﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE stcart PUBLIC "-//SDU//DTD staatscourant xml 1.1//NL" "../../dtd/stcrt-11.dtd"[]>
<stcart soort="reg" status="b" publtype="stct">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-1999-81-p11-SC18682/metadata.xml" />
  </metadata>
  <frontm>
    <versie dtd="1.4" conv="prod__0" markup="qa"></versie>
    <artcode>081-1101</artcode>
    <stcgeg>
      <tekst>Uit: Staatscourant 28 april 1999, nr. 81</tekst>
      <dag>Woensdag</dag>
      <datum>28 april 1999</datum>
      <nummer>81</nummer>
    </stcgeg>
    <chapeau>
      <mincodes>VROM</mincodes>
    </chapeau>
    <titel>Onteigening in de gemeente Amsterdam</titel>
    <opschr>«Onteigeningswet»</opschr>
  </frontm>
  <body>
    <tuskop letat="vet">Percelen begrepen in het bestemmingsplan ’de oude
indische buurt’ </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Besluit van 10 april 1999 no. 99.001545 tot goedkeuring
van het besluit van de stadsdeelraad Zeeburg van de gemeente Amsterdam van
22 september 1998, no. G/98/7/5.2., tot onteigening als bedoeld in Titel IV
van de onteigeningswet.</tuskop>
    <al>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</al>
    <al>Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 23 februari 1999, no. MJZ99143236, Centrale Directie Juridische
Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken.</al>
    <al>Gelezen de brief van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zeeburg van
de gemeente Amsterdam van 15 oktober 1998, kenmerk 98/1842.</al>
    <al>Gelet op Titel IV van de onteigeningswet en Titel 10.2 van de Algemene
wet bestuursrecht.</al>
    <al>De Raad van State gehoord (advies van 25 maart 1999 no. W08.99.0090/V.).</al>
    <al>Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 6 april 1999, no. MJZ99158061, Centrale Directie
Juridische Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken.</al>
    <al>Beschikken bij dit besluit over de goedkeuring van het besluit van de
stadsdeelraad Zeeburg van de gemeente Amsterdam van 22 september 1998, no.
G/98/7/5.2, tot onteigening ingevolge artikel 77, eerste lid, aanhef en onder
1°, van de onteigeningswet, ten name van die gemeente, van de bij dat
besluit aangewezen percelen. </al>
    <tuskop letat="vet">Overwegingen</tuskop>
    <al>Ingevolge voornoemd artikel 77 van de onteigeningswet kan, zonder voorafgaande
verklaring bij de wet dat het algemeen nut onteigening vordert, onteigening
plaatsvinden onder meer ten behoeve van de uitvoering van een bestemmingsplan.
De ter onteigening aangewezen percelen zijn begrepen in het bestemmingsplan ’De
Oude Indische Buurt 1997’ van de gemeente Amsterdam. Blijkens het raadsbesluit
tot onteigening wenst de gemeente Amsterdam de daarin bedoelde gronden in
eigendom te verkrijgen ter uitvoering van het zojuist genoemde bestemmingsplan.</al>
    <al>In verband met het feit, dat ten tijde van het nemen van het stadsdeelraadsbesluit
tot onteigening het bestemmingsplan ’De Oude Indische Buurt 1997’
nog niet onherroepelijk was goedgekeurd, is in het besluit onder meer bepaald,
dat:</al>
    <al>a. de vordering tot onteigening ter uitvoering van het onteigeningsbesluit
eerst kan worden ingesteld indien en voor zover het bestemmingsplan ’De
Oude Indische Buurt 1997’ ten aanzien van de in het onteigeningsbesluit
bedoelde onroerende zaken onher-roepelijk is goedgekeurd en</al>
    <al>b. het onteigeningsbesluit vervalt indien en voor zover goedkeuring wordt
onthouden aan delen van het onder a. bedoelde bestemmingsplan, welke betrekking
hebben op de in het onteigeningsbesluit genoemde onroerende zaken.</al>
    <al>De in het onteigeningsplan begrepen gronden zijn in het bestemmingsplan ’De
Oude Indische Buurt 1997’ aangewezen voor ’Woningen (Wq 13 en
14)’. De door de gemeente Amsterdam ter plaatse voorgestane wijze van
planuitvoering betreft de voortgang van de stadsvernieuwing in de zogenaamde ’Borneodriehoek’
die gelegen is binnen de Indische Buurt van die gemeente. In het kader van
het onderzoek is door de gemeente overgelegd het aanpakvoorstel ’Borneodriehoek
AQ13/AQ14’ van juni 1996. Dit plan voorziet, voor wat betreft de te
onteigenen percelen, in sloop van de bestaande bebouwing met het oog op de
realisering van onder meer (gestapelde) woningen.</al>
    <al>Het stadsdeelraadsbesluit tot onteigening heeft overeenkomstig artikel
84, eerste lid, van de onteigeningswet met ingang van 15 oktober 1998 gedurende
vier weken voor een ieder ter inzage gelegen op de secretarie van het stadsdeel
Zeeburg van de gemeente Amsterdam. Binnen deze termijn zijn tegen het besluit
van de stadsdeelraad bij Ons schriftelijk bedenkingen naar voren gebracht
door:</al>
    <al>a. ing. P.H. Reinders Folmer te Haarlem namens W. de Groot te Amsterdam
en</al>
    <al>b. K.J. Walet te Amstelveen namens de Stichting Administratiekantoor Walet
te Amstelveen alsmede namens Walet B.V. te Amstelveen.</al>
    <al>Aan artikel 86, tweede lid, van de onteigeningswet, inhoudende dat degenen,
die tijdig ingevolge het derde lid van artikel 84 van die wet bedenkingen
naar voren hebben gebracht, vanwege Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer in de gelegenheid worden gesteld zich in persoon
of bij gemachtigde te doen horen, is voldaan. </al>
    <tuskop letat="cur">Overwegingen ten aanzien van de naar voren gebrachte bedenkingen</tuskop>
    <al>De reclamant onder a., rechthebbende op het mede ter onteigening aangewezen
perceel kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie S, no. 3993, stelt in
zijn geschrift met bedenkingen dat het stadsdeel geen serieuze poging heeft
ondernomen om het onderwerpelijke perceel te verwerven.</al>
    <al>Volgens vaste jurisprudentie is, zo stelt de reclamant, aan de voorwaarde
tot minnelijke verwerving voldaan indien voor de eerste tervisielegging van
het onteigeningsplan een aanvang is gemaakt met de onderhandelingen over de
minnelijke verwerving en ten tijde van het raadsbesluit voldoende aannemelijk
is dat die onderhandelingen vooralsnog niet tot overeenstemming zullen leiden.
De reclamant stelt aangaande het overleg dat hem bij brief van 9 september
1997 door het stadsdeel Zeeburg gevraagd is of hij bereid zou zijn tot verkoop
over te gaan van zijn perceel. Na de beantwoording van voornoemde brief heeft
er op 29 mei 1998 een gesprek plaatsgevonden tussen een medewerker van het
stadsdeel Zeeburg en de reclamant en zijn gemachtigde. In dit gesprek is de
mogelijkheid van vervangende bedrijfsruimte ter sprake gekomen, waarbij de
reclamant heeft aangegeven dat zulks voor hem alleen interessant is wanneer
de bedrijfsruimte wordt gecombineerd met woonruimte. Namens het stadsdeel
Zeeburg is vervolgens het pand van de reclamant bezichtigd en heeft er telefonisch
overleg plaatsgevonden, zo stelt de reclamant. Tijdens het horen ingevolge
het tweede lid van artikel 86 van de onteigeningswet heeft de reclamant erop
gewezen dat de gemeente tot op heden geen schriftelijk bod heeft uitgebracht.</al>
    <al>Ten aanzien van deze bedenking van de reclamant overwegen Wij vooreerst
dat in het algemeen niet eerder tot onteigening behoort te worden overgegaan,
dan nadat een redelijke doch vruchteloos gebleken poging is ondernomen om
hetgeen onteigend moet worden langs minnelijke weg te verwerven. Aan deze
eis is naar Ons oordeel genoegzaam voldaan indien voor de eerste tervisielegging
van het onteigeningsplan met de onderhandelingen over de minnelijke verwerving
een aanvang is gemaakt en ten tijde van het nemen van het raadsbesluit tot
onteigening voldoende aannemelijk is dat die onderhandelingen vooralsnog niet
tot het gewenste resultaat zullen leiden. Voorts zijn Wij van oordeel, dat
het wel wenselijk doch niet strikt noodzakelijk is, dat ten tijde van het
nemen van het raadsbesluit tot onteigening reeds een formeel bod moet zijn
uitgebracht. Voldoende is dat sprake is geweest van een redelijke doch vruchteloos
gebleken poging om hetgeen onteigend moet worden langs minnelijke weg te verwerven.
Bij de onderhandelingen dienaangaande kan, ook zonder dat een formeel bod
is uitgebracht, genoegzaam komen vast te staan dat minnelijke verwerving vooralsnog
niet tot de mogelijkheden behoort. Alsdan kan een gemeente teneinde op een
redelijk tijdstip tot uitvoering van het desbetreffende bestemmingsplan te
kunnen overgaan in beginsel tot onteigening besluiten.</al>
    <al>Uit het ter zake ingestelde onderzoek is gebleken dat de gemeente en de
reclamant reeds geruime tijd voor de eerste tervisielegging van het onteigeningsplan
met elkaar in onderhandeling zijn getreden. De onderhandelingen waren - op
verzoek van de reclamant - primair gericht op het vinden van vervangende bedrijfs-
en woonruimte. Ten tijde van het nemen van het onderhavige stadsdeelraadsbesluit
bestond er echter nog geen overeenstemming tussen de partijen. Omdat in eerste
instantie is gezocht naar vervangende bedrijfs- en woonruimte en tevens omdat
de gemeente desgevraagd nog geen inzicht had kunnen verkrijgen in de financiële
positie van het bedrijf van de reclamant, heeft de gemeente vóór
het nemen van het onderhavige onteigeningsbesluit, nog geen schriftelijk bod
uit kunnen brengen.</al>
    <al>Inmiddels, zo blijkt uit het ter zake ingestelde onderzoek, heeft de gemeente
wel een schriftelijk bod gedaan op het betrokken perceel van de reclamant.
Gelet op het vorenstaande zijn Wij van oordeel, dat, nu vóór
de eerste tervisielegging van het onteigeningsplan met de onderhandelingen
over de minnelijke verwerving van het perceel van de reclamant een aanvang
is gemaakt en ten tijde van het nemen van het raadsbesluit voldoende aannemelijk
was, dat minnelijke verwerving vooralsnog niet tot de mogelijkheden behoort,
de stadsdeelraad teneinde op een redelijk tijdstip tot de uitvoering van het
onderwerpelijke bestemmingsplan te kunnen overgaan in beginsel tot onteigening
van het desbetreffende perceel heeft kunnen besluiten. Het minnelijk overleg,
dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure
vooraf zal moeten gaan, zal wellicht alsnog tot een voor beide partijen aanvaardbare
oplossing kunnen leiden.</al>
    <al>Gezien het vorenstaande kunnen de bedenkingen van de reclamant onder a.
er niet toe leiden, dat aan het onderwerpelijke stadsdeelraadsbesluit geheel
of gedeeltelijk de goedkeuring wordt onthouden.</al>
    <al>De reclamanten onder b., rechthebbenden op de mede ter onteigening aangewezen
percelen kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie S, nos. 4331, 4332 en
4333, stellen in hun geschrift met bedenkingen allereerst dat zij dezelfde
doelstelling - het uitvoeren van het bestemmingsplan - als de gemeente nastreven.
De reclamanten stellen op de onderwerpelijke percelen een sloop- en nieuwbouwplan
te willen realiseren. Dienaangaande hebben de reclamanten reeds in 1993 plannen
ontwikkeld. Bedoelde plannen werden, aldus de reclamanten, echter diverse
malen door de gemeente afgekeurd op grond van het feit dat de tekeningen in
strijd waren met het toen bestaande bestemmingsplan. Een in augustus 1997
gepland overleg tussen de reclamanten en de gemeente heeft, zo stellen de
reclamanten verder, niet plaatsgevonden omdat het definitieve bestemmingsplan
nog niet was goedgekeurd. De gemeente zou de reclamanten wel hebben verzocht
om de sloop en nieuwbouw gelijk op te laten gaan met de bouwwerkzaamheden
van de woningbouwvereniging.</al>
    <al>Tevens stellen de reclamanten dat de gemeente, in strijd met hetgeen in
de onteigeningswet is voorgeschreven, nimmer een poging heeft gedaan hun onderwerpelijke
percelen op minnelijke wijze te verkrijgen.</al>
    <al>Ten aanzien van deze laatste bedenking van de reclamanten verwijzen Wij
vooreerst naar hetgeen in het algemeen is overwogen bij de nagenoeg gelijkluidende
bedenkingen van de reclamant onder a..</al>
    <al>In het bijzonder overwegen Wij dat uit het ter zake ingestelde onderzoek
is gebleken dat partijen reeds geruime tijd voor de eerste tervisielegging
van het onteigeningsplan met elkaar in contact zijn getreden, onder andere
inzake de hoogte van de door de gemeente te betalen schadeloosstelling. Zo
zijn reeds in 1995 telefonische contacten geweest omtrent de huuropgave van
de zich op de percelen bevindende panden. Ook in 1996 en 1997 is telefonisch
contact geweest tussen de gemeente en de reclamanten omtrent de schadeloosstelling.
In juli en augustus 1998 hebben partijen opnieuw diverse malen telefonisch
contact gehad met betrekking tot die schadeloosstelling.</al>
    <al>Nu ten tijde van het nemen van het stadsdeelraadsbesluit voldoende aannemelijk
was, dat minnelijke verwerving vooralsnog niet tot de mogelijkheden behoort,
zijn Wij van oordeel dat de stadsdeelraad teneinde op een redelijk tijdstip
tot de uitvoering van het onderwerpelijke bestemmingsplan te kunnen overgaan,
in beginsel tot onteigening van de desbetreffende percelen heeft kunnen besluiten.
Het minnelijk overleg, dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet aan
de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht alsnog tot
een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.</al>
    <al>Voor de beoordeling van de stelling van de reclamanten dat zij in staat
en bereid zijn zelf tot verwezenlijking van een deel van het bestemmingsplan
over te gaan, dient vooreerst in het algemeen het volgende te worden overwogen.</al>
    <al>In het kader van een voorgenomen onteigening zal moeten zijn aangetoond,
dat zonder de voorgestelde grondverwerving door de gemeente het doel waarvoor
wordt onteigend niet of niet in de door de gemeente gewenste vorm te bereiken
is. Voorts is van belang, dat indien een grondeigenaar bereid en in staat
is zelf de op zijn grond rustende bestemming(en) te verwezenlijken, onteigening
voor dat doel in beginsel niet noodzakelijk is. Dit beginsel kan uitzondering
lijden, indien door de gemeente ter verwezenlijking van de betrokken bestemming(en)
een andere vorm van planuitvoering wordt gewenst dan de eigenaar voor ogen
staat. In een dergelijk geval is onteigening echter slechts dan gerechtvaardigd,
indien is aangetoond dat aan die andere vorm van planuitvoering in het publiek
belang dringend behoefte bestaat. De vorm van planuitvoering welke in het
publieke belang geboden is, staat overigens in eerste aanleg ter beoordeling
van het gemeentebestuur. Of de betrokken grondeigenaren zelf daadwerkelijk
tot planuitvoering zullen (kunnen) overgaan, hangt dan ook in hoofdzaak af
van de vorm van planuitvoering. De potentiële uitvoerders van het bestemmingsplan
zullen met het oog daarop inzicht moeten verkrijgen in de door de gemeente
voorgestane wijze van planuitvoering, hetgeen doorgaans voor een belangrijk
deel uit de toelichting op het bestemmingsplan of uit de bij dat plan behorende
voorschriften al dan niet met de beschrijving in hoofdlijnen blijkt.</al>
    <al>Ten aanzien van het gestelde van de reclamanten in dezen dient in het
bijzonder het volgende te worden overwogen. Uit het ter zake ingestelde onderzoek
is naar voren gekomen en door de reclamanten in het kader van het onderzoek
desgevraagd niet ontkent, dat de bouwplannen zoals de reclamanten deze bij
hun geschrift met bedenkingen hebben gevoegd, anders dan zij in hun geschrift
met bedenkingen hebben gesteld, niet bij de gemeente zijn ingediend. Wel is
door de reclamanten in 1994 een sloopvergunning aangevraagd voor de in het
onderhavige onteigeningsbesluit aangewezen percelen van de reclamanten. De
beslissing op deze sloopaanvraag is aangehouden omdat geen vergunning als
bedoeld in artikel 30 van de Huisvestingswet (woning-onttrekkingsvergunning)
is verleend. Uit het ter zake ingestelde onderzoek is verder gebleken dat
een dergelijke vergunning ook niet is aangevraagd door de reclamanten.</al>
    <al>Ook een bouwaanvraag voor een in de plaats van het te slopen bouwwerk
op te richten bouwwerk, is nimmer bij de gemeente binnengekomen. De gemeente
heeft er bij de reclamanten meerdere malen op aangedrongen, zo is voorts uit
het onderzoek gebleken, om plannen in te dienen.</al>
    <al>Benodigde stukken alsmede een aanvraagformulier zijn hiertoe door de gemeente
ter beschikking gesteld. Ten aanzien van het vorenstaande hebben de reclamanten
in het kader van het horen ingevolge het tweede lid van artikel 86 van de
onteigeningswet gesteld dat de belangrijkste reden waarom zij nog geen bouwplannen
- en ook geen aanvraag hiertoe - bij de gemeente hebben ingediend is dat zij
nog niets hebben kunnen doen vanwege de voorgenomen wijzigingen van het bestemmingsplan.
Uit de toelichting op het onderhavige bestemmingsplan blijkt echter dat het
met betrekking tot de percelen van de reclamanten in het bestemmingsplan ’De
Oude Indische Buurt 1997’ voor wat betreft de bebouwing, vorm en functies
om een conserverende bestemming gaat. Wij overwegen dienaangaande dat - nu
de gemeente in het onderhavige geval de reclamanten hier uitdrukkelijk om
heeft gevraagd - het op de weg van de reclamanten had gelegen om een planuitvoering
aan de gemeente over te leggen. Niet valt in te zien dat de reclamanten de
bouwplannen zoals zij deze bij hun geschrift met bedenkingen hebben gevoegd,
ook niet in eerdere instantie bij de gemeente hebben kunnen indienen. Voorts
zouden de reclamanten jarenlang bezig zijn geweest om de huurovereenkomsten
met de bewoners van de desbetreffende panden te ontbinden, een activiteit
waarbij de reclamanten veel kosten zouden hebben moeten maken. Van de reclamanten
is tenslotte vernomen dat zij bereid zijn tot verkoop mits de gemeente een
redelijke prijs biedt.</al>
    <al>Onder de vorengeschetste omstandigheden en alles overziende zijn Wij van
oordeel, dat weliswaar is gesteld dat de reclamanten bereid en in staat zijn
het bestemmingsplan op de door hun genoemde gronden zelf te realiseren, doch
dat één en ander niet of nauwelijks aannemelijk is gemaakt.
Wij zijn voorts van oordeel, dat voldoende is aangetoond, dat zonder de voorgestelde
grondverwerving door de gemeente het doel waarvoor wordt onteigend niet of
niet in de door de gemeente gewenste vorm te bereiken is.</al>
    <al>Gezien het vorenstaande kunnen de bedenkingen van de reclamanten onder
b. er niet toe leiden, dat aan het onderwerpelijke stadsdeelraadsbesluit geheel
of gedeeltelijk de goedkeuring wordt onthouden. </al>
    <tuskop letat="cur">Overige overwegingen</tuskop>
    <al>Het moet in het belang van de volkshuisvesting en een goede ruimtelijke
ontwikkeling van de gemeente Amsterdam worden geacht, dat zij de eigendom
van bovenbedoelde percelen verkrijgt en er bestaan ook overigens geen termen
aan genoemd raadsbesluit de goedkeuring te onthouden. </al>
    <tuskop letat="vet">Beslissing</tuskop>
    <al>Wij hebben goedgevonden en verstaan:</al>
    <al>vorengenoemd besluit van de stadsdeelraad Zeeburg van de gemeente Amsterdam
goed te keuren.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met het stadsdeelraadsbesluit
in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden
aan de Raad van State.</al>
  </body>
  <backm>
    <ondtek>’s-Gravenhage, 10 april 1999. <nl></nl>Beatrix. <nl></nl><min>De Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</min>J.P.
Pronk.<nl></nl></ondtek>
    <bijlage>
      <tuskop letat="vet">Raadsbesluit</tuskop>
      <al>De Stadsdeelraad van het Stadsdeel Zeeburg:</al>
      <al>gelet op de Verordening op de stadsdelen alsmede op de Onteigeningswet,
met name artikel 77, eerste lid;</al>
      <witreg></witreg>
      <al>gezien de voordracht van het Dagelijks Bestuur van 25 augustus 1998;</al>
      <witreg></witreg>
      <al>overwegende:</al>
      <al>- dat het in verband met de uitvoering van het bestemmingsplan De
Oude Indische Buurt 1997 en de voortgang van de stadsvernieuwing in de Indische
Buurt noodzakelijk is te beschikken over de onroerende zaken in een deel van
het bestemmingsplangebied dat bekend staat als de Borneodriehoek;</al>
      <al>- dat het desbetreffende onteigeningsplan met ingang van 2 april
1998 gedurende een periode van vier weken voor een ieder ter inzage heeft
gelegen;</al>
      <al>- dat gedurende periode van ter visie legging, derhalve tijdig, twee
zienswijzen zijn ingekomen en na die periode, derhalve te laat, één
zienswijze;</al>
      <al>- dat hij zich kan verenigen met de voordracht van het Dagelijks
Bestuur en het daarin gestelde tot het zijne maakt;</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Besluit:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>I aan te wijzen ter onteigening ten name van de Gemeente Amsterdam (stadsdeel
Zeeburg) ingevolge artikel 77, 1<sup>e</sup> lid, onder 1, van de Onteigeningswet,
de onroerende zaken begrepen in het bestemmingsplan De Oude Indische Buurt
1997, gelegen aan de Borneostraat 2 tot en met 6, de Celebesstraat 1 tot en
met 11 en de Delistraat 1 tot en met 3, de Borneostraat 24 tot en met 28 en
de Delistraat 25, de Delistraat 2 tot en met 16, de Celebesstraat 12 tot en
met 19 en de Bankastraat 1 tot en met 5 (de zogenaamde Borneodriehoek), op
de bij dit besluit behorende grondplankaart aangeduid met enkele arcering
en zwarte contour en vermeld in de eveneens bij dit besluit behorende lijst;</al>
      <al>II zich te verenigen met de beoordeling van het Dagelijks Bestuur van
de tijdig ingediende zienswijzen, deze beoordeling en de daaraan ten grondslag
liggende motivering tot de zijne te maken en derhalve deze zienswijzen niet
over te nemen en de aangevoerde bezwaren als ongegrond te beschouwen en voorts
de niet tijdig ingediende zienswijze voor kennisgeving aan te nemen en niet
bij de onder I bedoelde onteigening te betrekken;</al>
      <al>III te bepalen dat:</al>
      <al>a. de vordering tot onteigening ter uitvoering van dit besluit eerst kan
worden ingesteld indien en voor zover het bestemmingsplan De Oude Indische
Buurt 1997 ten aanzien van de in dit besluit bedoelde onroerende zaken onherroepelijk
is goedgekeurd;</al>
      <al>b. dit onteigeningsbesluit vervalt indien en voor zover goedkeuring wordt
onthouden aan delen van het onder a. bedoelde bestemmingsplan, welke betrekking
hebben op de in dit besluit genoemde onroerende zaken;</al>
      <al>IV het Dagelijks Bestuur te machtigen om namens de gemeente Amsterdam
(stadsdeel Zeeburg) te procederen in rechte, voor zover nodig als eisende
zowel als verwerende partij, als bedoeld in artikel 18 van de Onteigeningswet,
zowel in eerste aanleg als in hoger beroep en cassatie met betrekking tot
de onder I bedoelde onteigening.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Voorzitter.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Secretaris.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <plaatje file="stcrt-1999-81-p11-SC18682-1.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <plaatje file="stcrt-1999-81-p11-SC18682-2.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <plaatje file="stcrt-1999-81-p11-SC18682-3.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <witreg></witreg>
      <al>Behoort bij raadsbesluit d.d. 22 september 1998 nr. G/98/7/5.2</al>
    </bijlage>
  </backm>
</stcart>