﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE stcart PUBLIC "-//SDU//DTD staatscourant xml 1.1//NL" "../../dtd/stcrt-11.dtd"[]>
<stcart soort="reg" status="b" publtype="stct">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-1999-126-p14-SC19568/metadata.xml" />
  </metadata>
  <frontm>
    <versie dtd="1.4" conv="prod__0" markup="qa"></versie>
    <artcode>126-1401</artcode>
    <stcgeg>
      <tekst>Uit: Staatscourant 6 juli 1999, nr. 126</tekst>
      <dag>Dinsdag</dag>
      <datum>6 juli 1999</datum>
      <nummer>126</nummer>
    </stcgeg>
    <chapeau>
      <mincodes>VROM</mincodes>
    </chapeau>
    <titel>Onteigening in de gemeente Rotterdam</titel>
    <opschr>«Onteigeningswet»</opschr>
  </frontm>
  <body>
    <tuskop letat="vet">Percelen gelegen aan de Kralingen-Lusthof (579)</tuskop>
    <tuskop letat="cur">Besluit van 11 juni 1999 no. 99.002698tot goedkeuring
van het besluit van de raad van Rotterdam van 5 november 1998, no. 242, tot
onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet</tuskop>
    <al>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</al>
    <al>Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 26 april 1999 no. MJZ99164925, Centrale Directie Juridische
Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken.</al>
    <al>Gelezen de brief van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 13 november
1998, kenmerk Verw/175.807/’98.</al>
    <al>Gelet op Titel IV van de onteigeningswet en Titel 10.2 van de Algemene
wet bestuursrecht.</al>
    <al>De Raad van State gehoord (advies van 27 mei 1999 W08.990202/V).</al>
    <al>Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 3 juni 1999 no. MJZ99176971, Centrale Directie
Juridische Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken.</al>
    <al>Beschikken bij dit besluit over de goedkeuring van het besluit van de
raad van Rotterdam van 5 november 1998, no. 242, tot onteigening ingevolge
artikel 77, eerste lid, aanhef en onder 2°, van de onteigeningswet, ten
name van die gemeente, van de bij dat besluit aangewezen percelen kadastraal
bekend gemeente Kralingen, sectie F, nos. 1843, 2222 en 3173. </al>
    <tuskop letat="vet">Overwegingen</tuskop>
    <al>Ingevolge voornoemd artikel 77 van de onteigeningswet kan, zonder voorafgaande
verklaring bij de wet dat het algemeen nut onteigening vordert, onteigening
plaatsvinden onder meer ten behoeve van de uitvoering van een bouwplan in
het belang van de volkshuisvesting of in het belang van de vernieuwing van
een bebouwde kom. De ter onteigening aangewezen percelen zijn begrepen in
het bouwplan ’Nieuw Water Zuid’ in de wijk Kralingen-Lusthof van
de gemeente Rotterdam.</al>
    <al>Blijkens het raadsbesluit tot onteigening wenst de gemeente Rotterdam
de daarin bedoelde gronden in eigendom te verkrijgen ten behoeve van de uitvoering
van genoemd bouwplan, dat voorziet in sloop van de zich op bedoelde percelen
en naastgelegen percelen bevindende panden met het oog op de realisering van
13 woningen (3 en 4 kamerwoningen en een atelierwoning) en een aantal tuinen
aan de Waterloostraat in de wijk Kralingen-Lusthof te Rotterdam. De gemeente
Rotterdam is voornemens de uitvoering van voornoemd bouwplan in het jaar 2000
te laten plaatsvinden.</al>
    <al>Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben bij hun besluit van 9 februari
1998, kenmerk RGG/ARB/145974A, de ingevolge artikel 77, eerste lid, onder
2°, van de onteigeningswet vereiste verklaring van geen bezwaar ten behoeve
van het vorenvermelde bouwplan verleend.</al>
    <al>Het raadsbesluit tot onteigening heeft overeenkomstig artikel 84, eerste
lid, van de onteigeningswet met ingang van 16 november 1998 gedurende vier
weken voor een ieder ter inzage gelegen op de secretarie van de gemeente Rotterdam.
Binnen deze termijn zijn tegen het raadsbesluit bij Ons schriftelijke bedenkingen
naar voren gebracht door J.J.M. van Keulen te Rotterdam.</al>
    <al>Aan artikel 86, tweede lid, van de onteigeningswet, inhoudende dat degenen,
die tijdig ingevolge het derde lid van artikel 84 van die wet bedenkingen
naar voren hebben gebracht, door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer in de gelegenheid worden gesteld zich te doen horen,
is voldaan. </al>
    <tuskop letat="cur">Overwegingen ten aanzien van de naar voren gebrachte bedenkingen</tuskop>
    <al>De reclamant, rechthebbende op het mede ter onteigening aangewezen perceel
kadastraal bekend gemeente Kralingen, sectie F, no. 3173, stelt dat de door
de gemeente voorgestane onteigening niet in het algemeen belang is. Zo is
er naar de mening van de reclamant sprake van een beschermd stadsgezicht,
dat ingevolge de Monumentenwet 1988 dient te worden gehandhaafd waar dat redelijkerwijs
mogelijk is. De panden welke de gemeente wenst te slopen ten behoeve van de
realisering van het onderhavige bouwplan vormen naar de mening van de reclamant
een artistiek geheel van zeldzame en oorspronkelijke architectuur.</al>
    <al>Ten aanzien van deze bedenkingen overwegen Wij dat, zoals in de raadsvoordracht
terzake reeds staat vermeld, een officieel besluit waarbij een groot deel
van Kralingen is aangewezen als beschermd stadsgezicht, nog niet is genomen.
Er is thans dan ook geen sprake van een beschermd stadsgezicht. Overigens
betekent een dergelijke aanwijzing niet dat geen sloop met vervangende nieuwbouw
meer mogelijk zou zijn.</al>
    <al>Op grond van bouw-, woontechnische- en stedebouwkundige overwegingen blijft
sloop en nieuwbouw wel mogelijk, waarbij het streven erop dient te zijn gericht
dat noodzakelijke geachte veranderingen zodanig plaatsvinden dat het aspect
van het geheel zo min mogelijk worden geschaad. De gemeente Rotterdam wenst
in de wijk Kralingen-Lusthof een grondige en diepgaande vernieuwing van het
woon- en leefklimaat die in de eerste plaats ten goede komt aan de huidige
bewoners. In het rapport ’Slag bij Waterloo’ staat de aanpak van
de gehele Waterloostraat beschreven. Het project Waterloostraat bestaat uit
vier stadsvernieuwingslokaties en omvat een intensief beheers/aanpakplan.
Het onderhavige bouwplan is gesitueerd op één van de stadsvernieuwingslokaties.
Met de realisering hiervan beoogt de gemeente meer ruimte en licht te creëren
in de vrij smalle Waterloostraat, waardoor de stedenbouwkundige omgeving zal
verbeteren. Tevens beoogt de gemeente, door voor een deel duurdere woningen
te bouwen, te voorkomen dat mensen met hogere inkomens uit deze wijk wegtrekken.
Gelet op het vorenstaande zijn Wij van oordeel dat het algemeen belang, het
belang van de volkshuisvesting en een goede ruimtelijke ontwikkeling met de
realisering van het onderhavige bouwplan wordt gediend.</al>
    <al>De reclamant meent vervolgens dat niet meer kan worden gesproken van behoorlijk
bestuur en van goede trouw bij de gemeente Rotterdam. De plannen voor de stadsvernieuwing
in de wijk Kralingen bestaan reeds 15 jaar. Als kernactiviteit van een beoogde
stadsvernieuwing ziet de reclamant het opstellen van een (ontwerp)bestemmingsplan,
waarmee door middel van de met waarborgen omklede procedure die een bestemmingsplan
met zich mee brengt, bescherming wordt geboden aan een ieder. Een (ontwerp)bestemmingsplan
wordt echter niet eerder verwacht dan medio 1999. Door steeds een bouwplan
en niet een (ontwerp)bestemmingsplan op te stellen probeert de gemeente zijns
inziens een niet serieus stadsvernieuwingsplan goed te praten. Het onderhavige
bouwplan is reeds het vierde bouwplan voor de Waterloostraat. De besluitvorming
inzake de bouwplannen is naar de mening van de reclamant slechts een kwestie
van het afhandelen van hamerstukken. In dit verband meent de reclamant voorts
dat de gemeente de zaken poogt om te draaien. Door goedkeuring te verkrijgen
van het onderhavige bouwplan zouden de overige sloop- en nieuwbouwplannen
in het nog op te stellen bestemmingsplan worden gelegaliseerd. De gemeente
voert, zo stelt de reclamant verder, een agressieve politiek, waarbij tevens
sprake is van machtsconcentratie. De stadsvernieuwing is volgens de reclamant
voor de gemeente slechts een speeltje. De reclamant wijst in dit kader op
de, naar zijn mening, onrechtmatige sloop van het pand aan de Oostzeedijk
Beneden no. 13. De reclamant verbaast zich dan ook over het feit dat de verklaring
van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten uitsluitend de panden Waterloostraat
174 tot en met 196 betreft en niet ook het vorengenoemde pand aan de Oostzeedijk
Beneden no. 13. De gemeente zou geen onderbouwing hebben voor de argumentatie
om tot het onderhavige bouwplan c.q. onteigeningsplan te komen.</al>
    <al>De reclamant meldt verder, dat enerzijds de gemeente zich niet houdt aan
de bepalingen in de onteigeningswet en anderzijds sprake is van een lacune
in deze wet. Zo wenst de gemeente te onteigenen met als grondslag een bouwplan,
terwijl de wet dienaangaande een spoedeisend belang voorschrijft. De gemeente
houdt zich dan ook niet aan dit vereiste in de wet. Een lacune in de wet ziet
de reclamant voornamelijk in het feit dat nergens is bepaald dat nodeloze
overlast, inclusief de schijn van eigen belang van de gemeente, dient te worden
voorkomen. Ook bezit de gemeente, zo voert de reclamant aan, meer dan 50%
van het woningenbestand in de stad. De reclamant schat de marktwaarde hiervan
op zo’n 30 à 40 miljard gulden en rekent dit tot het bezit van
de gemeente. Gelden uit de stadsvernieuwingsfondsen beslaan slechts een gering
percentage van deze marktwaarde. De reclamant meent dat het verschil tussen
de gelden die worden besteed ten behoeve van de stadsvernieuwing en de geschatte
marktwaarde van het woningenbestand dat in het bezit is van de gemeente, aan
de burgerij wordt ontfutseld. Dit is volgens hem niet de bedoeling geweest
van de wetgever. De reclamant meent verder dat de gemeente geen rechtlijnig
en consistent bestuur voert. Enerzijds acht de gemeente kleinschalige bedrijfsruimten
wenselijk, terwijl anderzijds de gemeente door het onderhavige bouwplan kleinschalige
bedrijfsruimten laat verdwijnen. Voorts kan het niet de bedoeling zijn van
de wetgever dat een gemeente compleet nieuwe steden bouwt, geschiedenis wegpoetst
en volksverhuizingen veroorzaakt.</al>
    <al>Ten aanzien van de vorenaangehaalde bedenkingen overwegen Wij dat de gemeente
overeenkomstig de bepalingen in de onteigeningswet inzage heeft gegeven in
de stukken behorende bij het onderhavige onteigeningsplan en dat zij hiervan
op juiste wijze - en door de reclamant hiervan ook persoonlijk op de
hoogte te stellen tevens als aanvulling op het vereiste in de wet - kennis
heeft gegeven. Binnen de vereiste, in de onteigeningswet genoemde, termijn
heeft de gemeente vervolgens, na een beoordeling van de naar voren gebrachte
zienswijzen, het onteigeningsbesluit daadwerkelijk genomen en aan Ons ter
goedkeuring voorgedragen. Hiermede heeft de gemeente de procedure die ingevolge
de onteigeningswet moet worden doorlopen alvorens een onteigeningsbesluit
voor goedkeuring aan Ons kan worden voorgedragen, op correcte wijze gevolgd.
Van onbehoorlijk bestuur is in dit verband geen sprake.</al>
    <al>Indien de overgelegde stukken, het ter zake ingestelde onderzoek of de
ingebrachte bedenkingen daartoe aanleiding geven, kan ingevolge artikel 79
van de onteigeningswet aan een raadsbesluit tot onteigening goedkeuring worden
onthouden. Immers in dat artikel staat vermeld, dat de goedkeuring aan een
dergelijk besluit kan worden onthouden indien de ingebrachte bedenkingen daartoe
aanleiding geven, alsmede wegens het niet of onvoldoende gediend zijn van
het volkshuisvestingsbelang, het ruimtelijke ontwikkelingsbelang of het publiek
belang, of het onvoldoende aanwezig zijn van de noodzaak of de urgentie.</al>
    <al>Van een lacune in de wet op dit gebied, zoals de reclamant stelt, is dan
ook naar Ons oordeel geen sprake, nu alle ingebrachte bedenkingen aanleiding
kunnen geven aan een raadsbesluit tot onteigening de goedkeuring te onthouden.</al>
    <al>Zoals in het vorenstaande reeds is overwogen zijn Wij van oordeel dat
het belang van de volkshuisvesting en een goede ruimtelijke ontwikkeling gediend
is met de door de gemeente voorgestane realisering van het bouwplan ter plaatse.
Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de onteigeningswet belanghebbenden
een volledige schadeloosstelling waarborgt, dient het algemeen belang dat
wordt gediend met de realisering van het bouwplan te prevaleren boven het
persoonlijke belang van de reclamant bij de voortzetting van het huidige gebruik
van het onderwerpelijke perceel. De onteigening van deze grond is derhalve,
wat dit aspect betreft, gerechtvaardigd.</al>
    <al>Met betrekking tot de door de gemeente gekozen procedure dient voorts
te worden opgemerkt, dat de gemeenteraad, zijnde het tot beslissing bevoegd
orgaan, bij het nemen van een onteigeningsbesluit als bedoeld in Titel IV
van de onteigeningswet in principe vrij is bij het bepalen van de keuze van
de onteigeningsgrondslag. Onteigening ten behoeve van de uitvoering van een
bouwplan is een zelfstandige procedure, die los staat van onteigening ten
behoeve van de uitvoering van een bestemmingsplan. Het staat de gemeente derhalve
in beginsel vrij te besluiten tot onteigening ter uitvoering van een bouwplan,
mits voldoende aannemelijk is, dat voor dit bouwplan bouwvergunning kan worden
verleend. Uit de overgelegde stukken is voorts gebleken, dat voor het betrokken
gebied een voorbereidingsbesluit is genomen. Gelet hierop en in aanmerking
genomen, dat in het kader van de verlening van de verklaring van geen bezwaar
als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder 2°, van de onteigeningswet
reeds een (planologische) toetsing van het bouwplan heeft plaatsgevonden,
achten Wij het voldoende aannemelijk, dat voor het onderwerpelijke bouwplan
met toepassing van de in de Woningwet en/of in de Wet op de Ruimtelijke Ordening
opgenomen ter zake dienende wetsartikelen bouwvergunning kan worden verleend.</al>
    <al>Voor zover de reclamant meent dat de procedure inzake de opstelling van
het bouwplan onbehoorlijk en niet correct is verlopen alsmede voor zover de
reclamant meent dat de gemeente ten onrechte kleinschalige bedrijfsruimten
laat verdwijnen, nieuwe steden bouwt, geschiedenis wegpoetst en volksverhuizingen
veroorzaakt, overwegen Wij dat dergelijke bedenkingen zijn gericht tegen de
wijze van totstandkoming van het bouwplan en tegen het bouwplan als zodanig.
Dergelijke bedenkingen kunnen naar voren worden gebracht in het kader van
de voorbereiding van de verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten,
zoals bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder 2°, van de onteigeningswet,
waarop de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure
van toepassing is. In het kader van de aanvraag en afgifte van de bouwvergunning
op grond van de Woningwet al dan niet in samenhang met de Wet op de Ruimtelijke
Ordening kan ingevolge de Algemene wet bestuursrecht een bezwaar- en beroepsprocedure
worden ingesteld.</al>
    <al>Het feit dat Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland ondanks de bedenkingen
van de reclamant tegen het onderhavige bouwplan een verklaring van geen bezwaar
hebben afgegeven maakt niet dat deze (planologische) bedenkingen alsnog in
deze fase van de onteigeningsprocedure zullen worden beoordeeld. Ook de bedenking
van de reclamant inzake het niet expliciet vermelden van het pand aan de Oostzeedijk
Beneden no. 13 in de voorliggende verklaring van geen bezwaar kan bezwaarlijk
leiden tot het onthouden van goedkeuring aan het raadsbesluit tot onteigening,
te minder nu dit pand niet ter onteigening is aangewezen.</al>
    <al>De reclamant bestrijdt vervolgens de noodzaak tot onteigening omdat zijn
pand zich - los van enig achterstallig onderhoud - in goede staat
bevindt. De fundering van de panden die in het onderhavige raadsbesluit voor
onteigening zijn aangewezen, is in goede staat. De reclamant is tevens van
plan, in verband met een door hem op te starten bouwbedrijf, een kelder onder
zijn pand aan te leggen zodat enerzijds de fundering sterker wordt en anderzijds
extra ruimte onder het maaiveld ontstaat. De reclamant doet in dit verband
voorts een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Elders in de Waterloostraat
kunnen bestaande panden namelijk met behulp van ’intensief beheer subsidie’
worden hersteld. De reclamant is van mening dat ook zijn pand hiervoor in
aanmerking komt. De reclamant stelt dienaangaande dat hij zelf als projectontwikkelaar
het initiatief had kunnen ontwikkelen het straatgedeelte waarop zich zijn
pand bevindt naar authentieke staat te restaureren. Een dergelijk project
had naar de mening van de reclamant goed kunnen slagen en zou zeker beter
zijn dan hetgeen de gemeente met sloop voor nieuwbouw voor ogen staat. De
reclamant verwijt de gemeente dat er voor wat betreft de realisering van het
onderhavige bouwplan nog steeds geen projectontwikkelaar is.</al>
    <al>Zoals in het vorenstaande reeds is overwogen maakt het onderhavige bouwplan
deel uit van de aanpak van de gehele Waterloostraat zoals beschreven in het
rapport ’Slag bij Waterloo’. Naast de vier stadsvernieuwingslokaties,
waarbinnen de gemeente het onderhavige bouwplan wenst te realiseren, bevat
het voornoemde rapport een intensief beheers/aanpakplan voor een ander gedeelte
van de Waterloostraat waarmee door schilverbetering van panden en aanpassingen
in de buitenruimte een beter beheer van de woonomgeving en een inspanning
voor samenlevingsopbouw wordt beoogd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat
niet alleen de mogelijk slechte fundering van de panden op de ter onteigening
aangewezen percelen ten grondslag heeft gelegen. Gelet op de woontechnische
kwaliteiten van bedoelde panden, waarbij door de dienst Volkshuisvesting van
de gemeente Rotterdam onder meer de factoren woningontsluiting: vrij of onvrij;
bruto woonoppervlak; type woningplattegrond; aantal woningen per pand, aanwezigheid
van buitenruimte en vooroorlogse of naoorlogse bouw zijn onderzocht, meent
de gemeente, zoals hiervoor reeds aangegeven, met sloop van deze panden en
realisering van het onderhavige bouwplan een tweetal doelen na te kunnen streven.</al>
    <al>Enerzijds zal meer ruimte en licht worden gecreëerd in de vrij smalle
Waterloostraat, waardoor de stedenbouwkundige omgeving zal verbeteren. Anderzijds
zal door voor een deel duurdere woningen te bouwen worden voorkomen, dat mensen
met hogere inkomens uit deze wijk wegtrekken.</al>
    <al>Voor zover de reclamant een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel overwegen
Wij dat dit in feite een bedenking betreft, gericht tegen het bouwplan als
zodanig. Een dergelijke bedenking dient, zoals reeds in het vorenstaande is
overwogen, in deze fase van de onteigeningsprocedure buiten beschouwing te
blijven. Het feit dat de reclamant meent als projectontwikkelaar dat gedeelte
van de Waterloostraat te kunnen restaureren waar de gemeente sloop met vervangende
nieuwbouw voor ogen heeft, maakt niet dat aan het raadsbesluit tot onteigening
goedkeuring dient te worden onthouden. Los van het feit dat de reclamant niet
tot de wijze van planuitvoering zoals de gemeente voor ogen staat wenst over
te gaan, beschikt de reclamant niet over alle gronden die benodigd zijn voor
de uitvoering van het onderhavige bouwplan. In dit verband wijzen Wij er nadrukkelijk
op dat de reclamant op geen enkele wijze heeft aangetoond dat met het oog
op verwezenlijking van het bouwplan door de reclamant enige vorm van overleg
c.q. samenwerking heeft plaatsgevonden met andere eigenaren van de (in het
raadsbesluit tot onteigening aangewezen) percelen. Tenslotte blijkt uit de
overgelegde stukken dat onderhandelingen tussen een nieuwe opdrachtgever (project-ontwikkelaar)
en de gemeente zich in een afrondend stadium bevinden.</al>
    <al>Voorts is gebleken, dat nog daargelaten de vraag of het pand van de reclamant
voldoet aan de hedendaagse woon- en bouwtechnische eisen, het een onlosmakelijk
onderdeel van het sloop/nieuwbouwplan vormt en dat het pand niet kan worden
gemist voor een doelmatige uitvoering van het plan in zijn totaliteit, nu
het gaat om de bouw van een aaneengesloten complex woningen in gestapelde
vorm.</al>
    <al>De reclamant voert vervolgens aan dat er geen sprake meer kan zijn van
minnelijke schikking omdat er geen aanwezigheid meer is van een vrije markt
ter plaatse waardoor de omgeving Waterloostraat wat betreft waarde en aanzien
sterk achteruit is gegaan. Indien de gemeente een faire prijs zou bieden zou
de reclamant zich hierin kunnen vinden. De reclamant zou echter slechts een
fooi zijn geboden ondanks dat hijzelf een redelijk bod aan de gemeente heeft
gedaan. Met het bod aan de gemeente heeft de reclamant rekening gehouden met
de vrije markt zoals die had moeten zijn in de Waterloostraat voordat de gemeente
Rotterdam tot stadsvernieuwing in en rond de Waterloostraat had besloten.
De reclamant stelt zijn bod te hebben gebaseerd op een situatie waarin sprake
is van een ongeschonden samenleving en waarbij rekening is gehouden met de
samenstelling, het funktioneren, het aanzien en het straatbeeld zoals dat
bestond voordat de gemeente haar stadsvernieuwingsplannen op tafel had gelegd.</al>
    <al>Vorenaangehaalde bedenking van de reclamant betreft de hoogte van de schadevergoeding
die hij voor het afstaan van zijn eigendom aan de gemeente wenst te verkrijgen.
Een dergelijke bedenking is van financiële aard. Bedenkingen van financiële
aard kunnen evenwel aan de goedkeuring van een raadsbesluit tot onteigening
niet in de weg staan, aangezien de onteigeningswet belanghebbenden een volledige
schadeloosstelling waarborgt. De hoogte van deze schadeloosstelling staat
in dezen niet ter beoordeling, aangezien de vaststelling daarvan geschiedt
in het kader van de gerechtelijke procedure.</al>
    <al>De reclamant meent tenslotte dat al zijn bedenkingen aantonen dat het
onderhavige raadsbesluit tot onteigening, gelet op het bepaalde in artikel
79 van de onteigeningswet, niet voor goedkeuring in aanmerking kan komen.
Ook dienen zijn bedenkingen gezien te worden in het kader van de fundamentele
rechten en vrijheden van individuele burgers. Met het onderhavige onteigeningsplan
zijn deze fundamentele rechten en vrijheden geschonden, zo meent de reclamant.</al>
    <al>Voor zover de reclamant beoogt dat het raadsbesluit tot onteigening in
strijd zou zijn met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van
de mens en de fundamentele vrijheden merken Wij het volgende op. Artikel I
van Protocol I bij voornoemd Verdrag bepaalt onder andere dat iedere natuurlijke
of rechtspersoon het recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom.
Dit artikel bepaalt verder dat aan niemand het eigendom zal worden ontnomen
behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet
en in de algemene beginselen van internationaal recht. Verder merken Wij op,
dat ingevolge artikel 6, eerste lid, van bedoeld Verdrag, ten aanzien van
onder dit artikellid vallende zaken uiteindelijk de beslissing moet kunnen
worden ingeroepen van een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie.
Te dezen is van belang, dat de burgerlijke rechter in zijn hoedanigheid van
onteigeningsrechter ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad op grond
van het bepaalde in meergenoemd verdragsartikel desgevraagd gehouden is tot
een toetsing van de onteigeningstitel op haar rechtmatigheid, ook buiten de
hem in de onteigeningswet opgedragen taak.</al>
    <al>Zoals reeds in het vorenstaande is overwogen is het raadsbesluit tot onteigening
naar Ons oordeel in het belang van de volkshuisvesting en een goede ruimtelijke
ontwikkeling van de gemeente Rotterdam genomen. Ook heeft het ter zake ingestelde
onderzoek alsmede de overgelegde stukken de noodzaak alsmede de urgentie van
de voorgenomen onteigening voldoende aangetoond.</al>
    <al>Gezien het vorenstaande kunnen de bedenkingen van de reclamant er niet
toe leiden, dat aan het raadsbesluit tot onteigening geheel of gedeeltelijk
de goedkeuring wordt onthouden. </al>
    <tuskop letat="cur">Overige overwegingen</tuskop>
    <al>Het moet in het belang van de volkshuisvesting en van een goede ruimtelijke
ontwikkeling van de gemeente Rotterdam worden geacht, dat zij de eigendom
van bovenbedoelde percelen verkrijgt en er bestaan ook overigens geen termen
aan het raadsbesluit tot onteigening de goedkeuring te onthouden. </al>
    <tuskop letat="vet">Beslissing</tuskop>
    <al>Wij hebben goedgevonden en verstaan:</al>
    <witreg></witreg>
    <al>vorengenoemd besluit van de raad van Rotterdam goed te keuren.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met het raadsbesluit in de
Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden
aan de Raad van State.</al>
  </body>
  <backm>
    <ondtek>’s-Gravenhage, 11 juni 1999. <nl></nl>Beatrix. <nl></nl><min>De Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</min>J.P.
Pronk.<nl></nl></ondtek>
    <bijlage>
      <tuskop letat="vet">Raadsbesluit</tuskop>
      <al>De Raad der gemeente Rotterdam,</al>
      <al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 20 oktober 1998;</al>
      <al>Verzameling gedrukte stukken 1998, volgnr. 242; OBR/SOB-98/3921;</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Overwegende:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>dat de stukken betreffende de onteigening met ingang van 20 april tot
en met 26 mei 1998 voor een ieder ter inzage hebben gelegen;</al>
      <al>dat van de tervisielegging op de voorgeschreven wijze kennis is gegeven;</al>
      <al>dat naar aanleiding van de tervisielegging schriftelijke zienswijzen over
het onteigeningsplan zijn ontvangen van:</al>
      <al>A. de heer J.J.M. van Keulen, eigenaar/bewoner van het pand Waterloostraat
186 en 188a;</al>
      <al>B. de heer J.G. van Geest, huurder van de Waterloostraat 184b;</al>
      <al>dat hij van oordeel is, met overname van de argumentatie van burgemeester
en wethouders, dat reclamanten in hun zienswijzen kunnen worden ontvangen;</al>
      <al>dat hij de motivering van burgemeester en wethouders inzake het ongegrond
zijn van de ingediende zienswijzen tot de zijne maakt;</al>
      <al>gelet op artikel 77, lid 1, sub 2, van de Onteigeningswet;</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Besluit:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>I. reclamanten in hun zienswijzen te ontvangen;</al>
      <al>II. de zienswijzen van reclamanten ongegrond te verklaren;</al>
      <al>III. ten behoeve van de uitvoering van het bouwplan Nieuw Water Zuid,
op de locatie Waterloostraat 174 t/m 196 en Oostzeedijk Beneden 13, ten name
van de gemeente Rotterdam te onteigenen de onroerende zaken aangegeven op
de bij dit besluit behorende grondplankaart en vermeld op de eveneens bij
dit besluit behorende lijst.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 5 november 1998.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">De Voorzitter.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">De Secretaris.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <plaatje file="stcrt-1999-126-p14-SC19568-1.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <al>Behoort bij het besluit van de Raad der gemeente Rotterdam dd. 5 november
1998 nr. 242</al>
    </bijlage>
  </backm>
</stcart>