﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE stcart PUBLIC "-//SDU//DTD staatscourant xml 1.1//NL" "../../dtd/stcrt-11.dtd"[]>
<stcart soort="reg" status="b" publtype="stct">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-1997-233-p11-SC11467/metadata.xml" />
  </metadata>
  <frontm>
    <versie dtd="1.4" conv="prod__0" markup="qa"></versie>
    <artcode>233-0901</artcode>
    <stcgeg>
      <tekst>Uit: Staatscourant 3 december 1997, nr. 233</tekst>
      <dag>Woensdag</dag>
      <datum>3 december 1997</datum>
      <nummer>233</nummer>
    </stcgeg>
    <chapeau>
      <mincodes>VROM</mincodes>
    </chapeau>
    <titel>Onteigening in de gemeente Ede</titel>
    <opschr>«Onteigeningswet»</opschr>
  </frontm>
  <body>
    <tuskop letat="vet">Perceel, begrepen in het bestemmingsplan ’Ede-Centrum’</tuskop>
    <tuskop letat="cur">Besluit van 11 november 1997 no. 97.005431 tot goedkeuring
van het besluit van de raad van Ede van 24 april 1997, no. VR 1997/39, tot
onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet</tuskop>
    <al>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</al>
    <al>Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 14 oktober 1997, no. MJZ 97559297, Centrale Directie Juridische
Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken.</al>
    <al>Gelezen de brief van burgemeester en wethouders van Ede van 16 mei 1997,
no. G&amp;V-GB/97/848M.</al>
    <al>Gelet op Titel IV van de onteigeningswet.</al>
    <al>De Raad van State gehoord (advies van 30 oktober 1997 no. W08.97.0664.).</al>
    <al>Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer a.i. van 4 november 1997 no. MJZ 97567001, Centrale
Directie Juridische Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Beschikken bij dit besluit over de goedkeuring van het besluit van de
raad van Ede van 24 april 1997, no. VR 1997/39, tot onteigening ingevolge
artikel 77, eerste lid, aanhef en onder 1∞, van de onteigeningswet,
ten name van die gemeente, van de bij dat besluit aangewezen percelen kadastraal
bekend gemeente Ede, sectie K, nos. 9383, 12680 en 13966. </al>
    <tuskop letat="vet">Overwegingen</tuskop>
    <al>Ingevolge voornoemd artikel 77 van de onteigeningswet kan, zonder voorafgaande
verklaring bij de wet dat het algemeen nut onteigening vordert, onteigening
plaatsvinden onder meer ten behoeve van de uitvoering van een bestemmingsplan.
De ter onteigening aangewezen percelen zijn begrepen in het bestemmingsplan ’Ede-Centrum’
van de gemeente Ede. Blijkens het raadsbesluit tot onteigening wenst de gemeente
Ede de daarin bedoelde grond in eigendom te verkrijgen ter uitvoering van
het zojuist genoemde bestemmingsplan.</al>
    <al>In verband met het feit, dat ten tijde van het nemen van het raadsbesluit
tot onteigening het bestemmingsplan ’Ede-Centrum’ nog niet onherroepelijk
was goedgekeurd is in het raadsbesluit onder meer bepaald, dat:</al>
    <al>a. niet tot dagvaarding overeenkomstig artikel 18 van de onteigeningswet
zal worden overgegaan alvorens het desbetreffende deel van het bestemmingsplan ’Ede-Centrum’
onherroepelijk is geworden en</al>
    <al>b. het onteigeningsbesluit vervalt indien en voor zover aan het desbetreffende
deel van het bestemmingsplan ’Ede-Centrum’ in hoogste instantie
goedkeuring wordt onthouden.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>De in het onteigeningsplan begrepen gronden zijn in het bestemmingsplan ’Ede-Centrum’
aangewezen voor ’Centrumgebied (CGI)’, en ’Centrumdoeleinden
(C)’. Het betreft hier globale bestemmingen, welke door burgemeester
en wethouders van Ede niet nader overeenkomstig artikel 11 van de Wet op de
Ruimtelijke Ordening behoeven te worden uitgewerkt.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>In de door de gemeente ter plaatse voorgestane wijze van planuitvoering,
welke strekt tot de realisering van een ondergrondse parkeervoorziening met
daarboven winkels en woningen, is voldoende inzicht verschaft door middel
van de bij voornoemd bestemmingsplan behorende voorschriften en toelichting
en door overlegging van het ’Definitief ontwerp stedebouwkundig ruimtelijk
plan Ede-Centrum’, gedateerd september 1996.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Het raadsbesluit tot onteigening heeft overeenkomstig het bepaalde in
artikel 84, eerste lid, der onteigeningswet met ingang van 12 mei 1997 gedurende
vier weken voor een ieder ter inzage gelegen op de secretarie van de gemeente
Ede. Gedurende deze termijn zijn tegen het raadsbesluit bij Ons schriftelijk
bedenkingen naar voren gebracht door mr. A.M.A.F. van Esch te Rhenen namens
M.W. Gevers te Ede.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Aan artikel 86, tweede lid, van de onteigeningswet, inhoudende dat degenen,
die tijdig ingevolge het derde lid van artikel 84 bedenkingen naar voren hebben
gebracht, vanwege Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer in de gelegenheid worden gesteld zich in persoon of bij gemachtigde
te doen horen, is voldaan. </al>
    <tuskop letat="cur">Overwegingen ten aanzien van de naar voren gebrachte bedenkingen</tuskop>
    <al>De reclamant, rechthebbende op het mede ter onteigening aangewezen perceel
kadastraal bekend gemeente Ede, sectie K, no. 9383, merkt vooreerst op, dat
een bezwaarschrift aanhangig is bij Gedeputeerde Staten van Gelderland van
onder meer bewoners van de Kerkakkers tegen het vastgestelde - ter uitvoering
staande - bestemmingsplan ’Ede-Centrum’. Het staat derhalve
volgens de reclamant op dit moment niet vast dat het bestemmingsplan ook daadwerkelijk
geheel of gedeeltelijk onherroepelijke rechtskracht zal verkrijgen. Om die
reden acht de reclamant het starten van de onteigeningsprocedure prematuur.</al>
    <al>Te dien aanzien overwegen Wij, dat het in beginsel aanvaardbaar moet worden
geacht, dat met de administratieve onteigeningsprocedure als bedoeld in artikel
77, eerste lid, aanhef en onder 1∞, van de onteigeningswet een aanvang
wordt gemaakt vóórdat het (vastgestelde) bestemmingsplan, ter
uitvoering waarvan de onteigening strekt, onherroepelijk is goedgekeurd. Indien
het bestemmingsplan ten tijde van het nemen van het raadsbesluit tot onteigening
nog niet onherroepelijk is goedgekeurd, dienen aan dit besluit evenwel -
zoals in casu ook is geschied - voorwaarden te worden verbonden, welke
ertoe leiden, dat geen dagvaardingen als bedoeld in artikel 18 van de onteigeningswet
zullen worden uitgebracht alvorens het bestemmingsplan onherroepelijk is goedgekeurd
en dat het onteigeningsbesluit vervalt, indien aan het bestemmingsplan in
hoogste instantie vervalt, indien aan het bestemmingsplan in hoogste instantie
goedkeuring wordt onthouden. Door middel van deze voorwaarden zijn naar Ons
oordeel de rechtszekerheid en de rechtsbescherming van alle belanghebbenden
voldoende gewaarborgd.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>De reclamant voert verder aan, dat hij huurder en bewoner is van het zich
op het onderwerpelijke perceel bevindende pand plaatselijk bekend Doelenplein
8 en dat zijn kinderen daarvan gezamenlijk eigenaar zijn. Het perceel is in
1989 verworven juist vanwege de unieke ligging in het centrum met veel ruimte
voor de woning en een uitgesproken rustige situatie aan de achterzijde. Direct
na de verwerving heeft hij, zo gaat de reclamant verder, het pand ingrijpend
en geheel naar zijn wensen en die bij zijn echtgenote verbouwd. Hij ziet er
dan ook zeer tegen op het perceel te moeten verlaten temeer daar het niet
of nauwelijks mogelijk blijkt een vergelijkbaar vervangend pand in een zelfde
of gelijkwaardige situatie te verwerven.</al>
    <al>Vooropgesteld dient te worden, dat het huidige gebruik van het betrokken
perceel niet in overeenstemming is met de daaraan in het bestemmingsplan ’Ede-Centrum’
gegeven bestemming ’Centrumgebied (CGI)’. Voor zover de bedenkingen
dan ook zijn gericht tegen deze bestemming, zijn zij van planologische aard.
Bedenkingen van planologische aard dienen naar voren te worden gebracht in
het kader van de in de Wet op de Ruimtelijke Ordening voorgeschreven bestemmingsplanprocedure.
Dergelijke bedenkingen dienen hier derhalve thans buiten beschouwing te blijven
en kunnen er bijgevolg niet toe leiden, dat aan het raadsbesluit tot onteigening
de goedkeuring wordt onthouden.</al>
    <al>Het meergenoemde onderzoek heeft voorts uitgewezen, dat de door de gemeente
Ede ter plaatse voorgestane wijze van planuitvoering strekt tot de realisering
van een parkeergarage met winkels en bovenwoningen. De uit te voeren werkzaamheden
vormen onderdeel van de reconstructie van het centrum van Ede. Voor een doelmatige
uitvoering van de beoogde werkzaamheden kan het in de onteigening begrepen
perceel niet worden gemist en zal de zich op dit perceel bevindende woning,
welke weliswaar goed is onderhouden, doch als enige nog in een rij van 10
wordt bewoond, moeten wijken.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Gelet hierop en in aanmerking genomen, dat de onteigeningswet belanghebbenden
een volledige schadeloosstelling waarborgt, zijn Wij van oordeel, dat het
belang van de ruimtelijke ontwikkeling, dat is gediend met de door de gemeente
voorgestane realisering van het bestemmingsplan ter plaatse, dient te prevaleren
boven het persoonlijke belang van de reclamant bij voortzetting van het huidige
gebruik van de onderwerpelijk grond en dat de onteigening van de grond derhalve,
wat dit aspect betreft gerechtvaardigd is. Voor het overige zijn de bedenkingen
van de reclamant in feite van financiële aard. Bedenkingen van financiële
aard kunnen aan de goedkeuring van een raadsbesluit tot onteigening niet in
de weg staan, aangezien onteigening op grond van artikel 40 van de onteigeningswet
plaatsvindt op basis van een volledige vergoeding van alle schade die de eigenaar
rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak lijdt. De wet
verplicht overigens niet tot compensatie in de vorm van vervangend pand. De
hoogte van de vergoeding staat niet ter beoordeling, aangezien de vaststelling
daarvan geschiedt in het kader van de gerechtelijke procedure. De gemeente
blijft zich evenwel, zo is bij het onderzoek gesteld, inspannen voor vervangende
woonruimte.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Gezien het vorenstaande kan in de bedenkingen van de reclamant geen aanleiding
worden gevonden aan het raadsbesluit tot onteigening geheel of gedeeltelijk
de goedkeuring te onthouden. </al>
    <tuskop letat="cur">Overige overwegingen</tuskop>
    <al>Het moet in het belang van de volkshuisvesting en een goede ruimtelijke
ontwikkeling van de gemeente Ede worden geacht dat zij de eigendom van bovenbedoelde
percelen verkrijgt en er bestaan ook overigens geen termen aan genoemd raadsbesluit
de goedkeuring te onthouden. </al>
    <tuskop letat="vet">Beslissing</tuskop>
    <al>Wij hebben goedgevonden en verstaan:</al>
    <witreg></witreg>
    <al>vorengenoemd besluit van de raad van Ede goed te keuren.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met het raadsbesluit in de
Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden
aan de Raad van State.</al>
  </body>
  <backm>
    <ondtek>’s-Gravenhage, 11 november 1997 .<nl></nl>Beatrix. <nl></nl><min>De Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</min>Margaretha
de Boer.<nl></nl></ondtek>
    <bijlage>
      <tuskop letat="vet">Raadsbesluit </tuskop>
      <tuskop letat="cur">V.R. nummer 1997/39</tuskop>
      <al>De raad der gemeente;</al>
      <al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 18 maart 1997
nummer GV 97/448 N;</al>
      <witreg></witreg>
      <al>overwegende, dat de gemeente Ede voor de realisering van een deel (projekt
Achterdoelen) van het bestemmingsplan Ede-Centrum, vastgesteld bij raadsbesluit
d.d. 21 november 1996 (nummer VR 1996/98), moet kunnen beschikken over de
binnen dit deel gelegen gronden c.a.;</al>
      <witreg></witreg>
      <al>dat met de betrokken eigenaren nog geen overeenstemming is bereikt over
de aankoop van hun onroerende zaak;</al>
      <witreg></witreg>
      <al>dat het desbetreffende onteigeningsplan met de bijbehorende stukken ingaande
12 december 1996 gedurende vier weken voor belanghebbenden ter inzage heeft
gelegen;</al>
      <witreg></witreg>
      <al>dat tegen voormeld onteigeningsplan twee zienswijzen kenbaar zijn gemaakt,
te weten door NV NUON VNB en Diepenveen Advocaten namens huurder en eigenaren
van het perceel Doelenplein 8 te Ede;</al>
      <witreg></witreg>
      <al>gelet op de bepalingen van de Onteigeningswet en de Algemene Wet Bestuursrecht;</al>
      <witreg></witreg>
      <al>besluit:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>- tot onteigening, in het belang van de volkshuisvesting en de ruimtelijke
ontwikkeling ten name van de gemeente Ede ter realisering van een deel van
het bestemmingsplan ’Ede-Centrum’ te Ede, van percelen, gelegen
aan Doelenplein 8, Arnhemseweg 3 en Achterdoelen ong. te Ede zoals aangegeven
op de bij het besluit behorende grondtekening en lijst van te onteigenen onroerende
zaken;</al>
      <al>- het verzoek van Diepenveen Advocaten, namens de huurder en eigenaren
van het perceel Doelenplein 8 te Ede, om (nog) niet tot onteigening over te
gaan, af te wijzen;</al>
      <al>- aan het verzoek van de NV NUON VNB tegemoet te komen door het maken
van afspraken op technisch niveau;</al>
      <al>- conform het gestelde in artikel 84 van de Onteigeningswet het besluit
vier weken ter inzage te leggen, waarbij belanghebbenden die tijdig hun zienswijze
bij het gemeentebestuur naar voren hebben gebracht, de gelegenheid krijgen
schriftelijk bij de Kroon bedenkingen naar voren te brengen tegen het onderhavige
besluit tot onteigening;</al>
      <al>- het onderhavige besluit met alle bijbehorende stukken ter goedkeuring
aan de Kroon (door tussenkomst van de minister van VROM) voor te leggen;</al>
      <al>- dat niet tot dagvaardiging overeenkomstig artikel 18 van de Onteigeningswet
zal worden overgegaan alvorens het desbetreffende deel van het bestemmingsplan ’Ede-Centrum’
onherroepelijk is geworden;</al>
      <al>- dat dit onteigeningsbesluit vervalt indien en voor zover aan het
betreffende deel van het bestemmingsplan Ede-Centrum in hoogste instantie
goedkeuring wordt onthouden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De raad voornoemd,</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">de voorzitter,</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">de secretaris.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <plaatje file="stcrt-1997-233-p11-SC11467-1.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <witreg></witreg>
      <al>Behoort bij V.R. 1997/39 Raad van Ede, 24 april 1997</al>
    </bijlage>
  </backm>
</stcart>