﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE stcart PUBLIC "-//SDU//DTD staatscourant xml 1.1//NL" "../../dtd/stcrt-11.dtd"[]>
<stcart soort="reg" status="b" publtype="stct">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-1997-233-p10-SC11468/metadata.xml" />
  </metadata>
  <frontm>
    <versie dtd="1.4" conv="prod__0" markup="qa"></versie>
    <artcode>233-1001</artcode>
    <stcgeg>
      <tekst>Uit: Staatscourant 3 december 1997, nr. 233</tekst>
      <dag>Woensdag</dag>
      <datum>3 december 1997</datum>
      <nummer>233</nummer>
    </stcgeg>
    <chapeau>
      <mincodes>VROM</mincodes>
    </chapeau>
    <titel>Onteigening in de gemeente Amsterdam</titel>
    <opschr>«Onteigeningswet»</opschr>
  </frontm>
  <body>
    <tuskop letat="vet">Percelen, begrepen in het bestemmingsplan Czaar Peterbuurt-West </tuskop>
    <tuskop letat="cur">Besluit van 6 november 1997 nr. 97.005336 tot gedeeltelijke
goedkeuring van het besluit van de raad van Amsterdam van 2 april 1997, nr.
140, tot onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet</tuskop>
    <al>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 22 augustus 1997 nr. MJZ97120964 Centrale Directie Juridische
Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken en van de Staatssecretaris
van Binnenlandse Zaken, Directoraat-Generaal Openbaar Bestuur.</al>
    <al>Gelezen de brief van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 7 april
1997, nr. 9701959.</al>
    <al>Gelet op Titel IV van de onteigeningswet en Titel V van de Gemeentewet.</al>
    <al>De Raad van State gehoord (advies van 16 oktober 1997 nr. W08.97.0564).</al>
    <al>Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 28 oktober 1997 nr. MJZ 97563453 Centrale Directie
Juridische Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken.</al>
    <al>Beschikken bij dit besluit over de goedkeuring van het besluit van de
raad van Amsterdam van 2 april 1997, nr. 140, tot onteigening ingevolge artikel
77, eerste lid, aanhef en onder 1∞, van de onteigeningswet, ten name
van die gemeente, van de bij dat besluit aangewezen percelen. </al>
    <tuskop letat="vet">Overwegingen</tuskop>
    <al>Ingevolge voornoemd artikel 77 van de onteigeningswet kan, zonder voorafgaande
verklaring bij de wet dat het algemeen nut onteigening vordert, onteigening
plaatsvinden onder meer ten behoeve van de uitvoering van een bestemmingsplan.
De ter onteigening aangewezen percelen zijn begrepen in het bestemmingsplan ’Czaar
Peterbuurt-West’ van de gemeente Amsterdam. Blijkens het raadsbesluit
tot onteigening wenst de gemeente Amsterdam de daarin bedoelde gronden in
eigendom te verkrijgen ter uitvoering van het zojuist genoemde bestemmingsplan.</al>
    <al>In verband met het feit, dat ten tijde van het nemen van het raadsbesluit
tot onteigening het bestemmingsplan ’Czaar Peterbuurt-West’ nog
niet onherroepelijk was goedgekeurd is in het raadsbesluit onder meer bepaald,
dat:</al>
    <al>a. niet tot dagvaarding van de rechthebbenden zal worden overgegaan voordat
onherroepelijk is beslist over het bestemmingsplan ’Czaar Peterbuurt-West’
en</al>
    <al>b. het raadsbesluit tot onteigening vervalt, voor zover in hoogste instantie
goedkeuring aan het bestemmingsplan wordt onthouden.</al>
    <al>De in het onteigeningsplan begrepen gronden zijn in het bestemmingsplan ’Czaar
Peterbuurt-West’, aangewezen voor ’Woningen (W)’ en ’Gemengde
bebouwing 2 (GB 2)’. Het betreft hier globale bestemmingen, welke niet
nader overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke
Ordening behoeven te worden uitgewerkt.</al>
    <al>In de door de gemeente Amsterdam ter plaatse voorgestane wijze van planuitvoering,
welke strekt tot sloop van de op de ter onteigening aangewezen percelen aanwezige
bebouwing (het zogeheten blok N48) met vervangende nieuwbouw van woningen
in de vorm van meergezinshuizen - met plaatselijk - bedrijfsruimten,
is voldoende inzicht verschaft door middel van de bij voornoemd bestemmingsplan
behorende beschrijving in hoofdlijnen, voorschriften en toelichting.</al>
    <al>Het raadsbesluit tot onteigening heeft overeenkomstig het bepaalde in
artikel 84, eerste lid, van de onteigeningswet met ingang van 14 april 1997
gedurende vier weken voor een ieder ter inzage gelegen op de secretarie der
gemeente Amsterdam. Gedurende deze termijn zijn tegen het raadsbesluit bij
Ons schriftelijk bedenkingen naar voren gebracht door:</al>
    <al>a. mr. J. Cuijpers te Echt namens:</al>
    <al>1. de stichting Administratiekantoor Walet te Amsterdam</al>
    <al>2. de vennootschap onder firma Walet Groep te Amsterdam</al>
    <al>3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Walet B.V.
te Amsterdam</al>
    <al>4. J. W. Walet-Hoogstraat, weduwe van W. F. Walet, te Amsterdam</al>
    <al>5. J. C. Walet te Amsterdam</al>
    <al>6. W. F. Walet jr. te Amsterdam en</al>
    <al>7. K. J. Walet te Amstelveen en</al>
    <al>b. mr. J. G. Burgers te Amsterdam namens:</al>
    <al>1. S. A. M. van Beusekom te Amsterdam en</al>
    <al>2. J. R. Brooks te Amsterdam.</al>
    <al>Aan het bepaalde in artikel 86, tweede lid, van de onteigeningswet, inhoudende
dat degenen, die tijdig ingevolge het derde lid van artikel 84 bedenkingen
naar voren hebben gebracht, vanwege Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer in de gelegenheid worden gesteld zich in persoon
of bij gemachtigde te doen horen, is voldaan. </al>
    <tuskop letat="cur">Overwegingen ten aanzien van de naar voren gebrachte bedenkingen</tuskop>
    <al>De reclamanten onder a.1 t/m a.7, rechthebbenden gezamenlijk dan wel afzonderlijk
op de mede ter onteigening aangewezen percelen kadastraal bekend gemeente
Amsterdam, sectie N, nrs. 1396, 1399, 1400, 1403, 1404, 1405, 1411, 3070,
3416, 3417 en 3418 en plaatselijk bekend Czaar Peterstraat/Blankenstraat,
verwijzen in de eerste plaats naar hun bij het gemeentebestuur ingediende
geschrift met zienswijzen. Zij geven daarin onder meer aan dat zij al jaren
bezig zijn met het ontwikkelen van plannen voor de genoemde percelen met de
zich daarop bevindende opstallen. In het verleden hebben zij zich verdiept
in plannen voor algehele renovatie en sedert geruime tijd, nadat uit een van
gemeentewege uitgevoerd onderzoek de onhaalbaarheid daarvan was gebleken,
in nieuwbouwplannen. Zij merken voorts op, dat zij bij het concretiseren van
hun plannen de nodige tegenwerking van de gemeente hebben gekregen doordat
hen concrete informatie is onthouden en doordat zij telkenmale afwijkende
informatie ontvingen. Met name over de gewenste bouwhoogte en de exacte bestemming
werd volgens de reclamanten steeds weer andere informatie verstrekt.</al>
    <al>In 1994 hebben de reclamanten een verzoek tot sloop van de panden Czaar
Peterstraat 188-198/Blankenstraat 185-195 gedaan waartegen van de kant van
het gemeentelijk Bureau Monumentenzorg geen bezwaar bestond mits de panden
Czaar Peterstraat 194, 196 en 198 behouden zouden blijven. Door deze opstelling
van de gemeente werden hun plannen naar hun oordeel vanwege de daaraan verbonden
extra kosten bewust getorpedeerd. Dat zij daadwerkelijke nieuwbouwplannen
hebben blijkt volgens de reclamanten niet alleen uit de sloopaanvraag doch
eveneens uit het - met het oog op de voorgenomen nieuwbouw - afsluiten
van meer en meer tijdelijke huurovereenkomsten.</al>
    <al>Zij stellen met nadruk dat zij zich kunnen vinden in de op hun percelen
geprojecteerde bestemmingen en dat zij, gezamenlijk dan wel één
of meerdere hunner, deze bestemmingen zelf willen realiseren en daartoe bouwen.
Aangezien zij dezelfde doelstelling - het uitvoeren van een bestemmingsplan -
als de gemeente nastreven, zijn zij van mening dat de percelen met de daarop
gelegen panden, voor zover zij daarbij belanghebbend zijn, niet onteigend
dienen te worden.</al>
    <al>Naar aanleiding van de beoordeling door de gemeenteraad van vorenaangehaalde
zienswijzen merken de reclamanten voorts nog op, dat de gemeente tegen beter
weten in overweegt dat haar niets bekend is van hun sloop- en nieuwbouwplannen.
Ter staving daarvan hebben de reclamanten diverse bijlagen overgelegd, waaruit
moet blijken dat zij wel degelijk een sloopvergunning hebben aangevraagd en
dat het gemeentelijk Bureau Monumentenzorg zich verzette tegen de sloop van
een aantal panden hetgeen hun plannen ernstig dwarsboomde. Verder merken de
reclamanten nog op, dat gemeente jaren bezig is geweest met het vaststellen
van het bestemmingsplan voor het betrokken gebied. Bij raadsbesluit van 13
november 1985 is het bestemmingsplan ’Czaar Peterbuurt’ vastgesteld,
aan welk plan bij Koninklijk besluit van 25 februari 1991 in zijn geheel goedkeuring
werd onthouden.</al>
    <al>Voor het westelijk deel van de Czaar Peterstraat waarin de te onteigenen
percelen zijn gelegen, heeft de raad bij besluit van 14 december 1994 een
voorbereidingsbesluit genomen. Vervolgens is op 23 oktober 1996 het ter uitvoering
staande bestemmingsplan ’Czaar Peterbuurt-West’ vastgesteld. Aan
de vaststelling daarvan gingen inspraak- en voorlichtingsdagen vooraf waaruit
volgens de reclamanten bleek dat alles nog zeer onduidelijk en onzeker was.
In dit verband stellen de reclamanten, dat thans nog onzeker blijft of er
gezien de geluidsnormen wel woningbouw is toegestaan in de Czaar Peterstraat.
Eveneens is nog onduidelijk of de N.V. Nederlandse Spoorwegen aan de aangrenzende
spoorwegen geluidwerende voorzieningen zal treffen. Bovendien is volgens de
reclamanten onduidelijk of er een trambaan door de Czaar Peterstraat zal worden
aangelegd en wat er met de tegenover de percelen gelegen opslagloodsen gaat
gebeuren. Onder de vorengeschetste omstandigheden kan volgens de reclamanten
in dit stadium niet worden verwacht dat zij een gedetailleerd, van tekeningen
voorzien, plan hebben uitgewerkt. Zij blijven naar hun mening de aangewezenen
om een eigen plan dat past binnen het bestemmingsplan te realiseren, daar
zij niet alleen de gemeentebelangen maar ook hun eigen diverse belangen kunnen
behartigen. Geenszins staat volgens hen vast dat zij niet zelf uitvoering
kunnen geven aan het bestemmingsplan.</al>
    <al>Uit de overgelegde stukken en uit het terzake ingestelde onderzoek is
gebleken, dat de te onteigenen percelen van de reclamanten ruim de helft van
het onderwerpelijke (bouw)blok N48 bestaat. Het merendeel van de daarop aanwezige
panden, met name op de kop van het bouwblok Czaar Peterstraat/Blankenstraat,
verkeert in zeer matige tot slechte staat. De woningen zijn alle nog verhuurd,
de meeste op tijdelijke basis. Voorts is gebleken, dat de reclamanten serieuze
plannen tot renovatie van hun panden hebben gehad toen behoud en herstel van
het bouwblok N48 door de gemeente nog werd voorgestaan. Met het oog daarop
hebben de reclamanten in 1988 subsidie aangevraagd welke niet is gehonoreerd
omdat renovatie voor de reclamanten uiteindelijk niet haalbaar bleek. Nadien
hebben de reclamanten in 1994, nu renovatie niet tot de mogelijkheden behoorde,
een sloopvergunning voor hun panden aangevraagd teneinde aldaar nieuwbouw
te realiseren. Van de zijde van de Monumentencommissie is door het gemeentelijk
Bureau Monumentenzorg naar aanleiding van de aanvraag verklaard dat tegen
het plan tot slopen van hun panden geen bezwaar bestaat mits de panden Czaar
Peterstraat 194, 196 en 198 behouden blijven. De aangevraagde sloopvergunning
is echter geweigerd vanwege het ontbreken van de vereiste vergunning als bedoeld
in artikel 30 van de Huisvestingswet. De door het gemeentelijk Bureau Monumentenzorg
aangewezen panden zijn overigens, zo is bij het onderzoek gebleken, ook van
zeer matige kwaliteit. De vorenbedoelde gestelde voorwaarde heeft voor de
reclamanten, zo is bij het horen als bedoeld in artikel 86 van de onteigeningswet
gebleken, belemmerend gewerkt op het vormgeven aan hun nieuwbouwplannen. Op
11 juni 1997 heeft de reclamant onder a.7 bij het gemeentelijk Bureau Monumentenzorg
geïnformeerd of van die zijde de bezwaren tegen afbraak van de panden
Czaar Peterstraat 194, 196 en 198 worden gehandhaafd, mede gelet op het feit,
dat de door de gemeente voorgestane planuitvoering eveneens tot sloop strekt.</al>
    <al>Daarop heeft genoemd Bureau Monumentenzorg per fax op 30 juni 1997 nogmaals
aangegeven dat de panden een grote stedebouwkundige waarde vertegenwoordigen.</al>
    <al>In het licht van het vorenstaande komt het Ons niet onbegrijpelijk voor,
dat de plannen van de reclamanten nog geen concrete vorm hebben verkregen.
Immers voor hen is niet duidelijk of zij, voorafgaand aan de te realiseren
nieuwbouw, tot sloop van alle panden kunnen overgaan. In overleg met een architect
is thans een schetsontwerp vervaardigd waarbij rekening is gehouden met zowel
handhaving en restauratie als sloop van de eerdergenoemde panden. Pas wanneer
daarover zekerheid bestaat, zullen de plannen nader worden uitgewerkt. Daarbij
verklaren de reclamanten zich nadrukkelijk bereid met de gemeente te willen
samenwerken ten aanzien van de overige panden die in het blok N48 voor de
nieuwbouw benodigd zijn.</al>
    <al>Nu voorshands onvoldoende is aangetoond, dat zonder de voorgestelde grondverwerving
door de gemeente het doel waarvoor wordt onteigend niet of niet in de door
de gemeente gewenste vorm zou zijn te bereiken en de reclamanten onder a.1
t/m a.7 al dan niet gezamenlijk dan wel afzonderlijk daartoe bereid en ook
in staat kunnen worden geacht komt dit raadsbesluit tot onteigening thans,
voor zover het bedoelde percelen betreft, niet voor goedkeuring in aanmerking.</al>
    <al>Gelet hierop behoeft op de overige bedenkingen van de reclamanten onder
a.1 t/m a.7 ter zake thans niet nader te worden ingegaan.</al>
    <al>De reclamanten onder b.1 en b.2, rechthebbenden op het mede ter onteigening
aangewezen perceel kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie N, nr. 1413,
en plaatselijk bekend Blankenstraat 177 merken op, dat zij zich niet kunnen
verenigen met de voorgenomen onteigening van het betrokken perceel met het
daarop gelegen pand, daar zij dat pand willen behouden en verbeteren. Zij
hebben daartoe reeds de nodige investeringen gedaan. Naar hun mening is de
bouwkundige staat van het pand van dien aard, dat behoud en verbetering daarvan
zinvol is. Zij gaan er voorts van uit dat hun voornemen tot verbetering ook
in financieel opzicht haalbaar zal blijken te zijn. Onder overlegging van
een voorlopig plan ter verbetering van het pand benadrukken de reclamanten
tenslotte nogmaals dat zij bereid en in staat zijn dit voornemen uit te voeren.</al>
    <al>Uit het ter zake ingestelde onderzoek is gebleken, dat sedert maart 1996
de reclamant onder b.2 eigenaar van het pand is en de reclamant onder b.1
sedert september 1996 mede-eigenaar. Het pand, dat uit 1880 dateert, bestaat
uit een benedenwoning en een bovenhuis met aparte opgang waarin zich 3 (verhuurde)
woningen bevinden. De reclamant onder b.1 bewoont de benedenwoning, de reclamant
onder b.2 woont nog elders in de Czaar Peterbuurt, maar dient daar op korte
termijn te vertrekken in verband met de voorgenomen stadsvernieuwingsplannen.</al>
    <al>De reclamanten zijn voornemens het pand, dat momenteel in matige staat
verkeert, geheel te renoveren. Als uitgangspunt hanteren zij daarbij het Stedebouwkundig
Programma van Eisen van 14 februari 1996, dat de basis voor het bestemmingsplan ’Czaar
Peterbuurt-West’ vormt.</al>
    <al>Ook overigens willen zij zich geheel richten naar de wensen en aanwijzingen
van de gemeente. Hun bedoeling is in het pand twee aparte woningen te realiseren,
die zij afzonderlijk zullen bewonen. Zij hebben daartoe een architectenbureau
in de arm genomen, welk bureau momenteel de renovatieplannen gedetailleerd
voorbereidt. In dit verband is door de reclamanten erop gewezen dat hun pand
tegen de kopse kant van het onderwerpelijke bouwblok N48 (Lijndenstraat) is
gebouwd, dat buiten de nieuwbouwplannen is gelaten omdat het inmiddels is
gerenoveerd. Aldus behoeft volgens de reclamanten het voorgestane nieuwbouwplan
van de gemeente slechts een geringe aanpassing. Zij voeren omtrent hun plannen
overleg met de Dienst Binnenstad van de gemeente Amsterdam, sector Bouwen,
Wonen en Economie en bereiden momenteel de aanvraag voor de bouwvergunning
voor. Het wijkcentrum (Stichting Behoud en Herstel) is hen daarbij behulpzaam.
Voorts hebben zij financieel advies gevraagd ten behoeve van de financiering
van hun plannen. Alvorens tot algehele renovatie aan het pand over te gaan
(kleine renovatiewerkzaamheden voeren zij reeds uit), willen de reclamanten
de fundering herstellen. Daartoe hebben wij op advies van het wijkcentrum
contact gezocht met een ingenieursbureau teneinde inzicht te krijgen in de
staat van de fundering en het casco. Deze heeft op 9 juni 1997 een rapport
uitgebracht, dat bij het onderzoek is overgelegd. Van de zijde van de gemeente
is bij het onderzoek medegedeeld dat er op zich geen overwegende bezwaren
tegen de plannen van de reclamanten bestaan mits zij de voortgang waarborgen.</al>
    <al>Onder de vorengeschetste omstandigheden achten Wij de noodzaak en urgentie
van de onteigening van het onderwerpelijke perceel voorshands onvoldoende
aangetoond, weshalve het raadsbesluit voor zover het daartoe strekt, niet
kan worden goedgekeurd.</al>
    <al>In dit verband overwegen Wij verder, dat het de gemeente in beginsel vrij
staat een onteigeningsprocedure te herhalen, indien daartoe termen aanwezig
zijn. Elk voorliggend onteigeningsplan zal op zijn eigen merites dienen te
worden beoordeeld. </al>
    <tuskop letat="cur">Overige overwegingen</tuskop>
    <al>Gezien het vorenstaande het raadsbesluit voor zover het strekt tot onteigening
van de percelen kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie N, nrs. 1396,
1399, 1400, 1403, 1404, 1405, 1411, 1413, 3070, 3416, 3417, en 3418, niet
voor goedkeuring in aanmerking. Ten aanzien van de overige in het onteigeningsplan
begrepen percelen moet het in het belang van de volkshuisvesting en een goede
ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Amsterdam worden geacht, dat zij
de eigendom daarvan verkrijgt en bestaan er ook overigens geen termen aan
genoemd raadsbesluit de goedkeuring te onthouden. </al>
    <tuskop letat="vet">Beslissing</tuskop>
    <al>Wij hebben goedgevonden en verstaan:</al>
    <al>vorengenoemd besluit van de raad van Amsterdam goed te keuren, behoudens
voor zover het strekt tot onteigening van de percelen kadastraal bekend gemeente
Amsterdam, sectie N, nrs. 1396, 1399, 1400, 1403, 1404, 1405, 1411, 1413,
3070, 3416, 3417 en 3418, aan welk deel van het raadsbesluit de goedkeuring
wordt onthouden.</al>
    <al>Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met het raadsbesluit in de
Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden
aan de Raad van State.</al>
  </body>
  <backm>
    <ondtek>’s-Gravenhage, 6 november 1997 .<nl></nl>Beatrix. <nl></nl><min>De Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</min>Margaretha
de Boer.<nl></nl></ondtek>
    <bijlage>
      <tuskop letat="vet">Raadsbesluit </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Nr. 140 </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Besluit van de gemeenteraad van Amsterdam</tuskop>
      <al>De Gemeenteraad van Amsterdam,</al>
      <al>Gezien de voordracht van Burgemeester en Wethouders van 20 maart 1997
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 140, blz. 475);</al>
      <al>Overwegende, dat hij zich verenigt met de beoordeling door Burgemeester
en Wethouders van de ingediende adressen, deze beoordeling tot de zijne maakt
en in dit besluit als ingelast beschouwt;</al>
      <al>Gelet op het bepaalde in de Onteigeningswet,</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Besluit:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>I. de ingediende adressen zoals vermeld in de voordracht, ongegrond te
verklaren;</al>
      <al>II. ter onteigening ten name van de gemeente Amsterdam ingevolge art.
77, lid 1, onder 1, van de Onteigeningswet aan te wijzen de eigendommen, begrepen
in het bestemmingsplan Czaar Peterbuurt-West, op de bij dit besluit behorende
grondplankaart aangeduid met rood en vermeld in de bij dit besluit behorende
lijst (onteigeningsplan Czaar Peterbuurt-West Blok N48);</al>
      <al>III. te bepalen, dat niet tot dagvaarding van de rechthebbenden zal worden
overgegaan voordat onherroepelijk is beslist over het bestemmingsplan Czaar
Peterbuurt-West en dat het raadsbesluit tot onteigening vervalt, voorzover
in hoogste instantie goedkeuring aan het bestemmingsplan wordt onthouden;</al>
      <al>IV. alle noodzakelijke stappen te doen, zowel in eerste aanleg als daarna
en zowel als eisende als verwerende partij, om langs gerechtelijke weg de
onteigening te verkrijgen van de onder II bedoelde eigendommen, nadat en voorzover
de benodigde Koninklijke goedkeuring als bedoeld in art. 80, lid 3, van de
Onteigeningswet, is verkregen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aldus besloten door de Gemeenteraad voornoemd in zijn vergadering
op 2 april 1997.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">De burgemeester.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">De secretaris.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <plaatje file="stcrt-1997-233-p10-SC11468-1.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <plaatje file="stcrt-1997-233-p10-SC11468-2.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <witreg></witreg>
      <al>Behoort bij raadsbesluit van Amsterdam dd. 2 april 1997 nr. 140</al>
    </bijlage>
  </backm>
</stcart>