﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE stcart PUBLIC "-//SDU//DTD staatscourant xml 1.1//NL" "../../dtd/stcrt-11.dtd"[]>
<stcart soort="reg" status="b" publtype="stct">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-1996-214-p8-SC7343/metadata.xml" />
  </metadata>
  <frontm>
    <versie dtd="1.4" conv="prod__0" markup="qa"></versie>
    <artcode>214-0801</artcode>
    <stcgeg>
      <tekst>Uit: Staatscourant 5 november 1996, nr. 214</tekst>
      <dag>Dinsdag</dag>
      <datum>5 november 1996</datum>
      <nummer>214</nummer>
    </stcgeg>
    <chapeau>
      <mincodes>VROM</mincodes>
    </chapeau>
    <titel>Onteigening in de gemeente ’s-Gravenhage</titel>
    <opschr>«Onteigeningswet»</opschr>
  </frontm>
  <body>
    <tuskop letat="vet">Percelen, begrepen in het bestemmingsplan ’Spuikwartier’,
zesde herziening (De Resident)’ (017)</tuskop>
    <witreg></witreg>
    <al>
      <nadruk type="cur">Besluit van 7 oktober 1996 no. 96.004894 tot gedeeltelijke goedkeuring
van het besluit van de raad van ’s-Gravenhage van 14 maart 1996, no.
82, tot onteigening als bedoeld in Titel IV der onteigeningswet</nadruk>
    </al>
    <witreg></witreg>
    <al>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz., enz., enz.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 14 augustus 1996, no. MJZ 96046082 Centrale Directie Juridische
Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken en van de Staatssecretaris
van Binnenlandse Zaken, Directoraat-Generaal Openbaar Bestuur.</al>
    <al>Gelezen de brief van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage
van 29 maart 1996, kenmerk BP/SV 60746.</al>
    <al>Gelet op Titel IV der onteigeningswet en Titel V der Gemeentewet. De Raad
van State gehoord (advies van 13 september 1996, no. W08.96.0404).</al>
    <al>Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 30 september 1996 no. MJZ 96054442 Centrale Directie
Juridische Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken.</al>
    <al>Beschikken bij dit besluit over de goedkeuring van het besluit van de
raad van ’s-Gravenhage van 14 maart 1996, no. 82, tot onteigening ingevolge
artikel 77, eerste lid, 1°, der onteigeningswet, ten name van die gemeente,
van de bij dat besluit aangewezen percelen en perceelsgedeelten. </al>
    <tuskop letat="vet">Overwegingen</tuskop>
    <al>Ingevolge voornoemd artikel 77 van de onteigeningswet kan, zonder voorafgaande
verklaring bij de wet dat het algemeen nut onteigening vordert, onteigening
plaatsvinden onder meer ten behoeve van de uitvoering van een bestemmingsplan.
De ter onteigening aangewezen percelen en perceelsgedeelten zijn begrepen
in het bestemmingsplan ’Spuikwartier, zesde herziening (De Resident)’
der gemeente ’s-Gravenhage. Blijkens het raadsbesluit tot onteigening
wenst de gemeente ’s-Gravenhage de daarin bedoelde gronden in eigendom
te verkrijgen ter uitvoering van evengenoemd bestemmingsplan.</al>
    <al>In verband met het feit, dat ten tijde van het nemen van het raadsbesluit
tot onteigening het bestemmingsplan ’Spuikwartier, zesde herziening
(De Resident)’ nog niet onherroepelijk was goedgekeurd, is in het raadsbesluit
onder meer bepaald, dat:</al>
    <al>a. de vordering tot onteigening ter uitvoering van het besluit eerst kan
worden ingesteld indien en voor zover het bestemmingsplan ’Spuikwartier,
zesde herziening’ ten aanzien van de in het besluit bedoelde percelen
onherroepelijk is goedgekeurd en</al>
    <al>b. het besluit vervalt indien en voor zover goedkeuring wordt onthouden
aan delen van bovengenoemd bestemmingsplan, welke betrekking hebben op de
in het besluit genoemde percelen.</al>
    <al>De in het onteigeningsplan begrepen gronden zijn in het bestemmingsplan ’Spuikwartier,
zesde herziening (De Resident)’ onder meer aangewezen voor ’Gemengde
doeleinden’ en ’Gedetaileerde gemengde bebouwing met bijbehorende
erf’. Het betreft hier globale bestemmingen, welke door burgemeester
en wethouders van ’s-Gravenhage niet nader overeenkomstig het bepaalde
in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening behoeven te worden uitgewerkt.</al>
    <al>De door de gemeente ’s-Gravenhage ter plaatse voorgestane wijze
van planuitvoering strekt onder meer tot sloop van de bestaande bebouwing -
gelegen aan en nabij de Fluwelen Burgwal, de Herengracht, de Muzenstraat en
de Zwarteweg in het centrum van die gemeente - met het oog op de realisering
van het plan ’De Resident’, bestaande uit een herziening van het
stratenpatroon ten behoeve van voorzieningen voor openbaar vervoer, langzaam
verkeer en parkeren, uit vervangende nieuwbouw ten behoeve van kantoren, woningen
in de vrije sector, educatieve voorzieningen en detailhandel, een detailhandel
aanverwante dienstverlening, recreatie-inrichtingen en culturele en welzijnsvoorzieningen.
In de vorengeschetste wijze van planuitvoering is voldoende inzicht verschaft
door middel van de bij voornoemd bestemmingsplan behorende kaarten, voorschriften
en toelichting, welke stukken bij de tervisielegging, als bedoeld in artikel
3:11 van de Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 80, tweede lid, der
onteigeningswet, met de overige onteigeningsstukken ter inzage zijn gelegd.
Voorts is onder meer overgelegd de tekening ’De Resident Den Haag, Totaal
overzicht, Onderdeel rooilijnen begane grond’, met tekeningnummer 8647-BB-100
en gedateerd 27 oktober 1995.</al>
    <al>Het raadsbesluit tot onteigening heeft overeenkomstig het bepaalde in
artikel 84, eerste lid, der onteigeningswet met ingang van 1 april 1996, gedurende
vier weken voor een ieder ter inzage gelegen op de secretarie der gemeente ’s-Gravenhage.
Gedurende deze termijn zijn tegen het raadsbesluit bij Ons schriftelijk bedenkingen
naar voren gebracht door mr. P. J. L. J. Duijsens te ’s-Gravenhage namens
Blondine B.V. te ’s-Gravenhage.</al>
    <al>Aan het bepaalde in artikel 86, tweede lid, der onteigeningswet, inhoudende
dat degenen, die tijdig ingevolge het derde lid van artikel 84, bedenkingen
naar voren hebben gebracht, vanwege Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer in de gelegenheid worden gesteld zich in persoon
of bij gemachtigde te doen horen, is voldaan. </al>
    <tuskop letat="cur">Overwegingen ten aanzien van de naar voren gebrachte bedenkingen</tuskop>
    <al>De reclamante, eigenares van het mede ter onteigening aangewezen perceel
kadastraal bekend gemeente ’s-Gravenhage, sectie G, no. 5030 (ged.),
verwijst in haar bij Ons ingediende geschrift met bedenkingen allereerst naar
haar in het kader van de bestemmingsplanprocedure naar voren gebrachte bedenkingen
en naar haar in het kader van de verlening van bouwvergunningen naar voren
gebrachte bedenkingen.</al>
    <al>Te dien aanzien dient te worden overwogen, dat de door de reclamante bedoelde
bouwvergunningen, welke zijn verleend met gebruikmaking van de zogenoemde
anticipatieprocedure ex artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening juncto
artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet, thans niet ter beoordeling staan
en dat bedenkingen dienaangaande naar voren dienen te worden gebracht in het
kader van de desbetreffende wettelijke procedures.</al>
    <al>Voor zover de bedenkingen zijn gericht tegen het ter uitvoering staande
bestemmingsplan ’Spuikwartier, zesde herziening (De Resident)’
als zodanig, zijn zij van planologische aard. Dergelijke bedenkingen dienen
naar voren te worden gebracht in het kader van de in de Wet op de Ruimtelijke
Ordening voorgeschreven procedure met betrekking tot de totstandkoming van
bestemmingsplannen. In het raadsbesluit tot onteigening zijn voorts voorwaarden
opgenomen, welke er onder meer toe leiden, dat het onteigeningsbesluit vervalt,
indien aan meergenoemd bestemmingsplan in hoogste instantie goedkeuring wordt
onthouden. Op deze wijze zijn naar Ons oordeel de rechtszekerheid en de rechtsbescherming
van alle belanghebbenden in voldoende mate gewaarborgd. Voor-noemde bedenkingen
dienen hier derhalve thans buiten beschouwing te blijven en kunnen er mitsdien
niet toe leiden, dat aan het raadsbesluit tot onteigening de goedkeuring wordt
onthouden.</al>
    <al>Voor zover de bedenkingen van de reclamante de voorgenomen onteigening
betreffen komen deze bedenkingen in feite op het volgende neer. Naar haar
oordeel dient geen onteigening plaats te vinden van een gedeelte van het onderwerpelijke
perceel, te weten het gedeelte dat toegang geeft tot het achterterrein daarvan,
zijnde onder meer een tuin, alsmede de parkeerplaatsen behorende bij dat perceel.</al>
    <al>De onteigening is, aldus de reclamante, niet noodzakelijk nu het voorgestane
bestemmings-/bouwplan zeer wel rekening had kunnen houden met de eigendomsgrenzen
ter plaatse, teminder nu blijkbaar de tuin c.q. het parkeerterrein in de nieuwe
situatie evenmin (bedoeld zal zijn: ’evenzo’ gelet op de samenhang
der bedenkingen) bestemd zal worden ten behoeve van parkeervoorzieningen.
De reclamante is derhalve van mening, dat haar belangen dienen te prevaleren
boven die van de gemeente ’s-Graven-hage.</al>
    <al>Uit de overgelegde stukken en uit het ter zake ingestelde onderzoek is
gebleken, dat de reclamante eigenares is van het perceel, kadastraal bekend
gemeente ’s-Gravenhage, sectie G, no. 5030, plaatselijk bekend Herengracht
23 en dat van dat perceel een gedeelte ter onteigening is aangewezen. Ten
behoeve van het perceel, no. 5030, is op het - eveneens ter onteigening
aangewezen - naastgelegen perceel kadastraal bekend gemeente</al>
    <al>’s-Gravenhage, sectie G, no. 5029 en waarvan de gemeente ’s-Gravenhage
volgens de kadastrale registratie eigenares is, een tweetal rechten van erfdienstbaarheid
gevestigd. Het in het onteigeningsplan begrepen gedeelte van het perceel,
no. 5030, is een onbebouwd terrein, dat nu (tijdelijk) wordt gebruikt als
parkeerruimte. Een klein stukje van het te onteigenen gedeelte is tevens achtertuin.
De bedenkingen van de reclamante komen er vooral op neer dat zij de bestaande
mogelijkheid tot parkeren achter haar pand Herengracht 23 wil blijven behouden.</al>
    <al>Uit het onderzoek is voorts gebleken, dat de gemeente ’s-Gravenhage
de in het onteigeningsplan begrepen percelen wenst te verwerven ten einde
te kunnen overgaan tot uitvoering van de zesde herziening van het bestemmingsplan
Spuikwartier, welke herziening tot doel heeft het plan ’De Resident’
juridisch-planologisch te regelen. De locatie maakt deel uit van een veel
groter gebied, genaamd ’Den Haag Nieuw Centrum’, waarin de gemeente
door middel van een integrale aanpak streeft naar vernieuwing van de binnenstad.
In 1993 is aan ’Den Haag Nieuw Centrum’ officieel de status ’sleutelproject’
in het kader van het ruimtelijk ordeningsbeleid toegekend. In het meergenoemde
plan is een aantal doelen verenigd, te weten verbetering van het openbaar
vervoer, verdere kantorenbouw in de buurt van het Centraal Station, het toevoegen
van woningen aan de binnenstad en het verbeteren van openbare ruimten in de
binnenstad. In het gebied tussen de Fluwelen Burgwal, de Herengracht en de
Muzenstraat zal de komende jaren fasegewijs het plan ’De Resident’
tot uitvoering worden gebracht, welk plan, zoals hiervoor reeds overwogen,
onder meer omvat (ver)nieuwbouw van kantoren, winkels, dienstverlening, horeca,
woningen, alsmede de realisering van ondergrondse parkeervoorzieningen, openbare
ruimten in de vorm van autovrije straten en pleinen en openbaar groen.</al>
    <al>Ten aanzien van de hiervoorgenoemde - in het onteigeningsplan begrepen -
percelen, nos. 5029 en 5030 (ged.), heeft het onderzoek uitgewezen, dat blijkens
het vorenomschreven plan ’De Resident’ deze gronden grotendeels
zullen worden benut voor de bouw van een kantoorgebouw met bijbehorende voorzieningen
als ook voor de aanleg van een straat. Gelet op de integrale herinrichting
van het betrokken bestemmingsplangebied, waarbij onder meer is voorzien in
de realisering van een (ondergrondse) parkeervoorziening, kan, anders dan
reclamante van mening is, bezwaarlijk sprake zijn van inpassing van de bestaande
parkeervoorziening. Overigens kunnen toekomstige huurders van het pand Herengracht
23 (het pand van de reclamante wordt thans gerenoveerd) van de (ondergrondse)
parkeervoorziening zo nodig gebruik maken.</al>
    <al>Onder deze omstandigheden en in aanmerking genomen, dat de onteigeningswet
belanghebbenden een volledige schadeloosstelling waarborgt, dient naar Ons
oordeel aan het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente ’s-Gravenhage,
dat is gediend met de door de gemeente voorgestane uitvoering van het bestemmingsplan
ter plaatse, in redelijkheid een groter gewicht te worden toegekend dan aan
het persoonlijk belang van de reclamante bij het behoud van de onderwerpelijke
grond.</al>
    <al>Met betrekking tot het gedeelte van het perceel, no. 5030, waarop de bestemming ’Gedetailleerde
gemengde bebouwing met bijbehorende erf’ is geprojecteerd en welk gedeelte
thans in gebruik als achtertuin bij het pand Herengracht 23, heeft het meergenoemde
onderzoek uitgewezen, dat de gemeente deze grond wenst te verwerken teneinde
te zijner tijd te kunnen overgaan tot de realisering van een kantoorgebouw
van vier verdiepingen met (de mogelijkheid van) vensters in de zijgevel op
de erfgrens zonder in strijd te handelen met artikel 5:50 van het Burgerlijk
Wetboek. Voornoemd artikel bepaalt namelijk, dat, tenzij de eigenaar van het
naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, het niet geoorloofd is binnen
twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen dan
wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht
genieten.</al>
    <al>Gelet op het feit, dat het nog onzeker is, of er daadwerkelijk vensters
in de zijgevel zullen worden aangebracht en ook gelet op het feit, dat de
geplande nieuwbouw aldaar doorgang kan vinden in het geval er geen vensters
worden aangebracht, achten Wij de noodzaak tot onteigening van bedoelde grond
onvoldoende aangetoond. Hierbij hebben wij voorts in ogenschouw genomen, dat
bij het (alsnog) willen aanbrengen van vensters in het bedoelde kantoorgebouw,
het in de rede ligt, om in casu de eigenares van het naburige erf hiervoor
toestemming te vragen, zoals in aangehaald artikellid ook wordt bepaald. De
gemeente heeft, zo is verder gebleken, in de onderhandelingen vóór
de onteigeningsprocedure een dergelijk verzoek evenwel nooit gedaan. Pas onlangs
op 14 juni 1996 heeft de gemeente de eigenares, zijnde de reclamante, een
dergelijk verzoek gedaan. De reclamante heeft, zo is bij het onderzoek vernomen,
dit verzoek in beraad, maar wil hierop gezien de verdere inhoud van genoemde
brief niet zonder meer positief op reageren. Wel is het zo, dat de reclamante
streeft naar een minnelijke oplossing, zo heeft haar adviseur bij het onderzoek
gesteld. Uit het onderzoek is tenslotte gebleken dat de gemeente voor het
desbetreffende perceelsgedeelte geen ander grondgebruik dan het huidige voor
ogen staat.</al>
    <al>Onder deze omstandigheden achten Wij dan ook de noodzaak tot onteigening
van het laatstbedoelde gedeelte van het perceel, no. 5030, zoals nader aangegeven
op de bij dit besluit behorende kaart en lijst, onvoldoende aangetoond, weshalve
aan het raadsbesluit ten dien aanzien de goedkeuring wordt onthouden. </al>
    <tuskop letat="cur">Overige overwegingen</tuskop>
    <al>Ten aanzien van de overige in het onteigeningsplan begrepen gronden moet
het in het belang van de volkshuisvesting en een goede ruimtelijke ontwikkeling
van de gemeente ’s-Gravenhage worden geacht, dat zij de eigendom daarvan
verkrijgt en bestaan er geen termen aan genoemd raadsbesluit de goedkeuring
te onthouden. </al>
    <tuskop letat="vet">Beslissing</tuskop>
    <al>Wij hebben goedgevonden en verstaan:</al>
    <al>vorengenoemd besluit van de raad van ’s-Gravenhage goed te keuren,
behoudens voor zover het strekt tot onteigening van het gedeelte van het perceel
kadastraal bekend gemeente ’s-Graven-hage, sectie G, no. 5030, zoals
nader aangegeven op de bij dit besluit behorende lijst en kaart, aan welk
deel van het raadsbesluit de goedkeuring wordt onthouden.</al>
    <witreg></witreg>
    <al>Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met het raadsbesluit in de
Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden
aan de Raad van State.</al>
  </body>
  <backm>
    <ondtek>’s-Gravenhage, 7 oktober 1996. <nl></nl>Beatrix. <nl></nl><min>De Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</min>Margaretha
de Boer.<nl></nl></ondtek>
    <bijlage>
      <plaatje file="stcrt-1996-214-p8-SC7343-1.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <plaatje file="stcrt-1996-214-p8-SC7343-2.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <witreg></witreg>
      <al>Behoort bij Koninklijk besluit van 7 oktober 1996, no. 96.004894.</al>
      <tuskop letat="vet">Raadsbesluit</tuskop>
      <al>De raad van de gemeente Den Haag,</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders,</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gelet op de bepalingen in de Onteige-ningswet, in het bijzonder art. 77,
lid 1 onder 1;</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Besluit:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>I. reclamante A. Scharloo-Overbroek van de firma Scharloo inzake Herengracht
3b in haar zienswijze niet-ontvankelijk te verklaren; de overige zienswijzen
ongegrond te verklaren;</al>
      <witreg></witreg>
      <al>II. ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan Spuikwartier
zesde herziening, ter verkrijging van de vrije beschikking over de eigendommen
en de daarop rustende rechten, ten name van de gemeente Den Haag te onteigenen
de percelen zoals aangegeven op het bij dit besluit behorende en als zodanig
gewaarmerkte grondplan nummer GZ 7583 en lijst, vermeldende de grootte en
kadastrale nummers van de te onteigenen percelen alsmede de namen van de eigenaars
volgens de registers van het kadaster;</al>
      <witreg></witreg>
      <al>III. te bepalen dat de vordering tot onteigening van dit besluit eerst
kan worden ingesteld indien en voor zover het bestemmingsplan Spuikwartier
zesde herziening ten aanzien van de in dit besluit bedoelde percelen onherroepelijk
is goedgekeurd;</al>
      <al>te bepalen dat dit besluit vervalt, indien en voor zover goedkeuring wordt
onthouden aan delen van bovengenoemd stadsvernieuwingsplan, welke betrekking
hebben op de in dit besluit genoemde percelen;</al>
      <al>IV. ten name van de gemeente te procederen tot benoeming van derden als
bedoeld in artikel 20 van de Onteigeningswet;</al>
      <al>tot opneming door deskundigen voor de aanvang van het geding als bedoeld
in artikel 54a van de Onteigeningswet;</al>
      <al>tot onteigening (in eerste aanleg en - zo nodig - in hoger beroep
en cassatie, zowel eisende als - zo nodig - verwerende), indien
en voor zover bovenvermelde percelen niet door de gemeente bij minnelijke
verwerving, vrij van lasten en rechten in eigendom zijn of kunnen worden verkregen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 14 maart 1996.</al>
      <plaatje file="stcrt-1996-214-p8-SC7343-3.gif" color="no" format="gif"></plaatje>
      <witreg></witreg>
      <al>Behoort bij besluit van de Gemeenteraad van ‘s-Gravenhage van 14
maart 1996, nr. 82.</al>
    </bijlage>
  </backm>
</stcart>