﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE stcart PUBLIC "-//SDU//DTD staatscourant xml 1.1//NL" "../../dtd/stcrt-11.dtd"[]>
<stcart soort="reg" status="b" publtype="stct">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-1999-158-p9-SC20142/metadata.xml" />
  </metadata>
  <frontm>
    <versie dtd="1.4" conv="prod__0" markup="qa"></versie>
    <artcode>158-0901</artcode>
    <stcgeg>
      <tekst>Uit: Staatscourant 19 augustus 1999, nr. 158</tekst>
      <dag>Donderdag</dag>
      <datum>19 augustus 1999</datum>
      <nummer>158</nummer>
    </stcgeg>
    <chapeau>
      <mincodes>FI</mincodes>
    </chapeau>
    <titel>Voorschrift Internationale Invordering 1999</titel>
    <bron>
      <datum>9 augustus 1999</datum>/<kenmerk>Nr. AFZ98/1437 M</kenmerk><afd>Directie algemene fiscale zaken</afd></bron>
  </frontm>
  <body>
    <al>De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten: </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 1 Inleidende opmerkingen </tuskop>
    <tuskop letat="vet">1.1. Begripsbepalingen </tuskop>
    <al>In dit Voorschrift wordt verstaan onder:</al>
    <al>- verzoekende autoriteit: de bevoegde autoriteit van een staat, die
een verzoek om bijstand bij de invordering aan een andere staat doet;</al>
    <al>- aangezochte autoriteit: de bevoegde autoriteit van een staat aan
wie een verzoek om bijstand bij de invordering is gericht;</al>
    <al>- de ontvanger: het hoofd van de eenheid aan wie de invordering van
de binnenlandse en/of buitenlandse vordering is opgedragen;</al>
    <al>- staat: hetzij</al>
    <al>1) een lidstaat van de Benelux (België, Nederland en Luxemburg);</al>
    <al>2) een lidstaat van de Europese Unie, (België, Nederland, Denemarken,
Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg,
Oostenrijk, Portugal, Spanje, Verenigd Koninkrijk en Zweden);</al>
    <al>3) een lidstaat van de OESO/Raad van Europa, die het WABB-verdrag heeft
geratificeerd (Finland, Noorwegen, V.S., Nederland, Zweden, Denemarken, IJsland
en Polen);</al>
    <al>4) een mogendheid waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele
belasting heeft gesloten, alsmede</al>
    <al>5) de Nederlandse Antillen en Aruba;</al>
    <al>- internationale regelingen:</al>
    <al>· verdragen ter voorkoming van dubbele belasting,</al>
    <al>· Verordeningen en Richtlijnen van de Europese Unie,</al>
    <al>· Verdrag inzake de Wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken
(WABB-Verdrag),</al>
    <al>· het Benelux Invorderingsverdrag,</al>
    <al>· de Belastingregeling voor het Koninkrijk,</al>
    <al>· overige regelingen waarbij Nederland betrokken is;</al>
    <al>- Invorderingswet: Invorderingswet 1990 (Wet van 30 mei 1990 op de
invordering van rijksbelastingen, Stb 1990, 221);</al>
    <al>- WWB: Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van enkele EEG-heffingen,
de omzetbelasting en de accijnzen (Wet van 24 oktober 1979, Stb. 572);</al>
    <al>- ministerie: Ministerie van Financiën, directie Algemene Fiscale
Zaken, afdeling Wederzijdse Bijstand;</al>
    <al>- FIOD: het hoofd van de FIOD te Haarlem;</al>
    <al>- DA: het hoofd van het Douanedistrict Arnhem;</al>
    <al>- Centraal aanspreekpunt: aanduiding voor de FIOD respectievelijk
het Douanedistrict Arnhem;</al>
    <al>- GAK: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, vertegenwoordigd
door GAK Nederland B.V.</al>
    <al>Onder de overige in dit voorschrift gebezigde begrippen wordt zoveel als
mogelijk hetzelfde verstaan als daaromtrent in de WWB en de Invorderingswet
(Stb.1990, 221) wordt verstaan. </al>
    <tuskop letat="vet">1.2. Werkingssfeer </tuskop>
    <al>Dit Voorschrift ziet op:</al>
    <al>a) de inlichtingenuitwisseling ten behoeve van de invordering met andere
staten;</al>
    <al>b) het laten betekenen van Nederlandse akten in andere staten en het betekenen
van buitenlandse akten in Nederland (notificatie);</al>
    <al>c) de invordering in andere staten van Nederlandse vorderingen en de invordering
van buitenlandse vorderingen in Nederland;</al>
    <al>d) het treffen van conservatoire maatregelen in andere staten voor Nederlandse
vorderingen en het treffen van conservatoire maatregelen in Nederland voor
buitenlandse vorderingen terzake van Nederlandse belastingen, sociale verzekeringspremies,
premies Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAZ), douanerechten en andere
gelden, waarvan de inning aan de Belastingdienst is opgedragen. </al>
    <tuskop letat="vet">1.3. Eerst de nationale mogelijkheden benutten </tuskop>
    <al>Een verzoek om inlichtingen, bijstand bij de invordering of om conservatoire
maatregelen in een andere staat wordt in beginsel pas gevraagd indien de ontvanger
mag aannemen dat het treffen van invorderingsmaatregelen in Nederland niet
of niet geheel tot betaling van de schuld zullen leiden. Er hoeft daarbij
niet te worden gewacht tot een daadwerkelijke invorderingsprocedure is gestart
of is afgerond. Evenmin staat een mogelijkheid tot paspoortsignalering, lijfsdwang
of aansprakelijkstelling een verzoek om bijstand bij de invordering in de
weg.</al>
    <al>Wanneer een derde (mede) aansprakelijk is gesteld dan wel kan worden gesteld
voor de voldoening van de schuld, wordt getracht de schuld eerst te verhalen
op de vermogensbestanddelen van de belastingschuldige zelf, derhalve ook op
bestanddelen die zich in een andere staat bevinden, en pas daarna op de vermogensbestanddelen
van de aansprakelijkgestelde. </al>
    <tuskop letat="vet">1.4. Aansprakelijkgestelden</tuskop>
    <al>Bijstand bij de invordering is ook mogelijk met betrekking tot aansprakelijkgestelden;
de bijstand vindt zoveel als mogelijk op overeenkomstige wijze plaats als
ten aanzien van de hoofdschuldenaar. Ter wille van de leesbaarheid van dit
Voorschrift is vermeden tevens de aansprakelijkgestelden te noemen, zonder
dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften op de internationale
invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden te beperken. </al>
    <tuskop letat="vet">1.5. Opbouw Voorschrift</tuskop>
    <al>Het door het hoofd van de FIOD, het hoofd van de directie Douane en de
ontvangers van de Belastingdienst te voeren beleid met betrekking tot het
doen van verzoeken om wederzijdse bijstand aan andere staten en het door hen
te voeren beleid inzake de behandeling van buitenlandse verzoeken in Nederland
wordt in dit Voorschrift beschreven en toegelicht. Daarbij dient bedacht te
worden dat de internationale invordering zich kenmerkt door verschillende
vormen, die hun grondslag vinden in verschillende nationale en internationale
regelingen voor belastingen, premies sociale zekerheid en douanerechten, met
inhoudelijk verschillende bepalingen. In verband daarmede gaat de opbouw van
het Voorschrift uit van een zekere gelaagdheid: In eerste instantie worden
per instrument van wederzijdse bijstand van alle regelingen de gemeenschappelijke
elementen en het te voeren beleid aangegeven (hoofdstukken 1 tot en met 8);
de ontvanger dient echter bij elke regeling die hij toepast in de afzonderlijke
hoofdstukken (hoofdstukken 9 tot en met 13) na te gaan of er de afwijkende
bepalingen en afzonderlijk beleid geformuleerd is. Om inzicht te geven in
elke regeling is een korte toelichting noodzakelijk.</al>
    <al>Het Voorschrift geeft in hoofdstuk 2 het kader en het begrip aan van de
internationale invordering; hoofdstuk 3 gaat over de instanties die belast
zijn met de internationale invordering.</al>
    <al>Daarna wordt het algemene beleid beschreven terzake van de vier vomen/instrumenten
van wederzijdse bijstand bij de invordering: de inlichtingenuitwisseling in
hoofdstuk 4, de notificatie in hoofdstuk 5 en de bijstand bij de invordering
en de bijstand voor het treffen van conservatoire maatregelen in de hoofdstukken
6, 7en 8.</al>
    <al>In de hoofdstukken 9 tot en met 13 worden de afzonderlijke internationale
regelingen nader toegelicht; daarbij wordt aangegeven of een internationale
regeling afwijkende bepalingen bevat.</al>
    <al>De invordering van premies sociale zekerheid wordt behandeld in hoofdstuk
14, de overige internationale invorderingskwesties en de faillissementen in
hoofdstuk 15. De inwerkingtreding van het Voorschrift wordt geregeld in hoofdstuk
16. </al>
    <tuskop letat="vet">1.6. Relatie Voorschrift met het Modellenboek Internationale
Invordering </tuskop>
    <al>Ten behoeve de efficiënte, goede en gelijke behandeling van gevallen
bestaat naast dit Voorschrift een geautomatiseerd Modellenboek Internationale
Invordering. Dit Modellenboek bevat modellen voor het doen van verzoeken om
wederzijdse bijstand, alsmede modellen ten behoeve van de invordering van
buitenlandse schulden in Nederland. De modellen hebben een gedeelte vaste
tekst Deze tekst is altijd hetzelfde. Daarnaast wordt met keuzevelden en invoervelden
gewerkt. Voor een overzicht van de modellen wordt verwezen naar de bijlage. </al>
    <tuskop letat="vet">1.7. Landenoverzicht</tuskop>
    <al>Voor een beknopt overzicht van de mogelijkheden op het terrein van de
internationale invordering per land en per regeling wordt verwezen naar bijlage
1. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 2 Algemeen en uitgangspunten internationale
invordering </tuskop>
    <tuskop letat="vet">2.1. Internationale rechtshandhaving en samenwerking</tuskop>
    <al>Door de toenemende internationalisering en digitalisering bewegen belastingplichtigen
zich vaker in een internationale context. De mogelijkheden tot het ontgaan
van belastingen en belastingontduiking worden daardoor vergroot.</al>
    <al>De kern van het internationale rechtshandhavingsbeleid is nauw verbonden
met het nationale beleid en is er in de eerste plaats op gericht om risico’s
van misbruik en oneigenlijk gebruik van fiscale regelgeving door preventieve
maatregelen te ondervangen. De Belastingdienst moet tevens in staat zijn adequaat
te reageren op grensoverschrijdende fraude; rechtshandhaving moet ook in een
internationale context zijn verzekerd.</al>
    <al>Internationale samenwerking tussen belasting- en douaneadministraties
is van belang om zicht te krijgen op de activiteiten van belastingplichtigen
en het bestrijden van internationale fraude. De voornaamste doelstellingen
van de wederzijdse bijstand zien op verbetering van de internationale samenwerking
op het terrein van de inlichtingenuitwisseling, de controle en de invordering. </al>
    <tuskop letat="vet">2.2. Internationale invordering algemeen</tuskop>
    <al>Uitgangspunt van de internationale invordering is dat de in het buitenland
wonende belastingschuldige eenzelfde behandeling toekomt als de in Nederland
wonende belastingschuldigen en dat zijn schuld derhalve zo nodig door middel
van dwangmaatregelen moet kunnen worden ingevorderd. De Belastingdienst benut
daarbij in eerste instantie de nationale regelingen om de invordering te bewerkstelligen.
Als de invordering niet langs die weg op effectieve wijze kan worden verkregen,
wordt bijstand bij de invordering gevraagd aan de betrokken buitenlandse belastingadministratie.</al>
    <al>Binnen de Europese Unie (EU) zijn er diverse regelingen op grond waarvan
de Nederlandse ontvanger een beroep kan en moet doen op bijstand bij de invordering
van Nederlandse schulden in een andere lidstaat. Ook buiten Europees verband
worden door Nederland in toenemende mate verdragen afgesloten waarin een afspraak
wordt gemaakt over het verlenen van wederzijdse bijstand bij de invordering.</al>
    <al>De wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingen en premies
sociale zekerheid wordt in aparte verdragen geregeld en andere autoriteiten
zijn voor de uitvoering bevoegd verklaard; de in te vorderen inkomensheffing
moet dan ook in voorkomende gevallen worden gesplitst.</al>
    <al>Een aantal internationale regelingen heeft uitsluitend betrekking op de
internationale invordering; daarnaast zijn er diverse regelingen waarin invorderingsbepalingen
zijn opgenomen.</al>
    <al>De regelingen zijn opgenomen in de boekwerken Invordering 1990, Internationale
Fiscale Zaken en Premieheffing Internationaal.</al>
    <al>Indien er geen regeling terzake van de wederzijdse bijstand bij de invordering
van belastingen of premieschulden is afgesloten hoeft de schuld niet zonder
meer oninbaar te worden geleden; in sommige gevallen bestaat de mogelijkheid
in het buitenland in te vorderen zonder tussenkomst van de fiscale en/of premieautoriteiten;
verwezen wordt naar hoofdstuk 15. </al>
    <tuskop letat="vet">2.3. Term Internationale Invordering </tuskop>
    <al>De term internationale invordering omvat alle maatregelen die in het buitenland
kunnen worden getroffen om Nederlandse belasting-, premie- en overige schuldvorderingen
in te vorderen. Onder het begrip internationale invordering valt ook de wederzijdse
bijstand bij de invordering, waarbij de bevoegde fiscale en/of premie autoriteiten
elkaar bijstaan, zulks op grond van afspraken die neergelegd zijn in internationale
regelingen.</al>
    <al>De internationale invordering ziet tevens op alle maatregelen die op verzoek
van een andere staat in Nederland genomen kunnen worden om een buitenlandse
schuld in te invorderen.</al>
    <al>De wederzijdse bijstand bij de invordering behelst vier hoofdvormen:</al>
    <al>a. inlichtingenuitwisseling ten behoeve van de invordering (hoofdstuk
4);</al>
    <al>b. notificatie (hoofdstuk 5);</al>
    <al>c. bijstand bij de invordering (hoofdstukken 6 en 8);</al>
    <al>d. bijstand voor het treffen van conservatoire maatregelen (hoofdstukken
7 en 8).</al>
    <al>De internationale invordering geschiedt op grond van diverse internationale
regelingen en nationale wetten. De verhouding tussen het nationale recht en
het internationale recht is geregeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet.
Kern van deze artikelen is dat verdragen en besluiten van volkenrechtelijke
organisaties boven de nationale wet gaan. </al>
    <tuskop letat="vet">2.4. Nut van de wederzijdse bijstand</tuskop>
    <al>De ontvanger beperkt door de toepassing van de wederzijdse bijstand zowel
de invorderingsverliezen op een directe wijze, als op een indirecte wijze.
Wederzijdse bijstand bij de invordering bevordert namelijk de internationale
rechtshandhaving en heeft daardoor een preventieve werking.</al>
    <al>De internationale invordering verschaft de Nederlandse Belastingdienst
en de buitenlandse belastingadministraties de mogelijkheid om vermogensobjecten
in een andere staat te traceren en zo nodig uit te winnen. Ook is het mogelijk
om te controleren of belastingschuldigen de juiste en volledige informatie
verschaffen aan de ontvanger.</al>
    <al>Ook voor de internationale invordering geldt dat werken in de actualiteit
vaak tot het gewenste resultaat leidt. De ontvanger moet derhalve zo snel
als mogelijk is een verzoek om internationale invordering aan een andere staat
doen. </al>
    <tuskop letat="vet">2.5. Vorderingen van andere staten</tuskop>
    <al>Wederzijdse bijstand impliceert dat de Nederlandse ontvanger ook geconfronteerd
wordt met verzoeken van andere staten om hun vorderingen in Nederland in te
vorderen. Het is de taak van de ontvanger te bewerkstelligen dat binnen de
in dit Voorschrift gestelde termijnen voldaan wordt aan het verzoek van de
verzoekende autoriteit, zodat zo spoedig mogelijk aan de betalingsverplichtingen
wordt voldaan.</al>
    <al>De invordering van buitenlandse schulden geschiedt in lijn met hetgeen
bepaald is in de Leidraad Invordering 1990, zulks met inachtneming van het
in dit Voorschrift bepaalde. </al>
    <tuskop letat="vet">2.6. Uitgangspunten internationale invordering</tuskop>
    <al>Voor wat betreft de internationale invordering gelden de volgende algemene
uitgangspunten:</al>
    <al>- de internationale regeling waarop een beroep is gedaan alsmede
de wet en regelgeving van de aangezochte staat beheersen zoveel mogelijk de
wijze van executie van de buitenlandse schuld;</al>
    <al>- de aangezochte staat mag er op vertrouwen dat de belastingschuld
in de verzoekende staat is vastgesteld overeenkomstig het geschreven en ongeschreven
recht van de verzoekende staat, met inbegrip van het aldaar toepasselijk internationaal
recht;</al>
    <al>- de aangezochte staat mag er op vertrouwen dat de mogelijkheden
tot invordering op het grondgebied van de verzoekende staat onvoldoende zijn
om de schuld te delgen;</al>
    <al>- de aangezochte autoriteit hoeft geen middelen toe te passen waarvoor
de wet van de verzoekende staat geen voorziening kent;</al>
    <al>- de belastingvorderingen van de verzoekende staat hebben in de aangezochte
staat geen voorrecht;</al>
    <al>- de wederzijdse bijstand tussen staten beperkt zich tot de belastingen,
de premies en/of de andere middelen die het onderwerp van de regeling uitmaken;</al>
    <al>- wederzijdse bijstand heeft betrekking op de invordering van belastingen
en/of premies en/of overige schuldvorderingen, inclusief eventuele vervolgingskosten,
rente en bestuurlijke boeten;</al>
    <al>- de aangezochte staat spant zich zoveel mogelijk in om op juiste
en snelle wijze wederzijdse bijstand te verlenen terzake van de invordering
van de schuldvorderingen van de verzoekende staat.</al>
    <al>Van deze uitgangspunten wordt uitgegaan tenzij de desbetreffende internationale
regeling anderszins bepaalt. </al>
    <tuskop letat="vet">2.7. Euro</tuskop>
    <al>De bedragen in dit Voorschrift zijn uitgedrukt in guldens en euro’s.
Vorderingen waarvoor bijstand bij de invordering wordt gevraagd aan andere
staten, die de euro als valuta aanvaard hebben, worden vanaf 1999 zowel in
guldens als in euro’s vermeld. Voor de overige staten wordt de vordering
in guldens en in de valuta van de aangezochte staat vermeld.</al>
    <al>Vorderingen van andere staten, die in Nederland ingevorderd moeten worden,
worden in de periode 1999 tot 2002 door de ontvanger in guldens ingevorderd,
onder vermelding van het bedrag aan euro’s voorzover de verzoekende
lidstaat zijn vordering in euro’s heeft uitgedrukt. </al>
    <tuskop letat="vet">2.8. Relatie tussen restrictieve en verdergaande verdragsbepalingen</tuskop>
    <al>Het komt voor dat bijstand kan worden gevraagd aan een bepaalde staat
op grond van verschillende internationale regelingen. Het is dan mogelijk
dat de ene regeling een ruimere wederzijdse bijstand toestaat dan de andere.
In dat geval kan het verzoek worden gebaseerd op de regeling die de ruimste
mogelijkheden biedt. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 3 Instanties en hun taken </tuskop>
    <tuskop letat="vet">3.1. De bevoegde Nederlandse autoriteit/mandaat</tuskop>
    <al>De wederzijdse bijstand gaat uit van contacten tussen bevoegde autoriteiten.
Voor Nederland is dat de Minister van Financiën of de door hem aangewezen
bevoegde autoriteit.</al>
    <al>De Directeur-generaal der Belastingen en de directeur Algemene Fiscale
Zaken (AFZ) zijn aangewezen om namens de Staatssecretaris van Financiën
te handelen als bevoegde autoriteit voor de internationale invordering en
zij zijn bevoegd namens hem besluiten te nemen die zien op de internationale
invordering.</al>
    <al>De Directeur AFZ is belast met de internationale wederzijdse bijstand
namens de Staatssecretaris van Financiën. De werkzaamheden van met name
beleidsmatige aard en bijzondere werkzaamheden van uitvoerende aard op dit
gebied worden uitgevoerd door de afdeling Wederzijdse Bijstand van deze directeur.
De afdeling Wederzijdse Bijstand is tevens belast met de behandeling van verzoeken
aan H.M. de Koningin, de Commissie voor de Verzoekschriften van de Eerste
en Tweede Kamer der Staten Generaal, de Benelux Ombudsman, de Commissie voor
de Verzoekschriften van het Europese Parlement en andere soortgelijke organen,
waarvan klachten op het gebied van de internationale invordering kunnen worden
voorgelegd.</al>
    <al>De Directeur-generaal en de directeur AFZ zijn gemachtigd om met betrekking
tot het nemen van besluiten in het kader van de internationale invordering
(onder)mandaat te verlenen aan daartoe door hen aan te wijzen functionarissen.
De uitvoerende werkzaamheden op het gebied van de internationale invordering
zijn zo veel mogelijk verlegd naar de Belastingdienst. </al>
    <tuskop letat="vet">3.2. Belastingdienst/Centrale aanspreekpunten FIOD en
Douanedistrict Arnhem </tuskop>
    <al>De directe contacten tussen de Nederlandse en buitenlandse belasting-administraties
vinden uit een oogpunt van herkenbaarheid plaats door de directie AFZ en een
beperkt aantal centrale aanspreekpunten, die functioneel onder de directeur
AFZ vallen.</al>
    <al>Voor de eenheden Particulieren, Ondernemingen, Grote Ondernemingen en
Registratie en Successie fungeert de Belastingdienst/ FIOD te Haarlem als
Centraal aanspreekpunt.</al>
    <al>Voor de Douanedistricten is het Centrale aanspreekpunt de Belastingdienst/
Directie Douane te Rotterdam.</al>
    <al>De FIOD en de Directie Douane worden hierna ook wel aangeduid als ’het
Centrale aanspreekpunt’.</al>
    <al>Voor de invordering van premies zijn andere instanties actief (zie hoofdstuk
14). </al>
    <tuskop letat="vet">3.3. FIOD</tuskop>
    <al>Ten aanzien van de wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingen
naar het inkomen, de winst en het vermogen, van belastingen van nalatenschappen
en verkrijgingen krachtens erfrecht en schenkingen, alsmede de omzetbelasting
is het hoofd van de Belastingdienst/FIOD te Haarlem (hierna te noemen FIOD)
bevoegd om namens de Staatssecretaris van Financiën verzoeken om bijstand
bij de invordering te behandelen, die gebaseerd zijn op een internationale
regeling, waarin een bepaling is opgenomen inzake de internationale invordering
van belastingen.</al>
    <al>De FIOD is voor wat betreft de hiervoor genoemde middelen belast met en
het toezicht houden op de juiste en tijdige uitvoering van de wederzijdse
bijstand bij de invordering. De FIOD is in verband daarmede ook bevoegd om
ten behoeve van de Belastingdienst met inachtneming van het bepaalde in dit
voorschrift te handelen overeenkomstig het bepaalde in:</al>
    <al>a) de artikelen 3, 5 en 7, 8, 10 en 11, 12, 15, 17 en 18, 22, 24, 25,
28, en 30 en 34 Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van enkele EEG-heffingen,
de omzetbelasting en de accijnzen (WWB);</al>
    <al>b) artikel 2 van de Goedkeuringswet Benelux Invorderingsverdrag (Wet van
8 juli 1953, Stb. 332) en artikel 3 van de Uitvoeringsbeschikking Benelux
Invorderingsverdrag, Beschikking 10 december 1956 (Ned. Stcrt. van 14 december
1956, nr. 245);</al>
    <al>c) artikel 2 van de Goedkeuringswet Overeenkomst met Denemarken ter vermijding
van dubbele belasting (Wet van 23 oktober 1957, Stb. 438);</al>
    <al>d) artikel 2 van de Goedkeuringswet Verdrag met de Verenigde Staten van
Amerika ter voorkoming van dubbele belasting (Wet van 29 oktober 1948, Stb.
464);</al>
    <al>e) artikel 36 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (Rijkswet van
28 oktober 1964, Stb. 425)</al>
    <al>en gelijksoortige bepalingen die opgenomen zijn in internationale regelingen
met bepalingen inzake de wederzijdse bijstand bij de invordering. Het hoofd
van de FIOD is gemachtigd om met betrekking tot het nemen van besluiten ondermandaat
te verlenen aan daartoe door hem aan te wijzen functionarissen.</al>
    <al>De FIOD fungeert voor verzoeken m.b.t. genoemde middelen voor de wederzijdse
bijstand bij de invordering als centraal aanspreekpunt dat ten behoeve van
de Belastingdienst in individuele gevallen de contacten met andere staten
onderhoudt. Alle verzoeken om wederzijdse bijstand die betrekking hebben op
genoemde middelen moeten derhalve rechtstreeks worden gericht aan:</al>
    <al>Belastingdienst/FIOD/CVI/Internatio-naal</al>
    <al>Postbus 1603</al>
    <al>2003 BR Haarlem</al>
    <al>telefoon 023 546 15 70</al>
    <al>telefax 023 546 18 46. </al>
    <tuskop letat="vet">3.4. Directie Douane en Douanedistrict Arnhem</tuskop>
    <al>Ten aanzien van de wederzijdse bijstand bij de invordering van schuldvorderingen
die verband houden met douanerechten, accijnzen, omzetbelasting, landbouwheffingen
en restituties, interventies en andere maatregelen die deel uit maken van
algehele of gedeeltelijke financiering door het Europese Oriëntatie en
Garantiefonds voor de Landbouw is het hoofd van de Belastingdienst/ Directie
Douane bevoegd verzoeken om administratieve samenwerking te behandelen. De
directeur is in verband daarmede ook bevoegd om namens de Staatssecretaris
van Financiën en ten behoeve van de douane districten met inachtneming
van het bepaald in dit voorschrift te handelen overeenkomstig het bepaalde
in de artikelen 3, 5 en 7, 8, 10 en 11, 12, 15, 17 en 18, 22, 24, 25, 28 en
30 en 34 WWB.</al>
    <al>De Directie Douane fungeert voor verzoeken m.b.t. genoemde middelen voor
de wederzijdse bijstand bij de invordering als Centraal aanspreekpunt dat
ten behoeve van de douanedistricten van de Belastingdienst in individuele
gevallen de contacten met andere staten onderhoudt.</al>
    <al>De Directeur Douane is gemachtigd om met betrekking tot het nemen van
besluiten (onder)mandaat te verlenen aan daartoe door hem aan te wijzen functionarissen.</al>
    <al>De feitelijke werkzaamheden terzake van de internationale invordering
worden in opdracht van de Directie Douane uitgevoerd door het douanedistrict
Arnhem. De douanedistricten richten hun verzoeken om wederzijdse bijstand
bij de invordering aan een andere staat dan ook rechtstreeks aan:</al>
    <al>Belastingdienst/Douanedistrict Arnhem</al>
    <al>Postbus 9046</al>
    <al>6800 GJ Arnhem</al>
    <al>telefoon 026 378 11 00</al>
    <al>telefax 026 378 11 99. </al>
    <tuskop letat="vet">3.5. Autoriteiten bij premie-invordering</tuskop>
    <al>Voor wat betreft de instanties die betrokken zijn bij de invordering van
premies sociale zekerheid wordt verwezen naar hoofdstuk 14. </al>
    <tuskop letat="vet">3.6. Ontvanger/verzoeken aan een andere staat/Modellenboek
Internationale Invordering</tuskop>
    <al>De ontvangers hebben de primaire taak de internationale invordering voor
wat betreft de Nederlandse en de buitenlandse schuldvorderingen op juiste
en voortvarende wijze uit te voeren. De Nederlandse ontvanger is verplicht
om in voorkomende gevallen bijstand bij de invordering aan een andere staat
te vragen. De ontvanger wendt zich daartoe met een concreet verzoek tot de
FIOD, het Douanedistrict Arnhem of een bevoegde instantie m.b.t. de premieinvordering
(zie hoofdstuk 14).</al>
    <al>De eenheden zijn niet bevoegd rechtstreeks verzoeken om bijstand aan een
andere staat te doen.</al>
    <al>De ontvanger maakt daarbij gebruikt van de in het Modellenboek internationale
Invordering opgenomen formulieren. Een verzoek aan een andere staat geschiedt
zowel in de Nederlandse taal als in de taal van de aan te zoeken autoriteit.
Het modellenboek biedt deze mogelijkheid. In bijlage 2 van dit Voorschrift
is een overzicht weergegeven welke modellen in het Modellenboek Internationale
Invordering zijn opgenomen.</al>
    <al>Indien de invordering per omgaande in de andere staat moet plaatsvinden
wordt dit duidelijk en vooraf door de ontvanger aan de FIOD of het Douanedistrict
Arnhem kenbaar gemaakt.</al>
    <al>De FIOD c.q. het Douanedistrict Arnhem toetst het verzoek van de eenheid
aan de voorwaarden van de desbetreffende nationale en internationale regeling
en draagt zorg voor de vertaling van de bijlagen, de verzending naar de andere
staat, de voortgangsbewaking en de resultaatmelding naar de eenheid. Indien
de FIOD of het Douanedistrict Arnhem van mening is dat verzending niet kan
plaatsvinden wordt de eenheid hiervan op de hoogte gesteld onder uiteenzetting
van de redenen. </al>
    <tuskop letat="vet">3.7. Ontvanger/behandeling van verzoeken van een andere
staat/ behandeltermijnen</tuskop>
    <al>Verzoeken om bijstand van een andere staat komen binnen bij de FIOD of
het Douanedistrict Arnhem.</al>
    <al>De eenheden zijn niet bevoegd om rechtstreeks buitenlandse verzoeken om
bijstand in behandeling te nemen.</al>
    <al>De FIOD c.q. het Douanedistrict Arnhem bevestigt de ontvangst van elk
verzoek om wederzijdse bijstand. De verzoeken worden getoetst aan de in de
van toepassing zijnde regeling gestelde voorwaarden; voorzover een verzoek
niet aan de voorwaarden voldoet, wordt de verzoekende autoriteit daarvan op
de hoogte gesteld.</al>
    <al>Na ontvangst van het verzoek uit de andere staat wijst de FIOD c.q. het
douanedistrict Arnhem namens de Staatssecretaris een ontvanger aan om de bijstand
te verlenen onder vermelding van de datum van ontvangst van het verzoek. Bij
de aanwijzing van de ontvanger wordt uitgegaan van de competentie in Beheer
van Relaties.</al>
    <al>De ontvanger is vanaf de aanwijzing door het Centrale aanspreekpunt belast
met de leiding van de invordering en verantwoordelijk voor een juiste en tijdige
behandeling, waarbij hij overeenkomstig de aanwijzingen van het ministerie
en/of de FIOD of het Douanedistrict Arnhem handelt Hij verleent de gevraagde
bijstand binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek.</al>
    <al>Voor een verzoek om inlichtingen, notificatie en het treffen van conservatoire
maatregelen geldt een termijn van een maand. De FIOD c.q. het Douanedistrict
Arnhem wordt van de resultaten op de hoogte gesteld met het verzoek de verzoekende
buitenlandse autoriteit terzake te informeren.</al>
    <al>Voorzover het (tijdig) verlenen van bijstand bij de invordering niet mogelijk
is, wordt de FIOD c.q. het Douanedistrict Arnhem hiervan onder opgaaf van
redenen in kennis gesteld. De ontvanger houdt deze instantie vervolgens regelmatig
op de hoogte omtrent de voortgang van de invordering. </al>
    <tuskop letat="vet">3.8. Overleg met het ministerie </tuskop>
    <al>Verzoeken waarvan de voldoening kan leiden tot aantasting van de openbare
orde of andere wezenlijke belangen van de staat dan wel invloed kan hebben
op het gevoerde beleid worden voorgelegd aan de directie Algemene Fiscale
Zaken, afdeling Wederzijdse Bijstand (AFZ).</al>
    <al>Hiervan is in ieder geval sprake bij strafrechtelijke aspecten en grote
financiële of economische belangen, alsmede indien een aangezochte staat
de door Nederland verzochte bijstand niet, onvolledig of niet tijdig verstrekt.
Ook indien de te verlenen bijstand een commercieel, industrieel of een beroepsgeheim
zou onthullen of indien de bevoegdheden om aan een verzoek te voldoen ontbreken,
alsmede indien een andere staat zijn beklag doet over de handelingen van de
Belastingdienst, wordt overleg met het ministerie gevoerd.</al>
    <al>De ontvanger wendt zich ook tot het ministerie in gevallen van internationale
invordering waarin het vragen van toestemming nodig is dan wel overleg moet
voeren. Dit doet zich voor bij het aanvragen van een faillissement of lijfsdwang
en voor alle in het buitenland te voeren procedures waarin de ontvanger als
eiser wil optreden.</al>
    <al>De ontvanger vraagt ook toestemming indien hij het nodig acht om in het
kader van de internationale invordering tegen in Nederland woonachtige of
gevestigde personen onherroepelijke maatregelen te treffen. Voor het leggen
van beslag is slechts toestemming nodig indien er sprake is van een daadwerkelijke
bedreiging voor het voortbestaan van een bedrijf waaraan in totaal meer dan
50 werknemers zijn verbonden. </al>
    <tuskop letat="vet">3.9. Bestuurlijke en andere informatie</tuskop>
    <al>De FIOD en het Douanedistrict Arnhem dragen zorg voor een goede registratie
van gegevens en doorloopsnelheden van de verzoeken per staat en per belastingeenheid.
Het Centrale aanspreekpunt brengt hierover halfjaarlijks verslag uit aan het
ministerie.</al>
    <al>Vonnissen van binnen- en buitenlandse gerechtelijke instanties, die betrekking
hebben op de internationale invordering worden door het Centrale aanspreekpunt
per omgaande aan de Directie AFZ, afdeling Wederzijdse Bijstand gestuurd. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 4 Inlichtingenuitwisseling </tuskop>
    <tuskop letat="vet">4.1. Inleiding</tuskop>
    <al>De verzameling van relevante gegevens en inlichtingen is van belang om
te komen tot een juiste belastingheffing en tot een optimale invordering van
de schuldvordering. Inlichtingenbepalingen in internationale regelingen verschaffen
een basis voor de uitwisseling van inlichtingen tussen staten. Uitgangspunt
bij het verkrijgen van inlichtingen is dat de Belastingdienst eerst de ter
beschikking staande, nationale regelingen benut om de benodigde inlichtingen
te verkrijgen. Als de inlichtingen niet langs die weg kunnen worden verkregen
dan wel indien er gevreesd wordt dat het beoogde resultaat gevaar loopt doordat
eerst de nationale mogelijkheden benut worden, kunnen aan de buitenlandse
bevoegde autoriteit inlichtingen worden gevraagd. Daarnaast kunnen gegevens
worden verkregen door middel van spontane uitwisseling van inlichtingen (zie
4.5) en automatische inlichtingenuitwisseling tussen de bevoegde autoriteiten
(zie 4.6).</al>
    <al>Inlichtingenuitwisseling ten behoeve van de invordering moet betrekking
hebben op belastingen, premies of andere middelen die onder de werking van
de internationale regeling vallen, zoals Richtlijn 76/308/EEG, het WABB-verdrag
en verdragen, waarin een bijstandsbepaling is opgenomen. </al>
    <tuskop letat="vet">4.2. Inlichtingenuitwisseling op verzoek.</tuskop>
    <al>De onder 4.1 genoemde regelingen scheppen een verplichting voor landen
om elkaars verzoeken te beantwoorden. Bij het op verzoek verstrekken van inlichtingen
gaat het om concrete gevallen waarin specifieke inlichtingen door de bevoegde
autoriteit worden gevraagd.</al>
    <al>Voor wat betreft het verzoeken om inlichtingen door de Nederlandse ontvanger
valt onder meer te denken aan het verifiëren van naam en adres van belastingschuldige
of een aansprakelijkgestelde, diens solventie of objecten waarop verhaal kan
worden uitgeoefend en de controle van verstrekte gegevens in het kader van
een kwijtschedingsverzoek. De ontvanger kan tevens om inlichtingen verzoeken
indien hij tot paspoortsignalering of aansprakelijkstelling overgaat.</al>
    <al>De aangezochte autoriteit stelt zo nodig een onderzoek in om de gestelde
vragen te beantwoorden. </al>
    <tuskop letat="vet">4.3. Verzoek om inlichtingen aan een andere staat </tuskop>
    <tuskop letat="cur">4.3.1. Vereisten voor het doen van een verzoek</tuskop>
    <al>Indien de ontvanger niet via de gebruikelijke mogelijkheden in staat is
inlichtingen te verkrijgen, die van nut kunnen zijn voor de invordering van
een Nederlandse schuldvordering, doet hij een verzoek om inlichtingen aan
een andere staat. De ontvanger kan in elk stadium van de invordering een verzoek
daartoe doen. Inlichtingen kunnen derhalve ook worden gevraagd wanneer een
schuld nog niet onherroepelijk vaststaat. Een verzoek tot het verstrekken
van inlichtingen wordt door tussenkomst van de FIOD, het Douanedistrict Arnhem
of de bevoegde autoriteit op het terrein van de premie-invordering gedaan
(zie 3.7).</al>
    <al>Alvorens een voorstel tot een verzoek te doen gaat de ontvanger na of
dit op grond van internationale afspraken mogelijk is (zie bijlage 1 ). </al>
    <tuskop letat="cur">4.3.2. Minimum bedrag waarvoor inlichtingen gevraagd kunnen
worden</tuskop>
    <al>Tot het inwinnen van inlichtingen in het buitenland wordt niet overgegaan
indien het verschuldigde bedrag aan belasting minder dan f. 500,- (circa 225
euro) bedraagt, tenzij bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat voor een
lager bedrag inlichtingen worden gevraagd. </al>
    <tuskop letat="cur">4.3.3. Doen van een verzoek om inlichtingen</tuskop>
    <al>De ontvanger maakt daarbij gebruik van de in het Modellen-boek Internationale
Invordering opgenomen formulieren. Bij de hoofdstukken 9 tot en met 15 is
per regeling aangegeven welk formulier gebruikt moet worden. Zie voor een
overzicht van de formulieren en de te vermelden gegevens bijlage 2 van dit
Voorschrift.</al>
    <al>De FIOD/ het Douanedistrict Arnhem zorgt voor verzending naar de aan te
zoeken autoriteit en houdt toezicht op de tijdige en juiste beantwoording
door de aangezochte autoriteit. Indien de aangezochte staat niet binnen drie
maanden reageert, stuurt het Centrale aanspreekpunt een rappel. Na ontvangst
van de inlichtingen uit het buitenland worden deze aan de ontvanger doorgezonden
met het verzoek t.z.t. het resultaat te melden. </al>
    <tuskop letat="vet">4.4. Verzoeken om inlichtingen uit een andere staat </tuskop>
    <tuskop letat="cur">4.4.1. Voorwaarden</tuskop>
    <al>Aan een verzoek om inlichtingen wordt door de FIOD of het Douanedistrict
Arnhem geen gevolg gegeven wanneer het verzoek niet vermeldt de naam en het
adres van de persoon waarop de te verstrekken gegevens betrekking hebben,
dan wel geen melding wordt gemaakt van de aard en het bedrag van de schuldvordering
uit hoofde waarvan het verzoek wordt ingediend. Het belang van de verzoekende
staat wordt in beginsel verondersteld. Bij twijfel daarover neemt het Centrale
aanspreekpunt contact op met de verzoekende autoriteit.</al>
    <al>De Nederlandse Belastingdienst mag er daarbij op vertrouwen dat de gewenste
informatie in het verzoekende land niet (volledig) verkrijgbaar is. Verzoeken
om informatie van een andere staat aan Nederland worden behandeld conform
het gestelde onder 3.8 en doorgezonden naar de ontvanger, die met het verzamelen
van de informatie wordt belast.</al>
    <al>De in Nederland wonende belanghebbende wordt niet op de hoogte gesteld
van het kader waarin de gegevens door de verzoekende staat worden gevraagd
(zie ook 4.4.3). De te verstrekken informatie dient binnen de grenzen te blijven
van de door de verzoekende autoriteiten gestelde vragen.</al>
    <al>De ontvanger verstrekt de gevraagde informatie binnen een maand aan het
Centrale aanspreekpunt; zo nodig stelt hij een onderzoek in om de gewenste
informatie te verzamelen onder toepassing van de informatiebepalingen van
de Invorderingswet (art. 58 e.v.) en met inachtneming van het Voorschrift
verzoeken om informatie over derden bij banken.</al>
    <al>Een aantal oudere verdragen beperkt uitdrukkelijk de inlichtingenuitwisseling
tot de gegevens die geordend voorhanden zijn. De ontvanger stelt in dat geval
geen invorderingsonderzoek in. </al>
    <tuskop letat="cur">4.4.2. Verstrekking door het Centrale aanspreekpunt</tuskop>
    <al>De FIOD/ het Douanedistrict Arnhem toetst of de door de ontvanger vermelde
informatie kan worden verstrekt aan de verzoekende autoriteit. De informatie
wordt zo spoedig mogelijk na binnenkomst van het bericht van de ontvanger
aan de andere staat verstrekt. </al>
    <tuskop letat="vet">4.5. Spontane inlichtingenuitwisseling.</tuskop>
    <al>Spontane inlichtingen zijn inlichtingen waarom niet is verzocht, maar
waarvan het vermoeden bestaat dat zij van belang kunnen zijn voor de heffing
en/of de invordering in een andere staat.</al>
    <al>De Belastingdienst verstrekt in voorkomende gevallen uit eigen beweging
inlichtingen aan een andere staat indien het vermoeden bestaat dat de informatie
van nut kan zijn voor de belastingheffing en/of inning in die staat. Ingeval
een belastingschuldige Nederland verlaat zonder zijn schulden te betalen is
het bijvoorbeeld voor de autoriteiten van vestiging van belang op de hoogte
te zijn van het getoonde fiscale gedrag. De buitenlandse autoriteiten kunnen
dan hun beleid daarop afstemmen, waardoor de invorderingsverliezen in het
buitenland beperkt kunnen worden. Ook indien in het verleden een verzoek om
invordering door een andere staat niet geleid heeft tot integrale betaling
en naderhand alsnog blijkt dat er verhaalsobjecten in Nederland aanwezig zijn,
alsmede in het geval dat in Nederland een faillissement wordt uitgesproken
of een sanering van schulden wordt bewerkstelligd waarbij een andere staat
belang heeft, meldt de ontvanger dit uit eigen beweging per omgaande via het
Centrale aanspreekpunt aan de verzoekende staat.</al>
    <al>Indien een verzoek om wederzijdse bijstand loopt, informeert de ontvanger
de buitenlandse autoriteit niet nog eens afzonderlijk over het fiscale gedrag
van betrokkene in Nederland. Het verzoek om bijstand bij de invordering behelst
alsdan reeds spontane informatieverstrekking. </al>
    <tuskop letat="vet">4.6. Automatische inlichtingenuitwisseling</tuskop>
    <al>Bij het automatisch uitwisselen van inlichtingen gaat het om inlichtingen
ten aanzien van gevallen of groepen van gevallen die periodiek met een andere
staat worden uitgewisseld. Regelingen over automatische inlichtingenuitwisseling
zijn met België, Duitsland, Frankrijk en Canada overeengekomen. De teksten
daarvan zijn opgenomen in het Boekwerk Belastingen Algemeen. In de regelingen
met Frankrijk, Belgie en Duitsland worden onder meer teruggaven omzetbelasting,
inclusief de bankrekeningnummers waarop het bedrag gestort is, automatisch
uitgewisseld (vergelijk artikel 2, lid 2, sub e, van de Invorderingswet).
De ontvanger kan van deze gegevens gebruik om verhaalsobjecten in het buitenland
te traceren teneinde een gericht verzoek om bijstand bij de invordering te
doen. </al>
    <tuskop letat="vet">4.7. Geheimhoudingsverplichting/Rechts-bescherming</tuskop>
    <al>De geheimhoudingsbepalingen zoals weergegeven in artikel 67 van de Invorderingswet,
alsmede bepalingen betreffende de geheimhouding die opgenomen zijn in de desbetreffende
internationale regeling zijn onverkort van toepassing. De verkregen informatie
mag niet gebruikt worden voor de inning en/of heffing van (andere) vorderingen,
tenzij de internationale regeling een ruimer gebruik toestaat. Een ruimer
gebruik is toegestaan indien de informatie afkomstig is uit een openbaar register.</al>
    <al>De Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen
(Wet van 24 april 1986, Stb.249) en de daarin opgenomen bekendmakingsprocedure
die moet plaatsvinden bij het verstrekken van informatie aan een andere staat
geldt niet voor de informatieverstrekking ten behoeve van de invordering.
Indien een belanghebbende zich wendt tot de burgerlijke rechter om te voorkomen
dat de inlichtingen aan een andere staat worden verstrekt, wordt contact opgenomen
met het ministerie. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 5 Notificatie </tuskop>
    <tuskop letat="vet">5.1. Notificatie algemeen</tuskop>
    <al>Onder notificatie wordt verstaan het betekenen of uitreiken van dwangbevelen,
(andere) akten en beslissingen met betrekking tot schuldvorderingen. Belastingautoriteiten
van de lidstaten van de Europese Unie staan elkaar met behulp van het instrument
notificatie rechtstreeks bij het betekenen of uitreiken van elkaars akten.</al>
    <al>Notificatie komt in de plaats van de op grond van artikel 4 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering voorgeschreven procedure voor het betekenen
van stukken ten behoeve van in het buitenland verblijvende personen.</al>
    <al>Notificatie biedt de garantie dat het te notificeren stuk ook daadwerkelijk
in het buitenland wordt uitgereikt aan betrokkene. Naast een preventieve werking
gaat van notificatie een ontlastende werking uit voor het openbaar ministerie,
het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ambassades die bij de procedure
ex artikel 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als verbindingsschakels
voor de uitreiking van documenten worden benut.</al>
    <al>Notificatie kan plaatsvinden voor alle stukken die betrekking hebben op
de invordering, zoals een dwangbevel, een aansprakelijkstelling, een beslissing
op een verzoek om kwijtschelding of een beslissing op een verzoek om uitstel
van betaling.</al>
    <al>Notificatie ten behoeve van de invordering is mogelijk voor de omzetbelasting,
accijnzen en douanerechten op basis van Richtlijn 76/308/EEG juncto de WWB
voor de lidstaten van de Europese Unie en voor de directe belastingen op basis
van het aanvullend protocol bij de op 16 juni 1959 te ’s-Gravenhage
tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot stand
gekomen overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied
van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene
andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied. </al>
    <tuskop letat="vet">5.2. Verzoek tot notificatie aan een andere staat</tuskop>
    <tuskop letat="cur">5.2.1. Middelen, landen en object</tuskop>
    <al>Een verzoek tot notificatie kan alleen aan een bevoegde autoriteit van
een andere lidstaat van de Europese Unie voor de omzetbelasting, de accijnzen
en douanerechten e.d. op basis van de Richtlijn en op basis van het protocol
met Duitsland, zoals vermeld in 5.1 (zie ook 1.1. en de hoofdstukken 9 en
13). Een verzoek moet betrekking hebben op een persoon die kennis dient te
dragen van een gerechtelijke of buiten gerechtelijke akte of een beslissing
die hem betreft en die betrekking heeft op een vordering of de invordering
daarvan. </al>
    <tuskop letat="cur">5.2.2. Verhouding artikel 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering</tuskop>
    <al>De ontvanger doet een verzoek tot notificatie indien een in het buitenland
wonende belanghebbende kennis moet dragen van een beslissing</al>
    <al>De ontvanger mag vanwege doelmatigheidsredenen van notificatie af zien
en gebruik te maken van de procedure ex artikel 4 Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering in het geval diverse dwangbevelen aan de Officier van Justitie
ex artikel 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moeten worden
betekend en slechts bij één dwangbevel van de belastingschuldige
de mogelijkheid tot notificatie bestaat, dan wel in het geval dat de invordering
daarmede gebaat is. </al>
    <tuskop letat="cur">5.2.3. Doen van een verzoek</tuskop>
    <al>De ontvanger maakt voor het doen van een verzoek tot notificatie aan een
andere staat gebruik van de in het Modellenboek Internationale Invordering
opgenomen formulier OV303. Ingeval notificatie plaats vindt op basis van het
verdrag met Duitsland (zie hoofdstuk 13) is geen apart formulier voorhanden
Bij het doen van een verzoek aan Duitsland vermeldt de ontvanger op het verzoek
de naam en het adres van de geadresseerde, de aard en het onderwerp van de
te notificeren akte of beslissing en, in voorkomend geval de naam en het adres
van de debiteur, de schuldvordering, alsmede alle andere nuttige inlichtingen.</al>
    <al>Een verzoek tot notificatie wordt in tweevoud aan de FIOD c.q. het Douanedistrict
Arnhem gezonden. De akte of de beslissing, waarvoor notificatie wordt verzocht
wordt in tweevoud bijgevoegd.</al>
    <al>De FIOD/ Douanedistrict Arnhem zorgt zo nodig voor vertaling en voor verzending
naar de aan te zoeken staat; zij houdt tevens toezicht op de tijdige en juiste
beantwoording door de aangezochte autoriteit. Indien de aangezochte staat
niet binnen een maand reageert, stuurt het Centrale aanspreekpunt een rappel.</al>
    <al>Na ontvangst van de genotificeerde akten worden deze aan de ontvanger
doorgezonden. </al>
    <tuskop letat="vet">5.3. Verzoeken van een andere staat</tuskop>
    <al>Aan het verzoek tot notificatie wordt door de FIOD c.q. het Douanedistrict
Arnhem slechts gevolg gegeven indien in het verzoek zijn vermeld de naam en
het adres van de geadresseerde, de aard en het onderwerp van de te betekenen
of uit te reiken akten of beslissingen, in voorkomend geval, de naam en het
adres van de debiteur en de in de akte of beslissing bedoelde schuldvordering.
Het belang van de notificatie wordt verondersteld.</al>
    <al>Indien het Centrale aanspreekpunt een verzoek tot notificatie, van een
andere staat ontvangt, beoordeelt zij of het stuk door haar per aangetekende
post aan betrokkene kan worden verzonden dan wel of uitreiking of betekening
door een deur-waarder dient te geschieden.</al>
    <al>In het laatste geval wordt de te notificeren akte binnen een week naar
de ontvanger gezonden.</al>
    <al>De ontvanger draagt binnen een maand zorg voor het betekenen of uitreiken
van de uit de andere staat toegezonden stukken met inachtneming van de vormen,
die in de wet, c.q. regelgeving zijn voorzien voor de betekening of uitreiking
van soortgelijke stukken die in Nederland zijn opgemaakt en die bestemd zijn
voor personen die zich in Nederland bevinden. Een dwangbevel van een andere
staat wordt derhalve door een belastingdeurwaarder betekend.</al>
    <al>De Kostenwet invordering rijksbelastingen is van toepassing. De berekende
vervolgingskosten komen ten goede aan de Nederlandse Staat. De ontvanger draagt
zorg voor de invordering van de berekende vervolgingskosten.</al>
    <al>De genotificeerde akte wordt per omgaande aangeboden aan het Centrale
aanspreekpunt. Het Centrale aanspreekpunt verzendt de akte binnen een week
na ontvangst aan de verzoekende autoriteit. Daarbij wordt melding gemaakt
van de eventueel verschuldigde kosten. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 6 Invordering in een andere staat </tuskop>
    <tuskop letat="vet">6.1. Algemeen/overzicht landen </tuskop>
    <al>Zodra het de ontvanger duidelijk is dat invordering van een belastingschuld
in Nederland niet of niet geheel mogelijk is, en hij het vermoeden heeft dat
belastingschuldige naar een hieronder vermeld land is vertrokken of daar verhaalsobjecten
kan hebben, gaat hij na of een verzoek om bijstand bij de invordering aan
een andere staat mogelijk is (zie voor het landenoverzicht ook bijlage 1).</al>
    <al>Een verzoek om bijstand wordt gedaan indien de gehele schuld niet in Nederland
kan worden verhaald. Er hoeft niet te worden gewacht tot een daadwerkelijke
invorderingsprocedure in Nederland is gestart of is afgerond. Evenmin staat
een mogelijkheid tot paspoortsignalering, lijfsdwang of aansprakelijkstelling
een verzoek om bijstand in de weg.</al>
    <al>De ontvanger is verplicht een verzoek om bijstand bij de invordering te
doen indien met een staat een afspraak over de bijstand bij de invordering
is gemaakt en indien aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan (zie ook 3.7).</al>
    <al>Het gevolg van het verzoek tot bijstand bij de invordering is tweeledig.
Enerzijds blijft sprake van een Nederlandse belastingschuld waarop de wetgeving
van Nederland van toepassing is. De hoogte van de aanslag, de formele vereisten
(zoals bijvoorbeeld die ten aanzien van de bezwaar en bewaartermijnen van
bescheiden ) en de rechtsmiddelen worden beheerst door de Nederlandse wetgeving
terzake. Anderzijds geldt ten aanzien van de invordering dat de buitenlandse
belastingdienst overeenkomstig de internationale regeling en geldende wetten
van de aangezochte staat overgaat tot de invordering van de schuld.</al>
    <al>Op grond van internationale afspraken is het mogelijk bijstand bij de
invordering te verzoeken aan:</al>
    <al>a) Aruba en de Nederlandse Antillen (hoofdstukken 12 en 14);</al>
    <al>b) de lidstaten van de Europese Unie</al>
    <al>- België (hoofdstukken 9, 11 en 14)</al>
    <al>- Denemarken (hoofdstukken 9, 10, 13 en 14)</al>
    <al>- Duitsland (hoofdstukken 9, 13 en 14)</al>
    <al>- Finland (hoofdstukken 9, 10, 13 en 14)</al>
    <al>- Frankrijk (hoofdstukken 9 en 14)</al>
    <al>- Griekenland (hoofdstukken 9 en 14)</al>
    <al>- Ierland(hoofdstukken 9 en 14)</al>
    <al>- Italië (hoofdstukken 9 en 14)</al>
    <al>- Luxemburg (hoofdstukken 9, 11 en 14)</al>
    <al>- Oostenrijk (hoofdstukken 9 en 14)</al>
    <al>- Portugal (hoofdstukken 9 en 14)</al>
    <al>- Spanje(hoofdstukken 9 en 14)</al>
    <al>- Verenigd Koninkrijk (hoofdstukken 9 en 14) en</al>
    <al>- Zweden(hoofdstukken 9, 10, 13 en 14);</al>
    <al>c) Buiten de Europese Unie</al>
    <al>- Belarus (hoofdstuk 13)</al>
    <al>- Canada (hoofdstuk 13)</al>
    <al>- Chili (hoofdstuk 14)</al>
    <al>- Estland (hoofdstuk 13)</al>
    <al>- IJsland (hoofdstuk 14)</al>
    <al>- Israël (hoofdstuk 14)</al>
    <al>- Japan (hoofdstuk 13)</al>
    <al>- Kaap Verdië (hoofdstuk 14)</al>
    <al>- Kazachstan (hoofdstuk 13)</al>
    <al>- Letland (hoofdstuk 13)</al>
    <al>- Macedonië (hoofdstuk 13)</al>
    <al>- Marokko ( hoofdstuk 14)</al>
    <al>- Nieuw Zeeland (hoofdstuk 15)</al>
    <al>- Noorwegen (hoofdstukken 10, 13 en 14)</al>
    <al>- Oekraïne (hoofdstuk 13)</al>
    <al>- Polen (hoofdstukken 10 en 14)</al>
    <al>- Russische Federatie (hoofdstuk 13)</al>
    <al>- Suriname (hoofdstuk 13)</al>
    <al>- Tunesië hoofdstuk 14)</al>
    <al>- Turkije (hoofdstuk 14)</al>
    <al>- Venezuela (hoofdstuk 13)</al>
    <al>- Verenigde Staten van Amerika (hoofdstukken 10 en 13)</al>
    <al>- Zwitserland (hoofdstuk 14);</al>
    <al>d) overige staten: hoofdstuk 15.</al>
    <al>Voor een landenoverzicht waarbij de middelen zijn vermeld: zie bijlage
1. </al>
    <tuskop letat="vet">6.2. Voorwaarden</tuskop>
    <al>De schuldenaar hoeft niet noodzakelijkerwijs te wonen, te verblijven of
te zijn gevestigd in de staat waaraan het verzoek is gericht. Ook is niet
vereist dat met de staat waarvan de belastingschuldige inwoner is een internationale
regeling is gesloten. Het is voldoende dat in de staat waaraan het verzoek
wordt gericht verhaalsobjecten aanwezig zijn. Voorwaarde is dat met de staat
waaraan het verzoek om bijstand bij de invordering wordt gericht zich aan
een internationale regeling heeft gebonden, waarin een bepaling terzake van
de invordering is opgenomen.</al>
    <al>Indien de belastingschuldige niet de nationaliteit bezit van de verzoekende
staat kan niet in alle gevallen een beroep op een verdrag worden gedaan. In
een beperkt aantal internationale regelingen waarin een invorderingsbepaling
is opgenomen, is bepaald dat de hulp en bijstand niet geldt ten aanzien van
de onderdanen van de staat waaraan het verzoek wordt gericht. </al>
    <tuskop letat="vet">6.3. Minimumbedrag</tuskop>
    <al>Tot het inroepen van bijstand wordt niet overgegaan indien het verschuldigde
bedrag beneden f 500,- ligt, voor wat betreft het Benelux Invorderingsverdrag
(hoofdstuk 11) is tussen de betrokken staten een bedrag van f 1500,- (circa
680 euro) afgesproken en voor de Richtlijn 76/308 (hoofdstuk 9) 1500 euro
(circa f 3300,-).</al>
    <al>Bijzondere, in het verzoek aangegeven, omstandigheden kunnen bijstand
rechtvaardigen voor een lager bedrag. Wanneer tegelijkertijd op grond van
verschillende internationale regelingen een verzoek om bijstand wordt gedaan,
mogen de bedragen van de verzoeken niet bij elkaar worden geteld. </al>
    <tuskop letat="vet">6.4. Doen van een verzoek</tuskop>
    <al>Bijstand bij de invordering wordt door de ontvanger verzocht voor aanslagen
die onherroepelijk vaststaan, geheel invorderbaar zijn en waarvoor een dwangbevel
voor de gehele schuld is uitgevaardigd en betekend. Het mag daarbij ook gaan
om een ambtshalve aanslag, waarvan het vermoeden gerechtvaardigd is dat deze
gedeeltelijk materieel verschuldigd is. Voor de mogelijkheid om conservatoire
maatregelen te treffen wordt verwezen naar hoofdstuk 7.</al>
    <al>De ontvanger maakt voor het doen van een verzoek gebruik van de in het
Modellenboek Internationale Invordering opgenomen formulieren onder bijvoeging
van de noodzakelijke bijlagen en stuurt het verzoek aan de FIOD c.q. het Douanedistrict
Arnhem.</al>
    <al>Voor een overzicht van de formulieren en van de gegevens die in een verzoek
om invordering moeten worden vermeld wordt verwezen naar bijlage 2 en de specifieke
regeling waarvoor bijstand wordt gevraagd (hoofdstukken 9 tot en met 14).</al>
    <al>De FIOD c.q. het Douanedistrict Arnhem gaat na of aan de voorwaarden voldaan
is en wendt zich vervolgens tot de bevoegde autoriteit van de andere staat.
(Zie verder 3.6 en hierna). Het Centrale aanspreekpunt houdt tevens toezicht
op de voortgang en rappelleert zo nodig de aangezochte staat na drie maanden. </al>
    <tuskop letat="vet">6.5. Spoedeisend karakter verzoek</tuskop>
    <al>Indien invordering in de andere staat met spoed dient plaats te vinden,
vermeldt de ontvanger dit expliciet in zijn voorstel en neemt zo nodig van
te voren telefonisch contact op met het Centrale aanspreekpunt. In dat geval
wordt de aangezochte autoriteit door het Centrale aanspreekpunt verzocht de
invordering met spoed ter hand te nemen. </al>
    <tuskop letat="vet">6.6. Indienen bezwaar</tuskop>
    <al>Wordt een bezwaarschrift ingediend nadat een verzoek om bijstand is gedaan,
dan stelt de ontvanger door tussenkomst van de FIOD c.q. het Douanedistrict
Arnhem de aangezochte autoriteit hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte.
De invordering in het buitenland wordt vervolgens aangehouden. De ontvanger
vermeldt daarbij of zekerheidsmaatregelen gewenst zijn (zie hoofdstuk 7).</al>
    <al>De ontvanger bevordert dat het bezwaarschrift zo spoedig mogelijk wordt
afgedaan, zo mogelijk binnen drie maanden. De ontvanger stelt het Centrale
aanspreekpunt op de hoogte van de beslissing op het ingediende bezwaarschrift.
Indien de termijn van drie maanden niet haalbaar is, wordt het Centrale aanspreekpunt
hiervan op de hoogte gesteld en wordt de te verwachten termijn van afdoening
gemeld. </al>
    <tuskop letat="vet">6.7. Wijziging van de schuld</tuskop>
    <al>De ontvanger bericht veranderingen in de openstaande bedragen, verzoeken
om kwijtschelding van de belastingschuldige en andere feiten en omstandigheden
die van belang zijn per omgaande aan het Centrale aanspreekpunt, met vermelding
van de wijze waarop een eventuele schuldvermindering tot stand is gekomen. </al>
    <tuskop letat="vet">6.8. Kwijtschelding</tuskop>
    <al>Bij de beoordeling van verzoeken om kwijtschelding van Nederlandse belastingschuld,
die zijn ingediend door in het buitenland wonende belastingschuldigen, gelden
dezelfde normbedragen als voor belastingschuldigen die in Nederland wonen.
Het is bij vorderingen van een behoorlijke omvang raadzaam om de verstrekte
gegevens door de buitenlandse belastingadministratie te laten verifiëren
(zie hoofdstuk 4).</al>
    <al>Indien de ontvanger een verzoek om bijstand bij de invordering aan een
andere staat heeft gedaan en de desbetreffende belastingschuldige verzoekt
om kwijtschelding, dan mag alleen kwijtschelding worden verleend nadat de
gegevens door de aangezochte autoriteit geverifieerd zijn, tenzij dat naar
het oordeel van de FIOD of het Douanedistrict Arnhem niet noodzakelijk is.
De ontvanger doet alsdan een aanvullend verzoek om informatie. </al>
    <tuskop letat="vet">6.9. Uitstel van betaling</tuskop>
    <al>Indien om bijstand bij de invordering aan het buitenland is verzocht,
wordt een verzoek om uitstel van betaling voor deze vorderingen door de Nederlandse
ontvanger afgewezen. De ontvanger verwijst de verzoeker daarbij naar de aangezochte
buitenlandse autoriteiten.</al>
    <al>In voorkomende gevallen kan de aangezochte autoriteit worden gevraagd
de invordering op te schorten. </al>
    <tuskop letat="vet">6.10. Oninbaar lijden</tuskop>
    <al>De schuld, waarvoor bijstand bij de invordering is verzocht, wordt pas
oninbaar geleden nadat van het Centrale aanspreekpunt bericht is ontvangen
dat de invordering in de andere staat zonder resultaat is gebleven of niet
tot het gehele bedrag heeft kunnen plaatsvinden. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 7 Conservatoire maatregelen in een andere staat </tuskop>
    <tuskop letat="vet">7.1. Algemeen</tuskop>
    <al>Voor verzoeken om conservatoire maatregelen aan een andere staat geldt
in zijn algemeenheid hetzelfde als voor een verzoek om bijstand bij de invordering,
met dat verschil dat de aanslag niet onbetwist of onherroepelijk vast hoeft
te staan en zekerheidsmaatregelen noodzakelijk zijn.</al>
    <al>De ontvanger geeft bij zijn verzoek een uiteenzetting waarom hij de conservatoire
maatregelen noodzakelijk acht. De aangezochte staat zal voor het treffen van
conservatoire maatregelen in de regel toestemming moeten vragen aan de rechter.
Voor een overzicht van de internationale regelingen waarin de mogelijkheid
is opgenomen conservatoire maatregelen te laten treffen in een andere staat
wordt verwezen naar de bijlage en de specifieke regelingen (hoofdstukken 9
tot en met 14). Het gestelde in hoofdstuk 6 is van toepassing, tenzij daarvan
hierna wordt afgeweken. Een verzoek tot het treffen van conservatoire maatregelen
wordt zo snel mogelijk gevolgd door een verzoek tot het treffen van executoriale
maatregelen. </al>
    <tuskop letat="vet">7.2. Het doen van een voorstel</tuskop>
    <al>De ontvanger maakt gebruik van de in het Modellenboek Internationale Invordering
opgenomen formulieren voor het doen van een verzoek. Voor een overzicht van
deze formulieren en de punten die in het verzoek worden vermeld wordt verwezen
naar bijlage 2 en de afzonderlijke regelingen. </al>
    <tuskop letat="vet">7.3. Benaderen buitenlandse autoriteit</tuskop>
    <al>De ontvanger kondigt zijn verzoek zoveel mogelijk telefonisch aan bij
de FIOD c.q. het Douanedistrict Arnhem. Een verzoek tot conservatoire maatregelen
wordt gedaan wanneer voor de betrokken schuldvordering in Nederland een executoriale
titel tot stand is gekomen. Alleen indien de internationale of nationale regeling
deze eis niet stelt en de betekening van de executoriale titel het treffen
van de conservatoire maatregelen in gevaar zou brengen wordt daarvan afgezien.</al>
    <al>Het Centrale aanspreekpunt gaat per omgaande na of aan de voorwaarden
voldaan is en wendt zich vervolgens tot de bevoegde autoriteit van de andere
staat. (Zie verder de hoofdstukken 3 en 6 en de specifieke regelingen). Het
Centrale aanspreekpunt houdt toezicht op de voortgang en rappelleert zo nodig
de aangezochte staat na een maand of zo veel eerder als gewenst is. </al>
    <tuskop letat="vet">7.4. Geen voorstel</tuskop>
    <al>De ontvanger laat een voorstel tot het nemen van conservatoire maatregelen
in het buitenland achterwege indien het verschuldigde bedrag lager is dan
f 5000 (circa 2200 euro), tenzij bijzondere omstandigheden maatregelen voor
een lager bedrag rechtvaardigen. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 8 Invordering schuldvorderingen van andere staten
in Nederland </tuskop>
    <tuskop letat="vet">8.1. Algemeen</tuskop>
    <al>Op grond van internationale afspraken bestaat de mogelijkheid voor bevoegde
autoriteiten uit andere staten de Nederlandse belastingdienst te vragen de
schuld in te vorderen. Het gevolg van het verzoek tot invordering van de buitenlandse
vordering schuld is tweeledig. Enerzijds blijft sprake van een buitenlandse
belastingschuld waarop de wetgeving van de verzoekende staat van toepassing
is. De hoogte van de aanslag, de formele vereisten (zoals bijvoorbeeld die
ten aanzien van de bezwaar- en bewaartermijnen van bescheiden) en de rechtsmiddelen
worden beheerst door de wetgeving van de verzoekende staat terzake. Anderzijds
geldt ten aanzien van de invordering dat de Nederlandse Belastingdienst overeenkomstig
de internationale regeling en in Nederland geldende regelgeving overgaat tot
de invordering van de schuld.</al>
    <al>Verzoeken om schuldvorderingen van andere staten in Nederland in te vorderen
worden gericht aan de bevoegde (Nederlandse) autoriteit en komen binnen bij
de FIOD of het Douanedistrict Arnhem. Aan het verzoek wordt slechts gevolg
gegeven indien het verzoek vermeldt de naam en het adres van de persoon tegen
wie de executoriale titel ten uitvoer moet worden gelegd, de aard van de schuldvordering
en het bedrag van de vordering.</al>
    <al>Aan een verzoek om bijstand bij de invordering wordt niet voldaan wanneer
de schuldvordering of de executoriale titel waarop het verzoek betrekking
heeft wordt betwist c.q. wordt aangevochten in de verzoekende staat. Het verzoek
dient vergezeld te zijn van een (gewaarmerkt afschrift van een) executoriale
titel.</al>
    <al>Indien met inachtneming van de overige voorwaarden in de internationale
en nationale regelgeving het verzoek geaccepteerd kan worden, wordt door het
Centrale aanspreekpunt een ontvanger aangewezen om de bijstand te verlenen.
Het belang van de verzoekende staat wordt in beginsel verondersteld. Bij twijfel
daarover neemt het Centrale aanspreekpunt contact op met de verzoekende autoriteit.</al>
    <al>De Nederlandse Belastingdienst mag er daarbij op vertrouwen dat de invordering
in het verzoekende land niet (volledig) mogelijk is. Verzoeken om invordering
van een andere staat aan Nederland worden behandeld conform het gestelde onder
3.7 en doorgezonden naar de ontvanger, die met de invordering wordt belast.
De te verlenen bijstand dient binnen de grenzen te blijven van de door de
verzoekende autoriteiten aangegeven vorderingen.</al>
    <al>Zo nodig stelt de ontvanger een onderzoek in onder toepassing van de informatiebepalingen
van de Invorderingswet (art. 58 e.v.) en met inachtneming van het Voorschrift
verzoeken om informatie over derden bij banken (Besluit van 1 april 1998,
AFZ98/1228M, Stcrt.1998, 70). </al>
    <tuskop letat="vet">8.2. Geldende voorschriften </tuskop>
    <al>De invordering van een schuldvordering van een andere staat in Nederland
vindt plaats aan de hand van het gestelde in dit Voorschrift. Voorzover in
dit Voorschrift geen specifieke bepalingen zijn opgenomen geldt het volgende:</al>
    <al>a. Belgische en Luxemburgse belastingen worden ingevorderd overeenkomstig
de voorschriften die gelden voor een als soortgelijk aangemerkte Nederlandse
belasting. Hiertoe wordt geraadpleegd de bijlage van de Uitvoeringsbeschikking
Benelux Invorderingsverdrag.</al>
    <al>b. EEG-heffingen genoemd in artikel 1, eerste lid, letter a, van de Wet
wederzijdse bijstand worden langs civiele weg ingevorderd.</al>
    <al>c. Heffingen genoemd in artikel 1, eerste lid, letters b, c, d, en e van
de Wet wederzijdse bijstand worden ingevorderd overeenkomstig het bepaalde
in de Wet wederzijdse bijstand. Bij de invordering van omzetbelasting en accijnzen
is zoveel mogelijk het beleid van toepassing zoals dat geldt voor de overeenkomstige
Nederlandse heffingen, zulks met inachtneming van het bepaalde in de Wet wederzijdse
bijstand.</al>
    <al>d. Voor de overige heffingen geschiedt de invordering zoveel als mogelijk
is overeenkomstig de voorschriften, die gelden ten aanzien van een gelijksoortige
Nederlandse vordering.</al>
    <al>Op grond van de hiervoor bedoelde regelingen wordt hier te lande namens
de Staatssecretaris door de FIOD of het Douanedistrict Arnhem de bevoegde
ontvanger aangewezen voor de invordering van de buitenlandse schuld. Bij aanwijzing
van de ontvanger wordt uitgegaan van de competentie in Beheer van Relaties. </al>
    <tuskop letat="vet">8.3. Betalingsuitnodiging</tuskop>
    <al>Nadat de ontvanger is aangewezen voor de invordering van de buitenlandse
schuld nodigt hij de in Nederland wonende of gevestigde schuldenaar schriftelijk
uit om het verschuldigde bedrag binnen tien dagen te voldoen. De ontvanger
maakt daartoe gebruik van de in het Modellenboek Internationale Invordering
opgenomen standaard betalingsuitnodiging Internationale Invordering (V305-3Z*2PL),
waarin wordt aangegeven wat de rechten en plichten van de schuldenaar zijn.
Aan deze uitnodiging zijn geen kosten verbonden. De be-talingsuitnodiging
kan betrekking</al>
    <al>hebben op verschillende buitenlandse belastingvorderingen.</al>
    <al>Een betalingsuitnodiging wordt niet verstuurd indien zich een situatie
voordoet waarbij versnelde invordering, als bedoeld in artikel 15 van de Invorderingswet
noodzakelijk wordt geacht. Zo’n situatie doet zich bijvoorbeeld voor
indien de schuldenaar in een andere staat woont of gevestigd is dan wel in
Nederland geen vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft en de verzoekende
autoriteit aannemelijk maakt dat gegronde vrees bestaat dat de belastingschuld
niet kan worden verhaald op de in Nederland aanwezige goederen indien belastingschuldige
vooraf in kennis wordt gesteld. </al>
    <tuskop letat="vet">8.4. Het internationale dwangbevel/verrekening na uitvaardiging </tuskop>
    <al>Als de buitenlandse schuldvordering niet binnen de daartoe gestelde termijn
wordt betaald, wordt overgegaan tot vervolging van de schuldenaar in Nederland.
Voordat de ontvanger tot invordering kan overgaan, moet hij de buitenlandse
executoriale titel vervangen door een Nederlandse titel. Daarvoor gebruikt
hij het dwangbevel Internationale Invordering (nr. OV304-3Z*2pl). Bevat het
verzoek meerdere vorderingen dan worden deze afzonderlijk op het dwangbevel
Internationale Invordering vermeld en vervolgens getotaliseerd.</al>
    <al>Na de uitvaardiging van het dwangbevel worden teruggaven niet meer uitbetaald,
maar verrekend met de openstaande schuldvordering. </al>
    <tuskop letat="vet">8.5. Vervolgingskosten</tuskop>
    <al>Voor het verrichten van werkzaamheden door de Nederlandse ontvanger en
de deurwaarder ten behoeve van de invordering van buitenlandse schuldvordering
worden na de uitvaardiging van het dwangbevel vervolgingskosten in rekening
gebracht. Deze kosten vormen een vergoeding voor de werkzaamheden die door
de Nederlandse belastingdienst worden verricht en komen dan ook ten goede
aan de Nederlandse schatkist. De Kostenwet is, met uitzondering van artikel
2, van toepassing op het verrichten van invorderingshandelingen.</al>
    <al>De belastingschuldige kan tegen de in Nederland berekende vervolgingskosten,
niet voortspruitende uit de gerechtelijke tenuitvoerlegging van het dwangbevel,
bezwaar maken op grond van artikel 7 van de Kostenwet. Betrokkene moet binnen
zes weken na de uitvaardiging van het dwangbevel een bezwaarschrift indienen
bij de ontvanger. Het bezwaarschrift is tijdig als het binnen de gestelde
termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van die
termijn door de Belastingdienst is ontvangen.</al>
    <al>Voor het geval dat de in Nederland berekende vervolgingskosten niet verhaalbaar
zijn op de belastingschuldige meldt de ontvanger de hoogte van de niet verhaalbare
kosten aan de instantie door wiens tussenkomst het verzoek om bijstand bij
de invordering is gedaan.</al>
    <al>Het beleid zoals neergelegd in Hoofdstuk XII van de Leidraad Invordering
1990 is zoveel mogelijk van toepassing met dien verstande dat de ontvanger
rekening dient te houden met het door belastingschuldige in het buitenland
getoonde fiscale gedrag en de eventuele mogelijkheid om de vervolgingskosten
in voorkomende gevallen te declareren bij de verzoekende buitenlandse autoriteit.</al>
    <al>Betekeningskosten van het dwangbevel en de kosten van beslaglegging worden
niet in rekening gebracht als de schuldenaar niet in de gelegenheid is geweest
om van die belastingschuld kennis te nemen en deze te voldoen. De schuldenaar
wordt in elk geval geacht wél kennis te hebben genomen van zijn belastingschuld
en in de gelegenheid te zijn geweest deze te voldoen, als na de dag waarop
in de verzoekende staat een executoriale titel aan hem of - in het geval
van een rechtspersoon - aan zijn bestuurder is uitgereikt, twee werkdagen
zijn verstrekken, alsmede in de gevallen waarin een betalingsuitnodiging is
gestuurd. Direct na deze termijn stelt de belastingdeurwaarder de vervolgingskosten
vast bij een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij inmiddels uitstel van
betaling is verleend voor de bedoelde schuldvordering. </al>
    <tuskop letat="vet">8.6. Niet bevoorrecht</tuskop>
    <al>De in Nederland krachtens internationale regelingen in te vorderen buitenlandse
belasting vorderingen en E.E.G.-heffingen genieten geen voorrecht als bedoeld
in artikel 21 van de Invorderingswet, tenzij in de internationale regeling
bepaald is dat de vordering wel bevoorrecht is (zie de hoofdstukken 9 tot
en met 14). </al>
    <tuskop letat="vet">8.7. Verzet</tuskop>
    <al>Indien gedurende de invorderingsprocedure in Nederland de juistheid van
de schuldvordering en/of de geldigheid van de in de staat waar de verzoekende
autoriteit is gevestigd afgegeven executoriale titel, dan wel de rechtmatigheid
van het verzoek om bijstand door een belanghebbende wordt betwist, dient hij
zich te wenden tot de bevoegde instantie van de verzoekende staat. De ontvanger
schorst de tenuitvoerlegging in Nederland alleen indien hij een schriftelijke
en onderbouwde mededeling heeft ontvangen van de verzoekende autoriteit en/of
de belanghebbende dat in de verzoekende staat de vordering wordt betwist of
de executoriale titel wordt aangevochten. Bij schorsing op verzoek van de
belanghebbende wordt de verzoekende autoriteit per omgaande geïnformeerd.
De invordering in Nederland wordt niet geschorst indien het verzet gegrond
is op de stelling dat het aanslagbiljet, de buitenlandse executoriale titel
of de onder 8.3 genoemde be-talingsuitnodiging Internationale invordering
niet is ontvangen door</al>
    <al>de schuldenaar.</al>
    <al>Verzet tegen de geldigheid of de gevolgen van executoriale maatregelen,
voortvloeiende uit de tenuitvoerlegging in Nederland van een titel tot invordering
van buitenlandse schuldvorderingen wordt bij de Nederlandse rechter ingesteld.
De administratieve behandeling van een dergelijk verzet geschiedt op dezelfde
wijze als voor een verzet inzake de invordering van soortgelijke Nederlandse
belasting is voorgeschreven. Het ministerie wordt in kennis gesteld van het
verzet.</al>
    <al>De invordering in Nederland wordt niet geschorst indien het verzet gegrond
is op de stelling dat het aanslagbiljet, de buitenlandse executoriale titel
of de betalingsuitnodiging Internationale Invordering niet is ontvangen door
de schuldenaar </al>
    <tuskop letat="vet">8.8. Betaling, toerekening en interest </tuskop>
    <al>Van de belastingschuldige wordt in de betalingsuitnodiging betaling van
de vordering gevraagd in guldens en in euro’s, zulks naar de koers van
het tijdstip van het verzoek. Indien de debiteur in de valuta van de verzoekende
autoriteit afrekent, dan wordt dit als betaling aanvaard.</al>
    <al>De vervolgingskosten dienen in guldens of in euro’s te worden betaald.</al>
    <al>De toerekening van de betaling vindt in het algemeen plaats overeenkomstig
het bepaalde in artikel 7 van de Invorderingswet. Voor de toerekening van
betalingen die betrekking hebben op vorderingen die op grond van richtlijn
76/308 juncto de Wet wederzijdse bijstand worden ingevorderd, wordt verwezen
naar artikel 21 van deze wet (zie ook hoofdstuk 9).</al>
    <al>Terzake van een verzoek tot invordering van een andere lidstaat geldt
dat de interest berekening geschiedt op grond van de bepalingen zoals die
gelden in de verzoekende staat. Bij toepassing van Richtlijn 76/308 in Nederland
(zie hoofdstuk 9) is voor omzetbelasting of accijnzen overeenkomstig de bepalingen
van Hoofdstuk V van de Invorderingswet interest verschuldigd. Voor de berekening
van de verschuldigde interest wordt als vervaldag aangemerkt de dag waarop
het verzoek tot invordering door het Centrale aanspreekpunt is ontvangen.
De geïnde interest komt ten goede aan de verzoekende lidstaat. </al>
    <tuskop letat="vet">8.9. Overmaken ingevorderde bedragen</tuskop>
    <al>De ten behoeve van een andere staat ingevorderde bedragen worden na elke
betaling van meer dan f 250,- overgemaakt aan de verzoekende staat op het
in het verzoek aangegeven giro- of bankrekeningnummer, ook indien de schuld
daarmee slechts gedeeltelijk is voldaan. Overmaking geschiedt zo veel mogelijk
in dezelfde valuta waarmede de belastingschuldige betaald heeft. Overmakingskosten
zijn voor rekening van de schuldenaar. </al>
    <tuskop letat="vet">8.10. Invordering zonder resultaat</tuskop>
    <al>Indien de hier te lande ingestelde vervolging geen resultaat heeft opgeleverd
of niet tot volledige betaling van de schuld heeft geleid, zendt de ontvanger
de stukken terug aan het Centrale aanspreekpunt onder uiteenzetting van de
omstandigheden waarom niet tot invordering kon worden overgegaan en onder
vermelding van de eventuele niet geïnde vervolgingskosten. Indien naderhand
alsnog blijkt dat er verhaalsobjecten in Nederland aanwezig zijn meldt de
ontvanger dit uit eigen beweging per omgaande via het Centrale aanspreekpunt
aan de verzoekende staat (zie hoofdstuk 4). </al>
    <tuskop letat="vet">8.11. Uitstel van betaling vanwege betwisting van de schuld</tuskop>
    <al>Op verzoek van de schuldenaar kan de ontvanger uitstel van betaling verlenen
in verband met de betwisting van de buitenlandse schuld. Voor het niet betwiste
deel wordt de invordering voortgezet. Het uitstel wordt slechts verleend indien
een afschrift wordt overgelegd van het met redenen omklede bezwaarschrift,
dat aan de buitenlandse autoriteit is gezonden. Het gevoerde uitstelbeleid
is in lijn met het beleid dat wordt gehanteerd voor Nederlandse vorderingen.
De ontvanger eist indien het in Nederland en/of in de verzoekende staat getoonde
fiscale gedrag van de schuldenaar daartoe aanleiding geeft zekerheid of neemt
zekerheid door middel van beslaglegging. De ontvanger stelt door tussenkomst
van de FIOD c.q. het Douanedistrict Arnhem de verzoekende autoriteit op de
hoogte van het verleende uitstel. </al>
    <tuskop letat="vet">8.12. Uitstel van betaling vanwege betalingsmoeilijkheden</tuskop>
    <al>Uitgangspunt is dat het gevoerde uitstelbeleid voor buitenlandse schuldvorderingen
in lijn is met het uitstelbeleid dat wordt gehanteerd voor Nederlandse belastingvorderingen.
Daarbij wordt rekening gehouden met de omstandigheid of een buitenlandse vordering
concurrent is. De ontvanger zal bij de afweging ten aanzien van het verzoek
om uitstel tevens rekening houden met de voorgeschiedenis en het verloop van
de invorderingsprocedure in de verzoekende staat. Zo nodig kan de ontvanger
overleg voeren met de autoriteiten van de verzoekende staat.</al>
    <al>Uitgangspunt voor de looptijd van een betalingsregeling is dat het verschuldigde
bedrag zo snel mogelijk wordt betaald en dat voor nieuwe aanslagen van de
Nederlandse- en de verzoekende belastingdienst geen betalingsachterstand zal
optreden. De ontvanger houdt bij het vaststellen van de termijnen rekening
met verplichtingen aan andere in Nederland wonende of gevestigde schuldeisers.</al>
    <al>Voor het geval dat de internationale regeling voorschrijft dat alvorens
uitstel van betaling wordt verleend overleg met de verzoekende autoriteit
dient plaats te vinden, verleent de ontvanger uitstel van betaling onder de
ontbindende voorwaarde dat de verzoekende autoriteit toestemming verleent.</al>
    <al>De ontvanger licht via het Centrale aanspreekpunt de buitenlandse autoriteit
per omgaande in over het verleende uitstel. Voor zover uit het nadere overleg
met de buitenlandse autoriteit naar voren komt dat (verder) uitstel van betaling
ongewenst is, doet de ontvanger een beroep op de ontbindende voorwaarde en
zet hij de invordering voort. </al>
    <tuskop letat="vet">8.13. Kwijtschelding/niet verder bemoeilijken in Nederland</tuskop>
    <al>De Nederlandse belastingdienst is niet bevoegd kwijtschelding te verlenen
voor schuldvorderingen van andere staten. Indien de belastingschuldige kwijtschelding
wenst van de buitenlandse belastingvordering, interest of vervolgingskosten
dan moet hij zelf een verzoek daartoe doen aan de buitenlandse instantie.
De Nederlandse ontvanger kan hem gedurende de behandeling van het verzoek
desgevraagd uitstel van betaling verlenen voor het bedrag waarvoor hij kwijtschelding
verzoekt dan wel de invordering voor dat bedrag opschorten. Voor het restant
wordt de invordering voortgezet.</al>
    <al>De ontvanger gaat na of er reden is zekerheid te eisen dan wel te verschaffen.
Een verzoek om kwijtschelding van belasting gedaan aan de Belgische autoriteiten
zal overigens geen kans op succes bieden. De Belgische autoriteiten kunnen
wel kwijtschelding verlenen van nalatigheidsinterest en vervolgingskosten.</al>
    <al>Indien de in Nederland wonende belastingschuldige kan aantonen dat de
buitenlandse belastingadministratie geen kwijtschelding verleent, dan kan
hij een verzoek doen om in Nederland niet verder te worden bemoeilijkt voor
de schuld. Het verzoek wordt ingediend bij de ontvanger. De ontvanger stelt
na ontvangst van het verzoek een onderzoek in naar de persoonlijke en financiële
omstandigheden van de belastingschuldige. Indien het de ontvanger op voorhand
duidelijk is dat betrokkene niet in aanmerking komt voor een positieve beslissing
dan wijst hij het verzoek per omgaande af, onder vermelding van de reden.</al>
    <al>Indien de ontvanger van mening is dat een positief oordeel niet uitgesloten
is, voorziet hij het verzoek van belastingschuldige van advies en zendt het
verzoek aan het Centrale aanspreekpunt ter beslissing. Indien het Centrale
aanspreekpunt van mening is dat het verzoek alsnog kan worden afgewezen, wordt
de ontvanger verzocht alsnog een afwijzende beslissing te nemen. </al>
    <tuskop letat="vet">8.14. Beleid niet verder bemoeilijken </tuskop>
    <al>Het gevoerde beleid met betrekking tot het niet verder bemoeilijken voor
buitenlandse vorderingen in Nederland is in lijn met het kwijtscheldingsbeleid,
dat voor Nederlandse belastingschulden gevoerd wordt met inachtneming van
het navolgende.</al>
    <al>In fraudegevallen en in het geval door de schuldenaar vermogensbestanddelen
zijn aangeschaft terwijl hij op de hoogte was of had kunnen zijn van de buitenlandse
vordering wordt het verzoek afgewezen. Indien er andere crediteuren in Nederland
en/of in het buitenland zijn wordt alleen een beslissing tot niet verder bemoeilijken
in Nederland genomen bij een sanering van alle schulden van de schuldenaar
in Nederland en in de verzoekende staat. Bij een concurrente buitenlandse
vordering wordt meegewerkt indien het te ontvangen deel van de belastingschuld
tenminste hetzelfde percentage bedraagt van hetgeen (gemiddeld) aan concurrente
schuldeisers op hun vorderingen zal worden uitgekeerd en vooruitlopend op
een eventuele sanering een be-talingsregeling wordt overeengekomen, die een
substantiële omvang heeft, zowel absoluut als in relatie tot de totale
buitenlandse belastingschuld.</al>
    <al>Een positieve beslissing op het verzoek houdt in dat afgezien wordt van
verdere invordering hier te lande indien aan de gestelde voorwaarden is voldaan.
Het verzoek om bijstand bij de invordering wordt alsdan aan de verzoekende
autoriteit geretourneerd. De verzoekende staat kan buiten Nederland desgewenst
verdere invorderingsmaatregelen treffen.</al>
    <al>De Nederlandse ontvanger kan zelfstandig kwijtschelding verlenen van de
in Nederland op grond van Nederlandse wetten berekende vervolgingskosten en
rente. Voor wat betreft de behandeling van verzoeken om kwijtschelding of
redressering van de in Nederland in rekening gebrachte vervolgingskosten spoort
het beleid met het beleid dat gevoerd wordt voor vervolgingskosten die berekend
worden voor Nederlandse vorderingen, met dien verstande dat de ontvanger rekening
houdt met de eventuele mogelijkheid de kosten te verhalen op de verzoekende
autoriteiten. </al>
    <tuskop letat="vet">8.15. Aansprakelijkheid erfgenamen</tuskop>
    <al>Wanneer invordering plaatsvindt voor een buitenlandse schuld van een overledene,
wordt de dwanginvordering beperkt tot de waarde van de nalatenschap c.q. de
goederen, die de erfgenamen uit de nalatenschap hebben verkregen tenzij het
ministerie toestemming verleent voor verdergaande maatregelen tegen de erfgenamen. </al>
    <tuskop letat="vet">8.16. Verjaring</tuskop>
    <al>De wetgeving van de verzoekende staat bepaalt de duur van de verjaringstermijn.
Het aldaar geldende recht is ook bepalend voor de schorsing en stuiting van
de verjaring. Maatregelen ter stuiting of schorsing in de aangezochte staat
hebben dezelfde werking alsof ze in de verzoekende staat zijn genomen. Indien
een internationale regeling hierover niets vermeldt, dient de verzoekende
staat zelf maatregelen te treffen. </al>
    <tuskop letat="vet">8.17 Vordering</tuskop>
    <al>De ontvanger mag ten behoeve van de invordering gebruik maken van de in
artikel 19 van de Invorderingswet omschreven vordering.</al>
    <al>Voor vorderingen van een schuldenaar die niet in Nederland woont of vast
verblijft wordt geen beslagvrije voet vastgesteld, indien zijn persoonlijke
en financiële omstandigheden onbekend zijn. Indien de schuldenaar onvoldoende
middelen van bestaan heeft dient hij zich te wenden tot de verzoekende autoriteit
dan wel de kantonrechter. Op verzoek van de kantonrechter en/of de buitenlandse
verzoekende autoriteit wordt door de ontvanger een beslagvrije voet toegekend. </al>
    <tuskop letat="vet">8.18 Faillissement</tuskop>
    <al>Verkeert de belastingschuldige in staat van faillissement dan wordt de
buitenlandse vordering door de ontvanger aangemeld bij de curator, waarbij
mededeling wordt gedaan of de vordering enig voorrecht geniet (zie verder
hoofdstuk 15). </al>
    <tuskop letat="vet">8.19 Treffen van conservatoire maatregelen in Nederland</tuskop>
    <al>Een verzoek tot het treffen van conservatoire maatregelen in Nederland
moet door de verzoekende staat met redenen omkleed zijn en ten minste de naam
en het adres van de persoon tegen wie de maatregelen moeten worden getroffen,
de aard van de schuldvordering en het bedrag van de vordering bevatten, alsmede
eventuele overige in de desbetreffende regeling opgesomde gegevens.</al>
    <al>Indien daaraan niet voldaan is wordt het verzoek per omgaande onder vermelding
van de reden geweigerd dan wel wordt de verzoekende autoriteit door het Centrale
aanspreekpunt in de gelegenheid gesteld om het verzoek aan te vullen.</al>
    <al>Bij een verzoek om conservatoire maatregelen in Nederland te treffen stelt
het Centrale aanspreekpunt het verzoek per omgaande in handen aan de ontvanger.
Een afschrift van het verzoek wordt rechtstreeks gezonden aan de rijksadvocaat.
De rijksadvocaat vraagt vervolgens per omgaande namens de ontvanger toestemming
aan de president van de rechtbank om de maatregelen te mogen treffen. De ontvanger
draagt zorg voor het uitvoeren van de maatregelen (zie 3.7). </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 9 Richtlijn 76/308/EEG en verordening 3/84 (omzetbelasting,
accijnzen en douanerechten e.d. / EU-lidstaten) </tuskop>
    <tuskop letat="vet">9.1. Richtlijn 76/308/EEG algemeen</tuskop>
    <al>Richtlijn 76/308/EEG van Raad van Europese Gemeenschappen regelt de internationale
invordering tussen de 15 lidstaten met betrekking tot enkele EEG heffingen,
de omzetbelasting en de accijnzen. De richtlijn van de raad is nader uitgewerkt
in richtlijn 77/794/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Beide
Richtlijnen zijn in de Nederlandse wetgeving verwerkt in de Wet wederzijdse
bijstand bij de invordering van enkele EEG-heffingen, de omzetbelasting en
de accijnzen (WWB). De Beschikking wederzijdse bijstand bij de invordering
van enkele EEG-heffingen de omzetbelasting en de accijnzen geeft een aantal
voorschriften ter uitvoering van de wet.</al>
    <al>De richtlijnen hebben als doel het vaststellen van gemeenschappelijke
regels voor wederzijdse bijstand op het gebied van de invordering om op die
wijze te bereiken dat een schuldvordering die ontstaat in de ene lidstaat
van de Europese Unie ook in iedere andere lidstaat kan worden ingevorderd.
De bepalingen van de richtlijnen vormen geen beperking voor de wederzijdse
bijstand welke sommige lidstaten elkaar op grond van bilaterale of multilaterale
overeenkomsten of regelingen verlenen. Naast het in dit hoofdstuk vermelde
is het gestelde in de vorige hoofdstukken van toepassing. </al>
    <tuskop letat="vet">9.2. Staten waaraan bijstand kan worden gevraagd/middelen</tuskop>
    <al>Op grond van de Richtlijn 76/308/EEG kan bijstand bij de invordering worden
gevraagd aan elke andere lidstaat van de EU (zie 1.1) voor de volgende belastingen
en heffingen:</al>
    <al>- de omzetbelasting (belasting over de toegevoegde waarde);</al>
    <al>- de volgende accijnzen:</al>
    <al>· accijns op tabaksfabricaten;</al>
    <al>· accijns op alcohol en alcoholische dranken;</al>
    <al>· accijns op minerale oliën;</al>
    <al>- restituties, interventies en andere maatregelen die deel uitmaken
van het stelsel van algehele of gedeeltelijke financiering door het Europees
Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, met inbegrip van de in
het kader van deze acties te innen bedragen (terugvordering, landbouwrestituties,
art. 1, lid 1, letter a, WWB);</al>
    <al>- de landbouwheffingen in de zin van artikel 2, sub a, van Besluit
70/243EGKS, EEG, Euratom en van artikel 128, sub a, van de Akte van Toetreding
(landbouwheffingen, artikel 1, lid 1, letter b, WWB);</al>
    <al>- de douanerechten in de zin van artikel 2, sub b, van genoemd besluit
en van artikel 128, sub b, van de Akte van Toetreding;</al>
    <al>- de kosten en interessen, verbonden aan de invordering van de hierboven
genoemde schuldvorderingen.</al>
    <al>Bijstand voor bestuurlijke boeten is niet mogelijk. </al>
    <tuskop letat="vet">9.3. Bepalingen</tuskop>
    <al>Op de uitvoering van het verzoek hebben de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen betrekking die van toepassing zijn in de aangezochte staat en die
van toepassing zijn op de notificatie, het inwinnen van inlichtingen en de
invordering van soortgelijke schuldvorderingen, ontstaan in de aangezochte
lidstaat.</al>
    <al>Ten aanzien van de verjaring geldt dat de rechtsregels van de verzoekende
lidstaat van toepassing zijn. Wanneer volgens die rechtsregels invorderingsmaatregelen
gevolgen zouden hebben voor onderbreking of opschorting van de verjaring,
geldt dat ook voor invorderingsmaatregelen die genomen worden in de aangezochte
lidstaat. </al>
    <tuskop letat="vet">9.4. Vier vormen van wederzijdse bijstand</tuskop>
    <al>Op basis van de richtlijn is het mogelijk de volgende vormen van wederzijdse
bijstand toe te passen:</al>
    <al>- inlichtingenuitwisseling (zie 9.5);</al>
    <al>- de betekening en uitreiking van stukken (notificatie) (zie 9.6);</al>
    <al>- bijstand bij de invordering (zie 9.7);</al>
    <al>- het nemen van conservatoire maatregelen (zie 9.10). </al>
    <tuskop letat="vet">9.5. Inlichtingenuitwisseling</tuskop>
    <al>Voorwaarde voor het doen van een verzoek om inlichtingen aan een andere
lidstaat is dat de gevraagde gegevens zien op de invordering van de onder
9.1 genoemde middelen. Het verzoek kan betrekking hebben op belastingschuldige
zelf of op een aansprakelijkgestelde.</al>
    <al>De Richtlijn voorziet niet in de uitwisseling van gegevens met het oog
op vaststelling van de schuldvordering of de opsporing van een strafbaar feit.</al>
    <al>Voor het doen van een verzoek maakt de ontvanger gebruik van een standaard
formulier (OV 302), opgenomen in het Modellenboek Internationale Invordering
(zie bijlage).</al>
    <al>De ontvanger past bij de uitvoering van een verzoek om inlichtingen dezelfde
procedures toe als gebruikelijk zijn bij het verzamelen van gegevens ten behoeve
van de invordering van een in Nederland ontstane schuldvordering van soortgelijke
aard als die waarop het verzoek om inlichtingen betrekking heeft. Heeft het
verzoek bijvoorbeeld betrekking op omzetbelasting dan kan de ontvanger de
artikelen 58-63 van de Invorderingswet toepassen indien de gevraagde gegevens
niet (volledig) voorhanden zijn (zie verder hoofdstuk 4). </al>
    <tuskop letat="vet">9.6. Notificatie</tuskop>
    <al>Indien een dwangbevel of een andere akte of een beslissing terzake van
de invordering van de in de Richtlijn genoemde middelen in een andere lidstaat
van de EU moet worden betekend of uitgereikt verzoekt de ontvanger om notificatie.
Voor notificatie wordt gebruik gemaakt van een in het modellenboek Internationale
invordering opgenomen formulier (nr. OV 303-3Z*1pl.). Zie verder hoofdstuk
5 en de bijlage. </al>
    <tuskop letat="vet">9.7. Invordering</tuskop>
    <al>Zodra het de ontvanger duidelijk is dat invordering van schuldvorderingen
terzake van omzetbelasting, accijnzen, douanerechten en andere in de Richtlijn
genoemde middelen in Nederland niet tot gevolg heeft dat de schuld volledig
wordt betaald verzoekt hij bijstand bij de invordering aan een andere lidstaat.
Het bepaalde in hoofdstuk 8 is van toepassing met inachtneming van het navolgende.</al>
    <al>Een verzoek om bijstand op basis van de Richtlijn is ook mogelijk indien
de ontvanger niet op de hoogte is van eventuele verhaalsobjecten in de andere
lidstaat. De wederzijdse bijstand is niet beperkt tot schuldvorderingen ten
name van onderdanen van de verzoekende lidstaat. Ook is niet vereist dat de
debiteur of een ander tot betaling van de schuldvordering gehouden persoon
in de aangezochte lidstaat woont of gevestigd is. Voldoende is dat zich op
het grondgebied van de aangezochte lidstaat voor beslag vatbare vermogensbestanddelen
kunnen bevinden. Een verzoek tot invordering mag alleen worden gedaan, indien
ten tijde van het verzoek noch de juistheid van de schuldvordering noch de
geldigheid van de executoriale titel worden betwist. De schuldvordering hoeft
daarbij niet onherroepelijk vast te staan. Wordt de juistheid van de schuldvordering
en/of de geldigheid van de executoriale titel betwist dan is een verzoek tot
het nemen van conservatoire maatregelen mogelijk. </al>
    <tuskop letat="cur">9.7.1. Het doen van een verzoek</tuskop>
    <al>De ontvanger gebruikt voor het doen van een verzoek om bijstand bij de
invordering het in het modellenboek Internationale Invordering opgenomen formulier
(OV301).</al>
    <al>De ontvanger verklaart door de ondertekening van het formulier waarbij
om bijstand bij de invordering wordt verzocht, dat de schuld op het moment
van indiening niet betwist wordt, de in Nederland tot stand gekomen executoriale
titel op dat moment niet wordt aangevochten alsmede dat de invordering in
Nederland niet (volledig) mogelijk is. Het is daarbij niet noodzakelijk dat
de schuld onherroepelijk vaststaat. </al>
    <tuskop letat="cur">9.7.2. Minimumbedrag</tuskop>
    <al>De bijstand bij de invordering strekt zich uit tot de hoofdsom van de
schuldvordering, de vervolgingskosten en de interest. De ontvanger kan om
bijstand vragen ten laste van de belastingschuldige en ieder ander die voor
de voldoening van de schuld aansprakelijk kan worden gesteld. Het minimum-bedrag
waarvoor een verzoek om bijstand bij de invordering kan worden gedaan bedraagt
1.500 euro (circa f 3300,-). Dit bedrag is een verzamelbedrag voor alle in
te vorderen aanslagen, inclusief de interest en de vervolgingskosten. </al>
    <tuskop letat="cur">9.7.3. Verzoek van een andere lidstaat</tuskop>
    <al>Als een verzoek van een andere lidstaat voldoet aan de in de WWB gestelde
eisen dan gaat de ontvanger over tot de invordering van de schuld volgens
de rechtsregels en voorschriften die gelden voor soortgelijke nationale vorderingen
met inachtneming van de WWB.</al>
    <al>Voor wat betreft onverschuldigde be-talingen in het kader, van restituties,
interventies en andere maatregelen die deel uitmaken van het stelsel van financiering
van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw wordt
het bedrag ingevorderd via de civiele route (artikel 6: 203 Burgerlijk Wetboek).
De ontvanger vraagt de rechter toestemming de executoriale titel uit de andere
lidstaat ten uitvoer te mogen leggen.</al>
    <al>Voor de bijstand bij de invordering van omzetbelasting en accijnzen geeft
de WWB in artikel 18 aan welke bepalingen van de Invorderingswet gelden. Vorderingen
van een andere lidstaat genieten geen voorrecht en veel speciale bevoegdheden
die de ontvanger voor de invordering van Nederlandse vorderingen kan toepassen,
zoals bijvoorbeeld het bodemrecht, gelden niet. </al>
    <tuskop letat="cur">9.7.4. Afboeking betalingen/vergoeding kosten</tuskop>
    <al>Betalingen op buitenlandse vorderingen worden in afwijking van artikel
7 van de Invorderingswet, eerst afgeboekt op de schuldvordering en de interest
en pas daarna op de in Nederland op basis van de Kostenwet berekende vervolgingskosten.
In de Richtlijn wordt afgezien van vergoeding van kosten die voortvloeien
uit de wederzijdse bijstand voor het geval de kosten niet verhaalbaar zijn
op de schuldenaar. </al>
    <tuskop letat="cur">9.7.5. Interest berekening</tuskop>
    <al>Terzake van een verzoek tot invordering van een andere lidstaat betreffende
de omzetbelasting of accijnzen is overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk
V van de Invorderingswet interest verschuldigd. Voor de berekening van de
verschuldigde interest wordt als vervaldag aangemerkt de dag waarop het verzoek
tot invordering door het Centrale aanspreekpunt is ontvangen. De geïnde
interest komt ten goede aan de verzoekende lidstaat. </al>
    <tuskop letat="cur">9.7.6. Weigeringsgronden</tuskop>
    <al>Weigert de aangezochte staat aan een verzoek tot invordering te voldoen
dan is die staat verplicht zowel de verzoekende lidstaat als de Europese Commissie
van de beweegredenen op de hoogte te stellen. In verband daarmede wordt een
verzoek van een andere lidstaat pas geweigerd nadat daarvoor toestemming is
verkregen van het ministerie. </al>
    <tuskop letat="vet">9.8. Verzoek aan een andere staat om conservatoire maatregelen
te treffen</tuskop>
    <al>Indien de schuld betwist wordt of de executoriale titel wordt aangevochten
kan de ontvanger geen verzoek om bijstand bij de invordering aan een andere
lidstaat doen. De ontvanger kan in dat geval wel vragen om conservatoire maatregelen
toe te passen in een andere lidstaat.</al>
    <al>Bij een verzoek tot het nemen van conservatoire maatregelen in een andere
lidstaat maakt de ontvanger eveneens gebruik van een standaardformulier (OV301).De
aangezochte staat is niet verplicht over te gaan tot maatregelen om de invordering
te waarborgen indien haar wetgeving daarin niet voorziet (zie verder hoofdstuk
7). </al>
    <tuskop letat="vet">9.9. Verordening (EEG) nr. 3/84</tuskop>
    <al>Verordening 3/84 nader uitgewerkt in Verordening 2364/84, regelde de invordering
van verschuldigde belastingen over goederen die tot 1 januari 1993 uit een
lidstaat van de EU werden verzonden om tijdelijk in een andere lidstaat te
worden gebruikt. De regeling is met name van belang voor de ontvangers van
Douanedistricten. Verordening 3/84 kan via een formulier op een vrij eenvoudige
manier om bijstand bij de invordering worden verzocht. Bijstand wordt altijd
gevraagd door de lidstaat op het grondgebied waarvan een onregelmatigheid
is begaan.</al>
    <al>Met het vervallen van de binnengrenzen van de EU per 1 januari 1993 is
ook de Verordening ingetrokken, met dien verstande dat de Verordening nog
wel geldt voor de zuivering van carnets, die voor 1 januari 1993 zijn uitgegeven.
Voor de behandeling van deze verzoeken wordt verder verwezen naar het besluit
van 31 maart 1992, nr. AFZ92/1938. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 10 WABB-verdrag (Finland, Noorwegen, de Verenigde
Staten van Amerika (met uitzondering van invordering), Zweden, Denemarken,
IJsland en Polen). </tuskop>
    <tuskop letat="vet">10.1. Algemeen</tuskop>
    <al>Het multilaterale Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand
in belastingzaken (hierna ook WABB-verdrag) is op 25 januari 1988 te Straatsburg
tot stand gekomen en door het Koninkrijk op 25 september 1990 ondertekend.
Het verdrag is voor Nederland van toepassing geworden op 1 februari 1997.
Het WABB-verdrag voorziet in wederzijdse bijstand bij de heffing en invordering
van belastingen. In verband met de nauwe samenhang tussen de heffing van belastingen
en premies voor de sociale zekerheid, strekt het verdrag zich ook uit tot
de verplichte premies of bijdragen voortvloeiend uit de sociale zekerheid.</al>
    <al>Het WABB-verdrag omvat:</al>
    <al>- uitwisseling van inlichtingen t.b.v. de heffing en invordering;</al>
    <al>- bijstand bij invordering ( zowel conservatoire als executoriale
maatregelen);</al>
    <al>- bijstand bij de uitreiking van documenten (notificatie).</al>
    <al>De uitwisseling van inlichtingen omvat de uitwisseling op verzoek, de
spontane en de automatische uitwisseling, gelijktijdige boekenonderzoeken
en de deelname aan onderzoeken in een ander land.</al>
    <al>Het WABB-verdrag heeft een ruime werking en strekt zich uit tot alle soorten
van belastingen - met uitzondering van invoerrechten - die in de
landen worden geheven door de centrale overheid of door lagere overheden. </al>
    <tuskop letat="vet">10.2. Voorbehouden</tuskop>
    <al>Het verdrag voorziet in de mogelijkheid dat landen die het verdrag ondertekenen
zich niet, of niet aanstonds verplichten tot alle in het verdrag voorziene
vormen van bijstand. Voorts bestaat de mogelijkheid de reikwijdte wat betreft
de soorten belastingen te beperken. Wel is er een minimale omvang van de wederzijdse
bijstand waartoe de landen verplicht zijn. Zij moeten zich in ieder geval
verplichten tot uitwisseling van inlichtingen die van belang kunnen zijn voor
de heffing en de invordering van belastingen naar inkomen of winst, vermogenswinsten
en vermogen die worden geheven door centrale overheden.</al>
    <al>Uitgangspunt voor de invordering is dat de invordering zoveel mogelijk
in lijn is met de invordering van de eigen vorderingen van de aangezochte
staat, zulks met inachtneming van het bepaalde in het WABB-verdrag en dit
voorschrift. </al>
    <tuskop letat="vet">10.3. Toepassing WABB-verdrag Nederland </tuskop>
    <al>Het verdrag is voor wat betreft Nederland van toepassing op de</al>
    <al>- inkomstenbelasting,</al>
    <al>- loonbelasting,</al>
    <al>- vennootschapsbelasting,</al>
    <al>- dividendbelasting,</al>
    <al>- vermogensbelasting,</al>
    <al>- premies volksverzekeringen en premies arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) en</al>
    <al>- de rechten van successie, overgang en schenking.</al>
    <al>Nederland heeft een voorbehoud gemaakt voor de notificatie en voor de
indirecte belastingen, alsmede voor belastingen die reeds verschuldigd waren
op 1 februari 1997. </al>
    <tuskop letat="vet">10.4. Deelnemende landen/doen van een verzoek</tuskop>
    <al>Door middel van een in het modellenboek Internationale Invordering opgenomen
formulier kan door tussenkomst van de FIOD een verzoek om inlichtingen worden
gedaan, bijstand bij de invordering of om het treffen van conservatoire maatregelen
worden gevraagd aan de volgende staten:</al>
    <al>- Finland,</al>
    <al>- Noorwegen,</al>
    <al>- de Verenigde Staten van Amerika (met uitzondering van de bijstand
bij invordering; inlichtingenuitwisseling ten behoeve van de invordering is
wel mogelijk),</al>
    <al>- Zweden,</al>
    <al>- Denemarken,</al>
    <al>- IJsland en</al>
    <al>- Polen.</al>
    <al>Voorzover bijstand eveneens mogelijk is op basis van een andere regeling
wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van het WABB-verdrag. Zie verder hetgeen
vermeld is in de hoofdstukken 4, 6, 7 en 8. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 11 Het Benelux invorderingsverdrag (België
en Luxemburg) </tuskop>
    <tuskop letat="vet">11.1. Algemeen/vormen van bijstand</tuskop>
    <al>Het ’Verdrag nopens wederkerige bijstand inzake de invordering van
belastingschulden (Trb.1952,137)’, hierna te noemen het Benelux Invorderingsver-drag,
is op 5 september 1952 tussen België, Luxemburg en Nederland gesloten.</al>
    <al>Het verdrag voorziet in de wederzijdse bijstand bij de invordering en
het nemen van conservatoire maatregelen. Het verdrag voorziet niet in het
separaat uitwisselen van inlichtingen en in notificatie. Het verstrekken van
informatie is wel mogelijk in het kader van een verzoek om bijstand bij de
invordering en een verzoek tot het treffen van conservatoire maatregelen.
Het verdrag is slechts op de grondgebieden in Europa van toepassing.</al>
    <al>Het verdrag is goedgekeurd bij Wet van 8 juli 1953, Stb. 332, hierna te
noemen Goedkeuringswet Benelux Invorderingsverdrag. </al>
    <tuskop letat="vet">11.2. Toepassing/middelen</tuskop>
    <al>Het Benelux Invorderingsverdrag is toepasselijk op alle door de staat
geheven belastingen, inclusief de interesten en de vervolgingskosten. Het
is ook toepasselijk op met belastingen in verband staande (bestuurlijke) boeten
van niet-strafrechtelijke aard. Het Invorderingsverdrag heeft ook betrekking
op de invordering van een door de rechter vastgestelde schuld.</al>
    <al>Het verdrag ziet niet op de invordering van premies sociale zekerheid
(zie hoofdstuk 14). </al>
    <tuskop letat="vet">11.3. Invorderingsbijstand</tuskop>
    <al>Voor het doen van een verzoek is voldoende dat zich op het grondgebied
van de aangezochte staat voor beslag vatbare goederen of inkomsten bevinden.
Het is derhalve niet vereist dat belastingschuldige in de andere staat woont
of gevestigd is.</al>
    <al>Indien de schuld het voorwerp uitmaakt van een nog niet onherroepelijk
beslist geschil beperkt de aangezochte staat zich tot het nemen van de nodige
conservatoire maatregelen om de invordering te waarborgen. </al>
    <tuskop letat="vet">11.4. Verzoek aan België of Luxemburg/samenloop met
Richtlijn 76/308</tuskop>
    <al>Voor een verzoek om bijstand bij de invordering of het treffen van conservatoire
maatregelen maakt de ontvanger gebruik van het in het modellenboek opgenomen
formulier (nr. OV300-3Z*1). Betreft het verzoek zowel directe als indirecte
belastingen dan worden daarvoor afzonderlijke formulieren worden opgemaakt,
aangezien verschillende Belgische autoriteiten moeten worden aangezocht.</al>
    <al>Voor België geldt dat een verleend uitstel van betaling in verband
met een betwisting van de aanslag de verjaring niet schorst. Een zelfde uitstel
in Nederland voor een Belgische schuld heeft dat effect dan ook niet. De Nederlandse
ontvanger dient derhalve in voorkomende gevallen een dwangbevel te betekenen
om de verjaring te stuiten (zie verder hoofdstuk 6).</al>
    <al>Met betrekking tot verschuldigde omzetbelasting of accijnzen, waarbij
geen bestuurlijke boete is vastgesteld dan wel waar het minder waarschijnlijk
is dat de invordering in de andere staat volledig kan worden ingevorderd dient
de ontvanger zijn verzoek zoveel mogelijk te baseren op Richtlijn 76/308/EEG
(zie hoofdstuk 9). Bij de toepassing van de Richtlijn worden de kosten die
voortvloeien uit de wederzijdse bijstand namelijk gedragen door de aangezochte
staat, terwijl bij toepassing van het Benelux Invorderings-verdrag de onverhaalbare
vervolgingskosten voor rekening van de verzoekende staat komen. </al>
    <tuskop letat="vet">11.5. Verzoek van België of Luxemburg</tuskop>
    <al>Het algemeen bepaalde in hoofdstuk 8 is van toepassing. De invordering
geschiedt op de wijze als is bepaald voor de invordering van een als soortgelijk
aangemerkte Nederlandse belasting zoals bepaald in de uitvoeringsbeschikking
Benelux Invorderingsverdrag van 10 december 1956, nr. 170. </al>
    <tuskop letat="vet">11.6. Geen voorrecht/wel bijzondere invorderingsmiddelen </tuskop>
    <al>De Belgische of Luxemburgse schuld wordt in Nederland niet als bevoorrechte
schuld als bedoeld in artikel 21 van de Invorderingswet beschouwd. De bijzondere
invorderingsmiddelen, zoals bijvoorbeeld artikel 19 van de Invorderingswet,
worden wel toegepast </al>
    <tuskop letat="vet">11.7. Minimum bedrag</tuskop>
    <al>Het minimum bedrag waarvoor bijstand kan worden gevraagd bedraagt f 1.500,-(circa
680 euro).</al>
    <al>Dit bedrag is een verzamelbedrag voor alle in te vorderen aanslagen, inclusief
de verschuldigde interest, de vervolgingskosten en bestuurlijke boeten. </al>
    <tuskop letat="vet">11.8. Onverhaalbare kosten </tuskop>
    <al>Bij toepassing van het Benelux Invorderingsdverdrag komen de onverhaalbare
vervolgingskosten voor rekening van de verzoekende staat. Vergoeding van niet
verhaalbare kosten wordt alleen gevraagd met betrekking tot kosten, die een
bedrag van f 500,- te boven gaan.</al>
    <al>De ontvanger meldt aan het Centrale aanspreekpunt in voorkomende gevallen
dergelijke kosten en verzoekt daarbij de kosten in rekening te brengen aan
de verzoekende autoriteit. Het Centrale aanspreekpunt ziet er op toe dat de
kosten vergoed worden. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 12 De belastingregeling voor het Koninkrijk
(Aruba en de Nederlandse Antillen) </tuskop>
    <tuskop letat="vet">12.1. Algemeen/vormen van bijstand </tuskop>
    <al>De op 1 januari 1965 in werking getreden Belastingregeling voor het Koninkrijk
(BRK) voorziet in de artikelen 36, 37, 38 en 44 in de bijstand bij de invordering,
het nemen van conservatoire maatregelen en de uitwisseling van inlichtingen.</al>
    <al>De regeling is van toepassing op Nederland, de Nederlandse Antillen en
Aruba.</al>
    <al>De BRK voorziet niet in notificatie.</al>
    <al>Onder verwijzing naar de voorafgaande hoofdstukken is het volgende van
belang. </al>
    <tuskop letat="vet">12.2. Toepassing/middelen</tuskop>
    <al>De wederzijdse bijstandsbepalingen in de BRK gelden voor alle belastingen,
zonder beperking in de soort en voor premies sociale verzekeringswetten (volksverzekeringen
en WAZ).</al>
    <al>De bijstand kan worden gevraagd voor de hoofdsom, de interest, de vervolgingskosten
en de bestuurlijke boeten.</al>
    <al>De schuld waarvoor bijstand bij de invordering wordt gevraagd dient onherroepelijk
vast te staan. Indien de schuld niet onherroepelijk vaststaat beperkt de aangezochte
staat zich tot het treffen van maatregelen om de inning van de schuld te verzekeren.</al>
    <al>Een verzoek om inlichtingen kan in elk stadium van de invordering worden
gedaan. </al>
    <tuskop letat="vet">12.3. Verzoek van Nederland</tuskop>
    <al>De ontvanger maakt voor het doen van een verzoek om bijstand bij de invordering
gebruik van het in het Modellenboek Internationale Invordering opgenomen formulier
(OV306). Voor het doen van een verzoek om inlichtingen maakt de ontvanger
gebruik van het standaard formulier (OV308).</al>
    <al>Het verzoek wordt gedaan door tussenkomst van de FIOD, die zich daarna
wendt tot de bevoegde autoriteit van Aruba dan wel de Nederlandse Antillen.</al>
    <al>Voor het geval de Nederlandse ontvanger het wenselijk acht bij een onderzoek
op het grondgebied van Aruba of de Nederlandse Antillen aanwezig te zijn doet
hij via het Centrale aanspreekpunt een verzoek op grond van de ’Gezamenlijke
regeling aanwezigheid ambtenaren bij onderzoek in een ander land van het Koninkrijk’
(Regeling van 31 maart 1995, nr. AFZ95/1377M, Stcrt.1995, 68). </al>
    <tuskop letat="vet">12.4. Verzoek uit een ander rijksdeel</tuskop>
    <al>Schuldvorderingen waarvoor bijstand bij de invordering is verzocht genieten
geen voorrecht in Nederland als bedoeld in artikel 21 van de Invorderingswet.
De bijzondere invorderingsmaatregelen, zoals bijvoorbeeld artikel 19 van de
Invorderingswet, worden wel toegepast. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 13 Belastingverdragen (diverse staten) </tuskop>
    <tuskop letat="vet">13.1. Algemeen </tuskop>
    <al>In nagenoeg alle verdragen die Nederland heeft gesloten tot het vermijden
van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking
tot belastingen naar het inkomen en in een aantal gevallen naar het vermogen(
hierna belastingverdragen) zijn bepalingen opgenomen inzake de uitwisseling
van inlichtingen ten behoeve van de heffing. De inlichtingen mogen ook worden
gebruikt ten behoeve van de invordering.</al>
    <al>In een toenemend aantal verdragen is een bepaling opgenomen inzake de
bijstand bij de invordering van elkaars belastingvorderingen. De in deze verdragen
opgenomen inlichtingenbepaling ziet zowel op de inlichtingenuitwisseling ten
behoeve van heffing en als op de inlichtingenuitwisseling ten behoeve van
de invordering. Inlichtingenuitwisseling op verzoek en op spontane- en automatische
wijze is daarbij mogelijk.</al>
    <al>Met de volgende staten is een verdrag gesloten waarin een invorderingsbepaling
is opgenomen:</al>
    <al>- Belarus (Verdrag van 26-3-1996, Trb. 1996, 119, en Trb.1997, 255);</al>
    <al>- Canada Wijzigingsprotocol is begin 1999 inwerkinggetreden;</al>
    <al>- Denemarken (Verdrag van 20-2-1957, Trb. 1957, 52, en het Verdrag
van 1-7-1996, Trb. 1996, 210 en 276);</al>
    <al>- Duitsland (Verdrag van 16-7-1959, Trb. 1959, 85). Nieuw verdrag
nog niet inwerkinggetreden;</al>
    <al>- Estland (Verdrag van 14-3-1997, Trb. 1997, 98 en 262);</al>
    <al>- Finland (Verdrag van 13-3-1970, Trb. 1970, 63 en het Verdrag van
28-12- 1995, Trb. 1996, 60 en 216);</al>
    <al>- Japan (Verdrag van 3-3-1970, Trb. 1970, 67);</al>
    <al>- Kazachstan (Verdrag van 24-4-1996, Trb. 1996, 150);</al>
    <al>- Letland (Verdrag van 14-3-1994, Trb. 1994, 83 en 166);</al>
    <al>- Macedonië (Verdrag van 11-9-1998, Trb. 1998, 238 en 1999,
77);</al>
    <al>- Nieuw-Zeeland (Verdrag van 14-3-1994, Trb. 1994, 83 en 166);</al>
    <al>- Noorwegen (Verdrag van 22-9-1966, Trb. 1966, 217 en het Verdrag
van 12-1- 1990, Trb. 1990, 30);</al>
    <al>- Oekraïne (Verdrag van 24-10-1995, Trb. 1995, 285);</al>
    <al>- Russische Federatie (Verdrag van 16-12-1996, Trb. 1997, 30);</al>
    <al>- Suriname (Verdrag van 25-11-1975, Trb. 1975, 134);</al>
    <al>- Venezuela (Verdrag van 29-5-1991, Trb. 1991, 107);</al>
    <al>- Verenigde Staten van Amerika (Verdrag van 29-4-1948, Stb. I 464
en het Verdrag van 18-12-1992, Trb. 1993, 77 en 158);</al>
    <al>- Zweden (Verdrag van 12-3-1968, Trb. 1968, 42 en het Verdrag van
18-6-1991, Trb. 1991, 108 en Trb. 1992, 20).</al>
    <al>De voor de invordering relevante tekst van de verdragen is opgenomen in
het boekwerk Invordering 1990. </al>
    <tuskop letat="vet">13.2. Toepassing/middelen </tuskop>
    <al>De verdragen waarin een inlichtingen en/of invorderingsbepaling is opgenomen
hebben doorgaans betrekking op de inkomsten-, vennootschaps-, dividend-, loon-
en vermogensbelasting. De invorderingsbijstand kan ook worden gevraagd voor
de interest, de bestuurlijke boeten en de vervolgingskosten.</al>
    <al>Verzoeken om inlichtingen kunnen in elk stadium worden gevraagd. Aanslagen
waarvoor bijstand bij de invordering wordt gevraagd dienen onherroepelijk
vast te staan. De verdragen zijn doorgaans van toepassing op personen die
inwoner zijn van één of van beide Staten. Voor de toepassing
van de belastingverdragen wordt onder inwoner -voor zover in dit kader van
belang- verstaan iedere persoon die ingevolge de wetgeving van die Staat,
aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf,
plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid.</al>
    <al>Met Zweden is ook wederzijdse bijstand bij de invordering terzake van
rechten m.b.t. nalatenschappen mogelijk (zie 13.10).</al>
    <al>De wederzijdse bijstand ziet niet op de invordering van premies. Daarvoor
wordt verwezen naar hoofdstuk 14. </al>
    <tuskop letat="vet">13.3. Het doen van een verzoek aan een andere staat </tuskop>
    <al>Voor het doen van een verzoek maakt de ontvanger zoveel mogelijk gebruik
van de in het Modellenboek Invordering opgenomen formulieren (OV 306 en OV
308). Verzending vindt plaats door tussenkomst van de Centrale aanspreekpunten.
Zie verder de hoofdstukken 4, 6 en 7. </al>
    <tuskop letat="vet">13.4. Verzoeken van een andere staat </tuskop>
    <al>Vorderingen, waarvoor een verzoek om wederzijdse bijstand door een andere
staat is gedaan worden in Nederland zo veel mogelijk ingevorderd overeenkomstig
de wetten die van toepassing zijn voor de invordering van gelijksoortige Nederlandse
belastingen. De vorderingen genieten in de regel geen voorrecht als bedoeld
in artikel 21 van de Invorderingswet. Bijzondere invorderingsmaatregelen worden,
zoals bijvoorbeeld artikel 19 van de Invorderingswet, worden wel toegepast
(zie verder hoofdstuk 8).</al>
    <al>Hierna worden bijzonderheden gemeld over de bilaterale verdragen. </al>
    <tuskop letat="vet">13.5. Belarus, Estland, Kazachstan, Macedonië, Oekraïne,
Russische Federatie en Venezuela </tuskop>
    <al>De met Belarus, Kazachstan, Macedonië, Oekraïne, Russische Federatie
en Venezuela gesloten Verdragen zijn recentelijk in werking getreden. De Verdragen
met Belarus en Venezuela zijn van toepassing voor belastingjaren en- tijdvakken
die aanvangen op of na 1 januari 1998. Voor het Verdrag met Kazachstan geldt
als datum 1 januari 1996, voor het Verdrag met Estland en de Russische Federatie
1 januari 1999, voor het Verdrag met Macedonië 1 januari 2000 en het
Verdrag met de Oekraïne is van toepassing voor jaren en tijdvakken die
aanvangen op of na 1 januari 1997. Voor deze en de meeste andere recent afgesloten
verdragen geldt dat inlichtingenuitwisseling mogelijk is, evenals bijstand
bij de invordering en het treffen van conservatoire maatregelen. De laatstgenoemde
mogelijkheid bestaat echter niet bij het Verdrag met de Russische Federatie. </al>
    <tuskop letat="vet">13.6. Denemarken, Finland, Noorwegen </tuskop>
    <al>In het verdrag met Denemarken van 1957 en het Verdrag met Finland van
1970 is bepaald dat wederzijdse bijstand bij de invordering niet verleend
wordt ten aanzien van onderdanen of lichamen van de aangezochte staat. In
de nieuwe verdragen met beide staten is deze bepaling vervallen. Voor Denemarken
geldt dat het nieuwe Verdrag van toepassing is voor belastingjaren en- tijdvakken
die aanvangen op of na 1 januari 1999. Het nieuwe Verdrag met Finland vindt
toepassing voor belastingtijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 1998.</al>
    <al>De bepalingen van het Verdrag met Noorwegen van 1990 vinden toepassing
met betrekking tot belastingen voor belastingjaren en -tijdvakken, die aanvangen
op of na 1 januari 1991. Voor de voor voor 1991 liggende belastingjaren en
tijdvakken geldt het Verdrag van 1966.</al>
    <al>Voor Denemarken, Finland en Noorwegen geldt dat voor bijstand voor verschuldigde
belastingen en premies, die na 1 februari 1997 zijn vastgesteld, ook een beroep
kan worden gedaan op het WABB-verdrag (zie hoofdstuk 10). </al>
    <tuskop letat="vet">13.7. Duitsland en Japan</tuskop>
    <al>De invorderingsbepaling opgenomen in het aanvullend protocol bij de overeenkomst
met Duitsland ziet uitsluitend op grensarbeiders. In het protocol is tevens
de mogelijkheid opgenomen tot notificatie (zie hoofdstuk 5). Zie voor het
nieuwe Invorderingsverdrag met Duitsland 15.1.</al>
    <al>De in het verdrag met Japan opgenomen invorderingsbepaling is uiterst
beperkt; toepassing vindt slechts plaats indien de bevoegde autoriteiten het
erover eens zijn dat een vrijstelling of vermindering van belasting die door
het andere land op grond van het verdrag wordt verleend, ten onrechte was
verleend. De ontvanger neemt de overige in de verdragen opgenomen beperkingen
in acht. </al>
    <tuskop letat="vet">13.8. Letland</tuskop>
    <al>Het op 14 maart 1994 tussen Nederland en Letland gesloten verdrag tot
het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting
met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen voorziet
onder meer in het uitwisselen van inlichtingen ten behoeve van de heffing
en de invordering (artikel 28) en in de bijstand bij invordering voor de inkomsten-,
loon-, vennooschaps-, dividend-, en vermogensbelasting (artikel 29).</al>
    <al>Ingevolge de inwerkingtredingsbepaling in het verdrag vinden de bepalingen
in Nederland en Letland toepassing m.b.t. tot aan de bron geheven belastingen
op inkomsten verkregen op of na 1 januari 1996 en met betrekking tot de andere
belastingen voor belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari
1996. </al>
    <tuskop letat="vet">13.9. Suriname</tuskop>
    <al>Voor het Verdrag met Suriname van 1975 geldt dat het ziet op inlichtingenuitwisseling
en bijstand bij de invordering voor de inkomsten-, loon-, vennootschaps-,
dividend-, en vermogensbelasting. Het treffen van conservatoire maatregelen
is niet mogelijk. </al>
    <tuskop letat="vet">13.10. Zweden </tuskop>
    <tuskop letat="cur">13.10.1 Algemeen</tuskop>
    <al>De overeenkomst tussen Nederland en Zweden tot het vermijden van dubbele
belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot
belastingen naar het inkomen en naar het vermogen van 18 juni 1991 vindt voor
de Nederlandse belastingen toepassing op de inkomstenbelasting, de loonbelasting,
de vennootschapsbelasting, de dividendbelasting, de vermogensbelasting met
betrekking belastingjaren en -tijdvakken, die aanvangen op of na 1 januari
1993.</al>
    <al>Zweden en Nederland bieden elkaar hulp en bijstand bij de invordering
van de belastingen die het onderwerp van de overeenkomst uitmaken, met inbegrip
van de daarop betrekking hebbende bestuurlijke boeten, betalingen wegens termijnoverschrijdingen,
rente, en kosten. In tegenstelling tot de oude overeenkomst geldt een verzoek
om bijstand ook ten aanzien van onderdanen of lichamen van de aangezochte
staat. In het algemeen geldt dat de belastingaanslag terzake waarvan om bijstand
bij de invordering wordt gevraagd, onherroepelijk moet vaststaan. Indien de
aanslag is opgelegd uit hoofde van binnenlandse belastingplicht is het echter
voldoende dat op het moment waarop het verzoek om bijstand bij de invordering
wordt gedaan de aanslag niet wordt betwist. Bij betwisting van de vordering
is het mogelijk om conservatoire maatregelen te treffen ten einde de invordering
te waarborgen.</al>
    <al>Na een daartoe strekkend verzoek zal de aangezochte staat de belasting
innen overeenkomstig de wetten die van toepassing zijn voor de invordering
en inning van zijn eigen belasting, met dien verstande dat de vorderingen
geen wettelijke voorrang genieten. De regeling terzake van gijzeling is zodanig
geredigeerd dat geen van beide staten lijfsdwang kunnen toepassen ter invordering
van belastingen van de andere staat.</al>
    <al>Voor de vóór 1 januari 1993 liggende belastingjaren en -tijdvakken
blijft de Overeenkomst van 1968 van toepassing.</al>
    <al>Voor bijstand voor verschuldigde belastingen en premies sociale zekerheid
, die na 1 februari 1997 zijn vastgesteld, kan ook een beroep kan worden gedaan
op het WABB-verdrag (zie hoofdstuk 10). </al>
    <tuskop letat="cur">13.10.2. Rechten terzake van nalatenschappen</tuskop>
    <al>Voor wat betreft de inlichtingenuitwisseling en de wederzijdse bijstand
bij de invordering van successierecht en het recht van overgang en het (Zweedse)
nalatenschapsrecht bij overlijden is het Verdrag tussen Nederland en Zweden
tot het vermijden van dubbele belasting en het vaststellen van regelen voor
wederzijdse administratieve hulp met betrekking tot rechten terzake van nalatenschappen
van 25 april 1952 van toepassing. Het verdrag heeft betrekking op rechten
terzake van overlijden, van toepassing op de nalatenschap van overledenen,
die bij hun overlijden Zweedse onderdanen waren, of wel Nederlanders of Nederlandse
onderdanen, die in Nederland hun woonplaats hadden. De bijstand bij de invordering
wordt alleen verleend ten aanzien van onderdanen, inwoners van of lichamen
van de verzoekende staat. </al>
    <tuskop letat="vet">13.11. De Verenigde Staten van Amerika</tuskop>
    <tuskop letat="cur">13.11.1. Algemeen</tuskop>
    <al>De op 18 december 1992 tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika
gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen
van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen
en het Memorandum van overeenstemming (Trb. 1993, 77 en 158) is op 31 december
1993 in werking getreden. De Overeenkomst dient ter vervanging van het bestaande
uit 1948 daterende verdrag.</al>
    <al>De in 1992 met de Verenigde Staten van Amerika (V.S.) gesloten overeenkomst
is van toepassing op personen die inwoner zijn van één of van
beide staten. Onder inwoner wordt - voor zover in dit kader van belang -
verstaan iedere persoon die ingevolge de wetgeving van die staat, aldaar aan
belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van
leiding, plaats van oprichting of enige andere soortgelijke omstandigheid,
alsmede bepaalde, in de overeenkomst nader aangeduide in een van de staten
gevestigde en aldaar van belastingheffing vrijgestelde, pensioenfondsen of
andere van belastingheffing vrijgestelde organisaties.</al>
    <al>De bestaande Nederlandse belastingen waarop de overeenkomst van toepassing
is, zijn: de inkomstenbelasting, de loonbelasting, de vennootschapsbelasting,
waaronder het zogenoemde winstaandeel en de dividendbelasting.</al>
    <al>De nieuwe overeenkomst is derhalve niet van toepassing op de Nederlandse
vermogensbelasting, zulks in tegenstelling tot het verdrag van 1948.</al>
    <al>De bepalingen van de nieuwe overeenkomst vinden alleen toepassing met
betrekking tot belastingen voor belastingjaren en -tijdvakken, die aanvangen
op of na 1 januari 1994. Voor 1994 geldt nog het Verdrag van 1948 indien het
voor de belastingplichtige voordeliger is en hij er om heeft gevraagd. </al>
    <tuskop letat="cur">13.11.2. Invorderingsbijstand</tuskop>
    <al>De V.S. en Nederland verlenen elkaar hulp en bijstand bij de invordering
van belastingen en de daarop betrekking hebbende bestuurlijke boeten, interest
en kosten. Een verzoek om bijstand kan niet worden gedaan ten aanzien van
onderdanen, lichamen of andere entiteiten van de aangezochte staat tenzij
door de beide bevoegde autoriteiten in het kader van een overlegprocedure
expliciet is vastgesteld dat de vrijstelling die of het verlaagde tarief van
de belasting dat op grond van de Overeenkomst is toegekend, genoten is door
personen, lichamen of andere entiteiten, die niet daartoe gerechtigd zijn.
In aanvulling op artikel 31 bevat artikel XXX van het Memorandum van overeenstemming
een aantal procedureregels inzake de bijstand bij de invordering.</al>
    <al>De belastingaanslag terzake waarvan om bijstand bij de invordering wordt
gevraagd, moet onherroepelijk vaststaan. Onherroepelijk vaststaan betekent
in dit kader dat de verzoekende staat op grond van zijn eigen wetgeving het
recht heeft de belasting in te vorderen en de rechtsmiddelen van belastingschuldige
om de invordering tegen te houden vervallen dan wel uitgeput zijn.</al>
    <al>Na een daartoe strekkend verzoek van de verzoekende autoriteit zal de
aangezochte autoriteit de belasting (laten) innen overeenkomstig de wetten
die van toepassing zijn voor de invordering en inning van zijn eigen belasting. </al>
    <tuskop letat="cur">13.11.3. Inlichtingenuitwisseling ten behoeve van de invordering</tuskop>
    <al>Op grond van artikel 30 van de overeenkomst is het mogelijk om inlichtingen
uit te wisselen ten behoeve van de invordering. Krachtens de overeenkomst
mag tevens informatie worden uitgewisseld over niet-inwoners van beide staten.
De verkregen informatie mag alleen gebruikt worden voor de inning en heffing
van de belastingen waarop de overeenkomst van toepassing is. Dus niet voor
de inning of heffing van andere belastingen of premies. De informatie kan
op verzoek dan wel spontaan worden verstrekt. </al>
    <tuskop letat="cur">13.11.4. Het Verdrag van 1948</tuskop>
    <al>Voor de vóór 1 januari 1994 liggende belastingjaren en-
tijdvakken blijft het Verdrag van 29 april 1948 van toepassing. Op basis van
dit Verdrag is het - naast de middelen, die onder 13.8 genoemd zijn -
ook mogelijk om een verzoek om bijstand te doen voor Nederlandse vermogensbelasting.
Indien de belastingschuldige een beroep heeft gedaan op toepassing van de
zogenoemde overgangsregeling van artikel 38, tweede lid, dan zal ook gedurende
het gehele kalenderjaar 1994 te zijnen aanzien de invorderingsbepaling uit
het Verdrag van 1948 toepassing vinden. </al>
    <tuskop letat="cur">13.11.5. Overeenkomst met betrekking tot rechten terzake
van nalatenschappen</tuskop>
    <al>Voor wat betreft de inlichtingenuitwisseling ten behoeve van de invordering
van successierecht en het recht van overgang- en de (Amerikaanse) Federal
estate tax blijft de Overeenkomst tussen Nederland en de Verenigde Staten
van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het
ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en
verkrijgingen krachtens erfrecht van 15 juli 1969 (Trb.1969, 221 en Trb.1971,
33), van toepassing. </al>
    <tuskop letat="vet">13.12. Canada</tuskop>
    <al>Het laatste wijzigingsprotocol bij het Nederlands-Canadese belastingverdrag
heeft wijzigingen aangebracht in de Overeenkomst tussen beide landen tot het
vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting
met betrekking tot belastingen naar het inkomen, gesloten op 27 met 1986 en
gewijzigd in 1993. De belangrijkste wijziging betreft de opneming in de Overeenkomst
van bepalingen betreffende de bijstand bij de invordering van belastingschulden.
Het protocol vormt daarmee een instrument voor de bestrijding van grensoverschrijdende
fraude in de vorm van het ontgaan van belastingbetaling.</al>
    <al>Bijstand bij de invordering van een belastingschuld tussen Nederland en
Canada is ingevolge het protocol mogelijk als de belastingvordering definitief
is vastgesteld. In eerste aanleg is de bijstand bij de invordering van belastingschulden
beperkt tot de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is. Er is
evenwel in de mogelijkheid voorzien om de bijstand in een later stadium uit
te breiden naar belastingen en heffingen. De bepalingen zullen van toepassing
zullen zijn op belastingschulden die op het moment van inwerkingtreding van
het protocol niet ouder zijn dan 10 jaar. Daarmee kunnen derhalve ook belastingvorderingen
op personen die reeds een aantal jaren geleden met achterlating van belastingschulden
uit Nederland zijn geëmigreerd, alsnog worden ingevorderd mits die vorderingen
nog niet verjaard zijn. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 14 Internationale invordering van premies </tuskop>
    <tuskop letat="vet">14.1. Algemeen</tuskop>
    <al>Voor de invordering van premies volksverzekeringen, premies Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering
Zelfstandigen (WAZ) en premies werknemersverzekeringen bestaan afzonderlijke
internationale regelingen waarin bepalingen zijn opgenomen betreffende de
grensoverschrijdende premie-invordering. Ook zijn andere autoriteiten belast
met de wederzijdse bijstand bij de premie-invordering. Dat betekent dat voor
de aanslagen waarbij de loon- of inkomstenbelasting met de premieheffing gecombineerd
zijn, de ontvanger tot splitsing van de aanslag moet overgaan en afzonderlijke
verzoeken om bijstand moet doen voor de verschuldigde belasting en voor de
verschuldigde premie.</al>
    <al>Ten aanzien van de internationale invordering van sociale verzekeringspremies
zijn de voorafgaande hoofdstukken zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing
met inachtneming van het hierna bepaalde. </al>
    <tuskop letat="vet">14.2. Verplichting tot het doen van een verzoek </tuskop>
    <al>Zodra het de ontvanger duidelijk is dat de invordering in Nederland niet
tot gevolg heeft dat de premieschuld (volledig) wordt betaald, doet hij een
verzoek om bijstand aan de hierna genoemde staten, indien de ontvanger vermoedt
dat premieschuldige daar woont of verhaalsobjecten heeft.</al>
    <al>Nederland kan bijstand voor de invordering van premies vragen aan de volgende
staten:</al>
    <al>- EU-lidstaten (zie 1.1, 14.3 en 14.7)</al>
    <al>- Nederlandse Antillen en Aruba (zie 14.5)</al>
    <al>- Chili (zie 14.6)</al>
    <al>- IJsland (zie 14.4)</al>
    <al>- Israël (zie 14.8)</al>
    <al>- Kaap Verdië (zie 14.8)</al>
    <al>- Marokko (zie 14.8)</al>
    <al>- Noorwegen (zie 14.4)</al>
    <al>- Polen (zie 14.4)</al>
    <al>- Tunesië (zie 14.8)</al>
    <al>- Turkije (zie 14.8)</al>
    <al>- Zwitserland (zie 14.7 en 14.8). </al>
    <tuskop letat="vet">14.3. EU-lidstaten Verordening 1408/71 en bilaterale verdragen </tuskop>
    <al>De wederzijdse hulp en bijstand bij de invordering van premies volksverzekeringen,
WAZ en premies werknemersverzekeringen tussen de lidstaten van de Europese
Unie is geregeld in artikel 92 van Verordening 1408/71 en artikel 116 van
de toepassingsverordening 574/72. De in de staten rechtstreeks van toepassing
zijnde werking van artikel 92 van de Verordening 1408/71 maakt het mogelijk
bijstand bij de invor-dering van Nederlandse premies te vragen aan elke lidstaat
van de Europese Unie.</al>
    <al>De aangezochte lidstaat kan zijn eigen wetgeving toepassen bij de executie
van buitenlandse premieaanslagen. Inning van de verschuldigde premie in de
aangezochte lidstaat kan plaatsvinden op dezelfde wijze als de inning van
de eigen premies van die staat; dezelfde waarborgen en voorrechten zijn van
toepassing op de inning van buitenlandse premies.</al>
    <al>Nederland heeft met de hierna vermelde vier EU-lidstaten overeenkomsten
gesloten die in het bijzonder betrekking hebben op de premie invordering.
Deze overeenkomsten regelen de onderlinge hulp en bijstand en de expliciete
toepassing van de gerechtelijke procedures en dwangmiddelen op wederzijdse
premievorderingen.</al>
    <al>Indien de ontvanger een verzoek om bijstand bij de invordering aan deze
landen doet, baseert hij zijn verzoek zowel op artikel 92 van de Verordening
als op de desbetreffende bilaterale overeenkomst. </al>
    <tuskop letat="cur">14.3.1. Overeenkomst met België en Duitsland</tuskop>
    <al>In de relatie met België is van toepassing: de Overeenkomst tussen
Nederland en België inzake de invordering van sociale verzekeringspremies
van 21 maart 1968 (Trb. 1968, 31 en 125), met bijbehorende administratieve
schikking ter uitvoering van de overeenkomst van 25 november 1970 (Trb. 1971,
9, alsmede het tweede Administratief accoord van 18 november 1977 (Trb.1978,
21).</al>
    <al>In de relatie met Duitsland is van toepassing: de Overeenkomst inzake
de invordering van sociale verzekeringspremies van 21 januari 1969, (Trb.1969,
8 en Trb. 1970, 111) en het Akkoord ter vaststelling van een minimumbedrag
voor de invordering van premies voor de sociale zekerheid van 11 oktober 1979,
(Trb.1980, 46).</al>
    <al>De overeenkomsten met België en Duitsland inzake de invordering van
sociale verzekeringspremies zijn destijds (mede) gebaseerd op en aangegaan
ter uitvoering van de Verordening nr. 3 van de Raad van de Europese Economische
Gemeenschap inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers. Verordening
nr. 3 is inmiddels vervallen. Daarvoor is in de plaats getreden de Verordening
(EEG) nr.1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971.
In Verordening (EEG) nr. 574/72 (de toepassingsverordening van Verordening
1408/71) is in artikel 116, tweede lid, bepaald dat overeenkomsten ter uitvoering
van artikel 51 van Verordening nr. 3 van toepassing blijven. Op deze wijze
zijn de met België en de Duitsland gesloten overeenkomsten ook mede gebaseerd
op Verordening 1408/71. </al>
    <tuskop letat="cur">14.3.2. Overeenkomst met Luxemburg</tuskop>
    <al>De overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom
Luxemburg inzake de invordering van sociale verzekeringspremies (Trb. 1979,
14) vloeit voort uit artikel 92 (tweede lid) van de Verordening (EEG) 1408/71.</al>
    <al>In de overeenkomst is uitdrukkelijk bepaald dat de administratieve bijstand
omvat het verstrekken van alle daarvoor in aanmerking komende inlichtingen
omtrent de omstandigheden van de schuldenaar, alsmede de invordering en het
nemen van executiemaatregelen en conservatoire maatregelen. </al>
    <tuskop letat="cur">14.3.3. Overeenkomst met Oostenrijk</tuskop>
    <al>De op 7 maart 1974 tussen Nederland en Oostenrijk gesloten Overeenkomst
inzake sociale zekerheid (Trb. 1974, 77 en 213; Trb. 1980, 191), biedt in
artikel 38 de mogelijkheid bijstand te vragen bij de invordering van premies
op het terrein van de sociale verzekeringen. Het artikel bevat een regeling
voor de wederzijdse erkenning van premiebeslissingen op het gebied van de
sociale zekerheid. </al>
    <tuskop letat="cur">14.3.4. Finland, Zweden en Denemarken</tuskop>
    <al>Voor deze staten, die toegetreden zijn tot het WABB-Verdrag geldt dat
voor een verzoek om bijstand van premies primair een beroep wordt gedaan op
het WABB-verdrag (zie hoofdstuk 10) en subsidiair op artikel 92 van de Verordening. </al>
    <tuskop letat="vet">14.4. EER en WABB-Verdrag</tuskop>
    <al>In verband met de inwerkingtreding van de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte (Trb. 1992, 132 en Trb. 1993, 69) per 1 januari
1994 is toepassing van Verordening (EEG) 1408/71 uitgebreid tot Noorwegen
en IJsland. Ook bij deze staten kan derhalve een beroep worden gedaan op artikel
92 van de Verordening. Voor deze staten en de andere staten, die toegetreden
zijn tot het WABB-Verdrag (Finland, Noorwegen, Zweden, Denemarken, IJsland,
en Polen) geldt dat voor de invordering van premies primair een beroep wordt
gedaan op het WABB-verdrag (zie hoofdstuk 10). </al>
    <tuskop letat="vet">14.5. Nederlandse Antillen en Aruba</tuskop>
    <al>Op basis van artikel 44 juncto artikel 36 van de Belastingregeling voor
het Koninkrijk kan de ontvanger Nederlandse sociale verzekeringspremies premies
op Aruba en de Nederlandse Antillen laten invorderen.</al>
    <al>Een verzoek om bijstand voor verschuldigde premie mag gecombineerd worden
met een verzoek om bijstand bij de invordering van belasting en aan de FIOD
worden aangeboden (zie ook hoofdstuk 12). </al>
    <tuskop letat="vet">14.6. Chili</tuskop>
    <al>Krachtens het bepaalde in artikel 27 van het Verdrag van 10 januari 1996
(Trb.1996, 61) tussen Nederland en Chili inzake sociale zekerheid is het mogelijk
bijstand bij de invordering van premies te verzoeken aan Chili. Beide staten
erkennen elkaars beslis-singen inzake de premie-inning, mits hiertegen geen
hoger beroep wordt ingesteld, ongeacht hun nationaliteit, die onderworpen
zijn of geweest zijn aan de wetgeving van Nederland. </al>
    <tuskop letat="vet">14.7. Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden</tuskop>
    <al>Artikel 84, tweede en derde lid, van het Verdrag betreffende de sociale
zekerheid van Rijnvarenden (Trb.1981, 43) bevat een nagenoeg gelijkluidende
regeling als artikel 92 van de Verordening 1408/71. Het verdrag is van toepassing
op Rijnvarenden en geldt in Duitsland, Luxemburg, Frankrijk, en België
en Zwitserland. </al>
    <tuskop letat="vet">14.8. Overige overeenkomsten </tuskop>
    <al>De overige sociale zekerheidsverdragen bevatten slechts algemeen geformuleerde
bepalingen die de autoriteiten en organen van de overeenkomstsluitende partijen
verplichten elkaar wederzijds hulp en bijstand te verlenen, soms onder de
toevoeging als betrof het eigen wetgeving. Deze hulp is in de regel beperkt
tot het verlenen van administratieve hulp. In het algemeen worden dergelijke
bepalingen ten minste zodanig toegepast dat verzoeken om premie-invordering
in de betreffende staat door de plaatselijke autoriteiten worden overgebracht
aan de belanghebbende, met de dringende aansporing het gevorderde bedrag te
betalen. De autoriteiten of organen in het aangezochte land kunnen andere
maatregelen treffen, met dien verstande dat op basis van dergelijke verdragsbepalingen
in beginsel geen gerechtelijke procedures ten behoeve van de invordering van
de Nederlandse premies volksverzekeringen en WAZ worden gestart of dwangmiddelen
worden toegepast.</al>
    <al>Het betreft hier met name de verdragen met:</al>
    <al>- Israël, artikel 25 eerste lid, (Trb.1984, 65),</al>
    <al>- Kaap Verdië, artikel 32 (Trb. 1982, 20),</al>
    <al>- Marokko artikel 29, eerste lid (Trb. 1972, 34),</al>
    <al>- Tunesië, artikel 40 (Trb. 1979, 18, en Trb.1993, 97),</al>
    <al>- Turkije, artikel 36, eerste lid (Trb. 1966,155; Trb.1980,164) en</al>
    <al>- Zwitserland, artikel 17, eerste lid (Trb. 1970, 200).</al>
    <al>Voor Marokko, Turkije en Tunesië geldt dat speciale vertegenwoordigers
van Nederland toezien op en behulpzaam kunnen zijn bij de invordering van
de premies. </al>
    <tuskop letat="vet">14.9. Minimumbedrag</tuskop>
    <al>Tot het inroepen van bijstand wordt in de regel niet overgegaan indien
de verschuldigde premie minder bedraagt dan 250 euro (circa f 500,-).
Dit bedrag is een verzamelbedrag voor alle in te vorderen aanslagen, inclusief
de bestuurlijke boete, de rente en de vervolgingskosten.</al>
    <al>Wanneer tegelijkertijd een verzoek om bijstand voor belasting wordt gedaan
mogen de bedragen van beide verzoeken niet bij elkaar worden geteld. </al>
    <tuskop letat="vet">14.10. Vormen van bijstand</tuskop>
    <al>De bijstand bij premie-invordering ziet met name op de bijstand bij de
invordering en op het treffen van conservatoire maatregelen.</al>
    <al>De overeenkomsten met België en Luxemburg inzake de invordering van
premies worden door de verdragstaten zodanig geïnterpreteerd dat de overeenkomsten
ook voorzien in het separaat verzoeken om inlichtingen. Indien de ontvanger
een verzoek om inlichtingen wil doen wendt hij zich met een verzoek tot de
onder 14.12 genoemde instantie. </al>
    <tuskop letat="vet">14.11. Voorwaarden verzoek om bijstand </tuskop>
    <al>Een voorstel tot het vragen van bijstand bij de invordering van premie
wordt gedaan nadat de aanslag onherroepelijk vaststaat, geheel invorderbaar
is en een dwangbevel voor de gehele schuld is uitgevaardigd en betekend. Daarnaast
dient het de ontvanger duidelijk te zijn dat invordering in Nederland niet
(volledig) mogelijk is. Het mag daarbij ook om een ambtshalve aanslag gaan
waarvan het vermoeden gerechtvaardigd is dat deze geheel of gedeeltelijk materieel
verschuldigd is. Voorstellen inzake belasting worden afzonderlijk gedaan. </al>
    <tuskop letat="vet">14.12. Bevoegde autoriteiten/ verzoeken om premie-invordering </tuskop>
    <al>Het doen van een verzoek om bijstand bij de premie-invordering geschiedt
door tussenkomst van de bevoegde autoriteiten op het terrein van de premie-invordering.
De ontvanger doet met behulp van het in het Modellenboek Internationale Invordering
opgenomen formulier een verzoek tot bijstand bij de invordering via de hierna
genoemde bevoegde Nederlandse autoriteit dan wel door tussenkomst van de hieronder
genoemde in Nederland gevestigde instanties.</al>
    <al>De ontvanger richt zijn verzoek om bijstand bij de invordering van premies
sociale zekerheid rechtstreeks aan de volgende instanties.</al>
    <al>a. Voor wat betreft België en Luxemburg aan:</al>
    <al>Stichting Bureau voor Belgische Zaken</al>
    <al>Markendaalseweg 35</al>
    <al>4811 KA Breda</al>
    <al>telefoon 076 530 53 05.</al>
    <al>b. Voor wat betreft Duitsland aan:</al>
    <al>Stichting Bureau voor Duitse Zaken</al>
    <al>Postbus 10505</al>
    <al>6500 MB Nijmegen</al>
    <al>telefoon 024 36 02 444.</al>
    <al>c. Voor wat betreft de overige staten aan:</al>
    <al>het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Directie Sociale
Verzekeringen,</al>
    <al>Postbus 90801,</al>
    <al>2509 LV Den Haag</al>
    <al>telefoon 070 333.4444.</al>
    <al>Indien de invordering per omgaande in de andere staat moet plaatsvinden
wordt dit door de ontvanger duidelijk kenbaar gemaakt. </al>
    <tuskop letat="vet">14.13. Doen van een verzoek </tuskop>
    <al>De ontvanger maakt voor het doen van een verzoek gebruik van de in het
Modellenboek Internationale Invordering opgenomen formulieren OV306 (verzoek
om bijstand bij de invordering) en OV 308 (verzoek om inlichtingen). Voor
het doen van een verzoek om bijstand bij de invordering van premieheffing
aan Duitsland wordt gebruik gemaakt van de formulieren OV 309 (D13 en D13a). </al>
    <tuskop letat="vet">14.14. Conservatoire maatregelen</tuskop>
    <al>Indien een schuld niet onherroepelijk vaststaat en/of de geldigheid van
de executoriale titel betwist wordt, kunnen - indien bijzondere omstandigheden
dit rechtvaardigen - in België, Duitsland en Luxemburg conservatoire
maatregelen worden gevraagd. Het verzoek gaat vergezeld van een verklaring
van de inspecteur waaruit blijkt dat de schuld geheel of voor een substantieel
deel materieel verschuldigd is. Daarnaast geeft de ontvanger aan op grond
waarvan conservatoire maatregelen noodzakelijk zijn. </al>
    <tuskop letat="vet">14.15. Kostenvergoeding</tuskop>
    <al>De wederzijdse bijstand wordt in beginsel kosteloos verleend. In de overeenkomst
met België daarentegen is bepaald dat de onverhaalbare vervolgingskosten
door de verzoekende staat worden vergoed. </al>
    <tuskop letat="vet">14.16. Voortgangs- en kwaliteitscontrole</tuskop>
    <al>De ontvanger bewaakt de voortgang en de kwaliteit. Hij controleert en
rappelleert zo nodig de buitenlandse instantie.</al>
    <al>Voor het geval dat de ontvanger ontevreden is over de wijze van behandeling
of afhandeling van zijn verzoek voert hij overleg met het ministerie. </al>
    <tuskop letat="vet">14.17. Schuldig nalatig</tuskop>
    <al>Pas nadat van het ministerie bericht is ontvangen dat de invordering in
het buitenland geheel of gedeeltelijk zonder resultaat is gebleven of zal
blijven, gaat de ontvanger over tot het doen van een voorstel tot schuldig
nalatig verklaren aan de Sociale Verzekeringsbank. </al>
    <tuskop letat="vet">Invordering premies van andere staten in nederland </tuskop>
    <tuskop letat="vet">14.18. Aangezochte Nederlandse orgaan</tuskop>
    <al>Verzoeken om bijstand bij de invordering van premies sociale zekerheid
van andere staten worden doorgaans in behandeling genomen door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen vertegenwoordigd door de uitvoeringsinstelling
GAK Nederland B.V.</al>
    <al>afdeling Incasso</al>
    <al>Postbus 8300</al>
    <al>1005 CA Amsterdam</al>
    <al>telefoon 020 687 91 11</al>
    <al>(hierna GAK). </al>
    <tuskop letat="vet">14.19. Werkwijze GAK </tuskop>
    <al>Voor wat betreft de invordering van buitenlandse premieschulden vaardigt
het GAK zo nodig een dwangbevel uit. Het GAK maakt daarbij gebruik van eigen
formulieren.</al>
    <al>Het GAK gaat in de regel pas over tot de uitvaardiging van een dwangbevel
nadat het de hier te lande wonende, verblijvende of gevestigde premieschuldige
tevergeefs schriftelijk tot betaling heeft uitgenodigd. </al>
    <tuskop letat="vet">14.20. Inschakelen Belastingdienst </tuskop>
    <al>Het GAK zendt het door haar uitgevaardigde dwangbevel met een begeleidende
brief aan de ontvanger voor de invordering van de buitenlandse schuld. Bij
aanwijzing wordt uitgegaan van de competentie in Beheer van Relaties. De ontvanger
bevestigt de ontvangst van het dwangbevel aan het GAK en neemt de relevante
gegevens per omgaande op in zijn geautomatiseerde administratie. </al>
    <tuskop letat="vet">14.21. Taak Belastingdienst bij premie-invordering t.b.v.
een andere staat</tuskop>
    <al>De ontvanger neemt deel aan het verlenen van bijstand door de betekening
van het dwangbevel en de overige te treffen invorderingshandelingen.</al>
    <al>De dwangbevelen worden zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een
maand na ontvangst door de Belastingdienst door de belastingdeurwaarder betekend
onder berekening van vervolgingskosten. De ontvanger neemt daarbij de bepalingen
van de Invorderingswet in acht, tenzij in de internationale regeling anders
is bepaald.</al>
    <al>Aan de betekening van het dwangbevel gaat geen afzonderlijke uitnodiging
tot betaling van de ontvanger vooraf. Zo nodig treft de ontvanger verdere
invorderingsmaatregelen. Het GAK wordt binnen drie maanden na ontvangst van
het uitgevaardigde dwangbevel op de hoogte gesteld van het invorderingsproces. </al>
    <tuskop letat="vet">14.22. Toepasselijke voorschriften </tuskop>
    <al>Met betrekking tot premies, die hier te lande worden ingevorderd, zijn
bij de tenuitvoerlegging van de executoriale titel de bepalingen van de internationale
regeling van toepassing, de Invorderingswet, alsmede de bepalingen in dit
voorschrift. Aanwijzingen van het GAK en van de verzoekende autoriteiten worden
zo veel mogelijk opgevolgd. </al>
    <tuskop letat="vet">14.23. Voorrecht/lijfsdwang</tuskop>
    <al>In artikel 92, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 is geregeld
dat de schuldvordering van de verzoekende staat dezelfde waarborgen en voorrechten
genieten als de schuldvorderingen van de aangezochte staat.</al>
    <al>In artikel 13, tweede lid, van de overeenkomsten met België en de
Duitsland is bepaald dat bij de invordering van premies dezelfde waarborgen
en voorrechten gelden als ten aanzien van premies, verschuldigd aan de aangezochte
staat. De overeenkomst met Luxemburg bevat geen bepaling omtrent de voorrang,
daar geldt het voorrecht op basis van de Verordening.</al>
    <al>Artikel 38, vierde lid, van de overeenkomst met Oostenrijk bepaalt dat
bij de invordering van premies dezelfde voorrechten gelden als overeenkomstige
verordeningen van de aangezochte staat. De overeenkomst met Oostenrijk bevat
geen bepaling omtrent lijfsdwang. </al>
    <tuskop letat="vet">14.24 Vervolgingskosten </tuskop>
    <al>De door de Belastingdienst in rekening gebrachte vervolgingskosten komen
ten goede aan de staat, zulks ter (gedeeltelijke) delging van de kosten die
de Belastingdienst maakt. Vergoeding van niet verhaalbare kosten wordt, indien
de internationale regeling het toelaat, gevraagd met betrekking tot kosten,
die een bedrag van 100 euro ( circa f. 200,-) te boven gaan. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 15 Overige internationale invordering en faillissementen </tuskop>
    <tuskop letat="vet">15.1. Verdragsonderhandeling met diverse staten: nieuwe
verdragen vaak van toepassing op reeds bestaande schulden (Duitsland/Nieuw
Zeeland etc)</tuskop>
    <al>Met diverse staten worden momenteel verdragsonderhandelingen gevoerd die
moeten resulteren in afspraken over de internationale invordering. Deze verdragen
zijn pas van toepassing nadat ratificatie in beide landen heeft plaatsgevonden.</al>
    <al>Zo is bijvoorbeeld met Duitsland en met Nieuw-Zeeland op ambtelijk niveau
overeenstemming bereikt over een Invorderingsverdrag. Ook deze verdragen zullen
naar verwachting van toepassing zijn op schulden die op het moment van inwerkingtreding
al bestaan. Met diverse andere staten zijn eveneens afspraken over de invorderingsbijstand
gemaakt of in voorbereiding.</al>
    <al>Zodra de verdragen van toepassing zijn, doet de ontvanger verzoeken om
bijstand bij de invordering. voor de schulden waarvoor bijstand gevraagd kan
worden. </al>
    <tuskop letat="vet">15.2. Civiele invordering in het buitenland</tuskop>
    <al>Indien (nog) geen verzoek om wederzijdse bijstand bij de invordering kan
worden gedaan zendt de ontvanger in ieder geval de in het Modellenboek Internationale
Invordering opgenomen laatste herinneringsbrief (nr. OV 307). Daarna hoeft
een schuld niet zonder meer oninbaar te worden geleden indien er verhaalsobjecten
in het buitenland aanwezig zijn. Er bestaat in een enkel geval de mogelijkheid
om buiten de regelingen die zien op de wederzijdse bijstand tussen belasting-
en premieautoriteiten tot invordering in het buitenland over te gaan en/of
conservatoire maatregelen te treffen. Daarvoor is in de regel de tussenkomst
van de binnenlandse en/of buitenlandse civiele rechter vereist.</al>
    <al>Voor het starten van de invordering of het treffen van conservatoire maatregelen
in het buitenland buiten de regelingen inzake de wederzijdse bijstand om,
is toestemming vereist van het ministerie.</al>
    <al>Het door het ministerie gevoerde beleid is er op gericht om slechts in
bijzondere gevallen door middel van een procedure te trachten de Nederlandse
belastingschuld met behulp van de rechter in te vorderen. Voor dergelijke
gevallen geldt dat een substantieel deel van de schuld materieel verschuldigd
kan worden geacht en van voldoende omvang is, dat de schuld vermoedelijk verhaalbaar
is in het buitenland, alsmede dat een verzoek om wederzijdse bijstand niet
mogelijk is. </al>
    <tuskop letat="vet">15.3. In het buitenland aanwezige goederen van de failliet</tuskop>
    <al>Voor België, Aruba en de Nederlandse Antillen geldt dat een door
de rechter in Nederland uitgesproken faillissementsvonnis ook in die staten
ten uitvoer kan worden gelegd. De ontvanger hoeft alsdan geen verzoek om bijstand
bij de invordering te doen, maar meldt de schuld op de gebruikelijke wijze
bij de curator aan.</al>
    <al>Indien de ontvanger vermoedt dat er in andere staten vermogensbestanddelen
van de failliet aanwezig zijn, meldt hij de schuld aan bij de Nederlandse
curator.</al>
    <al>Daarnaast verzoekt hij via het Centrale aanspreekpunt bijstand bij de
invordering van de belastingschuld aan de bevoegde buitenlandse autoriteit.
De ontvanger maakt daarvan melding bij de curator en de aangezochte autoriteit. </al>
    <tuskop letat="vet">15.4. In het buitenland uitgesproken faillissement</tuskop>
    <al>Indien de ontvanger kennis neemt van een in het buitenland uitgesproken
faillissement doet hij - indien er in Nederland geen beschikbare vermogensbestanddelen
aanwezig zijn - per omgaande door tussenkomst van het Centrale aanspreekpunt
een verzoek om bijstand bij de invordering, met het verzoek aan de buitenlandse
autoriteit om zijn belangen te behartigen. In het verzoek wordt zo mogelijk
de naam en het adres van de curator vermeld. Indien er geen internationale
regeling is op grond waarvan een verzoek om bijstand bij de invordering mogelijk
is, meldt de ontvanger de vordering rechtstreeks bij de curator aan. </al>
    <tuskop letat="vet">15.5. Buitenlandse vorderingen</tuskop>
    <al>Voor het aanvragen van een faillissement ten behoeve van de invordering
van buitenlandse schulden door de ontvanger is toestemming van het ministerie
nodig (zie 3.8).</al>
    <al>Indien er sprake is van een faillissement meldt de ontvanger de buitenlandse
schuld mede namens de buitenlandse administratie aan.</al>
    <al>De ontvanger ziet er op toe dat met de belangen van de buitenlandse administratie
zoveel mogelijk rekening wordt gehouden. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 16 Inwerkingtreding en slotbepalingen </tuskop>
    <tuskop letat="vet">16.1. Inwerkingtreding/Citeertitel</tuskop>
    <al>Dit voorschrift treedt terstond na publicatie in de Staatscourant in werking.</al>
    <al>Het voorschrift, kan worden aangehaald als Voorschrift Internationale
Invordering 1999. </al>
    <tuskop letat="vet">16.2. Vervallen voorschriften</tuskop>
    <al>Bij het inwerkingtreding van dit Voorschrift vervalt:</al>
    <al>1) de Instructie Invordering Buitenland van 22 augustus 1962, nr. B1/6595;</al>
    <al>2) de Instructie Invordering Koninkrijk van 9 maart 1965, nr. B5/355;</al>
    <al>3) de regeling van 2 maart 1993, nr. AFZ93/862 (Internationale invordering/Uitbreiding
Richtlijn 76/308/EEG m.b.t. wederzijdse bijstand binnen de EG en vereenvoudiging
procedure);</al>
    <al>4) de beschikking van 23 oktober 1991, nr. AFZ91/7130 (Internationale
invordering/Overeenkomst met Noorwegen);</al>
    <al>5) het besluit van 14 februari 1994, nr. AFZ94/490M (Internationale invordering/invorderen
in en voor de Verenigde Staten van Amerika);</al>
    <al>6) de beschikking van 14 januari 1993, nr. AFZ92/9100 (Internationale
invordering/Invorderen in en voor Zweden);</al>
    <al>7) de beschikking van 29 januari 1992, nr. AFZ92/476, nr. AFZ92/476 (Internationale
Invordering);</al>
    <al>8) het besluit van 30-3-1995, nr. AFZ95/799M (Internationale Inlichtingenuitwisseling
en Internationale Invordering/toetreding van Finland, Oostenrijk en Zweden
tot de EU);</al>
    <al>9) het besluit van 28 december 1993, nr. AFZ93/10925M (Internationale
Invordering/Verlegging van uitvoerende werkzaamheden naar de Belastingdienst
per 1-1-1994). </al>
    <tuskop letat="vet">16.3. Citeertitel</tuskop>
    <al>Dit Voorschrift kan worden aangehaald als Voorschrift Internationale Invordering
1999.</al>
  </body>
  <backm>
    <ondtek>Den Haag, 9 augustus 1999. <nl></nl><min>De Staatssecretaris van Financiën,</min>W.A. Vermeend.<nl></nl></ondtek>
    <bijlage>
      <tuskop letat="vet">Bijlage 1 Landenoverzicht </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Schema internationale invordering voor het doen van verzoeken
aan andere staten</tuskop>
      <plaatje file="stcrt-1999-158-p9-SC20142-1.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <plaatje file="stcrt-1999-158-p9-SC20142-2.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <al>
        <sup>1</sup>Zie hoofdstuk 15. </al>
      <tuskop letat="cur">Toelichting landenoverzicht</tuskop>
      <al>Een verzoek om bijstand wordt gevraagd op grond van:</al>
      <al>1 = Richtlijn 76/308/EEG. Geldt voor omzetbelasting, accijnzen, douanerechten
en EEG-middelen Uitgewerkt in hoofdstuk 9. Benodigd formulier uit het Modellenboek
Internationale invordering: OV 301(invordering), 302 (inlichtingen) en 303
(notificatie).</al>
      <al>2 = WABB-verdrag. Geldt voor inkomsten-, loon-, vennootschaps-, dividend-
en vermogensbelasting, premies volksverzekeringen en premies WAZ, rechten
van successie, overgang en schenking. Uitgewerkt in hoofdstuk 10. Benodigd
formulier uit het Modellenboek Internationale Invordering: OV 306 (invordering)
en OV308 (inlichtingen).</al>
      <al>3 = Benelux Invorderingsverdrag. Geldt voor alle middelen. Nader uitgewerkt
in hoofdstuk 11. Benodigd formulier uit het Modellenboek Internationale Invordering:
OV300 (invordering).</al>
      <al>4 = Belastingregeling voor het Koninkrijk. Geldt voor alle belastingen
en premies sociale zekerheid. Uitgewerkt in hoofdstuk 12. Benodigd formulier
uit het Modellenboek Internationale Invordering: OV306 (invordering) en 308
(inlichtingen).</al>
      <al>5 = Bilateraal belastingverdrag. Geldt voor inkomsten-, loon-, vennootschaps-,
dividend belasting en soms ook voor vermogensbelasting. Uitgewerkt in hoofdstuk
13. Benodigd formulier uit het Modellenboek Internationale Invordering: OV306
(invordering) en 308 (inlichtingen).</al>
      <al>6 = Bilateraal verdrag sociale zekerheid en Verordening (EEG) nr. 1408/71.
Geldt voor premies sociale zekerheid. Uitgewerkt in hoofdstuk 14. Benodigd
formulier uit het Modellenboek Internationale Invordering: OV306 (invordering)
en 308 (inlichtingen) en voor Duitsland nr.OV 309 (nrs. D13 en D13a).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zie voor een overzicht van de formulieren bijlage 2. </al>
    </bijlage>
    <bijlage>
      <tuskop letat="vet">Bijlage 2 Overzicht formulieren en te vermelden gegevens
in een verzoek om bijstand (PM) </tuskop>
    </bijlage>
    <bijlage>
      <tuskop letat="vet">Bijlage Overzicht van modellen die in het Modellenboek
Internationale Invordering zijn opgenomen. </tuskop>
      <plaatje file="stcrt-1999-158-p9-SC20142-3.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <plaatje file="stcrt-1999-158-p9-SC20142-4.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <al>
        <sup>1</sup> Nog niet opgenomen in het modellenboek</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voorzover geen formulier gebruikt wordt geldt het navolgende: </al>
      <tuskop letat="cur">A) Inlichtingenuitwisseling</tuskop>
      <al>Het verzoek om inlichtingen bevat:</al>
      <al>a. de gegevens van de in te vorderen aanslagen, zoals middel, tijdvak,
aanslagnummer, dagtekening aanslag, het in te vorderen bedrag;</al>
      <al>b. naam en voornamen, sofi-nummer, geboortedatum en adres van belastingschuldige
en zo mogelijk zijn nationaliteit en paspoortnummer, en - voor wat betreft
lichamen - de rechtsvorm en de plaats van oprichting;</al>
      <al>c. voor zover nodig en verhelderend: een korte uiteenzetting van het feitencomplex;</al>
      <al>d. de internationale regeling waarop het verzoek is gebaseerd;</al>
      <al>e. de te stellen vragen;</al>
      <al>f. overige van belang zijnde gegevens. </al>
      <tuskop letat="cur">B) Notificatie</tuskop>
      <al>Het verzoek tot notificatie bevat:</al>
      <al>a. de gegevens van de in te vorderen aanslagen, zoals middel, tijdvak,
aanslagnummer, dagtekening aanslag, het in te vorderen bedrag;</al>
      <al>b. naam en voornamen, sofi-nummer, geboortedatum en adres van belastingschuldige
en zo mogelijk zijn nationaliteit en paspoortnummer, en - voor wat betreft
lichamen - de rechtsvorm en de plaats van oprichting;</al>
      <al>c. Voor zover nodig en verhelderend: een korte uiteenzetting van het feitencomplex;</al>
      <al>d. de internationale regeling waarop het verzoek is gebaseerd;</al>
      <al>e. overige van belang zijnde gegevens.</al>
      <al>De te notificeren akte wordt in tweevoud toegevoegd. </al>
      <tuskop letat="cur">C) Invorderingsbijstand</tuskop>
      <al>De volgende gegevens worden in het verzoek om bijstand bij de invordering
vermeld:</al>
      <al>a. alle relevante gegevens van de in te vorderen aanslagen, zoals middel,
tijdvak, aanslagnummer, dagtekening aanslag, het in te vorderen bedrag aan
belasting, rente en kosten in guldens of de valuta van de aangezochte staat
onder vermelding van de omrekeningskoers;</al>
      <al>b. naam en voornamen, sofi-nummer, geboortedatum en adres van belastingschuldige
of de aansprakelijkgestelde, en zo mogelijk zijn nationaliteit en paspoortnummer,
en- voor wat betreft lichamen- de rechtsvorm en de plaats van oprichting;</al>
      <al>c. de datum voor welke de verjaring moet worden gestuit;</al>
      <al>d. mogelijke verhaalsobjecten in de aan te zoeken staat;</al>
      <al>e. bijzonderheden die voor de invordering van belang kunnen zijn en indien
verhelderend een korte uiteenzetting van het feitencomplex;</al>
      <al>f. een verklaring waarin vermeld wordt of de aanslag onherroepelijk vaststaat,
alsmede dat aan de voorwaarden die in de desbetreffende regeling zijn opgenomen
is voldaan;</al>
      <al>g. een contactpersoon op de eenheid en het gironummer of de rekening van
de Bank waarop ontvangen bedragen kunnen worden gestort;</al>
      <al>h. op grond van welke internationale regeling hij zijn verzoek baseert
en aan welke buitenlandse autoriteit het verzoek moet worden gedaan.</al>
      <al>De ontvanger zendt als bijlage:</al>
      <al>1. een gewaarmerkt en gedagtekend afschrift van het betekende dwangbevel
of een andere titel tot invordering;</al>
      <al>2. een gewaarmerkte verklaring dat de schuld onherroepelijk vaststaat,
voorzover een dergelijke verklaring niet op het formulier is opgenomen;</al>
      <al>3. eventuele andere bescheiden, die voor de invordering van belang kunnen
zijn. </al>
      <tuskop letat="cur">D) Conservatoire maatregelen</tuskop>
      <al>Bij een verzoek om conservatoire maatregelen wordt aandacht geschonken
aan de volgende punten:</al>
      <al>a. op grond van welke internationale regeling hij zijn verzoek baseert
en aan welke buitenlandse autoriteit het verzoek moet worden gedaan;</al>
      <al>b. de aard en omvang van de schuld, inclusief de verschuldigde kosten
en interest onder vermelding van de aanslag nummers en het nog openstaande
bedrag per aanslag;</al>
      <al>c. de persoonlijke gegevens van de schuldenaar (adres, geboortedatum e.d.);</al>
      <al>d. voor welke datum de verjaring moet worden gestuit;</al>
      <al>e. reeds bekende vermogensbestanddelen in de andere staat;</al>
      <al>f. wanneer de schuld onherroepelijk vaststaat;</al>
      <al>g. andere bijzonderheden die voor de invordering in de andere staat van
belang kunnen zijn.</al>
      <al>De ontvanger voegt de volgende bijlagen bij zijn verzoek:</al>
      <al>a. een door hem gewaarmerkt en gedagtekend afschrift van het betekende
dwangbevel of de andere titel tot invordering;</al>
      <al>b. een door hem gewaarmerkte en gedagtekende afschrift van eventuele beschikkingen
inzake vermindering of handhaving, kwijtschelding of niet verder bemoeilijken
(van een deel) van de aanslag;</al>
      <al>c. een verklaring waaruit blijkt of de aanslagen waarvoor het voorstel
wordt gedaan geheel of voor een substantieel deel materieel verschuldigd kan
worden geacht;</al>
      <al>d. eventuele andere bescheiden.</al>
    </bijlage>
  </backm>
</stcart>