﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE stcart PUBLIC "-//SDU//DTD staatscourant xml 1.1//NL" "../../dtd/stcrt-11.dtd"[]>
<stcart soort="reg" status="b" publtype="stct">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-1999-252-p18-SC21988/metadata.xml" />
  </metadata>
  <frontm>
    <versie dtd="1.4" conv="prod__0" markup="qa"></versie>
    <artcode>252-1801</artcode>
    <stcgeg>
      <tekst>Uit: Staatscourant 29 december 1999, nr. 252</tekst>
      <dag>Woensdag</dag>
      <datum>29 december 1999</datum>
      <nummer>252</nummer>
    </stcgeg>
    <chapeau>
      <mincodes>LNV</mincodes>
    </chapeau>
    <titel>Subsidieregeling natuurbeheer 2000</titel>
    <bron>
      <datum>20 december 1999</datum>/<kenmerk>Nr. TRCJZ/1999/13144</kenmerk><afd>Directie Juridische Zaken</afd></bron>
  </frontm>
  <body>
    <al>De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,</al>
    <al>Gelet op de Verordening nr. 1257/99 van 17 mei 1999 van de Raad van de
Europese Gemeenschappen inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het
Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot
wijziging en instelling van een aantal verordeningen;</al>
    <al>Gelet op artikel 29, eerste lid, van de Wet agrarisch grondverkeer;</al>
    <al>Gelet op de artikelen 2 en 4 van de Kaderwet LNV-subsidies;</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Besluit: </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 1 Algemeen </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 1</tuskop>
    <al>1. In deze regeling wordt verstaan onder:</al>
    <al>a. <nadruk type="cur">minister:</nadruk> Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;</al>
    <al>b. <nadruk type="cur">bureau:</nadruk> bureau beheer landbouwgronden;</al>
    <al>c. <nadruk type="cur">LASER:</nadruk> Dienst Landelijke service bij regelingen van het
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;</al>
    <al>d. <nadruk type="cur">beheerder:</nadruk> ondernemer, dan wel enige andere natuurlijke
persoon of rechtspersoon die krachtens zakelijk of duurzaam persoonlijk recht
beschikt over het recht tot gebruik en beheer van een terrein, doch voorzover
het een vereniging betreft, slechts een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid;</al>
    <al>e. <nadruk type="cur">ondernemer:</nadruk> ondernemer van een bedrijf waarop de landbouw
wordt uitgeoefend;</al>
    <al>f. <nadruk type="cur">landbouwgrond:</nadruk> grond waarop ten minste vanaf 31 juli 1992
enige vorm van akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, tuinbouw
- daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen
- en elke andere vorm van bodemcultuur hier te lande, met uitzondering van
bosbouw, wordt bedreven, of gronden die uit productie zijn genomen in het
kader van de Beschikking ter zake van het uit productie nemen van bouwland
of de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen;</al>
    <al>g. <nadruk type="cur">basispakket:</nadruk> in één van de bijlagen 12 tot
en met 20 beschreven samenstel van in een terrein voorkomende flora, beheersvoorschriften
of terreinkenmerken;</al>
    <al>h. <nadruk type="cur">pluspakket:</nadruk> in één van de bijlagen 21 tot
en met 41 beschreven samenstel van in een terrein voorkomende flora, beheersvoorschriften,
terreinkenmerken of fauna;</al>
    <al>i. <nadruk type="cur">recreatiepakket:</nadruk> in één van de bijlagen 58
en 59 beschreven samenstel van recreatieve voorzieningen in, en kenmerken
van een terrein;</al>
    <al>j. <nadruk type="cur">landschapspakket:</nadruk> in één van de bijlagen 42
tot en met 56 beschreven samenstel van in een terrein voorkomende landschappelijke
elementen;</al>
    <al>k. <nadruk type="cur">beheerseenheid:</nadruk> aaneengesloten oppervlakte binnen een terrein
waarop een basis-, plus-, recreatie- of landschapspakket ontwikkeld, omgevormd
of in stand gehouden wordt;</al>
    <al>l. <nadruk type="cur">beheerssubsidie:</nadruk> subsidie als bedoeld in artikel 2, aanhef
en onderdeel a;</al>
    <al>m. <nadruk type="cur">recreatiesubsidie:</nadruk> subsidie als bedoeld in artikel 2, aanhef
en onderdeel e;</al>
    <al>n. <nadruk type="cur">inrichtingssubsidie:</nadruk> subsidie als bedoeld in artikel 2,
aanhef en onderdeel c;</al>
    <al>o. <nadruk type="cur">subsidie effectgerichte maatregelen:</nadruk> subsidie als bedoeld
in artikel 2, aanhef en onderdeel d;</al>
    <al>p. <nadruk type="cur">subsidie functieverandering:</nadruk> subsidie als bedoeld in artikel
2, aanhef en onderdeel b;</al>
    <al>q. <nadruk type="cur">landschapssubsidie:</nadruk> subsidie als bedoeld in artikel 2, aanhef
en onderdeel f;</al>
    <al>r. <nadruk type="cur">overgangsbeheerssubsidie:</nadruk> subsidie als bedoeld in hoofdstuk
8 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer;</al>
    <al>s. <nadruk type="cur">natuurgebiedsplan:</nadruk> plan als bedoeld in artikel 13;</al>
    <al>t. <nadruk type="cur">natuurgebied:</nadruk> gebied dat als zodanig is begrensd in een
natuurgebiedsplan;</al>
    <al>u. <nadruk type="cur">ruilgebied:</nadruk> gebied grenzend aan een gebied als bedoeld in
artikel 13, eerste lid, onderdeel f, onderscheidenlijk g, bestaande uit landbouwgronden
die uitsluitend verworven kunnen worden met het oogmerk om te ruilen met landbouwgronden
gelegen in gebieden als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel f, onderscheidenlijk
g;</al>
    <al>v. <nadruk type="cur">quotum:</nadruk> bij een in een natuurgebiedsplan opgenomen basis-
of pluspakket, of groep van basis- of pluspakketten behorend aantal hectares
waarvoor in het desbetreffende natuurgebied ten hoogste beheerssubsidie kan
worden verstrekt, dan wel bij een opgenomen landschapspakket, of groep van
landschapspakketten behorend aantal meters of hectares waarvoor in het desbetreffende
natuurgebied ten hoogste landschapssubsidie kan worden verstrekt;</al>
    <al>w. <nadruk type="cur">terrein:</nadruk> aaneengesloten gebied, geheel of ten dele bestaande
uit bos, natuurterrein, landbouwgrond of water, van welk gebied ten hoogste
1% bestaat uit bebouwing en dat niet wordt doorsneden door wegen, breder
dan 5 meter, waterlopen die op enig punt breder zijn dan 25 meter, of een
andere dan een enkelsporige, niet-geëlectrificeerde, spoorlijn;</al>
    <al>x. <nadruk type="cur">historische buitenplaats:</nadruk> een in oorsprong versterkt huis,
een kasteel, buitenhuis of landhuis, eventueel met bijgebouwen en omgeven
door een tuin of park waarvan de eerste aanleg dateert van voor 1850 en welke
aanleg nog herkenbaar is;</al>
    <al>y. <nadruk type="cur">tijdvak:</nadruk> aaneengesloten periode van zes jaar;</al>
    <al>z. <nadruk type="cur">beheersbijdrage:</nadruk> onderscheidenlijk bedrag als bedoeld in
de bijlagen 12 tot en met 56, 58 en 59;</al>
    <al>aa. <nadruk type="cur">basisbijdrage:</nadruk> onderscheidenlijk bedrag als bedoeld in
de bijlagen 21 tot en met 41.</al>
    <al>ab. <nadruk type="cur">natuurresultaat basis:</nadruk> in één van de bijlagen
21 tot en met 41 beschreven samenstel van in een terrein voorkomende flora,
beheersvoorschriften of terreinkenmerken;</al>
    <al>ac. <nadruk type="cur">GVE:</nadruk> grootvee-eenheden, berekend door omrekening aan de
hand van de tabel van Verordening (EEG) nr. 2078/92, betreffende landbouwproduktiemethoden
die verenigbaar zijn met de eisen inzake milieubescherming, en betreffende
natuurbeheer (Pb EG 1992, L 215).</al>
    <al>2. Voor de toepassing van deze regeling wordt onder ’terrein’
mede verstaan: samenstel van terreinen dat door de beheerder als een geheel
wordt beheerd. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 2</tuskop>
    <al>De minister kan aan beheerders en aan anderen dan beheerders als bedoeld
in artikel 5 en 6 ter bevordering van de duurzame ontwikkeling en instandhouding
van bossen en natuurterreinen, mede met het oog op de recreatieve functie
daarvan, wegens inkomstenderving als gevolg van het verminderde productierendement
van landbouwgronden, alsmede ter bevordering van de duurzame instandhouding
van landschappelijke elementen op aanvraag subsidie verstrekken ten behoeve
van:</al>
    <al>a. de instandhouding van basis- of pluspakketten, opgenomen in de bijlagen
12 tot en met 41;</al>
    <al>b. de functieverandering van landbouwgronden naar natuur en bos door de
ontwikkeling van basis- of pluspakketten.</al>
    <al>c. de ontwikkeling en omvorming van basis- of pluspakketten, onderscheidenlijk
de aanleg of het herstel van landschapspakketten, door middel van maatregelen
met een eenmalig karakter, die rechtstreeks en direct de fysieke condities
of kenmerken van de desbetreffende terreinen wijzigen, of door middel van
beheer, zonder welke wijzigingen en beheer de daarop volgende instandhouding
van basis- of pluspakketten, onderscheidenlijk landschapspakketten, niet mogelijk
is;</al>
    <al>d. het door middel van maatregelen verminderen of ongedaan maken van effecten
van verzuring, vermesting en verdroging, zonder welke maatregelen de instandhouding
van basis- of pluspakketten in het geding zou komen;</al>
    <al>e. de instandhouding van recreatiepakketten, opgenomen in de bijlagen
58 en 59;</al>
    <al>f. de instandhouding van landschapspakketten, opgenomen in de bijlagen
42 tot en met 56. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 3</tuskop>
    <al>1. Subsidie wordt niet verstrekt aan:</al>
    <al>a. andere publiekrechtelijke rechtspersonen dan aan gemeenten en aan samenwerkingsverbanden
als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen voorzover aan die samenwerkingsverbanden
in meerderheid gemeenten deelnemen;</al>
    <al>b. rechtspersonen die als doelstelling de winning van drink- of industriewater
hebben, noch</al>
    <al>c. privaatrechtelijke rechtspersonen die kennelijk zijn opgericht ten
behoeve van het beheer van grond of water, waarvan de eigendom geheel of ten
dele berust bij de in de onderdelen a en b bedoelde rechtspersonen.</al>
    <al>2. Aan gemeenten of samenwerkingsverbanden als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, kan subsidie worden verstrekt overeenkomstig de hoofdstukken
4, 6 en 9, met dien verstande dat het desbetreffende terrein overeenkomstig
zijn functie in een goedgekeurd bestemmingsplan is bestemd en gedurende het
tijdvak waarvoor subsidie is verleend, deze bestemming niet wordt gewijzigd
en dat de beschikking tot subsidieverlening vergezeld gaat van een overeenkomst
ertoe strekkende dat alvorens een recht tot gebruik en beheer van het terrein
gedurende de periode waarover subsidie wordt verleend aan anderen wordt aangeboden,
het bureau als eerste in de gelegenheid wordt gesteld dit recht te verwerven.</al>
    <al>3. Aan instellingen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen b
tot en met m, van de Regeling subsidies particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties,
kan subsidie worden verstrekt met dien verstande dat de beheerssubsidie aan
deze rechtspersonen een nader door de minister te bepalen percentage bedraagt
van het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van hoofdstuk 4.</al>
    <al>4. Bij het bepalen van het percentage, bedoeld in het derde lid, kan de
minister een verschillend percentage vaststellen voor de verschillende instellingen,
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen b tot en met m, van de Regeling
subsidies particuliere terreinbeherende organisaties. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 4</tuskop>
    <al>Voorzover voor dezelfde of vergelijkbare doeleinden eveneens subsidie
wordt verstrekt door andere overheidsorganen en hierdoor het totaal van de
overheidsbijdrage meer bedraagt dan de desbetreffende beheersbijdrage opgenomen
in de desbetreffende bijlage dan wel, voorzover het inrichtingssubsidie of
subsidie effectgerichte maatregelen betreft, meer bedraagt dan 95%
van de werkelijke kosten, wordt de subsidie op grond van deze regeling zoveel
lager vastgesteld dat het totaal van de overheidsbijdragen die beheersbijdrage,
onderscheidenlijk die 95%, niet overstijgt. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 5</tuskop>
    <al>Subsidie aan anderen dan beheerders kan worden verstrekt indien op het
tijdstip van indiening van de subsidieaanvraag:</al>
    <al>a. tussen de beheerder en de subsidieaanvrager een schriftelijke overeenkomst
tot stand is gekomen, bij welke overeenkomst:</al>
    <al>1° de subsidieaanvrager het recht op uitbetaling van subsidies en
voorschotten uit hoofde van deze regeling, betrekking hebbend op het desbetreffende
terrein, bij voorbaat aan de beheerder overdraagt, en</al>
    <al>2° de beheerder zich bij voorbaat verbindt tot de nakoming van de
verplichtingen waartoe de subsidieaanvrager uit hoofde van deze regeling met
betrekking tot het desbetreffende terrein gehouden is, zolang de beheerder
beschikt over het recht tot gebruik en beheer van het desbetreffende terrein,
alsmede zich verbindt, bij overdracht van het desbetreffende gebruiksrecht
aan een ander dan het bureau, van de verkrijger daarvan te bedingen dat deze,
vanaf het moment van verkrijging, de in deze volzin bedoelde verplichtingen
zal nakomen en zulks ook van zijn rechtsopvolger zal bedingen, en</al>
    <al>b. de beheerder jegens de Staat der Nederlanden schriftelijk heeft verklaard
borg te staan voor de terugbetaling van onverschuldigd betaalde subsidies
en voorschotten. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 6</tuskop>
    <al>1. Subsidie aan anderen dan beheerders kan worden verstrekt indien:</al>
    <al>a. die subsidieaanvrager rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid
is;</al>
    <al>b. die rechtspersoon hoofdzakelijk of mede ten doel heeft haar leden of
aangeslotenen te ondersteunen bij een bedrijfsvoering die bevorderlijk is
voor natuur en milieu, en</al>
    <al>c. de leden of aangeslotenen, bedoeld in onderdeel b, beheerder zijn,
voorzover die worden ondersteund.</al>
    <al>2. Subsidie aan aanvragers, als bedoeld in het eerste lid, kan voorts
slechts worden verstrekt indien bij de subsidieaanvraag door de rechtspersoon
wordt overgelegd:</al>
    <al>a. een plan waaruit blijkt:</al>
    <al>i. op welke wijze de subsidie door de rechtspersoon zal worden besteed;</al>
    <al>ii. op welke wijze de besteding van de subsidie ter beschikking komt van
de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde leden of aangeslotenen;</al>
    <al>iii. in hoeverre de besteding van de subsidie ter beschikking komt van
ondernemers;</al>
    <al>iv. op welke wijze de nakoming van de subsidieverplichtingen door de rechtspersoon
wordt gewaarborgd.</al>
    <al>b. een reglement waaruit blijkt dat de rechtspersoon jegens leden of aangeslotenen
de nakoming van verplichtingen uit hoofde van ter beschikking gestelde gelden
kan afdwingen onderscheidenlijk niet-nakoming daarvan kan sanctioneren.</al>
    <al>3. Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen, behoeven de statuten
van de subsidieaanvrager, bedoeld in het eerste lid, alsmede het plan, bedoeld
in het tweede lid, onderdeel a, en het reglement, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel b, de goedkeuring van de minister. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 7</tuskop>
    <al>1. De minister stelt voor ieder begrotingsjaar een subsidieplafond vast
voor de te verstrekken subsidies, bedoeld in artikel 2. Hij kan daarbij voor
de in dat artikel onderscheiden subsidies, voor de verschillende maatregelen,
bedoeld in artikel 2, onderdelen c en d, alsmede per provincie en voor de
verschillende pakketten verschillende subsidieplafonds vaststellen.</al>
    <al>2. De minister stelt tevens voor ieder begrotingsjaar met inachtneming
van de subsidieplafonds, bedoeld in het eerste lid, afzonderlijk subsidieplafonds
vast voor subsidie die wordt verstrekt ten behoeve van terreinen waarop de
in het natuurgebiedsplan opgenomen doelstellingen, als bedoeld in artikel
13, eerste lid, onderdeel b, worden ontwikkeld, onderscheidenlijk in stand
gehouden en waarvoor eveneens subsidie functieverandering wordt verstrekt.
De minister houdt daarbij rekening met alle reeds aangegane verplichtingen.</al>
    <al>3. Van de vaststelling van subsidieplafonds geeft de minister kennis in
de Staatscourant.</al>
    <al>4. De minister verdeelt de beschikbare bedragen naar de datum van ontvangst
van de subsidieaanvragen.</al>
    <al>5. De minister kan voor de verschillende subsidies en voor de verschillende
basis-, plus-, landschaps- en recreatiepakketten verschillende aanvraagperioden
instellen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 8</tuskop>
    <al>1. De beheers- en basisbijdragen worden jaarlijks voor 1 januari van het
jaar waarop de bijdragen betrekking hebben door de minister gecorrigeerd voor
inflatie op basis van het consumentenprijsindexcijfer alle huishoudens zoals
laatstelijk in het voorafgaande jaar gepubliceerd door het Centraal Bureau
voor de Statistiek.</al>
    <al>2. Van de vaststelling van de geïndexeerde beheers- en basisbijdragen
geeft de minister kennis in de Staatscourant. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 9</tuskop>
    <al>Indien beheerssubsidie, onderscheidenlijk inrichtingssubsidie, wordt aangevraagd
door een beheerder aan wie, voorafgaand aan de aanvraag, reeds subsidie functieverandering,
en beheerssubsidie, onderscheidenlijk inrichtingssubsidie, op grond van deze
regeling is verstrekt, wordt beheerssubsidie, onderscheidenlijk inrichtingssubsidie,
bij voorrang verstrekt, indien hij:</al>
    <al>a. beheerssubsidie, onderscheidenlijk inrichtingssubsidie, aanvraagt voor
een basis- of pluspakket dat is opgenomen in het natuurgebiedsplan;</al>
    <al>b. beheerssubsidie, onderscheidenlijk inrichtingssubsidie, aanvraagt ten
behoeve van een terrein dat niet is gelegen in een natuurgebied voor een basis-
of pluspakket opgenomen in de bijlagen 20, 37 en 38;</al>
    <al>c. de ontwikkeling van een in het natuurgebiedsplan opgenomen basis- of
pluspakket mogelijk maakt. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 10</tuskop>
    <al>Bij het vaststellen van de beheersbijdrage of basisbijdrage van een bijzonder
basis- of pluspakket als bedoeld in artikel 15 wordt rekening gehouden met
de volgende grondslagen:</al>
    <al>a. vorm van exploitatie;</al>
    <al>b. aan het beheer gerelateerde overheadkosten en</al>
    <al>c. direct aan het beheer toe te rekenen kosten, zoals kosten voor personeel,
materieel, monitoring en toezicht, verminderd met opbrengsten die direct met
het produceren van het pakket verband houden. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 11</tuskop>
    <al>1. Subsidie wordt niet verstrekt aan beheerders ter voldoening aan verplichtingen
die op grond van enig ander wettelijk voorschrift zijn voorgeschreven.</al>
    <al>2. Subsidie wordt niet verstrekt indien de subsidie minder dan fl.100,-
per jaar bedraagt. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 12</tuskop>
    <al>De minister kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot het aantal
van een planten- en diersoort, bedoeld in de onderscheidene basis-, plus-
en landschapspakketten per oppervlaktemaat en de spreiding van de betreffende
soort binnen de beheerseenheid, onderscheidenlijk de oppervlaktemaat. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 2 Begrenzing van natuur- en ruilgebieden </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 13</tuskop>
    <al>1. Ten behoeve van de uitvoering van deze regeling worden natuurgebieden
begrensd met de vaststelling van natuurgebiedsplannen, die in ieder geval
bevatten:</al>
    <al>a. een kaart met een topografische ondergrond op ten hoogste schaal 1
: 25.000, waarin de grenzen van het natuurgebied zijn opgenomen;</al>
    <al>b. een omschrijving van de in het natuurgebied nagestreefde doelstellingen
op het gebied van natuur en bos;</al>
    <al>c. de in het desbetreffende natuurgebied om te vormen of te ontwikkelen
basis- of pluspakketten en de bij de onderscheiden basis- of pluspakketten
behorende quota;</al>
    <al>d. de in het desbetreffende natuurgebied aan te leggen, te herstellen
of in stand te houden landschapspakketten en de bij de onderscheiden landschapspakketten
behorende quota;</al>
    <al>e. het aantal hectares ten behoeve waarvan in het natuurgebied overgangsbeheersubsidie
kan worden verleend op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer;</al>
    <al>f. een aanduiding waar verwerving van in het natuurgebied gelegen landbouwgronden
of andere gronden met het oog op natuurontwikkeling, ten behoeve van een instelling
als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Regeling subsidies particuliere
terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties, dan wel ten behoeve van Staatsbosbeheer
niet uitsluitend wordt nagestreefd, en</al>
    <al>g. een aanduiding waar verwerving van in het natuurgebied gelegen landbouwgronden
of andere gronden met het oog op natuurontwikkeling, uitsluitend wordt nagestreefd
ten behoeve van een instelling als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de
Regeling subsidies particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties
of ten behoeve van Staatsbosbeheer dan wel ten behoeve van een instelling
als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van die regeling, doch ten aanzien van
deze laatstbedoelde instellingen slechts voorzover die gronden zijn gelegen
in een door de minister goedgekeurd begrenzingenplan als bedoeld in het derde
lid van dat artikel.</al>
    <al>2. Bij een aanduiding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, kan
worden vastgesteld in welke mate subsidies als bedoeld in artikel 2 ten behoeve
van de ontwikkeling of omvorming van basis- of pluspakketten slechts aan instellingen
als bedoeld in die onderdelen kunnen worden verstrekt.</al>
    <al>3. In het natuurgebiedsplan kan een ruilgebied worden begrensd waarvan
de grenzen op de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde kaart zijn opgenomen.</al>
    <al>4. Indien bij de vaststelling van de natuurgebiedsplannen niet met zekerheid
bepaald kan worden dat de toepassing van de in het eerste lid, onderdelen
c en d, bedoelde basis- of pluspakketten onderscheidenlijk landschapspakketten
op alle locaties van het betreffende natuurgebied daadwerkelijk bijdraagt
aan het bereiken van de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde doelstellingen,
wordt in het natuurgebiedsplan tevens opgenomen in hoeverre de toepassing
de bedoelde basis-of pluspakketten onderscheidenlijk landschapspakketten bij
de besluitvorming omtrent subsidieverlening nader getoetst kan worden. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 14</tuskop>
    <al>1. Natuurgebiedsplannen worden vastgesteld en gewijzigd bij besluit van
gedeputeerde staten van de provincie waarin het desbetreffende gebied is gelegen.</al>
    <al>2. Indien het desbetreffende gebied is gelegen op het grondgebied van
twee of meer provincies, wordt het desbetreffende plan vastgesteld of gewijzigd
door gedeputeerde staten van die provincies. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 15</tuskop>
    <al>1. Gedeputeerde staten van een provincie kunnen besluiten, niet dan na
goedkeuring door de minister, bijzondere basis- of pluspakketten in een natuurgebiedsplan
op te nemen die in het desbetreffende gebied kunnen worden ontwikkeld, omgevormd,
onderscheidenlijk in stand gehouden.</al>
    <al>2. De beheersbijdrage voor het basis- of pluspakket, bedoeld in het eerste
lid, wordt bepaald met inachtneming van de grondslagen, bedoeld in artikel
10. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 16</tuskop>
    <al>De minister kan aan gedeputeerde staten per basis-, plus- of recreatiepakket
of groep van basis-, plus- of recreatiepakketten richtlijnen en aanwijzingen
geven ten aanzien van het aantal hectares waarop het totaal van de natuurgebiedsplannen
in een provincie betrekking kan hebben. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 17</tuskop>
    <al>Vaststelling of wijziging van natuurgebiedsplannen geschiedt met inachtneming
van het Structuurschema groene ruimte, het Natuurbeleidsplan bedoeld in de
Natuurbeschermingswet en door de minister overeenkomstig artikel 16 gegeven
richtlijnen en aanwijzingen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 18</tuskop>
    <al>Op de voorbereiding van een besluit tot vaststelling of wijziging van
een natuurgebiedsplan is de in afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht
geregelde procedure van toepassing. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 3 Aanvragen van subsidie </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 19</tuskop>
    <al>1. Aanvragen tot subsidieverlening uit hoofde van deze regeling worden
ingediend bij de directeur van LASER met gebruikmaking van een daartoe bestemd
aanvraagformulier dat verkrijgbaar is bij de directeur van LASER.</al>
    <al>2. In de aanvraag tot subsidieverlening wordt in ieder geval aangegeven:</al>
    <al>a. welk basis-, plus-, landschaps- of recreatiepakket, onderscheidenlijk
welke basis-, plus-, landschaps- of recreatiepakketten, de aanvraag betreft;</al>
    <al>b. of er sprake is van inrichtingssubsidie;</al>
    <al>c. of er sprake is van subsidie functieverandering;</al>
    <al>d. of er sprake is van subsidie effectgerichte maatregelen;</al>
    <al>e. of er sprake is van landschapssubsidie;</al>
    <al>f. of de aanvraag wordt ingediend door een ondernemer;</al>
    <al>g. of de subsidieaanvrager beheerder is, en</al>
    <al>h. de mate waarin, waar en de wijze waarop het terrein voor het publiek
toegankelijk wordt gesteld.</al>
    <al>3. Indien de subsidieaanvrager niet krachtens zakelijk of duurzaam persoonlijk
recht beschikt over een recht tot gebruik en beheer van het terrein waarop
de subsidieaanvraag betrekking heeft, wordt in de aanvraag tevens vermeld
of het gebruiksrecht daarvan berust bij een ondernemer, behoudens in het geval
de aanvrager een rechtspersoon is als bedoeld in artikel 6.</al>
    <al>4. Aanvragen worden onderscheiden naar provincies waarin het desbetreffende
terrein of het grootste deel daarvan is gelegen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 20</tuskop>
    <al>1. De aanvraag tot subsidieverlening gaat in ieder geval vergezeld van één
of meer topografische kaarten met een schaal van 1:10.000 waarop de grenzen
van het voor subsidie in aanmerking gebrachte terrein is aangegeven, de in
dat terrein gelegen wegen, vaarwegen, waterlopen en paden, alsmede waar de
borden, bedoeld in artikel 30, zijn geplaatst.</al>
    <al>2. Indien de aanvraag betrekking heeft op meerdere basis-, plus-, landschaps-
of recreatiepakketten binnen een terrein worden op de topografische kaart,
bedoeld in het eerste lid, tevens de grenzen aangegeven waar de verschillende
basis-, plus-, landschaps- of recreatiepakketten waarvoor subsidie wordt aangevraagd,
zullen worden in stand gehouden.</al>
    <al>3. Indien subsidie wordt aangevraagd door een aanvrager als bedoeld in
artikel 19, derde lid, gaat de aanvraag tot subsidieverlening tevens vergezeld
van de met betrekking tot het desbetreffende terrein tot stand gekomen overeenkomst,
bedoeld in artikel 5, onderdeel a, alsmede van de met betrekking tot die grond
of dat water opgestelde verklaring, bedoeld in artikel 5, onderdeel b.</al>
    <al>4. Indien subsidie wordt aangevraagd door een aanvrager als bedoeld in
artikel 6, gaat de aanvraag vergezeld van de documenten, bedoeld in artikel
6, derde lid.</al>
    <al>5. Indien inrichtingssubsidie, onderscheidenlijk subsidie functieverandering,
wordt aangevraagd door een beperkt gerechtigde, gaat de aanvraag tot subsidieverlening
tevens vergezeld van de met betrekking tot het desbetreffende terrein opgestelde
verklaring, bedoeld in artikel 53, onderscheidenlijk artikel 41, tweede lid.</al>
    <al>6. Indien beheerssubsidie wordt aangevraagd door een natuurlijk persoon
of rechtspersoon die beschikt over het recht tot gebruik en beheer van een
terrein krachtens een pachtovereenkomst als bedoeld in Hoofdstuk 2, paragraaf
3, van de Pachtwet, dan wel krachtens een pachtovereenkomst als bedoeld in
Hoofdstuk 2, paragraaf 4, van de Pachtwet voorzover in deze overeenkomst verplichtingen
in verband met natuurbeheer zijn opgenomen, dan wel krachtens een pachtovereenkomst
als bedoeld in artikel 5, tiende lid, van de Pachtwet, gaat de aanvraag voor
subsidie vergezeld van een verklaring van de verpachter dat deze geen bezwaar
heeft tegen subsidieverlening. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 21</tuskop>
    <al>Indien er met betrekking tot een terrein meer beheerders zijn, kan door
hen gezamenlijk een aanvraag worden ingediend, welke aanvraag, onverminderd
de artikelen 19 en 20, vergezeld gaat van een tussen hen gesloten overeenkomst
waaruit blijkt dat zij genoegzaam en duurzaam samenwerken inzake het beheer
van dat terrein. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 22</tuskop>
    <al>Voor het omvormingspakket opgenomen in bijlage 37 kan voor ten hoogste
drie aaneengesloten tijdvakken beheerssubsidie worden verstrekt. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 23</tuskop>
    <al>Subsidie wordt niet verstrekt aan een beheerder:</al>
    <al>a. indien in de twee jaar voorafgaande aan de aanvraag voor subsidieverlening
een verzoek tot intrekking van een subsidieverlening voor de desbetreffende
beheerseenheid door de beheerder is ingediend en dit verzoek is gehonoreerd;</al>
    <al>b. indien in de twee jaar voorafgaande aan de aanvraag voor subsidieverlening
een op grond van deze regeling verleende beheerssubsidie voor de desbetreffende
beheerseenheid is vastgesteld overeenkomstig artikel 38, eerste lid, onderdeel
a, onderscheidenlijk, tweede lid, onderdeel c, sub 1. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 4 Beheerssubsidie </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Paragraaf 1 Algemene bepalingen </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 24</tuskop>
    <al>Beheerssubsidie wordt verstrekt voor een tijdvak. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 25</tuskop>
    <al>1. Per terrein kan voor één of meerdere basis- of pluspakketten
opgenomen in de bijlagen 12 tot en met 41 beheerssubsidie worden verleend,
met dien verstande dat in het terrein niet meerdere basis- of pluspakketten
op dezelfde oppervlakte kunnen worden in stand gehouden.</al>
    <al>2. Onverminderd het eerste lid, kunnen de landschapspakketten opgenomen
in de bijlagen 46, 48 tot en met 50, 52, 54 en 56 op dezelfde oppervlakte
worden in stand gehouden als de basis- of pluspakketten opgenomen in de bijlagen
12 tot en met 41. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 26</tuskop>
    <al>Beheerssubsidie ten behoeve van een terrein wordt verstrekt met het oog
op de instandhouding van een of meerdere basis- of pluspakketten die op het
tijdstip van indiening van de aanvraag voor beheerssubsidie op het terrein
zijn ontwikkeld. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 27</tuskop>
    <al>Beheerssubsidie wordt niet verstrekt:</al>
    <al>a. voor de instandhouding van een basis- of pluspakket op een terrein
waarvan de oppervlakte niet ten minste overeenkomt met het aantal hectares
dat is opgenomen als minimumoppervlakte in de bijlage waarin het desbetreffende
basis- of pluspakket is vermeld;</al>
    <al>b. ten behoeve van terreinen waarop verplichtingen van toepassing zijn
op grond van de Beschikking ter zake van het uit productie nemen van bouwland. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 28</tuskop>
    <al>Beheerssubsidie wordt niet verstrekt indien voor de desbetreffende beheerseenheid
voor de instandhouding van een basis- of pluspakket bijdragen worden genoten
van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 6 of door tussenkomst van een
subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 5. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 29</tuskop>
    <al>1. Indien op het terrein een basis- of pluspakket in stand wordt gehouden,
bedraagt de beheerssubsidie per tijdvak het bedrag dat wordt gevormd door
de vermenigvuldiging van de beheersbijdrage opgenomen in de bijlage van het
desbetreffende basis- of pluspakket met het getal zes en het aantal hectares
waarvoor beheerssubsidie wordt verleend.</al>
    <al>2. Indien op het terrein meerdere basis- of pluspakketten in stand worden
gehouden, bedraagt de beheerssubsidie per tijdvak de som van de beheersbijdragen
die worden gevormd door de vermenigvuldiging van de beheersbijdragen opgenomen
in de bijlagen van elk van de onderscheiden basis- of pluspakketten met het
getal zes en het aantal hectares per basis- of pluspakket waarvoor beheerssubsidie
wordt verleend. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 30</tuskop>
    <al>1. Beheerssubsidie wordt verleend voor een tijdvak per hectare:</al>
    <al>a. overeenkomstig het bedrag dat is berekend overeenkomstig artikel 29,
eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, verhoogd met fl. 20,- per hectare
per jaar, voorzover het terrein gedurende ten minste 358 dagen per jaar tussen
zonsopgang en zonsondergang kosteloos voor het publiek wordt opengesteld op
bestaande wegen, vaarwegen en paden, en mits de openstelling door middel van
bebording aan de openbare weg duidelijk en waarneembaar is aangegeven en het
terrein vanaf de openbare weg bereikbaar is, dan wel via een aangrenzend opengesteld
terrein, met dien verstande dat die verhoging niet wordt verstrekt aan beheerders
aan wie ten behoeve van de verwerving van het desbetreffende terrein subsidie
is verstrekt en aan gemeenten en samenwerkingsverbanden als bedoeld in de
Wet gemeenschappelijke regelingen voorzover aan die samenwerkingsverbanden
in meerderheid gemeenten deelnemen;</al>
    <al>b. overeenkomstig het bedrag dat is berekend overeenkomstig artikel 29,
eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid:</al>
    <al>1° voorzover het terrein niet gedurende ten minste 358 dagen per jaar
tussen zonsopgang en zonsondergang kosteloos voor het publiek op bestaande
wegen, vaarwegen en paden wordt opengesteld, doch wel ten minste gedurende
8 maanden per jaar, waaronder zijn begrepen de maanden mei, juni, juli en
augustus, en mits de openstelling door middel van bebording aan de openbare
weg duidelijk en waarneembaar is aangegeven en het terrein vanaf de openbare
weg bereikbaar is;</al>
    <al>2° voorzover het terrein niet bereikbaar is vanaf de openbare weg,
dan wel via een aangrenzend opengesteld terrein;</al>
    <al>3° voorzover het terrein wel bereikbaar is vanaf de openbare weg,
maar niet toegankelijk is en het terrein geen wegen, vaarwegen en paden heeft.</al>
    <al>c. voor 10% van het bedrag dat is berekend overeenkomstig artikel
29, eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, voorzover het terrein voor het
publiek minder of anderszins dan bedoeld in onderdeel a of onderdeel b, sub
1, wordt opengesteld.</al>
    <al>2. Voorzover een terrein niet voor het publiek is opengesteld op grond
van, naar het oordeel van de minister, zwaarwegende natuurwetenschappelijke
overwegingen, wordt de beheerssubsidie voor het desbetreffende deel van het
terrein per hectare, in afwijking van het eerste lid, verleend voor het bedrag
dat is berekend overeenkomstig artikel 29, eerste lid, onderscheidenlijk tweede
lid.</al>
    <al>3. Voorzover het betreft terreinen groter dan 5 hectare, dan wel historische
buitenplaatsen voorzover zij naar hun aard geschikt zijn voor openstelling,
wordt voor de berekening van de subsidie geen acht geslagen op ter bescherming
van de persoonlijke levenssfeer van de bewoners in redelijkheid afgesloten
delen van het terrein voorzover bestaande uit rond huizen en boerderijen gelegen
sier- en moestuinen, erven en boomgaarden.</al>
    <al>4. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dat als verhoging
van de beheerssubsidie voor de openstelling wordt verleend, wordt jaarlijks
voor 1 januari van het jaar waarop de verhoging betrekking heeft door de minister
gecorrigeerd voor inflatie op basis van het consumentenprijsindexcijfer alle
huishoudens zoals laatstelijk in het voorafgaande jaar gepubliceerd door het
Centraal Bureau voor de Statistiek.</al>
    <al>5. Van de vaststelling van de geïndexeerde verhoging geeft de minister
kennis in de Staatscourant. </al>
    <tuskop letat="cur">Paragraaf 2 De subsidieverlening </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 31</tuskop>
    <al>Indien beheerssubsidie wordt verleend voor de instandhouding van een of
meerdere basis-of pluspakketten op een terrein, vermeldt de beschikking tot
subsidieverlening in ieder geval:</al>
    <al>a. de ligging en grootte van het terrein;</al>
    <al>b. het doel, onderscheidenlijk de doelen, van de beheerssubsidie, bestaande
uit het gedurende het tijdvak in stand houden van het natuurresultaat beschreven
in onderdeel 1 van het desbetreffende basis-of pluspakket, onderscheidenlijk
de desbetreffende basis-of pluspakketten;</al>
    <al>c. de mate waarin het terrein dient te worden opengesteld voor publiek;</al>
    <al>d. de datum waarop het tijdvak waarover beheerssubsidie wordt verleend,
aanvangt, en</al>
    <al>e. de beheersbijdrage, onderscheidenlijk de beheersbijdragen, en de berekening
op basis waarvan het bedrag van de beheerssubsidie zal worden vastgesteld. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 32</tuskop>
    <al>De datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel d, waarop het tijdvak waarover
beheerssubsidie wordt verleend aanvangt, kan uitsluitend de eerste dag van
de onderscheiden maanden zijn. </al>
    <tuskop letat="cur">Paragraaf 3 Voorwaarden en verplichtingen </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 33</tuskop>
    <al>1. De subsidieontvanger is verplicht:</al>
    <al>a. het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde doel onderscheidenlijk
doelen, bedoeld in artikel 31, onderdeel b, te realiseren;</al>
    <al>b. de in het betreffende basis-of pluspakket, onderscheidenlijk betreffende
basis-of pluspakketten,opgenomen beheersvoorschriften te treffen of na te
leven die zijn vermeld in de bijlage waarin dat basis-of pluspakket is, onderscheidenlijk
die basisof pluspakketten zijn opgenomen;</al>
    <al>c. het terrein voor publiek open te stellen en toegankelijk te houden
overeenkomstig hetgeen terzake in de beschikking tot verlening van beheerssubsidie
is opgenomen;</al>
    <al>d. het terrein niet te bemesten;</al>
    <al>e. de bestaande waterhuishouding van het terrein te handhaven;</al>
    <al>f. het reliëf van het terrein te handhaven;</al>
    <al>g. geen chemische onkruidbestrijding toe te passen;</al>
    <al>h. in geval van beweiding of begrazing geen hogere veebezetting toe te
passen dan 1,5 GVE op enig moment per hectare;</al>
    <al>i. in het terrein aanwezige paden, wegen, vaarwegen en waterlopen niet
te verwijderen of te wijzigen en deze voldoende toegankelijk te houden;</al>
    <al>j. van omstandigheden als gevolg waarvan het redelijkerwijs niet mogelijk
is te voldoen aan de verplichting, bedoeld in de onderdelen a of b binnen
twee weken nadat de subsidieontvanger daarvan redelijkerwijs op de hoogte
kan zijn aan de directeur van LASER schriftelijk melding te doen, en</al>
    <al>k. uiterlijk vier weken voordat gehele of gedeeltelijke overdracht van
de bevoegdheid tot gebruik en beheer van het betrokken terrein plaatsvindt,
van het voornemen daartoe aan de directeur van LASER schriftelijk melding
te doen.</al>
    <al>2. De verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen d tot en met
i, gelden voor de periode waarover beheerssubsidie is verleend, met dien verstande
dat zij niet gelden voorzover dit in de beschikking tot verlening van beheerssubsidie
of van subsidie effectgerichte maatregelen, dan wel in het basis- of pluspakket
anders is bepaald. </al>
    <tuskop letat="cur">Paragraaf 4 Voorschotten </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 34</tuskop>
    <al>1. De minister verstrekt na afloop van het eerste jaar van het tijdvak
een voorschot en vervolgens telkens ten minste een jaar later, tenzij de beheerder
in het jaar voorafgaande aan de verstrekking van het voorschot niet heeft
voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 33, onderdelen b tot en
met k, of enig ander voorschrift in de beschikking tot subsidieverlening niet
heeft nageleefd.</al>
    <al>2. Per terrein kunnen per tijdvak ten hoogste vijf voorschotten worden
verstrekt.</al>
    <al>3. Een voorschot bedraagt de beheersbijdrage van elk van de basis- of
pluspakketten waarvoor ten behoeve van het desbetreffende terrein voor dat
tijdvak subsidie wordt verleend, alsmede, voorzover van toepassing, de toeslag,
bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel a. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 35</tuskop>
    <al>1. Indien op grond van artikel 34, eerste lid, in enig jaar van het tijdvak
geen voorschot is verstrekt door de minister, kan de beheerder een jaar na
het niet verstrekken van het voorschot een aanvraag voor verstrekking van
een voorschot indienen.</al>
    <al>2. In de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval een
verklaring opgenomen van de beheerder dat de voorschriften in de desbetreffende
beschikking tot subsidieverlening worden nageleefd.</al>
    <al>3. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend bij de directeur
van LASER. </al>
    <tuskop letat="cur">Paragraaf 5 Subsidievaststelling </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 36</tuskop>
    <al>1. Telkens binnen 8 weken na afloop van een tijdvak dient de ontvanger
van beheerssubsidie voor het desbetreffende terrein een aanvraag tot subsidievaststelling
over dat tijdvak in bij de directeur van LASER met gebruikmaking van een daartoe
bestemd aanvraagformulier dat verkrijgbaar is bij de directeur van LASER.</al>
    <al>2. Een subsidieontvanger als bedoeld in artikel 6, doet bij de aanvraag
bedoeld in het eerste lid een opgave van:</al>
    <al>a. de ondernemers aan wie door hem bijdragen zijn toegekend;</al>
    <al>b. de activiteiten van die ondernemers waarvoor de bijdragen zijn toegekend
en</al>
    <al>c. de bedragen, per ondernemer, die zijn toegekend.</al>
    <al>3. De ontvanger van beheerssubsidie geeft in de aanvraag aan in hoeverre
het doel, bedoeld in artikel 31, onderdeel b, is gerealiseerd. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 37</tuskop>
    <al>1. De minister stelt na ontvangst van de in artikel 36 bedoelde aanvraag
de beheerssubsidie telkens vast binnen 8 weken, tenzij voor de beoordeling
van de aanvraag een langere termijn dan 8 weken noodzakelijk is.</al>
    <al>2. De beheerssubsidie wordt vastgesteld overeenkomstig het bedrag dat
bij de beschikking tot subsidieverlening is bepaald, gecorrigeerd voor inflatie
op basis van het consumentenprijsindexcijfer alle huishoudens van het Centraal
Bureau voor de Statistiek. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 38</tuskop>
    <al>1. De subsidie per basispakket wordt vastgesteld op het bedrag dat uit
de subsidieverlening voor het desbetreffende terrein voortvloeit, verminderd
met:</al>
    <al>a. 100%, indien niet is voldaan aan de verplichtingen, bedoeld
in artikel 33, eerste lid, onderdelen a of b, tenzij de aard en de ernst van
de het niet-nakomen van de genoemde verplichting aanleiding geven tot vermindering
met een lager percentage;</al>
    <al>b. 100% indien, voorzover van toepassing, niet is voldaan aan de
verplichting, bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdelen d tot en met i,
tenzij de aard en de ernst van het niet-nakomen van de genoemde verplichtingen
aanleiding geven tot vermindering met een lager percentage, en</al>
    <al>c. 5%, indien niet is voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel
33, eerste lid, onderdeel j, onderscheidenlijk onderdeel k.</al>
    <al>2. a. De subsidie per pluspakket wordt vastgesteld op het bedrag dat uit
de subsidieverlening voor het desbetreffende terrein voortvloeit, verminderd
met 15% indien niet is voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel
33, eerste lid, onderdeel a, maar wel is voldaan aan de verplichting, bedoeld
in artikel 33, eerste lid, onderdeel b;</al>
    <al>b. De subsidie per pluspakket wordt vastgesteld op het bedrag dat als
basisbijdrage is opgenomen in de bijlage van het desbetreffende pluspakket,
indien niet is voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 33, eerste
lid, onderdelen a en b, maar wel het natuurresultaat basis aanwezig is op
het desbetreffende terrein;</al>
    <al>c. De subsidie per pluspakket wordt vastgesteld op het bedrag dat uit
de subsidieverlening voor het desbetreffende terrein voortvloeit, verminderd
met:</al>
    <al>
      <nadruk type="cur">1.</nadruk> , indien, voor zover van toepassing, niet is voldaan aan
de verplichting, bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdelen d tot en met
i, tenzij de aard en de ernst van het niet-nakomen van de genoemde verplichtingen
aanleiding geven tot vermindering met een lager percentage, en</al>
    <al>
      <nadruk type="cur">2.</nadruk> 5%, indien niet is voldaan aan de verplichting, bedoeld
in artikel 33, eerste lid, onderdeel j, onderscheidenlijk onderdeel k.</al>
    <al>3. Indien het terrein niet voor het publiek is opengesteld in de mate
zoals vermeld in de desbetreffende beschikking tot verlening van beheerssubsidie,
wordt de subsidie vastgesteld zoals die naar de mate van openstelling zou
zijn verleend overeenkomstig artikel 30, eerste lid, rekening houdend met
de feitelijk openstelling in het desbetreffende tijdvak, verminderd met 50 %.</al>
    <al>4. De verminderingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en tweede
lid, onderdelen a en b, worden niet toegepast voorzover niet is voldaan aan
de verplichting, bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdelen a en b, ten
gevolge van overmacht.</al>
    <al>5. De verminderingen bedoeld in het eerste en tweede lid, worden voorts
niet toegepast ten aanzien van dat deel van die verminderingen dat het bedrag
van de beheerssubsidie te boven gaat. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 39</tuskop>
    <al>De artikelen 24 tot en met 38 zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van bijzondere basis- of pluspakketten als bedoeld in artikel 15. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 5 Subsidie functieverandering </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 40</tuskop>
    <al>Subsidie functieverandering wordt verstrekt ten behoeve van landbouwgronden
gedurende vijf aaneengesloten tijdvakken. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 41</tuskop>
    <al>1. Subsidie functieverandering wordt uitsluitend verstrekt indien de beheerder
de benodigde vergunningen of documenten heeft die functieverandering van het
terrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd mogelijk maken.</al>
    <al>2. Subsidie functieverandering ten behoeve van een terrein waarvan het
gebruiksrecht berust bij een beperkt gerechtigde wordt uitsluitend verstrekt
indien de aanvraag voor subsidie functieverandering vergezeld gaat van een
verklaring van de eigenaar van het desbetreffende terrein dat deze geen bezwaar
heeft tegen subsidieverlening. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 42</tuskop>
    <al>1. Subsidie functieverandering wordt verstrekt ten behoeve van terreinen
die zijn gelegen in natuurgebieden en ten aanzien waarvan inrichtingssubsidie
is verleend ten behoeve van de ontwikkeling van één of meerdere
basis- of pluspakketten.</al>
    <al>2. Subsidie functieverandering wordt verstrekt ten behoeve van terreinen
die niet zijn gelegen in natuurgebieden en ten aanzien waarvan inrichtingssubsidie
is verleend ten behoeve van de ontwikkeling van een basis- of pluspakket opgenomen
in de bijlagen 20, 37 en 38. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 43</tuskop>
    <al>Subsidie functieverandering wordt niet verstrekt:</al>
    <al>a. aan beheerders aan wie ten behoeve van de verwerving van het desbetreffende
terrein subsidie is verstrekt, of</al>
    <al>b. aan wie subsidie functieverandering voor het desbetreffende terrein
reeds eerder werd verstrekt en</al>
    <al>c. indien de aanvraag tot subsidie functieverandering niet tegelijk wordt
ingediend met de aanvraag tot inrichtingssubsidie voor het desbetreffende
terrein. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 44</tuskop>
    <al>1. De subsidie functieverandering bedraagt per hectare per jaar, voorzover
gelegen op het grondgebied van de gemeenten, opgenomen in de hierna vermelde
bijlagen, en voorzover in de bijlage niets anders is bepaald, het daarbij
behorende eerstgenoemde bedrag:</al>
    <al>a. bijlage 1: fl. 1.150,-;</al>
    <al>b. bijlage 2: fl. 1.450,-;</al>
    <al>c. bijlage 3: fl. 1.750,-;</al>
    <al>d. bijlage 4: fl. 1.900,-;</al>
    <al>e. bijlage 5: fl. 2.150,-;</al>
    <al>f. bijlage 6: fl. 2.450,-;</al>
    <al>g. bijlage 7: fl. 2.750,-;</al>
    <al>h. bijlage 8: fl. 2.900,-;</al>
    <al>i. bijlage 9: fl. 3.200,-;</al>
    <al>j. bijlage 10: fl. 3.450,- en</al>
    <al>k. bijlage 11: fl. 7.650.</al>
    <al>2. Indien het terrein waarvoor subsidie wordt verleend, is gelegen op
het grondgebied van twee of meer gemeenten genoemd in onderscheiden bijlagen
wordt de toeslag naar evenredigheid verleend.</al>
    <al>3. De subsidie functieverandering wordt jaarlijks voor 1 januari van het
jaar waarop de subsidie betrekking heeft door de minister gecorrigeerd voor
inflatie op basis van het consumentenprijsindexcijfer alle huishoudens zoals
laatstelijk in het voorafgaande jaar gepubliceerd door het Centraal Bureau
voor de Statistiek.</al>
    <al>4. Van de vaststelling van de geïndexeerde subsidiebedragen functieverandering
geeft de minister kennis in de Staatscourant. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 45</tuskop>
    <al>Indien subsidie functieverandering wordt verleend, vermeldt de beschikking
tot subsidieverlening in ieder geval:</al>
    <al>a. de ligging en grootte van het terrein;</al>
    <al>b. het doel van de subsidie, bestaande uit de verplichting bedoeld in
artikel 46, eerste lid, onderdelen a tot en met c;</al>
    <al>c. de datum waarop het tijdvak waarover subsidie functieverandering wordt
verleend, aanvangt, en</al>
    <al>d. het bedrag en de berekening op basis waarvan de subsidie functieverandering
zal worden vastgesteld. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 46</tuskop>
    <al>1. Subsidie functieverandering ten behoeve van de ontwikkeling van één
of meerdere natuurdoelpakketten op landbouwgrond, wordt verstrekt onder de
voorwaarde dat binnen 12 weken na de datum van verzending of uitreiking van
de subsidieverlening een overeenkomst tussen degene aan wie de grond toebehoort
en de minister, handelend namens de Staat der Nederlanden, tot stand komt
waarin is opgenomen:</al>
    <al>a. de verplichting van degene aan wie de grond toebehoort de desbetreffende
landbouwgrond niet te gebruiken of te doen gebruiken met het oog op de uitoefening
van de landbouw, en overigens datgene na te laten wat de ontwikkeling of instandhouding
van het betrokken basis- of pluspakket op de desbetreffende grond in gevaar
brengt of verstoort;</al>
    <al>b. dat die verplichting zal overgaan op degenen die de grond onder bijzondere
titel zullen verkrijgen en dat mede gebonden zullen zijn degenen die van de
rechthebbende een recht tot gebruik van het goed zullen verkrijgen, en</al>
    <al>c. dat de overeenkomst zal worden ingeschreven in de openbare registers.</al>
    <al>2. De kosten voor de inschrijving van de overeenkomst in de openbare registers
komen voor rekening van de minister. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 47</tuskop>
    <al>1. De minister verstrekt in het eerste jaar van het tijdvak een voorschot
en vervolgens telkens ten minste een jaar later, tenzij de beheerder in het
jaar voorafgaande aan de verstrekking van het voorschot enig voorschrift in
de beschikking met betrekking tot de subsidie functieverandering niet heeft
nageleefd.</al>
    <al>2. Per terrein kunnen per tijdvak ten hoogste zes voorschotten worden
verstrekt.</al>
    <al>3. Een voorschot bedraagt het bedrag dat in de beschikking tot subsidieverlening
is opgenomen.</al>
    <al>4. De datum waarop het eerste voorschot in het eerste jaar wordt verstrekt,
wordt opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 48</tuskop>
    <al>1. Indien op grond van artikel 47, eerste lid, in enig jaar van het tijdvak
geen voorschot is verstrekt door de minister, kan de beheerder een jaar na
het niet verstrekken van het voorschot een aanvraag voor verstrekking van
een voorschot indienen.</al>
    <al>2. In de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval een
verklaring opgenomen van de beheerder dat de voorschriften in de desbetreffende
beschikking tot subsidieverlening zijn nageleefd.</al>
    <al>3. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend bij de directeur
van LASER. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 49</tuskop>
    <al>De artikelen 36, eerste lid, en 37 zijn van overeenkomstige toepassing. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 6 Inrichtingssubsidie </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Paragraaf 1 Algemene bepalingen </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 50</tuskop>
    <al>1. Inrichtingssubsidie wordt verstrekt voor een tijdvak.</al>
    <al>2. In afwijking van het eerste lid wordt inrichtingssubsidie ten behoeve
van landschapspakketten opgenomen in de bijlagen 42 tot en met 56 verstrekt
voor de periode, bedoeld in artikel 55, onderdeel f. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 51</tuskop>
    <al>1. Inrichtingssubsidie wordt verstrekt ten behoeve van terreinen gelegen
in natuurgebieden, voorzover:</al>
    <al>a. deze betrekking heeft op het, door middel van eenmalige maatregelen,
rechtstreeks en direct wijzigen van de fysieke condities of kenmerken van
het desbetreffende terrein, gericht op de omvorming of ontwikkeling van een
of meerdere basis- of pluspakketten ten behoeve van het realiseren van een
basis- of pluspakket dat is opgenomen in het desbetreffende natuurgebiedsplan
of</al>
    <al>b. deze betrekking heeft op beheersmaatregelen die gericht zijn op de
omvorming of ontwikkeling van een of meerdere basis- of pluspakketten ten
behoeve van het realiseren van een basis- of pluspakket dat is opgenomen in
het desbetreffende natuurgebiedsplan.</al>
    <al>2. Inrichtingssubsidie wordt verstrekt met het oog op de ontwikkeling
van een basis- of pluspakket opgenomen in de bijlagen 20, 37 en 38 ten behoeve
van terreinen die niet zijn gelegen in natuurgebieden.</al>
    <al>3. Inrichtingssubsidie wordt verstrekt voor aanleg of herstel van landschapspakketten
opgenomen in de bijlagen 42 tot en met 56 ten behoeve van terreinen gelegen
in natuurgebieden of ten behoeve van terreinen, niet zijnde landbouwgronden,
gelegen in landschapsgebieden, begrensd in een landschapsgebiedsplan als bedoeld
in de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, voorzover ten behoeve van die
terreinen landschapssubsidie is verstrekt. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 52</tuskop>
    <al>Inrichtingssubsidie wordt niet verstrekt ten behoeve van een terrein dat
is gelegen in een natuurgebied:</al>
    <al>a. aan andere beheerders dan instellingen als bedoeld in artikel 3, eerste
lid, van de Regeling subsidies particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties
voorzover dit in het desbetreffende natuurgebiedsplan op grond van artikel
13, tweede lid, is aangegeven;</al>
    <al>b. voorzover daardoor het desbetreffende quotum wordt overschreden. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 53</tuskop>
    <al>Inrichtingssubsidie ten behoeve van een terrein waarvan het gebruiksrecht
berust bij een beperkt gerechtigde wordt uitsluitend verstrekt indien de aanvraag
voor inrichtingssubsidie vergezeld gaat van een verklaring van de eigenaar
van het desbetreffende terrein dat deze geen bezwaar heeft tegen subsidieverlening. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 54</tuskop>
    <al>Inrichtingssubsidie wordt niet verstrekt voor de ontwikkeling of omvorming:</al>
    <al>a. van een basis- of pluspakket op een terrein waarvan de oppervlakte
niet ten minste overeenkomt met het aantal hectares dat is opgenomen als minimumoppervlakte
in de bijlage waarin het desbetreffende basis- of pluspakket is vermeld, tenzij
het terrein grenst aan een ander terrein waar hetzelfde basis- of pluspakket
in stand wordt gehouden en beide terreinen tezamen voldoen aan de eisen ten
aanzien van de minimumoppervlakte, of</al>
    <al>b. van het landschapspakket opgenomen in bijlage 47 of 54 voor een landschapselement
waarvan de oppervlakte groter is dan de oppervlakte die is opgenomen als maximumoppervlakte
in bijlage 47 of 54. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 55</tuskop>
    <al>Onverminderd artikel 50 wordt inrichtingssubsidie verstrekt overeenkomstig
een inrichtingsplan waarin in ieder geval zijn opgenomen:</al>
    <al>a. de te treffen inrichtingsmaatregelen;</al>
    <al>b. de oppervlakte waarop die maatregelen zullen worden uitgevoerd;</al>
    <al>c. de motivering voor het treffen van de maatregelen;</al>
    <al>d. de met die maatregelen beoogde situatie van het terrein;</al>
    <al>e. een gedetailleerde beschrijving van de in stand te houden, te verbeteren,
aan te leggen, of te verwijderen wegen en paden;</al>
    <al>f. voorzover van toepassing, de periode waarin de inrichtingsmaatregelen
ten behoeve van een landschapspakket zullen worden uitgevoerd en een daarbij
behorende tijdplanning;</al>
    <al>g. voorzover van toepassing, een tijdplanning voor het tijdvak waarvoor
subsidie wordt verleend;</al>
    <al>h. de benodigde beheersmaatregelen;</al>
    <al>i. een gespecificeerde begroting;</al>
    <al>j. een opgave van de financieringswijze van de kosten, inclusief de financiële
planning van de uitvoering, en</al>
    <al>k. een topografische kaart met een schaal van 1 : 10.000 waarop zo nodig
is aangegeven waar de onderscheiden maatregelen zullen worden getroffen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 56</tuskop>
    <al>Tot de subsidiabele kosten behoren de kosten, inclusief BTW, voorzover
verrekening niet mogelijk is, verband houdende met:</al>
    <al>a. het opstellen door derden van een inrichtingsplan;</al>
    <al>b. bebossing van een terrein, voorzover dit betrekking heeft op de ontwikkeling
en daaropvolgende instandhouding van een basis- of pluspakket dat is vermeld
in een van de bijlagen 20, 37 en 38;</al>
    <al>c. maatregelen, gericht op wijziging van de waterhuishouding;</al>
    <al>d. grondverzet;</al>
    <al>e. maatregelen tot wijziging van de feitelijke bereikbaarheid van een
terrein, waaronder in ieder geval is begrepen de aanleg of het herstel van
wegen en paden;</al>
    <al>f. de verwijdering van opstallen;</al>
    <al>g. de verwijdering van begroeiing en beplanting, of</al>
    <al>h. overige maatregelen voorzover noodzakelijk in verband met de desbetreffende
inrichting. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 57</tuskop>
    <al>Tot de subsidiabele beheersmaatregelen behoren in ieder geval:</al>
    <al>a. waterhuishoudkundig beheer;</al>
    <al>b. begrazingsbeheer;</al>
    <al>c. maaien, of</al>
    <al>d. kappen of verwijderen van gewas of begroeiing. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 58</tuskop>
    <al>Niet tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval de kosten, verband
houdende met:</al>
    <al>a. de verwijdering van bodemverontreiniging of afval;</al>
    <al>b. de bouw van opstallen;</al>
    <al>c. de aanschaf van machines;</al>
    <al>d. de aanschaf van materialen, anders dan ten behoeve van het treffen
van maatregelen als bedoeld in artikel 56;</al>
    <al>e. de aanschaf of plaatsing van recreatieve voorzieningen, of</al>
    <al>f. de aanleg van parkeergelegenheid. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 59</tuskop>
    <al>Geen inrichtingssubsidie wordt verstrekt:</al>
    <al>a. voor kosten die zijn gemaakt, alvorens een beslissing op de aanvraag
voor inrichtingssubsidie is genomen, behoudens de kosten, bedoeld in artikel
56, onderdeel a, of</al>
    <al>b. ten behoeve van maatregelen waarmee een aanvang is gemaakt, onderscheidenlijk
die reeds zijn uitgevoerd, alvorens een beslissing op de aanvraag voor inrichtingssubsidie
is genomen.</al>
    <al>c. indien de aanvraag tot inrichtingssubsidie op grond van artikel 51,
derde lid, niet tegelijk wordt ingediend met de aanvraag tot landschapssubsidie
voor het desbetreffende terrein. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 60</tuskop>
    <al>1. Inrichtingssubsidie bedraagt 95% van de werkelijk gemaakte subsidiabele
kosten.</al>
    <al>2. De inrichtingssubsidie bedraagt:</al>
    <al>a. ten hoogste fl. 15.000,- per hectare, voorzover het eenmalige maatregelen
betreft als bedoeld in artikel 51, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid,
en</al>
    <al>b. ten hoogste fl. 20.000,- per hectare voor landschapspakketten. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 61</tuskop>
    <al>De minister kan beleidsregels vaststellen met het oog op de toepassing
van artikel 55, 56 en 57. </al>
    <tuskop letat="cur">Paragraaf 2 Subsidieverlening </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 62</tuskop>
    <al>De subsidieverlening vermeldt:</al>
    <al>a. in hoeverre het inrichtingsplan in uitvoering kan worden genomen;</al>
    <al>b. het bedrag waarop de inrichtingssubsidie ten hoogste kan worden vastgesteld,
en</al>
    <al>c. de datum waarop het tijdvak, onderscheidenlijk de periode, bedoeld
in artikel 50, tweede lid, waarover inrichtingssubsidie wordt verleend, aanvangt. </al>
    <tuskop letat="cur">Paragraaf 3 Verplichtingen </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 63</tuskop>
    <al>1. De subsidieontvanger, die inrichtingssubsidie wordt verstrekt op grond
van artikel 50, eerste lid, is verplicht de maatregelen overeenkomstig het
inrichtingsplan als bepaald bij de subsidieverlening uit te voeren en overeenkomstig
de tijdplanning, bedoeld in artikel 55, onderdeel g.</al>
    <al>2. De subsidieontvanger, die inrichtingssubsidie wordt verstrekt op grond
van artikel 50, tweede lid, is verplicht de maatregelen overeenkomstig het
inrichtingsplan als bepaald bij de subsidieverlening uit te voeren en overeenkomstig
de tijdplanning, bedoeld in artikel 55, onderdeel f, binnen een jaar na de
datum van subsidieverlening. </al>
    <tuskop letat="cur">Paragraaf 4 Voorschotten </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 64</tuskop>
    <al>1. Op de inrichtingssubsidie kan de minister ten hoogste tweemaal per
jaar op aanvraag tot ten hoogste 95% voorschotten verlenen, met een
minimum van fl. 5.000,-.</al>
    <al>2. De aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht
van de liquiditeitsbehoefte.</al>
    <al>3. De aanvraag tot voorschotverlening wordt ingediend bij de directeur
van LASER met gebruikmaking van een daartoe bestemd aanvraagformulier dat
verkrijgbaar is bij de directeur van LASER. </al>
    <tuskop letat="cur">Paragraaf 5 Subsidievaststelling </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 65</tuskop>
    <al>1. De ontvanger van inrichtingssubsidie dient binnen 8 weken na afloop
van het tijdvak voor het desbetreffende terrein een aanvraag tot subsidievaststelling
over dat tijdvak in bij de directeur van LASER met gebruikmaking van een daartoe
bestemd aanvraagformulier dat verkrijgbaar is bij de directeur van LASER.</al>
    <al>2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van:</al>
    <al>a. een verklaring dat de maatregelen en, voorzover van toepassing, het
beheer overeenkomstig de subsidieverlening zijn uitgevoerd, en</al>
    <al>b. een financiële verantwoording met betrekking tot de getroffen
maatregelen, bestaande uit een rekening alsmede, indien de subsidieverlening
een bedrag van fl. 50.000,- te boven gaat, een verklaring van een accountant-administratieconsulent
of registeraccountant als bedoeld in artikel 2:393, eerste lid, van het Burgerlijk
Wetboek waaruit blijkt dat de maatregelen zijn uitgevoerd overeenkomstig de
beschikking tot verlening van inrichtingssubsidie. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 66</tuskop>
    <al>De minister stelt na ontvangst van de in artikel 65 bedoelde bescheiden
de inrichtingssubsidie binnen 8 weken vast op grond van de werkelijk gemaakte
kosten, zoals bepaald bij de subsidieverlening. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 7 Recreatiesubsidie </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Paragraaf 1 Algemene bepalingen </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 67</tuskop>
    <al>Recreatiesubsidie wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van de instandhouding
van recreatiepakketten ten aanzien van terreinen:</al>
    <al>a. waarvoor tevens beheerssubsidie wordt verstrekt, en</al>
    <al>b. die in ieder geval gedurende ten minste 358 dagen per jaar kosteloos
voor het publiek worden opengesteld op wegen, vaarwegen en paden tussen zonsopgang
en zonsondergang. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 68</tuskop>
    <al>Recreatiesubsidie ten behoeve van de instandhouding van het recreatiepakket
opgenomen in bijlage 59, wordt verstrekt ten behoeve van terreinen gelegen
in:</al>
    <al>a. door de minister aangewezen nationale parken, of</al>
    <al>b. gemeenten, voorzover gelegen op het grondgebied van de gemeenten opgenomen
in bijlage 60. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 69</tuskop>
    <al>Recreatiesubsidie bedraagt per hectare per tijdvak het bedrag dat wordt
gevormd door de vermenigvuldiging van de beheersbijdrage opgenomen in de bijlage
van het desbetreffende recreatiepakket met het getal zes. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 70</tuskop>
    <al>Recreatiesubsidie wordt verstrekt voor een tijdvak dat begint op hetzelfde
tijdstip als het tijdvak waarvoor beheerssubsidie wordt verstrekt. </al>
    <tuskop letat="cur">Paragraaf 2 De subsidieverlening </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 71</tuskop>
    <al>De beschikking tot verlening van recreatiesubsidie vermeldt in ieder geval:</al>
    <al>a. de ligging en grootte van het terrein;</al>
    <al>b. het doel van de recreatiesubsidie, bestaande uit het gedurende het
tijdvak op het terrein in stand houden van een recreatiepakket;</al>
    <al>c. de beheersbijdrage op basis waarvan de recreatiesubsidie zal worden
vastgesteld, en</al>
    <al>d. de datum waarop het tijdvak waarover recreatiesubsidie wordt verleend,
aanvangt. </al>
    <tuskop letat="cur">Paragraaf 3 Verplichtingen </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 72</tuskop>
    <al>De subsidieontvanger is verplicht:</al>
    <al>a. het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde doel, bedoeld
in artikel 71, onderdeel b, te realiseren, en</al>
    <al>b. van omstandigheden als gevolg waarvan het redelijkerwijs niet mogelijk
is te voldoen aan de verplichting, bedoeld in onderdeel a, binnen twee weken
nadat de subsidieontvanger daarvan redelijkerwijs op de hoogte kan zijn aan
de directeur van LASER schriftelijk melding te doen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 73</tuskop>
    <al>De artikelen 25, 28, 32 tot en met 37 zijn van overeenkomstige toepassing. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 8 Landschapssubsidie </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 74</tuskop>
    <al>1. Landschapssubsidie wordt verstrekt ten behoeve van terreinen, niet
zijnde landbouwgronden, gelegen in landschapsgebieden die als zodanig zijn
begrensd op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, voorzover
dit in overeenstemming is met het desbetreffende landschapsgebiedsplan en
ten behoeve van terreinen gelegen in natuurgebieden, voorzover in overeenstemming
met het natuurgebiedsplan.</al>
    <al>2. Onverminderd het eerste lid, wordt landschapssubsidie verstrekt ten
behoeve van terreinen gelegen in bestaande bossen en natuurterreinen, waarvoor
beheerssubsidie kan worden verleend. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 75</tuskop>
    <al>Landschapssubsidie wordt verstrekt voor een tijdvak. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 76</tuskop>
    <al>1. Indien op het terrein een landschapspakket in stand wordt gehouden,
bedraagt de landschapssubsidie het bedrag per tijdvak dat wordt gevormd door
de vermenigvuldiging van het getal zes met de beheersbijdrage opgenomen in
de bijlagen van het desbetreffende landschapspakket en het aantal hectares
waarvoor landschapssubsidie wordt verleend.</al>
    <al>2. Indien op het terrein meerdere landschapspakketten in stand worden
gehouden bedraagt de landschapssubsidie het bedrag per tijdvak de som van
de beheersbijdragen die worden gevormd door de vermenigvuldiging van het getal
zes met de beheersbijdragen opgenomen in de bijlagen van de desbetreffende
landschapspakketten en het aantal hectares per landschapspakket waarvoor landschapssubsidie
wordt verleend. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 77</tuskop>
    <al>Indien landschapssubsidie wordt verstrekt voor de instandhouding van een
of meerdere landschapspakketten binnen een terrein, vermeldt de beschikking
tot subsidieverlening in ieder geval:</al>
    <al>a. de ligging en grootte van het terrein;</al>
    <al>b. het doel van de landschapssubsidie, bestaande uit het gedurende het
tijdvak op het terrein ontwikkelen of in stand houden van een of meerdere
landschapspakketten;</al>
    <al>c. het bedrag, onderscheidenlijk de bedragen, op basis waarvan de landschapssubsidie
zal worden vastgesteld, en</al>
    <al>d. de datum waarop het tijdvak waarover landschapssubsidie wordt verleend,
aanvangt. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 78</tuskop>
    <al>De subsidieontvanger is verplicht:</al>
    <al>a. het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde doel, bedoeld
in artikel 77, onderdeel b, te realiseren;</al>
    <al>b. van omstandigheden als gevolg waarvan het redelijkerwijs niet mogelijk
is te voldoen aan de verplichting, bedoeld in onderdeel a, binnen twee weken
nadat de subsidieontvanger daarvan redelijkerwijs op de hoogte kan zijn aan
de directeur van LASER schriftelijk melding te doen, en</al>
    <al>c. uiterlijk vier weken voordat gehele of gedeeltelijke overdracht van
de bevoegdheid tot gebruik en beheer van het betrokken terrein plaatsvindt,
van het voornemen daartoe aan de directeur van LASER schriftelijk melding
te doen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 79</tuskop>
    <al>De artikelen 25, eerste lid, 27, 28, 32, 34 tot en met 36, eerste lid,
37 en 38, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 9 Effectgerichte maatregelen </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 80</tuskop>
    <al>1. Subsidie effectgerichte maatregelen wordt uitsluitend verstrekt met
betrekking tot terreinen ten aanzien waarvan beheerssubsidie is verleend ten
behoeve van maatregelen om de effecten van verzuring, vermesting en verdroging
te verminderen of ongedaan te maken, zonder welke maatregelen de instandhouding
van het desbetreffende basis- of pluspakket niet mogelijk is.</al>
    <al>2. Onverminderd het eerste lid, wordt subsidie effectgerichte maatregelen
verstrekt overeenkomstig een plan waarin in ieder geval zijn opgenomen:</al>
    <al>a. de te treffen effectgerichte maatregelen;</al>
    <al>b. de oppervlakte waarop die maatregelen zullen worden uitgevoerd;</al>
    <al>c. de motivering voor het treffen van de maatregelen;</al>
    <al>d. de met de maatregelen beoogde situatie van het terrein;</al>
    <al>e. de periode waarin de effectgerichte maatregelen zullen worden uitgevoerd;</al>
    <al>f. een gespecificeerde begroting;</al>
    <al>g. een opgave van de financieringswijze van de kosten, inclusief de financiële
planning van de uitvoering, en</al>
    <al>h. een topografische kaart met een schaal van 1 : 10.000 waarop zo nodig
is aangegeven waar de onderscheiden maatregelen zullen worden getroffen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 81</tuskop>
    <al>Tot de subsidiabele kosten behoren de kosten, inclusief BTW, voorzover
verrekening niet mogelijk is, verband houdende met:</al>
    <al>a. het opstellen door derden van het plan, bedoeld in artikel 80, tweede
lid;</al>
    <al>b. maaien;</al>
    <al>c. geschikt maken voor begrazing;</al>
    <al>d. chopperen;</al>
    <al>e. plaggen;</al>
    <al>f. baggeren;</al>
    <al>g. toevoegen van basische stoffen teneinde de mineralenbalans of zuurgraad
te herstellen;</al>
    <al>h. aanleggen van depots ten behoeve van de tijdelijke opslag van gemaaid,
geplagd of gebaggerd materiaal;</al>
    <al>i. verbeteren van de hydrologische situatie;</al>
    <al>j. werkzaamheden ten behoeve van het meten en registreren van ontwikkelingen,
voorafgaande aan en volgend op maatregelen, als bedoeld in de onderdelen b
tot en met i;</al>
    <al>k. het in bos bepalen van de voedingsstoffenhuishouding;</al>
    <al>l. het in bos toedienen van nutriënten;</al>
    <al>m. aanpassing van de bosvegetatie door middel van aanwijzing van toekomstbomen,
structuurdunning of noodverjonging ter verbetering van de vitaliteit van het
bos dan wel de aanpassing van het bos aan de groeiplaats. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 82</tuskop>
    <al>Geen subsidie effectgerichte maatregelen wordt verstrekt:</al>
    <al>a. voor kosten die zijn gemaakt alvorens een beslissing op de aanvraag
voor subsidie effectgerichte maatregelen is genomen, behoudens de kosten,
bedoeld in artikel 81, onderdeel a;</al>
    <al>b. ten behoeve van maatregelen waarmee een aanvang is gemaakt, onderscheidenlijk
die reeds zijn uitgevoerd, alvorens een beslissing op de aanvraag voor subsidie
effectgerichte maatregelen is genomen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 83</tuskop>
    <al>Subsidie effectgerichte maatregelen bedraagt 95% van de werkelijk
gemaakte subsidiabele kosten. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 84</tuskop>
    <al>De minister kan beleidsregels vaststellen met het oog op de toepassing
van de artikelen 80 en 81. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 85</tuskop>
    <al>De subsidieverlening vermeldt:</al>
    <al>a. het bedrag waarop de subsidie effectgerichte maatregelen ten hoogste
kan worden vastgesteld;</al>
    <al>b. de datum waarop de periode waarover subsidie effectgerichte maatregelen
wordt verleend, aanvangt en eindigt, en</al>
    <al>c. in hoeverre het plan, bedoeld in artikel 80, tweede lid, in uitvoering
kan worden genomen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 86</tuskop>
    <al>De subsidieontvanger is verplicht de maatregelen overeenkomstig het plan,
bedoeld in artikel 80, tweede lid, uit te voeren. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 87</tuskop>
    <al>De artikelen 64 tot en met 66 zijn van overeenkomstige toepassing. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 10 Wijziging en intrekking </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 88</tuskop>
    <al>1. Een verzoek tot wijziging van de beschikking tot subsidieverlening
kan worden gedaan met het oog op het vergroten van het areaal waarvoor subsidie
is verleend, met direct daaraan grenzende terreinen.</al>
    <al>2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, kan slechts eenmaal per
jaar worden gedaan te rekenen vanaf het jaar na dat waarin de subsidie is
verleend.</al>
    <al>3. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, wordt slechts in behandeling
genomen indien:</al>
    <al>a. op de toe te voegen terreinen hetzelfde basis-, plus- of landschapspakket
wordt ontwikkeld, omgevormd of instandgehouden als dat waarvoor reeds in het
direct aangrenzende terrein subsidie is verleend of</al>
    <al>b. de terreinen waarvoor subsidie wordt verzocht, voldoen aan de voorwaarden
die voor de verlening van subsidies als bedoeld in deze regeling gelden.</al>
    <al>4. In het geval, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, zijn bepalingen
omtrent minimumoppervlakte of minimumlengten , opgenomen in de basis-, plus-of
landschapspakketten, niet van toepassing.</al>
    <al>5. De artikelen 1 tot en met 12 en 19 tot en met 23 zijn ten aanzien van
het verzoek, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing.</al>
    <al>6. De subsidie voor terreinen, bedoeld in het eerste lid, wordt, in afwijking
van artikel 24, naar evenredigheid verleend en vastgesteld voor het tijdvak
waarvoor reeds subsidie was verleend. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 89</tuskop>
    <al>In geval subsidie is verleend ten behoeve van een terrein, waarvan het
recht tot gebruik en beheer berust bij de subsidieontvanger, en dat recht
gaat over op een derde gedurende de periode waarover de desbetreffende subsidie
is verleend, kan de desbetreffende subsidieverlening worden gewijzigd in een
subsidieverlening aan die derde indien deze, uiterlijk twee weken na de datum
waarop het recht tot gebruik en beheer is overgegaan, bij wege van een aan
de directeur van LASER gericht schriftelijk stuk:</al>
    <al>a. verklaart te treden in de aan de subsidieverlening verbonden rechten
en plichten, vanaf de datum met ingang waarvan de wijziging uit hoofde van
dit lid van kracht zal zijn, en</al>
    <al>b. aangeeft of hij als ondernemer moet worden aangemerkt. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 90</tuskop>
    <al>1. In geval subsidie is verleend op grond van de onderhavige regeling
met betrekking tot een terrein waarvan het gebruiksrecht berust bij een natuurlijk
persoon die overlijdt tijdens de periode waarover subsidie is verleend, wordt
de desbetreffende subsidieverlening voor dat terrein ingetrokken met ingang
van de dag, volgend op de dag van overlijden, op voorwaarde dat de erfgenamen
uiterlijk drie maanden na het overlijden om deze intrekking verzoeken bij
wege van een aan de directeur van LASER gericht schriftelijk verzoek.</al>
    <al>2. In geval van intrekking uit hoofde van het eerste lid, wordt de subsidie
over het tijdvak waarin het overlijden plaatsvond ambtshalve vastgesteld op
het bedrag naar evenredigheid ten opzichte van de subsidie zoals die op grond
van de subsidieverlening ten hoogste zou kunnen worden vastgesteld. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 91</tuskop>
    <al>1. In geval subsidie is verleend op grond van de onderhavige regeling
met betrekking tot een terrein dat deel uitmaakt van een gebied waar landinrichting
uit kracht van de Landinrichtingswet geschiedt en het voldoen aan de aan desbetreffende
subsidieverlening verbonden verplichtingen na vaststelling van het landinrichtingsplan
niet meer mogelijk is, wordt de desbetreffende subsidieverlening ingetrokken
met ingang van de dag, waarop in zodanig gebied de kavelovergang plaatsvindt
ingevolge de in het plan van toedeling opgenomen bepalingen omtrent de inbezitneming,
bedoeld in artikel 196, tweede lid, onderdeel e, van de Landinrichtingswet.</al>
    <al>2. Artikel 90, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 92</tuskop>
    <al>1. In geval subsidie is verleend op grond van de onderhavige regeling
met betrekking tot grond die wordt onteigend tijdens de periode waarover subsidie
is verleend, wordt de desbetreffende subsidieverlening ingetrokken met ingang
van de dag waarop het besluit tot onteigening van de betrokken grond onherroepelijk
vaststaat.</al>
    <al>2. Artikel 90, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 93</tuskop>
    <al>Onverschuldigd betaalde subsidies en voorschotten worden teruggevorderd,
vermeerderd met de wettelijke rente tot de datum van ontvangst van de teruggevorderde
bedragen. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 11 Koopplicht </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 94</tuskop>
    <al>1. Telkens wanneer met betrekking tot één of meer gronden,
die zijn gelegen in een gebied als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel
f, onderscheidenlijk g, reservaats- of natuurontwikkelingsgebied als bedoeld
in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling, aan het bureau
een recht van eigendom of een daarvan afgeleid beperkt gebruiksrecht wordt
aangeboden, is het bureau gehouden het hem aangeboden recht te verwerven.</al>
    <al>2. Het eerste lid geldt niet:</al>
    <al>a. voorzover het betrokken recht berust bij een publiekrechtelijk lichaam
of een instelling als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van de Regeling
subsidies particuliere natuurbeschermingsorganisaties;</al>
    <al>b. voorzover het aangeboden recht geen betrekking heeft op landbouwgrond,
behoudens grond ten aanzien waarvan subsidie functieverandering is verleend. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 95</tuskop>
    <al>1. Indien op de grond een verplichting is gevestigd als bedoeld in artikel
46 en het bureau verwerving van het volle eigendomsrecht wordt aangeboden,
wordt de door het bureau ter zake van dat recht te betalen grondprijs bepaald
op basis van de som van:</al>
    <al>a. de actuele waarde van de grond in het economisch verkeer bij agrarische
bestemming, welke waarde wordt bepaald op basis van een daartoe door het bureau
verrichte taxatie, en</al>
    <al>b. de op het moment van verkoop nog niet uitbetaalde subsidie functieverandering,
welke subsidies in contante waarde zijn uitgedrukt, rekening houdend met een
jaarlijkse rentevoet van 4%.</al>
    <al>2. Indien op de in artikel 94 bedoelde landbouwgrond een verplichting
is gevestigd als bedoeld in artikel 46 en het bureau verwerving van een met
een beperkt gebruiksrecht belast eigendomsrecht wordt aangeboden, wordt de
door het bureau ter zake te betalen grondprijs bepaald op basis van de in
het eerste lid bedoelde som, verminderd met de waarde van het desbetreffende
beperkt gebruiksrecht, welke waarde wordt bepaald op basis van de in opdracht
van het bureau verrichte taxatie.</al>
    <al>3. In andere gevallen dan bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt de
door het bureau te betalen prijs bepaald op basis van de daartoe in opdracht
van het bureau getaxeerde waarde van het aangeboden recht.</al>
    <al>4. Bij de in het derde lid bedoelde taxatie wordt, in de gevallen waarin
met betrekking tot de desbetreffende grond geen verplichting als bedoeld in
artikel 46 is gevestigd, geen rekening gehouden met de omstandigheid dat:</al>
    <al>a. op de betrokken grond een aangepaste agrarische bedrijfsvoering uit
hoofde van de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling, de Beschikking
beheersovereenkomsten 1983, de Regeling beheersovereenkomsten 1988 of de Regeling
beheersovereenkomsten 1993 plaatsvindt, en</al>
    <al>b. de betrokken grond is gelegen in een natuurgebied. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 96</tuskop>
    <al>1. Indien de uitkomst van de in opdracht van het bureau verrichte taxatie,
bedoeld in artikel 95, eerste tot en met derde lid, voor de andere partij
niet aanvaardbaar is, vindt in opdracht van die partij nadere taxatie van
de betrokken grond plaats door een driemanschap waarvan een lid wordt aangewezen
door:</al>
    <al>a. degene die het desbetreffende recht ter verwerving heeft aangeboden;</al>
    <al>b. het bureau, en</al>
    <al>c. de onder a en b bedoelde personen gezamenlijk.</al>
    <al>2. Het driemanschap beslist bij meerderheid van stemmen. De beslissing
van het driemanschap heeft kracht van bindend advies.</al>
    <al>3. De kosten van de nadere taxatie, bedoeld in het eerste lid, worden
gelijkelijk verdeeld tussen betrokken partijen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 97</tuskop>
    <al>De minister kan bij een in de Staatscourant bekend te maken besluit bepalen
dat vanaf een door hem vast te stellen tijdstip geen beroep kan worden gedaan
op de koopplicht. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 12 Overgangs- en slotbepalingen </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 98</tuskop>
    <al>Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze regeling
bepaalde zijn belast de ambtenaren van Dienst landelijk gebied van het Ministerie
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 99</tuskop>
    <al>1. Subsidie functieverandering wordt verstrekt ten behoeve van terreinen
die zijn gelegen in reservaatsgebieden of natuurontwikkelingsprojecten, als
bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling en ten
aanzien waarvan inrichtingssubsidie is verleend ten behoeve van de ontwikkeling
van één of meerdere basis- of pluspakketten.</al>
    <al>2. Subsidie functieverandering wordt verstrekt ten behoeve van terreinen
die niet zijn gelegen in reservaatsgebieden of natuurontwikkelingsprojecten,
en ten aanzien waarvan inrichtingssubsidie is verleend ten behoeve van de
ontwikkeling van één of meerdere basis- of pluspakketten opgenomen
in de bijlagen 20, 37 en 38.</al>
    <al>3. De artikelen 40 tot en met 49 zijn van overeenkomstige toepassing. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 100</tuskop>
    <al>1. Inrichtingssubsidie wordt verstrekt ten behoeve van terreinen gelegen
in reservaatsgebieden, onderscheidenlijk natuurontwikkelingsprojecten, als
bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling voorzover:</al>
    <al>a. deze betrekking heeft op het, door middel van eenmalige maatregelen,
rechtstreeks en direct wijzigen van de fysieke condities of kenmerken van
het desbetreffende terrein, dan wel op beheersmaatregelen gericht op de omvorming
of ontwikkeling van een of meerdere basis- of pluspakketten, zonder welke
de daaropvolgende instandhouding van een of meerdere basis- of pluspakketten
niet mogelijk is;</al>
    <al>b. deze betrekking heeft op maatregelen die gericht zijn op het realiseren
van een basis- of pluspakket, en</al>
    <al>c. door gedeputeerde staten van de provincie, onderscheidenlijk provincies,
op het grondgebied waarvan het desbetreffende terrein is gelegen schriftelijk
is verklaard dat tegen het verstrekken van die subsidie geen bezwaar bestaat.</al>
    <al>2. Aanvragen tot inrichtingssubsidie op grond van het eerste lid, kunnen
worden ingediend bij de directeur van LASER tot en met 31 december 2001.</al>
    <al>3. Inrichtingssubsidie wordt verstrekt met het oog op de ontwikkeling
van een basis- of pluspakket opgenomen in een van de bijlagen 20 en 37 tot
en met 39 ten behoeve van terreinen die niet zijn gelegen in reservaatsgebieden
of natuurontwikkelingsprojecten.</al>
    <al>4. De artikelen 50 tot en met 66 zijn van overeenkomstige toepassing. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 101</tuskop>
    <al>Subsidies kunnen met terugwerkende kracht tot het tijdstip van inwerkingtreding
van de onderhavige regeling worden verleend, voor aanvragen die in het eerste
half jaar na inwerkingtreding van de onderhavige regeling worden ingediend. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 102</tuskop>
    <al>1. Subsidies of voorschotten daarop worden verleend onder het voorbehoud
van goedkeuring van Commissie van de Europese Gemeenschappen.</al>
    <al>2. De beslissing tot verlening van een subsidie of een voorschot daarop
kan worden ingetrokken of gewijzigd ter verkrijging van de goedkeuring van
de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor deze regeling, of wegens
het uitblijven daarvan. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 103</tuskop>
    <al>1. De begrenzing van een natuurgebiedsplan die op grond van de Subsidieregeling
natuurbeheer<sup>1</sup> is vastgesteld blijft van kracht zolang deze niet
is vervangen door een begrenzing van een natuurgebiedsplan als bedoeld in
artikel 13 van deze regeling, dan wel tot het tijdstip dat de begrenzing op
grond van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 is ingetrokken.</al>
    <al>2. De regeling, opgenomen in Subsidieregeling natuurbeheer, inzake de
begrenzing van een natuurgebiedsplan, is van toepassing ten aanzien van voornemens
tot vaststelling van zodanige begrenzingen die op grond van artikel 3.11 van
de Algemene wet bestuursrecht jo. artikel 13 van die regeling op het tijdstip
van inwerkingtreding van deze regeling ter inzage liggen of hebben gelegen.</al>
    <al>3. Subsidie wordt verstrekt ten behoeve van een terrein dat is gelegen
in een natuurgebied als bedoeld in het eerste lid met het oog op de ontwikkeling
van een beheerspakket, voorzover dat beheerspakket, blijkens de in bijlage
61 opgenomen tabel, in overeenstemming is met het desbetreffende natuurgebiedsplan. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 104</tuskop>
    <al>1. De Tijdelijke regeling particulier natuurbeheer<sup>2</sup> wordt ingetrokken.</al>
    <al>2. Op subsidies verleend op grond van de in het eerste lid bedoelde regeling,
blijft die regeling van toepassing.</al>
    <al>3. Indien beheerders die op grond van de Tijdelijke regeling particulier
natuurbeheer subsidie is verleend, subsidie aanvragen op grond van de onderhavige
regeling:</al>
    <al>a. is artikel 23 niet van toepassing, en</al>
    <al>b. zullen subsidies en voorschotten die reeds zijn verstrekt, worden verrekend
met te verstrekken subsidies op grond van de onderhavige regeling.</al>
    <al>c. hebben zij voorrang boven andere aanvragen indien het een aanvraag
voor beheerssubsidie betreft. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 105</tuskop>
    <al>1. De Bijdrageregeling beheer samenwerking bos 1993<sup>3</sup> wordt
ingetrokken.</al>
    <al>2. Op subsidies, verleend op grond van de in het eerste lid genoemde regeling,
blijft die regeling van toepassing. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 106</tuskop>
    <al>De Regeling subsidies particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties
wordt gewijzigd als volgt:</al>
    <witreg></witreg>
    <al>A</al>
    <al>Artikel 1, onderdeel h, komt te luiden:</al>
    <al>h. natuurgebied: natuurgebied als bedoeld in artikel 1, onderdeel t, van
de Subsidieregeling natuurbeheer.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>B</al>
    <al>Artikel 3 wordt gewijzigd als volgt:</al>
    <al>1. In het eerste lid wordt de zinsnede ’artikel 2, onderdelen a
tot en met c’ vervangen door: artikel 2, onderdelen a en b.</al>
    <al>2. Het vierde en vijfde lid vervallen.</al>
    <al>3. Het zesde lid wordt vernummerd tot vierde lid.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>C</al>
    <al>Toegevoegd wordt een nieuw artikel 3a, luidende:</al>
    <al>Artikel 3a</al>
    <al>1. Voor subsidie als bedoeld in artikel 2, onderdelen c en d, komen de
in artikel 3, eerste en tweede lid, genoemde instellingen tot en met het kalenderjaar
2003 in aanmerking.</al>
    <al>2. De aan een instelling als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid,
te verlenen subsidie, als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, onderscheidenlijk
onderdeel d, kan voor het kalenderjaar 2000, 2001, onderscheidenlijk 2002,
op niet meer hectares betrekking hebben dan onderscheidenlijk overeenkomt
met 85%, 60% en 30% van het bij de desbetreffende instelling,
op het tijdstip van inwerkingtreding van de Subsidieregeling natuurbeheer,
in beheer zijnde areaal.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>D</al>
    <al>In artikel 6 wordt ’in een begrensd natuurontwikkelingsproject of
reservaatsgebied of in een gebied waarbinnen begrenzing van een natuurontwikkelingsproject
of reservaatsgebied zal plaatsvinden’ vervangen door: in een, op grond
van de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling begrensd natuurontwikkelingsproject
of reservaatsgebied, of in een natuurgebied, dan wel een gebied dat als natuurgebied
zal worden begrensd.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>E</al>
    <al>Artikel 17 vervalt. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 107</tuskop>
    <al>1. De Regeling effectgerichte maatregelen in bossen en natuurterreinen
wordt met ingang van 1 januari 2001 gewijzigd als volgt: artikel 5, tweede
lid, komt te vervallen.</al>
    <al>2. De Regeling effectgerichte maatregelen in bossen en natuurterreinen<sup>4</sup> wordt met ingang van 1 januari 2003 ingetrokken.</al>
    <al>3. Op subsidies verleend op grond van de in het tweede lid bedoelde regeling,
blijft die regeling van toepassing. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 108</tuskop>
    <al>1. De Regeling stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden<sup>5</sup>
wordt ingetrokken.</al>
    <al>2. Op subsidies verleend op grond van de in het eerste lid bedoelde regeling,
blijft die regeling van toepassing. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 109</tuskop>
    <al>Artikel 2 van de beschikking van de Staatssecretaris van Landbouw en Visserij
van 28 december 1982, houdende vaststelling van de werkzaamheden van het Bureau
beheer landbouwgronden, wordt gewijzigd als volgt:</al>
    <al>1. In onderdeel i wordt ’de Staat (Staatsbosbeheer)’ vervangen
door: Staatsbosbeheer.</al>
    <al>Onderdeel k komt te luiden:</al>
    <al>k. verkrijgen, tijdelijk beheren of vervreemden van onroerende goederen,
gelegen in een op grond van de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling
vastgesteld beheersgebied, voorzover met betrekking tot die goederen op grond
van die regeling een beheersovereenkomst is gesloten;</al>
    <al>2. De onderdelen l tot en met r worden verletterd tot o tot en met u.</al>
    <al>3. Onderdeel s wordt verletterd tot onderdeel l en komt te luiden:</al>
    <al>l. verkrijgen, tijdelijk beheren en vervreemden van onroerende goederen,
gelegen in een op grond van de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling
vastgesteld reservaatsgebied, dan wel natuurontwikkelingsproject, dan wel
gelegen in een bij een dergelijk gebied behorend en in het desbetreffende
begrenzingenplan opgenomen aankoopgebied.</al>
    <al>4. Ingevoegd wordt een nieuw onderdeel m en een nieuw onderdeel n, luidende:</al>
    <al>m. verkrijgen, tijdelijk beheren en vervreemden van onroerende goederen,
gelegen in een natuurgebied als bedoeld in artikel 1, onderdeel q, van de
Subsidieregeling natuurbeheer, dan wel in een aankoopgebied als bedoeld in
artikel 1, onderdeel r, van die regeling.</al>
    <al>n. verkrijgen, tijdelijk beheren en vervreemden van onroerende goederen,
gelegen in een beheersgebied als bedoeld in artikel 1, onderdeel m, van de
Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, voor zover met betrekking tot die
goederen op grond van die regeling beheerssubsidie is verleend. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 110</tuskop>
    <al>De Subsidieregeling natuurbeheer<sup>6</sup> wordt ingetrokken. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 111</tuskop>
    <al>1. De Regeling functiebeloning bos en natuurterreinen<sup>7</sup> wordt
met ingang van 1 januari 2001 ingetrokken.</al>
    <al>2. Op subsidies verleend op grond van de in het eerste lid bedoelde regeling,
blijft die regeling van toepassing.</al>
    <al>3. De begrenzingen van gebieden waar waardevolle bosgemeenschappen zijn
gelegen als aangegeven in bijlage 1 van de in het eerste lid bedoelde regeling
zijn van kracht voor de toepassing van de onderhavige regeling. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 112</tuskop>
    <al>Deze regeling treedt in werking met ingang van op 1 januari 2000. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 113</tuskop>
    <al>Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling natuurbeheer 2000.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.</al>
  </body>
  <backm>
    <ondtek>’s-Gravenhage, 20 december 1999 .<nl></nl><min>De Staatssecretaris
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,</min>G.H. Faber.<nl></nl></ondtek>
    <toelicht>
      <al>
        <sup>1</sup> Stcrt. 1998, 138; gewijzigd bij ministeriële regeling
van 31 juli 1998 (Stcrt. 143).</al>
      <al>
        <sup>2</sup> Stcrt. 1998, 163; gewijzigd bij ministeriële regeling
van 21 december 1998 (Stcrt. 245).</al>
      <al>
        <sup>3</sup> Stcrt. 1993, 143; gewijzigd bij ministeriële regeling
van 10 december 1996 (Stcrt. 243).</al>
      <al>
        <sup>4</sup> Stcrt. 1995, 246; gewijzigd bij ministeriële regeling
van 14 december 1998 (Stcrt. 241).</al>
      <al>
        <sup>5</sup> Stcrt. 1993, 224; gewijzigd bij ministeriële regeling
van 15 december 1997Stcrt. 1998, (Stcrt. 245).</al>
      <al>
        <sup>6</sup> Stcrt. 1998, 138; gewijzigd bij ministeriële regeling
van 31 juli 1998 (Stcrt. 143).</al>
      <al>
        <sup>7</sup> Stcrt. 1994, 163; gewijzigd bij ministeriële regeling
van 15 december 1997 (Stcrt. 245). </al>
      <tuskop letat="vet">Toelichting </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Algemeen</tuskop>
      <al>De onderhavige regeling vloeit voort uit de heroriëntatie van het
subsidiestelsel van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij op het punt van de
subsidiëring van natuur, bos en landschap. Deze heroriëntatie heeft
plaatsgevonden in het kader van het Programma Beheer, ingang gezet op basis
van de Nota Dynamiek en Vernieuwing (kamerstukken II 1994/95, 24 140, nrs.
1-2) van de voormalige Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. De
stelselwijziging is aangekondigd in de brief van die Minister aan de Tweede
Kamer van 20 juni 1997 (kamerstukken II 1996/97, 25 420, nr. 1).</al>
      <al>De stelselwijziging geeft vorm aan het beleid om particulieren meer bij
het natuurbeheer te betrekken, zowel binnen als buiten de ecologische hoofdstructuur
(EHS). De regeling bevat dan ook subsidiemogelijkheden die met name de rol
van particulieren bij dat beheer versterken. In het bijzonder geldt dit mogelijkheden
voor beheer en omvorming van terreinen, in het bezit bij particuliere grondeigenaars,
waar thans vooral verwerving door particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties
voorop staat. Een en ander neemt overigens niet weg dat deze laatstbedoelde
organisaties belangrijke taken behouden bij het beheer van natuurterreinen,
welke taken met deze regeling eveneens blijvend worden ondersteund.</al>
      <al>Een ander belangrijk nieuw element is dat meer op basis van een aan output-sturing
gerelateerd systeem subsidies worden verstrekt. Hierdoor wordt een directe
relatie aangebracht tussen de subsidie en de daarmee beoogde natuurdoelen.
Instandhouding en ontwikkeling van natuurterreinen kan hiermee meer direct
worden bevorderd. Hiermee worden tevens de prestaties van particuliere terreinbeheerders
en terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties objectiveerbaar en dus
ook vergelijkbaar gemaakt.</al>
      <al>In dat verband is een essentieel onderdeel van dit systeem de subsidiëring
op basis van zogenoemde doelpakketten (basis-, plus-, landschaps- en recreatiepakketten),
zoals opgenomen in de onderscheiden bijlagen bij deze regeling. De subsidies
zullen worden gebaseerd op normkosten, gekoppeld aan de eisen die het desbetreffende
doelpakket stelt aan het beheer.</al>
      <al>Deze stelselwijziging zal er dan ook toe leiden dat de doelmatigheid en
efficiency van het natuurbeleid wordt bevorderd.</al>
      <al>In eerste instantie is hiertoe bij besluit van 20 juli 1998 (Stcrt. 138
) de Subsidieregeling natuurbeheer vastgesteld. Deze subsidieregeling is echter
maar gedeeltelijk, namelijk voorzover het het opstellen van natuurgebiedsplannen
door de provincies betreft, in werking getreden. Met inachtneming van bovenstaande
overwegingen heeft daarna een nadere bezinning plaatsgevonden op die regeling.
Daarbij heeft verdere vereenvoudiging van het stelsel, vooral uit een oogpunt
van uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, centraal gestaan. Hierover is de
Tweede Kamer bericht bij brieven van 5 oktober 1998 ( kamerstukken II 1998/99,
25 420, nr. 10) en 29 januari 1999 ( kamerstukken II 1998/99, 25 420, nr.
11).</al>
      <al>De onderhavige regeling vervangt die van 20 juli 1998. De Subsidieregeling
van 20 juli zal worden ingetrokken. Belangrijke wijzigingen ten opzichte van
die regeling zijn vooral:</al>
      <al>· het terugdringen van het aantal doelpakketten,</al>
      <al>· het versterken van de output-sturing door deze mede samen te
doen gaan met het opnemen van beheersmaatregelen, hetgeen mede de controleerbaarheid
ten goede komt</al>
      <al>· het inbrengen van stimulansen voor het verhogen van de natuurkwaliteit
door middel van een onderscheid tussen basis- en pluspakketten,</al>
      <al>· het loskoppelen van de subsidiëring van functieverandering
welke voor dertig jaar wordt verleend van de zesjarige beheerssubsidies en</al>
      <al>· een gewijzigde regeling voor recreatiesubsidies.</al>
      <al>Naast deze punten zijn vele kleinere veranderingen aangebracht teneinde
de effectiviteit en uitvoerbaarheid van de regeling te vergroten. In het hierna
volgende zal hierop te bestemder plaatse nader worden ingegaan.</al>
      <al>Deze regeling zal samen met de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer,
die gelijk met deze regeling is vastgesteld, het nieuwe subsidiekader op de
beleidsterreinen natuur, bos en landschap vormen. De Subsidieregeling agrarisch
natuurbeheer ziet op de stimulering van de ontwikkeling of het beheer van
natuur en bos in gebieden waar uitoefening van landbouwactiviteiten blijvend
voorop staat, alsmede op de ontwikkeling van landschappelijke elementen in
dergelijke gebieden. De onderhavige regeling richt zich op gebieden waar de
instandhouding of ontwikkeling van natuurwaarden en van bos de primaire functie
vormt. Voorzover het daarbij om landbouwgronden gaat, betreft het derhalve
functiewijziging. De betreffende gronden worden aan de bedrijfsmatige landbouw
onttrokken. Natuurbeheer vindt aldaar toepassing.</al>
      <al>De onderhavige regeling komt in de plaats van diverse subsidie-instrumenten
voor bos en natuur.</al>
      <al>Allereerst gaat het om de Regeling functiebeloning bossen en natuurterreinen,
op grond waarvan aan natuurlijke personen, privaatrechtelijke rechtspersonen
en publiekrechtelijke lichamen subsidie kon worden verstrekt ten behoeve van
de duurzame instandhouding van bossen en natuurterreinen. Meer dan die regeling
maakt de onderhavige regeling subsidie mogelijk, gericht op het behoud en
de bevordering van de specifieke kenmerken van het desbetreffende gebied;
dit door middel van de subsidiëring op basis van zogenoemde doelpakketten.</al>
      <al>Daarnaast gaat het om de Regeling effectgerichte maatregelen in bossen
en natuurterreinen op grond waarvan aan de hiervoor bedoelde personen en lichamen
subsidie kon worden verstrekt ter dekking van de kosten van werkzaamheden
in bossen en natuurterreinen, gericht op vermindering of het ongedaan maken
van de effecten van verzuring en vermesting als gevolg van luchtverontreiniging
en de effecten van verdroging. Een met die regeling overeenkomstig regime
wordt in de onderhavige regeling opgenomen. Daarbij wordt een relatie gelegd
tussen de verschillende effectgerichte maatregelen en het desbetreffende doelpakket.</al>
      <al>Ook de Regeling beheer samenwerking bos 1993, op grond waarvan aan de
hiervoor bedoelde personen en lichamen een bijdrage kon worden verstrekt ter
stimulering van hun samenwerking met betrekking tot het beheer van de hun
toebehorende bossen, is met de onderhavige regeling komen te vervallen. De
onderhavige regeling voorziet eveneens in de mogelijkheid samenwerkingsverbanden
te subsidiëren (artikel 21 ). Daarnaast is het mogelijk gemaakt ook rechtspersonen,
waarbij grondgebruikers zijn aangesloten of waarvan zij lid zijn, rechtstreeks
te subsidiëren (artikelen 5 en 6). In het hierna volgende zal op deze
laatste mogelijkheid, die onder andere van belang is voor milieucoöperaties,
nader worden ingegaan.</al>
      <al>De regeling zal - gefaseerd - eveneens de Regeling subsidies particuliere
terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties vervangen, waar het gaat om
de mogelijkheid tot het verkrijgen van subsidies voor het beheer van gronden
door de in artikel 3 van die regeling genoemde particuliere terreinbeherende
natuurbeschermingsorganisaties. Voor een nadere toelichting wordt verwezen
naar de toelichting bij artikel 106. De in de genoemde regeling opgenomen
mogelijkheid subsidie te verkrijgen voor projecten, gericht op instandhouding,
het herstel of de ontwikkeling van natuurwaarden, landschappelijke, cultuurhistorische
of bosbouwkundige waarden zal tevens gefaseerd met de onderhavige regeling
komen te vervallen.</al>
      <al>De regeling zal ook ten dele de Regeling stimulering bosuitbreiding op
landbouwgronden vervangen. Die regeling bood tot op heden de mogelijkheid
tot het verkrijgen van subsidie ter dekking van de kosten van aanleg van bos
op landbouwgrond, alsmede subsidie ter compensatie van het inkomensverlies,
voortvloeiend uit die bosaanleg, waarbij een onderscheid werd gemaakt tussen
de aanleg van het zogenaamde tijdelijk bos, bos waarvoor voorafgaand aan de
aanleg een vrijstelling is verleend op grond van de Regeling meldings- en
herplantplicht, en het zogenaamde blijvend bos, bos waarvoor voorafgaand aan
de aanleg een dergelijke vrijstelling niet was verleend. De subsidiëring
van blijvend bos zal op grond van de onderhavige regeling kunnen geschieden.
De aanleg en het beheer van zogenaamde tijdelijk bos wordt gesubsidieerd op
grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer.</al>
      <al>Voorzover het gaat om de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling,
worden subsidies ten aanzien van voormalige reservaatsgebieden en natuurontwikkelingsgebieden
verstrekt op grond van de onderhavige regeling. Subsidiemogelijkheden ten
aanzien van beheersgebieden zijn opgenomen in de Regeling agrarisch natuurbeheer.
Het overgangsregime is geregeld in de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer.</al>
      <al>De onderhavige regeling voorziet in een zestal subsidiemogelijkheden.</al>
      <al>Allereerst is dit de beheerssubsidie: een bijdrage per hectare voor het
beheer van een terrein, gericht op de instandhouding van zogenaamde doelpakketten,
in welke pakketten concrete natuur- en bostypen zijn beschreven. Deze subsidie
is gericht op het instandhouden van natuur die reeds ter plaatse bestaat.
Het gaat hierbij derhalve om bestaande natuur.</al>
      <al>De pakketten bestaan uit een samenstel van vegetatietypen of houtopstanden,
de flora-elementen, in voorkomende gevallen aangevuld met terreinkenmerken
en fauna-elementen. Daarnaast bevatten de doelpakketten veelal beheersvoorschriften
die ten minste nodig zijn om de natuur- of bostypen te handhaven. Bij de doelpakketten
wordt onderscheid gemaakt tussen zogenaamde basispakketten en pluspakketten.
Dit onderscheid wordt bepaald door de kwaliteit en diversiteit van de natuurwaarden
en de intensiteit van de beheersinspanningen die de instandhouding van die
waarden bepaald. De basis- en pluspakketten zijn op hun beurt afgeleid van
de - in de diverse rijksbeleidsnota’s zoals het Natuurbeleidsplan als
bedoeld in de Natuurbeschermingswet verwoorde - doelstellingen ten aanzien
van de kwaliteit van natuur en bos in Nederland.</al>
      <al>De regeling biedt in de tweede plaats de mogelijkheid voor terreinen zogenoemde
inrichtingssubsidie te verstrekken. Deze subsidie is bedoeld voor al die maatregelen
die het oog hebben op omvorming of ontwikkeling van natuurwaarden. Met omvorming
wordt gedoeld op het verder ontwikkelen van reeds bestaande natuur naar een
hogere natuurkwaliteit. Van ontwikkeling is sprake als zogenoemde ’nieuwe’
natuur gaat ontstaan. Natuurontwikkeling gaat veelal gepaard met functieverandering
van de betreffende grond.</al>
      <al>Deze inrichtingssubsidie heeft tweeërlei oogmerk. In de eerste plaats
komen voor inrichtingssubsidie in aanmerking maatregelen met een eenmalig
karakter waarmee rechtstreeks en direct de fysieke condities of kenmerken
van gronden worden gewijzigd. Hiermee kunnen de noodzakelijke randvoorwaarden
worden gecreëerd voor de ontwikkeling van een bepaald basis- of pluspakket
wanneer sprake is van functieverandering van gronden, met name de ontwikkeling
van landbouwgronden naar natuur of bos. Ook kunnen dergelijke eenmalige maatregelen
nodig blijken voor de omvorming van natuur of bos teneinde deze vanuit een
ecologische invalshoek op een hoger plan te brengen.</al>
      <al>Naast deze maatregelen met een eenmalig karakter wordt de inrichtingssubsidie
echter ook benut voor het begeleidend beheer dat nodig is om het nagestreefde
natuurdoel te bereiken. Inrichtingssubsidie wordt verstrekt voor een tijdvak
(zes jaar). Het inrichten van een terrein is maatwerk. Niet altijd zal gedurende
het gehele tijdvak sprake zijn van inrichtingsmaatregelen. In de tijd die
resteert zal de beheerder beheersmaatregelen moeten treffen die noodzakelijk
zijn om het nagestreefde natuurdoel te bereiken.</al>
      <al>Inrichtingssubsidie zal dienen te passen in het bestemmingsplan.</al>
      <al>In de derde plaats kan subsidie worden verleend voor functieverandering
van gronden. Deze subsidie, die als enige op basis van deze regeling wordt
verleend voor dertig jaar, wordt berekend op basis van een kapitalisatie van
het inkomensverlies als gevolg van de functieverandering van de betreffende
gronden. Deze subsidie gaat altijd samen met een inrichtingssubsidie. Hierbij
wordt uitgegaan van een blijvende functieverandering. Dit heeft tevens aanleiding
gegeven voor de subsidieduur.</al>
      <al>In de vierde plaats kan uit hoofde van de regeling recreatiesubsidie worden
verstrekt.</al>
      <al>Met de subsidiëring van de instandhouding van het recreatiepakket
is beoogd de recreatieve functie van bossen en natuurterreinen, waarvan het
beheer financieel wordt ondersteund door middel van beheerssubsidie uit hoofde
van de onderhavige regeling, te versterken. Om die reden kan dan ook uitsluitend
recreatiesubsidie worden verstrekt voor terreinen ten aanzien waarvan tevens
beheerssubsidie wordt verstrekt.</al>
      <al>Het belang van de recreatie in bos en natuur wordt daarenboven onderstreept
met de mogelijkheid op de beheerssubsidie een toeslag te ontvangen indien
het terrein gedurende in beginsel het hele jaar voor het publiek wordt opengesteld.</al>
      <al>In de vijfde plaats kent de regeling een mogelijkheid effectgerichte maatregelen
te bevorderen overeenkomstig de eerder vermelde Regeling effectgerichte maatregelen
in bossen en natuurterreinen. Ook deze subsidie is gekoppeld aan een beheerssubsidie
en gerelateerd aan daarvoor in aanmerking komende basis- en pluspakketten.</al>
      <al>In de zesde plaats kan op grond van de onderhavige regeling subsidie worden
verleend ten behoeve van de instandhouding en ontwikkeling van landschapselementen
in gebieden gelegen in natuurgebiedsplannen. Meer ten algemene zullen gelijke
subsidies op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer ook in andere
begrensde gebieden kunnen worden verleend.</al>
      <al>De onderhavige regeling verschilt op een drietal hoofdpunten in belangrijke
mate van het hiervoor geschetste subsidie-instrumentarium dat is komen te
vervallen.</al>
      <al>Allereerst is in dat verband van belang dat met de onderhavige regeling,
via de doelpakketten, concreet gestuurd wordt op door de overheid gewenste
natuur- en bostypen. Er wordt daarmee een directe relatie gelegd met de rijksbeleidsdoelstellingen
ten aanzien van de in Nederland gewenste kwaliteit van natuur en bos. Ook
met betrekking tot de gewenste hoeveelheid van elk type natuur of bos zal
uitdrukkelijk sturing plaatsvinden. Deze sturing geschiedt samen met de provincies.
Daartoe zullen met de provincies landelijk afspraken worden gemaakt over streefdoelen.
Deze zullen per provincie worden uitgewerkt in zogenoemde natuurdoeltypenkaarten.
Deze kaarten hebben een beleidsmatig karakter en zullen worden uitgewerkt
en geconcretiseerd in de natuurgebiedsplannen als bedoeld in deze regeling
en in de beheersgebiedsplannen als bedoeld in de Subsidieregeling agrarisch
natuurbeheer. Voor bestaande natuur geldt in beginsel het ten minste handhaven
van het areaal en van de natuurkwaliteit aldaar.</al>
      <al>Hiernaast zal sturing mede kunnen geschieden door de jaarlijkse vaststelling
van subsidieplafonds waarbij zowel per subsidiecategorie als per type doelpakket
het beschikbare bedrag kan worden vastgesteld.</al>
      <al>In de toelichting op de artikelen 7 en 13 tot en met 18 wordt op dit proces
van planvorming en sturing nader ingegaan.</al>
      <al>Een ander belangrijk verschil is dat het verkrijgen van beheers-, landschap-
en recreatiesubsidie afhankelijk is van de vraag of het concrete pakket, ten
behoeve waarvan subsidie is verleend, daadwerkelijk in de bij de subsidieverlening
bepaalde periode in stand is gehouden. Is dit niet het geval dan zal de subsidie,
behoudens gevallen waarin sprake is van overmacht, op een lager bedrag worden
vastgesteld dan het bedrag van de subsidie, zoals dit is opgenomen in de beschikking
tot subsidieverlening. Met dit systeem wordt in grote mate de verantwoordelijkheid
voor het beheer van terreinen bij de subsidieontvanger zelf gelegd. Hij zal
zorg dienen te dragen voor het treffen van zodanige maatregelen dat het met
de subsidie beoogde doel ook daadwerkelijk wordt bereikt. Zowel uit het oogpunt
van rechtszekerheid als uit het oogpunt van controleerbaarheid zijn daartoe
in de pakketten veelal ook een aantal concrete beheersmaatregelen geformuleerd.
Het uitvoeren van deze maatregelen verzekert betrokkene in belangrijke mate
van de subsidie. Een en ander hangt direct samen met de inhoud en beschrijving
van het desbetreffende pakket. Ten aanzien van de beheerssubsidie is daarbij
mede van belang het onderscheid tussen basis- en pluspakketten.</al>
      <al>Een derde belangrijk verschil is het feit dat een ieder voor subsidie
uit hoofde van de regeling in aanmerking kan komen. Het voorheen bestaande
subsidiestelsel, waarbij verschillende doelgroepen via verschillende subsidieregelingen
subsidie konden verkrijgen voor het beheer van natuur en bos is daarmee komen
te vervallen. De gedachte achter het vervallen van dit onderscheid is dat
niet zozeer de rechtsvorm of doelstelling van de subsidieontvanger bij het
beheer van (natuur)terreinen van belang is, als wel de vraag of de desbetreffende
subsidieontvanger in staat is de natuur- of bosdoelen, op de ontwikkeling
of instandhouding waarvan de regeling ziet, te kunnen bereiken. Belangrijke
consequentie hiervan is dat thans bij de ontwikkeling van natuur of bos ook
uitdrukkelijk een rol weggelegd is voor de particulier, veelal de agrariër,
die op zijn landbouwgrond of delen daarvan natuur wenst te ontwikkelen. Daarom
voorziet de regeling ook in de mogelijkheid om aan rechtspersoonlijkheid bezittende
samenwerkingsverbanden, zoals milieucoöperaties en agrarische natuurverenigingen,
subsidie te verstrekken, ook in het geval een dergelijk samenwerkingsverband
niet zelf beschikt over enig gebruiksrecht met betrekking tot de grond waarop
de subsidie betrekking heeft.</al>
      <al>De regeling is gebaseerd op de Verordening nr. 1257/99 van 17 mei 1999
van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake steun voor plattelandsontwikkeling
uit het Europees Oriëntatie- en garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL)
en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen (Pb EG L 160).
Deze verordening vervangt onder andere de Verordening (EEG) 2078/92 van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 juni 1992 betreffende landbouwproductiemethoden
die verenigbaar zijn met de eisen inzake milieubescherming en betreffende
natuurbeheer (Pb EG L 215) en Verordening (EEG) 2080/92 van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 30 juni 1992 (Pb EG L 215) tot instelling van
een communautaire steunregeling voor bosbouwmaatregelen in de landbouw.</al>
      <al>De onderhavige regeling is een belangrijke ommezwaai ten opzichte van
het bestaande stelsel. Het wordt daarom van belang geacht dat deze regeling
nauwkeurig zal worden beschouwd vanaf het moment van inwerkingtreding. Een
eerste evaluatie wordt voorzien na een periode van drie jaar. Daarbij zullen
mede subsidieontvangers dan wel categorieën van subsidieontvangers via
koepelorganisaties dan wel belangenbehartigers, worden betrokken. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikelsgewijs </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1 </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel d </tuskop>
      <al>Beheerder in de zin van de regeling kan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon
zijn, mits hij beschikt over de eigendom of over een duurzaam gebruiksrecht
van de gronden waarvoor subsidie op grond van de onderhavige regeling wordt
aangevraagd. Hierop bestaan twee uitzonderingen, welke zijn geregeld in de
artikelen 5, onderscheidenlijk 6. Deze artikelen betreffen de mogelijkheid
dat verenigingen of andere organisaties of samenwerkingsverbanden, ook al
beschikken zij niet over de eigendom of een duurzaam gebruiksrecht, voor hun
leden dan wel aangeslotenen subsidie aanvragen.</al>
      <al>Voorzover de beheerder een vereniging is, dient het te gaan om een vereniging
met volledige rechtsbevoegdheid, aangezien slechts zodanige verengingen registergoederen
kunnen verkrijgen en erfgenaam kunnen zijn.</al>
      <al>Tot een duurzaam gebruiksgerechtigde behoort ook een pachter. Die kan
derhalve zelf en op eigen titel om subsidie op grond van deze regeling verzoeken.
Echter, voorzover het gaat om subsidie voor functieverandering en inrichtingssubsidie
kan de pachter uitsluitend subsidie aanvragen indien de verpachter hiermede
akkoord is. Dit is geregeld in de artikelen 41 en 53.</al>
      <al>Dit laatste geldt evenzeer voor pachtssituaties, gericht op het instandhouden
of bevorderen van natuurwaarden.In artikel 20, zesde lid, is bepaald dat de
verpachter, veelal een particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie,
dient in te stemmen met de subsidieaanvrage door de pachter. Dit geeft bedoelde
organisaties de gelegenheid met de pachter sluitende afspraken te maken over
het beheer overeenkomstig de beheerssubsidie.</al>
      <al>Gelijk als voor de pachter geldt dit ook ten aanzien van andere beperkt
gerechtigden.</al>
      <al>Het woord ’duurzaam’ in de begripsomschrijving maakt duidelijk
dat de beheerder voor een langere periode over het gebruiksrecht moet kunnen
beschikken. Daarbij wordt gedacht aan perioden van ten minste een tijdvak
van zes jaar. Voor een dergelijk tijdvak wordt immers subsidie verleend. Dit
betekent dat onder meer dat pachters met pachtovereenkomsten van kortere duur
in beginsel zijn uitgesloten van subsidie. </al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel e</tuskop>
      <al>De definitie van ondernemer betreft landbouwers. Deze begripsomschrijving
is opgenomen met het oog op mogelijkheden van cofinanciering op grond van
de in het algemeen deel van deze toelichting genoemde EU-kaderverordening.
Voor die cofinanciering is het van belang of de uiteindelijk gesubsidieerde
landbouw- ondernemer is. Dit vloeit thans voort uit de reeds genoemde Verordening
nr. 1257/99 inzake steun voor plattelandsontwikkeling. </al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel f</tuskop>
      <al>Om als landbouwgrond in de zin van de regeling te kunnen worden aangemerkt,
dient op de desbetreffende grond vanaf 31 juli 1992 een vorm van landbouw
te hebben plaatsgevonden. Hiermee wordt voorkomen dat grond die eerst (zeer)
recent ten behoeve van de uitoefening van de landbouw in gebruik is genomen
eveneens als landbouwgrond zou moeten worden beschouwd.</al>
      <al>Voorts wordt als landbouwgrond aangemerkt de grond die uit productie is
genomen uit hoofde van de Beschikking ter zake van het uit productie nemen
van bouwland of uit hoofde van de Beschikking steunverlening producten akkerbouwgewassen.
Bij deze gronden is in het kader van de beoordeling van de subsidieverlening
uit hoofde van de genoemde regelingen reeds vastgesteld dat daadwerkelijk
sprake is van landbouwgrond. </al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel g en h</tuskop>
      <al>In beginsel zijn alle natuurterreinen in Nederland onder te brengen in
een basispakket. Het grootste deel van de bestaande natuur voldoet op basis
van de huidige kwaliteit aan de voorwaarden van een basispakket.</al>
      <al>De instandhouding van deze natuurkwaliteit wordt gewaarborgd door middel
van een samenstel van voorwaarden die betrekking hebben op de aanwezigheid
van vegetatiekenmerken of terreinkenmerken. De pakketten bevatten tevens voorwaarden
met betrekking tot het beheer.</al>
      <al>Pluspakketten dienen voor de instandhouding van extra natuurkwaliteit
ten opzichte van die omschreven in de basispakketten. In het geval dat het
realiseren van de natuurkwaliteit verloopt via inrichting, ontwikkeling of
omvorming, duurt dit traject tot de gewenste natuurkwaliteit is gerealiseerd.
Vanaf dat moment kan een subsidie voor instandhouding van een pluspakket worden
verleend. Ook de pluspakketten omvatten een samenstel van voorwaarden aan
vegetatie- en terreinkenmerken. Waar nodig zijn ook voorwaarden met betrekking
tot het beheer toegevoegd. Anders dan bij de basispakketten, kunnen bij pluspakketten
ook specifieke flora-en fauna-elementen in het desbetreffende pakket worden
opgenomen.. Voor de aanwezigheid van die fauna-elementen dient dan over het
algemeen een monitorprogramma te worden gevolgd. </al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel k</tuskop>
      <al>Beheerseenheid is het begrip dat in de onderscheiden basis-en pluspakketten
wordt gehanteerd als minimum-oppervlakte waarop het desbetreffende pakket
wordt in stand gehouden.</al>
      <al>Aanvragen voor subsidie betreffen echter niet beheereenheden maar terreinen.
Binnen een terrein kunnen dan ook meerdere beheereenheden voorkomen. Mede
gelet op de omschrijving van de verschillende basis -en pluspakketten kunnen
deze elkaar niet overlappen. In artikel 25, eerste lid, is dit met zoveel
woorden ook bepaald. </al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel r</tuskop>
      <al>In het natuurgebiedsplan zal worden bepaald voor welke hectares zogenoemde
overgangsbeheersubsidie zal kunnen worden verleend op grond van de Subsidieregeling
agrarisch natuurbeheer. Dit betreft een subsidie die kan worden verleend voor
de onder de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling begrensde
reservaatsgebieden.</al>
      <al>Een zodanige subsidie kan in beginsel worden verstrekt voor één
tijdvak indien de beheerder reeds eerder een overeenkomst had gesloten op
grond van de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling, de Regeling
beheersovereenkomsten 1988 en 1993, of de Beschikking beheersovereenkomsten.
Indien een beheerder niet eerder een overeenkomst had gesloten op grond van
de in de vorige zin genoemde regelingen, dan kan de beheerder voor subsidie
in aanmerking komen op grond van de onderhavige regeling tot en met 31 december
2009. Als blijkt dat met het overgangsbeheer de in het natuurgebiedsplan bepaalde
natuur doelstellingen worden bereikt, kan niettemin de overgangsbeheerssubsidie
ook voor volgende tijdvakken worden verleend. </al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel u</tuskop>
      <al>Een ruilgebied wordt bij het natuurgebiedsplan apart begrensd. In dat
gebied kunnen eveneens gronden worden verworven door het bureau beheer landbouwgronden.
Deze verwerving dient echter uitsluitend ter ondersteuning van verwerving
in het natuurgebied. Ook ruil van grond kan daartoe een middel zijn. </al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel v</tuskop>
      <al>In een natuurgebiedsplan zullen onder andere de basis- en pluspakketten
zijn opgenomen, voor de ontwikkeling of omvorming waarvan in het desbetreffende
gebied subsidie kan worden verstrekt. Per pakket of groep van pakketten, zal
in het desbetreffende plan ook een bijbehorend quotum worden opgenomen. Met
dat quotum wordt aangegeven voor hoeveel hectares in het desbetreffende gebied
subsidie voor de desbetreffende pakketten kan worden verleend. Een en ander
zal veelal gepaard gaan met inrichtingssubsidie, al dan niet gekoppeld met
een subsidie functieverandering. Voor de landschapspakketten zal in enkele
gevallen het quotum niet worden uitgedrukt in hectares maar in meters. </al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel w</tuskop>
      <al>Uitgangspunt bij de definitie van terrein is dat sprake is van een zodanig
aaneengesloten gebied dat daarbinnen de omvorming, ontwikkeling of handhaving
van het ecosysteem ten behoeve waarvan subsidie zal worden verstrekt redelijkerwijs
kan plaatsvinden. Het kan daarbij gaan om oppervlaktes die in het geheel niet,
ten dele, of geheel bestaan uit water. Een en ander wordt vooral bepaald door
de omschrijving van het basis -of pluspakket dat wordt in stand gehouden of
door middel van functiewijziging en inrichting wordt nagestreefd.</al>
      <al>In het algemeen zullen in het veld aanwezige natuurlijke grenzen zoals
waterlopen en rivieren of door menselijk ingrijpen gecreëerde grenzen
zoals wegen of spoorlijnen ook de grenzen markeren van het desbetreffende
terrein. Zij doorsnijden immers in het algemeen het gebied zodanig dat dit
niet als aaneengesloten gebied kan worden beschouwd. Niet in alle gevallen
is evenwel de doorsnijding van dien aard dat in redelijkheid het aaneengesloten
karakter van een terrein in het geding is. Dit geldt met name voor plattelandswegen,
waterlopen van beperkte breedte en enkelsporige spoorlijnen zonder elektrische
bovenleiding.</al>
      <al>Niettemin zal het in de praktijk veelal zo zijn dat terreinen als hierboven
bedoeld in hun onderlinge samenhang als een eenheid worden beheerd als gevolg
van het over het algemeen relatief kleinschalig landschap dat Nederland kenmerkt.
Teneinde de praktische werkbaarheid van de regeling te bevorderen is daarom
in het tweede lid van dit artikel bepaald dat ook een samenstel van terreinen
dat als geheel wordt beheerd, voor subsidie in aanmerking zal kunnen worden
gebracht.</al>
      <al>Binnen een terrein dan wel een samenstel van terreinen mag ten hoogste
1% van de oppervlakte bestaan uit bebouwing. Hierbij moet met name
gedacht worden aan stallen, schuren of waterbeheersingswerken. Bestaat een
gebied voor meer dan 1% uit bebouwing, dan zal de subsidieaanvrager
het voor subsidie in aanmerking te brengen gebied zodanig dienen te beperken,
dat dit gebied voldoet aan de beschrijving van terrein.</al>
      <al>Aangesloten is bij de omschrijving van het begrip terrein zoals geschiedt
voor de toepassing van de Natuurschoonwet 1928. </al>
      <tuskop letat="cur">Onderdelen aa en ab</tuskop>
      <al>De in deze onderdelen benoemde begrippen hangen samen met de vaststelling
van de beheersbijdrage, bedoeld in de verschillende pluspakketten overeenkomstig
in artikel 38. Verwezen wordt naar de toelichting bij dat artikel. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2</tuskop>
      <al>In dit artikel is ten algemene geregeld voor welke onderscheiden subsidies
uit hoofde van de regeling subsidies kunnen worden verstrekt. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 3</tuskop>
      <al>In het eerste lid van dit artikel worden van subsidie uitgesloten alle
publiekrechtelijke lichamen behalve gemeenten, en voorts waterwinbedrijven.
Ook aan door deze rechtspersonen opgerichte andere rechtspersonen kan geen
subsidie worden verstrekt. Belangrijkste reden hiervoor is dat hun terreinen
primair voor andere doelen dan natuur worden aangewend en hun instandhouding
niet met dat als eerste oogmerk geschiedt. Dit neemt niet weg dat die instandhouding
en de inspanningen die in dat kader worden verricht veelal ook de natuur ten
goede kunnen komen. Op deze hoofdregel wordt voor gemeenten een uitzondering
gemaakt. Voorzover zij bos of natuurterreinen bezitten, staan daarbij wel
natuurdoelen voorop, mede ten behoeve van hun ingezetenen.</al>
      <al>Ten aanzien van gemeenten en samenwerkingsverbanden van gemeenten geldt
ingevolge het tweede lid dat zij subsidie kunnen ontvangen mits ten gunste
van het bureau beheer landbouwgronden een voorkeursrecht wordt gevestigd.
Voorts dient het betreffende terrein overeenkomstig zijn hoedanigheid te zijn
bestemd in het bestemmingsplan. Dit is een extra waarborg dat de betreffende
terreinen in stand worden gehouden welke waarborg hierbij daarom aan de bestemmingplanwetgever
wordt gesteld omdat deze de bevoegdheid heeft dat bestemmingsplan te wijzigen.
Wanneer beheerssubsidie wordt genoten, dient zodanige wijziging niet te worden
bevorderd.</al>
      <al>Aan gemeenten kunnen beheerssubsidies, inrichtingssubsidies en subsidies
effectgerichte maatregelen worden verleend.</al>
      <al>Ten aanzien van de provinciale landschappen is in nader overleg tussen
de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de provincies het percentage
bepaald dat wordt toegepast voor de berekening van de beheerssubsidie. Hiertoe
zal binnen afzienbare termijn een convenant worden gesloten. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4</tuskop>
      <al>Uitgangspunt voor de berekening van de beheerssubsidie is een vergoeding
voor 100% van het saldo van de genormeerde kosten en de genormeerde
opbrengsten, of wel de kosten en opbrengsten die gemiddeld genomen noodzakelijk
zijn om het desbetreffende basis- of pluspakket in stand te houden. Bij recreatiesubsidie
en landschapssubsidie gaat het om een bijdrage die is gerelateerd aan de kosten
die gemiddeld genomen gemaakt moeten worden om de desbetreffende pakketten
in stand te houden. Bij subsidie voor functieverandering is de subsidie gerelateerd
aan de inkomensverliezen die uit de functiewijziging voortvloeien. Bij inrichtingssubsidie
en subsidie voor effectgerichte maatregelen gaat het om 95% van de
werkelijke kosten die moeten worden gemaakt om de fysieke condities of kenmerken
van grond zodanig te wijzigen dat ontwikkeling onderscheidenlijk instandhouding
van een basis- of pluspakket binnen redelijke tijd daadwerkelijk mogelijk
wordt.</al>
      <al>Wordt naast subsidie uit hoofde van de regeling voor dezelfde of vergelijkbare
doeleinden ook uit andere hoofde subsidie, al dan niet uit ’s Rijks
kas, verstrekt, dan zou zonder nadere voorziening de subsidie meer dan de
(genormeerde) kosten bedragen hetgeen ongewenst is. Om die reden is in dit
artikel een anti-cumulatiebepaling opgenomen die ertoe strekt tegen te gaan
dat door verschillende overheidsorganen gezamenlijk meer wordt gesubsidieerd
dan op grond van deze regeling zou kunnen worden verleend.</al>
      <al>De anti-cumulatiebepaling is zodanig geformuleerd dat, indien voor dezelfde
of vergelijkbare doeleinden uit andere hoofde dan de onderhavige regeling
subsidie wordt verstrekt, het bedrag van de subsidie wordt verminderd met
de bedragen die uit andere hoofde voor dezelfde of vergelijkbare doeleinden
worden verstrekt. Een dergelijke vermindering vindt uiteraard niet plaats
indien bijvoorbeeld uit andere hoofde dan de onderhavige regeling subsidie
wordt verstrekt die betrekking heeft op een terrein ten aanzien waarvan eveneens
recreatiesubsidie wordt verstrekt, doch die een geheel ander doel kent dan
die recreatiesubsidie. Zo valt bijvoorbeeld een subsidie van een ander bestuursorgaan
dan de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij ten behoeve van de
aanleg van recreatieve voorzieningen buiten het bereik van dit artikel omdat
de aanleg van dergelijke voorzieningen uit hoofde van de onderhavige regeling
niet kan worden gesubsidieerd. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 5 en 6</tuskop>
      <al>In toenemende mate verenigen grondgebruikers zich met het oog op het beheer
en gebruik van hun gronden. Dit geldt zowel bosbouw- als agrarische ondernemers.</al>
      <al>Deze regeling wil die samenwerking bevorderen.</al>
      <al>Daarbij worden drie vormen onderscheiden:</al>
      <al>1. samenwerking op basis van onderlinge afspraken waarbij ieder zijn eigen
verantwoordelijkheden behoudt overeenkomstig artikel 21;</al>
      <al>2. subsidiëring overeenkomstig artikel 5 waarbij de subsidie door
tussenkomst van een ander dan de beheerder, niet zijnde een grondgebruiker,
aan de betrokken grondgebruiker wordt doorbetaald en</al>
      <al>3. subsidiëring overeenkomstig artikel 6 waarbij de subsidie aan
een niet-grondgebruiker wordt verleend.</al>
      <al>Terzake van de beide laatstbedoelde varianten geldt het volgende.</al>
      <al>Bij verlening van subsidie uit hoofde van de regeling aan niet-gebruiksgerechtigden
bestaat een zeker risico voor de Staat, dat in mindere mate aanwezig is bij
rechtstreekse subsidiëring van gebruiksgerechtigde personen. In de eerste
plaats zal in het algemeen aan de op de desbetreffende niet-gebruiksgerechtigde
subsidieontvanger rustende verplichtingen feitelijke slechts door de gebruiksgerechtigde
van het desbetreffende terrein kunnen worden voldaan. De subsidieontvanger
zal aldus afhankelijk zijn van de bereidheid van de gebruiksgerechtigde om
de, voor het verkrijgen van de subsidie, noodzakelijke maatregelen en voorzieningen
te treffen. In de tweede plaats zullen de mogelijkheden tot eventuele terugbetaling
van ten onrechte uitbetaalde subsidies bij een eigenaar of beperkt gerechtigde
van grond in het algemeen groter zijn dan bij een niet-gebruiksgerechtigde.</al>
      <al>Het is dus van belang die relatie tussen subsidieaanvrager en gebruiksgerechtigden
goed te regelen.</al>
      <al>Dit is ook van belang teneinde te kunnen bewerkstelligen dat subsidies
die worden verstrekt aan niet-gebruiksgerechtigden, zoals bijvoorbeeld milieucoöperaties
of agrarische natuurverenigingen, maar waarvan een ondernemer de uiteindelijke
begunstigde is, onder het bereik van Brusselse medefinanciering kunnen vallen,
die betrekking heeft op landbouwgrond. Een ondernemer kan als uiteindelijke
begunstigde van de subsidie worden beschouwd, indien de aan de subsidieaanvrager
verstrekte subsidie door deze wordt doorbetaald aan een ondernemer op wiens
landbouwgrond de desbetreffende subsidie betrekking heeft.</al>
      <al>Om deze redenen is dan ook in artikel 5, welk artikel de onder 2 genoemde
variant betreft, opgenomen dat, bij verstrekking van subsidie aan een niet-gebruiksgerechtigde
subsidieaanvrager, deze verstrekking uitsluitend geschiedt indien op het tijdstip
van indiening van de subsidieaanvraag tussen de aanvrager en de gebruiksgerechtigde
van de grond waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, een overeenkomst
tot stand is gekomen die ertoe strekt dat de desbetreffende subsidieaanvrager
bij voorbaat de subsidies en voorschotten aan de gebruiksgerechtigde van het
terrein cedeert en die regelt dat die gebruiksgerechtigde zich jegens de subsidieaanvrager
ook daadwerkelijk verplicht de verplichtingen na te komen die krachtens de
subsidieverlening op de subsidieaanvrager komen te rusten. Hiermee wordt in
voldoende mate gegarandeerd dat de gebruiksgerechtigde, al dan niet een landbouwbedrijfshoofd,
de uiteindelijke begunstigde van de subsidie is, én dat de activiteiten
ten behoeve waarvan de subsidie wordt verstrekt ook daadwerkelijk zullen worden
verricht. Om te voorkomen dat, bij overdracht van het desbetreffende gebruiksrecht,
niet langer in voldoende mate is gegarandeerd dat de verplichtingen uit hoofde
van de subsidieverlening zullen worden nagekomen, zal in de desbetreffende
overeenkomst ook moeten worden vastgelegd dat bij overdracht van het gebruiksrecht,
de vervreemder van de verkrijger zal dienen te bedingen dat hij de verplichtingen
uit hoofde van de subsidieverlening met betrekking tot het terrein zal dienen
na te komen én dat deze verkrijger zulks ook van verdere verkrijgers
zal bedingen.</al>
      <al>Bovendien wordt een eventueel risico van insolventie van een niet-gebruiksgerechtigde
subsidieaanvrager afgedekt door de bepaling dat subsidie aan deze aanvrager
uitsluitend wordt verstrekt indien de desbetreffende gebruiksgerechtigde zich
borg stelt voor de eventuele terugbetaling van onverschuldigd betaalde subsidies.
Daartoe zal de gebruiksgerechtigde jegens de Staat der Nederlanden schriftelijk
dienen te verklaren voor die terugbetaling borg te staan.</al>
      <al>Uiteraard geldt dat een aanvraag van een niet-gebruiksgerechtigde natuurlijke
of rechtspersoon ook voor meerdere terreinen tegelijk kan worden ingediend.
In dat geval zullen zoveel overeenkomsten moeten worden gesloten, onderscheidenlijk
zoveel verklaringen moeten worden afgegeven als er gebruiksgerechtigden zijn
van de grond waarop de aanvraag betrekking heeft.</al>
      <al>Zowel een overeenkomst als hiervoor bedoeld, als de borgstelling kunnen
desgewenst in één onderhandse akte worden opgenomen. In ieder
geval dienen overeenkomst en borgstelling bij de subsidieaanvraag van een
niet-gebruiksgerechtigde aanvrager te worden gevoegd. Zulks vloeit voort uit
artikel 20, derde lid.</al>
      <al>De variant die in artikel 6 is opgenomen, gaat om gelijke reden uit van
een doorzichtig financieel regime van de subsidieaanvrager. De in dit artikel
opgenomen voorziening is geënt op de toegenomen praktijk dat agrariërs
zich verenigen om op hun bedrijven in onderlinge samenwerking doelstellingen
van natuur en milieu te bevorderen en na te streven. Dergelijke initiatieven
worden nuttig en belangrijk geoordeeld. Op basis van de praktijk bevat dit
artikel 6 een aantal voorwaarden waaronder dergelijke samenwerkingsverbanden
subsidie kunnen aanvragen op grond van deze regeling. In de eerste plaats
zal het een rechtspersoon dienen te zijn die de subsidie aanvraagt; een rechtspersoon
die als eerste ten doel heeft zijn leden, of voorzover gaat om stichting,
de aangeslotenen ervan, te ondersteunen bij een duurzame bedrijfsvoering uit
het oogpunt van natuur en milieu. Dit behoeft overigens niet weg te nemen
dat aan anderen dan beheerders in de zin van de regeling, lid kunnen zijn
van of aangesloten kunnen zijn bij zodanige vereniging. Deze anderen kunnen
veeleer als begunstigers worden beschouwd die op die wijze het werk van de
rechtspersoon mee helpen ondersteunen.</al>
      <al>In het tweede lid van artikel 6 worden de eisen gesteld die inzicht geven
in de wijze waarop de subsidie-aanvrager handelt met ontvangen subsidies.
Vereist zijn daarover duidelijk regels, waarbij duidelijk dient te zijn hoe
de subsidies worden besteed, wie voor ondersteuning in aanmerking komen en
hoe de desbetreffende rechtspersoon door beheerders in staat wordt gesteld
de subsidieverplichtingen na te komen.</al>
      <al>Tenslotte wordt voorgeschreven in het tweede lid, onder b, dat zeker dient
te zijn gesteld dat de rechtspersoon te allen tijde eventuele verplichtingen
jegens de Staat in het kader van genoten subsidies kan nakomen.</al>
      <al>De onderscheiden voorwaarden dienen te worden neergelegd in een plan.
Dit plan, alsmede de statuten van de rechtspersoon worden aan goedkeuring
onderworpen. Deze goedkeuring zal in samenhang met de besluiten over subsidieverlening
kunnen geschieden.</al>
      <al>De in deze beide artikelen opgenomen mogelijkheden, die elkaar overigens
uitsluiten, zijn vooral van belang voor milieucoöperaties, agrarische
natuurverenigingen en andere samenwerkingsverbanden van agrarische ondernemers
of bosbouwers.</al>
      <al>Voor agrarische natuurverenigingen en milieucoöperaties zal separaat
worden voorzien in een tijdelijke mogelijkheid voor subsidiëring van
organisatiekosten. Hiertoe is ten aanzien van deze rechtspersonen in het bijzonder
aanleiding aangezien zij op dit moment bijdragen aan een nieuwe impuls ter
bevordering van het natuurbeleid, met name op gronden die bij agrariërs
in gebruik zijn. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 7</tuskop>
      <al>Door middel van dit artikel kan sturend worden opgetreden ten aanzien
van de beleidsmatig gewenste doelen die met subsidie op grond van deze regeling
worden verstrekt. Op grond van dit artikel kan dit worden bewerkstelligd door
het met subsidieplafonds openstellen van de middelen voor onderscheiden subsidies.</al>
      <al>Subsidieplafonds kunnen per provincie worden vastgesteld. Voorshands wordt
ervan uitgegaan dat landelijke plafonds volstaan voor bestaande natuur.</al>
      <al>Voor functiewijziging, ontwikkeling en omvorming ligt dit mogelijk anders.</al>
      <al>Beleidsmatig ligt hiervoor het zwaartepunt van de sturing bij de natuurgebiedsplannen.
Bij die plannen worden de keuzen gemaakt welke basis -en pluspakketten in
het desbetreffende natuurgebied kunnen worden ontwikkeld.</al>
      <al>Hiertoe zal het noodzakelijk zijn ook te sturen op basis van de beschikbare
middelen. Met name de jaarlijkse budgetten voor het aangaan van nieuwe verplichtingen
voor functiewijziging, ontwikkeling en omvorming van natuur en bos zijn immers
beperkt. Natuurgebiedsplannen en bosuitbreiding zullen dan ook slechts in
fasen kunnen worden gerealiseerd.</al>
      <al>Bedoelde fasering zal alleen evenwichtig kunnen geschieden door jaarlijkse
plafonds voor deze subsidies vast te stellen, waarbij een provinciale verdeling
aan de orde kan zijn.</al>
      <al>Dit laatste zal alsdan geschieden op basis van de afspraken tussen de
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de provincies over de aanwending
van gelden voor inrichting, beheer en grondverwerving op basis van het zogenoemde
DI-akkoord en de verdeling van die gelden over de provincies</al>
      <al>Deze afspraken behelzen dat op basis van de jaarlijkse budgetten op de
rijksbegroting (onderdeel LNV) provincies gezamenlijk voorstellen zullen doen
voor de inzet in de onderscheiden provincies van de beschikbare (nieuwe) middelen
voor functieverandering, omvorming en ontwikkeling van bos en natuur. Mede
met inachtneming van de eventuele natuurgebiedsplannen per provincie zullen
ook verschillende doelpakketten kunnen worden benoemd.</al>
      <al>Jaarlijkse vaststelling van de onderscheiden subsidieplafonds kan geen
inbreuk maken op lopende verplichtingen. Bij de vaststelling van die subsidieplafonds
dient daarmee uiteraard rekening te worden gehouden.</al>
      <al>Voorzover het gaat om subsidie voor functieverandering, gekoppeld aan
inrichtings- of beheerssubsidies wordt in het verlengde hiervan op het volgende
gewezen. Het tweede lid van dit artikel en in het bijzonder ook artikel 9,
geven in hun onderlinge samenhang aan de subsidiegerechtigden de financiële
zekerheid dat een ingezet traject van functieverandering waarvoor een subsidietermijn
van dertig jaar geldt, gedurende die hele periode gepaard kan blijven aan
de benodigde inrichtings- en beheerssubsidies. Dit is ook voor de overheid
van belang omdat daardoor het behalen van het met de dertigjarige subsidie
voor functieverandering beoogde natuurdoel wordt gewaarborgd.</al>
      <al>In het tweede lid van dit artikel is met het oog op dit laatste bepaald
dat de benodigde bedragen binnen de algemene subsidieplafonds, bedoeld in
het eerste lid, afzonderlijk worden geduid. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 8</tuskop>
      <al>In de onderscheiden bijlagen wordt per doelpakket het bedrag bepaald dat
per hectare per jaar voor dat pakket aan subsidie, indien verleend, wordt
genoten. Deze bedragen zullen jaarlijks worden geïndexeerd. Dit laat
onverlet wijziging van die bedragen om redenen van bijvoorbeeld toegenomen
arbeidsproductiviteit. In dat kader zullen die bedragen periodiek worden geëvalueerd
op basis van een externe audit. Om deze redenen en op basis hiervan gewijzigde
bedragen zullen geen invloed hebben op lopende verplichtingen. Zij zullen
slechts gelden voor nieuwe verplichtingen.</al>
      <al>De in de pluspakketten genoemde basisbijdragen die van belang kunnen zijn
bij de subsididievaststelling dienen uiteraard eveneens te zijn geïndexeerd.
Deze basisbijdragen staan in een vaste relatie tot de beheersbijdrage.</al>
      <al>Betreft dit artikel de in de onderscheiden basis,-en pluspakketten genoemde
bedragen, de indexering van de verleende beheerssubsidies geschiedt bij de
subsidievaststelling na afloop van het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 9</tuskop>
      <al>Dit artikel dient te worden gelezen in samenhang met artikel 7. Het geeft
uitwerking aan de gewenste voorkeurspositie van beheerders die subsidie aanvragen
in samenhang met subsidie functieverandering en inrichtingssubsidie. Deze
voorrangspositie geldt evenzeer voor die situatie waarin een doelpakket is
gerealiseerd na functieverandering of inrichting. Voor bossen kan ook voor
terreinen gelegen buiten het natuurgebiedsplan, deze voorrang gelden. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 10</tuskop>
      <al>Dit artikel maakt inzichtelijk met inachtneming van welke grondslagen
de beheers -en basisbijdragen worden vastgesteld. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 11</tuskop>
      <al>Geen subsidie kan worden verstrekt indien de subsidieprestatie bestaat
uit het voldoen aan een wettelijke verplichting. Met subsidie wordt louter
beoogd gewenst gedrag te stimuleren. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 12</tuskop>
      <al>Dit artikel bevat de mogelijkheid tot het vaststellen van beleidsregels
met betrekkking tot de soorten die in een beheerseenheid voorkomen. Het kan
hierbij gaan om bijvoorbeeld de dichtheid van het aantal exemplaren en de
spreiding daarvan in het terrein. Van deze mogelijkheid tot het vaststellen
van beleidsregels is gebruik gemaakt. De betreffende regels liggen ter inzage
op de kantoren van Laser en de Dienst landelijk gebied en in de bibliotheek
van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.</al>
      <al>De aanvragers van subsidie dienen zich bij het doen van subsidie-aanvragen
van deze regels goed te vergewissen omdat deze mede bepalend zijn voor de
uiteindelijke vaststelling van subsidie. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 13</tuskop>
      <al>Voor subsidiëring op grond van deze regeling kan onderscheid worden
gemaakt tussen bestaande natuur en te ontwikkelen of om te vormen natuur.</al>
      <al>Voor bestaande natuur, waarvoor tot op heden subsidie functiebeloning
op grond van de regeling functiebeloning bos en natuurterreinen is verstrekt,
kan met inachtneming van de financiële kaders, overal subsidie op grond
van deze regeling worden aangevraagd.</al>
      <al>Subsidies voor ontwikkeling en omvorming kunnen alleen worden verleend
ten aanzien van terreinen gelegen in natuurgebiedsplannen. Ingevolge het overgangsrecht
kunnen hiermee worden gelijk gesteld terreinen die op grond van de Regeling
beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling zijn begrensd als reservaats,
of natuurontwikkelingsgebied.</al>
      <al>Uitzondering hierop is reeds toegelicht bij artikel 9 voorzover het gaat
om de omvorming van bos.</al>
      <al>Subsidiëring op grond van de onderhavige regeling zal waar het gaat
om ontwikkeling van nieuwe natuur, dus uitsluitend kunnen plaatsvinden in
specifiek daartoe aangewezen gebieden.</al>
      <al>Mede met de aanwijzing van de genoemde gebieden zal de Ecologische Hoofdstructuur,
waarvan de grenzen op hoofdlijnen zijn geschetst in het Structuurschema Groene
Ruimte (kamerstukken II 1992/93, 22880), concreet vormgegeven moeten worden.
Provincies zijn eerstverantwoordelijk voor de gebiedsbegrenzingen.</al>
      <al>In het kader van de verdere implementatie en uitvoering van deze regeling
zullen daartoe tussen de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en
de provincies verdere bestuursafspraken worden gemaakt over de in artikel
13 geregelde natuurgebiedsplannen.</al>
      <al>Rijk en provincies zullen daartoe in onderling overleg de streefdoelen
(2018) voor bos, natuur, agrarisch natuurbeheer en landschap vaststellen.</al>
      <al>Voor natuur en bos gebeurt dit op basis van provinciale kaarten. De kaarten
geven de huidige situatie (nul-situatie) en de per 2018 nagestreefde situatie
weer (arealen per natuurdoel type). Daarbij wordt rekening gehouden met de
landelijke doelstellingen die zijn samengevat in tabel 5 van de Nota Programma
Beheer 1997 (kamerstukken II 1994/95, 24140, nr. 2) en met de doelen die,
in overeenkomstig de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling
begrensde gebieden, zijn vastgelegd in begrenzingenplannen op grond van die
regeling.</al>
      <al>De provinciale kaarten vormen de basis voor de areaal- en kwaliteitsdoelstellingen
die in nieuwe natuurgebiedsplannen zullen worden neergelegd.</al>
      <al>Voor landschap worden geen specifieke doelen geformuleerd zoals bij natuur.
De beschikbare subsidieplafonds en de pakketten zijn de basis voor hetgeen
kan worden gerealiseerd. Wel geldt ook voor de landschapssubsidies dat die
slechts kan worden verstrekt in begrensde gebieden en voorts in bestaande
bos en natuurterreinen overeenkomstig artikel 74.</al>
      <al>Die begrenzing geschiedt ofwel in de natuurgebiedsplannen op grond van
deze regeling ofwel op basis van landschapsgebiedsplannen als bedoeld in de
Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer.</al>
      <al>Ten aanzien van de natuurgebiedsplannen geldt voorts het volgende. De
begrenzing van natuurgebieden zal, gelet op de aanhef, eerste lid en onderdeel
a, van dit artikel plaatsvinden op een kaart met een topografische ondergrond
van schaal 1 : 25.000. Deze schaal is enerzijds zodanig ruim dat de desbetreffende
kaarten ook praktisch nog hanteerbaar zijn, terwijl anderzijds een adequate
herkenning van terreinen gewaarborgd is.</al>
      <al>Een natuurgebiedsplan moet tevens de algemene doelstellingen bevatten
met betrekking tot het desbetreffende gebied op het vlak van natuur, bos,
landschap en recreatie (eerste lid, onderdeel b). Die doelstellingen zijn
sturend voor de doelpakketten die in die gebieden kunnen worden nagestreefd.
Natuurgebiedsplannen zijn dus dan geboden indien omvorming of ontwikkeling
van natuur wordt voorgestaan. Dit geschiedt al dan niet in samenhang met functieverandering
van landbouwgrond naar natuur. Natuurgebiedsplannen zijn dus niet bepalend
voor het verlenen van beheerssubsidie voor bestaande natuur. Deze behoeft
niet te worden begrensd waar alleen die instandhouding aan de orde is. Bepalend
voor de vraag of beheerssubsidie kan worden verleend is of de bestaande natuur
voldoet aan de omschrijving van een basis- of pluspakket en of het subsidieplafond
niet wordt overschreden. Dit geldt ook voor terreinen met bestaande natuur
binnen een natuurgebiedsplan.</al>
      <al>Ten behoeve van de ontwikkeling of omvorming zal in het natuurgebiedsplan
concreet worden aangegeven welke pakketten waar in het desbetreffende natuurgebied
kunnen worden gesubsidieerd (eerste lid, onderdeel c). Daarbij zal ook het
quotum worden vastgesteld.</al>
      <al>Het is aan de provincies om te bepalen op welke wijze aan de laatstgenoemde
bepaling in de onderscheiden natuurgebiedsplannen invulling wordt gegeven.
Zo laat de regeling bijvoorbeeld de ruimte om voor elk perceel één
concreet natuurdoelpakket aan te wijzen, maar bestaat ook de mogelijkheid
te volstaan met een meer algemene benadering, bijvoorbeeld door voor het gehele
natuurgebied of delen daarvan de ontwikkeling of instandhouding van meerdere
doelpakketten mogelijk te maken.</al>
      <al>Niettemin bevat het vierde lid een voorziening voor de bijzondere gevallen
dat ten tijde van de vaststelling van een beheersgebiedsplan onvoldoende zekerheid
bestaat over de doelmatigheid van het subsidieren van een bepaald beheerspakket.
Dit moet dan wel het beheersgebiedsplan worden geconstateerd. Is dat gebeurd
dan kan een subsidie-aanvrage nader worden getoetst op doelmatigheid met het
oog op beheer.</al>
      <al>Onderdeel d van het eerste lid behelst de begrenzing van gebieden, gelegen
binnen het natuurgebiedsplan waar landschapssubsidies kunnen worden verleend.
Andere gebieden waar dergelijke subsidies mogelijk zijn, worden begrensd op
grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer. Leidend voor deze begrenzing
is het beleid zoals vastgelegd in het Structuurschema Groene Ruimte, met name
de beleidscategorie ’Gebieden behoud en herstel landschap’. De
begrenzing van gebieden met het oog op landschapssubsidies kan een andere
zijn dan de begrenzing die bepaalt waar subsidie voor ontwikkeling en omvorming
aan de orde is.</al>
      <al>In het nieuwe subsidiestelsel is, zoals ook is aangegeven in het algemeen
deel van deze toelichting, niet langer sprake van een benadering die gericht
is op bepaalde doelgroepen, maar van een aanpak waarbij in beginsel een ieder
die in staat is de gewenste natuur te ontwikkelen en in stand te houden voor
subsidie in aanmerking kan komen. Dit is het uitgangspunt van het stelsel.
Het betekent dat in natuurgebiedsplannen particulier natuurbeheer zoveel mogelijk
zal moeten worden mogelijk gemaakt. Niettemin zal dit particulier beheer niet
volledig in de plaats kunnen worden gesteld van verwerving en beheer door
een terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie. Over het algemeen zullen
de gebieden waar particulier beheer kan plaatsvinden, verwervenswaard blijven
voor dergelijke organisaties of door Staatsbosbeheer. Daarom is in onderdeel
f van het eerste lid bepaald dat in een natuurgebiedsplan afzonderlijk die
gebieden worden aangewezen waar particulier beheer mogelijk. Als dat plaatsvindt,
wordt verwerving daar dus niet uitsluitend nagestreefd</al>
      <al>Onverminderd het vorenstaande zal het kunnen voorkomen dat het uit het
oogpunt van natuurbeheer ongewenst is dat particulier beheer plaatsvindt.
Gedoeld wordt met name op situaties waar ontwikkeling van grootschalige natuur
wordt voorgestaan of waar het beheer buitengewoon intensieve eisen stelt terwijl
aangrenzend terreinbeherende organisaties een daarop gericht beheer voeren.
Hierop ziet onderdeel g van het eerste lid.</al>
      <al>Op de relatie tussen Rbon-begrenzingen, begrenzingen uit hoofde van de
onderhavige regeling, en de mogelijkheden tot het sluiten van Rbon-beheersovereenkomsten,
onderscheidenlijk het verkrijgen van subsidies uit hoofde van deze regeling,
wordt nader ingegaan in de toelichting op de desbetreffende artikelen in hoofdstuk
12 van de regeling. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 15</tuskop>
      <al>De onderhavige regeling bevat een in beginsel sluitend stelsel van doelpakketten.
Niettemin behoeft het niet te worden uitgesloten dat in bijzondere gevallen
afwijkende doelpakketten worden geformuleerd. Dit kan bij een natuurgebiedsplan
geschieden. Dit behoeft dan wel de goedkeuring van de Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij, mede in verband met de financiële aspecten
daarvan. Deze zal een dergelijk pakket dienen voor te leggen aan de Europese
Commissie in verband met de beoordeling of sprake is van toelaatbare staatssteun.</al>
      <al>De betreffende pakketten vallen uit hun aard onder het regime van de beheerssubsidie.</al>
      <al>De beheersprestatie zal in gelijke termen als de onderscheiden pakketten
dienen te worden geformuleerd. De beheerssubsidie zal dienen te worden berekend
op basis van de grondslagen bedoeld in artikel 10. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 16</tuskop>
      <al>Om te waarborgen dat de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
te allen tijde daadwerkelijk invulling kan geven aan zijn verantwoordelijkheid
voor het natuurbeleid in samenhang met het beschikbare budget daarvoor is
in dit artikel de bevoegdheid neergelegd om, per doelpakket of groep van doelpakketten
richtlijnen en aanwijzingen te geven ten aanzien van het aantal hectares waarop
het totaal van de natuurgebiedsplannen in een provincie ten hoogste betrekking
kan hebben.</al>
      <al>Gegeven de hiervoor bedoelde primaire verantwoordelijkheid van de provincies
bij het begrenzen van gebieden en afspraken, die met de Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij hierover worden gemaakt, ligt het voor de hand dat
van deze bevoegdheid niet dan in het uiterste geval gebruik zal worden gemaakt.
Deze bevoegdheid is dan ook sluitstuk van regeling. Primair staat het overleg
met provincies. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 17</tuskop>
      <al>Een natuurgebied zal gelegen zijn in de Ecologische Hoofdstructuur. Zulks
vloeit immers voort uit het feit dat natuurgebiedsplannen worden opgesteld
met inachtneming van het Structuurschema Groene Ruimte. Met name wordt in
dit verband gewezen op PKBkaart 7.</al>
      <al>Ook uit het Natuurbeleidsplan vloeien, meer beleidsmatig, richtinggevende
aanwijzingen voort. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 18</tuskop>
      <al>Met betrekking tot de besluitvormingsprocedure is gekozen voor de uitgebreide
openbare voorbereidingsprocedure zoals is opgenomen in afdeling 3.5 van de
Algemene wet bestuursrecht. Hierdoor is gewaarborgd dat alle betrokken belangen
voldoende in de afweging van het begrenzingsproces worden betrokken. Deze
procedure voorkomt ook dat in een later stadium alsnog allerlei bezwaarprocedures
kunnen worden gevoerd. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 19 en 20</tuskop>
      <al>Ten behoeve van het aanvragen van subsidie uit hoofde van de regeling
zal een aanvraagformulier worden vastgesteld voor de onderscheiden subsidies.</al>
      <al>Bij de aanvraag zal de subsidieaanvrager uiteraard te allen tijde de grenzen
moeten aangeven van het terrein ten behoeve waarvan subsidie wordt aangevraagd.
Daartoe zal bij het aanvraagformulier een topografische kaart moeten worden
gevoegd op een schaal van 1 : 10.000. Een dergelijke gedetailleerde kaart
is noodzakelijk om nauwkeurig de omvang van het terrein of samenstel van terreinen
te kunnen berekenen, van welke omvang de hoogte van de beheerssubsidie en
de recreatiesubsidie afhankelijk is. Ook voor de vaststelling van de landschapssubsidies
is dit van belang. Ten aanzien van omvorming of ontwikkeling zal veelal sprake
zijn van maatwerk, maar ook daarbij is nauwkeurige plaatsbepaling een essentieel
toetspunt voor subsidieverlening.</al>
      <al>Bij voorkeur is de topografische kaart gebaseerd op de Top 10 vector van
de Topografische Dienst te Emmen, aangezien LASER voor de identificatie van
percelen een op de Top 10 vector gebaseerd geautomatiseerd systeem gebruikt.
LASER verstrekt op aanvraag de gewenste topografische kaarten.</al>
      <al>Uit de subsidieaanvraag zal uiteraard de noodzakelijke informatie ter
identificatie van de subsidieaanvrager en informatie met betrekking tot de
toestand van het terrein waarop de aanvraag betrekking heeft, moeten blijken.
Ook zal in ieder geval moeten worden gemeld of de aanvraag wordt ingediend
door een ondernemer, dan wel enige andere natuurlijke of rechtspersoon;. dit
in verband met de mogelijkheden voor cofinanciering op grond van meergenoemde
verordening (EG) nr. 1257/99 inzake steun voor plattelandsontwikkeling als
subsidie wordt verleend aan ondernemers.</al>
      <al>De aanvraag zal ook informatie moeten bevatten met betrekking tot de vraag
of de subsidieaanvrager subsidie aanvraagt ten behoeve van een terrein, waarvan
hij (gebruiksgerechtigde) beheerder is krachtens zakelijk recht of duurzaam
persoonlijk recht en, indien dat niet het geval is of de desbetreffende beheerder
, moet worden beschouwd als ondernemer. Dit is bepaald in het derde lid van
artikel 19.</al>
      <al>Op basis van de aanvraag, bedoeld in artikel 19, en de daarbij gevoegde
kaart, bedoeld in artikel 20, zal worden vastgesteld op welke wijze en in
welke mate het terrein is opengesteld. Dit is bepalend voor de verlening van
de beheerssubsidie, zoals bepaald in artikel 30.</al>
      <al>Wordt als niet gebruiksgerechtigde, anders dan bedoeld in artikel 6, subsidie
aangevraagd, dan zal de aanvraag ingevolge artikel 20, derde lid, vergezeld
moeten gaan van de overeenkomst en borgstelling, bedoeld in artikel 5. Op
de achtergrond hiervan is nader ingegaan in de toelichting op artikel 5.</al>
      <al>Voor aanvragers als bedoeld in artikel 6 geldt uiteraard dat alle in dat
artikel bedoelde documenten bij de aanvrage dienen te worden gevoegd. Deze
behoeven immers de goedkeuring van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij. Dit is bepaald in artikel 20, vierde lid. Omdat bij laatstbedoelde
categorie van aanvragers geen directe relatie wordt gelegd tussen de subsidie
en het ter beschikking stellen daarvan aan grondgebruikers, geldt de eis,
verwoord in artikel 19, derde lid, dat bij de aanvrage een opgave dient te
worden gedaan van het feit of de desbetreffende grondgebruiker tevens ondernemer
is, niet. Wel zal in dit geval bij het verzoek om subsidievaststelling opgave
dienen te worden gedaan, welk bedrag aan ondernemers ter beschikking is gesteld.</al>
      <al>Voorts zal bij een aanvraag voor inrichtingssubsidie en functieverandering
in voorkomend geval een verklaring van geen bezwaar van de verpachter dient
te worden bijgevoegd. Artikel 20, vijfde lid, schrijft dit voor. Deze eis
geldt tevens voor subsidie functieverandering.</al>
      <al>Onder verwijzing naar artikel 85 geldt dat subsidie effectgerichte maatregelen
kan worden aangevraagd voor andere perioden dan de tijdvakken gedurende welke
voor het desbetreffende terrein beheerssubsidie is verleend. Dit hangt samen
met het bijzondere karakter van die subsidies effectgerichte maatregelen.</al>
      <al>Ten algemene geldt dat het wenselijk is dat aanvragen worden voorbereid
in overleg met LASER wanneer het om zeer omvangrijke terreinen gaat. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 21</tuskop>
      <al>De in dit artikel bedoelde samenwerkingsovereenkomst zal duurzaam van
aard dienen te zijn. Dat is inherent aan het natuurbeheer en doel van de subsidies
die kunnen worden verleend. Duurzaam van aard betekent in alle geval dat de
overeenkomst echter ten minste de duur van een tijdvak dient te betreffen.
In het geval tevens subsidie functieverandering in het geding is, zal uitgegaan
worden van de wil tot samenwerking gedurende een tijdvak van dertig jaar. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 22</tuskop>
      <al>Dit artikel betreft het omvormingspakket bos met verhoogde natuurwaarde
(bijlage 37). In afwijking van de hoofdlijn dat subsidie voor de ontwikkeling
of omvorming van natuurwaarden geschiedt door middel van inrichtingssubsidie,
kan voor bos bedoeld omvormingspakket worden aangevraagd. Omdat het een subsidie
voor een omvorming betreft, is in dit artikel bepaald dat deze subsidie slechts
gedurende drie aaneengesloten tijdvakken kan worden verstrekt. Daarna kan,
indien aan de eisen van het desbetreffende doelpakket wordt voldaan,beheerssubsidie
worden aangevraagd voor één van beide pluspakketten bos (bijlagen
38 en 39). </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 23</tuskop>
      <al>Dit artikel benadrukt de verantwoordelijkheid van de beheerder voor een
duurzame instandhouding van zijn terreinen. Enerzijds gaat het wispelturig
gedrag tegen (onderdeel a), anderzijds vormt het een extra vorm van sanctionering
als is gebleken dat de betrokken beheerder zijn beheersverplichtingen niet
is nagekomen. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 24</tuskop>
      <al>Beheerssubsidie wordt verleend voor de instandhouding van een doelpakket,
een basis,-of pluspakket. Beheerssubsidie zal telkens voor één
tijdvak van 6 jaar worden verstrekt. Bij instandhoudingsbeheer bestaat immers
geen noodzaak subsidierelaties aan te gaan die meerdere decennia omvatten.
Dit is ook tot op heden het uitgangspunt geweest voor de onderscheiden beheerssubsidies,
zoals die bedoeld in de Regeling functiebeloning bos en natuurterreinen.</al>
      <al>De onderscheiden basis- en pluspakketten betreffen alle het instandhoudingsbeheer,
behoudens het onder artikel 22 genoemde omvormingspakket bos. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 25</tuskop>
      <al>Dit artikel bepaalt dat voor één en hetzelfde oppervlak
geen beheerssubsidie kan worden verleend voor twee of meer basis-,of pluspakketten.
Landschapssubsidies voor punt- en lijnvormige landschapspakketten kunnen wel
worden gecombineerd met beheerssubsidie. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 26 tot en met 28</tuskop>
      <al>Met deze artikelen wordt het bestaande subsidiebeleid, grotendeels vervat
in de Regeling functiebeloning bossen en natuurterreinen en in de Regeling
subsidies particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties voorzover
het het beheer betreft van bestaande bossen en natuurterreinen, gecontinueerd.</al>
      <al>Voor de vraag of sprake is van bestaande natuur is uiteraard het tijdstip
van indiening van de desbetreffende subsidieaanvraag van belang. De aanvraag
wordt getoetst aan de feitelijke terreinsituatie. Het terrein dient te voldoen
aan de eisen en terreinkenmerken van het basis -of pluspakket voor de instandhouding
waarvan subsidie wordt aangevraagd.</al>
      <al>Een terrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd voor de instandhouding
van een basis- of pluspakket, hoeft derhalve niet gelegen te zijn binnen een
natuurgebied en wordt dus niet getoetst aan een van toepassing zijnd natuurgebiedsplan.
De aanvraag wordt - afgezien van de voorwaarden zoals die in de regeling zijn
opgenomen, daarenboven- alleen getoetst aan het subsidieplafond. Uitgangspunt
is immers dat de subsidiëring van bestaande natuur mogelijk moet blijven.
Dit om achteruitgang van bestaande natuur te voorkomen.</al>
      <al>Ingevolge het overgangsrecht (artikelen 99 en 100) worden gebieden die
op grond van de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling zijn
begrensd, gelijk gesteld met natuurgebieden in de zin van deze regeling; dit
in samenhang met artikel 94 Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer. Voor
die gebieden geldt het vorenstaande evenzeer.</al>
      <al>Artikel 28 beoogt te voorkomen dat een beheerder zelf subsidie aanvraagt
in het geval hij tevens een bijdrage krijgt voor het in stand te houden basis-
of pluspakketten van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 6 of een subsidie-aanvrager
als bedoeld in artikel 5. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 29</tuskop>
      <al>Dit artikel bevat in samenhang met artikel 30 de bepalingen voor de berekening
van de subsidie in geval van zogenaamd instandhoudingsbeheer. De hoogte van
de beheerssubsidie per hectare varieert per basis- en pluspakket. Bij elk
basis- en pluspakket is in de desbetreffende bijlage het daarbij behorende
bedrag per hectare per jaar opgenomen. Het betreft hier de zogenaamde beheersbijdrage.</al>
      <al>Deze beheersbijdrage per hectare per jaar is afgeleid van de - gemiddeld
genomen - noodzakelijke beheersmaatregelen en de daarmee gemoeide kosten voor
de instandhouding van het betrokken basis- of pluspakket en de gemiddeld genomen
opbrengsten van het terrein waarop dat pakket is ontwikkeld.</al>
      <al>Behalve dat er sprake is van kosten die gemoeid zijn met het noodzakelijke
beheer zullen in voorkomende gevallen ook van het terrein opbrengsten kunnen
worden verkregen die direct gerelateerd zijn aan het desbetreffende basis-
of pluspakket. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de verkoop van
gras of hout. De uiteindelijke beheersbijdrage per hectare per basis- en pluspakket
komt overeen met het saldo van de gemiddeld ten behoeve van de onderscheiden
basis- en pluspakketten te maken kosten en de gemiddeld genoten opbrengsten
per jaar. Bij die saldoberekening is gebruik gemaakt van de meerjarige ervaringen
van Staatsbosbeheer met het handhaven van de verschillende basis- en pluspakketten.
Artikel 10 geeft inzicht in de daartoe gehanteerde grondslagen.</al>
      <al>De berekening van de subsidie geschiedt op basis van de desbetreffende
beheersbijdragen, welke staan vermeld in de onderscheiden basis- en pluspakketten
in het jaar van de subsidieverlening. Deze beheersbijdrage wordt, gerelateerd
aan de oppervlakte van het terrein, vermenigvuldigd met zes (de zes jaren
van een tijdvak) en vormt zo de subsidie.</al>
      <al>Voor de berekening van de subsidie worden daarenboven uiteraard mede betrokken
eventuele verhogingen en verminderingen als bedoeld in artikel 30. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 30</tuskop>
      <al>De beheersbijdrage wordt uitsluitend verstrekt voor zover het desbetreffende
terrein gedurende ten minste 8 maanden, waaronder zijn begrepen de maanden
mei, juni, juli en augustus, per jaar op bestaande wegen, vaarwegen en paden
kosteloos en voldoende kenbaar voor het publiek is opengesteld. Het terrein
dient in ieder geval te zijn opengesteld voor wandelaars en fietsers. Met
deze, in de tijd omvangrijke, openstellingseis wordt enerzijds benadrukt dat
met de beheerssubsidie uitdrukkelijk ook beoogd is voor het stimuleren van
recreatieve doelen. Dit is ook de reden dat de toegankelijkheid door middel
van bebording duidelijk is aangegeven. Anderzijds zal de beheerder de mogelijkheid
hebben om zijn terrein, met name ten behoeve van eigen gebruik, in beperkte
mate aan de toegang voor het publiek te kunnen onttrekken zonder dat dit direct
leidt tot verlaging van de beheerssubsidie.</al>
      <al>Voor die delen van het terrein die ten minste gedurende 358 dagen per
jaar op bestaande wegen, vaarwegen en paden kosteloos voor het publiek zijn
opengesteld zal de beheersbijdrage bovendien worden verhoogd met fl. 20,-
per hectare per jaar. Deze verhoging betreft een specifieke vergoeding voor
kosten die dienen te worden gemaakt ten behoeve van de openstelling voor het
publiek. Die verhoging wordt evenwel niet verstrekt aan gemeenten en aan beheerders
aan wie ten behoeve van de verwerving van het desbetreffende terrein (verwervings)subsidie
is verstrekt. Met name gaat het daarbij om particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties
als bedoeld in de Regeling subsidies particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties
die grond hebben aangekocht met subsidie uit hoofde van die regeling. Openstelling
is immers een voorwaarde voor het verkrijgen van verwervingssubsidie.</al>
      <al>In verband met dit laatste wordt wel opgemerkt dat de subsidieaanvrager
die zijn terrein heeft verworven van een beheerder aan wie verwervingssubsidie
werd verstrekt, doch aan welke subsidieaanvrager zelf geen verwervingssubsidie
werd verstrekt, wel in aanmerking kan komen voor de onderhavige verhoging.</al>
      <al>In een aantal situaties zijn terreinen niet toegankelijk of bereikbaar.
In het eerste lid, onderdeel b, ten tweede, is daarom bepaald dat het alsdan
toch mogelijk is de beheersbijdrage als subsidie te ontvangen. Het gaat dan
bijvoorbeeld om terreinen die geen paden hebben of om terreinen die niet bereikbaar
zijn vanaf de openbare weg, ook niet via andere wel opengestelde terreinen.</al>
      <al>Uiteraard is ook denkbaar dat de subsidieaanvrager (delen van) zijn terrein
in veel mindere mate voor het publiek wenst open te stellen dan ten minste
8 maanden per jaar. In dat geval zal het desbetreffende (deel van het) terrein
van een (veel) beperktere recreatieve betekenis zijn, hetgeen aanleiding is
de beheerssubsidie op een lager bedrag te bepalen.</al>
      <al>De beheerder die een beperktere openstelling van (delen van) zijn terrein
wenst, komt slechts in aanmerking voor 10% van de beheersbijdrage.
Het gaat dan bijvoorbeeld om situaties waarin (delen van) het terrein slechts
tegen betaling toegankelijk zijn, dan wel terreinen die gedurende het jaar
slechts een zeer korte periode kosteloos toegankelijk zijn.</al>
      <al>Op het hiervoor beschreven stelsel is in het tweede en derde lid een tweetal
uitzonderingen gemaakt. Allereerst gaat het daarbij om de situatie waarin
de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van oordeel is dat openstelling
van (delen van) het terrein om natuurwetenschappelijke redenen ongewenst is.
Het gaat hier met name om situaties waarin recreatie in ernstige mate afbreuk
zou doen aan de mogelijkheden voor instandhouding van het basis- of pluspakket.
Voorzover openstelling van het terrein om die redenen achterwege dient te
blijven, zal toch de beheerssubsidie worden verstrekt. Ten tweede gaat het
om de situatie waarin een terrein is gelegen bij een woonhuis of boerderij.
Om privacy- en veiligheidsredenen vloeit uit het derde lid van dit artikel
voort dat de bij het huis of boerderij gelegen sier- of moestuinen en boomgaarden
die grotendeels voor privé-gebruik zijn bestemd niet voor het publiek
behoeven te worden opengesteld om toch voor de beheerssubsidie voor het desbetreffende
deel van het terrein in aanmerking te kunnen komen. Hiermee wordt aangesloten
bij de openstellingseisen die gelden voor landgoederen die vallen onder het
regime van de Natuurschoonwet 1928.</al>
      <al>In het subsidieaanvraagformulier zal de subsidieaanvrager dienen aan te
geven in welke mate hij het desbetreffende terrein zal openstellen. Op basis
daarvan zal in de desbetreffende subsidieverlening de mate van openstelling
worden opgenomen die de beheerder voor het desbetreffende terrein in acht
dient te nemen.</al>
      <al>Op grond van het vierde lid wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, geïndexeerd. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 31 en 32</tuskop>
      <al>Deze artikelen regelen de inhoud van de beschikking waarbij subsidie wordt
verleend. Ingevolge artikel 32 vangt een tijdvak steeds aan met ingang van
de eerste dag van een maand. De beschikking tot subsidieverlening zal genomen
worden binnen een redelijke tijd na de indiening van de aanvraag en, indien
een aanvraagperiode geldt, zo snel mogelijk na afloop van die periode. Voor
het tijdsverloop is bepalend dat de situatie van het terrein kan worden waargenomen.
Die beoordelingsperiode kan door externe omstandigheden, bijvoorbeeld wateroverlast,
worden bepaald en beïnvloed. Aanvragen zullen alsdan worden aangehouden
tot beoordeling wel mogelijk is. Dit geldt niet als het zich laat aanzien
dat gedurende langere tijd, de uitgangssituatie niet zal kunnen worden beoordeeld.
Het afwijzen van de aanvrage ligt dan meer in de rede. Betrokkene zal dan
op een meer geschikt tijdstip alsnog een nieuwe aanvraag kunnen doen. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 33</tuskop>
      <al>Dit artikel bevat de verplichtingen waaraan een subsidieontvanger gehouden
wordt. Basisuitgangspunt is de verplichtingen tot het realiseren van natuurwaarden
overeenkomstig betreffende doelpakket. Daarin staan veelal tevens een aantal
specifieke beheersmaatregelen. Ook deze dienen te worden nageleefd.</al>
      <al>Daarnaast gelden ingevolge dit artikel een aantal beheersvoorschriften
die in beginsel voor alle terreinen waar subsidie wordt verleend, gelden.
Dit is bijvoorbeeld het geval ten aanzien van bemesting, het handhaven van
het waterpeil en het reliëf en het niet toepassen van chemische onkruidbestrijding.</al>
      <al>Wordt aan de desbetreffende bepalingen niet voldaan, dan zal dat betrokken
worden bij de subsidievaststelling. Verwezen wordt naar de toelichting bij
artikel 38.</al>
      <al>Onderdeel j van het eerste lid betreft een meldingsplicht voor de subsidieontvanger
indien zich omstandigheden voordoen dat hij niet aan zijn verplichtingen kan
voldoen. De termijn van twee weken, bedoeld in dit onderdeel, gaat uiteraard
eerst in indien hij voor het eerst en in redelijkheid die omstandigheden heeft
kunnen constateren.</al>
      <al>In sommige situaties kan het evenwel uit natuurontwikkelingsoogpunt dienstig
zijn juist van de genoemde beheersvoorschriften af te wijken. In dat geval
zal in de beschikking tot verlening van beheerssubsidie, overeenkomstig het
tweede lid worden vermeld in welke mate de betreffende verplichtingen niet
van toepassing zijn. Is het bijvoorbeeld noodzakelijk het waterpeil te verlagen,
dan zal concreet in de desbetreffende subsidieverlening worden aangegeven
tot welk niveau dat waterpeil dient te worden verlaagd. In dat geval is de
subsidieontvanger verplicht tot peilaanpassing overeenkomstig hetgeen terzake
in de subsidieverlening is opgenomen.</al>
      <al>De subsidieaanvrager kan daartoe ook zelf bij de subsidieaanvraag op basis
van bijvoorbeeld een beheersplan, aannemelijk maken dat dergelijke activiteiten
de in stand houding van het basis- of pluspakket niet zullen schaden. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 34 en 35</tuskop>
      <al>De beheerssubsidie wordt per tijdvak verstrekt. Teneinde te voorkomen
dat beheerders in liquiditeitsproblemen komen - het recht op uitbetaling van
de bijdrage over een tijdvak kan immers eerst na afloop van een termijn van
6 jaren ontstaan - is voorzien in de mogelijkheid op de beheerssubsidie voorschotten
te verstrekken op een zodanige wijze dat jaarlijks een evenredig deel van
de beheerssubsidie voor het betrokken tijdvak wordt bevoorschot. Uitgangspunt
voor de berekening van de voorschotten is de beheersbijdrage zoals die is
bepaald in de beschikking tot subsidieverlening. Het voorschot bedraagt de
beheersbijdrage van het desbetreffende basis- of pluspakket.</al>
      <al>Het eerste voorschot wordt na afloop van het eerste jaar van het tijdvak
en vervolgens telkens ten minste een jaar later verstrekt aan de beheerder,
tenzij deze in het voorafgaande jaar enige bepaling in de beschikking tot
subsidieverlening niet heeft nageleefd. Er hoeft derhalve geen aanvraag voor
bevoorschotting te worden ingediend. Het niet-naleven van enige bepaling in
de beschikking tot subsidieverlening kan aan het licht komen door de controles
die worden uitgevoerd door de Dienst Landelijk Gebied.</al>
      <al>Als de beheerder ten gevolge van het niet-naleven van enige bepaling in
de beschikking tot subsidieverlening geen voorschot verstrekt heeft gekregen,
kan de beheerder het jaar daaropvolgend wel weer in aanmerking komen voor
een voorschot. De beheerder krijgt in een dergelijk geval echter niet automatisch
een voorschot, maar zal een aanvraag daartoe moeten indien bij de directeur
van LASER. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 36 tot en met 38</tuskop>
      <al>De bepalingen omtrent de vaststelling van de beheerssubsidie vormen de
kern van het op resultaat gerichte subsidiestelsel. Hieruit blijkt namelijk
concreet de relatie tussen de activiteiten en de doelen waarvoor subsidie
wordt verstrekt, en de uiteindelijk te verkrijgen subsidie. Basisprincipe
daarbij is dat de subsidie wordt vastgesteld op het bedrag dat voortvloeit
uit de subsidieverlening. Dit is bepaald in artikel 37, tweede lid. Indien
beoordeling van de aanvraag voor subsidievaststelling niet mogelijk is binnen
8 weken als gevolg van externe omstandigheden kan de beoordeling worden aangehouden.</al>
      <al>Op grond van artikel 38 kan het bedrag dat voortvloeit uit de subsidieverlening
worden verminderd met een bepaald percentage dat afhankelijk is van de verplichting
waaraan niet is voldaan en, in voorkomende gevallen, van de reden waarom niet
aan de desbetreffende verplichting is voldaan. Daarbij wordt opgemerkt dat
de verminderingen cumulatief zijn, met dien verstande dat - uiteraard - de
subsidie ten hoogste met 100% kan worden verminderd. Dit vloeit voort
uit het vijfde lid van artikel 38.</al>
      <al>De subsidievaststelling geschiedt ingevolge artikel 36 op aanvraag na
afloop van een tijdvak en binnen een periode van 8 weken. In de eerste plaats
zal daartoe door LASER en DLG, welke diensten met de uitvoering van de regeling
zijn belast, een monitor-programma worden ontwikkeld. Daarbij wordt van de
beheerder verlangd dat hij informatie en gegevens aanreikt omtrent de toestand
van het terrein, waarvoor subsidie is verstrekt. Dat zal hen en de beheerders
in staat stellen op zo doelmatig mogelijk wijze vast te stellen of en zo hoe
het natuurresultaat is behaald.</al>
      <al>Daarnaast is het ook hier zo, gelijk als bij de beslissing omtrent de
verlening van de subsidie, dat zal moeten kunnen beoordeeld hoe de situatie
in het terrein is na afloop van het tijdvak. Dit kan ertoe leiden dat de genoemde
periode van acht weken dient te worden verlengd.</al>
      <al>Bij de subsidievaststelling wordt de beheersbijdrage gecorrigeerd voor
inflatie. Dit staat naast de inflatiecorrectie van de normbedragen als zodanig.
Deze laatste correctie werkt niet door in verleende subsidies. De inflatie-correctie
voor verleende subsidies is dus afzonderlijk geregeld in artikel 37, tweede
lid.</al>
      <al>Bij de sanctionering wordt onderscheid gemaakt tussen basis- en pluspakketten.
In het eerste lid van artikel 38 is de sanctionering van basispakketten geregeld
en in het tweede lid van de pluspakketten.</al>
      <al>Ten aanzien van de basispakketten geldt dat de subsidie op nihil wordt
vastgesteld, zowel in het geval dat het doel niet is gehaald als ook in het
geval dat de geldende beheersvoorschriften niet zijn nageleefd. De basispakketten
zijn immers zo geformuleerd dat alleen bij ernstig ontoereikend of onjuist
beheer, of het verrichten van activiteiten die evident in strijd zijn met
de doelstelling van het basispakket, het doel van subsidieverlening, namelijk
het in stand houden van het basispakket, niet zal worden gehaald.</al>
      <al>Twee uitzonderingen gelden hierop, namelijk overmacht en redelijkheid.
Overmacht is aan de orde als buiten schuld of invloed van betrokkene de subsidieprestatie
niet kan worden gehaald. Een redelijkheidstoetsing zal plaatsvinden als onverkorte
sanctionering een te zwaar gevolg zou zijn gelet op inspanningen die zijn
getroost. Dit is bijvoorbeeld aan de orde indien slechts op een zeer beperkt
deel van het terrein de beheersprestatie niet is bereikt waarbij dan mede
acht geslagen zal worden op factoren die daarbij een rol hebben gespeeld.
Een en ander zal van geval tot geval kunnen worden beoordeeld.</al>
      <al>Ten aanzien van overmacht geldt voorts dat bij de subsidievaststelling
wel kan worden gelet op de omstandigheden van het geval. Ook dat kan aanleiding
geven om verleende subsidie slechts voor een deel uit te betalen.</al>
      <al>Voor de pluspakketten geldt een ander regime. De pluspakketten zijn in
de onderscheiden bijlagen onderverdeeld in de volgende onderdelen: natuurresultaat
plus, beheersvoorschriften en natuurresultaat basis. Aan deze verschillende
onderdelen is ook het sanctieregime gekoppeld. Wordt het doel dat is neergelegd
in de beschikking tot subsidieverlening niet gehaald, maar zijn de maatregelen
van het pluspakket wel nageleefd, dan zal de subsidie niet meer dan 85%
kunnen bedragen van het bedrag dat voortvloeit uit de subsidieverlening (artikel
38, tweede lid, onderdeel a, ). Deze - beperkte - risicotoedeling benadrukt
de verantwoordelijkheid van de subsidieontvanger voor het bereiken van de
gewenste natuurdoelen.</al>
      <al>Is daarentegen zowel het doel niet gehaald als zijn de maatregelen van
het pluspakket niet getroffen, dan is het van belang of op het desbetreffende
terrein wel nog een natuurresultaat basis aanwezig is. Is dit laatste het
geval dan wordt het subsidiebedrag vastgesteld op de in het desbetreffende
pluspakket basisbijdrage (artikel 38, tweede lid, onderdeel b).</al>
      <al>Met dit artikel wordt voorkomen dat als sanctie op het niet halen van
een pluspakket meteen teruggevallen wordt op een subsidie van nihil. Alsdan
zou er immers weinig stimulans zijn om te kiezen voor een pluspakket. Veelal
zal het bij keuze voor een pluspakket immers zo zijn, dat ongeacht beheer,
toch een natuurkwaliteit aanwezig zal zijn die vergelijkbaar is met die van
basispakketten. Omdat er geen één op één relatie
is tussen basispakketten en pluspakketten is voor de duidelijkheid gekozen
voor het duiden van die basiskwaliteit van pluspakketten door het beschrijven
van het natuurresultaat basis.</al>
      <al>In het laatste geval, namelijk indien zowel het doel niet is gehaald en
de maatregelen van het pluspakket niet zijn getroffen, en indien ook het basispakket
niet aanwezig is op het desbetreffende terrein, wordt de subsidie op nihil
vastgesteld.</al>
      <al>In dit verband wordt overigens opgemerkt dat voor bepaalde gevallen een
specifieke voorziening in de regeling is getroffen. Het gaat hier om de situatie
waarin subsidie is verleend ten behoeve van grond waarvan het gebruiksrecht
berust bij een natuurlijk persoon en deze komt te overlijden (artikel 90),
de situatie waarin landinrichting uit hoofde van de Landinrichtingswet plaatsvindt
en als gevolg daarvan het doel niet kan worden bereikt (artikel 91) en de
situatie waarin grond wordt onteigend (artikel 92).</al>
      <al>De korting op de subsidie wordt, op grond van het vierde lid niet berekend
over dat deel van de beheerssubsidie dat is bepaald op grond van artikel 30,
eerste lid, onderdeel a, de extra toeslag voor openstelling.</al>
      <al>Ten aanzien van de verhoging voor de openstelling op grond van artikel
30, eerste lid, onderdeel a, wordt de vermindering berekend naar de mate van
de feitelijke openstelling die heeft plaatsgevonden. Het aldus vast te stellen
bedrag wordt daarenboven dan verminderd met 50%. Door uit te gaan van
de feitelijke openstelling, wordt voorkomen dat ondanks sanctionering met
toepassing van dit artikel een hoger subsidiebedrag wordt genoten, dan het
geval zou zijn geweest als de subsidie overeenkomstig die feitelijke openstelling
zou zijn verleend.</al>
      <al>In samenhang met dit artikel is voorts het volgende van belang. Het kan
zo zijn dat een beheerder na verloop van tijd tot de slotsom komt dat het
door hem geopteerde basis- of pluspakket niet haalbaar is of bij nader inzien
minder wenselijk voorkomt. Het is dan uiteraard niet gewenst dat hij de subsidievaststelling
afwacht. Reeds ingevolge artikel 33, eerste lid, onderdeel j, dient hij mededeling
te doen aan LASER dat hij niet in staat is aan zijn verplichtingen te voldoen.
Alsdan kan worden bezien wat hem te doen staat. Dat zal gelet op de subsidierelatie
die bestaat, veelal niet anders kunnen zijn dat de beschikking tot subsidieverlening
wordt ingetrokken en dat betaalde subsidies worden teruggevorderd. Als het
zo zou zijn, dat betrokkene wel een ander basis- of pluspakket wenst na te
streven, dan kan hem wederom subsidie worden verleend, voor dat pakket. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 40 tot en met 45</tuskop>
      <al>Realisatie van basis- of pluspakketten op landbouwgronden zal te allen
tijde gepaard gaan met inkomensverlies. Het met de omschakeling van landbouwgronden
naar natuurterreinen of bossen gepaard gaande inkomensverlies zal bovendien
een definitief karakter dragen. Allereerst zal immers door het langdurig beheer
met het oog op de vorming van natuur of bos het potentiële productierendement
van de desbetreffende landbouwgrond substantieel afnemen. Deze verandering
in gebruikseigenschappen van de grond zal dusdanig ingrijpend zijn dat het
wederom ontginnen van de grond met het oog op de uitoefening van de landbouw
een langdurig en kostbaar proces zou zijn. Praktisch gezien gaat het terrein
verloren als landbouwgrond. Het definitieve karakter van het inkomensverlies
komt daarnaast tot uiting in het feit dat de subsidie functieverandering wordt
verstrekt onder de voorwaarde dat op het desbetreffende terrein een - in tijdsduur
onbeperkt - kwalitatieve beding komt te rusten dat ertoe strekt ontwikkelingen
of handelingen tegen te gaan die de ontwikkeling of instandhouding op het
terrein van het desbetreffende basis- of pluspakket schaden of teniet doen.
Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar artikel 46.</al>
      <al>De subsidie functieverandering wordt verleend voor vijf aaneengesloten
tijdvakken van zes jaar (artikel 40) en mits de functieverandering kan worden
gerealiseerd. De benodigde vergunningen of documenten dienen dus te zijn verleend
(artikel 41). In veel gevallen zal het niet zonder meer geoorloofd zijn om
de functie van een perceel grond te veranderen. Het kan zijn dat hiervoor
een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Subsidie functieverandering
kan dan pas worden verleend vanaf het tijdstip dat een dergelijke wijziging
van het bestemmingsplan definitief is. Artikel 41 is ruim geformuleerd en
ziet zowel op vergunning krachtens publiekrecht als op eventueel benodigde
privaatrechtelijke toestemming. Het is uiteraard primair aan de beheerder
om ervoor zorg te dragen dat de vereiste toestemming is verkregen.</al>
      <al>De subsidie functieverandering is een subsidie voor dertig jaar. Gekozen
is deze periode op te delen in vijf aaneengesloten tijdvakken om aan te sluiten
bij de systematiek zoals die voor inrichtings- en beheerssubsidie ook geldt.</al>
      <al>Een subsidie functieverandering kan worden verleend als ook inrichtingssubsidie
wordt verleend. Dit is bepaald in artikel 42. Zonder inrichtingsmaatregelen
is het na te streven natuurdoel niet te bereiken, aangezien de functie van
het terrein dient te veranderen.</al>
      <al>In artikel 43 zijn benoemd de gevallen waarin geen subsidie functieverandering
kan worden verleend. Ingevolge artikel 3 kunnen ook overheidslichamen en de
andere in dat artikel bedoelde rechtspersonen geen subsidie functieverandering
ontvangen.</al>
      <al>Teneinde het inkomensverlies te compenseren komt het bedrag van de subsidie
functieverandering (artikel 44) overeen met het verschil in waarde van het
desbetreffende terrein als landbouwgrond en de uiteindelijke waarde van de
grond als natuurterrein. Het inkomensverlies wordt daarmee gekapitaliseerd
op basis van de veranderingen in voor het betreffende inkomen noodzakelijke
productiemiddelen die optreden als gevolg van het natuurbeheer. De in artikel
44, eerste lid, vermelde bedragen zijn gekapitaliseerde bedragen per hectare
per jaar.</al>
      <al>Jaarlijks zal worden bezien of deze bedragen geactualiseerd moeten worden.
Dit zou het geval kunnen zijn indien de marktsituatie dusdanig verandert,
dat de vastgestelde bedragen te veel afwijken van de prijzen op de grondmarkt.
In deze situatie zal de beheerder niet snel geneigd zijn om landbouwgrond
van functie te doen veranderen en zal het met deze regeling beoogde beleid
niet gerealiseerd kunnen worden. Actualisering van de bedragen van de subsidie
functieverandering ligt dan in de rede. De verschillende, in het eerste lid
van artikel 44 genoemde bedragen worden jaarlijks voor inflatie gecorrigeerd. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 46</tuskop>
      <al>In het kader van de uitvoering van het Programma Beheer is het noodzakelijk
dat een voorziening kan worden getroffen waarmee landbouwgronden die uit productie
worden genomen ten behoeve van de ontwikkeling van natuur of zogenaamd blijvend
bos, voor onbepaalde tijd veilig kunnen worden gesteld. Dit betekent dat ten
aanzien van de betreffende grond een ieder verplicht is zich te onthouden
van activiteiten die de ontwikkeling of handhaving van de desbetreffende natuur
schaadt of in gevaar brengt. Het treffen van een publiekrechtelijke voorziening,
bijvoorbeeld op grond van de Natuurbeschermingswet, ligt daartoe in de rede.</al>
      <al>Vooruitlopend daarop zal de veiligstelling, voor zover mogelijk, bereikt
moeten worden met gebruikmaking van het civiele recht. Dit zal geschieden
door de beheerssubsidie te verlenen onder de voorwaarde dat op de betrokken
grond een kwalitatieve verbintenis in de zin van artikel 6:252 van het Burgerlijk
Wetboek wordt gevestigd. Het gaat bij een kwalitatieve verbintenis om een,
bij overeenkomst gevestigde, verplichting van de rechthebbende op de betreffende
grond - de eigenaar of zakelijk gebruiksgerechtigde - om iets te dulden of
niet te doen ten aanzien van een hem toebehorend registergoed. Deze verplichting
gaat over op degenen die het goed onder bijzondere titel zullen verkrijgen.
Mede gebonden zijn voorts degenen die van de rechthebbende een recht tot gebruik
van het goed zullen verkrijgen. Voor de werking van de verbintenis jegens
anderen dan de rechthebbende die de verbintenis op zich neemt, is vereist
dat die ’derdenwerking’ wordt overeengekomen en dat de overeenkomst
waarbij de verbintenis en de derdenwerking wordt overeengekomen wordt ingeschreven
in de openbare registers.</al>
      <al>Overigens is denkbaar dat de rechthebbende op de grond niet degene is
aan wie de subsidie wordt verstrekt. Ook aan niet gebruiksgerechtigden kan
immers beheerssubsidie worden verstrekt. Mogelijk is dus dat de subsidieontvanger
in het geheel niet over een gebruiksrecht beschikt, dan wel slechts over een
persoonlijk gebruiksrecht en aldus geen (kwalitatieve) verplichting op zich
kan nemen.</al>
      <al>In dat geval zal ervoor zorg gedragen dienen te worden dat de (zakelijk)
rechthebbende de verbintenis aangaat en zich, uit hoofde van de (kwalitatieve)
verbintenis onthoudt van, voor de ontwikkeling of de handhaving van het basis-
of pluspakket strijdige activiteiten. De subsidieontvanger zal zich van dergelijke
activiteiten dienen te onthouden uit hoofde van de aan de subsidie verbonden
verplichtingen.</al>
      <al>Voor die situaties waarin naast de subsidieontvanger en degene aan wie
de grond toebehoort ook nog anderen beschikken over een recht tot gebruik
en beheer van de grond, welk recht reeds werd verkregen vóór
inschrijving van de overeenkomst, bedoeld in dit artikel, is het volgende
van belang. Ten aanzien van laatstbedoelde personen heeft de kwalitatieve
verbintenis, krachtens artikel 6:252, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek,
geen werking. Bovendien zijn dergelijke personen niet gebonden aan de aan
de subsidieverlening verbonden verplichtingen. Aan de hand van de subsidieaanvraag
zal alsdan beoordeeld moeten worden of dergelijke rechthebbenden aanwezig
zijn en zo ja, welke garanties er bestaan dat die rechthebbenden niet op enig
moment alsnog op grond van hun gebruiksrecht op de desbetreffende grond zodanige
activiteiten zullen uitoefenen dat de ontwikkeling of instandhouding van het
desbetreffende basis- of pluspakket zou worden geschaad.</al>
      <al>Ter zake zal ook in de in dit artikel bedoelde overeenkomst aandacht kunnen
worden geschonken. Hiertoe kunnen bijvoorbeeld boete-clausules worden opgenomen
voor het geval die gronden op enig moment weer door die derden zodanig worden
gebruikt dat de met de subsidie bereikte doelen geheel of ten dele worden
te niet gedaan. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 47 tot en met 49</tuskop>
      <al>Deze artikelen betreffen de voorschotten en de subsidievaststelling. Ingevolge
artikel 49, dat artikel 37 van overeenkomstige toepassing verklaart, wordt
een inflatiecorrectie toegepast op de verleende subsidie. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 50 tot en met 54</tuskop>
      <al>Beheerssubsidie wordt alleen verstrekt voor de instandhouding van een
basis- of pluspakket. Dit betekent dat op het tijdstip van indiening van de
aanvraag voor subsidieverlening op het desbetreffende terrein de aanwezige
natuur moet voldoen aan een in een basis- of pluspakket omschreven beschrijving.
Voldoet een terrein op het tijdstip van indiening van de subsidieaanvraag
niet aan een beschrijving van een basis- of pluspakket , of wil de subsidieaanvrager
een ander basis- of pluspakket ontwikkelen dan op het terrein aanwezig is
, dan kan een aanvraag voor inrichtingssubsidie worden ingediend.</al>
      <al>In overeenkomstige zin geldt dit ook voor de landschapspakketten.</al>
      <al>Uitgangspunt bij het verstrekken van inrichtingssubsidie is dat die subsidie
uitsluitend wordt verstrekt met het oog op het creëren van de noodzakelijke
fysieke randvoorwaarden zonder welke randvoorwaarden de daaropvolgende instandhouding
van een basis- of pluspakket of een landschapspakket niet mogelijk is.</al>
      <al>Die maatregelen en ingrepen die weliswaar bijdragen aan de ontwikkeling
van een basis- of pluspakket, doch die op zichzelf niet strikt noodzakelijk
zijn omdat de desbetreffende wijzigingen in het terrein of op de grond ook
langs de weg van regulier beheer kunnen worden bereikt, zijn aldus van inrichtingssubsidie
uitgesloten. Dit volgt uit artikel 51.</al>
      <al>Inrichtingssubsidie wordt verstrekt voor terreinen die zijn gelegen in
natuurgebieden en ingevolge artikel 100, voor terreinen gelegen reservaatsgebieden
en natuurontwikkelingsprojecten. Het eerst genoemde gebied wordt begrensd
op grond van de onderhavige regeling. De laatste twee gebieden zijn begrensd
op grond van de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling.</al>
      <al>In de natuurgebiedsplannen wordt opgenomen voor de ontwikkeling of omvorming
van welke basis- of pluspakketten of landschapspakketten subsidie zal worden
verleend. De aanvraag voor inrichtingssubsidie zal door de Dienst Landelijk
Gebied dus worden getoetst aan het desbetreffende natuurgebiedsplan. Is het
niet mogelijk volgens het natuurgebiedsplan een bepaald basis- of pluspakket
te ontwikkelen of om te vormen of een bepaald landschapspakket te realiseren,
dan zal de aanvraag voor subsidieverlening afgewezen worden.</al>
      <al>Voor terreinen die zijn gelegen in reservaatsgebieden en natuurontwikkelingsprojecten
wordt verwezen naar de toelichting op artikel 100.</al>
      <al>Inrichtingssubsidie kan worden verleend voor omvorming en ontwikkeling.
Dit betekent dat, voorzover dat is voorzien in het natuurgebiedsplan, ook
het ene basispakket kan worden ontwikkeld naar het andere.</al>
      <al>Voor bossen geldt een uitzondering op de eis dat inrichtingssubsidie slechts
kan worden verleend ten aanzien van terreinen gelegen in een natuurgebiedsplan.
Dit is bepaald in het tweede lid van artikel 51. Hiermede wordt het beleid
ten aanzien van het stimuleren van de aanleg van bos voortgezet. Het gebruik
van het woord ’ontwikkeling’ in dit lid, duidt aan dat deze subsidiemogelijkheid
alleen betreft de aanleg van bos en niet de omvorming daarvan.</al>
      <al>Inrichtingssubsidie wordt verstrekt voor een tijdvak, behoudens voor aanleg
of herstel van landschap. Voor dit laatste geval geldt een bij de subsidie
verlenen te bepalen periode (artikel 50, tweede lid). Deze periode kan overigens
maximaal een jaar duren (artikel 63, tweede lid).</al>
      <al>Het feit dat subsidie voor een tijdvak wordt verleend, betekent overigens
niet dat ook gedurende het gehele tijdvak inrichting plaatsvindt. Inrichting
is maatwerk. Het is dus goed denkbaar dat de inrichting van het desbetreffende
terrein niet het hele tijdvak in beslag neemt. In dat geval zal nadat de inrichting
voltooid is, worden overgegaan tot het beheer van het desbetreffende terrein.
Ook een combinatie van beheer en inrichtingsmaatregelen kan voorkomen. Het
inrichtingsplan zal dit duidelijk dienen te maken. Dit geldt overigens alleen
indien het beheer betreft dat inherent is aan het inrichtingsproces. Is dit
niet het geval, zal sprake zijn van bestaande natuur en kan subsidie worden
verleend voor instandhouding van het desbetreffende basis -of pluspakket.</al>
      <al>Inrichting zal leiden tot een fysieke verandering van het terrein. Het
is daarom dat de beperkt gerechtigde niet alleen inrichtingssubsidie kan verzoeken.
Ingeval van bijvoorbeeld pacht zal de verpachter akkoord dienen te gaan met
een subsidieverzoek door pachter. Dit is bepaald in artikel 53.</al>
      <al>In de artikelen 52 en 54 zijn de andere criteria opgenomen die bepalen
of inrichtingssubsidie kan worden verleend. Bepalende criteria zijn veelal
af te leiden uit het natuurgebiedsplan. Daarin wordt onder andere bepaald
waar en in hoeverre particulier beheer mogelijk is en met het oog op welke
pakketten deze subsidie kan worden verleend. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 55</tuskop>
      <al>Alvorens de daadwerkelijke inrichting van het terrein zal kunnen plaatsvinden,
zal een inrichtingsplan dienen te worden opgesteld. Dit inrichtingsplan is
gelijk te stellen met het verzoek om subsidie en heeft die functie. Uiteraard
laat dit onverlet de artikelen 19 tot en met 21. Ook daaraan dient te worden
voldaan.</al>
      <al>Het inrichtingsplan zal onder andere gedetailleerd aangeven welke maatregelen
waar in het terrein dienen plaats te vinden. Voor zover het gaat om inrichtingswerkzaamheden,
eenmalige fysieke ingrepen, zullen de feitelijke kosten subsidiabel zijn.
Voor de berekening van beheersmaatregelen die deze ingrepen vergezellen, zal
in beginsel uitgegaan worden van dezelfde grondslagen als die gelden voor
de beheerssubsidie. Uiteraard zal in het concrete geval steeds worden bezien
of hiermee in redelijkheid mee kan worden volstaan. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 56 tot met 58</tuskop>
      <al>In deze artikelen zijn de subsidiabele kosten bepaald. Het gaat om indicatieve
indicaties daarvan, doch steeds gekoppeld aan de noodzaak in het licht van
de voorgenomen inrichting. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 60 tot en met 62</tuskop>
      <al>In tegenstelling tot beheerssubsidie en recreatiesubsidie, zal inrichtingssubsidie
worden verstrekt aan de hand van daadwerkelijk gemaakte kosten. In artikel
60 is in dat verband het maximumbedrag per hectare opgenomen.</al>
      <al>De inrichtingssubsidie bedraagt 95% van de werkelijk gemaakte kosten.
Uitgangspunt hierbij zijn de afspraken in het LNV-IPO convenant van 1997.
Daarbij is overeengekomen dat het Rijk enerzijds en de provincies anderzijds
ieder voor 50% de inrichting van eerste- en tweede fase relatienotareservaten,
natuurontwikkelingsgebieden, natuurgebieden alsmede van landschapselementen
gelegen binnen landinrichting subsidieren. Voor de uitwerking hiervan zullen
met de provincies nadere afspraken worden gemaakt.</al>
      <al>Met het oog op de beoordeling van de aanvragen voor inrichtingssubsidie,
waaronder het inrichtingsplan, alsmede met het oog op de wijze waarop de subsidie
uiteindelijk wordt verleend, kunnen beleidsregels worden vastgesteld. Dit
is bepaald in artikel 61. Hierbij kan het gaan om ten hoogste te vergoeden
bedragen per maatregel, de wijze waarop opbrengsten uit bijvoorbeeld grondverzet
of houtkap moeten worden verdisconteerd in de begroting van het inrichtingsplan
of om nadere eisen aan de te treffen inrichtingsmaatregelen. Zo zal bijvoorbeeld
bebossing van een terrein dienen plaats te vinden door middel van het gebruik
van duurzaam plantmateriaal.</al>
      <al>Artikel 62 betreft de subsidieverlening. Daarbij zal ook het oordeel worden
uitgesproken over het inrichtingsplan. Bijvoorbeeld kan daarbij worden bepaald
welke werkzaamheden wel en welke niet noodzakelijk worden geoordeeld. Alleen
voorzover noodzakelijk zal inrichtingssubsidie worden verleend. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 63 tot en met 66</tuskop>
      <al>Deze artikelen betreffen de verplichtingen van de subsidieontvanger, de
voorschotten en de subsidievaststelling. De subsidie wordt vastgesteld op
grond van de werkelijk gemaakte kosten. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 67 tot en met 73</tuskop>
      <al>In de onderhavige regeling zijn twee recreatiepakketten opgenomen in de
bijlagen 58 en 59. Zij laten zich onderscheiden op basis van recreatiedruk.
De twee pakketten zijn in verschillende gebieden van toepassing. Het pakket
58 (laag recreatie-niveau) is in beginsel overal van toepassing. Het pakket
59 is van toepassing in nationale parken op nationale parken in oprichting
en bepaald aangewezen gemeenten (bijlage 60).</al>
      <al>Recreatiesubsidie is gekoppeld aan beheerssubsidie en wordt berekend naar
hectares. De recreatiesubsidie kan worden verleend naast en onverkort de beheerssubsidie.</al>
      <al>Net als beheerssubsidie kan recreatiesubsidie uitsluitend over gehele
tijdvakken wordt verstrekt. Omdat voor de toepassing van de bepalingen over
recreatiesubsidie, met betrekking tot de begin- en einddata van tijdvakken,
wordt aangesloten bij hetgeen ter zake uit de beschikking tot verlening van
beheerssubsidie voor het desbetreffende terrein is opgenomen, zal te allen
tijde een tijdvak waarover recreatiesubsidie wordt verstrekt hetzelfde tijdvak
zijn als waarover beheerssubsidie wordt verleend. Zulks vloeit voort uit artikel
70. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 74 tot en met 79</tuskop>
      <al>Deze artikelen betreffen de landschapssubsidie.</al>
      <al>De subsidiëring van landschappelijke elementen is terug te vinden
in zowel de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer als in de onderhavige
regeling. Voor deze systematiek is gekozen omdat het onderdeel landschap wat
betreft werkingssfeer is op te splitsen in twee onderscheiden onderdelen,
namelijk aan de ene kant bestaande bossen en natuurterreinen en natuurgebieden
en aan de andere kant de landschapsgebieden en de beheersgebieden die zijn
begrensd op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer.</al>
      <al>Uitgangspunt bij de bepaling van de werkingssfeer van het onderdeel landschap
in de onderhavige regeling is de begrenzing van gebieden waarbinnen landschapssubsidie
kan worden verleend in natuurgebiedsplannen en landschapsgebiedsplannen als
bedoeld in de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer.</al>
      <al>Daarnaast is het mogelijk landschapssubsidie te verstrekken voor terreinen
die zijn gelegen in bestaande bos en natuurterreinen.</al>
      <al>De verschillende artikelen van hoofdstuk 8 sluiten direct aan bij de systematiek
die ook is gekozen voor de beheerssubsidie en de recreatiesubsidie.</al>
      <al>De subsidie wordt verleend voor een tijdvak en is gekoppeld aan de verschillende
landschapspakketten. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 80 tot en met 87 en 107</tuskop>
      <al>Deze artikelen betreffen de effectgerichte maatregelen. Het stelsel is
ontleend aan de Regeling effectgerichte maatregelen in bossen en natuurterreinen.</al>
      <al>De subsidie voor effectgerichte maatregelen is gekoppeld aan beheerssubsidie.
Ten aanzien van terreinen waarvoor inrichtingssubsidie is verleend, kan in
het inrichtingsplan worden voorzien in overeenkomstige maatregelen voorzover
dit geboden is.</al>
      <al>Deze subsidie wordt verleend en vastgesteld op basis van de werkelijk
gemaakte subsidiabele kosten. In de beschikking tot subsidieverlening wordt
het goedgekeurde plan dat bij de aanvraag gevoegd, is opgenomen.</al>
      <al>In verband met een goede overgang op deze regeling blijft gedurende één
jaar na inwerkingtreding van deze regeling de Regeling effectgerichte maatregelen
bestaan en kunnen op grond van die regeling nog aanvragen worden gedaan. Het
spreekt vanzelf dat projecten die ingang zijn gezet op grond van laatstbedoelde
regeling kunnen worden voortgezet en afgerond zoals gepland. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 88</tuskop>
      <al>Dit artikel bevat een regeling die het mogelijk maakt dat een beheerder
gedurende een tijdvak nieuwe terreinen voor subsidie in aanmerking brengt
onder de reeds verleende subsidie. Dit is aan een aantal criteria gebonden.
Zo dienen de terreinen direct aan te sluiten bij het terrein waarvoor reeds
subsidie voor het instandhouden van een basis-, plus-of landschapspakket is
verleend en zal sprake dienen te zijn van het toepassing van hetzelfde doelpakket
of landschapspakket als in die terreinen. Dit ligt slechts anders indien het
betreffende terrein uit zijn eigen aard voldoet aan de eisen die dienaangaande
in het basis-, plus-of landschapspakket zijn gesteld.</al>
      <al>Aangezien het om een verzoek tot wijziging van de beschikking tot subsidieverlening
gaat, blijft het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend onverlet. De subsidie
voor de nieuwe terreinen wordt naar evenredigheid vastgesteld.</al>
      <al>Dit artikel zal bijvoorbeeld kunnen worden benut in het geval van zogenoemde
afrondingsaankopen door particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties
of andere particuliere grondeigenaren die subsidie genieten voor hun reeds
eerder verkregen terreinen en ook in het geval dat bijvoorbeeld uitbreiding
plaatsvindt van het aantal leden of aangeslotenen bij rechtspersonen als bedoeld
in de artikelen 5 of 6. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 89 tot en met 93</tuskop>
      <al>Ingeval van eigendomsoverdracht, aan derden, aan erfgenamen of als gevolg
van landinrichting, bevatten deze artikelen enige voorzieningen. Bij overdracht
aan derden kan deze derde de subsidieverplichtingen en de daaruit voortvloeiende
rechten overnemen. Indien dit niet gebeurt, zal de subsidie worden teruggevorderd
voor zover deze onverschuldigd is betaald.</al>
      <al>Ingeval van overlijden zal de subsidie en de daaruit voortvloeiende verplichtingen
in beginsel overgaan op de erfgenamen, tenzij zij te kennen geven hiervan
te willen afzien. In dat geval zal de eveneens de subsidie worden teruggevorderd.
Bijzonder aandachtspunt daarbij is dat in het geval subsidie is verleend voor
meer tijdvakken, slechts de subsidie voor het betreffende tijdvak kan worden
teruggevorderd. Voor de overige reeds verstreken tijdvakken zal een voorziening
kunnen worden getroffen bij de kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel
46. Als de beëindiging van de subsidie er immers ook zal toe leiden dat
betrokkenen ontslagen willen worden van die verplichting, zal het ongedaan
maken daarvan vergezeld dienen te gaan van een boeteclausule. Deze zal bij
de vestiging van de kwalitatieve verplichting worden vastgesteld.</al>
      <al>Bij landinrichting zal in het kader van die landinrichting tevens een
voorziening worden getroffen omtrent de wijze waarop de subsidie zal worden
verrekend. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 94 tot en met 97</tuskop>
      <al>In deze artikelen is geregeld in welke gevallen en onder welke voorwaarden
het Bureau beheer landbouwgronden gehouden is tot verwerving van een hem aangeboden
eigendomsrecht of een daarvan afgeleid beperkt gebruiksrecht met betrekking
tot landbouwgrond over te gaan.</al>
      <al>Van belang is dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de gevallen
waarin op het desbetreffende terrein een kwalitatieve verplichting in de zin
van artikel 46 is gevestigd en de gevallen waarin dat niet het geval is.</al>
      <al>In de gevallen waarin een kwalitatieve verplichting is gevestigd is sprake
van een situatie waarin subsidie functieverandering is verleend, die mede
is gebaseerd op de daling van de waarde van de grond vanwege de omzetting
van de landbouwgrond in natuurgrond. Voor zover die compensatie reeds is betaald,
is dus in feite reeds een deel van de waarde door de Staat uitbetaald en is
er dus geen reden om de volle waarde van het terrein als landbouwgrond uit
te betalen. Bij de te betalen prijs zal rekening moeten worden gehouden met
de reeds uitbetaalde subsidie functieverandering.</al>
      <al>In artikel 95, eerste en tweede lid, is op basis van het vorenstaande
in algemene zin de berekeningsmethode weergegeven voor de situatie waarin
een kwalitatieve verplichting op de desbetreffende grond is gevestigd. Daarbij
ziet het eerste lid op de situatie waarin het volle eigendomsrecht ter verwerving
aan het bureau wordt aangeboden, terwijl het tweede lid ziet op de situatie
waarin overdracht van een, met een beperkt gebruiksrecht bezwaard, eigendomsrecht
aan de orde is.</al>
      <al>In het derde lid gaat het om situaties waarin een kwalitatieve verplichting
op de betrokken grond is gevestigd en louter een van het eigendomsrecht afgeleid
beperkt gebruiksrecht ter verwerving wordt aangeboden. In die gevallen wordt
de te betalen prijs bepaald op basis van taxatie van de waarde van het recht.</al>
      <al>Onder het derde lid valt ook de situatie waarin geen kwalitatieve verplichting
op de grond rust en een eigendomsrecht, al dan niet bezwaard met een beperkt
gebruiksrecht, dan wel louter een beperkt gebruiksrecht, ter verwerving wordt
aangeboden. In die gevallen wordt, krachtens het vierde lid van artikel 95
, de te betalen prijs eveneens bepaald op basis van taxatie, maar wordt bij
die taxatie geen rekening gehouden met het feit dat de grond onderhevig is
aan een aangepaste agrarische bedrijfsvoering uit hoofde van een beheersovereenkomst
en de grond is gelegen in een reservaatsgebied.</al>
      <al>Opgemerkt wordt dat de verwerving uit hoofde van artikel 94 door het Bureau
beheer landbouwgronden van een eigendomsrecht of een beperkt gebruiksrecht
losstaat van de eventuele subsidierelatie die uit hoofde van deze regeling
met de desbetreffende beheerder bestaat. Zo biedt bijvoorbeeld het enkele
verlies van het recht tot gebruik en beheer vanwege de overdracht van het
eigendomsrecht aan het bureau op zichzelf geen grond voor het oordeel dat
het niet behalen van de subsidiedoelen aan overmacht zou zijn te wijten. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 98</tuskop>
      <al>Naast de hier bedoelde ambtenaren zullen ook ambtenaren van andere directies
dan wel LASER of de Algemene Inspectie Dienst als toezichthouder kunnen worden
aangewezen. De Kaderwet LNV-subsidies biedt daartoe de basis.</al>
      <al>Mede met betrokken subsidieontvangers of belangenbehartigers van hen zal
een systeem van monitoring worden ontwikkeld. Dit zal mede van belang zijn
ten behoeve van de in het algemeen deel van deze toelichting aangekondigde
evaluatie. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 99 en 100</tuskop>
      <al>Deze artikelen betreffen het overgangsrecht voor reservaatsgebieden en
natuurontwikkelingsgebieden als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten
en natuurontwikkeling (Rbon).</al>
      <al>In de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer is ten algemene het overgangsregime
voor de Rbon opgenomen. In die regeling is bepaald dat de Rbon wordt ingetrokken.
Ook is daarbij bepaald dat lopende beheersovereenkomsten van kracht blijven
tot het moment waarop deze van rechtswege eindigen dan wel subsidie wordt
verleend op grond van onderhavige regeling of de Subsidieregeling natuurbeheer.</al>
      <al>Voor een goed begrip van deze artikelen wordt derhalve verwezen naar het
overgangsrecht van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer.</al>
      <al>In dit verband wordt ook gewezen op de artikelen 77 en volgende van de
Regeling agrarisch natuurbeheer. Die artikelen betreffen de zogenoemde overgangsbeheerssubsidie.
Voor deze subsidies zal in het natuurgebiedsplan worden bepaald waar deze
subsidie kan worden verleend.</al>
      <al>Ook is in het kader van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer bepaald
dat de grenzen van reservaats- en natuurontwikkelingsgebieden, vastgesteld
krachtens de Rbon, van kracht blijven zolang geen natuurgebiedsplannen zijn
vastgesteld. Voor de toepassing van deze regeling is dit vooral van belang
om de mogelijkheid te openen voor particulier beheer, anders dan op basis
van beheersovereenkomsten Rbon.</al>
      <al>In de reservaats- en natuurontwikkelingsgebieden kunnen dus vanaf het
moment van inwerkingtreding van de onderhavige regeling subsidies functieverandering
en inrichtingssubsidies worden verleend ook al zijn nog geen natuurgebiedsplannen
vastgesteld. In beginsel geldt voor het verlenen van die subsidies het reguliere
regime zoals bepaald bij de desbetreffende artikelen in deze regeling.</al>
      <al>Deze beide artikelen bevatten dan ook vooral een bijzondere voorziening
die erop is gericht een verantwoord beleid te voeren bij afwezigheid van die
natuurgebiedsplannen teneinde inrichtingssubsidie en subsidie functieverandering
te kunnen verlenen</al>
      <al>Dit is nodig omdat in de natuurgebiedsplannen door gedeputeerde staten
zal worden bepaald welke doelpakketten kunnen worden ontwikkeld. Zolang die
plannen er niet zijn, is er daarom in voorzien dat gedeputeerde staten per
geval dienen te verklaren dat de subsidieverlening past in het door hen voorgestane
beleid. Zowel uit het oogpunt van duidelijkheid als uit het oogpunt van rechtszekerheid
is het echter gewenst dat deze overgangsvoorziening niet te lang van kracht
kan zijn. Daarom is in artikel 100 voor inrichtingssubsidie bepaald dat deze
voorziening slechts geldt voor aanvragen die worden ingediend tot 1 januari
2002. Gelet op de onlosmakelijk koppeling die is gelegd tussen inrichtingssubsidie
en subsidie functieverandering geldt dit ook voor die laatste subsidie.</al>
      <al>Het is dus van belang dat gedeputeerde staten voordien de natuurgebiedsplannen
vaststellen.</al>
      <al>Voor zover in begrensde reservaats- en natuurontwikkelingsgebieden terreinen
liggen die voldoen aan de natuurdoelen, bepaald bij één der
onderscheiden pakketten, kan uiteraard voor die pakketten subsidie worden
verleend. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 101</tuskop>
      <al>Teneinde discontinuïteit te voorkomen is in dit artikel bepaald dat
eenmalig subsidies met terugwerkende kracht kunnen worden verleend voor aanvragen
die in het eerste half jaar na inwerkingtreding van deze regeling worden ingediend.
Dit zal over het algemeen vooral die situaties betreffen waar thans over het
algemeen subsidie wordt genoten op grond van de Regeling functiebeloning bos
en natuurterreinen. Het gaat dus om bestaande natuur.</al>
      <al>In dit verband wordt overigens gewezen op die genoemde regeling waarbij
thans reeds bijzondere voorzieningen zijn getroffen voor de overgang van de
subsidie functiebeloning naar de beheerssubsidies op grond van de onderhavige
regeling. Tot 1 januari 2001 kan ook subsidie functiebeloning worden genoten.
Uiteraard kan dit niet samengaan met beheerssubsidie. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 103 en 104</tuskop>
      <al>Deze artikelen betreffen het overgangsregime ten aanzien van de Tijdelijke
regeling natuurbeheer. In het bijzonder is dit erop gericht dat door beheerders,
desgewenst, op soepele wijze overstap gemaakt kan worden naar de onderhavige
regeling </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 106</tuskop>
      <al>Met de wijziging van de Regeling subsidies particuliere terreinbeherende
natuurbeschermingsorganisaties komt de subsidiëring uit hoofde van die
regeling van het beheer en de inrichting van terreinen door de in artikel
3, tweede lid, van die regeling genoemde instellingen te vervallen. Het gaat
hier om de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels, de Stichting
Marke Vragender Veen, de G.A. van der Lugtstichting, de Stichting Edwina van
Heek en de Stichting Goois Natuurreservaat. Deze stichtingen kunnen thans
subsidie voor het beheer en de inrichting van terreinen verkrijgen uit hoofde
van de onderhavige regeling.</al>
      <al>Met betrekking tot de in artikel 3, eerste lid, van de Regeling subsidies
particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties genoemde instellingen
is gekozen voor een gefaseerd overgangsregime, waarlangs de mogelijkheden
om uit hoofde van die ten behoeve van het beheer of de inrichting van terreinen
subsidie kan worden verstrekt. Het gaat hier om de Vereniging tot Behoud van
Natuurmonumenten in Nederland en de 12 provinciale landschapsstichtingen.
Voor een gefaseerde overgang is aanleiding teneinde deze instelling in staat
te stellen hun bedrijfsvoering volledig aan te passen aan de subsidiemethodiek
uit de onderhavige subsidieregeling. Zij dienen immers voor hun gehele areaal
van veelal grote omvang de bestaande terreinsituatie te beschrijven en de
daarbij behorende onderscheidenlijk gewenste basis- of pluspakketten te kiezen.</al>
      <al>Vanaf het moment van inwerkingtreding van de onderhavige subsidieregeling
zullen de instellingen als bedoeld in artikel 3 van de Regeling subsidies
particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties nog slechts beperkt
in aanmerking kunnen komen voor beheerssubsidie uit hoofde van laatstgenoemde
regeling. In 2000 zal elke instelling voor nog ten hoogste 85% van
het door haar op het moment van inwerkingtreding van de onderhavige regeling
beheerde areaal beheerssubsidie kunnen krijgen op grond van de regeling subsidies
particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties.</al>
      <al>In de jaren daarna wordt dit percentage afgebouwd tot 60 respectievelijk
30.</al>
      <al>Voor het bestaande areaal waarvan het beheer niet langer onder die subsidieregeling
wordt gesubsidieerd, kan de desbetreffende instelling uit hoofde van de onderhavige
regeling beheerssubsidie aanvragen.</al>
      <al>Voor het natuurbeheer van alle nieuw te verkrijgen terreinen zal uitsluitend
op basis van de onderhavige subsidieregeling subsidie kunnen worden verstrekt. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 111</tuskop>
      <al>Dit artikel betreft de Regeling functiebeloning bos en natuurterreinen.
Die regeling is met ingang van 1 januari 1999 reeds gewijzigd met het oog
op het programma beheer. Onder andere betreft die wijziging de bepaling dat
subsidie functiebeloning met één jaar kan worden verlengd indien
de subsidietermijn in 1999 afloopt. In verband daarmee wordt de Regeling functiebeloning
ingetrokken met ingang van 1 januari 2001.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">G.H. Faber.</nadruk>
      </al>
      <tuskop letat="vet">Bijlagen behorende bij de Subsidieregeling Natuurbeheer
van 20 december 1999; TRCJZ1999/13.144 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 1</tuskop>
      <al>Ameland, Schiermonnikoog, Terschelling, Vlieland. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 2</tuskop>
      <al>Noordenveld. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 3 </tuskop>
      <al>Aa en Hunze, Appingedam, Assen, Bedum, Bellingwedde, Borger-Odoorn, Coevorden,
Delfzijl, De Marne, De Wolden, Emmen, Groningen, Grootegast, Haren, Hoogeveen,
Leek, Marum, Menterwolde, Meppel, Middenveld, Reiderland, Scheemda, Slochteren,
Ten Boer, Westerveld, Winschoten, Winsum, Zuidhorn, Zuidlaren. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 4</tuskop>
      <al>Achtkarspelen, Akersloot, Amsterdam, Anna Paulowna, Beemster, Bergen (N.H.),
Dantumadeel, Den Helder, Dirksland, Edam-Volendam, Eemsmond, Goedereede, Graft-De
Rijp, Haarlemmerliede c.a., Heerenveen, Hoogezand-Sappemeer, Landsmeer, Loppersum,
Middelharnis, Oostflakkee, Ooststellingwerf, Oostzaan, Opsterland, Pekela,
Purmerend, Schermer, Schoorl, Smallingerland, Stadskanaal, Texel, Tytsjerksteradiel,
Uitgeest, Veendam, Vlagtwedde, Waterland, Weststellingwerf, Wormerland, Zaanstad,
Zeevang, Zijpe. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 5 </tuskop>
      <al>Alkmaar, Ambt Montfort, Apeldoorn, Arcen en Velden, Beesel, Belfeld, Bennebroek,
Bergen (L.), Beverwijk, Bloemendaal, Broekhuizen, Castricum, Dongeradeel,
Echt, Egmond, Elburg, Epe, Ferwerderadeel, Franekeradeel, Gennep, Grubbenvorst,
Haarlem, Haelen, Harlingen, Hattem, Heel, Heemskerk, Heemstede, Heerde, Heiloo,
Helden, Het Bildt, Heythuysen, Horst, Hunsel, Kessel, Kollumerland c.a., Leeuwarderadeel,
Limmen, Maasbracht, Maasbree, Meerlo-Wanssum, Meijel, Menaldumadeel, Mook
en Middelaar, Nederweert, Oldebroek, Roerdalen, Roermond, Roggel en Neer,
Sevenum, Swalmen, Tegelen, Thorn, Velsen, Venlo, Venray, Weert, Zandvoort. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 6</tuskop>
      <al>Aalsmeer, Alblasserdam, Amersfoort, Amstelveen, Angerlo, Avereest, Baarn,
Blaricum, Boarnsterhim, Bolsward, Borsele, Brederwiede, Brummen, Bunschoten,
Bussum, Dalfsen, Den Ham, Diemen, Doesburg, Eemnes, Gaasterlân-Sleat,
Genemuiden, Giessenlanden, Goes, Gorinchem, Graafstroom, Gramsbergen, Hardenberg,
Hardinxveld-Giessendam, Hasselt, Heino, Hilversum, Hummelo en Keppel, Huizen,
IJsselham, IJsselmuiden, Kampen, Kapelle, Laren (N.H.), Leerdam, Leeuwarden,
Lemsterland, Liesveld, Littenseradiel, Middelburg, Muiden, Naarden, Nederhorst
den Berg, Nieuw-Lekkerland, Nieuwleusen, Nijefurd, Ommen, Ouder-Amstel, Papendrecht,
Reimerswaal, Rheden, ’s-Graveland, Skarsterlân, Sliedrecht, Sneek,
Soest, Staphorst, Steenderen, Steenwijk, Uithoorn, Veere, Vianen, Vlissingen,
Voorst, Weesp, Wûnseradiel, Wymbritseradiel, Zederik, Zwartsluis, Zwolle. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 7 </tuskop>
      <al>Aalten, Alphen aan den Rijn, Andijk, Axel, Bergambacht, Bergh, Bodegraven,
Borculo, Didam, Dinxperlo, Doetinchem, Drechterland, Eibergen, Enkhuizen,
Gendringen, Gorssel, Gouda, Groenlo, Harenkarspel,, Heerhugowaard, Hengelo
(Gld.), Hontenisse, Hoorn, Hulst, Krimpen aan den IJssel, Langedijk, Lichtenvoorde,
Lochem, Medemblik, Moordrecht, Nederlek, Neede, Niedorp, Nieuwkoop, Noord-Beveland,
Noorder-Koggenland, Obdam, Oostburg, Opmeer, Ouderkerk, Reeuwijk, Ruurlo,
Sas van Gent, Schagen, Schoonhoven, Schouwen-Duiveland, Sluis-Aardenburg,
Stede Broec, Terneuzen, Tholen, Venhuizen, Vlist, Vorden, Warnsveld, Wehl,
Wervershoof, Wester-Koggenland, Winterswijk, Wisch, Wognum, Zelhem, Zutphen. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 8</tuskop>
      <al>Bathmen, Beek (L.), Bergen op Zoom, Bernisse, Beuningen, Binnenmaas, Brielle,
Brunssum, Cromstrijen, Deventer, Diepenveen, Dordrecht, Druten, Duiven, Etten-Leur,
Eijsden, Geleen, Groesbeek, Gulpen, Halderberge, Heerewaarden, Heerlen, Hellevoetsluis,
Heumen, Holten, Kerkrade, Korendijk, Landgraaf, Maastricht, Margraten, Meerssen,
Millingen aan de Rijn, Nuth, Olst, Onderbanken, Oud-Beijerland, Raalte, Rijnwaarden,
Roosendaal, Rucphen, Schinnen, ’s-Gravendeel, Simpelveld, Sittard, Spijkenisse,
Stein (L.), Strijen, Susteren, Ubbergen, Vaals, Valkenburg aan de Geul, Voerendaal,
West Maas en Waal, Westervoort, Westvoorne, Wieringen, Wieringermeer, Wijchen,
Wijhe, Wittem, Woensdrecht, Zevenaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 9</tuskop>
      <al>Abcoude, Almelo, Ambt Delden, Ammerzoden, Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs,
Bleiswijk, Borne, Boxmeer, Brakel, Breukelen, Capelle aan den IJssel, Cuijk,
De Lier, Delft, Denekamp, De Ronde Venen, Diepenheim, Enschede, Grave, Goor,
Haaksbergen, Harmelen, Hedel, Hellendoorn, Hengelo (O.), IJsselstein, Kerkwijk,
Landerd, Lith, Loenen, Loosdrecht, Lopik, Losser, Maarssen, Maartensdijk,
Maasland, Maasdriel, Maassluis, Markelo, Mill en Sint Hubert, Monster, Montfoort,
Naaldwijk, Nieuwegein, Nieuwerkerk aan den IJssel, Nootdorp, Oldenzaal, Ootmarsum,
Oss, Oudewater, Pijnacker, Ravenstein, Rijssen, Rijswijk (Z.H.), Rossum, Schipluiden, ’s-Gravenhage, ’s-Gravenzande,
Sint Anthonis, Stad Delden, Tubbergen, Utrecht, Vleuten-De Meern, Vriezenveen,
Waddinxveen, Wateringen, Weerselo, Wierden, Woerden, Zaltbommel, Zevenhuizen-Moerkapelle. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 10</tuskop>
      <al>Aalburg, Albrandswaard, Alkemade, Almere, Alphen-Chaam, Amerongen, Arnhem,
Asten, Baarle-Nassau, Barendrecht, Barneveld, Bemmel, Bergeyk, Bernheze, Best,
Bladel, Boekel, Born, Boskoop, Boxtel, Breda, Budel, Bunnik, Buren, Culemborg,
De Bilt, Deurne, Dodewaard, Dongen, Doorn, Driebergen-Rijsenburg, Dronten,
Echteld, Ede, Eersel, Eindhoven, Elst (Gld.), Ermelo, Geertruidenberg, Geldermalsen,
Geldrop, Gemert-Bakel, Gendt, Gilze en Rijen, Goirle, Haaren, Haarlemmermeer,
Harderwijk, Heerjansdam, Heeze-Leende, Helmond, Hendrik-Ido-Ambacht, Heteren,
Heusden, Hillegom, Hilvarenbeek, Hoevelaken, Houten, Huissen, Jacobswoude,
Katwijk, Kesteren, Laarbeek, Leersum, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam, Lelystad,
Leusden, Liemeer, Lienden, Lingewaal, Lisse, Loon op Zand, Maarn, Maasdonk,
Made, Maurik, Mierlo, Neerijnen, Nijkerk, Nijmegen, Noordoostpolder, Noordwijk,
Noordwijkerhout, Nuenen c.a., Nunspeet, Oegstgeest, Oirschot, Oisterwijk,
Oosterhout, Putten, Renkum, Renswoude, Reusel-De Mierden, Rhenen, Ridderkerk,
Rijnsburg, Rijnwoude, Rozendaal, Rotterdam, Rozenburg, Sassenheim, Scherpenzeel,
Schiedam, Schijndel, ’s-Hertogenbosch, Sint-Michielsgestel, Sint-Oedenrode,
Someren, Son en Breugel, Steenbergen, Ter Aar, Tiel, Tilburg, Uden, Urk, Valburg,
Valkenburg (Z.H.), Valkenswaard, Veenendaal, Veghel, Veldhoven, Vlaardingen,
Voorburg, Voorhout, Voorschoten, Vught, Waalre, Waalwijk, Wageningen, Warmond,
Wassenaar, Werkendam, Wijk bij Duurstede, Woudenberg, Woudrichem, Zeewolde,
Zeist, Zevenbergen, Zoetermeer, Zoeterwoude, Zundert, Zwijndrecht. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 11</tuskop>
      <al>Anna Paulowna, Zijpe, Bergen (Z.H.), Egmond, Castricum, Heemskerk, Noordwijk,
Lisse, Hillegom, Noordwijkerhout, Wassenaar, voorzover bestaande uit:</al>
      <al>Duinvaaggronden en vlakvaaggronden zonder kleidek volgens de classificatie
van Bakker en Schelling (1996) die in gebruik zijn als bollengrond. De gronden
hebben een lutumpercentage van minder dan 3 en een mediaan van de korrelgrootte
van de zandfractie van ten minste 150 (m. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 12 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Basispakket : Plas en ven</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat basis: Ten minste 90% van de oppervlakte van
de beheerseenheid bestaat uit water; En ten hoogste 40% van de oppervlakte
van de beheerseenheid wordt bedekt door Kroossoorten of Kroosvaren; En de
beheerseenheid maakt ten hoogste 90 % deel uit van een terrein, waarvan
de overige delen voldoen aan één of meer van de andere basis-
of pluspakketten in de bijlagen van deze regeling, met uitzondering van bijlage
21.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: geen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte beheerseenheid, behorende bij basispakket Plas en
ven: 0,5 hectare.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 33,- per hectare per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 13 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Basispakket : Moeras</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat basis: Ten minste 70 % van de oppervlakte van
de beheerseenheid bestaat uit moeras; En ten hoogste 40 % van de oppervlakte
van de beheerseenheid bestaat uit bos of struweel; En ten hoogste 20 %
van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat uit water.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Ten minste 60% van de oppervlakte van
de beheerseenheid vrijhouden van bos en struweel; Hetzelfde deel van de beheerseenheid
wordt nooit in twee opeenvolgende jaren gemaaid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte beheerseenheid, behorende bij basispakket Moeras:
0,5 hectare</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 66,- per hectare per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 14 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Basispakket : Rietcultuur</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat basis: Ten minste 90% van de oppervlakte van
de beheerseenheid is bedekt met riet; En het riet is ten hoogste 1 jaar oud.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: De gehele beheerseenheid jaarlijks in de periode
tussen 1 september en 1 april maaien en het maaisel afvoeren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte beheerseenheid, behorende bij basispakket Rietcultuur:
0.5 hectare.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 335,- per hectare per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 15 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Basispakket : (Half)natuurlijk grasland</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat basis: Ten minste 90% van de oppervlakte van
de beheerseenheid bestaat uit grasland of kwelder; En in geval van grasland
zijn op de beheerseenheid ten minste 15 inheemse plantensoorten inclusief
mossen aanwezig per 25m2; En ten hoogste 10% van de oppervlakte van
de beheerseenheid is bedekt met Pijpestrootje of Bochtige smele.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: In geval van grasland het gewas jaarlijks afvoeren
via maaien of beweiden; In de periode van 1 juli tot 1 april is een veebezetting
van ten hoogste 3 GVE per hectare op enig moment toegestaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte beheerseenheid, behorende bij basispakket (Half)natuurlijk
grasland: 0,5 hectare</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 259,- per hectare per jaar </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 16 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Basispakket : Heide</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat basis: Ten minste 30% van de oppervlakte van
de beheerseenheid is bedekt met een of meer van de volgende heidesoorten:
Struikhei, Dophei, Kraaihei; En de resterende oppervlakte van de beheerseenheid
is bedekt met grassen, kruiden, mossen, korstmossen, stuifzand, struweel,
bos of water; En ten hoogste 20% van de oppervlakte van de beheerseenheid
bestaat uit water; En ten hoogste 15% van de oppervlakte van de beheerseenheid
bestaat uit bos of uit ander struweel dan Jeneverbes of Gagel.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Op ten minste 30% van de oppervlakte van
de beheerseenheid vergrassing bestrijden door middel van begrazen; Of in het
tijdvak op ten minste 10% van de oppervlakte van die delen van de beheerseenheid
waar vergrassing optreedt, de vergrassing bestrijden door plaggen, chopperen,
maaien en afvoeren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte beheerseenheid, behorende bij basispakket Heide: 0,5
hectare.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 83,- per hectare per jaar </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 17 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Basispakket : Struweel</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat basis: Ten minste 90% van de oppervlakte van
de beheerseenheid is bedekt met bomen, struiken of kruidachtige planten; En
ten minste 50% van de oppervlakte van de beheerseenheid is bedekt met
inheemse houtachtige gewassen (zie bijlage 57) met een lengte van ten minste
1 meter en ten hoogste 5 meter; Ten minste 90% van de oppervlakte van
de beheerseenheid bestaat uit struweel.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: geen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte beheerseenheid, behorende bij basispakket Struweel:
5 hectare, of 0,5 hectare, in geval het gehele terrein waarop de aanvraag
betrekking heeft ten minste 5 hectare aaneengesloten gebied beslaat, of 2
hectare in geval het terrein samen met een aangrenzend bestaand bos- of natuurterrein,
dat voldoet aan één van de basis- of pluspakketten in de bijlagen
van deze regeling, ten minste 5 hectare aaneengesloten gebied vormt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 20,- per hectare per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 18 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Basispakket : Hoogveen</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat basis: Op ten minste 5% van de oppervlakte van
de beheerseenheid komen Veenmossoorten voor, niet gedomineerd door Waterveenmos
[bedekkingsgraad kleiner dan 50%]; En ten hoogste 20% van de
oppervlakte van de beheerseenheid bestaat uit water; En ten hoogste 10%
van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat uit bos of struweel; En de
overige oppervlakte bestaat uit Pijpestrootje of natte heide; En de beheerseeheid
ligt in de Fysisch-Geografische Regio Heuvelland of Hogere zandgronden.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Geen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte beheerseenheid, behorende bij basispakket Hoogveen:
2,0 hectare.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 161,- per hectare per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 19 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Basispakket : Akker</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat basis: Op de gehele beheerseenheid wordt ten minste
vijf van de zes jaren graan, met uitzondering van maïs, verbouwd;</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Bemesting met mest van rundvee of paarden is
in ten hoogste 2 jaren van het tijdvak toegestaan; Mechanische onkruidbestrijding
is niet toegestaan tussen het zaaien en de oogst.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte beheerseenheid, behorende bij basispakket Akker: 0,5
hectare</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 294,- per hectare per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 20 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Basispakket : Bos</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat basis: Ten minste 90% van de oppervlakte van
de beheerseenheid bestaat uit bos waarop de Boswet van kracht is; En ten minste
5% van de oppervlakte van de beheerseenheid is bezet met een of meer
inheemse boomsoorten (Zie bijlage 57); En de verjongingsvlakten zijn ten hoogste
2 hectare groot.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Geen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte beheerseenheid, behorende bij basispakket Bos: 5 hectare,
of 0,5 hectare, in geval het gehele terrein waarop de aanvraag betrekking
heeft ten minste 5 hectare aaneengesloten gebied beslaat, of 2 hectare in
geval het terrein samen met een aangrenzend bestaand bos- of natuurterrein,
dat voldoet aan één van de basis- of pluspakketten in de bijlagen
van deze regeling , ten minste 5 hectare aaneengesloten gebied vormt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 100,- per hectare per jaar </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 21 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Pluspakket : Grootschalige Natuur:</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="vet">A: zonder begrazing</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="vet">B: met begrazing</nadruk>
      </al>
      <al>1. Natuurresultaat basis: De beheerseenheid bestaat uit aaneengesloten
land en/of water en is ten minste 500 hectare groot; Of de beheerseenheid
is buitendijks gelegen terrestrisch aaneengesloten natuurterrein met een oppervlakte
van ten minste 50 hectare; En het beheer voldoet aan de voorschriften vermeld
onder 2.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften:</al>
      <al>Variant A: Op ten minste 90% van de oppervlakte van de beheerseenheid
vinden geen andere beheersmaatregelen plaats dan ongecompartimenteerd waterbeheer;</al>
      <al>Variant B: Op ten minste 90% van de oppervlakte van de beheerseenheid
vindt ongecompartimenteerd begrazingsbeheer plaats met vee; Ongecompartimenteerd
waterbeheer is toegestaan; Andere dan de voornoemde beheersmaatregelen zijn
niet toegestaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage, behorende bijvariant A zonder begrazing: f. 21,- per
ha per jaar.</al>
      <al>Beheersbijdrage, behorende bij variant B met begrazing: f. 71,- per ha
per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 22 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Pluspakket : Soortenrijke plas</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat plus: In de beheerseenheid komen ten minste 7 van de
meetsoorten voor uit de lijst A; of ten minste 2 uit de lijst B; of ten minste
12 uit de lijsten A en C; of ten minste 8 uit de lijsten B en C. Ook kan voor
het resultaat naast de hier genoemde soorten ten hoogste 1 andere soort uit
de lijsten genoemd in bijlage 62 (rode lijsten) meetellen.</al>
      <al>A [flora/zoet]: Brede waterpest, Holpijp, Waterviolier, Waterdrieblad,
Kransvederkruid, Groot nimfkruid, Spits fonteinkruid, Rossig fonteinkruid,
Plat fonteinkruid, Stomp fonteinkruid, Langstengelig fonteinkruid, Fijne waterranonkel,
Grote boterbloem, Grote waterranonkel, Kleine egelskop, Krabbenscheer, Groot
blaasjeskruid, Stekelharig kransblad, Sterkranswier, Bronmos, Watergentiaan,
Glanzig fonteinkruid, Lidsteng, Ruw kransblad, Paarbladig fonteinkruid, Blauwe
waterereprijs, Smalle waterweegbree, Slanke waterweegbree, Slangenwortel;</al>
      <al>B [flora/brak]: Lidsteng, Zilte waterranonkel, Spiraalruppia, Snavelruppia,
Gesteelde zannichellia, Groot nimfkruid;</al>
      <al>C [fauna]: Zomertaling, Slobeend, Krooneend, Tafeleend, Visdief, Zwarte
stern, Bruine korenbout, Plasrombout, Grote keizerlibel, Glassnijder, Kamsalamander,
Knoflookpad, Boomkikker, Ringslang, Waterspitsmuis, Franjestaart, Gewone grootoorvleermuis,
Ruige dwergvleermuis, Gewone baard- of Brandt’s vleermuis;</al>
      <al>En ten minste 90% van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat
uit water.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Meetsoorten monitoren.</al>
      <al>3. Natuurresultaat basis: Ten hoogste 40% van de oppervlakte van
de beheerseenheid wordt bedekt door Kroossoorten of Kroosvaren; En de overige
oppervlakte bestaat uit open water.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte beheerseenheid, behorende bij pluspakket Soortenrijke
plas: 0,5 hectare.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 163,- per hectare per jaar.</al>
      <al>Basisbijdrage: f 33,- per hectare per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 23 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Pluspakket : Soortenrijk ven</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat plus: In de beheerseenheid komen ten minste 4 van de
meetsoorten voor uit de lijst A; of ten minste 10 uit de lijsten A en B. Ook
kan voor het resultaat naast de hier genoemde soorten ten hoogste 1 andere
soort uit de lijsten genoemd in bijlage 62 (rode lijsten) meetellen.</al>
      <al>A [flora]: Ondergedoken moerasscherm, Stijve moerasweegbree, Kruipende
moerasweegbree, Gesteeld glaskroos, Moerashertshooi, Kleine biesvaren, Grote
biesvaren, Oeverkruid, Waterlobelia, Waterlepeltje, Waterpostelein, Pilvaren,
Ongelijkbladig fonteinkruid, Weegbreefonteinkruid, Witte waterranonkel, Vlottende
bies, Drijvende egelskop, Kleinste egelskop, Doorschijnend glanswier, Moerassmele,
Duizendknoopfonteinkruid, Drijvende waterweegbree, Naaldwaterbies, Draadzegge;</al>
      <al>B [fauna]: Dodaars, Geoorde fuut, Wintertaling, Zwarte stern, Speerwaterjuffer,
Tengere pantserjuffer, Venwitsnuitlibel, Koraaljuffer, Bruine winterjuffer,
Venglazenmaker, Kamsalamander, Vinpootsalamander, Poelkikker, Heikikker, Boomkikker,
Ringslang, Franjestaart, Gewone grootoorvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Gewone
baard- of Brandt’s vleermuis;</al>
      <al>En ten minste 90% van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat
uit water.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Meetsoorten monitoren.</al>
      <al>3. Natuurresultaat basis: Ten hoogste 40% van de oppervlakte van
de beheerseenheid wordt bedekt door Kroossoorten of Kroosvaren; En de overige
oppervlakte bestaat uit open water.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte beheerseenheid, behorende bij pluspakket Soortenrijk
ven: 0,1 hectare.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 119,- per hectare per jaar</al>
      <al>Basisbijdrage: f 33,- per hectare per jaar </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 24 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Pluspakket : Beek en duinrel</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat plus: In de beheerseenheid komen ten minste 2 van de
meetsoorten voor uit de lijst A; of 5 uit de lijsten A en B. Ook kan voor
het resultaat naast de hier genoemde soorten ten hoogste 1 andere soort uit
de lijsten in bijlage 62 (rode lijsten) meetellen.</al>
      <al>A [flora]: Bittere veldkers, Verspreidbladig goudveil, Paarbladig goudveil,
Drijvende waterweegbree, Groot bronkruid, Vlottende waterranonkel, Klimopwaterranonkel,
Grote waterranonkel, Haaksterrenkroos, Teer vederkruid, Beekpunge, Bronmos,
Doorgroeid fonteinkruid, Rivierfonteinkruid;</al>
      <al>B [fauna]: IJsvogel, Grote gele kwikstaart, Waterspreeuw, Bosbeekjuffer,
Beekoeverlibel, Gewone bronlibel, Weidebeekjuffer, Beekrombout, Blauwe breedscheenjuffer,
Vuursalamander, Franjestaart, Gewone grootoorvleermuis, Gewone baard- of Brandt’s
vleermuis., Waterspitsmuis;</al>
      <al>En ten minste 90% van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat
uit ongekanaliseerde stromende beek of duinrel met een breedte van ten hoogste
25 meter.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Meetsoorten monitoren.</al>
      <al>3. Natuurresultaat basis: geen.</al>
      <al>Minimum oppervlakte beheerseenheid, behorende bij pluspakket Beek en duinrel:
0,1 hectare.</al>
      <al>Beheersbijdrage: f 817,- per hectare per jaar.</al>
      <al>Basisbijdrage: geen. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 25 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Pluspakket : Trilveen</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat plus: Op de beheerseenheid komen ten minste 7 van de
volgende meetsoorten voor: [flora] Knotszegge, Ronde zegge, Draadzegge, Vleeskleurige
orchis, Slank wollegras, Veenmosorchis, Geelhartje, Groenknolorchis, Waterdrieblad,
Parnassia, Moeraskartelblad, Sierlijke vetmuur, Plat blaasjeskruid, Klein
blaasjeskruid, Kleine valeriaan, Rood schorpioenmos, Groot veenvedermos, Echt
vetmos. Ook kan voor het resultaat naast de hier genoemde soorten ten hoogste
1 andere soort uit de lijsten genoemd in bijlage 62 (rode lijsten) meetellen.</al>
      <al>En ten minste 70% van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat
uit moeras; En ten hoogste 20% van de oppervlakte van de beheerseenheid
bestaat uit water; En ten hoogste 5% van de oppervlakte van de beheerseenheid
bestaat uit bos of struweel;</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Jaarlijks maaien en het maaisel afvoeren; Meetsoorten
monitoren.</al>
      <al>3. Natuurresultaat basis: Ten minste</al>
      <al>70 % van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat uit moeras;
En ten hoogste 40% van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat
uit bos of struweel; En ten hoogste 20% van de oppervlakte van de beheerseenheid
bestaat uit water.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte beheerseenheid, behorende bij pluspakket Trilveen:
0,05 hectare.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 3169,- per hectare per jaar.</al>
      <al>Basisbijdrage: f 66,- per hectare per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 26 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Pluspakket : Overjarig rietland</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat plus: Op de beheerseenheid komen ten minste 6 van de
volgende meetsoorten voor: [fauna] Roerdomp, Woudaapje, Purperreiger, Lepelaar,
Bruine kiekendief, Waterral, Porseleinhoen, Blauwborst, Snor, Sprinkhaanzanger,
Grote Karekiet, Baardmannetje, Vroege glazenmaker, Bruine korenbout, Ringslang,
Noordse woelmuis, Waterspitsmuis, Ruige dwergvleermuis.</al>
      <al>Ook kan voor het resultaat naast de hier genoemde soorten ten hoogste
1 andere soort uit de lijsten genoemd in bijlage 62 (rode lijsten) meetellen.</al>
      <al>En ten minste 80% van de oppervlakte van de beheerseenheid is bedekt
met riet; En ten hoogste 10% van de oppervlakte van de beheerseenheid
bestaat uit bos of struweel.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Jaarlijks ten hoogste een derde deel van de oppervlakte
van de beheerseenheid maaien; Het maaisel afvoeren; Meetsoorten monitoren.</al>
      <al>3. Natuurresultaat basis: Ten minste</al>
      <al>70% van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat uit moeras;
En ten hoogste 40% van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat
uit bos of struweel; En ten hoogste 20% van de oppervlakte van de beheerseenheid
bestaat uit water.</al>
      <al>Minimum oppervlakte beheerseenheid, behorende bij pluspakket Overjarig
riet: 0,5 hectare.</al>
      <al>Beheersbijdrage: f 160,- per hectare per jaar.</al>
      <al>Basisbijdrage: f 66,- per hectare per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 27 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Pluspakket : Veenmosrietland en moerasheide</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat plus: Op de beheerseenheid komen ten minste 5 van de
meetsoorten voor uit de lijst A of ten minste 10 uit de lijsten A en B. Ook
kan voor het resultaat naast de hier genoemde soorten ten hoogste 1 andere
soort uit de lijsten genoemd in bijlage 62 (rode lijsten) meetellen.</al>
      <al>A [flora]: Lavendelhei, Struikhei, Kraaihei, Gewone dophei, Grote veenbes,
Kleine veenbes, Rode bosbes, Knotszegge, Ronde zegge, Sterzegge, Draadzegge,
Vleeskleurige orchis, Brede en Rietorchis, Slank wollegras, Veenmosorchis,
Geelhartje, Groenknolorchis, Waterdrieblad, Addertong, Parnassia, Moeraskartelblad,
Welriekende nachtorchis, Sierlijke vetmuur, Plat blaasjeskruid, Klein blaasjeskruid,
Blauwe knoop, Ronde zonnedauw, Kamvaren, Moerasviooltje, Tormentil;</al>
      <al>B [fauna] Bruine kiekendief, Porseleinhoen, Kwartelkoning, Waterral, Wulp,
St. Jansvlinder, Grote vuurvlinder, Zilveren maan, Groentje, Noordse winterjuffer,
Groene glazenmaker, Glassnijder, Gevlekte witsnuitlibel, Poelkikker, Heikikker,
Levendbarende hagedis, Ringslang, Franjestaart, Gewone grootoorvleermuis,
Ruige dwergvleermuis, Gewone baard- of Brandt’s vleermuis, Noorse woelmuis,
Waterspitsmuis;</al>
      <al>En ten minste 20% van de oppervlakte van de beheerseenheid is bedekt
met veenmossoorten; En ten minste 70% van de oppervlakte van de beheerseenheid
bestaat uit moeras; En ten hoogste 20% van de oppervlakte van de beheerseenheid
bestaat uit water; En ten hoogste 5% van de oppervlakte van de beheerseenheid
bestaat uit bos of struweel.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Het gewas jaarlijks maaien en afvoeren. Meetsoorten
monitoren.</al>
      <al>3. Natuurresultaat basis: ten minste 70% van de oppervlakte van
de beheerseenheid bestaat uit moeras; En ten hoogste 40% van de oppervlakte
van de beheerseenheid bestaat uit bos of struweel; En ten hoogste 20%
van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat uit water.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte beheerseenheid, behorende bij pluspakket Veenmosrietland
en moerasheide: 0,05 hectare.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 1661,- per hectare per jaar.</al>
      <al>Basisbijdrage: f 66,- per hectare per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 28 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Pluspakket : Nat soortenrijk grasland</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat plus: Op de beheerseenheid komen ten minste 5 van de
volgende meetsoorten voor uit de lijst A; of ten minste 4 uit de lijst B;
of ten minste 5 uit de lijst C; Of ten minste 3 uit de lijst D; of ten minste
7 uit de lijst E; Of ten minste 10 uit de lijsten A en F; Of ten minste 10
uit de lijsten B en F; Of ten minste 10 uit de lijsten C en F; Of ten minste
9 uit de lijsten D en F; Of ten minste 12 uit de lijsten E en F. Ook kan van
de genoemde aantallen bij de lijsten A t/m E ten hoogste één
soort uit één van de andere lijsten A t/m E meetellen voor het
resultaat. Ook kan voor het resultaat naast de hier genoemde soorten ten hoogste
1 andere soort uit de lijsten genoemd in bijlage 62 (rode lijsten) meetellen.</al>
      <al>A [Flora/Dotterbloemhooiland]: Trosdravik, Moesdistel, Wilde herfsttijloos,
Moerasstreepzaad, Vleeskleurige orchis, Brede en Rietorchis, Addertong, Harlekijn,
Adderwortel, Slanke sleutelbloem, Knolsteenbreek, Echte koekoeksbloem, Gewone
dotterbloem, Grote ratelaar, Gevleugeld hertshooi, Waterkruiskruid, Kleine
valeriaan;</al>
      <al>B [Flora/Nat schraalland]: Tweehuizige zegge, Blonde zegge, Vlozegge,
Spaanse ruiter, Gevlekte orchis, Moeraswespenorchis, Breed wollegras, Klokjesgentiaan,
Draadrus, Parnassia, Vetblad, Welriekende nachtorchis, Klein glidkruid, Zaagblad,
Kleine valeriaan, Melkviooltje, Schildereprijs, Sterzegge;</al>
      <al>C [Flora/Natte duinvallei]: Dwergbloem, Teer guichelheil, Zomer- en Herfstbitterling,
Platte bies, Vleeskleurige orchis, Armbloemige waterbies, Moeraswespenorchis,
Bonte paardenstaart, Grote muggenorchis, Slanke gentiaan, Honingorchis, Groenknolorchis,
Parnassia, Knopbies, Moerasgamander, Drienervige zegge, Geelgroene en Dwergzegge;</al>
      <al>D [Flora/Nat uiterwaardhooiland]: Trosdravik, Wilde kievitsbloem, Genadekruid,
Engelse alant, Polei, Rode ogentroost, Gulden boterbloem, Weidekervel, Grote
pimpernel, Noords walstro, Echte koekoeksbloem;</al>
      <al>E [Flora/Brak grasland]: Aardbeiklaver, Moeraszoutgras, Schorrenzoutgras,
Selderij, Kruipend moerasscherm, Zulte, Zilte zegge, Zilte rus, Melkkruid,
Rode ogentroost, Fraai duizendguldenkruid, Zeeweegbree, Behaarde boterbloem,
Knolvossenstaart, Zilt torkruid, Zilte schijnspurrie, Gerande schijnspurrie;</al>
      <al>F [Fauna] Zomertaling, Slobeend, Kwartelkoning, Kemphaan, Watersnip, Grutto,
Tureluur, Gele kwikstaart, Grauwe klauwier, Zilveren maan, Aardbeivlinder,
Bruine vuurvlinder, Groot dikkopje, Bruin zandoogje, Rugstreeppad, Ringslang,
Kamsalamander, Poelkikker, Noordse woelmuis, Ondergrondse woelmuis, Veldspitsmuis,
Ruige dwergvleermuis, Gewone baard- of Brandt’s vleermuis;</al>
      <al>En ten minste 90% van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat
uit grasland; En het grasland bevindt zich binnendijks ten opzichte van zeewerende
dijken;</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Het gewas jaarlijks afvoeren via maaien of beweiden;</al>
      <al>In de periode van 1 juli tot 1 april is een veebezetting van ten hoogste
3 GVE per hectare op enig moment toegestaan; Meetsoorten monitoren;</al>
      <al>Voor instandhoudingsbemesting is toestemming van LASER vereist.</al>
      <al>3. Natuurresultaat basis: Ten minste 90% van de oppervlakte van
de beheerseenheid bestaat uit grasland; En ten hoogste 10% van de oppervlakte
van de beheerseenheid is bedekt met Pijpestrootje of Bochtige smele.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte beheerseenheid, behorende bij pluspakket Nat soortenrijk
grasland: 0,5 hectare.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 1786,- per hectare per jaar.</al>
      <al>Basisbijdrage: f 259,- per hectare per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 29 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Pluspakket : Droog soortenrijk grasland</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat plus: Op de beheerseenheid komen ten minste 4 van de
meetsoorten voor uit de lijst A; of ten minste 5 uit de lijst B; of ten minste
5 uit de lijst C; Of ten minste 5 uit de lijst D; Of ten minste 8 uit de lijsten
A en E; Of ten minste 9 uit de lijsten B en E; Of ten minste 9 uit de lijsten
C en E; Of ten minste 9 uit de lijsten D en E. Ook kan van de genoemde aantallen
bij de lijsten A t/m D ten hoogste één soort uit één
der andere lijsten A t/m D meetellen voor het resultaat. Ook kan voor het
resultaat naast de hier genoemde soorten ten hoogste 1 andere soort uit de
lijsten genoemd in bijlage 62 (rode lijsten) meetellen.</al>
      <al>A [Heischraal grasland]: Rozenkransje, Valkruid, Gelobde maanvaren, Stijve
ogentroost, Klokjesgentiaan, Addertong, Heidekartelblad, Liggende vleugeltjesbloem,
Blauwe knoop, Harlekijn, Hondsviooltje, Betonie, Herfstschroeforchis, Groene
nachtorchis, Welriekende nachtorchis, Veldgentiaan;</al>
      <al>B [Kalkgrasland]: Poppenorchis, Hondskruid, Aarddistel, Kalkwalstro, Franjegentiaan,
Duitse gentiaan, Grote muggenorchis, Geel zonneroosje, Beemdhaver, Honingorchis,
Tengere veldmuur, Bijenorchis, Vliegenorchis, Soldaatje, Aapjesorchis, Bergnachtorchis,
Kuifvleugeltjesbloem, Gulden sleutelbloem, Harige ratelaar, Grote centaurie,
Trosgamander, Echte gamander, Berggamander, Driedistel, Duifkruid, Ruige scheefkelk,
Breed fakkelgras;</al>
      <al>C [Stroomdalgrasland]: Wilde averuit, Voorjaarszegge, Vroege zegge, Kleine
steentijm, Steenanjer, Zandwolfsmelk, Sikkelklaver, Walstrobremraap, Rode
bremraap, Voorjaarsganzerik, Veldsalie, Tripmadam, Zacht vetkruid, Kleine
ruit, Grote tijm, Gestreepte klaver, Brede ereprijs, Liggende ereprijs, Smal
fakkelgras, Duifkruid, Overblijvende hardbloem;</al>
      <al>D [Bloemdijk]: Gewone agrimonie, Moeslook, Kluwenklokje, Rapunzelklokje,
Grote centaurie, Wollige distel, Ruige anjer, Beemdkroon, Aardaker, Glad parelzaad,
Klavervreter, Wilde peterselie, Karwijvarkenskervel, Grote bevernel, Ruige
weegbree, Kleine ratelaar, Veldsalie, Knopig doornzaad, Groot streepzaad,
Kattendoorn, Wilde marjolein en Echte kruisdistel;</al>
      <al>E [Fauna]: Kwartel, Patrijs, Grauwe klauwier, Geelgors, Bruin dikkopje,
Icarusblauwtje, Hooibeestje, Kleine vuurvlinder, Argusvlinder, Bruin blauwtje,
Ondergrondse woelmuis, Veldspitsmuis;</al>
      <al>En ten minste 90% van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat
uit grasland</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Het gewas jaarlijks afvoeren via maaien of beweiden;</al>
      <al>In de periode van 1 juli tot 1 april is een veebezetting van ten hoogste
3 GVE per hectare op enig moment toegestaan;</al>
      <al>Meetsoorten monitoren.</al>
      <al>3. Natuurresultaat basis: Ten minste 90% van de oppervlakte van
de beheerseenheid bestaat uit grasland; En ten hoogste 10 %van de oppervlakte
van de beheerseenheid is bedekt met Pijpestrootje of Bochtige Smele.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte beheerseenheid, behorende bij pluspakket Droog soortenrijk
grasland: 0,5 hectare.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 610,- per hectare per jaar.</al>
      <al>Beheersbijdrage in geval van bloemdijken: f 1966,- per hectare per jaar.</al>
      <al>Basisbijdrage: f 259,- per hectare per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 30 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Pluspakket : Soortenrijk stuifzand</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat plus: Op de beheerseenheid komen ten minste 4 van de
volgende meetsoorten voor: [Fauna] Nachtzwaluw, Draaihals, Boomleeuwerik,
Duinpieper, Gekraagde roodstaart, Tapuit, Klapekster, Geelgors, Kleine heivlinder,
Kommavlinder, Heivlinder. Ook kan voor het resultaat naast de hier genoemde
soorten ten hoogste 1 andere soort uit de lijsten genoemd in bijlage 62 (rode
lijsten) meetellen;</al>
      <al>En ten minste 50 % van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat
uit levend stuifzand; En ten minste 10% van de oppervlakte van de beheerseenheid
is bedekt met Buntgras of Korstmos; En ten hoogste 30% van de oppervlakte
van de beheerseenheid bestaat uit heide; En ten hoogste 20% van de
oppervlakte van de beheerseenheid bestaat uit struweel of bos.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Ten minste 50% van de oppervlakte van
de beheerseenheid vrijhouden van bos en struweel;</al>
      <al>Meetsoorten monitoren.</al>
      <al>3. Natuurresultaat basis: geen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte van de beheerseenheid behorende bij pluspakket Soortenrijk
stuifzand: 0,5 hectare.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 107,- per hectare per jaar.</al>
      <al>Basisbijdrage: geen. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 31 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Pluspakket : Droge Heide</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat plus: op de beheerseenheid komen ten minste 5 van de
meetsoorten voor uit lijst A; Of ten minste 11 uit de lijsten A en B. Ook
kan voor het resultaat naast de hier genoemde soorten ten hoogste 1 andere
soort uit de lijsten in bijlage 62 (rode lijsten) meetellen.</al>
      <al>A [Flora] Heidezegge, Stekelbrem, Duitse brem, Kruipbrem, Dennenwolfsklauw,
Grondster, Grote wolfsklauw, Kleine schorseneer, Klein warkruid, Rode dophei,
Kleine wolfsklauw, Verfbrem, Rond wintergroen, Bronsmos, Rode en Dove heidelucifer,
Rood bekermos, Rendiermossen;</al>
      <al>B [Fauna] Wulp, Korhoen, Patrijs, Nachtzwaluw, Draaihals, Boomleeuwerik,
Paapje, Roodborsttapuit, Tapuit, Grauwe klauwier, Klapekster, Geelgors, Heivlinder,
Kommavlinder, Bruine vuurvlinder, Kleine vuurvlinder, Hooibeestje, Zandhagedis,
Levendbarende hagedis, Gladde slang, Adder;</al>
      <al>En ten minste 50% van de oppervlakte van de beheerseenheid is bedekt
met een of meer van de volgende heidesoorten: Struikhei, Dophei, Kraaihei;</al>
      <al>En de resterende oppervlakte van de beheerseenheid is bedekt met grassen,
kruiden, mossen, korstmossen, stuifzand, struweel, bos, water; En ten hoogste
20% van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat uit water; En
ten hoogste 15% van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat uit
bos of uit ander struweel dan Jeneverbes of Gagel.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Op ten minste 50% van de oppervlakte van
de beheerseenheid wordt vergrassing bestreden door middel van begrazen;</al>
      <al>Of in het tijdvak wordt op ten minste 10% van de oppervlakte van
de beheerseenheid waar vergrassing optreedt, vergrassing bestreden door middel
van plaggen, chopperen, maaien en afvoeren;</al>
      <al>Meetsoorten monitoren.</al>
      <al>3. Natuurresultaat basis: Ten minste 30% van de oppervlakte van
de beheerseenheid is bedekt met een of meer van de volgende heidesoorten:
Struikhei, Dophei, Kraaihei; En de resterende oppervlakte van de beheerseenheid
is bedekt met grassen, kruiden, mossen, korstmossen, stuifzand, struweel,
bos, water; En ten hoogste 20% van de oppervlakte van de beheerseenheid
bestaat uit water; En ten hoogste 15% van de oppervlakte van de beheerseenheid
bestaat uit bos of ander struweel dan Jeneverbes of Gagel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte beheerseenheid, behorende bij pluspakket Droge heide:
0,5 hectare.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 141,- per hectare per jaar.</al>
      <al>Basisbijdrage: f 83,- per hectare per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 32 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Pluspakket : Natte Heide</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat plus: Op de beheerseenheid komen ten minste 4 van de
meetsoorten voor uit de lijst A; Of ten minste 11 uit de lijsten A en B. Ook
kan voor het resultaat naast de hier genoemde soorten ten hoogste 1 andere
soort uit de lijsten in bijlage 62 (rode lijsten) meetellen.</al>
      <al>A [Flora]: Draadgentiaan, Gevlekte orchis, Kleine zonnedauw, Ronde zonnedauw,
Klokjesgentiaan, Moeraswolfsklauw, Beenbreek, Heidekartelblad, Witte snavelbies,
Bruine snavelbies, Gewone en Noordse veenbies, Wijdbloeiende rus, Koprus,
Dwergrus;</al>
      <al>B [Fauna]: Watersnip, Grutto, Tureluur, Wulp, Korhoen, Patrijs, Nachtzwaluw,
Draaihals, Boomleeuwerik, Blauwborst, Paapje, Roodborsttapuit, Tapuit, Grauwe
klauwier, Klapekster, Geelgors, Heidegentiaanblauwtje, Heideblauwtje, Groentje,
Heikikker, Levendbarende hagedis, Adder, Ringslang, Ruige dwergvleermuis,
Gewone baard- of Brandt’s vleermuis.</al>
      <al>En ten minste 50% van de oppervlakte van de beheerseenheid is bedekt
met een of meer van de volgende heidesoorten: Struikhei, Dophei, Kraaihei;</al>
      <al>En de resterende oppervlakte van de beheerseenheid is bedekt met grassen,
kruiden, mossen, korstmossen, stuifzand, struweel, bos, water;</al>
      <al>En ten hoogste 20% van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat
uit water;</al>
      <al>En ten hoogste 15% van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat
uit bos of struweel.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Op ten minste 50% van de oppervlakte van
de beheerseenheid wordt vergrassing bestreden door middel van begrazen;</al>
      <al>Of in het tijdvak wordt op ten minste 10% van de oppervlakte van
de beheerseenheid waar vergrassing optreedt, vergrassing bestreden door middel
van plaggen, chopperen, maaien en afvoeren;</al>
      <al>Meetsoorten monitoren.</al>
      <al>3. Natuurresultaat basis: Ten minste 30% van de oppervlakte van
de beheerseenheid is bedekt met een of meer van de volgende heidesoorten:
Struikhei, Dophei, Kraaihei; En de resterende oppervlakte van de beheerseenheid
is bedekt met grassen, kruiden, mossen, korstmossen, stuifzand, struweel,
bos, water; En ten hoogste 20% van de oppervlakte van de beheerseenheid
bestaat uit water; En ten hoogste 15% van de oppervlakte van de beheerseenheid
bestaat uit bos of uit ander struweel dan Jeneverbes of Gagel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte beheerseenheid, behorende bij pluspakket Natte heide:
0,5 hectare.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 162,- per hectare per jaar.</al>
      <al>Basisbijdrage: f 83,- per hectare per jaar </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 33 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Pluspakket : Levend hoogveen</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat plus: Op de beheerseenheid komen ten minste 6 van de
meetsoorten voor uit de lijst A; of ten minste 15 uit de lijsten A en B. Ook
kan voor het resultaat naast de hier genoemde soorten ten hoogste 1 andere
soort uit de lijsten in bijlage 62 (rode lijsten) meetellen.</al>
      <al>A [Flora]: Lavendelhei, Eenarig wollegras, Kleine veenbes, Witte snavelbies,
Veenbloembies, Lange zonnedauw, Rood veenmos, Wrattig veenmos, Hoogveen-veenmos,
Slijkzegge, Beenbreek.</al>
      <al>B [Fauna]: Dodaars, Geoorde fuut, Wintertaling, Blauwe kiekendief, Korhoen,
Kemphaan, Watersnip, Grutto, Wulp, Tureluur, Zwarte stern, Nachtzwaluw, Gele
kwikstaart, Blauwborst, Paapje, Roodborsttapuit, Grauwe Klauwier, Klapekster,
Veenhooibeestje, Veenbesparelmoervlinder, Veenbesblauwtje, Groot dikkopje,
Hoogveenglanslibel, Noordse glazenmaker, Tengere pantserjuffer, Koraaljuffer,
Noordse witsnuitlibel, Heikikker, Levendbarende hagedis, Adder, Gladde slang,
Ringslang, Ruige dwergvleermuis, Gewone baard- of Brandt’s vleermuis,
Franjestaart, Gewone grootoorvleermuis.</al>
      <al>En ten minste 5% van de oppervlakte van de beheerseenheid is bedekt
met Veenmos, waaronder ten minste 2 van de volgende soorten: Wrattig veenmos,
Hoogveen-veenmos, Rood veenmos. En ten hoogste 20% van de oppervlakte
van de beheerseenheid bestaat uit water;</al>
      <al>En ten hoogste 10% van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat
uit bos of struweel; En de overige oppervlakte bestaat uit Pijpestrootje of
natte heide;</al>
      <al>En de beheerseenheid ligt in de Fysisch-Geografische Regio Heuvelland
of Hogere zandgronden.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Meetsoorten monitoren.</al>
      <al>3. Natuurresultaat basis:</al>
      <al>Op ten minste 5% van de oppervlakte van de beheerseenheid komen
Veenmossoorten voor, niet gedomineerd door Waterveenmos [bedekkingsgraad kleiner
dan 50%];</al>
      <al>En ten hoogste 20% van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat
uit water;</al>
      <al>En ten hoogste 10% van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat
uit bos of struweel; En de overige oppervlakte bestaat uit Pijpestrootje of
natte heide;</al>
      <al>En de beheerseenheid ligt in de Fysisch-Geografische Regio Heuvelland
of Hogere zandgronden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte beheerseenheid, behorende bij pluspakket Levend hoogveen:
0,5 hectare.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 261,- per hectare per jaar.</al>
      <al>Basisbijdrage: f 161,- per hectare per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 34 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Pluspakket : Soortenrijk weidevogelgrasland.</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat plus:</al>
      <al>Op de beheerseenheid komen ten minste 75 broedparen per 100 hectare voor
van een of meer van de volgende meetsoorten: Grutto, Kievit, Scholekster,
Tureluur, Watersnip, Kemphaan, Slobeend, Zomertaling, Veldleeuwerik, Wulp,
Kluut, Krakeend, Kuifeend, Wintertaling, Graspieper,Gele kwikstaart, waarvan
ten minste 35 broedparen van de soorten Grutto, Tureluur, Watersnip, Kemphaan,
Slobeend, Zomertaling, Veldleeuwerik, Wulp, Kluut, Krakeend, Kuifeend, Wintertaling,
Graspieper, Gele kwikstaart;</al>
      <al>En ten minste 90% van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat
uit grasland;</al>
      <al>En de beheerseenheid ligt binnen een gebied met een oppervlakte van ten
minste 25 hectare waar in een Natuurgebiedsplan het pluspakket Soortenrijk
weidevogelgrasland of het pluspakket Zeer soortenrijk weidevogelgrasland is
opengesteld.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften:</al>
      <al>Ten minste 3% van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat
uit vluchtstroken [verspreid liggende gronden met een oppervlakte van ten
minste 1000 m2 die niet eerder dan 22 mei worden gemaaid of beweid en in ieder
geval steeds ten minste twee weken later dan de datum waarop omliggende gronden
zijn gemaaid of voor het eerst worden beweid] of slootranden met een breedte
van ten minste 2 meter en ten hoogste 5 meter en een lengte van ten minste
200 meter die niet worden bemest;</al>
      <al>En ten minste 25% van de oppervlakte van de beheerseenheid in de
periode van 1 april tot 8 juni vrijwaren van beweiding, maaien, rollen, slepen,
inzaaien, doorzaaien en bemesting;</al>
      <al>Met inachtneming van voornoemde beheersvoorschriften is bemesting toegestaan
en is een hogere veebezetting dan 1,5 GVE per hectare toegestaan;</al>
      <al>Meetsoorten monitoren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum-oppervlakte beheerseenheid, behorende bij pluspakket Soortenrijk
weidevogelgrasland: 5 hectare.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 506,- per hectare per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 35 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Pluspakket : Zeer soortenrijk weidevogelgrasland </tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat plus: Op de beheerseenheid komen ten minste 100 broedparen
per 100 hectare voor van een of meer van de volgende meetsoorten: Grutto,
Kievit, Scholekster, Tureluur, Watersnip, Kemphaan, Slobeend, Zomertaling,
Veldleeuwerik, Wulp, Kluut, Krakeend, Kuifeend, Wintertaling, Graspieper,
Gele kwikstaart, waarvan ten minste 50 broedparen van de soorten Grutto, Tureluur,
Watersnip, Kemphaan, Slobeend, Zomertaling, Veldleeuwerik, Wulp, Kluut, Krakeend,
Kuifeend, Wintertaling, Graspieper, Gele kwikstaart;</al>
      <al>En ten minste 90% van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat
uit grasland; En de beheerseenheid ligt binnen een gebied met een oppervlakte
van ten minste 25 hectare waarvoor een Natuurgebiedsplan het pluspakket Soortenrijk
weidevogelgrasland of het pluspakket Zeer soortenrijk weidevogelgrasland toestaat.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Ten minste 4% van de oppervlakte van de
beheerseenheid bestaat uit vluchtstroken [verspreid liggende gronden met een
oppervlakte van ten minste 1000 m2 die niet eerder dan 22 mei worden gemaaid
of beweid en in ieder geval steeds ten minste twee weken later dan de datum
waarop omliggende gronden zijn gemaaid of voor het eerst worden beweid], of
slootranden met een breedte van ten minste 2 meter en ten hoogste 5 meter
en een lengte van ten minste 200 meter die niet worden bemest;</al>
      <al>En ten minste 30% van de oppervlakte van de beheerseenheid in de
periode van 1 april tot 8 juni vrijwaren van beweiding, maaien, rollen, slepen,
inzaaien, doorzaaien en bemesting;</al>
      <al>Met inachtneming van voornoemde beheersvoorschriften is bemesting toegestaan
en is een hogere veebezetting dan 1,5 GVE per hectare toegestaan;</al>
      <al>Meetsoorten monitoren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum-oppervlakte van een beheerseenheid, behorende bij het pluspakket
Zeer soortenrijk weidevogelgrasland: 5 hectare.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 806,- per hectare per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 36 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Pluspakket : Wintergastenweide</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat plus: In de beheerseenheid komt ten minste een van
de volgende meetsoorten voor: Wilde zwaan, Kleine zwaan, Brandgans, Grauwe
gans, Kleine rietgans, Kolgans, Taiga-rietgans, Toendra-rietgans, Zwartbuik-rotgans,
Smient;</al>
      <al>En ten minste 90% van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat
uit grasland;</al>
      <al>En op ten minste 90% van de oppervlakte van de beheerseenheid is
op 1 oktober een grasmat aanwezig met een voedingswaarde van ten minste 500
kVEM per ha;</al>
      <al>En de beheersvoorschriften vermeld onder 2 worden nageleefd.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Ten minste 90% van de oppervlakte van
de beheerseenheid jaarlijks ten minste een maal bemesten in de periode van
1 september tot 1 oktober, met tenminste 50 kilogram zuivere Stikstof per
hectare;</al>
      <al>En de beheerseenheid een maal maaien in de periode van 1 september tot
1 oktober;</al>
      <al>En in de periode van 1 oktober tot 1 juni, of zoveel eerder als de onder
1 genoemde soorten vertrokken zijn, geen handelingen verrichten of laten verrichten
in de beheerseenheid;</al>
      <al>En de onder 1 genoemde soorten niet opzettelijk verstoren, bejagen of
verjagen;</al>
      <al>Met inachtneming van voornoemde beheersvoorschriften is een hogere veebezetting
dan 1,5 GVE per hectare toegestaan;</al>
      <al>Meetsoorten monitoren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte van een beheerseenheid, behorende bij het pluspakket
Wintergastenweide: 100 ha.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 434,- per hectare per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 37 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Omvormingspakket : Bos met verhoogde natuurwaarde</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat plus: Ten minste 90% van de oppervlakte van
de beheerseenheid bestaat uit bos waarop de Boswet van kracht is; En aan het
begin van het tijdvak is ten minste 20 % van de oppervlakte van de
beheerseenheid bezet met één of meer inheemse boomsoorten (zie
bijlage 57) en aan het eind van het tijdvak voldoet de beheerseenheid aan
de voorwaarden A; of als de beheerseenheid bij de aanvraag voldoet aan de
voorwaarden A, dan moet hij in het laatste jaar van het tijdvak voldoen aan
de voorwaarden B; of bij aanvraag voldoet de beheerseenheid aan de voorwaarden
B en in het laatste jaar van het tijdvak aan de voorwaarden C;</al>
      <al>[A] en minste 35% van de oppervlakte van de beheerseenheid is bezet
met een of meer inheemse boomsoorten (Zie bijlage 57); En ten minste 25%
van de oppervlakte van de beheerseenheid bestaat uit gemengd bos; En verjongingsvlakten
zijn ten hoogste 2 hectare groot; En aaneengesloten terreindelen waarbinnen
andere dan inheemse boomsoorten (Zie bijlage 57) meer dan 80% van de
oppervlakte bezetten zijn ten hoogste 2 hectare groot; En ten minste 35%
van de oppervlakte van de beheerseenheid bevat per hectare bos ten minste
4 staande of liggende dode bomen met een stamdiameter van ten minste 30 centimeter
of indien het een bos is op grondwatertrap Gt I of II ten minste 15 cm.;</al>
      <al>[B] Ten minste 52% van de oppervlakte van de beheerseenheid is
bezet met een of meer inheemse boomsoorten</al>
      <al>(zie bijlage 57); en tenminste 37% van de oppervlakte van de beheerseenheid
bestaat uit gemengd bos; en verjongingsvlakten zijn ten hoogste 2 hectare
groot; en aaneengesloten terreindelen waarbinnen andere dan inheemse boomsoorten
(zie bijlage 57) meer dan 80% van de oppervlakte bezetten zijn ten
hoogste 2 hectare groot; en ten minste 52% van de oppervlakte van de
beheerseenheid bevat per hectare bos ten minste 4 staande of liggende dode
bomen met een stamdiameter van ten minste 30 centimeter of indien het een
bos is op grondwatertrap Gt I of II ten minste 15 cm;</al>
      <al>[C] Ten minste 70% van de oppervlakte van de beheerseenheid is
bezet met een of meer inheemse boomsoorten</al>
      <al>(zie bijlage 57); en ten minste 50% van de oppervlakte van de beheerseenheid
bestaat uit gemengd bos; en verjongingsvlakten zijn ten hoogste 2 hectare
groot; en aaneengesloten terreindelen waarbinnen andere dan inheemse boomsoorten
( zie bijlage 57) meer dan 80% van de oppervlakte bezetten zijn ten
hoogste 2 hectare groot; en ten minste 70% van de oppervlakte van de
beheerseenheid bevat per hectare bos ten minste 4 staande of liggende dode
bomen met een stamdiameter van ten minste 30 centimeter of indien het een
bos is op grondwatertrap Gt I of II ten minste 15 cm.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Geen.</al>
      <al>3. Natuurresultaat basis: Ten minste 90% van de oppervlakte van
de beheerseenheid bestaat uit bos waarop de Boswet van kracht is; En ten minste
5% van de oppervlakte van de beheerseenheid is bezet met een of meer
inheemse boomsoorten (Zie bijlage 57); En de verjongingsvlakten zijn ten hoogste
2 hectare groot.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte van een beheerseenheid, behorende bij het omvormingspakket
Bos met verhoogde natuurwaarde: 5 hectare</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 137,- per hectare per jaar.</al>
      <al>Basisbijdrage: f 100,- per hectare per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 38 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Pluspakket : Bos met verhoogde natuurwaarde</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat plus: Ten minste 90% van de oppervlakte van
de beheerseenheid bestaat uit bos waarop de Boswet van kracht is; En ten minste
70% van de oppervlakte van de beheerseenheid is bezet met een of meer
inheemse boomsoorten (Zie bijlage 57); En ten minste 50% van de oppervlakte
van de beheerseenheid bestaat uit gemengd bos; En verjongingsvlakten zijn
ten hoogste 2 hectare groot; En aaneengesloten terreindelen waarbinnen andere
dan inheemse boomsoorten (Zie bijlage 57) meer dan 80% van de oppervlakte
bezetten zijn ten hoogste 2 hectare groot; En ten minste 70% van de
oppervlakte van de beheerseenheid bevat per hectare bos ten minste 4 staande
of liggende dode bomen met een stamdiameter van ten minste 30 centimeter of
indien het een bos is op grondwatertrap Gt I of II ten minste 15 cm; Of in
plaats van deze laatste voorwaarde is het op ten minste 70 % van de
oppervlakte van de beheerseenheid niet toegestaan bomen of struiken of delen
daarvan uit de beheerseenheid te verwijderen.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Geen.</al>
      <al>3. Natuurresultaat basis: Ten minste 90% van de oppervlakte van
de beheerseenheid bestaat uit bos waarop de Boswet van kracht is; En ten minste
5% van de oppervlakte van de beheerseenheid is bezet met een of meer
inheemse boomsoorten (Zie bijlage 57); En de verjongingsvlakken zijn ten hoogste
2 hectare groot.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte van een beheerseenheid, behorende bij het pluspakket
Bos met verhoogde natuurwaarde: 5 hectare .</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 137,- per hectare per jaar.</al>
      <al>Basisbijdrage: f 100,- per hectare per jaar.</al>
      <al>Voor begrensde waardevolle bosgemeenschappen wordt de bijdrage verhoogd
met f 15,- per hectare per jaar, in geval ten minste 95% van de oppervlakte
van de beheerseenheid is bezet met een of meer inheemse boomsoorten (Zie bijlage
57) en de verjongingsvlakten ten hoogste 0,5 hectare groot zijn en de afstand
tussen de verjongingsvlakten ten minste 75 meter bedraagt. Tevens vervalt
voor dergelijke waardevolle bosgemeenschappen de voorwaarde, zoals geformuleerd
onder punt 1, dat tenminste 50% van de oppervlakte van de beheerseenheid
bestaat uit gemengd bos. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 39 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Pluspakket : Natuurbos</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat plus: Ten minste 95% van de oppervlakte van
de beheerseenheid is bezet met een of meer inheemse boomsoorten (Zie bijlage
57); En ten minste 70% van de oppervlakte van de beheerseenheid bevat
per hectare bos ten minste 40 levende bomen met een stamdiameter van ten minste
15 centimeter voor bos op veengrond en op grondwatertrap Gt I en II en tenminste
30 centimeter voor bos op overige grondsoorten, gemeten op 1,30 meter boven
het maaiveld; En de beheersvoorschriften vermeld onder 2 worden nageleefd.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Het is niet toegestaan bomen of struiken of delen
daarvan uit de beheerseenheid te verwijderen.</al>
      <al>3. Natuurresultaat basis: Ten minste 90% van de oppervlakte van
de beheerseenheid bestaat uit bos waarop de Boswet van kracht is; En ten minste
5% van de oppervlakte van de beheerseenheid is bezet met een of meer
inheemse boomsoorten (Zie bijlage 57).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte van een beheerseenheid, behorende bij het pluspakket
Natuurbos: 40 hectare op kalkloze zandgronden; 10 hectare op overige grondsoorten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 152,- per hectare per jaar.</al>
      <al>Basisbijdrage: f 100,- per hectare per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 40 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Pluspakket : Hakhout en griend</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat plus: Ten minste 90% van de oppervlakte van
de beheerseenheid bestaat uit hakhout, waarbij ten minste 60% van de
hakhout-stoven ouder is dan 25 jaar; En tenminste 80% van de oppervlakte
van de beheerseenheid is bezet met inheemse boomsoorten (zie bijlage 57);
En de diameter van de staken is ten hoogste 10 centimeter, gemeten op 50 centimeter
boven de stoof; En de beheerseenheid is ten minste 30 meter breed.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Verjonging vindt vlaksgewijs plaats op vegetatieve
wijze door middel van stronkopslag of door vervanging van dode stoven door
jonge staken; En afgezette staken afvoeren.</al>
      <al>3. Natuurresultaat basis: Ten minste 90% van de oppervlakte van
de beheerseenheid bestaat uit bos waarop de Boswet van kracht is; En ten minste
5% van de oppervlakte van de beheerseenheid is bezet met een of meer
inheemse boomsoorten (zie bijlage 57).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte van een beheerseenheid, behorende bij het pluspakket
Hakhout en griend: 0,5 hectare.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 522,- per hectare per jaar voor beheerseenheden, waarvan
ten minste 80% van de stoven bestaat uit zomereik of wintereik, f 2829,-
per hectare per jaar voor beheerseenheden, waarvan ten minste 80% van
de stoven bestaat uit de wilgensoorten uit Bijlage 57, Es of Zwarte els.</al>
      <al>Basisbijdrage: f 100,- per hectare per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 41 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Pluspakket : Middenbos</tuskop>
      <al>1. Natuurresultaat plus: Tenminste 90% van de oppervlakte van de
beheerseenheid is een bestaand of voormalig middenbos [Middenbos is opgaand
bos met een ondergroei van hakhout]; En ten minste 60% van de hakhout-stoven
is ouder dan 25 jaar; En tenminste 70% van de oppervlakte van de beheerseenheid
is bezet met inheemse boomsoorten (zie bijlage 57); En de diameter van de
staken is ten hoogste 10 centimeter, gemeten op 50 centimeter boven de stoof;
En op de beheerseenheid staan per hectare ten minste 25 overstaanders met
een hoogte van ten minste 15 meter; En de beheerseenheid is ten minste 30
meter breed.</al>
      <al>2. Beheersvoorschriften: Verjonging van het hakhout vindt vlaksgewijs
plaats op vegetatieve wijze door middel van stronkopslag of door vervanging
van dode stoven door jonge staken.</al>
      <al>3. Natuurresultaat basis: Ten minste 90% van de oppervlakte van
de beheerseenheid bestaat uit bos waarop de Boswet van kracht is; En ten minste
5% van de oppervlakte van de beheerseenheid is bezet met een of meer
inheemse boomsoorten (zie bijlage 57).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Minimum oppervlakte van een beheerseenheid, behorende bij het pluspakket
Middenbos: 0,5 hectare.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: f 278,- per hectare per jaar.</al>
      <al>Basisbijdrage: f 100,- per hectare per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 42 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Landschapspakket : Houtwal</tuskop>
      <al>1. Het is een lijnvormig landschapselement met opgaande begroeiing van
inheemse bomen en struiken (zie bijlage 57), voorzien van een wallichaam;</al>
      <al>2. Het element ligt in het landschapstype zandgebied of kustzone;</al>
      <al>3. Het element is ten minste 50 meter lang, ten hoogste 10 meter breed
en het wallichaam is ten minste 0,50 meter hoog;</al>
      <al>4. Het element bevat ten hoogste 10 overstaanders per are;</al>
      <al>5. De diameter van de opgaande stammen, uitgezonderd overstaanders, is
ten hoogste 0,15 meter op 1,30 meter boven de stobbe;</al>
      <al>6. Instandhouden van het element: geen werkzaamheden verrichten die wijzigingen
tot gevolg hebben van het landschapselement anders dan ten behoeve van het
behoud van het element; geen chemische bestrijdingsmiddelen of meststoffen
gebruiken en niet branden in of in de directe omgeving van het element;</al>
      <al>7. Werkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 september
en 1 april;</al>
      <al>8. Het afzetten gebeurt ten hoogste 0,50 meter boven maaiveld, of indien
de stobbe hoger is: direct boven de stobbe.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage:</al>
      <al>ƒ 1.045,- per hectare per jaar voor de begroeide oppervlakte, bij
meer dan 90% bedekking</al>
      <al>ƒ 785,- per hectare per jaar voor de begroeide oppervlakte, bij
tussen 75% en 90% bedekking</al>
      <al>ƒ 525,- per hectare per jaar voor de begroeide oppervlakte, bij
tussen 50% en 75% bedekking </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 43 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Landschapspakket : Houtkade en landscheiding</tuskop>
      <al>1. Het is een lijnvormig landschapselement met opgaande begroeiing van
inheemse bomen en struiken (zie bijlage 57), voorzien van een wallichaam;</al>
      <al>2. Het element ligt in het landschapstype laagveengebied;</al>
      <al>3. Het element is ten minste 50 meter lang, ten hoogste 10 meter breed
en het wallichaam is ten minste 0,20 meter hoog;</al>
      <al>4. Het wallichaam is aan weerszijden voorzien van sloten;</al>
      <al>5. Het element bevat ten hoogste 10 overstaanders per are;</al>
      <al>6. De diameter van de opgaande stammen is (uitgezonderd overstaanders)
ten hoogste 0,15 meter op 1,30 meter boven de stobbe;</al>
      <al>7. Instandhouden van het element: geen werkzaamheden verrichten die wijzigingen
tot gevolg hebben van het landschapselement anders dan ten behoeve van het
behoud van het element; geen chemische bestrijdingsmiddelen of meststoffen
gebruiken en niet branden in of in de directe omgeving van het element;</al>
      <al>8. Werkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 september
en 1 april;</al>
      <al>9. Het afzetten gebeurt ten hoogste 0,50 meter boven maaiveld, of indien
de stobbe hoger is: direct boven de stobbe.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage:</al>
      <al>ƒ 1.045,- per hectare per jaar voor de begroeide oppervlakte, bij
meer dan 90% bedekking</al>
      <al>ƒ 785,- per hectare per jaar voor de begroeide oppervlakte, bij
tussen 75% en 90% bedekking</al>
      <al>ƒ 525,- per hectare per jaar voor de begroeide oppervlakte, bij
tussen 50% en 75% bedekking </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 44 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Landschapspakket : Landweer</tuskop>
      <al>1. Het is een lijnvormig landschapselement met opgaande begroeiing van
inheemse bomen en struiken (zie bijlage 57), voorzien van een wallichaam;</al>
      <al>2. Ten minste 50% (bedekkingsgraad) van de opgaande begroeiing
bestaat uit inheemse doornstruiken (meidoorn, sleedoorn, gaspeldoorn, hondsroos
en egelantier);</al>
      <al>3. Het element is ten minste 50 meter lang, ten hoogste 10 meter breed
en het wallichaam is ten minste 0,50 meter hoog;</al>
      <al>4. Het element bevat ten hoogste 10 overstaanders per are;</al>
      <al>5. Het element komt als zodanig voor op de Archeologische Monumentenkaart;</al>
      <al>6. De diameter van de opgaande stammen is (uitgezonderd overstaanders)
ten hoogste 0,15 meter op 1,30 meter boven de stobbe;</al>
      <al>7. Instandhouden van het element: geen werkzaamheden verrichten die wijzigingen
tot gevolg hebben van het landschapselement anders dan ten behoeve van het
behoud van het element; geen chemische bestrijdingsmiddelen of meststoffen
gebruiken en niet branden in of in de directe omgeving van het element.</al>
      <al>8. Werkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 september
en 1 april;</al>
      <al>9. Het afzetten gebeurt ten hoogste 0,50 meter boven maaiveld, of indien
de stobbe hoger is: direct boven de stobbe.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage:</al>
      <al>ƒ 1.045,- per hectare per jaar voor de begroeide oppervlakte, bij
meer dan 90% bedekking</al>
      <al>ƒ 785,- per hectare per jaar voor de begroeide oppervlakte, bij
tussen 75% en 90% bedekking</al>
      <al>ƒ 525,- per hectare per jaar voor de begroeide oppervlakte, bij
tussen 50% en 75% bedekking </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 45 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Landschapspakket : Singel</tuskop>
      <al>1. Het is een landschapselement met opgaande begroeiing van inheemse bomen
(zie bijlage 57);</al>
      <al>2. Het element ligt in het landschapstype heuvelland, zandgebied of rivierengebied;</al>
      <al>3. Het element is ten minste 50 meter lang en ten hoogste 50 meter breed;</al>
      <al>4. Het element bevat ten hoogste 10 overstaanders per are;</al>
      <al>5. De diameter van de opgaande stammen is (uitgezonderd overstaanders)
ten hoogste 0,15 meter op 1,30 meter boven de stobbe;</al>
      <al>6. Instandhouden van het element: geen werkzaamheden verrichten die wijzigingen
tot gevolg hebben van het landschapselement anders dan ten behoeve van het
behoud van het element; geen chemische bestrijdingsmiddelen of meststoffen
gebruiken en niet branden in of in de directe omgeving van het element.</al>
      <al>7. Werkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 september
en 1 april;</al>
      <al>8. Het afzetten gebeurt ten hoogste 0,50 meter boven maaiveld , of indien
de stobbe hoger is: direct boven de stobbe.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage:</al>
      <al>ƒ 950,- per hectare per jaar, bij meer dan 90% bedekking</al>
      <al>ƒ 715,- per hectare per jaar voor de begroeide oppervlakte, bij
tussen 75% en 90% bedekking</al>
      <al>ƒ 475,- per hectare per jaar voor de begroeide oppervlakte, bij
tussen 50% en 75% bedekking </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 46 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Landschapspakket : Elzensingel</tuskop>
      <al>1. Het is een landschapselement met aaneengesloten opgaande begroeiing
van inheemse bomen of struiken met voor ten minste 80% opgaande begroeiing
van Zwarte els;</al>
      <al>2. Het element ligt in het landschapstype zandgebied, hoogveenontginningsgebied,
rivierengebied of laagveengebied;</al>
      <al>3. Het element is ten minste 50 meter lang;</al>
      <al>4. Het element bevat ten hoogste 10 overstaanders per 100 meter; De diameter
van de opgaande stammen is (uitgezonderd overstaanders); ten hoogste 0,15
meter op 1,30 meter boven de stobbe;</al>
      <al>5. Instandhouden van het element: geen werkzaamheden verrichten die wijzigingen
tot gevolg hebben van het landschapselement anders dan ten behoeve van het
behoud van het element; geen chemische bestrijdingsmiddelen of meststoffen
gebruiken en niet branden in of in de directe omgeving van het element.</al>
      <al>6. Werkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 september
en 1 april;</al>
      <al>7. Het afzetten gebeurt tot op een hoogte van ten minste 0,10 en ten hoogste
0,30 meter boven maaiveld</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage:</al>
      <al>ƒ 48,- per 100 meter per jaar voor een singel met een bedekkingsgraad
van meer dan 90%</al>
      <al>ƒ 36,- per 100 meter per jaar voor een singel met een bedekkingsgraad
van tussen 75% en 90%</al>
      <al>ƒ 24,- per 100 meter per jaar voor een singel met een bedekkingsgraad
van tussen 50% en 75% </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 47 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Landschapspakket : Geriefhoutbosje</tuskop>
      <al>1. Het is een landschapselement met opgaande begroeiing;</al>
      <al>2. Het element ligt in het landschapstype heuvelland, zandgebied, rivierengebied,
zeekleigebied of laagveengebied;</al>
      <al>3. Het element is ten minste 5 en ten hoogste 50 are groot;</al>
      <al>4. Het element is begroeid met ten minste 50 stammen van inheemse bomen
(zie bijlage 57) per are, waarvan ten hoogste 5 overstaanders;</al>
      <al>5. De diameter van de opgaande stammen is (uitgezonderd overstaanders)
ten hoogste 0,15 meter op 1,30 meter boven de stoof;</al>
      <al>6. instandhouden van het element: geen werkzaamheden verrichten die wijzigingen
tot gevolg hebben van het landschapselement anders dan ten behoeve van het
behoud van het element; geen chemische bestrijdingsmiddelen of meststoffen
gebruiken en niet branden in of in de directe omgeving van het element;</al>
      <al>7. Werkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 september
en 1 april;</al>
      <al>8. Het afzetten gebeurt en ten hoogste 0,50 meter boven maaiveld, of indien
de stobbe hoger is: direct boven de stobbe.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: ƒ 950,- per hectare per jaar </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 48 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Landschapspakket : Knip- en scheerheg</tuskop>
      <al>1. Het is een lijnvormig landschapselement met aaneengesloten, opgaande
begroeiing van struikvormende soorten;</al>
      <al>2. Het element ligt in het landschapstype heuvelland of rivierengebied;</al>
      <al>3. Het element is ten minste 50 meter lang;</al>
      <al>4. Het element is ten minste 1,00 en ten hoogste 2,00 meter hoog en ten
hoogste 1,00 meter breed;</al>
      <al>5. Instandhouden van het element: geen werkzaamheden verrichten die wijzigingen
tot gevolg hebben van het landschapselement anders dan ten behoeve van het
behoud van het element; geen chemische bestrijdingsmiddelen of meststoffen
gebruiken en niet branden in of in de directe omgeving van het element;</al>
      <al>6. Werkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 september
en 1 april;</al>
      <al>7. Het element wordt ten minste eenmaal per 2 jaar geknipt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage:</al>
      <al>ƒ 1,75 per strekkende meter per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 49 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Landschapspakket : Struweelhaag</tuskop>
      <al>1. Het is een lijnvormig landschapselement met aaneengesloten, opgaande
begroeiing, voor ten minste 85% (kroonprojectie) bestaande uit inheemse,
struikvormende soorten (zie bijlage 57);</al>
      <al>2. Het element ligt in het landschapstype rivierengebied, zeekleigebied
of heuvelland;</al>
      <al>3. Het element is ten minste 50 meter lang;</al>
      <al>4. Het element is ten minste 1,00 meter hoog, ten minste 1,00 breed en
ten hoogste 5 meter hoog;</al>
      <al>5. Instandhouden van het element: geen werkzaamheden verrichten die wijzigingen
tot gevolg hebben van het landschapselement anders dan ten behoeve van het
behoud van het element; geen chemische bestrijdingsmiddelen of meststoffen
gebruiken en niet branden in of in de directe omgeving van het element.</al>
      <al>6. Werkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 september
en 1 april;</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage:ƒ 0,42 per strekkende meter per jaar </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 50 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Landschapspakket : Knotbomenrij</tuskop>
      <al>1. Het is een rij van ten minste 10 bomen, waarvan de stam is afgezet
op een hoogte van ten minste 1,50 en ten hoogste 2,50 meter, tenzij het een
bestaande knot is, die in het verleden hoger is afgezet;</al>
      <al>2. Het element ligt in het landschapstype heuvelland, zandgebied, rivierengebied,
zeekleigebied of laagveengebied;</al>
      <al>3. De onderlinge afstand van de bomen is ten minste 1 en ten hoogste 20
meter;</al>
      <al>4. De staken hebben een diameter van ten hoogste 0,08 m. op 20 cm. boven
de knot;</al>
      <al>5. Instandhouden van het element: geen werkzaamheden verrichten die wijzigingen
tot gevolg hebben van het landschapselement anders dan ten behoeve van het
behoud van het element; geen chemische bestrijdingsmiddelen of meststoffen
gebruiken en niet branden in of in de directe omgeving van het element;</al>
      <al>6. Werkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 september
en 1 april;</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage; ƒ 6,- per boom per jaar. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 51 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Landschapspakket : Grubbe en holle weg</tuskop>
      <al>1. Het is een smal, diep ingesneden dal met steile, begroeide wanden,
gemiddeld ten minste 2 meter diep;</al>
      <al>2. Het element ligt in het landschapstype heuvelland of zandgebied;</al>
      <al>3. Het element is ten minste 50 meter lang;</al>
      <al>4. De wanden (taluds) hebben een helling van ten minste 30°;</al>
      <al>5. In geval van opgaande begroeiing dient sprake te zijn van inheemse
bomen of struiken (zie bijlage 57);</al>
      <al>6. Instandhouden van het element: geen werkzaamheden verrichten die wijzigingen
tot gevolg hebben van het landschapselement anders dan ten behoeve van het
behoud van het element; geen chemische bestrijdingsmiddelen of meststoffen
gebruiken en niet branden in of in de directe omgeving van het element;</al>
      <al>7. Werkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 september
en 1 april;</al>
      <al>8. De begroeiing van de taluds wordt jaarlijks gemaaid (maaisel afvoeren)
indien de begroeiing bestaat uit grasachtige of kruidige vegetaties; indien
sprake is van opgaande begroeiing, waarbij ten hoogste 10 overstaanders per
are, wordt deze zo vaak afgezet direct boven de stobbe of ten hoogste 0,50
meter boven maaiveld, dat de maximale stamdiameter op 1,30 meter boven maaiveld
0,15 meter bedraagt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: ƒ 2.335,- per hectare talud per jaar </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 52 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Landschapspakket : Hoogstamboomgaard</tuskop>
      <al>1. Het is een boomgaard met fruit- of notenbomen (appel, peer, pruim,
kers, walnoot);</al>
      <al>2. Het element ligt in het landschapstype heuvelland of rivierengebied;</al>
      <al>3. De boomgaard heeft een oppervlakte van ten minste 25 are, met een dichtheid
van ten minste 50 en ten hoogste 150 bomen per hectare;</al>
      <al>4. De bomen zijn ten minste 4 meter hoog;</al>
      <al>5. Instandhouden van het element: geen werkzaamheden verrichten die wijzigingen
tot gevolg hebben van het landschapselement anders dan ten behoeve van het
behoud van het element; geen chemische bestrijdingsmiddelen of meststoffen
gebruiken en niet branden in of in de directe omgeving van het element;</al>
      <al>6. Indien het appel of peer betreft worden de fruitbomen ten minste eenmaal
per twee jaar gesnoeid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: ƒ 20,- per boom per jaar </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 53 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Landschapspakket : Eendenkooi</tuskop>
      <al>1. Het is een installatie, die als eendenkooi is geregistreerd in de Openbare
Registers, bestaande uit een kooiplas en omringend struweel of bos;</al>
      <al>2. Instandhouden van het element als vanginstallatie voor eendachtigen.</al>
      <al>3. De beheerseenheid is maximaal 4 hectare groot.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: ƒ 3.291,- per hectare per jaar </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 54 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Landschapspakket : Poel</tuskop>
      <al>1. Ten minste 80% van de oppervlakte van het element bestaat uit
open water;</al>
      <al>2. Het element ligt in het landschapstype heuvelland, zandgebied, rivierengebied,
zeekleigebied, laagveengebied of droogmakerijen</al>
      <al>3. Het element heeft een oppervlakte van ten minste 0,5 en ten hoogste
50 are, tenzij het een voortplantingspoel voor amfibieën in het heuvelland
betreft;</al>
      <al>4. De waterdiepte in de diepste delen is in de periode van 1 oktober tot
1 april ten minste 0,5 meter</al>
      <al>5. Instandhouden van het element: geen werkzaamheden verrichten die wijzigingen
tot gevolg hebben van het landschapselement anders dan ten behoeve van het
behoud van het element; geen chemische bestrijdingsmiddelen of meststoffen
gebruiken en niet branden in of in de directe omgeving van het element;</al>
      <al>6. Geen water onttrekken aan het element anders dan voor het drenken van
vee dat de aan het element grenzende percelen beweidt;</al>
      <al>7. Schoningswerkzaamheden, voor zover nodig, alleen verrichten in de periode
tussen 1 september en 15 oktober.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage:</al>
      <al>ƒ 90,- per poel per jaar bij een poel-oppervlakte tot 75 m2</al>
      <al>ƒ 140,- per poel per jaar bij een poel-oppervlakte tussen 75 en
175 m2</al>
      <al>ƒ 170,- per poel per jaar bij een poel-oppervlakte groter dan 175
m2 </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 55 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Landschapspakket Rietzoom en klein rietperceel</tuskop>
      <al>1. De begroeiing van het element bestaat voor ten minste 90% uit
riet;</al>
      <al>2. Het element ligt in het landschapstype rivierengebied, zeekleigebied
of laagveengebied;</al>
      <al>3. Het element is ten minste 5 are groot en 1 meter breed en ten hoogste
50 are groot of 5 meter breed;</al>
      <al>4. Ten minste 10 en ten hoogste 20% riet is tussen een en twee
jaar oud;</al>
      <al>5. instandhouden van het element: geen werkzaamheden verrichten die wijzigingen
tot gevolg hebben van het landschapselement anders dan ten behoeve van het
behoud van het element; geen chemische bestrijdingsmiddelen of meststoffen
gebruiken en niet branden in of in de directe omgeving van het element</al>
      <al>6. Werkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 september
en 1 april;</al>
      <al>7. Ten minste 80 en ten hoogste 90% van het riet wordt jaarlijks
gemaaid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage:</al>
      <al>ƒ 1.100,- per hectare per jaar voor rijland</al>
      <al>ƒ 1.530,- per hectare per jaar voor vaarland. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 56 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Landschapspakket Raster</tuskop>
      <al>1. Het is een veekerend raster t.b.v. een landschapselement;</al>
      <al>2. Er is sprake van een beschikking landschapssubsidie voor het landschapselement
voor één of meer van de landschapspakketten in de bijlagen 42
-55.</al>
      <al>3. Het raster bevindt zich op zodanige afstand van het landschapselement,
dat schade door vraat of betreding wordt voorkomen;</al>
      <al>4. Instandhouden van een veekerend raster;</al>
      <al>5. Jaarlijks worden zo nodig overhangende takken, die de instandhouding
van het raster bedreigen, verwijderd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beheersbijdrage: ƒ 0,93 per meter per jaar </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 57 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Inheemse boom- en struiksoorten</tuskop>
      <al>Aalbes, Amandelwilg, Appel, Bastaardbosbes, Beredruif, Beuk, Bezemdophei,
Bittere wilg, Bitterzoet, Blauwe bosbes, Bosrank, Bosroos, Boswilg, Braamsoorten,
Brem, Duindoorn, Duinroos, Kruising van Eenstijlige en Tweestijlige meidoorn,
Eenstijlige meidoorn, Egelantier, Fladderiep, Framboos, Gagel, Gladde iep,
Gaspeldoorn, Gelderse roos, Gele kornoelje, Geoorde wilg, Gewone dophei, Gewone
es, Gewone esdoorn, Gewone vlier, Grauwe abeel, Kruising van Grauwe en Geoorde
wilg, Grauwe wilg, Grove den, Haagbeuk, Hazelaar, Heggeroos, Hollandse linde,
Hondsroos, Hulst, Jeneverbes, Kruising van Katwilg en Grauwe wilg, Kleinbloemige
roos, Klimop, Kruising van Koraalmeidoorn en Tweestijlige meidoorn, Koraalmeidoorn,
Kraagroos, Kraaihei, Kraakwilg, Krent, Kruipbrem, Kruipwilg, Kruisbes, Laurierwilg,
Lavendelhei, Maretak, Mispel, Peer, Ratelpopulier, Rijsbes, Rode bosbes, Rode
dophei, Rode kamperfoelie, Rode kornoelje, Rode paardekastanje, Rood peperboompje,
Rossige wilg, Ruwe berk, Ruwe iep, Kruising van Schietwilg en Kraakwilg, Schietwilg,
Sleedoorn, Spaanse aak, Sporkehout, Stekelbrem, Struikhei, Tamme kastanje,
Taxus, Trosbes, Trosvlier, Tweestijlige meidoorn, Verfbrem, Viltroos, Vogelkers,
Wegedoorn, Wilde kamperfoelie, Wilde kardinaalmuts, Wilde liguster, Wilde
lijsterbes, Wilde peer, Kruising van Wintereik en zomereik, Wintereik, Winterlinde,
Witte els, Witte paardekastanje, Wollige sneeuwbal, Zachte berk, Zoete kers,
Zomereik, Zomerlinde, Zuurbes, Zwarte bes, Zwarte els, Zwarte populier. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 58 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Recreatiepakket 1 : (Laag recreatieniveau)</tuskop>
      <al>1. Het terrein, waarop het pakket van toepassing is, is gedurende ten
minste 358 dagen per jaar kosteloos voor het publiek opengesteld op wegen,
vaarwegen en paden tussen zonsopgang en zonsondergang. De openstelling geldt
in ieder geval voor wandelaars.</al>
      <al>2. Het terrein(gedeelte) dient doorgaande of rondgaande wegen en paden
te bevatten.</al>
      <al>A. Voor terreinen waarop basis- of pluspakketten genoemd in de bijlagen
12 tot en met 19, en 21 tot en met 36 worden ontwikkeld, dan wel zijn ontwikkeld:
ten minste 25 meter gemiddeld per hectare.</al>
      <al>B. Voor terreinen waarop basis- of pluspakketten genoemd in de bijlagen
20, en 37 tot en met 41 worden ontwikkeld, dan wel zijn ontwikkeld: ten minste
50 meter gemiddeld per hectare.</al>
      <al>3. De beheerder heeft een onderhoudsplicht om in ieder geval de bruikbaarheid
van het terrein(gedeelte) voor wandelaars te kunnen garanderen.</al>
      <al>4. Indien het terrein ten hoogste 200 hectare omvat, is er ten minste één
toevoerweg en een ingang, met een bord waarop staat dat het terrein is opengesteld.</al>
      <al>5. Indien het terrein een oppervlakte heeft van meer dan 200 en ten hoogste
500 hectare, zijn er ten minste twee toevoerwegen en ingangen, met een bord
waarop staat dat het terrein is opengesteld.</al>
      <al>6. Indien het terrein een oppervlakte heeft van meer dan 500 hectare of
meer zijn er ten minste drie toevoerwegen en ingangen, met een bord waarop
staat dat het terrein is opengesteld.</al>
      <al>7. De beheerder dient - indien van toepassing - medewerking te verlenen
aan de aanleg, markering en het beheer van doorgaande routes voor wandelen
en fietsen in het kader van de landelijke afstandswandelpaden (LAW’s)
en lange fietsroutes (LF).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Recreatiebijdrage, behorende bij recreatiepakket 1 (Laag recreatieniveau):
f. 30,- per ha per jaar </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 59 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Recreatiepakket 2 : (Hoog recreatieniveau)</tuskop>
      <al>1. Het terrein(gedeelte), waarop het pakket van toepassing is, is gedurende
het gehele jaar kosteloos voor het publiek opengesteld op wegen en paden tussen
zonsopgang en zonsondergang. De openstelling geldt in ieder geval voor wandelaars
en - op daarvoor geschikte wegen en paden - voor fietsers.</al>
      <al>2. Het terrein(gedeelte) dient doorgaande of rondgaande wegen en paden
te bevatten.</al>
      <al>A. Voor terreinen waarop basis- of pluspakketten genoemd in de bijlagen
12 tot en met 19, en 21 tot en met 36 worden ontwikkeld, dan wel zijn ontwikkeld:
ten minste 40 meter gemiddeld per hectare.</al>
      <al>B. Voor terreinen waarop basis- of pluspakketten genoemd in de bijlagen
20, en 37 tot en met 41 worden ontwikkeld, dan wel zijn ontwikkeld: ten minste
80 meter gemiddeld per hectare.</al>
      <al>3. De beheerder heeft een onderhoudsplicht om in ieder geval de bruikbaarheid
van wegen en paden voor wandelaars en fietsers, te kunnen garanderen.</al>
      <al>4. Indien het terrein ten hoogste 200 hectare omvat, zijn er ten minste
twee toevoerwegen en ingangen, met een bord waarop staat dat het terrein is
opengesteld.</al>
      <al>5. Indien het terrein een oppervlakte heeft van meer dan 200 en ten hoogste
500 hectare, zijn er ten minste drie toevoerwegen en ingangen, met een bord
waarop staat dat het terrein is opengesteld.</al>
      <al>6. Indien het terrein een oppervlakte heeft van meer dan 500 hectare dan
zijn er ten minste vier toevoerwegen en ingangen, met een bord waarop staat
dat het terrein is opengesteld, en kan voor een oppervlakte van ten hoogste
150 hectare per ingang de bijdrage worden verkregen behorende recreatiepakket
2. Voor de overige oppervlakte van het terrein kan de bijdrage worden verkregen
behorende bij recreatiepakket 1, mits in dit deel van het terrein tenminste
aan de voorwaarden 1,2 en 3 van pakket 1 is voldaan.</al>
      <al>7. De beheerder dient - indien van toepassing - medewerking te verlenen
aan de aanleg, markering en het beheer van doorgaande routes voor wandelen
en fietsen in het kader van de landelijke afstandswandelpaden (LAW’s)
en lange fietsroutes (LF).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Recreatiebijdrage, behorende bij recreatiepakket 2 (Hoog recreatieniveau):
f. 50,- per ha per jaar </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 60</tuskop>
      <al>Aa en Hunze, Aalten, Abcoude, Aerdenhout, Almelo, Ambt Delden, Ambt Montfort,
Amersfoort, Alphen Chaam, Arcen en Velden, Belfeld, Delden, Ambt, Amerongen,
Best, Montfort, Ameland, Brederwiede, Apeldoorn, Arnhem, Assen, Baarle-Nassau,
Baarn, Barneveld, Beemster, Beesel, Bergen (NH), Bergen (L), Bergen op Zoom,
Bergeyk, Bergh, Bilthoven, Bladel, Blaricum, Bloemendoel, Borger-Odoorn, Borne,
Boxtel, Breukelen, Brummen, Bunnik, Bussum, Castricum, Dalfsen, De Bilt, De
Wolden, Denekamp, Diepenheim, Doorn, Driebergen-Rijsenburg, Echt, Edam - Volendam,
Ede, Eemnes, Eersel, Egmond, Elburg, Enschede, Epe, Ermelo, Gaasterlân
- Sleat, Gendt, Gennep, Goedereede, Goor, Gorssel, Graft - De Rijp, Gramsbergen,
Groesbeek, Gulpen, Haaksbergen, Haaren, Halsteren, Harderwijk, Hattem, Heemskerk,
Heerde, Heeze-Leende, Hellendoorn, Hengelo, Heumen, Hilvarenbeek, Hilversum,
Holten, Huissen, Huizen, Hummelo en Keppe, IIsselham, Katwijk, Kessel, Landsmeer,
Laren, Leersum, Leusden, Lochem, Loenen, Loosdrecht, Losser, Maarn, Maarssen,
Maartensdijk, Margraten, Meerssen, Meppen, Millingen aan de Rijn, Monster,
Mook en Middelaar, Nederhorst den Berg, Nijefurd, Noordenveld, Noordwijk,
Nunspeet, Nuth, Oldebroek, Oirschot, Oisterwijk, Oldenzaal, Ommen, Oostzaan,
Ootmarsum, Purmerend, Putten, Renkum, Renswoude, Reusel - De Mierden, Rheden,
Rhenen, Rijnwaarden, Roerdalen, Rozendaal, ’s-Graveland, ’s-Gravenzande,
Schermer, Schiermonnikoog, Schijndel, Schoorl, Simpelveld, Sint-Michielsgestel,
Sint-Oedenrode, Soest, Son en Breugel, Stad Delden, Steenwijk, Swalmen, Tegelen,
Terschelling, Texel, Tubbergen, Ubbergen, Vaals, Valkenburg aan de Geul, Valkenswaard,
Veere, Veldhoven, Venlo, Vlieland, Voerendaal, Voorst, Vorden, Vught, Wageningen,
Warnsveld, Wassenaar, Waterland, Weerselo, Weesp, Westerveld, Westvoorne,
Wijchen, Wijk bij Duurstede, Winterswijk, Wittem, Woensdrecht, Wormerland,
Zandvoort, Zeevang, Zeist, Zelhem, Zuidlaren. </al>
      <tuskop letat="vet">BIJLAGE 61</tuskop>
      <plaatje file="stcrt-1999-252-p18-SC21988-1.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <plaatje file="stcrt-1999-252-p18-SC21988-2.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <al>
        <sup>1 </sup>Stcrt. 138, 1998, laatstelijk gewijzigd bij ministeriële
regeling van 31 juli 1998 (Stcrt. 143). </al>
      <tuskop letat="vet">Bijlage 62 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Flora en fauna van de rode lijsten als meetsoort.</tuskop>
      <al>Voor het bereiken van het natuurresultaat bij de pluspakketten in bijlagen
25 tot en met 33 kunnen naast de in de bijlagen specifiek genoemde meetsoorten
ook soorten uit de hierna genoemde categoriën van de betreffende rode
lijsten meetellen.</al>
      <al>· Hogere planten: de categoriën Verdwenen, Zeer sterk bedreigd,
Sterk bedreigd, Potentiëel bedreigd, zoals vermeld in Gorteria (Tijdschrift
voor de Floristiek), 16 (1990), nr.1 , uitgegeven door het Rijksherbarium
te Leiden.</al>
      <al>· Reptielen en amfibieën: vastgesteld d.d. 5 november 1996
(J.9610500), Staatscourant 1996, nr. 219; de categorieën Verdwenen, Ernstig
bedreigd, Bedreigd, Kwetsbaar (samen de doelsoorten genoemd), zoals vermeld
in de betreffende Toelichting, Rapport nr. 25 van het IKC Natuurbeheer te
Wageningen (1996).</al>
      <al>· Dagvlinders: vastgesteld d.d. 12 april 1995 (J.953954), Staatscourant
1995, nr. 77; de categorieën Verdwenen, Ernstig bedreigd, Bedreigd, Kwetsbaar
(samen de doelsoorten genoemd), zoals vermeld in de betreffende Toelichting,
Rapport nr. 18 van het IKC Natuurbeheer te Wageningen (1995).</al>
      <al>· Libellen: vastgesteld d.d. 2 april 1998 (J.982410), Staatscourant
1998, nr. 65; de categorieën Verdwenen, Ernstig bedreigd, Bedreigd, Kwetsbaar
(samen de doelsoorten genoemd), zoals vermeld in de betreffende Toelichting,
Rapport nr. 30 van het IKC Natuurbeheer te Wageningen (1998).</al>
      <al>· Zoogdieren: vastgesteld d.d. 27 januari 1995 (J.95126), Staatscourant
1995, nr. 23; de categorieën Verdwenen, Ernstig bedreigd, Bedreigd, Kwetsbaar
(samen de doelsoorten genoemd), zoals vermeld in de betreffende Toelichting,
Rapport nr. 12 van het IKC Natuurbeheer te Wageningen (1994).</al>
    </toelicht>
  </backm>
</stcart>