Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
RijkswaterstaatStaatscourant 1996, 210 pagina 12Besluiten van algemene strekking

Bekendmaking aan de scheepvaart

Kanaal door Zuid-Beveland Maximum scheepsafmetingen, diepgang en vaarsnelheden. Gebruik rijksloswallen. (Vervanging bekendmaking nrs. 9 en 10 van 1993 in verband met wijziging maximum toegelaten diepgang en intrekking tijdelijke beperking van de doorvaarthoogte)

15 oktober 1996

Nr. 10

Rijkswaterstaat/Directie Zeeland

De hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat in de directie Zeeland te Middelburg,

overwegende,

dat vanuit de praktijk en het oogpunt van handhaafbaarheid gebleken is dat het huidige voorschrift in de bekendmakingen 9/1993 en 10/1993 ten aanzien van maximum toegelaten diepgang niet voldoet;

dat de ’tijdelijke situatie’ genoemd onder B. van bekendmaking 9/1993 niet meer bestaat, zodat de daar genoemde beperking van de doorvaarthoogte in de praktijk is opgeheven;

dat het daarom wenselijk is bedoeld diepgangsvoorschrift te wijzigen en, ter wille van de duidelijkheid, in verband daarmee de bekendmakingen 9/1993 en 10/1993 te vervangen door één nieuwe bekendmaking;

dat ten aanzien van de nieuwe maximum diepgang Bijlage 13 van het Binnenvaart Politie Reglement moet worden aangepast;

Gelet op de artikelen 9.02 en 9.03 van het Binnenvaart Politie Reglement;

Besluit:

1. Voor het Kanaal door Zuid-Beveland, met inbegrip van de sluizen te Hansweert, de maximum toegestane scheepsafmetingen, diepgang en vaarsnelheden opnieuw vast te stellen, en wel als volgt:

lengte: 200 m voor duwstellen en slepen (ongewijzigd), 150 m voor schepen en gekoppelde samenstellen (ongewijzigd);

breedte: 23,00 m voor alle vaart (ongewijzigd);

diepgang: 4,75 m bij waterstanden hoger of gelijk aan N.A.P. -0,75 m, of zoveel minder als de waterstand lager is dan N.A.P. -0,75 m.

Bij het binnenvaren van het kanaal bij vallend water (afgaand tij) en bij het verlaten van een loswal, dient de diepgang zodanig te zijn dat op geen enkel moment en op geen enkele plaats vorenbedoelde maximum toegestane diepgang wordt overschreden.

Tijdens het liggen aan één der loswallen is een maximum diepgang van 4,75 m bij elke waterstand toegestaan (dit laatste is ongewijzigd).

vaarsnelheden (ten opzichte van de oever);

15 km/u bij een natte dwarsdoorsnede van 20m2 of meer (ongewijzigd);

20 km/u bij een natte dwarsdoorsnede kleiner dan 20 m2 (ongewijzigd).

(Onder natte dwarsdoorsnede wordt verstaan: grootste breedte x grootste diepgang van het schip of samenstel).

II. Schepen mogen slechts van de hierna genoemde loswallen afmeren, indien vóóraf toestemming is verkregen van of vanwege het hoofd van de Scheepvaartdienst Oosterschelde (ongewijzigd):

1. De loswal in het Zijkanaal Wemeldinge:

Alle relevante gegevens dienen vóór aankomst en vertrek aan de Verkeerspost Wemeldinge te zijn verstrekt via marifoonkanaal 68 of telefoonnummer 0113 - 62 21 10.

2. De loswal (’Kaai 85’) langs het kanaal bij Hansweert/Schore:

Alle relevante gegevens dienen vóór aankomst en vertrek aan de sluizen te Hansweert (roepnaam ’Sluis Hansweert’) te zijn verstrekt via marifoonkanaal 22 of telefoonnummer 0113 - 38 14 10.

III. De tijdelijke hoogtebeperking genoemd in bekendmaking 9/1993 is vervallen.

IV. Mijn bekendmakingen 9/1993 en 10/1993 worden hierbij ingetrokken.

De daartoe bevoegde ambtenaren kunnen in verband met het voorgaande op grond van de Scheepvaartverkeerswet (SVW) en het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) aan de schipper een aanwijzing geven. De schipper is verplicht die aanwijzing op te volgen.

Deze bekendmaking wordt in de Staatscourant geplaatst en treedt met onmiddellijke ingang in werking.

Voor bezwaar- en beroepsmogelijkheden is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing (zie de Mededelingen bij deze bekendmaking).


Middelburg, 15 oktober 1996.
De hoofdingenieur-directeur,
voor deze,
het hoofd van de afdeling Scheepvaart en Infrastructuur (NWS),
B. de Hoop.

Mededelingen

I. Het hebben van deze ontheffing ontslaat de ontheffinghouder niet van de verplichting om de redelijkerwijs mogelijke maatregelen te treffen teneinde te voorkomen dat derden of de Staat ten gevolge van het gebruik van de ontheffing schade lijden.

II. De ontheffinghouder is verplicht bij gebruikmaking van deze ontheffing deze op verlangen te tonen aan de bevoegde ambtenaren.

III. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen dit besluit binnen zes weken na de dag waarop dit is bekendgemaakt een bezwaarschrift worden ingediend. Het bezwaarschrift moet worden gericht aan de Minister van Verkeer en Waterstaat en gezonden aan de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat in de directie Zeeland, Postbus 5014, 4330 KA Middelburg.

Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en tenminste het volgende te bevatten:

a. naam en adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. vermelding van de datum en het nummer of het kenmerk van het besluit waartegen het bezwaarschrift zich richt;

d. een opgave van de redenen waarom men zich met het besluit niet kan verenigen.

Indien een bezwaarschrift is ingediend is het mogelijk om daarnaast een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen.

Een dergelijk verzoek dient te worden gericht aan de President van de Arrondissementsrechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het bezwaarschrift zijn woonplaats heeft. Een verzoek dient te zijn ondertekend en tenminste het volgende te bevatten:

a. de naam en het adres van de verzoeker;

b. de dagtekening;

c. vermelding van het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen en datum en nummer van het besluit;

d. de gronden van het verzoek (motivering).

Bij het verzoek dient voorts een afschrift van het bezwaarschrift te worden overgelegd.

Naar aanleiding van het verzoek kan de bevoegde president een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor de behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening wordt een bedrag aan griffiegeld geheven. De griffier van de betrokken Arrondissementsrechtbank wijst de verzoeker na de indiening van diens verzoek op de verschuldigdheid van het griffierecht en bericht de verzoeker binnen welke termijn en op welke wijze het verschuldigde griffierecht moet worden voldaan.