﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE stcart PUBLIC "-//SDU//DTD staatscourant xml 1.1//NL" "../../dtd/stcrt-11.dtd"[]>
<stcart soort="reg" status="bewerkt" publtype="stct">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2000-212-p11-SC26164/metadata.xml" />
  </metadata>
  <frontm>
    <versie dtd="1.5" conv="$Revision: 1.5 $__0" markup="hxa"></versie>
    <artcode>212-1101</artcode>
    <stcgeg>
      <tekst>Uit: Staatscourant 1 november 2000, nr. 212</tekst>
      <dag>Woensdag</dag>
      <datum>1 november 2000</datum>
      <nummer>212</nummer>
    </stcgeg>
    <chapeau>
      <mincodes>VW </mincodes>
    </chapeau>
    <titel>Onteigening in de gemeenten Heteren, Kesteren en Wageningen</titel>
    <opschr>Dijkverbetering, Driel-Lakermond-Kesteren </opschr>
  </frontm>
  <body>
    <al>
      <nadruk type="cur">Besluit van 27 september 2000, nr. 00.005364 houdende aanwijzing
van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte</nadruk>
    </al>
    <witreg></witreg>
    <al>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</al>
    <al>Beschikken bij dit besluit op het verzoek van de dijkstoel van het Polderdistrict
Betuwe van 13 april 2000, tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening
ingevolge artikel 62 van de onteigeningswet juncto artikel 27 van de Wet op
de waterkering, ten behoeve van de verbetering van de linker Rijnbandijk,
vanaf circa één kilometer westelijk van de bebouwde kom van
Driel bij de laatste huizen en bedrijven (aansluiting Noordhoeksestraat; hmp
230) en eindigend even ten westen van boerderij `Den Ambtse' (hmp 073), met
bijkomende werken, in de gemeenten Heteren, Kesteren en Wageningen.</al>
    <al>De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat heeft de beslissing op het
verzoek voorgedragen bij brief van 19 september 2000, nr. HKW/R2000/11242,
Hoofdkantoor van de Waterstaat, Stafdienst Bestuurlijk Juridische Zaken.</al>
    <al>Overeenkomstig artikel 27 van de Wet op de waterkering heeft een door
de Minister van Verkeer en Waterstaat benoemde commissie op 26 juni 2000 in
de gemeenten Heteren en Kesteren hoorzittingen gehouden om de zienswijze van
belanghebbenden tegen de voorgenomen onteigening en het plan van het werk
aan te horen.</al>
    <al>Uit de verslagen van de zittingen blijkt dat zienswijzen naar voren zijn
gebracht door:</al>
    <al>1. de heer G.J. de Lorijn, namens de heer C.H. van Neerbos, eigenaar van
de onroerende zaak met grondplannummer 7;</al>
    <al>2. de heer H.E. Hulstijn (mondeling) en mr. J.J. Turenhout (schriftelijk),
namens de heer M. Breunissen, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers
462 en 476;</al>
    <al>3. de heer A.K. Denneman en mevrouw O.A. de Lange, eigenaren van de onroerende
zaken met de grondplannummers 516 en 519;</al>
    <al>4. de heer E.A. den Hartog, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers
451 en 453;</al>
    <al>5. de heer ing. G.G. van Sijpveld, namens Terca Baksteen B.V., eigenares
van de onroerende zaak met grondplannummer 455 en</al>
    <al>6. de heer ing. G.G. van Sijpveld, namens de Erven Phillipse, eigenaren
van de onroerende zaken met de grondplannummers 487 en 499. </al>
    <tuskop letat="vet">Overwegingen</tuskop>
    <al>Ingevolge voornoemd artikel 62 van de onteigeningswet juncto artikel 27
van de Wet op de waterkering kan, zonder voorafgaande verklaring bij de wet
dat het algemeen nut onteigening vordert, onteigening plaatsvinden onder meer
ten behoeve van de aanleg en verbetering van dijken.</al>
    <al>Namens reclamant sub 1 is - samengevat naar voren gebracht, dat er een
behoorlijk verschil van mening bestaat over de hoogte van de schadeloosstelling.
Ter plaatse dienen enkele bomen te worden verwijderd. Het verlies van deze
bomen en, als gevolg daarvan, het verlies van privacy, veiligheid en afscheiding,
moet in de schadeloosstelling tot uitdrukking komen. Een ander punt betreft
het beheer en onderhoud van de afrit en de (verkeers)veiligheid ter hoogte
daarvan. De vrees is geuit dat na de uitvoering van de dijkverbetering drie
partijen, namelijk de gemeente Heteren, het Polderdistrict Betuwe en reclamant
zelf, verantwoordelijk zijn voor het onderhoud. Het is efficiënter dat
de afrit/weg door één partij wordt onderhouden. Reclamant heeft
hierbij opgemerkt, dat het onderhoud op dit moment te wensen overlaat. Door
verschillende opknapbeurten is de weg steeds steiler en gevaarlijker geworden.</al>
    <al>Met betrekking tot het punt van de schadeloosstelling merken Wij op, dat
de hoogte daarvan in het kader van de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure
niet ter discussie staat. Ingevolge artikel 40 van de onteigeningswet vormt
de schadeloosstelling een volledige vergoeding voor alle schade die de onteigende
rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn goed lijdt. De hoogte
daarvan wordt echter, bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming, vastgesteld
in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure. Wij merken hierbij
op, dat het minnelijk overleg tussen partijen dient te worden voortgezet.
Dit overleg, dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet
vooraf moet gaan aan de gerechtelijke onteigeningsprocedure, zal wellicht
alsnog tot een aanvaardbare oplossing kunnen leiden.</al>
    <al>Met betrekking tot de afrit overwegen Wij, dat het beheer en onderhoud
van de dijk bij de verzoeker om onteigening, het Polderdistrict Betuwe, berust.
Ter zitting van de commissie ex artikel 27 van de Wet op de waterkering is
duidelijk gebleken, dat de gemeente, ook na de uitvoering van de dijkverbetering,
verantwoordelijk blijft voor het beheer en onderhoud van de openbare weg op
de dijk. De verzoeker om onteigening zal daar dus niet als derde partij bij
betrokken zijn.</al>
    <al>Namens reclamant sub 2 is de noodzaak tot de onteigening betwist, van
de gronden die bestemd zijn voor de aanleg van een strang. In het minnelijk
overleg heeft de verzoeker om onteigening aangegeven dat reclamant deze gronden
tijdelijk af moet staan. Nu de verzoeker niet geïnteresseerd is in de
verwerving van de gronden staat vast dat onteigening niet noodzakelijk is.
Partijen verschillen slechts van mening over de door de verzoeker te betalen
vergoeding voor de vrijkomende klei, alsmede over de prijs voor het tijdelijk
gebruik van de gronden die als werkstrook zullen dienen. Omdat de hoogte van
de schadeloosstelling ter discussie staat zou een commissie van drie onafhankelijke
deskundigen daar een uitspraak over moeten doen.</al>
    <al>Een ander punt betreft de noodzaak tot onteigening van de gronden ten
behoeve van de dijkverbetering. Die noodzaak ontbreekt, aangezien de dijk
ook gerealiseerd kan worden door het vestigen van een opstalrecht ten behoeve
van de verzoeker om onteigening. De bereikbaarheid kan door het vestigen van
erfdienstbaarheden worden gewaarborgd. Niet valt in te zien welk belang de
verzoeker heeft bij verwerving van de eigendom van de gronden waarop de werken
gerealiseerd zullen worden.</al>
    <al>Tot slot is ter zitting van de commissie ex artikel 27 van de Wet op de
waterkering nog namens reclamant sub 2 opgemerkt, dat hij thans beschikt over
twee inritten naar zijn eigendom. In het dijkverbeteringsplan is één
inrit vervallen, waardoor veel omgereden moet worden. Reclamant zou graag
de twee inritten gehandhaafd zien.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Met betrekking tot deze zienswijzen overwegen Wij het volgende.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Ten aanzien van de gronden die nodig zijn voor de aanleg van de strang
is gebleken dat de verzoeker om onteigening deze niet noodzakelijk permanent
in eigendom behoeft te krijgen en/of houden. De onteigening dient in dat verband
te worden gezien als een uiterst middel. Alleen indien met de eigenaren/gebruikers
in de minnelijke sfeer geen overeenstemming kan worden bereikt over huur of,
indien dat niet tot de mogelijkheden behoort, eigendomsoverdracht of beëindiging
van gebruiksrechten, zal de noodzaak tot onteigening van gronden aanwezig
kunnen zijn. Omdat het minnelijk overleg met reclamant tot nu toe nog niet
tot resultaat heeft geleid blijft de noodzaak tot de aanwijzing van de gronden
ter onteigening aanwezig. De opmerking over het verschil van mening omtrent
de schadeloosstelling en wat daarmee samenhangt is financieel van aard. Een
dergelijke opmerking kan de aanwijzing van de gronden ter onteigening niet
in de weg staan. De onteigeningswet waarborgt belanghebbenden een volledige
schadeloosstelling. De hoogte daarvan staat echter in het kader van deze administratieve
procedure niet ter discussie, aangezien deze, bij het ontbreken van minnelijke
overeenstemming, wordt vastgesteld in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure.</al>
    <al>Wij delen niet de visie van reclamant, dat de noodzaak tot eigendomsverwerving
van de gronden voor de feitelijke dijkverbetering ontbreekt, omdat ook zou
kunnen worden volstaan met het vestigen van een recht van opstal. De verwerving
van de eigendom dient te bewerkstelligen dat de werkzaamheden aan de dijk
kunnen worden uitgevoerd. Tevens heeft de verzoeker om onteigening er belang
bij om de gronden in eigendom te verkrijgen, aangezien zo de veilige en ongestoorde
ligging van de dijk nu en in de toekomst kan worden gewaarborgd. Wij merken
hierbij nog op, dat de vergelijking die namens reclamant is getrokken met
Ons besluit van 11 december 1998, nr. 98.005894 (Stc. 1999, nr. 11) inzake
een onteigening voor dijkverbetering in de gemeente Olst, niet opgaat. In
die kwestie is het verzoek om onteigening gedeeltelijk afgewezen, omdat bepaalde
gronden niet nodig bleken voor het uitvoeren van werkzaamheden. In de onderhavige
kwestie zijn van reclamant echter gronden nodig voor de daadwerkelijke realisering
van de dijkverbetering.</al>
    <al>Tot slot merken Wij met betrekking tot de afritten op, dat het dijkverbeteringsplan
in de onderhavige procedure niet ter discussie staat. Zienswijzen met betrekking
tot dat plan en de keuzen die daaraan ten grondslag liggen dienen te worden
ingebracht in de daarvoor bestemde procedures op grond van de Wet op de waterkering.
In dit verband wordt opgemerkt dat het dijkverbeteringsplan inmiddels onherroepelijk
is. Ter zitting van de commissie ex artikel 27 van de Wet op de waterkering
is namens de verzoeker om onteigening nog wel toegezegd dat de kwestie rond
de inritten in het voort te zetten overleg aan de orde zal komen.</al>
    <al>Door reclamanten sub 3 is vooreerst naar voren gebracht dat door de verzoeker
om onteigening geen serieuze pogingen zijn ondernomen om met hen minnelijk
tot overeenstemming te komen. Eerst een week voor de zitting heeft de verzoeker
de zaakwaarnemer van reclamanten benaderd om van gedachten te wisselen over
de minnelijke verwerving. In dit oriënterende gesprek is onder andere
gesproken over de situering, omvang en aard van de te verwerven gronden. Afgesproken
is dat de desbetreffende perceelsgedeelten eerst ingemeten en uitgezet zullen
worden alvorens de onderhandelingen zullen beginnen.</al>
    <al>Wij merken naar aanleiding hiervan op, dat de onteigening moet worden
gezien als een uiterst middel (ultimum remedium). De Kroon stelt in dat verband
bij de toepassing van de onteigeningswet de eis, dat ten opzichte van de burger
eerst naar dit middel - door het starten van de administratieve onteigeningsprocedure
- kan en mag worden gegrepen, indien langs minnelijke weg redelijkerwijs niet
of niet in de gewenste vorm overeenstemming kan worden bereikt. In het algemeen
is genoegzaam aan deze eis voldaan, indien voor de terinzagelegging van de
onteigeningsstukken een aanvang met het minnelijk overleg is gemaakt. Hierbij
geldt dat het wenselijk doch niet noodzakelijk is, dat ten tijde van de tervisielegging
van de stukken reeds een formeel bod is uitgebracht. Voldoende is dat sprake
is geweest van een redelijke doch vruchteloos gebleken poging om hetgeen onteigend
moet worden langs minnelijke weg te verwerven.</al>
    <al>Vastgesteld moet worden dat ten tijde van de tervisielegging van de onteigeningsstukken
aan reclamanten sub 2 nog geen formeel bod was uitgebracht. In dit geval hebben
de stukken vanaf 26 mei 2000 ter inzage gelegen. Uit de door de verzoeker
om onteigening overgelegde stukken is gebleken dat eind mei 2000 met de vertegenwoordiger
van reclamanten contact is opgenomen om een afspraak te maken voor overleg
over de door beide partijen uitgevoerde taxaties. Dit overleg vond een week
voor de hoorzitting, namelijk op 20 juni 2000, plaats. In dit overleg is ook
door de verzoeker een aanbod gedaan. Wij zijn, overigens met de commissie
ex artikel 27 van de Wet op de waterkering, van oordeel dat op grond hiervan
niet kan worden geoordeeld dat in dit geval door de verzoeker voor de start
van de tervisielegging van de stukken een redelijke doch vruchteloze poging
is ondernomen om hetgeen onteigend moet worden langs minnelijke weg te verwerven.
Op het moment van de start van de procedure stond onvoldoende vast dat de
verwerving van de grond van reclamanten langs minnelijke weg niet tot de mogelijkheden
behoorde, om welke reden de noodzaak tot de onteigening niet is aangetoond.
In verband hiermee dient het verzoek om onteigening voor zover dat ziet op
de gronden van reclamanten sub 3 te worden afgewezen.</al>
    <al>In verband met deze conclusie zien Wij geen aanleiding om in te gaan op
hetgeen verder door reclamanten sub 3 overigens naar voren is gebracht.</al>
    <al>Reclamant sub 4 heeft bezwaar tegen de procedure zoals die door de verzoeker
om onteigening is gevolgd. Na een eerste contact heeft hij lange tijd niets
meer gehoord. Pas enkele dagen voor de hoorzitting kwam hij daarvan op de
hoogte. Van minnelijk overleg is naar zijn mening geen sprake geweest.</al>
    <al>Vooreerst wordt hier opgemerkt, dat reclamant eigenaar is van de onroerende
zaken met de grondplannummers 451 en 453. In het advies van de commissie ex
artikel 27 van de Wet op de waterkering worden abusievelijk de grondplannummers
535, 537 en 545 genoemd. Naar aanleiding van de zienswijze van reclamant kan
worden verwezen naar hetgeen naar aanleiding van de zienswijze van reclamanten
sub 3 reeds is opgemerkt omtrent de onteigening, namelijk dat dit instrument
moet worden gezien als een uiterst middel. Ten aanzien van reclamant sub 4
moet worden vastgesteld dat ten tijde van de tervisielegging van de onteigeningsstukken
aan hem nog geen formeel bod was uitgebracht. Uit de door de verzoeker om
onteigening overgelegde stukken is gebleken dat in oktober 1999 een oriënterend
en informatief gesprek is gevoerd. Nadien heeft reclamant nog gesproken met
een lid van de taxatiecommissie. Eerst bij brief van 21 juni 2000 en derhalve
een week voor de hoorzitting heeft de verzoeker om onteigening een aanbod
gedaan. Met de commissie ex artikel 27 van de Wet op de waterkering zijn Wij
van oordeel dat op grond hiervan niet kan worden geoordeeld dat in dit geval
door de verzoeker voor de start van de tervisielegging van de stukken een
redelijke doch vruchteloze poging is ondernomen om hetgeen onteigend moet
worden langs minnelijke weg te verwerven. Op het moment van de start van de
procedure stond dan ook onvoldoende vast dat de verwerving van de grond van
belanghebbende langs minnelijke weg niet tot de mogelijkheden behoorde, om
welke reden de noodzaak tot de onteigening niet is aangetoond. In verband
hiermee dient het verzoek om onteigening voor zover dat ziet op de gronden
van reclamant sub 4 te worden afgewezen.</al>
    <al>Namens reclamante sub 5 is gesteld dat in 1999 de eerste contacten zijn
gelegd. Op 9 maart 2000 is er voor het laatst contact geweest, waarna pas
op de morgen van de hoorzitting een bod van de verzoeker om onteigening is
ontvangen. De onteigeningsprocedure is derhalve prematuur; tot op heden is
het bij het uitwisselen van gegevens gebleven en is er geen sprake geweest
van onderhandelingen.</al>
    <al>Allereerst kan hier worden verwezen naar hetgeen naar aanleiding van de
zienswijze van reclamanten sub 2 is opgemerkt omtrent de onteigening, namelijk
dat dit instrument moet worden gezien als een uiterst middel. Ten aanzien
van reclamante sub 5 is gebleken dat het door de verzoeker om onteigening
ingeschakelde taxatie- en adviesbureau bij brief van 22 december 1999 aan
de vertegenwoordiger van het bedrijf een aantal tekeningen heeft toegezonden,
met daarop aangegeven de gronden die de verzoeker wenst aan te kopen of nodig
heeft voor tijdelijk gebruik. Hierbij is bedoelde vertegenwoordiger gevraagd
aan te geven of de gronden verpacht zijn en of een ontgrondingsvergunning
is verleend. Bij brief van 20 januari 2000 is door de vertegenwoordiger op
deze vragen antwoord gegeven. Voorts is gesteld dat reclamante gaarne verneemt
op basis van welk bod de verzoeker de gronden wenst te verwerven/gebruiken,
waarbij er ook op is gewezen dat reclamante de voor de keramische baksteenindustrie
geschikte klei voor haar fabriek wil gebruiken of als zodanig gewaardeerd
wil zien. Bij brief van 28 februari 2000 heeft eerdergenoemd taxatie- en adviesbureau
vervolgens enige informatie verschaft over het standpunt van de verzoeker
om onteigening met betrekking tot de kleiwinning. Tevens zijn twee tekeningen
toegezonden en is medegedeeld dat omtrent de grondverwerving door de verzoeker
contact zal worden opgenomen. Bij brief van 9 maart 2000 is hierop namens
reclamante gereageerd, waarbij onder meer gewezen is op het bestaan van een
ontgrondingsvergunning. Bij brief van 22 juni 2000 is tot slot door de verzoeker
om onteigening een aanbod gedaan.</al>
    <al>Gelet op het voorgaande heeft de verzoeker eerst enkele dagen voor de
hoorzitting aan reclamante een aanbod gedaan. Derhalve is niet voldaan aan
de eis, dat een dergelijk bod ten tijde van de tervisielegging van de stukken
(op 26 mei 2000) dient te zijn uitgebracht. Zoals echter naar aanleiding van
de zienswijze van reclamanten sub 2 opgemerkt, is het wenselijk doch niet
noodzakelijk, dat ten tijde van de tervisielegging van de stukken reeds een
formeel bod is gedaan. Voldoende is dat sprake is geweest van een redelijke
doch vruchteloos gebleken poging om hetgeen onteigend moet worden langs minnelijke
weg te verwerven. De verzoeker om onteigening heeft in dat verband naar voren
gebracht dat het doen van een aanbod lange tijd niet zinvol is geweest, aangezien
partijen van mening verschilden over de uitgangspunten met betrekking tot
de schadeloosstelling. Met de commissie ex artikel 27 van de Wet op de waterkering
zijn Wij van mening dat hierin echter nog geen grond kan worden gevonden voor
het oordeel dat in dit geval door de verzoeker een redelijke doch vruchteloze
poging is ondernomen om tot overeenstemming te komen. Door de verzoeker zijn
aan reclamante enkele brieven gezonden, onder meer met het verzoek om nadere
informatie te verschaffen. Reclamante heeft hierop gereageerd en daarbij haar
uitgangspunten met betrekking tot de schadeloosstelling kenbaar gemaakt. Op
grond daarvan kon echter naar Ons oordeel op het moment van de start van de
administratieve onteigeningsprocedure nog niet worden vastgesteld dat met
reclamante minnelijk niet tot overeenstemming kan worden gekomen. In verband
daarmee dient het verzoek om onteigening ten aanzien van de gronden van reclamante
dan ook te worden afgewezen.</al>
    <al>Namens reclamanten sub 6 is naar voren gebracht dat de horecagelegenheid
`Het Veerhuis' het knelpunt vormt in de onderhandelingen met de verzoeker
om onteigening. De gemeente en de verzoeker hebben mondeling toegezegd dat
gas en riolering ten behoeve van deze gelegenheid zullen worden aangelegd.
De aanleg daarvan is met het oog op de werkzaamheden voor de dijkverbetering
uitgesteld. Dit vertraagt de modernisering van de horecagelegenheid en brengt
voor reclamanten extra kosten met zich mee. Zij willen graag verder onderhandelen
met als uitgangspunt dat de werkzaamheden en de onteigeningsprocedure niet
tot gevolg zullen hebben dat de aanleg van gas en riolering op de lange baan
wordt geschoven. Reclamanten vrezen voorts dat de dijkverbetering stagnerend
zal werken, waardoor zij noodvoorzieningen zullen moeten treffen met alle
kosten van dien. Daarnaast wordt de onteigening als drukmiddel gevoeld en
bestaat de vrees dat extra kosten niet vergoed zullen worden.</al>
    <al>Naar aanleiding hiervan overwegen Wij, dat de verzoeker om onteigening
op 16 december 1999 aan reclamanten een aanbod heeft gedaan. Hierover kon
echter nog geen overeenstemming worden bereikt, zodat de noodzaak tot de aanwijzing
van de gronden ter onteigening aanwezig blijft. Het minnelijk overleg met
reclamanten dient te worden voortgezet. Dit overleg, dan wel het overleg dat
ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet vooraf zal moeten gaan aan de
gerechtelijke procedure, zal wellicht alsnog tot overeenstemming kunnen leiden.
Voorts merken Wij op, dat de onteigeningswet belanghebbenden een volledige
schadeloosstelling waarborgt. De hoogte daarvan staat in de onderhavige procedure
niet ter beoordeling, aangezien deze, bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming
wordt vastgesteld in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure. </al>
    <tuskop letat="vet">Overige overwegingen</tuskop>
    <al>Bij besluit van 17 mei 1999 heeft het gecombineerd college van het Polderdistrict
Betuwe het dijkverbeteringsplan voor de verbetering van de linker Rijnbandijk,
dijkvak Driel-Lakemond-Kesteren, vastgesteld. Dit plan is vervolgens ter goedkeuring
aan Gedeputeerde Staten van Gelderland gezonden. Gedeputeerde Staten hebben
bij hun besluit van 13 juli 1999 het dijkverbeteringsplan goedgekeurd. Het
plan is inmiddels onherroepelijk.</al>
    <al>Het moet in het belang van de beveiliging van het land tegen overstromingen
noodzakelijk worden geacht, dat het Polderdistrict Betuwe de eigendom verkrijgt
van de in dit besluit genoemde onroerende zaken.</al>
    <al>De namens reclamanten naar voren gebrachte zienswijzen worden, met uitzondering
van de zienswijzen van reclamanten sub 3, 4 en 5, niet van zodanig gewicht
geacht dat op grond daarvan het verzoek, om een koninklijk besluit ex artikel
72a van de onteigeningswet te bevorderen, moet worden afgewezen. </al>
    <tuskop letat="vet">Beslissing</tuskop>
    <al>Gelet op de onteigeningswet en de Wet op de waterkering,</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Hebben Wij goedgevonden en verstaan:</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Ten behoeve van de verbetering van de linker Rijnbandijk, vanaf circa één
kilometer westelijk van de bebouwde kom van Driel bij de laatste huizen en
bedrijven (aansluiting Noordhoeksestraat; hmp 230) en eindigend even ten westen
van boerderij `Den Ambtse' (hmp 073), met bijkomende werken, in de gemeenten
Heteren, Kesteren en Wageningen zullen ten algemenen nutte en ten name van
het Polderdistrict Betuwe worden onteigend de onroerende zaken, aangeduid
op de grondtekeningen welke ingevolge de onteigeningswet in de gemeenten Heteren,
Kesteren en Wageningen ter inzage hebben gelegen als:</al>
    <witreg></witreg>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-1.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-2.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-3.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-4.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-5.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-6.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-7.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-8.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-9.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-10.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-11.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-12.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-13.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-14.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-15.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-16.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-17.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-18.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-19.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-20.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-21.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-22.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-23.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-24.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-25.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-26.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-27.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-28.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-29.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-30.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-31.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-32.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-33.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-34.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-35.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-36.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-37.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-38.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-39.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-40.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-41.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-42.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-43.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-44.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-45.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-46.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-47.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-48.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-49.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-50.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-51.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-52.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-53.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-54.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-55.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-56.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-57.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-58.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-59.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-60.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-61.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-62.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-63.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <plaatje file="stcrt-2000-212-p11-SC26164-64.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <witreg></witreg>
    <al>Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uitvoering van
dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst.</al>
  </body>
  <backm>
    <ondtek>'s-Gravenhage, 27 september 2000. <nl></nl>Beatrix. <nl></nl><min>De Staatssecretaris
van Verkeer en Waterstaat,</min>J.M. de Vries.<nl></nl></ondtek>
  </backm>
</stcart>