Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 1994, 251Algemeenverbindendverklaring van CAO-bepalingen

Grafisch Bedrijf in Nederland/ Technisch Personeel

Verbindendverklaring CAO-bepalingen

MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

ALGEMEEN VERBINDENDVERKLARING VAN GEWIJZIGDE BEPALINGEN VAN DE COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST VOOR HET GRAFISCH BEDRIJF IN NEDERLAND (TECHNISCH PERSONEEL)

8189

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelezen het verzoek van Grafische Bedrijfs Fondsen namens het Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen (KVGO) en de Vereniging van Kleinere Grafische Ondernemingen (VKGO) als partijen te ener zijde namens Druk en Papier FNV en de Grafische Bond CNV als partijen te anderer zijde bij de collectieve arbeidsovereenkomst voor het Grafisch Bedrijf in Nederland (technisch personeel), strekkende tot algemeen verbindendverklaring van gewijzigde bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;

Overwegende,

dat de wijziging van genoemde collectieve arbeidsovereenkomst in werking is getreden voor zover het betreft artikel 9 lid 5 sub d en lid 7 van het Reglement Vervroegd Uittreden Oudere Werknemers van de Stichting Fonds Werktijdvermindering Oudere Werknemers in de Grafische Bedrijven en voor zover het betreft de overige bepalingen op 1 januari 1995 in werking zal treden;

dat van het verzoek tot algemeen verbindendverklaring mededeling is gedaan in de Nederlandse Staatscourant;

dat naar aanleiding van dit verzoek geen schriftelijke bezwaren zijn ingebracht;

dat de bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst gelden voor een belangrijke meerderheid van de in de bedrijfstak werkzame personen;

Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;

Gezien het advies van de Stichting van de Arbeid;

Besluit:

IA. Trekt in zijn besluit van 4 februari 1994 (Stcrt. 1994, nr. 28) voor zover daarin werd overgegaan tot het algemeen verbindend verklaren van artikel 9, leden 5 sub d en 7 van het Reglement Vervroegd Uittreden Oudere Werknemers van de Stichting Fonds Werktijdvermindering Oudere Werknemers in de Grafische Bedrijven, behorende bij de collectieve arbeidsovereenkomst voor het Grafisch Bedrijf in Nederland (technisch personeel), zulks met inachtneming van hetgeen onder IV A is bepaald;

IB. Trekt in, per 1 januari 1995, zijn besluiten van respectievelijk 18 augustus 1994 (Stcrt. 1994, nr. 159) en 4 februari 1994 (Stcrt. 1994, nr. 28), voor zover daarin werd overgegaan tot het algemeen verbindendverklaren van de overige bepalingen van het Reglement Vervroegd Uittreden oudere Werknemers van de Stichting Fonds Werktijdvermindering Oudere Werknemers in de Grafische Bedrijven behorende bij de collectieve arbeidsovereenkomst voor het Grafisch Bedrijf in Nederland (technisch personeel), zulks met inachtneming van hetgeen onder IV is bepaald;

IIA. Verklaart algemeen verbindend tot en met 31 januari 1998 artikel 9 lid 5 sub d en artikel 9 lid 7 van het Reglement Vervroegd Uittreden oudere Werknemers van de Stichting Fonds Werktijdvermindering Oudere Werknemers in de Grafische Bedrijven behorende bij de collectieve arbeidsovereenkomst voor het Grafisch Bedrijf in Nederland (technisch personeel), zulks met inachtneming van hetgeen onder III, IV en V is bepaald:

IIB. Verklaart algemeen verbindend tot en met 31 januari 1998 de overige bepalingen van het Reglement Vervroegd Uittreden oudere Werknemers van de Stichting Fonds Werktijdvermindering Oudere Werknemers in de Grafische Bedrijven behorende bij de collectieve arbeidsovereenkomst voor het Grafisch Bedrijf in Nederland (technisch personeel), met uitzondering van artikel 9 lid 5 sub d en artikel 9 lid 7, zulks met inachtneming van hetgeen onder III, IV en V is bepaald:

STICHTING FONDS WERKTIJDVERMINDERING OUDERE WERKNEMERS IN DE GRAFISCHE BEDRIJVEN

REGLEMENT VERVROEGD UITTREDEN OUDERE WERKNEMERS

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit reglement wordt verstaan onder:

het fonds: de Stichting Fonds Werktijdvermindering Oudere Werknemers in de Grafische Bedrijven;

het bestuur: het bestuur van het fonds;

boekjaar: kalenderjaar;

deelnemer: degene die vervroegd uit het arbeidsproces is getreden op grond van de regeling inzake vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de statuten;

ASF: Stichting Algemeen Sociaal Fonds voor de Grafische Bedrijven;

GBV: Grafische Bedrijfsvereniging;

PGB: Stichting Pensioenfonds voor de Grafische Bedrijven;

AOW, AWW: Algemene Ouderdomswet, Algemene Weduwen- en Wezenwet;

AKW, AWBZ: Algemene Kinderbijslagwet, Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;

ZW, AAW, WAO: Ziektewet, Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

WW, WWV: Werkloosheidswet, Wet Werkloosheidsvoorziening;

GBV-ZW-dagloon: het dagloon dat voor de GBV-verzekerden wordt berekend met toepassing van artikel 15 van de ZW en de daarop steunende algemene dagloonregelen en met inachtneming van het „Bijzondere Dagloonbesluit Ziektewet" van de GBV, en zoals dat voor de deelnemer zou zijn vastgesteld bij voortduren van het dienstverband;

statuten: de statuten van het fonds;

uittredingsperiode: de tijd gedurende welke de deelnemer aanspraak kan maken op de in de artikelen 9 en 9a bedoelde uitkeringen;

werkgever: de werkgever in de zin van de statuten;

werknemer: de werknemer in de zin van de statuten.

Artikel 2 Premie

Werkgevers en werknemers zijn verplicht tot betaling aan het fonds van een premie:

  • a. behoudens ter zake van de werknemers die vallen onder de collectieve arbeidsovereenkomst voor dagbladjournalisten, is door de werkgever verschuldigd:

    • 2. met ingang van 1 oktober 1990 6,80% van het loon.

    • Hiervan wordt, als werknemersdeel in de premie, door de werkgever ingehouden op het loon 3,40%.

  • b. ter zake van de werknemers die vallen onder de collectieve arbeidsovereenkomst voor dagbladjournalisten is door de werkgever verschuldigd:

    • 2. met ingang van 1 januari 19941 5,80% van het loon.

    • Hiervan wordt, als werknemersdeel in de premie, door de werkgever ingehouden op het loon 2,45%.

Artikel 3 Heffingsgrondslag, loon

  • 1. Grondslag voor de berekening van de door de werkgever af te dragen premie is het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering. Grondslag voor de berekening van de in te houden werknemerspremie is het brutoloon van de werknemer.

  • 2. Niet in geld genoten loon wordt berekend naar het bedrag van de geldswaarde, waarbij onderricht niet wordt meegerekend.

  • 3. Het bestuur stelt de geldswaarde van huisvesting en van kost vast.

  • 4. In afwijking van het in lid 1 bepaalde wordt onder loon niet verstaan de uitkering die de werknemer ontvangt uit hoofde van de WAO/WW, alsmede het loon dat wordt gegeven in aanvulling op een uitkering ingevolge de WAO/WW.

  • 5. Onder loon wordt mede verstaan de loondervingsuitkering alsmede de eventuele aanvulling op het loon en/of de loondervingsuitkering die de werknemer in het kader van de dienstbetrekking tijdens het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid al dan niet via derden ontvangt.

Artikel 4 Vaststelling premieloon

  • 1. De verschuldigde jaarpremie als bedoeld in artikel 2 wordt berekend met inachtneming van de door de werkgever daartoe te verstrekken loongegevens.

  • 2. Laat de werkgever na die loongegevens voor het door het bestuur daartoe vastgestelde tijdstip te verstrekken of zijn die gegevens kennelijk onjuist, dan stelt het bestuur het loon naar beste weten vast. Het bestuur is bevoegd de alsdan vast te stellen premie te verhogen met een opslag van 5% van dat bedrag met een minimum van f 50,–. Deze verhoging wordt als premie beschouwd.

  • 3. Het bestuur kan een besluit tot vaststelling van het loon te allen tijde herzien, zolang niet meer dan drie kalenderjaren zijn verstreken sedert het einde van het boekjaar waarin de premie verschuldigd is geworden.

Artikel 5 Maximum premieloon

Voor de berekening van de premies komt het loon dat bij dezelfde werkgever voor dezelfde werknemer meer heeft bedragen dan het bedrag dat verkregen wordt door vermenigvuldiging van anderhalf maal het bedrag als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering met het aantal dagen waarop de werknemer bij de werkgever heeft gewerkt, voor dat meerdere niet in aanmerking.

Artikel 6 Afdracht van de premie

  • 1. De door de werkgever en werknemer verschuldigde premie wordt door het fonds, bij wijze van voorschot en in mindering op het over een boekjaar verschuldigde totaal van de premies aan de werkgever in rekening gebracht, in zodanige termijnen, op zodanige tijdstippen en tot zodanige bedragen als het bestuur nodig oordeelt; indien tijdens een boekjaar het premiepercentage gewijzigd wordt, kan het bestuur besluiten dat een voorschotpremie en het na afloop van het boekjaar vast te stellen totaal van de premies tegen een gemiddeld premiepercentage, door het bestuur vast te stellen, in rekening wordt gebracht.

  • Daarenboven kan het bestuur besluiten, indien het dit nodig oordeelt, ter zekerheidstelling van premie-afdracht, een extra voorschot ter grootte van de premie over ten hoogste 1 jaar in rekening te brengen.

  • 2. De werkgever is verplicht de verschuldigde premie binnen 7 dagen na dagtekening van de nota te voldoen. Bij niet betaling binnen deze termijn is de werkgever door het enkele verloop van die termijn in gebreke.

Artikel 7 Te late betaling

  • 1. De werkgever die nalaat enig ingevolge het voorgaande artikel door hem te betalen bedrag op het daarvoor door het bestuur vastgestelde tijdstip te voldoen, zal een schadevergoeding als bedoeld in de artikelen 119 en 120 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek verschuldigd zijn, tenzij het bestuur daarvan geheel of gedeeltelijk ontheffing verleent.

  • 2. Boven en behalve de in het voorgaande lid bedoelde schadevergoeding is de werkgever in geval van nalatigheid verplicht op eerste vordering van het fonds alle kosten te betalen, welke naar het oordeel van het bestuur tot invordering van het verschuldigde zijn gemaakt, alsmede de verschuldigde BTW.

Artikel 8 Opgaven en inlichtingen

  • 1. Werkgever en werknemers zijn verplicht om aan het fonds of diens gemachtigde(n) alle inlichtingen of opgaven te verstrekken, welke het bestuur voor de uitvoering van de statuten en reglement nodig acht.

  • 2. Desgevraagd zullen zij aan het fonds of diens gemachtigde inzage geven in die boeken en bescheiden waarvan het bestuur dit noodzakelijk acht.

Artikel 9 Uitkeringen

  • 1. De deelnemer heeft gedurende de uittredingsperiode recht op een maandelijkse bruto-uitkering ten laste van het fonds. De hoogte daarvan wordt bij aanvang eenmalig vastgesteld en is gebaseerd op het nettoloon, zoals bedoeld in het volgende lid.

  • 2. Ter bepaling van het nettoloon wordt uitgegaan van het werkelijke GBV-ZW-dagloon, zoals dat tijdens het direct aan de vervroegde uittreding voorafgaande dienstverband zou zijn vastgesteld, vermeerderd met de vakantietoeslag en eventuele jaarlijkse gratifikaties en verminderd met alle wettelijke en daarmee gelijk te stellen inhoudingen.

  • 3. Ter vaststelling van de maandelijkse bruto-uitkering wordt het aldus in het vorige lid bepaalde nettoloon verhoogd met de tijdens de vervroegde uittreding wettelijk verschuldigde premies en belastingen en verlaagd met de vakantietoeslag en de eventuele jaarlijkse gratifikaties.

  • 4. In geval van krachtens collectieve arbeidsovereenkomst (zoals die op de betreffende deelnemer onmiddellijk voorafgaande aan diens vervroegd uittreden van toepassing was) overeengekomen loonsverhogingen, wordt de maandelijkse bruto Vut-uitkering gedeeltelijk aangepast, volgens door het bestuur nader vast te stellen regels.1

  • 5. Deelnemers hebben bovendien recht op:

    • a. een vakantietoeslag overeenkomstig de op hen van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst of loonregeling;

    • b. een toeslag ter medeberekening van de vaste jaarlijkse, en in een week-, maand- of periodeloon dan wel in een vast percentage daarvan uitgedrukte gratifikaties en/of uitkeringen, voor zover de deelnemers in het jaar direct voorafgaande aan de vervroegde uittreding daarop aanspraak hadden krachtens een schriftelijk vastgelegd(e)

      • (individuele) arbeidsovereenkomst, of

      • reglement;

    • c. een toeslag als tegemoetkoming in de premie verschuldigd wegens een door de deelnemer voortgezette partikuliere ziektekostenverzekering en wel tot maximaal het bedrag dat de deelnemer van zijn werkgever ontving als bijdrage in de kosten van die verzekering;

    • d. een netto spaarloontoeslag ter grootte van 1,07% van het loon genoemd in artikel 2, lid 6, sub 3, van het Spaarloonreglement van het SGB, mits de deelnemer direct voorafgaande aan zijn vervroegde uittreding werknemer was in de zin van de statuten van het SGB.

  • 6. Voor de deelnemer zal het loon waarnaar de uitkering volgens lid 1 werd berekend niet meer bedragen dan anderhalf maal het maximum dagloon dat geldt voor de Ziektewet. Heeft een deelnemer bovendien recht op een toeslag als bedoeld in lid 5, sub a en b, dan kan desondanks de som van het uitkeringsloon en deze toeslag(en) niet meer bedragen dan anderhalf maal het maximum dagloon dat geldt voor de Ziektewet.

  • 7. De uitkering wordt in maandelijkse termijnen betaald, voor het eerst over de maand waarin de vervroegde uittreding plaatsvond. De vakantietoeslag wordt in de maand mei betaald, de toeslag wegens gratifikaties en/of uitkeringen alsmede de spaarloontoeslag in de maand december, terwijl de toeslag als tegemoetkoming in de kosten van een partikuliere ziektekostenverzekering tegelijk met de uitkering in maandelijkse termijnen wordt betaald.

  • 8. Bij de eerste betaling en bij iedere wijziging van de uitkering verstrekt het fonds aan de deelnemer een specificatie van het betaalde bedrag.

  • 9. Het bestuur is bevoegd bij de berekening van het in het tweede lid bedoelde loon, het loon dat is verschuldigd of wordt genoten ter zake van opvoering van het aantal gewerkte uren anders dan vanwege een medisch vastgestelde toegenomen mate van arbeidsgeschiktheid, dan wel bepaalde loonbestanddelen buiten beschouwing te laten indien, naar het oordeel van het bestuur, de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Het bestuur is bovendien bevoegd, met betrekking tot de toeslagen als bedoeld in lid 5, gedeelten van de vakantietoeslag, van gratifikaties en/of uitkeringen en van vergoedingen die van de werkgever werden ontvangen in de kosten van een ziektekostenverzekering buiten beschouwing te laten, indien, naar het oordeel van het bestuur, de omstandigheden daartoe aanleiding geven.

  • 10. Uitsluitend ter uitvoering van het op 1 januari 1982 in werking getreden agreement – aangegaan tussen het fonds en een aantal stichtingen en ondernemingen die vervroegde uittreding regelen in verwante bedrijfssektoren met het oogmerk de nadelige gevolgen bij vervroegde uittreding ten gevolge van verandering van werkzaamheden of werkkring, zoveel mogelijk tegen te gaan – wordt wanneer toepassing van het agreement leidt tot vervroegde uittreding, de uitkering in afwijking van het in de vorige leden van dit artikel bepaalde, berekend overeenkomstig de daarvoor in het agreement gestelde regelen.

Artikel 9A Vervroegde uittreding vóór 60 jaar

  • 1. De deelnemers jonger dan 60 jaar die na een dienstverband in de grafische bedrijven van 40 jaar, dan wel van 35 jaar in ploegendienst, van de vrijwillig vervroegde uittredingsmogelijkheid, zoals die krachtens de betreffende collectieve arbeidsovereenkomst dan wel overeenkomst tot vrijwillige deelneming mogelijk is, gebruik maken, hebben, in afwijking van het bepaalde in artikel 9, lid 1 gedurende de uittredingsperiode recht op een maandelijkse bruto-uitkering gebaseerd op 90% van het nettoloon. Deze uitkering wordt bij aanvang eenmalig vastgesteld.

  • Voor werknemers jonger dan 60 jaar die gebruik maken van deeltijd-Vut, zal bij vermindering van de mate van deeltijdwerken op of na hun 60e verjaardag, de daarvoor in de plaats komende Vut-uitkering eveneens vastgesteld worden op het niveau van 90%.

  • 2. De minimum netto-uitkering zal echter nimmer minder bedragen dan het netto wettelijk minimumloon dat voor de betreffende werknemer geldt.

  • 3. De bepalingen in de statuten en in dit reglement zijn voor zoveel mogelijk dienovereenkomstig van toepassing.

  • 4. Het bestuur kan echter afwijkende bepalingen en nadere regels vaststellen.

Artikel 10 Inhoudingen/afdrachten

  • 1. Voor rekening van de deelnemer komen de op de uitkering, op de vakantietoeslag en op de toeslag voor gratifikaties en/of uitkeringen in te houden:

    • a. verschuldigde loonbelasting;

    • b. verschuldigde premies AOW/AWW;

    • c. voor zover van toepassing de door de deelnemer verschuldigde ziekenfondspremie.

  • 2. Voor rekening van het fonds komt de afdracht van:

    • a. de verschuldigde premies AKW/AWBZ/AAW aan de belastingdienst;

    • b. de verschuldigde ASF-bijdrage aan het ASF;

    • c. de pensioenpremie indien en voor zoveel verschuldigd aan het PGB, een en ander met inachtneming van het bepaalde in artikel 12;

    • d. voor zover van toepassing het door het fonds verschuldigde werkgeversdeel van de ziekenfondspremie aan het betreffende ziekenfonds.

Artikel 11 Kortingen op uitkeringen

  • 1. Op de uitkeringen als bedoeld in het eerste lid van artikel 9 worden in mindering gebracht:

    • a. indien met toestemming van het bestuur in de uittredingsperiode werkzaamheden worden verricht: de voor die werkzaamheden ontvangen beloning respectievelijk vergoeding;

    • b. uitkeringen waarop de deelnemer krachtens een pensioenregeling aanspraak kan maken;

    • c. uitkeringen krachtens de ZW respectievelijk de AAW en/of de WAO respectievelijk de WW en/of de WWV waarop de deelnemer tijdens zijn uittredingsperiode aanspraak heeft respectievelijk verkrijgt, en andere loondervingsuitkeringen, alsmede de eventuele aanvullingen op het loon en/of de loondervingsuitkeringen die de werknemer in het kader van de dienstbetrekking al dan niet via derden ontvangt.

  • 2. Verrekening als in het eerste lid bedoeld onder b en c vindt plaats ook wanneer de deelnemer verzuimt dan wel heeft verzuimd, zijn aanspraken geldend te maken.

  • 3. In afwijking van het in het eerste en tweede lid bepaalde kan het bestuur op grond van bijzondere omstandigheden beslissen, dat vorenbedoelde korting niet of niet volledig wordt toegepast.

Artikel 12 Voortzetting opbouw pensioen

  • 1. De pensioenverzekering wordt bij het als gevolg van de vervroegde uittreding eindigen van het dienstverband, voortgezet als ware de dienstbetrekking niet geëindigd.

  • 2. Het fonds zet ten behoeve van de bij het PGB verzekerde werknemer die deelnemer wordt, de verzekering voort en draagt de in totaal ingevolge de statuten en Pensioenreglement PGB verschuldigde premie af aan het PGB. Het in de vorige volzin bepaalde is van overeenkomstige toepassing wanneer met het PGB een overeenkomst tot vrijwillige verzekering was aangegaan op dezelfde voorwaarden als die welke gelden bij de verplichte verzekering.

  • 3. Indien:

    • a. ten behoeve van een werknemer door diens werkgever met het PGB een overeenkomst tot vrijwillige verzekering was aangegaan op voorwaarden die afwijken van die welke voor de verplichte verzekering gelden, of

    • b. ten behoeve van een werknemer door diens werkgever een bijzondere pensioenvoorziening was getroffen deswege vrijstelling was verleend van de verplichting deel te nemen in het PGB, of

    • c. ten behoeve van een werknemer door diens werkgever een pensioenvoorziening was getroffen die is ondergebracht bij een ondernemingspensioenfonds, een ander bedrijfspensioenfonds dan het PGB of bij een andere verzekeraar,

  • zal de werkgever het gehouden zijn de verzekering ten behoeve van de werknemer die deelnemer is geworden, gedurende de uittredingsperiode voort te zetten en de totaal verschuldigde premie aan de verzekeraar te betalen.

  • Het fonds vergoedt aan de werkgever de premie die voor bedoelde pensioenverzekeringen aan de verzekeraar verschuldigd is tot ten hoogste de maximum premie die in het kalenderjaar voor de verplichte verzekering ingevolge het PGB geldt ook voor lopende uitkeringen, echter niet dan na overlegging van een verklaring van de verzekeraar waarin betaling van de verschuldigde premie wordt bevestigd.

  • 4. Indien een werkgever als bedoeld in het vorige lid vanwege faillissement in gebreke blijft zijn daar genoemde verplichtingen te voldoen zal het fonds een bedrag, te berekenen volgens door het bestuur vast te stellen richtlijnen, ter betaling van pensioenpremie aan de verzekeraar ter beschikking stellen.

  • Door het fonds deswege betaalde pensioenpremies worden verhaald op de werkgever.

Artikel 13 Voortzetting opbouw spaarloon

(Vervallen m.i.v. 1-1-1994.)

Artikel 14 Overlijdensuitkering

  • 1. Indien een deelnemer voor het bereiken van zijn 65e jaar overlijdt, wordt de uitkering als bedoeld in artikel 9, eerste lid, voor zover niet reeds uitbetaald, tot en met de laatste dag van de tweede maand volgende op die waarin het overlijden plaatsvond, uitbetaald – voor zover mogelijk in een bedrag ineens –:

    • a. aan de langstlevende van de echtgenoten indien de overledene niet duurzaam van de andere echtgenoot gescheiden leefde;

    • b. bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de minderjarige wettige en natuurlijke kinderen;

    • c. bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels voorzag in de kosten van het bestaan en met wie hij in gezinsverband leefde.

  • Voor de toepassing van het eerste lid, sub a worden mede als echt genoot aangemerkt niet gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft bloedverwanten in eerste of tweede graad. Van een gezamenlijke huishouding als hier bedoeld, kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

  • 2. Bij toepassing van het eerste lid wordt de uitkering met ingang van de dag na het overlijden, met inachtneming van het bepaalde in de leden 1 en 6 van artikel 9, verhoogd tot het GBV-ZW-dagloon dat voor het overlijden zou hebben gegolden bij voortduren van het dienstverband.

  • 3. Indien er geen rechthebbenden zijn als bedoeld in het eerste lid wordt de uitkering als bedoeld in het eerste lid, voor zover niet reeds uitbetaald na het overlijden van degene aan wie de uitkering is toegekend tot en met de laatste dag der maand, waarin het overlijden plaatsvond, uitbetaald aan de persoon of de personen, die daarvoor naar het oordeel van het bestuur in aanmerking komt respectievelijk komen, mits deze daartoe binnen zes maanden na het overlijden een verzoek bij het bestuur heeft respectievelijk hebben ingediend.

  • 4. Het in het eerste lid bepaalde mist toepassing indien de in het eerste lid bedoelde deelnemer ten tijde van het overlijden uitkering ingevolge de ZW, WAO of AAW genoot.

Artikel 15 Aanvraag uitkeringen

  • 1. De deelnemer, die aanspraak maakt op de uitkering respectievelijk toeslagen als bedoeld in artikel 9, eerste respectievelijk vijfde lid, is verplicht deze met gebruikmaking van een daartoe door het bestuur vast te stellen en tijdig ter beschikking te stellen formulier, ten minste twee maanden voor de datum waarop hij vervroegd zal uittreden, bij het fonds aan te vragen.

  • 2. De gevolgen van het te laat aanvragen van de uitkering worden bij bestuursbesluit geregeld.

Artikel 16 Verplichtingen deelnemer

  • 1. Onverminderd de verplichtingen die voor hem uit het elders in dit reglement bepaalde voortvloeien, is de deelnemer verplicht:

    • a. zich gedurende de uittredingsperiode te onthouden van het verrichten van werkzaamheden waarvoor normaliter loon of een vergoeding wordt uitbetaald, tenzij het bestuur voor het verrichten van die werkzaamheden toestemming heeft verleend;

    • b. zich bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, ontstaan binnen een maand na het einde der dienstbetrekking, terstond ziek te melden:

      • 1. bij de GBV, indien zijn laatste werkgever bij de GBV was aangesloten, dan wel

      • 2. bij het fonds indien zijn laatste werkgever bij een andere bedrijfsvereniging dan de GBV was aangesloten, in welk geval de deelnemer gehouden is zich bovendien ziek te melden bij die andere bedrijfsvereniging;

    • c. indien hij wegens ziekte arbeidsongeschikt wordt binnen het eerste jaar van zijn vervroegde uittreding, en vervolgens gedurende 3 achtereenvolgende maanden arbeidsongeschikt blijft, van de arbeidsongeschiktheid onverwijld schriftelijk mededeling te doen aan het fonds;

    • d. op verlangen en ten genoege van het bestuur aan te tonen dat hij voldoet aan de voorwaarden voor vervroegde uittreding als omschreven in de regeling bedoeld in artikel 2, eerste lid van de statuten;

    • e. een hem eens per drie maanden toegezonden vragenformulier ingevuld en getekend binnen de daarvoor gestelde termijn aan het fonds terug te sturen.

  • 2. Bij niet-nakoming van een of meer van de in het eerste lid dan wel elders in dit reglement genoemde verplichtingen kan het bestuur besluiten de uitkeringen te beëindigen dan wel te herzien en gedurende drie jaren na afloop van het kalenderjaar waarin uitkering is verleend, ten onrechte genoten uitkeringen terug te vorderen.

  • Het bestuur kan een eenmaal beëindigde uitkering heropenen al dan niet onder door het bestuur te stellen voorwaarden.

Artikel 17 Verplichting tot loonspecificatie; aansprakelijkheid

  • 1. De werkgever is verplicht een hem in het kader van de uitvoering van dit reglement toegezonden loonspecificatieformulier, waarvan de door de werkgever in te vullen gegevens dienen voor het berekenen van de uitkering te ondertekenen, te doen ondertekenen door de werknemer en het daarna ten spoedigste aan het fonds te retourneren.

  • 2. De als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens geheel of ten dele ten onrechte gedane betalingen kunnen worden teruggevorderd. Behalve de geheel of ten dele ten onrechte gedane betalingen, kunnen in geval van nalatigheid worden teruggevorderd: een schadevergoeding als bedoeld in de artikelen 119 en 120 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, en/of alle kosten, welke naar het oordeel van het bestuur tot invordering van het verschuldigde zijn gemaakt, alsmede de verschuldigde BTW.

  • 3. Voor het terugbetalen van de door de werknemer ten onrechte genoten uitkeringen als bedoeld in het tweede lid zijn de werkgever en de werknemer hoofdelijk aansprakelijk.

  • 4. Het terugvorderingsrecht van het fonds als bedoeld in het tweede lid, verjaart door verloop van drie jaren na afloop van het kalenderjaar waarin geheel of ten dele ten onrechte betalingen zijn gedaan.

Artikel 18 Einde uitkeringen

De in dit reglement genoemde uitkeringen eindigen:

  • a. per de eerste van de maand waarin de deelnemer 65 jaar wordt;

  • b. op de dag volgende op die waarop de deelnemer zonder de 65-jarige leeftijd te hebben bereikt, is overleden;

  • c. per de datum met ingang waarvan het bestuur met toepassing van het tweede lid van artikel 16 besluit de uitkeringen te beëindigen.

Artikel 19 Gedeeltelijk vervroegd uittreden

  • 1. De werknemer die recht heeft op vervroegd uittreden kan van dit recht gedeeltelijk gebruik maken zoals dit krachtens de betreffende collectieve arbeidsovereenkomst dan wel overeenkomst tot vrijwillige deelneming voor hem mogelijk is.

  • 2. Een werknemer kan gedeeltelijk vervroegd uittreden volgens door het bestuur vastgestelde percentages.

  • 3. De werknemer die gedeeltelijk vervroegd uittreedt ontvangt van het fonds een aan het uittredingspercentage aangepaste bruto-uitkering, gebaseerd op het nettoloon als bedoeld in artikel 9, lid 2, een en ander volgens door het bestuur nader te stellen regels.

  • 4. De termijn waarbinnen en de wijze waarop aanvragen voor uitkeringen moeten worden ingediend, als genoemd in artikel 15, zijn van overeenkomstige toepassing op aanvragen voor gedeeltelijk vervroegd uittreden alsmede op elke wijziging van het uittredingspercentage.

  • 5. De bepalingen in de statuten en in de voorgaande artikelen zijn voor zoveel mogelijk dienovereenkomstig van toepassing.

  • 6. Het bestuur kan echter afwijkende bepalingen en nadere regels vaststellen.

Artikel 21 Overgangsbepaling

  • 1. Op werknemers die vóór 1 januari 1995 vanaf hun 60e jaar vervroegd zouden kunnen uittreden op basis van de vervroegde uittredingsregeling zoals die voor die datum gold, doch het moment waarop zij vervroegd uittreden zouden willen uitstellen tot na die datum, zijn de bepalingen omtrent de hoogte van de uitkering zoals die golden vóór 1 januari 1995, onverkort gedurende de looptijd van hun Vut-uitkering van toepassing.

  • 2. Werknemers die vóór 1 januari 1995 vanaf hun 56e jaar vervroegd zouden kunnen uittreden op basis van de vervroegde uittredingsregeling zoals die voor die datum gold, doch het moment waarop zij vervroegd uittreden zouden willen uitstellen tot na die datum, kunnen ook na 1 januari 1995 daadwerkelijk vervroegd uittreden. De bepalingen omtrent de hoogte van de uitkering zoals die golden vóór 1 januari 1995 zijn gedurende de looptijd van hun Vut-uitkering onverkort van toepassing op deze werknemers.

III. Indien en voor zover de onder IIA en IIB opgenomen bepalingen strijdig zijn met (mede) ter zake van de vaststelling van lonen en/of andere arbeidsvoorwaarden bij of krachtens de wet gestelde of te stellen regelen, prevaleren deze regelen.

IV. Dit besluit treedt voor zover het betreft artikel 9 leden 5 sub d en 7 van het Reglement Vervroegd Uittreden Oudere Werknemers van de Stichting Fonds Werktijdvermindering Oudere Werknemers in de Grafische Bedrijven in werking met ingang van de tweede dag na die van publikatie in de Nederlandse Staatscourant en voorzover het betreft de overige bepalingen op 1 januari 1995.

V. Dit besluit wordt gepubliceerd door plaatsing in een bijvoegsel bij de Nederlandse Staatscourant.

's-Gravenhage, 27 december 1994

De Minister van sociale Zaken en Werkgelegenheid

Names deze,

W. J. Schmale.


XNoot
1

Algemeen verbindendverklaring heeft geen terugwerkende kracht.

XNoot
1

Het bestuur besluit, met inachtneming van artikel 21 (overgangsbepaling) van het Vut-reglement, dat

a. voor degenen die op of na hun 60-ste verjaardag op basis van de 100% Vut-regeling vervroegd uittreden, de algemene loonsverhogingen volgens de CAO, voor zover deze meer dan 2% per jaar bedragen, op hun Vut-uitkering worden toegepast;

b. voor degenen die op grond van de 40 jaren-/35 dienstjarenregeling vervroegd uittreden, de algemene loonsverhogingen volgens de CAO, voor zover deze meer dan 1% per jaar bedragen, op hun Vut-uitkering worden toegepast,

met dien verstande evenwel dat de eerste algemene loonsverhoging volgens de CAO na de vervroegde uittreding, volledig wordt toegekend.