voor die beslissing
als datum van ontvangst van de aanvraag geldt. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 10</tuskop>
    <al>De minister kan bij de subsidieverlening bepalen dat:</al>
    <al>a. ten aanzien van goederen die met de subsidie worden aangeschaft voorschriften
worden gegeven omtrent gebruik en bestemming daarvan na uitvoering van het
project, waarvoor de goederen zijn verworven. De minister kan daarbij bepalen
dat de goederen om niet of tegen een door hem te bepalen vergoeding worden
overgedragen aan hem of aan door hem aan te wijzen derden;</al>
    <al>b. de minister vrijelijk en om niet gebruik kan maken van alle voortbrengselen
waarop auteurs- of andere intellectuele eigendomsrechten kunnen gelden, die
geheel of gedeeltelijk met de subsidie worden vervaardigd, en</al>
    <al>c. de subsidieontvanger bij publicaties, inzake het gesubsidieerde project
en in correspondentie met derden die bij de uitvoering van het project zijn
betrokken, melding maakt van de omstandigheid dat het project geheel of gedeeltelijk
bekostigd is uit een subsidie, verleend door de minister, tenzij de aard van
het project, de hoedanigheid van de subsidieontvanger of andere gewichtige
omstandigheden zich daar tegen verzetten. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 11</tuskop>
    <al>1. Aanvragen tot subsidieverlening kunnen tot 1 september 2001 worden
ingediend.</al>
    <al>2. Voor het indienen van een aanvraag kan gebruik worden gemaakt van een
aanvraagformulier, dat verkrijgbaar is bij de Directie Internationale Milieuzaken
van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
gevestigd in Rijnstraat 8 te Den Haag. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 12</tuskop>
    <al>Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2001. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 13</tuskop>
    <al>Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling internationale samenwerking
milieubeheer 2001.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.</al>
  </body>
  <backm>
    <ondtek>`s-Gravenhage, 22 oktober 2000. <nl></nl><min>De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</min>J.P. Pronk.<nl></nl></ondtek>
    <toelicht>
      <tuskop letat="vet">Toelichting</tuskop>
      <al>De onderhavige regeling bevat met name regels met betrekking tot de inhoudelijke
criteria voor subsidieverstrekking op het terrein van het stimuleren van het
internationale milieubeleid door middel van het bevorderen van internationale
samenwerking.</al>
      <al>Nadat de minister een subsidieaanvraag heeft getoetst aan het bepaalde
in de artikelen 2 en 3 van deze regeling, wordt deze beoordeeld op basis van
het bepaalde in artikel 6 van deze regeling. Dat artikel bevat een opsomming
van criteria die de minister bij de beoordeling van elke subsidieaanvraag
hanteert. Deze criteria behelzen o.a. doeltreffendheid, doelmatigheid, duurzaamheid
en draagvlak. Daarnaast bevat dat artikel enkele criteria die het mogelijk
maken om een evenwichtige spreiding van uitgaven in de beoordeling te betrekken.</al>
      <al>Als met de subsidie goederen zijn aangeschaft die ook na afloop van het
project waarvoor subsidie is verleend van betekenis kunnen zijn, is het redelijk
om de subsidieverlener zeggenschap over de bestemming daarvan toe te kennen.
In artikel 10 van deze regeling is deze mogelijkheid opgenomen.</al>
      <al>Ten slotte wordt nog opgemerkt dat momenteel onderzoek plaatsvindt naar
de doeltreffendheid en de effecten van de subsidieverstrekking ter bevordering
van internationale samenwerking op het terrein van het internationale milieubeleid.
Dit zou kunnen betekenen dat de subsidieregeling voor het jaar 2002 op diverse
punten zal afwijken van de subsidieregeling voor het jaar 2001.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">J.P. Pronk.</nadruk>
      </al>
    </toelicht>
  </backm>
</stcart>