﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE stcart PUBLIC "-//SDU//DTD staatscourant xml 1.1//NL" "../../dtd/stcrt-11.dtd"[]>
<stcart soort="reg" status="b" publtype="stct">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-1999-153-p5-SC20067/metadata.xml" />
  </metadata>
  <frontm>
    <versie dtd="1.4" conv="prod__0" markup="qa"></versie>
    <artcode>153-0501</artcode>
    <stcgeg>
      <tekst>Uit: Staatscourant 12 augustus 1999, nr. 153</tekst>
      <dag>Donderdag</dag>
      <datum>12 augustus 1999</datum>
      <nummer>153</nummer>
    </stcgeg>
    <chapeau>
      <mincodes>VROM</mincodes>
    </chapeau>
    <titel>Onteigening in de gemeente Utrecht</titel>
    <opschr>Percelen begrepen in het bestemmingsplan ’Alberdingk Thijmstraat
e.o.’</opschr>
  </frontm>
  <body>
    <tuskop letat="cur">Besluit van 17 juli 1999 no. 99.003425 tot goedkeuring
van het besluit van de raad van Utrecht van 29 oktober 1998, no. 318, tot
onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet</tuskop>
    <al>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</al>
    <al>Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 19 april 1999, no. MJZ99162499, Centrale Directie Juridische
Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken.</al>
    <al>Gelezen de brief van burgemeester en wethouders van Utrecht van 21 januari
1999, kenmerk OGU 99100671.</al>
    <al>Gelet op Titel IV van de onteigeningswet en Titel 10.2 van de Algemene
wet bestuursrecht.</al>
    <al>De Raad van State gehoord (advies van 2 juli 1999 no. W08.99.0191/V.).</al>
    <al>Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 13 juli 1999, no. MJZ99192158, Centrale Directie
Juridische Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken.</al>
    <al>Beschikken bij dit besluit over de goedkeuring van het besluit van de
raad van Utrecht van 29 oktober 1998, no. 318, tot onteigening ingevolge artikel
77, eerste lid, aanhef en onder 1°, van de onteigeningswet, ten name van
die gemeente, van de bij dat besluit aangewezen percelen. </al>
    <tuskop letat="vet">Overwegingen</tuskop>
    <al>Ingevolge voornoemd artikel 77 van de onteigeningswet kan, zonder voorafgaande
verklaring bij de wet dat het algemeen nut onteigening vordert, onteigening
plaatsvinden onder meer ten behoeve van de uitvoering van een bestemmingsplan.
De ter onteigening aangewezen percelen zijn begrepen in het onherroepelijk
goedgekeurde bestemmingsplan ’Alberdingk Thijmstraat e.o.’ van
de gemeente Utrecht. Blijkens het raadsbesluit tot onteigening wenst de gemeente
Utrecht de daarin bedoelde gronden in eigendom te verkrijgen ter uitvoering
van evengenoemd bestemmingsplan.</al>
    <al>De in het onteigeningsplan begrepen gronden zijn in meergenoemde bestemmingsplan
aangewezen voor ’Woondoeleinden (W)’ en ’Gemengde doeleinden
(Gd)’. Deze bestemmingen zijn globale bestemmingen, welke door burgemeester
en wethouders van Utrecht niet nader overeenkomstig artikel 11 van de Wet
op de Ruimtelijke Ordening behoeven te worden uitgewerkt.</al>
    <al>De door de gemeente Utrecht ter plaatse voorgestane wijze van planuitvoering,
zo heeft het ter zake ingestelde onderzoek uitgewezen, behelst de sloop van
de zich op de ter onteigening aangewezen percelen en naastgelegen percelen
bevindende bebouwing aan de Vleutenseweg en Bosboom Toussaintstraat met het
oog op de realisering van vervangende nieuwbouw van woningen in de vorm van
appartementen, maisonnettes en bebouwing ten behoeve van economische functies
c.q. voorzieningen (langs de Vleutenseweg). Voorts is de gemeente voornemens
onder de nieuwbouw aan de Vleutenseweg een ondergrondse parkeergarage te (doen)
realiseren. In de wijze van planuitvoering is onder meer inzicht verschaft
door middel van overlegging van de bij voornoemd bestemmingsplan behorende
toelichting en voorschriften met de daarin opgenomen beschrijving in hoofdlijnen,
welke stukken bij de tervisieleggingen, bedoeld in artikel 3:11 van de Algemene
wet bestuursrecht in samenhang met artikel 80, tweede lid, en artikel 84 van
de onteigeningswet, met de overige onteigeningsstukken ter inzage zijn gelegd.
Voorts zijn in het kader van het onderzoek overgelegd tekeningen met plattegronden,
doorsneden en geveltekeningen, genaamd Vleutenseweg e.o.. Deze tekeningen
van Vera Yanovshtchinsky Architecten B.V. zijn gedateerd 16 oktober 1998.</al>
    <al>Het raadsbesluit tot onteigening heeft overeenkomstig artikel 84, eerste
lid, van de onteigeningswet met ingang van 6 januari 1999 gedurende vier weken
voor een ieder ter inzage gelegen op de secretarie van de gemeente Utrecht.
Binnen deze termijn zijn tegen het raadsbesluit bij Ons schriftelijk bedenkingen
naar voren gebracht door:</al>
    <al>L.T. de Lange te Delft namens A. Plomp te Nieuwegein en E. Heringa te
Utrecht en B.G. Heringa te Epe.</al>
    <al>Aan artikel 86, tweede lid, van de onteigeningswet, inhoudende dat degenen,
die tijdig ingevolge het derde lid van artikel 84 van die wet bedenkingen
naar voren hebben gebracht, door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer in de gelegenheid worden gesteld zich te doen horen,
is voldaan. </al>
    <tuskop letat="cur">Overwegingen ten aanzien van de naar voren gebrachte bedenkingen</tuskop>
    <al>De reclamant onder a., rechthebbende op de appartementen kadastraal bekend
gemeente Catharijne, sectie B, nos. 7651A1 en 7651A2, welke appartementen
deel uitmaken van het mede ter onteigening aangewezen perceel kadastraal bekend
gemeente Catharijne, sectie B, no. 5269, voert aan, dat hij bezwaar heeft
tegen het feit, dat de gemeente met gebruikmaking van artikel 77, eerste lid,
van de onteigeningswet overgaat tot onteigening van genoemd perceel. Zoals
reeds is aangegeven in zijn bij het gemeentebestuur ingediende geschrift met
zienswijzen is de reclamant, zo stelt hij, van mening dat toepassing van genoemd
artikel in de onderhavige situatie niet mogelijk is.</al>
    <al>De hem in eigendom toebehorende grond wordt in overeenstemming met de
bestemming in zowel het oude als nieuwe bestemmingsplan gebruikt en uit niets
blijkt volgens de reclamant dat de gemeente in het publiek belang een andere
vorm van uitvoering wenst. Vast staat dat de panden Vleutenseweg 261 en 263
in een bouwkundig goede staat verkeren en ook blijkt uit het (nog niet onherroepelijk
goedgekeurde) bestemmingsplan ’Albertingk Thijmstraat e.o.’ dat
er geen sprake is van bestemmingswijziging. Dit leidt volgens de reclamant
tot de conclusie dat inpassing van de huidige bebouwing in een nieuwbouwplan
in de rede ligt, ook gezien de uitvoering van het nieuwbouwplan dat de gemeente
voor ogen staat. De bebouwingsvlakken en bestemmingen komen nagenoeg overeen
met de feitelijke situatie op dit moment. Het huidig gebruik van het object -
gedeeltelijk kamerverhuurbedrijf en gedeeltelijk werkplaats ten behoeve van
reclamants aannemingsbedrijf - wordt door de gemeente Utrecht niet betrokken
in de verwervings-/verplaatsingsonderhandelingen. Men stelt dat het kamerverhuurbedrijf
niet kan worden betrokken in de berekeningen om te komen tot reconstructie.
Dit acht de reclamant zeer bevreemdend, daar hij over een officiële door
de gemeente Utrecht verleende vergunning beschikt voor de exploitatie van
een kamerverhuurbedrijf in het betrokken pand. Daar kamerverhuur al gedurende
een lange reeks van jaren een essentieel, feitelijk onderdeel vormt van zijn
bedrijfsvoering, dient de gemeente hiermede in de onderhandelingen over verwerving
en verplaatsing rekening te houden. Zolang de gemeente hiertoe niet wenst
over te gaan, zal bij onteigening schade voor hem ontstaan die niet wordt
vergoed, hetgeen zijns inziens in strijd is met de onteigeningswet. Door deze
houding aan de zijde van de gemeente wordt hij tevens gedwongen tot het indienen
van het onderwerpelijke geschrift met bedenkingen. Indien zijn eigendom kan
worden ingepast, zal er namelijk voor hem geen schade ontstaan. Mocht dit
om stedenbouwkundige redenen niet mogelijk/gewenst zijn, dan is de reclamant,
zo gaat hij verder, in staat en bereid om zelf de te realiseren nieuwbouw
te verwezenlijken. Voor hem biedt dit de garantie om in de nieuwe situatie
zijn bedrijfsactiviteiten te kunnen voortzetten.</al>
    <al>De reclamant hoopt met het vorenstaande te hebben aangegeven dat de gemeente
Utrecht onteigening toepast op een wijze, die niet acceptabel is. Met het
instrument van de onteigening wordt getracht om zijn onroerende zaak op voordelige
wijze te verwerven, waardoor hij gedwongen wordt om zich tegen onteigening
te verzetten. De reclamant verzoekt de bedenkingen gegrond te verklaren en
daarmee het raadsbesluit tot onteigening te vernietigen.</al>
    <al>Te dien aanzien overwegen Wij in de eerste plaats, dat bij de door Ons -
op grond van het bepaalde in artikel 79 van de onteigeningswet - te nemen
beslissing omtrent goedkeuring van een raadsbesluit tot onteigening vernietiging
daarvan niet aan de orde is.</al>
    <al>Ten aanzien van de aangehaalde bedenkingen van de reclamant dient voorts
te worden overwogen, dat ook al zou het huidige gebruik van het desbetreffende
perceel met het zich daarop bevindende pand in overeenstemming kunnen worden
geacht met de ter plaatse vigerende bestemming, de gemeente niettemin tot
onteigening kan besluiten, indien ter plaatse een andere concrete vorm van
planuitvoering wordt voorgestaan.</al>
    <al>Onteigening ten einde tot een andere vorm van planuitvoering te kunnen
overgaan, is gerechtvaardigd indien de gemeente in redelijkheid daartoe in
het belang van de volkshuisvesting c.q. van een goede ruimtelijke ontwikkeling
van de gemeente heeft kunnen besluiten.</al>
    <al>Te dien aanzien is gebleken, dat het ter uitvoering staande bestemmingsplan ’Alberdingk
Thijmstraat e.o.’ primair ten doel heeft het herstel en de versterking
van de woonfunctie in het betrokken gebied. Tevens voorziet het plan in een
menging van functies langs de Vleutenseweg in de vorm van een zogenoemde economische
plint. De Vleutenseweg zal in de toekomst de belangrijkste verbinding worden
tussen de Vinex-lokatie Leidsche Rijn en het centrum van de stad, waarbij
de Vleutenseweg het karakter van een stadsboulevard zal verkrijgen. De gemeente
wenst, zoals hiervoor overwogen, de in het onteigeningsplan begrepen percelen
te verwerven teneinde te kunnen overgaan tot realisering van de bestemmingen ’Woondoeleinden
(W)’ en ’Gemengde doeleinden (Gd)’ in de vorm van sloop
van bestaande bebouwing met het oog op vervangende nieuwbouw. De bestaande
bebouwing is, zo is bij het onderzoek gebleken, in doorsnee van slechte kwaliteit.
Het nieuwbouwprogramma voor het plangebied behelst 110 appartementen, 25 woningen
en/of maisonnettes en 2000 m2 economische functies c.q. voorzieningen (langs
de Vleutenseweg). Voorts zal onder de nieuwbouw aan de Vleutenseweg een ondergrondse
parkeergarage gebouwd worden met circa 140 parkeerplaatsen. De reconstructie
van het plangebied houdt ook in dat de Alberdingk Thijmstraat ter plaatse
zal verdwijnen ten behoeve van nieuwbouw en circa 25 meter noordelijker opnieuw
aangelegd zal worden.</al>
    <al>Mede op grond van het onderzoek moet verder worden aangenomen, dat met
de realisering van het sloop-/nieuwbouwplan kan worden bijgedragen aan een
verbetering van het woon- en leefklimaat in het betrokken gebied. Uit het
onderzoek blijkt voorts, dat, nog daargelaten een oordeel omtrent de bouwkundige
staat van het pand van de reclamant, dit pand een onlosmakelijk onderdeel
van het sloop-/nieuwbouwplan vormt en niet kan worden gemist voor een doelmatige
uitvoering van dat plan in zijn totaliteit. Gelet hierop zijn Wij van oordeel,
dat met de door de gemeente voorgestane uitvoering van het bestemmingsplan
ter plaatse zodanig het belang van de volkshuisvesting c.q. van een goede
ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente wordt gediend, dat de voorgenomen
onteigening, wat dit aspect betreft, gerechtvaardigd is.</al>
    <al>Het geschilpunt tussen de reclamant en de gemeente heeft, zoals ook in
het kader van het horen ingevolge artikel 86 van de onteigeningswet door de
adviseur van reclamant is gesteld, vooral betrekking op de hoogte van de schadeloosstelling.
De reclamant wenst voorts een vervangende ruimte voor zijn timmerwerkplaats.
Ook wil hij een financiële of materiële compensatie voor het liquideren
in het betrokken pand van zijn kamerverhuurbedrijf. De onteigeningswet voorziet
evenwel niet in een verplichting tot het aanbieden van vervangende grond.
De schadeloosstelling zal op grond van artikel 40 van de onteigeningswet plaatsvinden
op basis van een volledige vergoeding van alle schade die de eigenaar rechtstreeks
en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak lijdt. De hoogte van de vergoeding
staat thans niet ter beoordeling, aangezien de vaststelling daarvan geschiedt
in het kader van de gerechtelijke procedure.</al>
    <al>Het minnelijk overleg, dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet
aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht alsnog
tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.</al>
    <al>Tenslotte overwegen Wij, dat het zelf realiseren van de bestemming door
de reclamant op zijn perceel in de vorm, zoals de gemeente voor ogen staat,
feitelijk onmogelijk is gezien de eerdergenoemde grootschalige sloop-/nieuwbouwplannen.
Zo dat al mogelijk zou zijn, heeft de reclamant, zo heeft het onderzoek uitgewezen,
overigens geen concrete plannen.</al>
    <al>De reclamanten onder b., rechthebbenden op het appartement kadastraal
bekend gemeente Catharijne, sectie B, no.7559A6, welk appartement deel uitmaakt
van de mede ter onteigening aangewezen percelen kadastraal bekend gemeente
Catharijne, sectie B, nos. 5266 en 5267, merken op, dat de door de gemeente
gevoerde procedure, die zich kenmerkt door willekeurigheid en onzorgvuldigheid
huns inziens de onteigening van appartementsrecht niet rechtvaardigt. In dit
verband stellen zij, dat de gemeentelijke dienst woningbeheer een complex
huurwoningen als ordinaire huisjesmelker doelbewust heeft laten verkrotten
waardoor ingrijpen (sloop) noodzakelijk is geworden. Daardoor moet het belendende,
in goede bouwtechnische staat verkerende, particuliere huizenblok ook ge-sloopt
worden. De reclamanten zien de noodzaak daarvan niet in omdat de huizen goed
zijn, karakter hebben en de door de gemeente geformuleerde doelstellingen
ook gehaald kunnen worden zonder het particuliere huizenblok bij de sloop
te betrekken. Zij vormen volgens de reclamanten geen geheel met de krotten
van de gemeente. De gemeente heeft belang bij de nieuwbouw, een belang dat
de objectiviteit en zorgvuldigheid in de besluitvorming heeft beïnvloed.
De besluit-vorming is destijds niet rimpelloos verlopen. Het gemeentebestuur
heeft destijds waarborgen moeten afgeven, dat met de belangen van eigenaren
en bewoners bij onder andere de verwerving rekening worden gehouden. De gemeente
heeft dit volgens de reclamanten vergeten of laat dit na. De gemeente als
projectontwikkelaar misbruikt, zo gaan de reclamanten verder, de wet om burgers
voor een appel en een ei van hun eigendom te ontdoen. Zo verdient zij geld
door de grootse herbouw van huur- en koopwoningen in een topsegment op een
toplokatie. Boven de correspondentie en de onderhandelingen hangt als een
zwaard van Damocles onder andere de onteigeningsprocedure. Er is volgens hen
nauwelijks onderhandeld. De gemeente heeft eerst een pro forma bod gedaan
en op 20 november 1998, na eerst zelf een aanbod gedaan te hebben, volgde
een belachelijk laag (tegen-)bod. De dreiging van onteigening, de traagheid
en een ietwat arrogante toon van de gemeente is naar hun mening geen basis
voor een minnelijke schikking. De reclamanten vinden dat er niet zorgvuldig
met de belangen van particuliere eigenaren/bewoners wordt omgegaan. Een gelijkwaardige
woonruimte in Utrecht is moeilijk te vinden.</al>
    <al>Samenvattend zijn de reclamanten van oordeel, dat de noodzaak voor onteigening
ontbreekt. Er wordt veel geld verdient nu en in de toekomst; de huidige eigenaren
krijgen een habbekrats. De onderhandelingen worden niet serieus gevoerd.</al>
    <al>Ten aanzien van vorenaangehaalde bedenkingen overwegen Wij, dat de reclamanten
vooreerst van mening zijn, dat er niet zorgvuldig met de belangen van particulieren
eigenaren en bewoners wordt omgegaan.</al>
    <al>Te dien aanzien merken Wij op, dat, zoals ook in de toelichting behorende
bij het meergenoemde bestemmingsplan staat vermeld, voor het betrokken plangebied
speciaal een projectgroep is opgericht waarin behalve ambtelijke vertegenwoordigers
ook vertegenwoordigers van het Woningbedrijf Utrecht, particuliere eigenaren
en bewoners zitting hebben. Er zijn onderzoeken gedaan en enquêtes gehouden
gericht op de keuze sloop of behoud en verbetering van alle of een deel van
de woningen in het plangebied. Op 10 oktober 1995 heeft de raadscommissie
voor Ruimtelijke Ordening en Wonen in meerderheid ingestemd met de sloop van
alle woningen in het plangebied. Over dit besluit zijn de betrokken bewoners
en eigenaren terstond en schriftelijk en op 27 februari 1996 mondeling geïnformeerd.
Sedert die tijd is de gemeente gestart met de aankoop van percelen grond.</al>
    <al>Ten aanzien van de bedenkingen van de reclamanten inzake het beweerdelijk
met hen gevoerde minnelijke overleg overwegen Wij vooreerst dat in het algemeen
niet eerder tot onteigening behoort te worden overgegaan, dan nadat een redelijke
doch vruchteloos gebleken poging is ondernomen om hetgeen onteigend moet worden
langs minnelijke weg te verwerven. Aan deze eis is naar Ons oordeel genoegzaam
voldaan indien voor de eerste tervisielegging van het onteigeningsplan met
de onderhandelingen over de minnelijke verwerving een aanvang is gemaakt en
ten tijde van het nemen van het raadsbesluit tot onteigening voldoende aannemelijk
is dat die onderhandelingen vooralsnog niet tot het gewenste resultaat zullen
leiden. Voorts zijn Wij van oordeel, dat het wel wenselijk doch niet strikt
noodzakelijk is, dat ten tijde van het nemen van het raadsbesluit tot onteigening
reeds een formeel bod moet zijn uitgebracht. Voldoende is dat sprake is geweest
van een redelijke doch vruchteloos gebleken poging om hetgeen onteigend moet
worden langs minnelijke weg te verwerven. Bij de onderhandelingen dienaangaande
kan, ook zonder dat een formeel bod is uitgebracht, genoegzaam komen vast
te staan dat minnelijke verwerving vooralsnog niet tot de mogelijkheden behoort.
Alsdan kan een gemeente teneinde op een redelijk tijdstip tot uitvoering van
het desbetreffende bestemmingsplan te kunnen overgaan in beginsel tot onteigening
besluiten.</al>
    <al>Uit het meergenoemde onderzoek is gebleken, dat er ook met de reclamanten
vanaf begin 1997 onderhandelingen zijn gevoerd en gecorrespondeerd is. In
februari 1998 is er een aankoopvoorstel gedaan voor de woning. Dit voorstel
was een schatting van de waarde van de onroerende zaak omdat de reclamanten
niet reageerden op verzoeken van (vertegenwoordigers namens) de gemeente om
de woning te mogen bezichtigen en te taxeren. Op 20 november 1998 heeft de
gemeente de reclamanten wederom een schriftelijk bod gedaan. Tevens wordt
daarin de reden aangegeven waarom de contacten tot dan toe moeilijk verliepen.
Gelet hierop zijn Wij van oordeel, dat anders dan de reclamanten menen, de
gemeente wel degelijk pogingen heeft gedaan tot serieuze onderhandelingen.
Nu ten tijde van het nemen van het raadsbesluit voldoende aannemelijk was,
dat minnelijke verwerving vooralsnog niet tot de mogelijkheden behoort heeft
de gemeenteraad - teneinde op een redelijk tijdstip tot de uitvoering
van het onderwerpelijke bestemmingsplan te kunnen overgaan - in beginsel
tot onteigening van de desbetreffende percelen, waarvan het appartement van
de reclamanten deel uitmaakt, kunnen besluiten.</al>
    <al>Het minnelijk overleg, dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet
aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht alsnog
tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.</al>
    <al>Gezien het vorenstaande kunnen de bedenkingen van de reclamanten er niet
toe leiden, dat aan het raadsbesluit tot onteigening geheel of gedeeltelijk
de goedkeuring wordt onthouden. </al>
    <tuskop letat="cur">Overige overwegingen</tuskop>
    <al>Het moet in het belang van de volkshuisvesting en een goede ruimtelijke
ontwikkeling van de gemeente Utrecht worden geacht, dat zij de eigendom van
de onderwerpelijke percelen verkrijgt en bestaan er ook overigens geen termen
aan genoemd raadsbesluit de goedkeuring te onthouden. </al>
    <tuskop letat="vet">Beslissing</tuskop>
    <al>Wij hebben goedgevonden en verstaan:</al>
    <witreg></witreg>
    <al>vorengenoemd besluit van de raad van Utrecht goed te keuren.</al>
    <al>Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met het raadsbesluit in de
Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden
aan de Raad van State.</al>
  </body>
  <backm>
    <ondtek>Tavarnelle, 17 juli 1999. <nl></nl>Beatrix. <nl></nl><min>De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</min>J.P. Pronk.<nl></nl></ondtek>
    <bijlage>
      <tuskop letat="vet">Raadsbesluit </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Onteigening Alberdingk Thijmstraat e.o.</tuskop>
      <al>De raad der gemeente Utrecht gelet op het voorstel van b. en w. d.d. 12
oktober 1998</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Besluit:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>1. reclamanten J.A.M. Gobits en Y.M. Gobits- van Lunszen in hun zienswijzen
te ontvangen;</al>
      <al>2. de zienswijzen genoemd onder 1. ongegrond te verklaren;</al>
      <al>3. reclamanten B.G. Heringa en E. Heringa in hun zienswijzen te ontvangen;</al>
      <al>4. de zienswijzen genoemd onder 3. ongegrond te verklaren;</al>
      <al>5. reclamant MKB Adviseurs BV namens de heer A. Plomp in zijn zienswijzen
te ontvangen;</al>
      <al>6. de zienswijzen genoemd onder 5. ongegrond te verklaren;</al>
      <al>7. ten behoeve van de uitvoering van het stadsvernieuwingsproject Alberdingk
Thijmstraat e.o. ter verkrijging van de vrije beschikking over de eigendommen
en de daarop rustende rechten, ten name van de gemeente Utrecht te onteigenen
de percelen zoals aangegeven op het bij dit besluit behorende grondplan (tek.nr.
A 31.300a) en de lijst vermeldende de eigenaars, de grootte en de kadastrale
nummers van de te onteigenen percelen;</al>
      <al>8. te bepalen, dat niet tot dagvaarding overeenkomstig artikel 18 van
de Onteigeningswet zal worden overgegaan, alvorens het desbetreffende gedeelte
van het bestemmingsplan Alberdingk Thijmstraat e.o. waarin de eigendommen
van reclamanten zijn gelegen, onherroepelijk is geworden;</al>
      <al>9. te bepalen dat dit onteigeningsbesluit vervalt, indien en voor zover
aan het betreffende bestemmingsplan Alberdingk Thijmstraat e.o. Utrecht, in
hoogste instantie goedkeuring wordt onthouden en</al>
      <al>10. ten name van de gemeente Utrecht te procederen:</al>
      <al>- in voorkomende gevallen: tot benoeming van derden als bedoeld in
artikel 20 Onteigeningswet;</al>
      <al>- tot opneming door deskundigen voor de aanvang van het geding als
bedoeld in artikel 54a van de Onteigeningswet;</al>
      <al>- tot onteigening (in eerste aanleg - zonodig in hoger beroep
en cassatie- als eisende danwel verwerende partij) indien en voorzover
bovenvermelde percelen niet bij minnelijke verwerving in eigendom kunnen worden
verkregen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aldus besloten in de openbare</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">vergadering van de raad, gehouden</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">op 29 oktober 1998.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">De burgemeester.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">De secretaris.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <plaatje file="stcrt-1999-153-p5-SC20067-1.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <plaatje file="stcrt-1999-153-p5-SC20067-2.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <plaatje file="stcrt-1999-153-p5-SC20067-3.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <plaatje file="stcrt-1999-153-p5-SC20067-4.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <plaatje file="stcrt-1999-153-p5-SC20067-5.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <al>Behoort bij het besluit van de Raad der gemeente Utrecht d.d. 29 oktober
1998 nr. 318</al>
    </bijlage>
  </backm>
</stcart>