﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE stcart PUBLIC "-//SDU//DTD staatscourant xml 1.1//NL" "../../dtd/stcrt-11.dtd"[]>
<stcart soort="reg" status="b" publtype="stct">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-1998-14-p33-SC12361/metadata.xml" />
  </metadata>
  <frontm>
    <versie dtd="1.4" conv="prod__0" markup="qa"></versie>
    <artcode>014-3301</artcode>
    <stcgeg>
      <tekst>Uit: Staatscourant 22 januari 1998, nr. 14</tekst>
      <dag>Donderdag</dag>
      <datum>22 januari 1998</datum>
      <nummer>14</nummer>
    </stcgeg>
    <chapeau>
      <mincodes>EZ</mincodes>
    </chapeau>
    <titel>IJkregeling benzinepompen</titel>
    <opschr>«IJkwet»</opschr>
    <bron>
      <datum>11 december 1997</datum>/<kenmerk>nr. 97072515 WJA/W</kenmerk></bron>
  </frontm>
  <body>
    <al>De Minister van Economische Zaken,</al>
    <al>Gelet op de artikelen 13, vierde lid, en 28 van de IJkwet en artikel 2,
tweede lid, van het IJkreglement;</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Besluit: </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 1</tuskop>
    <al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al>
    <al>wet: de IJkwet;</al>
    <al>vloeistofmeters: de vloeistofmeters, bedoeld in artikel 1 van de IJkregeling
vloeistofmeters, voor zover deze deel uitmaken van een benzinepomp;</al>
    <al>vloeistofmeetinstallaties: de meetwerktuigen, die naast een vloeistofmeter
alle inrichtingen omvatten die een juiste meting verzekeren of het gebruik
vergemakkelijken, alsmede alle andere inrichtingen, die de meting op enigerlei
wijze kunnen beïnvloeden;</al>
    <al>L.P.G.: onder druk vloeibaar gehouden propaan, butaan of een mengsel dat
hoofdzakelijk bestaat uit propaan en butaan;</al>
    <al>brandstoffen: vloeibare brandstoffen, niet zijnde L.P.G.;</al>
    <al>benzinepompen: vloeistofmeetinstallaties, voorzien van een eigen toevoersysteem
dan wel bestemd om te worden aangesloten op een centraal toevoersysteem, bestemd
voor het afleveren van brandstoffen aan:</al>
    <al>a. motorvoertuigen voor het wegverkeer;</al>
    <al>b. pleziervaartuigen en kleine vliegtuigen, met uitzondering van de vloeistofmeetinstallaties
met een maximaal meetvermogen van meer dan 150 l/min;</al>
    <al>onderzoek tot toelating van een model: het onderzoek, bedoeld in artikel
11, tweede lid, van de wet;</al>
    <al>keuring: de keuring, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet;</al>
    <al>herkeuring: de herhaalde keuring, bedoeld in artikel 11, vierde lid, van
de wet;</al>
    <al>toezicht: het onderzoek, bedoeld in artikel 29c, eerste lid, van de wet;</al>
    <al>verklaring van toelating: de verklaring, bedoeld in artikel 11a, tweede
lid, van de wet;</al>
    <al>ijkmerk: het ijkmerk, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet;</al>
    <al>zegelmerk: het eerste deel van het ijkmerk;</al>
    <al>aflevering: het afleveren van brandstof door een benzinepomp;</al>
    <al>afnemer: degene, aan wie brandstof wordt afgeleverd;</al>
    <al>kleinste afleveringshoeveelheid: de kleinste hoeveelheid vloeistof die
ingevolge hoofdstuk 2 met een benzinepomp mag worden gemeten;</al>
    <al>nulstelinrichting: een hulpinrichting, waarmee de aanwijsinrichting van
een benzinepomp met de hand of automatisch in de nulstand kan worden gebracht;</al>
    <al>voorinstelinrichting: een hulpinrichting, waarmee de door een benzinepomp
te meten hoeveelheid kan worden ingesteld en die de vloeistofstroom automatisch
onderbreekt, nadat de ingestelde hoeveelheid is gemeten;</al>
    <al>zelfbedieningsinrichting: een hulpinrichting, bestemd om in plaats van
de leverancier van de brandstof de afnemer van de brandstof zelve de aflevering
van brandstof door een benzinepomp te laten verzorgen;</al>
    <al>ontluchtingsinrichting: een inrichting, met behulp waarvan lucht of gassen
die zich in een vloeistof kunnen bevinden, maar daarin niet zijn opgenomen,
worden verwijderd;</al>
    <al>luchtafscheider: een ontluchtingsinrichting, met behulp waarvan de lucht
of de gassen voortdurend worden afgescheiden en door middel van een daartoe
geschikte inrichting worden afgevoerd;</al>
    <al>ontluchter: een ontluchtingsinrichting, die bestemd is om de lucht of
de gassen, die zich in de toevoerleiding van een vloeistofmeter in de vorm
van in geringe mate met vloeistof vermengde lucht- of gasbellen hebben opgehoopt,
af te voeren;</al>
    <al>speciale ontluchter: een ontluchtingsinrichting, waarmee enerzijds de
lucht of de gassen voortdurend worden afgescheiden en die anderzijds de doorstroming
van de vloeistof automatisch onderbreekt zodra er gevaar bestaat dat een ontoelaatbare
hoeveelheid lucht of gas in een vloeistofmeter doordringt;</al>
    <al>gasverklikker: een inrichting, met behulp waarvan in de doorstromende
vloeistof aanwezige lucht- of gasbellen gemakkelijk kunnen worden gesignaleerd;</al>
    <al>meetgrens: het punt, dat de begrenzing vormt van de door een benzinepomp
afgeleverde hoeveelheid vloeistof, en welke zich, in de stromingsrichting
gezien, bevindt na de vloeistofmeter;</al>
    <al>filter: een inrichting, die geschikt is voor het opvangen van vaste verontreinigingen
in een vloeistof;</al>
    <al>kubieke uitzettingscoëfficiënt: de relatieve verandering van
het volume als gevolg van een verandering van de temperatuur. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 2</tuskop>
    <al>Indien twee of meer vloeistofmeters in combinatie met gemeenschappelijke
inrichtingen werken, worden voor de toepassing van deze regeling telkens als één
benzinepomp beschouwd:</al>
    <al>a. elke afzonderlijke vloeistofmeter, telkens tezamen met de gemeenschappelijke
inrichtingen, indien:</al>
    <al>1°.de vloeistofmeters voor verschillende meethandelingen zijn bestemd,
en</al>
    <al>2°.de verschillende meethandelingen gelijktijdig kunnen plaatsvinden;</al>
    <al>b. alle vloeistofmeters gezamenlijk, tezamen met de gemeenschappelijke
inrichtingen, indien de vloeistofmeters voor dezelfde meethandelingen zijn
bestemd dan wel indien:</al>
    <al>1°.de vloeistofmeters voor verschillende meethandelingen zijn bestemd,</al>
    <al>2°.de verschillende meethandelingen niet gelijktijdig kunnen plaatsvinden,
en</al>
    <al>3°.alle meethandelingen het bevoorraden met brandstoffen inhouden;</al>
    <al>c. de vloeistofmeters voor brandstoffen gezamenlijk, tezamen met de gemeenschappelijke
inrichtingen, indien:</al>
    <al>1°.de vloeistofmeters voor verschillende meethandelingen zijn bestemd,</al>
    <al>2°.de verschillende meethandelingen niet gelijktijdig kunnen plaatsvinden,
en</al>
    <al>3°.niet alle meethandelingen het bevoorraden met brandstoffen inhouden. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 3</tuskop>
    <al>De bepalingen van deze regeling moeten wat betreft benzinepompen in acht
worden genomen bij:</al>
    <al>a. het onderzoek tot toelating van een model;</al>
    <al>b. de keuring;</al>
    <al>c. de herkeuring;</al>
    <al>d. het onderzoek, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet;</al>
    <al>e. het toezicht. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 3a</tuskop>
    <al>Met de benzinepompen, die de in artikel 10, eerste lid, van de wet, bedoelde
keuring hebben ondergaan, worden gelijkgesteld benzinepompen, die in een andere
lid-staat van de Europese Unie dan wel in een andere staat die partij is bij
de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte rechtmatig zijn
geproduceerd of in de handel zijn gebracht en die door een gelijkwaardige,
door die andere staat erkende instantie zijn gekeurd, mits bij de keuringen
aan gelijkwaardige eisen is voldaan. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 2. Technische voorschriften </tuskop>
    <tuskop letat="vet">Titel 1. Vloeistofmeters </tuskop>
    <tuskop letat="vet">Paragraaf 1. Algemene bepalingen </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 4</tuskop>
    <al>Onverminderd hetgeen overigens in deze regeling is bepaald, is op vloeistofmeters
en daarbij behorende hulpinrichtingen de IJkregeling vloeistofmeters van toepassing. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 5</tuskop>
    <al>De vloeistofmeters zijn niet afzonderlijk aan een onderzoek tot toelating
van een model of aan keuring onderworpen en behoeven geen voorziening te hebben
voor het aanbrengen van een ijkmerk. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 6</tuskop>
    <al>De volume-aanwijsinrichting van de vloeistofmeter moet voorzien zijn van
een nulstelinrichting en een volumetotalisator. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 7</tuskop>
    <al>1. Indien de vloeistofmeter is uitgerust met een afdrukinrichting, moet
het afdrukmechanisme met de nulstelinrichting van de volume-aanwijsinrichting
zijn verbonden.</al>
    <al>2. Het afdrukmechanisme moet na het afdrukken de controle van de afdruk
door vergelijking met de aangegeven hoeveelheid mogelijk maken. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 8</tuskop>
    <al>De vloeistofmeters behoeven geen eigen opschriftenplaat te dragen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 9</tuskop>
    <al>1. Indien het toevoersysteem van een benzinepomp door een elektromotor
wordt aangedreven, moet een inrichting aanwezig zijn, die voorkomt dat na
beëindiging van de aflevering een nieuwe aflevering plaatsvindt, indien
nog geen nulstelling heeft plaatsgevonden.</al>
    <al>2. Tijdens de aflevering moet nulstelling onmogelijk zijn.</al>
    <al>3. Indien de vloeistofmeter is uitgerust met een voorinstelinrichting
voor volume of prijs dan wel een combinatie van beide, mag de aflevering worden
onderbroken en opnieuw voortgezet zolang de tevoren ingestelde waarde nog
niet is bereikt. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 10</tuskop>
    <al>1. Indien de kleinste afleveringshoeveelheid niet meer bedraagt dan 2
liter, behoeft deze niet op de telwerkplaat van de vloeistofmeter te worden
vermeld.</al>
    <al>2. De waarde van de afdrukeenheid behoeft niet op de afdrukinrichting
van de vloeistofmeter te zijn vermeld. </al>
    <tuskop letat="vet">Paragraaf 2. Bijzondere bepalingen voor vloeistofmeters
met elektronische inrichtingen </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 11</tuskop>
    <al>Deze paragraaf is slechts van toepassing op benzinepompen waarvan een
vloeistofmeter met elektronische inrichtingen deel uitmaakt. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 12</tuskop>
    <al>De correctie-inrichting van de vloeistofmeter mag niet willekeurig buiten
werking kunnen worden gesteld en niet willekeurig aan de meetomstandigheden
kunnen worden aangepast. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 13</tuskop>
    <al>1. Het in werking stellen van een alarmsignaal moet tot gevolg hebben
dat de pompmotor van de benzinepomp wordt uitgeschakeld.</al>
    <al>2. Na een alarmsignaal mag een nieuwe aflevering slechts kunnen aanvangen
door middel van een handeling die gelijk is aan de handeling die onder normale
gebruiksomstandigheden zou worden verricht. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 14</tuskop>
    <al>1. De automatische controle, die door de verwerkingseenheid wordt uitgevoerd
op de door het metend gedeelte aangeboden informatie, mag niet buiten werking
worden gesteld.</al>
    <al>2. De fouten, die worden vastgesteld door middel van de automatische controle,
bedoeld in het eerste lid, mogen tijdens de aflevering niet tot nul worden
vereffend. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 15</tuskop>
    <al>1. Gedurende een aflevering mag de verwerking van de door het metend gedeelte
aangeboden informatie niet worden verhinderd.</al>
    <al>2. De aanwijzing van een hoeveelheid, gelijk aan de kleinste afleveringshoeveelheid,
en de prijs daarvan mag aan het begin van een aflevering worden onderdrukt. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 16</tuskop>
    <al>Voordat een aflevering een aanvang kan nemen, moet een automatische controle
op het juist functioneren van de componenten van de aanwijsinrichting worden
uitgevoerd, die achtereenvolgens inhoudt dat alle elementen:</al>
    <al>a. ten minste 0,5 seconde blank zijn;</al>
    <al>b. 0,5 seconde het cijfer 8 aanwijzen;</al>
    <al>c. het cijfer 0 aanwijzen, met uitzondering van de elementen, die dienen
voor de aanwijzing van de prijs per eenheid van volume. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 17</tuskop>
    <al>Gedurende 5 minuten na een onderbreking van de voedingsspanning moet het
meetresultaat zonder onderbrekingen nog ten minste 1 minuut aangewezen worden. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 18</tuskop>
    <al>Indien de voedingsspanning na een spanningsonderbreking wordt hersteld,
moet de onderbroken aflevering zijn beëindigd op de wijze die gebruikelijk
is voordat een nieuwe aflevering een aanvang kan nemen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 19</tuskop>
    <al>Indien een aanwijsinrichting functioneert voor meerdere metende gedeelten,
moet gelijktijdig bij de aanwijzing worden aangegeven op welk metend gedeelte
de aanwijzing betrekking heeft door middel van:</al>
    <al>a. de vermelding van de naam van het betrokken product, of</al>
    <al>b. een aanduiding van het betrokken product, welke verband houdt met de
naam van het product. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 20</tuskop>
    <al>1. Indien de elementen van een aanwijsinrichting naast het aanwijzen van
het volume tevens zijn bestemd om andere grootheden of gegevens aan te wijzen,
mogen die grootheden of gegevens slechts worden aangewezen zolang geen aflevering
plaatsvindt.</al>
    <al>2. Tot het tijdstip waarop de volgende aflevering een aanvang neemt, moet
het meetresultaat van de laatste aflevering kunnen worden aangewezen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 21</tuskop>
    <al>1. Een benzinepomp moet zijn voorzien van een mechanische volumetotalisator
of van een elektronische volumetotalisator die een automatische controle uitvoert
op het juist functioneren van de totalisator en op wijzigingen in de stand
van de totalisator die niet het gevolg zijn van gemeten volumes.</al>
    <al>2. Indien wordt vastgesteld dat de totalisator niet juist functioneert
of dat de stand van de totalisator is gewijzigd zonder dat dit het gevolg
is van gemeten volumes, mogen geen nieuwe afleveringen kunnen aanvangen zolang
de oorzaak niet is opgeheven. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 22</tuskop>
    <al>Indien een afdrukinrichting functioneert voor meerdere benzinepompen,
moet op elke benzinepomp een pompnummer zijn aangebracht, dat bij de afdruk
moet zijn afgedrukt. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 23</tuskop>
    <al>1. De aanwijzing van een vooringestelde hoeveelheid of van een vooringestelde
prijs door de elementen van een aanwijsinrichting mag slechts plaatsvinden
indien geen aflevering plaatsvindt.</al>
    <al>2. Tot het tijdstip waarop een volgende aflevering een aanvang neemt moet
het meetresultaat van de laatste aflevering kunnen worden aangewezen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 24</tuskop>
    <al>Ingevolge deze regeling geldende voorschriften met betrekking tot herleidingsinrichtingen
zijn niet van toepassing op de in deze paragraaf bedoelde vloeistofmeters. </al>
    <tuskop letat="vet">Titel 2. Maximaal en minimaal meetvermogen </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 25</tuskop>
    <al>Het maximale en het minimale meetvermogen van een benzinepomp mogen verschillen
ten opzichte van de meetvermogens van een daarin aangebrachte vloeistofmeter,
indien de meetvermogens van de benzinepomp verenigbaar zijn met de meetvermogens
van de vloeistofmeter. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 26</tuskop>
    <al>De verhouding tussen het maximale en het minimale meetvermogen van een
benzinepomp moet ten minste gelijk zijn aan 10. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 27</tuskop>
    <al>1. Een benzinepomp mag voorzien zijn van een inrichting waarmee de benzinepomp
gedurende de meting naar een hoger maximaal meetvermogen kan worden gebracht,
in welk geval het maximale meetvermogen moet worden vastgesteld op deze hogere
waarde.</al>
    <al>2. Het minimale meetvermogen moet zodanig worden vastgesteld, dat ook
bij het lagere maximale meetvermogen aan artikel 26 wordt voldaan. </al>
    <tuskop letat="vet">Titel 3. Verwijdering van lucht of gassen </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 28</tuskop>
    <al>Indien een benzinepomp is voorzien van een eigen toevoersysteem, moet,
indien mogelijk direct voor de inlaat van de vloeistofmeter, een luchtafscheider
zijn aangebracht. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 29</tuskop>
    <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 30 moet de luchtafscheider zodanig
zijn ingericht, dat de als gevolg van de invloed van de lucht of gassen optredende
extra fout van de meetresultaten bij benzinepompen, bestemd voor het afleveren
van benzine en diesel, niet meer bedraagt dan 1% van de gemeten hoeveelheid,
met dien verstande dat</al>
    <al>a. bij diesel de luchttoevoer, gemeten bij atmosferische druk, niet meer
bedraagt dan:</al>
    <al>1°. 3 l/min bij benzinepompen, waarvan het maximale meetvermogen ten
hoogste 60 l/min bedraagt;</al>
    <al>2°. 5 l/min bij benzinepompen, waarvan het maximale meetvermogen meer
dan 60 l/min doch ten hoogste 100 l/min bedraagt;</al>
    <al>3°. 10 l/min bij benzinepompen, waarvan het maximale meetvermogen
meer dan 100 l/min bedraagt;</al>
    <al>b. de extra fout niet kleiner behoeft te zijn dan 1% van de kleinste
afleveringshoeveelheid. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 30</tuskop>
    <al>Bij benzine geldt het in artikel 29, aanhef, bedoelde vereiste slechts
tot een volumepercentage van de lucht ten opzichte van de benzine van ten
hoogste 20%, gemeten bij atmosferische druk, mits:</al>
    <al>a. de benzinepomp voorzien is van een gasverklikker;</al>
    <al>b. op de benzinepomp, zo nodig aan meerdere zijden, het opschrift ’Afleveren
zonder luchtbellen’ is aangebracht met een bijbehorende pijl, die wijst
in de richting van de gasverklikker. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 31</tuskop>
    <al>Indien een benzinepomp uitsluitend lucht aanzuigt, mag er geen volume-aanwijzing
plaatsvinden. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 32</tuskop>
    <al>1. De afvoerinrichting voor de lucht of de gassen van de luchtafscheider
moet automatisch werken.</al>
    <al>2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de doorstroming van de
vloeistof automatisch wordt onderbroken zodra er gevaar bestaat dat een ontoelaatbare
hoeveelheid lucht of gas in de vloeistofmeter doordringt. In dat geval moet
de meting slechts kunnen worden hervat na handmatige of automatische verwijdering
van de lucht of de gassen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 33</tuskop>
    <al>Indien een benzinepomp bestemd is om te worden aangesloten op een centraal
of op een op afstand geplaatst toevoersysteem, moet de benzinepomp:</al>
    <al>a. zodanig zijn ingericht, dat er in normale omstandigheden voor de vloeistofmeter
geen lucht kan toetreden of geen gassen uit de vloeistof kunnen vrijkomen,
of</al>
    <al>b. zijn voorzien van een ontluchtingsinrichting ter verwijdering van lucht
of gassen die aanwezig kunnen zijn voordat de vloeistof door de vloeistofmeter
stroomt. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 34</tuskop>
    <al>Artikel 32 is van overeenkomstige toepassing op een ontluchter van een
benzinepomp. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 35</tuskop>
    <al>1. Een ontluchter of een speciale ontluchter kan op de persleiding van
een pomp zijn aangebracht of zijn gecombineerd met een benzinepomp.</al>
    <al>2. Een ontluchter of een speciale ontluchter moet op het hoogste punt
van de leiding zijn aangebracht, zo dicht mogelijk voor de vloeistofmeter.</al>
    <al>3. Indien een ontluchter of een speciale ontluchter lager dan de vloeistofmeter
wordt aangebracht, moet door middel van een terugslagklep worden voorkomen
dat de leiding die de ontluchter of speciale ontluchter en de vloeistofmeter
verbindt, leegloopt. De terugslagklep moet zo nodig voorzien zijn van een
drukbegrenzer.</al>
    <al>4. Indien de toevoerleiding van de vloeistofmeter meer dan één
hoog punt bevat, moeten meerdere ontluchters of speciale ontluchters worden
aangebracht. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 36</tuskop>
    <al>1. Een ontluchter of een speciale ontluchter moet bij het maximale meetvermogen
van de benzinepomp een lucht- of gasbel kunnen verwijderen, die bij atmosferische
druk een volume inneemt dat ten minste gelijk is aan de kleinste afleveringshoeveelheid,
waarbij de daaruit voortvloeiende extra fout niet meer mag bedragen dan 1%
van de kleinste afleveringshoeveelheid.</al>
    <al>2. Een ontluchter of een speciale ontluchter moet voorts voortdurend een
lucht- of gasvolume kunnen afscheiden, dat gelijk is aan 5% van de
bij het maximale meetvermogen afgegeven hoeveelheid vloeistof, waarbij de
daaruit voortvloeiende fout niet meer mag bedragen dan:</al>
    <al>a. voor benzine: 0,5% van de gemeten hoeveelheid;</al>
    <al>b. voor diesel: 1% van de gemeten hoeveelheid. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 37</tuskop>
    <al>Een ontluchtingsinrichting is niet vereist, indien de toevoerinrichting
zodanig is ontworpen, dat zich, ongeacht de bedrijfsomstandigheden, tijdens
de meting geen enkele lucht- of gasbel kan vormen of in de inlaatleiding van
de vloeistofmeter kan binnendringen, mits de lucht- of gasbellen, die bij
onderbreking van de meting kunnen ontstaan, in geen geval leiden tot een specifieke
fout die groter is dan 1% van de kleinste afleveringshoeveelheid. </al>
    <tuskop letat="vet">Titel 4. Filters </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 38</tuskop>
    <al>1. In een benzinepomp moet voor de vloeistofmeter een gemakkelijk toegankelijke
filter zijn ingebouwd.</al>
    <al>2. Indien een benzinepomp is voorzien van een ontluchtingsinrichting,
moet het filter voor de ontluchtingsinrichting zijn ingebouwd. </al>
    <tuskop letat="vet">Titel 5. Gasverklikkers </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 39</tuskop>
    <al>Een benzinepomp, die niet reeds ingevolge artikel 30 van een gasverklikker
moet zijn voorzien, mag van een gasverklikker zijn voorzien, met dien verstande
dat het in artikel 30, onder b, bedoelde opschrift daarbij niet mag worden
aangebracht. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 40</tuskop>
    <al>Een gasverklikker moet, in de stromingsrichting gezien, na de vloeistofmeter
zijn geplaatst. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 41</tuskop>
    <al>Een gasverklikker mag niet zijn voorzien van een ontluchtingsschroef of
een andere ontluchtingsvoorziening. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 42</tuskop>
    <al>In een gasverklikker mogen inrichtingen zijn aangebracht, waarmee de vloeistofstroom
zichtbaar kan worden gemaakt, mits zij het waarnemen van in de vloeistof meegevoerde
lucht- of gasbellen niet beletten. </al>
    <tuskop letat="vet">Titel 6. Vulling van een benzinepomp </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 43</tuskop>
    <al>De vloeistofmeter en de leiding tussen de vloeistofmeter en de meetgrens
moeten te allen tijde automatisch met vloeistof gevuld blijven. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 44</tuskop>
    <al>1. De als gevolg van temperatuurschommelingen optredende extra fout van
de hoeveelheid vloeistof in de leiding tussen de vloeistofmeter en de meetgrens
mag ten hoogste 1% van de kleinste afleveringshoeveelheid bedragen.</al>
    <al>2. Het eerste lid geldt bij temperatuurschommelingen binnen:</al>
    <al>a. 5 °C, indien het aan de omgevingstemperatuur blootgestelde leidingen
betreft;</al>
    <al>b. 2 °C, indien het geïsoleerde of ingegraven leidingen betreft,
waarbij de kubieke uitzettingscoëfficiënt 0,001 per °C bedraagt. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 45</tuskop>
    <al>1. Een benzinepomp moet zijn voorzien van een terugslagklep, die gemonteerd
is tussen de luchtafscheider en de vloeistofmeter, waarbij het door de klep
veroorzaakte drukverlies verwaarloosbaar moet zijn.</al>
    <al>2. Indien de luchtafscheider zich boven het niveau van de vloeistofmeter
bevindt, mag de terugslagklep direct na de vloeistofmeter zijn aangebracht. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 46</tuskop>
    <al>Bij een benzinepomp moet op het uiteinde van de slang een met de hand
te bedienen afsluitinrichting zijn aangebracht, die bovendien van een automatische
afsluitinrichting mag zijn voorzien. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 47</tuskop>
    <al>Bij een benzinepomp moet het vrije uiteinde van de slang zijn voorzien
van een inrichting, die verhindert dat de slang wordt geledigd wanneer er
niet wordt gemeten. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 48</tuskop>
    <al>Indien de afsluitinrichting zich, in de stromingsrichting gezien, na de
in artikel 47 bedoelde inrichting bevindt, moet de tussenruimte een volume
hebben dat kleiner is dan de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid
van de benzinepomp. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 49</tuskop>
    <al>Indien de slang uit meer dan één deel bestaat, moeten deze
delen zijn verbonden door:</al>
    <al>a. een koppelingssysteem, dat zodanig is uitgevoerd, dat de delen zonder
speciaal gereedschap niet los kunnen worden gemaakt, of</al>
    <al>b. speciale koppelingen, waardoor de slang vol blijft. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 50</tuskop>
    <al>1. De inwendige volumetoename van een slang die is bestemd voor aansluiting
op een benzinepomp mag bij de overgang van een drukloze toestand naar een
druk van 2 bar effectief per meter slanglengte niet meer bedragen dan 3%
van de totale slanginhoud, met dien verstande dat de inwendige volumetoename
niet minder behoeft te bedragen dan 10 cm<sup>3</sup> per meter slanglengte.</al>
    <al>2. De inwendige volumetoename van een slang die is aangesloten op een
benzinepomp mag bij de overgang van een rusttoestand naar een toestand onder
pompdruk, zonder dat er een aflevering plaatsvindt, niet meer bedragen dan
de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid, vermeerderd
met de toegelaten afwijking voor de nulaanwijzing na nulstelling. </al>
    <tuskop letat="vet">Titel 7. Aftakkingen, omloopleidingen en andere inrichtingen </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 51</tuskop>
    <al>Vertakkingen na de vloeistofmeter zijn slechts toegestaan, indien de aflevering:</al>
    <al>a. niet gelijktijdig via meerdere tappunten kan geschieden, en</al>
    <al>b. via een willekeurig tappunt slechts een aanvang kan nemen na voorafgaande
nulstelling van de aanwijsinrichting. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 52</tuskop>
    <al>Omloopleidingen, aangebracht buiten de vloeistofmeter om, zijn niet toegestaan. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 53</tuskop>
    <al>Een benzinepomp moet zodanig zijn opgesteld, dat onder normale gebruiksomstandigheden
de aanwijsinrichtingen goed zichtbaar zijn en gelijktijdig met een eventueel
aanwezige gasverklikker kunnen worden waargenomen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 54</tuskop>
    <al>Voor benzinepompen met een maximaal meetvermogen van ten hoogste 60 l/min
bedraagt de kleinste afleveringshoeveelheid ten hoogste 5 liter. </al>
    <tuskop letat="vet">Titel 8. Zelfbedieningsinrichtingen </tuskop>
    <tuskop letat="vet">Paragraaf 1. Algemene bepalingen </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 55</tuskop>
    <al>In deze titel wordt verstaan onder:</al>
    <al>zelfbedieningsinrichting met betaling achteraf: een zelfbedieningsinrichting,
waarbij de afnemer op een tijdstip, gelegen na de aflevering en voor het verlaten
van de plaats waar de aflevering geschiedt, een prijs betaalt voor de afgenomen
hoeveelheid brandstof;</al>
    <al>zelfbedieningsinrichting met betaling vooraf: een zelfbedieningsinrichting,
waarbij de afnemer op een tijdstip, gelegen voor de aflevering, een prijs
betaalt voor een hoeveelheid brandstof, waarvan de prijs overeenkomt met het
betaalde bedrag;</al>
    <al>zelfbedieningsinrichting met uitgestelde betaling: een zelfbedieningsinrichting,
tot welke de afnemer op een tijdstip, gelegen voor de aflevering, toegang
verkrijgt en waarbij hij, nadat de aflevering is geregistreerd, de plaats
waar de aflevering geschiedt kan verlaten zonder voor de afgenomen hoeveelheid
een prijs te hebben betaald;</al>
    <al>vrijgave: een handeling, die de benzinepomp in een zodanige toestand brengt,
dat een aanvang kan worden genomen met de aflevering;</al>
    <al>niet-automatische vrijgave: een vrijgave, die slechts kan worden verricht
op het bedieningspaneel van een zelfbedieningsinrichting met betaling achteraf;</al>
    <al>automatische vrijgave: een vrijgave, die zelfstandig door de zelfbedieningsinrichting
wordt uitgevoerd;</al>
    <al>gereproduceerde aanwijzing: de reproductie van de aanwijzing van een benzinepomp
op een zelfbedieningsinrichting;</al>
    <al>waakhondschakeling: een schakeling, die tot doel heeft de voortgang van
een computerprogramma te bewaken. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 56</tuskop>
    <al>1. Op een belangrijk onderdeel van een zelfbedieningsinrichting moeten
op een voor dat doel bestemde opschriftenplaat zijn vermeld:</al>
    <al>a. het nummer van de verklaring van toelating van het model waarnaar de
benzinepomp, waarvan de zelfbedieningsinrichting deel uitmaakt, is vervaardigd;</al>
    <al>b. de identificatie van de fabrikant of zijn firmanaam;</al>
    <al>c. een type-aanduiding van de fabrikant;</al>
    <al>d. het jaar waarin de benzinepomp, waarvan de zelfbedieningsinrichting
deel uitmaakt, is vervaardigd en het fabrieksnummer;</al>
    <al>e. de zelfbedieningsfunctie.</al>
    <al>2. De zelfbedieningsfunctie, bedoeld in het eerste lid, onder e, moet
als volgt worden vermeld:</al>
    <al>a. bij zelfbedieningsinrichtingen met betaling achteraf: door middel van
de aanduiding ’betaling achteraf’ of de afkorting ’za’;</al>
    <al>b. bij zelfbedieningsinrichtingen met betaling vooraf: door middel van
de aanduiding ’betaling vooraf’ of de afkorting ’zv’;</al>
    <al>c. bij zelfbedieningsinrichtingen met uitgestelde betaling: door middel
van de aanduiding ’uitgestelde betaling’ of de afkorting ’zu’;</al>
    <al>d. bij zelfbedieningsinrichtingen met meerdere zelfbedieningsfuncties:
door middel van een combinatie van de onder a tot en met c genoemde aanduidingen
of afkortingen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 57</tuskop>
    <al>1. Bij zelfbedieningsinrichtingen moet op een van buitenaf zichtbare plaats
een voorziening zijn aangebracht voor het aanbrengen van een ijkmerk.</al>
    <al>2. De voorziening moet op een zodanige wijze met de zelfbedieningsinrichting
zijn verbonden, dat deze niet kan worden verwijderd zonder het ijkmerk te
beschadigen.</al>
    <al>3. De voorziening moet tevens de opschriftenplaat, bedoeld in artikel
56, eerste lid, borgen.</al>
    <al>4. Bij zelfbedieningsinrichtingen met meerdere zelfbedieningsfuncties
moet de voorziening voor elke zelfbedieningsfunctie worden aangebracht. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 58</tuskop>
    <al>Op een zelfbedieningsinrichting kunnen meerdere gemeenschappelijke benzinepompen
zijn aangesloten. </al>
    <tuskop letat="vet">Paragraaf 2. Bijzondere bepalingen voor zelfbedieningsinrichtingen
met betaling achteraf </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 59</tuskop>
    <al>Deze paragraaf is slechts van toepassing op zelfbedieningsinrichtingen
met betaling achteraf. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 60</tuskop>
    <al>1. De zelfbedieningsinrichting moet ten minste bestaan uit:</al>
    <al>a. een op afstand van de benzinepomp geplaatst bedieningspaneel ten behoeve
van de besturing van de pomp;</al>
    <al>b. een inrichting voor de reproductie van de aanwijzingen van de benzinepomp,
die bestaat uit:</al>
    <al>1°. een afdrukinrichting voor de afgifte van een bon aan de afnemer,
of</al>
    <al>2°. een aanwijsinrichting ten behoeve van de leverancier alsmede een
aanwijsinrichting ten behoeve van de afnemer.</al>
    <al>2. Meerdere aanwijsinrichtingen of afdrukinrichtingen zijn toegestaan,
mits:</al>
    <al>a. de aangewezen gegevens op die aanwijsinrichtingen niet als gereproduceerde
aanwijzingen kunnen worden opgevat;</al>
    <al>b. de overige afdrukinrichtingen niet zijn bestemd voor de afgifte van
een bon aan de afnemer. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 61</tuskop>
    <al>1. De zelfbedieningsinrichting moet het volume of het bedrag van de aanwijzing
van de benzinepomp reproduceren.</al>
    <al>2. Indien de zelfbedieningsinrichting functioneert voor meerdere benzinepompen,
moet op elke benzinepomp een pompnummer zijn aangebracht, dat mede moet worden
aangewezen dan wel afgedrukt. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 62</tuskop>
    <al>1. De vermelding van de prijs per eenheid van volume is slechts toegestaan,
indien:</al>
    <al>a. deze niet anders kan zijn dan de prijs per eenheid, vermeld op de benzinepomp,
of</al>
    <al>b. de zelfbedieningsinrichting een zodanige automatische controle uitvoert
op de van de benzinepomp afkomstige gegevens met betrekking tot het volume
en bedrag, dat</al>
    <al>1°. het verschil tussen het volume, berekend uit het door de zelfbedieningsinrichting
gereproduceerde bedrag en de aangegeven eenheidsprijs, en het gereproduceerde
volume steeds kleiner is dan tweemaal de maximaal toelaatbare fout op de kleinste
afleveringshoeveelheid, of</al>
    <al>2°. het verschil tussen het bedrag, berekend uit het door de zelfbedieningsinrichting
gereproduceerde volume en de aangegeven eenheidsprijs, en het gereproduceerde
bedrag steeds kleiner is dan de prijs van een hoeveelheid, gelijk aan tweemaal
de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid.</al>
    <al>2. Zodra door de automatische controle, bedoeld in het eerste lid, onder
b, wordt vastgesteld dat het desbetreffende verschil wordt overschreden, mogen
de aanwijzingen van de pomp niet door de zelfbedieningsinrichting worden gereproduceerd. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 63</tuskop>
    <al>Op afdruk- en aanwijsinrichtingen van de zelfbedieningsinrichtingen is,
behoudens voor zover in deze paragraaf anders is bepaald, de IJkregeling vloeistofmeters
van toepassing, voor zover daarin voorschriften zijn vastgesteld met betrekking
tot afdruk- en aanwijsinrichtingen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 64</tuskop>
    <al>1. De gereproduceerde aanwijzingen van afdruk- en aanwijsinrichtingen
van de zelfbedieningsinrichtingen mogen onderling niet verschillen.</al>
    <al>2. Bij de zelfbedieningsinrichtingen moet een afleeseenheid gelijk zijn
aan de waarde van een afdrukeenheid. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 65</tuskop>
    <al>Bij de zelfbedieningsinrichtingen behoeft de waarde van de afdrukeenheid
niet op de afdrukinrichting te worden vermeld. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 66</tuskop>
    <al>Afdrukinrichtingen van de zelfbedieningsinrichtingen mogen de aanwijzingen
van een benzinepomp niet reproduceren als een verschil van twee afgedrukte
waarden. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 67</tuskop>
    <al>De zelfbedieningsinrichtingen behoeven geen automatische controle uit
te voeren op de door de benzinepomp aangeboden informatie. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 68</tuskop>
    <al>Indien de aanwijsinrichting ten behoeve van de afnemer als een afzonderlijke
constructieve eenheid is uitgevoerd, moet de vrijgave van de benzinepompen
worden verhinderd, indien de aanwijsinrichting ten behoeve van de afnemer
wordt losgekoppeld. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 69</tuskop>
    <al>1. Tot het tijdstip waarop de leverancier door middel van een daartoe
te verrichten handeling heeft ingestemd met de gereproduceerde aanwijzingen
van een aflevering door een benzinepomp op het bedieningspaneel van de zelfbedieningsinrichting,
moet met de aanwijzing op een aanwijsinrichting ten behoeve van de leverancier
steeds gelijktijdig diezelfde aanwijzing op een aanwijsinrichting ten behoeve
van de afnemer worden gereproduceerd.</al>
    <al>2. Het eerste lid is niet van toepassing gedurende een aflevering aan
een benzinepomp, voor zover het betreft de aanwijzing door een aanwijsinrichting
ten behoeve van de leverancier. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 70</tuskop>
    <al>1. Gereproduceerde aanwijzingen voor een bepaalde aflevering mogen niet
meer plaatsvinden vanaf het tijdstip waarop de daarop volgende aflevering
aan dezelfde benzinepomp wordt beëindigd.</al>
    <al>2. Van het niet meer plaatsvinden van een gereproduceerde aanwijzing is
sprake, indien de aanwijzing niet meer als een gereproduceerde aanwijzing
van een benzinepomp herkenbaar is. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 71</tuskop>
    <al>1. De zelfbedieningsinrichtingen mogen zijn voorzien van een voorziening
die de mogelijkheid biedt tot vrijgave van een benzinepomp voor ten hoogste één
volgende aflevering, zonder dat ten aanzien van de daaraan voorafgaande aflevering
door de leverancier de in artikel 69, eerste lid, bedoelde handeling is verricht,
mits de gereproduceerde aanwijzingen slechts in de volgorde waarin de afleveringen
hebben plaatsgevonden worden aangewezen.</al>
    <al>2. Indien gebruik wordt gemaakt van de in het eerste lid bedoelde voorziening,
geldt in afwijking van artikel 70 dat de gegevens van een aflevering ten aanzien
waarvan de in artikel 69, eerste lid, bedoelde handeling is verricht, nog
door de zelfbedieningsinrichting mogen worden aangewezen of gereproduceerd
tot het tijdstip waarop de gegevens van de daarop volgende aflevering door
middel van een afzonderlijk daartoe te verrichten handeling worden gereproduceerd.</al>
    <al>3. Het tweede lid is niet van toepassing, indien, nadat ten aanzien van
de gereproduceerde aanwijzingen de in artikel 69, eerste lid, bedoelde handeling
is verricht, op dezelfde aanwijsinrichtingen aanwijzingen van een andere benzinepomp
worden gereproduceerd. In dat geval mogen de gegevens ten aanzien waarvan
de in artikel 69, eerste lid, bedoelde handeling is verricht, niet nogmaals
kunnen worden aangewezen, tenzij de daarop volgende aflevering aan dezelfde
benzinepomp nog niet is beëindigd. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 72</tuskop>
    <al>1. Indien op de zelfbedieningsinrichting een kaartlezer is aangesloten,
die het mogelijk maakt om de betaling door middel van een kredietkaart of
een daarmee vergelijkbare kaart tot een later tijdstip uit te stellen, moet
de zelfbedieningsinrichting zijn voorzien van:</al>
    <al>a. een afdrukinrichting voor de afgifte van een bon aan de afnemer;</al>
    <al>b. een afdrukinrichting waarop dergelijke betalingen ten behoeve van de
leverancier worden geregistreerd.</al>
    <al>2. De in het eerste lid bedoelde afdrukinrichtingen moeten de mogelijkheid
bieden dat de gemaakte afdruk kan worden vergeleken met de uiteindelijke afrekening.</al>
    <al>3. De in het eerste lid bedoelde afdrukinrichtingen mogen worden gecombineerd.</al>
    <al>4. Indien de in het eerste lid bedoelde afdrukinrichtingen geen afdrukken
tot stand kunnen brengen, mag het niet mogelijk zijn de betaling door middel
van een kredietkaart of een daarmee vergelijkbare kaart te doen plaatsvinden. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 73</tuskop>
    <al>1. Het aanwijzen van andere gegevens dan gereproduceerde aanwijzingen
van een benzinepomp op de aanwijsinrichting ten behoeve van de afnemer is
niet toegestaan.</al>
    <al>2. Indien de zelfbedieningsinrichting is uitgerust met een voorziening
als bedoeld in artikel 71, mogen de gegevens van twee opeenvolgende afleveringen
van eenzelfde benzinepomp uitsluitend op de aanwijsinrichting ten behoeve
van de leverancier worden aangewezen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 74</tuskop>
    <al>Op benzinepompen met een zelfbedieningsinrichting moet een gebruiksaanwijzing
zijn aangebracht, waaruit duidelijk blijkt:</al>
    <al>a. welke handelingen moeten worden verricht om de aflevering te doen plaatsvinden;</al>
    <al>b. hoe de betaling moet plaatsvinden. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 75</tuskop>
    <al>Op het bedieningspaneel van de zelfbedieningsinrichting moet voor de leverancier
voortdurend duidelijk zijn in welke toestand een benzinepomp zich bevindt. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 76</tuskop>
    <al>Indien de zelfbedieningsinrichting is uitgerust met een voorziening voor
volumevoorinstelling en in de benzinepomp ten behoeve van die voorinstelling
bepaalde voorzieningen zijn getroffen, is op die zelfbedieningsinrichting
de IJkregeling vloeistofmeters van overeenkomstige toepassing, voor zover
daarin voorschriften zijn vastgesteld met betrekking tot volumevoorinstelinrichtingen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 77</tuskop>
    <al>Indien de zelfbedieningsinrichting is uitgerust met een voorziening voor
prijsvoorinstelling en in de benzinepomp ten behoeve van die voorinstelling
bepaalde voorzieningen zijn getroffen, is op die zelfbedieningsinrichting
de IJkregeling vloeistofmeters van overeenkomstige toepassing, voor zover
daarin voorschriften zijn vastgesteld met betrekking tot prijsvoorinstelinrichtingen. </al>
    <tuskop letat="vet">Paragraaf 3. Bijzondere bepalingen voor zelfbedieningsinrichtingen
met betaling vooraf </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 78</tuskop>
    <al>Deze paragraaf is slechts van toepassing op zelfbedieningsinrichtingen
met betaling vooraf. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 79</tuskop>
    <al>De betaling bij de zelfbedieningsinrichting moet geschieden door middel
van:</al>
    <al>a. een automaat, die in de nabijheid van de benzinepomp is opgesteld,
of</al>
    <al>b. een door de leverancier te verrichten handeling, inhoudende het intoetsen
van het betaalde bedrag op een bedieningspaneel, waarna vrijgave van de gewenste
benzinepomp voor dat bedrag plaatsvindt. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 80</tuskop>
    <al>1. Indien de betaling geschiedt overeenkomstig artikel 79, onder a, moet
voor het volledige betaalde bedrag brandstof kunnen worden verkregen, tenzij
de aflevering tussentijds wordt beëindigd en niet binnen drie minuten
wordt hervat.</al>
    <al>2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien:</al>
    <al>a. de afnemer na beëindiging van elke aflevering een afdruk kan verkrijgen,
waaruit blijkt welk bedrag tevoren is betaald en voor welk bedrag brandstof
is verkregen;</al>
    <al>b. ten behoeve van de leverancier na beëindiging van elke aflevering
automatisch een afdruk wordt gemaakt, die de onder a bedoelde gegevens bevat.</al>
    <al>3. Op de afdrukinrichtingen, die de in het tweede lid bedoelde afdrukken
vervaardigen, is, behoudens voor zover in deze paragraaf anders is bepaald,
de IJkregeling vloeistofmeters van toepassing, voor zover daarin voorschriften
zijn vastgesteld met betrekking tot afdrukinrichtingen.</al>
    <al>4. De afdruk, bedoeld in het tweede lid, onder a, mag als volgt worden
gesplitst in twee afdrukken:</al>
    <al>a. één afdruk, waarop het vooruitbetaalde bedrag wordt afgedrukt
en dat als zodanig herkenbaar is,</al>
    <al>b. één afdruk van de aflevering zelf na beëindiging
daarvan,</al>
    <al>mits uit de informatie van beide afdrukken duidelijk blijkt dat zij betrekking
hebben op eenzelfde aflevering.</al>
    <al>5. Indien de in het tweede lid bedoelde afdrukken niet tot stand kunnen
komen mag vrijgave van de benzinepomp niet plaatsvinden zolang de oorzaak
niet is opgeheven. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 81</tuskop>
    <al>Bij de zelfbedieningsinrichtingen behoeft de waarde van de afdrukeenheid
niet op de afdrukinrichting te worden vermeld. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 82</tuskop>
    <al>Afdrukinrichtingen van de zelfbedieningsinrichtingen mogen de aanwijzingen
van een benzinepomp niet reproduceren als een verschil van twee afgedrukte
waarden. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 83</tuskop>
    <al>De zelfbedieningsinrichtingen behoeven geen automatische controle uit
te voeren op de door de benzinepomp aangeboden informatie. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 84</tuskop>
    <al>Indien de zelfbedieningsinrichting is uitgerust met een voorziening voor
prijsvoorinstelling en in de benzinepomp ten behoeve van die voorinstelling
bepaalde voorzieningen zijn getroffen, is op die zelfbedieningsinrichting
de IJkregeling vloeistofmeters van overeenkomstige toepassing, voor zover
daarin voorschriften zijn vastgesteld met betrekking tot prijsvoorinstelinrichtingen,
tenzij in deze paragraaf anders is bepaald. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 85</tuskop>
    <al>De zelfbedieningsinrichtingen behoeven het vooruitbetaalde of vooringestelde
bedrag, zowel voorafgaand aan de aflevering als daarna, niet aan te wijzen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 86</tuskop>
    <al>Artikel 26, vierde lid, van de IJkregeling vloeistofmeters is niet van
toepassing. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 87</tuskop>
    <al>1. Het kleinste vooruit te betalen bedrag moet overeenkomen met de prijs
van 1 liter brandstof.</al>
    <al>2. Indien bij betaling overeenkomstig artikel 79, onder a, het kleinste
vooruit te betalen bedrag niet is bereikt, moet het reeds ingebrachte geld
door middel van een daartoe op de automaat te verrichten handeling terug kunnen
worden verkregen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 88</tuskop>
    <al>1. Indien de kleinste afleveringshoeveelheid van een benzinepomp meer
bedraagt dan 2 liter, moet het vooruitbetalen van bedragen, die leiden tot
afleveringen van hoeveelheden, kleiner dan de kleinste afleveringshoeveelheid,
worden verhinderd.</al>
    <al>2. Artikel 87, tweede lid, is alsdan van overeenkomstige toepassing. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 89</tuskop>
    <al>1. Op of in de nabijheid van een benzinepomp met een zelfbedieningsinrichting
moet een gebruiksaanwijzing voor de afnemer zijn aangebracht.</al>
    <al>2. Indien betaling geschiedt overeenkomstig artikel 79, onder a, moet
de automaat van een passende gebruiksaanwijzing zijn voorzien.</al>
    <al>3. Indien de zelfbedieningsinrichting functioneert voor meerdere benzinepompen,
moet op elke benzinepomp duidelijk een pompnummer zijn aangebracht. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 90</tuskop>
    <al>Slangkranen van benzinepompen waarop een zelfbedieningsinrichting is aangesloten,
moeten zodanig zijn geconstrueerd, dat daarmee bij uitgeschakelde pompmotor,
door met de hand met het afsluitorgaan een pompende beweging te maken, in één
minuut een grotere hoeveelheid vloeistof kan worden verkregen dan de maximaal
toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid. </al>
    <tuskop letat="vet">Paragraaf 4. Bijzondere bepalingen voor zelfbedieningsinrichtingen
met uitgestelde betaling </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 91</tuskop>
    <al>Deze paragraaf is slechts van toepassing op zelfbedieningsinrichtingen
met uitgestelde betaling. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 92</tuskop>
    <al>De aflevering bij benzinepompen met een zelfbedieningsinrichting kan slechts
een aanvang nemen na een vrijgave, die wordt verkregen doordat de afnemer
een sleutel, een gecodeerde kaart, een chipkaart of een soortgelijk voorwerp
heeft ingebracht in een in de nabijheid van de benzinepomp opgestelde automaat. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 93</tuskop>
    <al>1. De informatie met betrekking tot een aflevering moet door een benzinepomp
in een zodanige vorm aan de zelfbedieningsinrichting worden aangeboden, dat
daarop door de zelfbedieningsinrichting een automatische controle kan worden
uitgevoerd.</al>
    <al>2. Met behulp van de controle, bedoeld in het eerste lid, moet kunnen
worden vastgesteld dat verstoringen van de informatie met betrekking tot het
volume, geen grotere fout in die informatie veroorzaken dan de maximaal toelaatbare
fout op de kleinste afleveringshoeveelheid.</al>
    <al>3. Met behulp van de controle, bedoeld in het eerste lid, moet in voorkomende
gevallen kunnen worden vastgesteld dat verstoringen van de informatie met
betrekking tot het bedrag, geen grotere fout in die informatie veroorzaken
dan de prijs van een hoeveelheid, gelijk aan de maximaal toelaatbare fout
op de kleinste afleveringshoeveelheid. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 94</tuskop>
    <al>1. De zelfbedieningsinrichting moet een automatische controle uitvoeren
op de door de benzinepomp aangeboden informatie.</al>
    <al>2. De automatische controle moet tot gevolg hebben dat, zodra een fout
in de aangeboden informatie wordt vastgesteld, die groter is dan die welke
ingevolge artikel 93, tweede en derde lid, is toegestaan, de aflevering wordt
afgebroken. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 95</tuskop>
    <al>1. Indien de benzinepomp is voorzien van een zelfbedieningsinrichting,
moeten automatische controles plaatsvinden op de verwerking, de opslag en
de registratie van de door de benzinepomp aangeboden informatie.</al>
    <al>2. De automatische controles moeten tot gevolg hebben dat, zodra bij de
verwerking, opslag of registratie fouten worden vastgesteld, geen vrijgave
plaatsvindt, anders dan na een handeling door de leverancier.</al>
    <al>3. Indien de verwerking, de opslag en de registratie per individuele afnemer
plaatsvindt, is het tweede lid slechts van toepassing ten aanzien van de vrijgave
ten behoeve van de desbetreffende individuele afnemer. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 96</tuskop>
    <al>Microprocessoren, die bij het wegvallen van hun klokfrequentie de registratie
van het meetresultaat beïnvloeden, moeten van een waakhondschakeling
zijn voorzien, waarbij, indien deze schakeling niet meer door het programma
van de microcomputer wordt geactiveerd, de afleveringen die op dat tijdstip
plaatsvinden, worden stopgezet en nieuwe afleveringen geen aanvang kunnen
nemen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 97</tuskop>
    <al>1. De voor de betaling relevante informatie moet door de zelfbedieningsinrichting
zodanig worden geregistreerd, dat bij de verdere verwerking van die informatie
kan worden vastgesteld of de geregistreerde gegevens correct zijn.</al>
    <al>2. De apparatuur die de verdere verwerking van de informatie uitvoert,
moet zodanig zijn ingericht, dat fouten in de door de zelfbedieningsinrichting
geregistreerde informatie worden vastgesteld.</al>
    <al>3. Indien de in het tweede lid bedoelde apparatuur vaststelt dat de te
verwerken informatie niet correct zou kunnen zijn, moet dit automatisch op
de afrekening kenbaar worden gemaakt. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 98</tuskop>
    <al>Hetgeen overigens in deze regeling is bepaald ten aanzien van bij de zelfbedieningsinrichting
behorende apparatuur, welke is bestemd om de geregistreerde gegevens met betrekking
tot afleveringen op te slaan en verder te verwerken, is niet van toepassing,
indien:</al>
    <al>a. de zelfbedieningsinrichting zodanig is ingericht, dat:</al>
    <al>1°. ten behoeve van de leverancier van iedere aflevering de relevante
gegevens automatisch worden afgedrukt, en</al>
    <al>2°. de afnemer een bon van de aflevering verkrijgt,</al>
    <al>b. de afdrukken, bedoeld onder a, onder 1° en 2°, voldoende informatie
bevatten voor een controle van de uiteindelijke afrekening, en</al>
    <al>c. het niet tot stand komen van de afdrukken, bedoeld onder a, onder 1°
of 2°, tot gevolg heeft dat geen vrijgave plaatsvindt anders dan na een
daartoe te verrichten handeling door de leverancier. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 99</tuskop>
    <al>Op afdrukinrichtingen van de zelfbedieningsinrichtingen is, behoudens
voor zover in deze paragraaf anders is bepaald, de IJkregeling vloeistofmeters
van toepassing, voor zover daarin voorschriften zijn vastgesteld met betrekking
tot afdrukinrichtingen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 100</tuskop>
    <al>Bij de zelfbedieningsinrichtingen behoeft de waarde van de afdrukeenheid
niet op de afdrukinrichting te worden vermeld. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 101</tuskop>
    <al>Afdrukinrichtingen van de zelfbedieningsinrichtingen mogen de aanwijzingen
van een benzinepomp niet reproduceren als een verschil van twee afgedrukte
waarden. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 102</tuskop>
    <al>1. De zelfbedieningsinrichting moet het volume of het bedrag van de aanwijzing
van de benzinepomp reproduceren.</al>
    <al>2. Indien de zelfbedieningsinrichting functioneert voor meerdere benzinepompen,
moet op elke benzinepomp een pompnummer zijn aangebracht, dat mede moet worden
aangewezen dan wel afgedrukt. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 103</tuskop>
    <al>1. De registratie van de prijs per eenheid van volume is slechts toegestaan,
indien:</al>
    <al>a. deze niet anders kan zijn dan de prijs per eenheid, vermeld op de benzinepomp,
of</al>
    <al>b. de zelfbedieningsinrichting een zodanige automatische controle uitvoert
op de van de benzinepomp afkomstige gegevens met betrekking tot het volume
en bedrag, dat</al>
    <al>1°. het verschil tussen het volume, berekend uit het door de zelfbedieningsinrichting
gereproduceerde bedrag en de geregistreerde eenheidsprijs, en het gereproduceerde
volume steeds kleiner is dan tweemaal de maximaal toelaatbare fout op de kleinste
afleveringshoeveelheid, of</al>
    <al>2°. het verschil tussen het bedrag, berekend uit het door de zelfbedieningsinrichting
gereproduceerde volume en de geregistreerde eenheidsprijs, en het gereproduceerde
bedrag steeds kleiner is dan de prijs van een hoeveelheid, gelijk aan tweemaal
de maximaal toelaatbare fout op de kleinste afleveringshoeveelheid.</al>
    <al>2. Zodra door de automatische controle, bedoeld in het eerste lid, onder
b, wordt vastgesteld dat het desbetreffende verschil wordt overschreden, moet
de desbetreffende aflevering worden onderbroken. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 104</tuskop>
    <al>Handelingen met betrekking tot afleveringen, verricht door een afnemer,
mogen zich niet onderscheiden van afleveringen, verricht door de leverancier. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 105</tuskop>
    <al>1. Bij de zelfbedieningsinrichtingen die slechts de gegevens met betrekking
tot het volume van benzinepompen registreren, mag de registratie plaatsvinden
in eenheden van:</al>
    <al>a. 0,02 liter,</al>
    <al>b. 0,05 liter, of</al>
    <al>c. 0,1 liter.</al>
    <al>2. Indien een registratie als bedoeld in het eerste lid leidt tot een
verhoging van de kleinste afleveringshoeveelheid van de benzinepomp, behoeft
dit niet door middel van een opschrift op die benzinepomp kenbaar te worden
gemaakt.</al>
    <al>3. Bij registratie in de eenheden, bedoeld in het eerste lid, onder a,
b en c, bedraagt de kleinste afleveringshoeveelheid respectievelijk 5 liter,
10 liter en 20 liter. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 106</tuskop>
    <al>1. Indien gedurende een aflevering de voedingsspanning van de zelfbedieningsinrichting
wegvalt, moet de aflevering automatisch worden beëindigd.</al>
    <al>2. Een aflevering die is beëindigd, moet bij het wegvallen van de
voedingsspanning of direct na het herstel van de voedingsspanning automatisch
worden geregistreerd, tenzij na het wegvallen of het herstel geen vrijgave
van benzinepompen meer kan plaatsvinden, anders dan na een daartoe door de
leverancier te verrichten handeling. </al>
    <tuskop letat="vet">Paragraaf 5. Bijzondere bepalingen voor zelfbedieningsinrichtingen
met meerdere zelfbedieningsfuncties </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 107</tuskop>
    <al>Benzinepompen mogen tegelijkertijd voor meerdere zelfbedieningsfuncties
beschikbaar zijn, mits na beëindiging van de aflevering voor de leverancier
uit het bedieningspaneel duidelijk blijkt of de aflevering moet worden afgehandeld
overeenkomstig de werkwijze bij zelfbedieningsinrichtingen met betaling achteraf. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 108</tuskop>
    <al>Indien een benzinepomp wordt omgeschakeld naar een andere zelfbedieningsfunctie
of wordt omgeschakeld van automatische op niet-automatische vrijgave, mag
deze omschakeling niet later effect hebben dan bij de tweede aflevering na
de omschakeling. </al>
    <tuskop letat="vet">Titel 9. Maximaal toelaatbare fouten </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 109</tuskop>
    <al>1. De maximaal toelaatbare fouten in plus en min van een benzinepomp,
uitgedrukt in ml of in procenten van de gemeten hoeveelheid, bedragen, onder
normale bedrijfsomstandigheden en binnen de in de verklaring van toelating
vermelde gebruiksgrenzen voor onderstaande hoeveelheden:</al>
    <plaatje file="stcrt-1998-14-p33-SC12361-1.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
    <al>2. De maximaal toelaatbare fouten op de kleinste afleveringshoeveelheid
bedragen het dubbele van de waarden, bedoeld in het eerste lid.</al>
    <al>3. De maximaal toelaatbare fouten zijn, ongeacht de gemeten hoeveelheid,
nooit kleiner dan die welke op de kleinste afleveringshoeveelheid gelden.</al>
    <al>4. Indien de fouten bij de keuring alle hetzelfde teken hebben, mag ten
minste één daarvan niet meer bedragen dan de helft van de waarden,
bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat deze fout niet minder behoeft
te bedragen dan 0,3% van de gemeten hoeveelheid. </al>
    <tuskop letat="vet">Titel 10. Opschriften </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 110</tuskop>
    <al>Op elke benzinepomp, niet voorzien van een zelfbedieningsinrichting, moeten
op een voor dat doel bestemde opschriftenplaat zijn vermeld:</al>
    <al>a. het nummer van de betrokken verklaring van toelating;</al>
    <al>b. de identificatie van de fabrikant of zijn firmanaam;</al>
    <al>c. een type-aanduiding van de fabrikant;</al>
    <al>d. het jaar waarin de benzinepomp is vervaardigd en het fabrieksnummer;</al>
    <al>e. het maximale meetvermogen;</al>
    <al>f. indien de pomp meerdere meetsecties heeft: het aantal meetsecties. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 111</tuskop>
    <al>Bij benzinepompen als bedoeld in artikel 2, onder b en c, moet het voor
elke meetsectie van de benzinepomp geldende maximale meetvermogen op de opschriftenplaat
zijn samengevoegd. </al>
    <tuskop letat="vet">Titel 11. IJkmerk </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 112</tuskop>
    <al>1. Op een van buitenaf zichtbare plaats moet op een benzinepomp een voorziening
zijn aangebracht voor het aanbrengen van het ijkmerk.</al>
    <al>2. De voorziening moet op zodanige wijze met een vast gedeelte van de
benzinepomp zijn verbonden, dat deze niet kan worden verwijderd zonder het
ijkmerk te beschadigen.</al>
    <al>3. De voorziening moet tevens de opschriftenplaat, bedoeld in artikel
110, borgen. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 113</tuskop>
    <al>Verzegelingsinrichtingen moeten gemakkelijk toegankelijk zijn en zodanig
zijn uitgevoerd, dat een zegelmerk kan worden aangebracht. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 114</tuskop>
    <al>Het zegelmerk moet voldoende zijn beschermd tegen risico’s van toevallige
verbreking. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 115</tuskop>
    <al>Het zegelmerk moet worden aangebracht op de verzegelingsinrichting van
de justeerinrichting van de vloeistofmeter. </al>
    <tuskop letat="vet">Titel 12. Werkwijze bij de onderzoeken </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 116</tuskop>
    <al>Bij het onderzoek tot toelating van een model moet een benzinepomp worden
onderzocht met benzine met een viscositeit van circa 0,6 mPa□s en met
diesel met een viscositeit van circa 5 mPa□s. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 117</tuskop>
    <al>Bij de keuring, de herkeuring, het onderzoek, bedoeld in artikel 16, eerste
lid, van de wet, en het toezicht moet een benzinepomp op de plaats van de
opstelling met het aangetroffen product worden onderzocht. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 118</tuskop>
    <al>1. Ten einde een benzinepomp op de plaats van de opstelling te kunnen
onderwerpen aan de keuring, de herkeuring, het onderzoek, bedoeld in artikel
16, eerste lid, van de wet en het toezicht moet een toegankelijke voorziening
aanwezig zijn om de gemeten vloeistof terug te voeren naar een voorraadreservoir.</al>
    <al>2. Ten einde een benzinepomp op de plaats van de opstelling te kunnen
onderwerpen aan de keuring moeten proeven kunnen worden uitgevoerd bij het
minimale meetvermogen en het maximale meetvermogen van de benzinepomp, binnen
een marge van -20% en +10%;</al>
    <al>3. Ten einde een benzinepomp op de plaats van de opstelling te kunnen
onderwerpen aan de herkeuring, het onderzoek, bedoeld in artikel 16, eerste
lid, van de wet en het toezicht moeten proeven kunnen worden uitgevoerd bij
het minimale meetvermogen en het maximale meetvermogen van de benzinepomp,
binnen een marge van -40% en +20%. </al>
    <tuskop letat="vet">Hoofdstuk 3. Slotbepalingen </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Artikel 119</tuskop>
    <al>Na de inwerkingtreding van deze regeling berusten de krachtens de IJkregeling
benzinepompen (Stcrt. 1989, 83) vastgestelde besluiten op deze regeling. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 120</tuskop>
    <al>De IJkregeling benzinepompen (Stcrt. 1989, 83) wordt ingetrokken </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 121</tuskop>
    <al>Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening
van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. </al>
    <tuskop letat="cur">Artikel 122</tuskop>
    <al>Deze regeling wordt aangehaald als: IJkregeling benzinepompen.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.</al>
  </body>
  <backm>
    <ondtek>’s-Gravenhage, 11 december 1997. <nl></nl><min>De Minister van Economische
Zaken,</min>G.J. Wijers.<nl></nl></ondtek>
    <toelicht>
      <tuskop letat="vet">Toelichting</tuskop>
      <al>Deze ministeriële regeling strekt tot vervanging van de IJkregeling
benzinepompen (Stcrt 1989, 83). Het ontwerp van die ministeriële regeling
werd niet genotificeerd overeenkomstig artikel 8, eerste lid, van richtlijn
nr. 83/189/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 maart 1983
betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische
voorschriften (PbEG L 109)<sup>1</sup>. Om alsnog aan de verplichting tot
notificatie te voldoen is deze regeling in ontwerp aan de Commissie van de
Europese Gemeenschappen genotificeerd (zie ook kamerstukken II 1996/97, 25
389).</al>
      <al>De tekst van de regeling is grotendeels identiek aan de tekst van de huidige
IJkregeling benzinepompen. Om verwarring te voorkomen is ook de citeertitel
intact gelaten.</al>
      <al>Nieuw zijn de - wetstechnische - artikelen 119, 120, 121 en 122. Er heeft
ook een inhoudelijke wijziging plaatsgevonden. Deze aanpassing houdt verband
met het feit, dat door de Commissie van de Europese Gemeenschappen is gewezen
op de plicht tot wederzijdse erkenning van gelijkwaardige meetmiddelen. Met
het nieuwe artikel 3a is aan de opmerking van de Commissie gevolg gegeven.</al>
      <al>Het ontwerp van de regeling is op 4 augustus 1997 gemeld aan de Commissie
van de Europese Gemeenschappen, ter voldoening aan artikel 8, eerste lid,
van de eerdergenoemde richtlijn nr. 83/189/EEG (notificatienummer 97/0473/NL).
Het is op 23 september 1997 tevens gemeld aan het Secretariaat van de Wereld
Handelsorganisatie, ter voldoening aan artikel 2, negende lid, van het op
15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen verdrag inzake technische handelsbelemmeringen
(Trb. 1994, 235). Een aankondiging van de desbetreffende notificatie is gepubliceerd
in Stcrt. 1997, 187. Naar aanleiding van deze notificaties zijn geen opmerkingen
gemaakt of uitvoerig gemotiveerde meningen uitgebracht door lid-staten van
de Europese Unie en is ook geen commentaar geleverd door lid-staten van de
Wereld Handelsorganisatie. Alleen de Commissie van de Europese Gemeenschappen
heeft een opmerking gemaakt waarin wordt gewezen op de voorbereiding van een
nieuwe richtlijn met betrekking tot meetinstrumenten. Nederland heeft in een
reactie aangegeven zich daarvan bewust te zijn en dat nationale regelgeving
zal worden aangepast aan de richtlijn nadat deze tot stand is gekomen.</al>
      <al>Deze notificaties waren noodzakelijk, aangezien de regeling vermoedelijk
technische voorschriften bevat in de zin van richtlijn 83/189/EEG, zoals gewijzigd.
Een wijziging in artikel 109 is reeds genotificeerd (nummer 89/0815/NL). Indicatief
kunnen als de overige technische voorschriften worden aangewezen de artikelen
1 tot en met 58, 60 tot en met 77 en 79 tot en met 118. Voor zover de regeling
kwantitatieve invoerbeperkingen of maatregelen van gelijke werking in de zin
van artikel 30 EG-Verdrag bevat, worden deze maatregelen gerechtvaardigd ter
bescherming van het belang van de eerlijkheid van handelstransacties en de
bescherming van consumenten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De Minister van Economische Zaken,</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">G.J. Wijers.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <sup>1</sup> Laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 94/10/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 maart 1994 (PbEG L 100).
Een bijgewerkte integrale tekst van de richtlijn is gepubliceerd in PbEG 1997,
C 78.</al>
    </toelicht>
  </backm>
</stcart>