Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2017, 240AMvB

Besluit van 6 juni 2017 tot wijziging van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 teneinde daarin een aantal technische wijzigingen en een aantal wijzigingen met beperkte beleidsmatige gevolgen aan te brengen

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 10 februari 2017, nr. 2017-0000057921, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving;

Gelet op de artikelen 21f, 27, eerste en vijfde lid, 41c, derde lid, 44c, eerste lid, 45, zesde en zevende lid, 46, tweede lid, 53, vijfde lid, 55a, tweede lid en 61, vierde lid, van de Woningwet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 mei 2017, nr. No.W04.17.0033/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 mei 2017, nr. 2017-0000251978, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de begripsomschrijving van «beleggingen» wordt voor «financiële derivaten» ingevoegd: collegiale leningen en.

2. In de alfabetische rangschikking worden drie begripsomschrijvingen ingevoegd, luidende:

blijvend gereguleerde woongelegenheid:

woongelegenheid met een huurprijs van ten hoogste het in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag, waarvan de waardering van de kwaliteit, bedoeld in artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte, niet kan leiden tot een huurprijs die hoger is dan dat bedrag;

collegiale leningen:

door toegelaten instellingen aan andere toegelaten instellingen verstrekte leningen;

geliberaliseerde woongelegenheid:

woongelegenheid die is verhuurd of laatstelijk was verhuurd tegen een huurprijs die hoger is dan het in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag;

B

In artikel 13, tweede lid, wordt «onderdelen c en d» telkens vervangen door: onderdelen b en c.

C

In de artikelen 16, eerste lid, onderdeel b, 57, 60, eerste lid, onderdeel d, 62, eerste lid, onderdelen b en c, 63, eerste lid, 75, tweede lid, onderdeel a, 78, 80, derde lid, onderdeel a, 86, tweede lid, onderdeel b, en 126, vierde lid, wordt «artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet» telkens vervangen door: artikel 48, eerste lid, derde volzin, van de wet.

D

In artikel 18a, vijfde lid, wordt «Artikel 20 is van overeenkomstige toepassing.» vervangen door: De rijksbelastingdienst verstrekt Onze Minister op zijn verzoek de gegevens die naar zijn oordeel noodzakelijk zijn voor de toepassing van de vorige volzin.

E

Artikel 20 vervalt.

F

In artikel 24, onderdeel g, wordt na «woongelegenheid» ingevoegd: of op een zaak die zich in of nabij een woongelegenheid bevindt,.

G

In artikel 25, derde lid, vervalt: gereguleerd.

H

Artikel 25a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en tweede lid wordt «Artikel 25, derde lid, onderdelen a en b, zijn» vervangen door: Artikel 25, derde lid, onderdeel a, is.

2. In het eerste lid wordt «een woongelegenheid die is verhuurd of laatstelijk was verhuurd tegen een huurprijs die hoger is dan het in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag» vervangen door: een geliberaliseerde woongelegenheid.

3. Onder vernummering van het derde lid tot vierde lid wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Artikel 25, derde lid, onderdeel b, is niet van toepassing in geval van vervreemding van een geliberaliseerde woongelegenheid, een potentieel te liberaliseren woongelegenheid of een gemengd geliberaliseerd complex.

4. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. In geval van vervreemding van een geliberaliseerde woongelegenheid, een potentieel te liberaliseren woongelegenheid of een gemengd geliberaliseerd complex hoeft uit de bescheiden, bedoeld in artikel 25, derde lid, onderdeel d, niet te blijken dat die woongelegenheid, indien zij verhuurd is, gedurende ten minste vier weken te koop is aangeboden aan de huurder en aan andere toegelaten instellingen tegen een prijs van ten hoogste de marktwaarde vrij van huur en gebruik of de WOZ-waarde.

I

Artikel 26, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Onze Minister keurt een besluit als bedoeld in artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, uitsluitend goed, indien:

    • a. in geval van vervreemding van een blijvend gereguleerde woongelegenheid niet voor eigen gebruik of van een gemengd gereguleerd complex: die woongelegenheid of dat complex wordt vervreemd tegen een prijs van ten minste de getaxeerde marktwaarde of de WOZ-waarde en onder het beding dat die woongelegenheid of de van dat complex deel uitmakende woongelegenheden ten minste zeven jaar na de eigendomsoverdracht als gevolg van die vervreemding voor verhuur bestemd blijven;

    • b. in geval van vervreemding van een geliberaliseerde of potentieel te liberaliseren woongelegenheid niet voor eigen gebruik, van een gemengd geliberaliseerd complex, of van een gebouw dat een maatschappelijke gebruiksbestemming heeft als bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel d, van de wet: die woongelegenheid, dat complex of dat gebouw wordt vervreemd tegen een prijs van ten minste de getaxeerde marktwaarde of de WOZ-waarde.

J

In de artikelen 29, eerste lid, 103, 104, tweede lid, 105, eerste lid, in het opschrift van de paragrafen 1, 2, en 5, van hoofdstuk IV, en in de bijlagen 1 en 2, wordt «raad van toezicht» telkens vervangen door: raad van commissarissen.

K

In artikel 30, eerste lid, wordt onder verlettering van de onderdelen n tot en met s tot de onderdelen o tot en met t, na onderdeel m een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • m. artikel 395a;

L

Artikel 41 wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef komt te luiden: De goedkeuring, bedoeld in artikel 44c, van de wet, is niet vereist voor:.

2. Onderdeel f wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt voor «bestaan uit» ingevoegd «, die», wordt «gebouwen die een bedrijfsmatige gebruiksbestemming hebben» vervangen door «onroerende zaken die verband houden met werkzaamheden die niet behoren tot de diensten van algemeen economisch belang» en wordt voor de komma ingevoegd: waarbij

b. In onderdeel 1° wordt «gebouwen» vervangen door «onroerende zaken» en wordt «gebouwen of zaken» vervangen door «onroerende zaken»

c. De punt aan het slot wordt vervangen door een puntkomma.

3. Na onderdeel f worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • g. het vervreemden van woongelegenheden als bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel a, of gebouwen als bedoeld in onderdeel d of g, van de wet;

  • h. de werkzaamheden, bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel j, van de wet.

M

Na artikel 46 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 46a

De werkzaamheden, genoemd in artikel 45, tweede lid, onderdelen a en b, van de wet:

  • a. worden door een toegelaten instelling niet verricht ten aanzien van de in die onderdelen bedoelde woongelegenheden en aanhorigheden van een met een toegelaten instelling verbonden onderneming;

  • b. worden door een met een toegelaten instelling verbonden onderneming uitsluitend verricht ten aanzien van de in dat onderdeel bedoelde woongelegenheden en aanhorigheden van een andere verbonden onderneming:

    • 1°. indien en zolang alle aandelen in die andere verbonden onderneming door toegelaten instellingen worden gehouden, of

    • 2°. indien en zolang toegelaten instellingen of een of meer van de met hen verbonden ondernemingen alleen of samen alle bestuurders van de verbonden onderneming kunnen benoemen of ontslaan.

N

Artikel 47, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel d wordt «, of» vervangen door een puntkomma.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. bewoners van woongelegenheden als bedoeld in artikel 45, zevende lid, van de wet.

O

In artikel 48, eerste lid, wordt «De toegelaten instelling kan uitsluitend financiële middelen ter beschikking stellen» vervangen door «De toegelaten instelling stelt uitsluitend financiële middelen ter beschikking» en wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. tegemoetkomingen ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2, derde lid.

P

Artikel 49, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Onze Minister kan op verzoek van een toegelaten instelling bepalen dat het verwerven van andere gebouwen met een maatschappelijke gebruiksbestemming dan die, bedoeld in het eerste lid, alsmede het verhuren van zodanige gebouwen of gedeelten daarvan aan personen die daar op het tijdstip van indiening van dat verzoek huurder van zijn, ten aanzien van die toegelaten instelling tot het gebied van de volkshuisvesting behoort, indien die toegelaten instelling ten overstaan van hem aannemelijk maakt dat zij binnen vijf jaar na dat tijdstip die gebouwen:

    • a. zal slopen en ter plaatse gebouwen zal doen bouwen die verband houden met werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting, of

    • b. zal verbouwen tot onroerende zaken die verband houden met werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting.

Q

Artikel 51, eerste lid, onderdeel c, komt te luiden:

  • c. bijdragen aan de uitvoering van plannen:

    • 1°. ter bevordering van een schone woonomgeving,

    • 2°. ter voorkoming van overlast, en

    • 3°. ter bevordering van de veiligheid.

R

Artikel 52, vierde lid, komt te luiden:

  • 3. Onze Minister kan op verzoek van een toegelaten instelling bepalen dat het verwerven van andere gebouwen met een bedrijfsmatige gebruiksbestemming dan die, bedoeld in het eerste lid, alsmede het verhuren van zodanige gebouwen of gedeelten daarvan aan personen die daar op het tijdstip van indiening van dat verzoek huurder van zijn, ten aanzien van die toegelaten instelling tot het gebied van de volkshuisvesting behoort, indien die toegelaten instelling ten overstaan van hem aannemelijk maakt dat zij binnen vijf jaar na dat tijdstip die gebouwen:

    • a. zal slopen en ter plaatse gebouwen zal doen bouwen die verband houden met werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting, of

    • b. zal verbouwen tot onroerende zaken die verband houden met werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting.

S

Onder verlettering van artikel 53 tot artikel 52a, worden na artikel 52a (nieuw) zeven artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 52b

De diensten, bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel j, van de wet:

  • a. worden door een toegelaten instelling of een met haar verbonden onderneming uitsluitend verleend ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie van een met die toegelaten instelling verbonden onderneming, indien en zolang laatstgenoemde verbonden onderneming:

    • 1°. een dochtermaatschappij van die toegelaten instelling is, of

    • 2°. een verbonden onderneming is waarvan die toegelaten instelling of een of meer met haar verbonden ondernemingen alleen of samen meer dan de helft van de bestuurders kunnen benoemen of ontslaan;

  • b. worden door een toegelaten instelling of een met haar verbonden onderneming uitsluitend verleend ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie van een verbonden onderneming van een andere toegelaten instelling, indien en zolang:

    • 1°. meer dan de helft van de aandelen in laatstgenoemde verbonden onderneming door toegelaten instellingen wordt gehouden, of

    • 2°. toegelaten instellingen of een of meer met hen verbonden ondernemingen alleen of samen meer dan de helft van de bestuurders van laatstgenoemde verbonden onderneming kunnen benoemen of ontslaan, en

    • 3°. zij ook diensten ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie van die andere toegelaten instelling verleent.

Artikel 52c

De diensten, bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel k, van de wet, worden door een toegelaten instelling of een met een toegelaten instelling verbonden onderneming uitsluitend verleend ten behoeve van de administratie van een in dat onderdeel bedoelde huurdersorganisatie of bewonderscommissie:

  • a. die de belangen van de huurders van een met een toegelaten instelling verbonden onderneming behartigt, of

  • b. waarvan de achterban mede bestaat uit huurders van woongelegenheden van de dienstverlenende toegelaten instelling of verbonden onderneming.

Artikel 52d

  • 1. Een toegelaten instelling, een met haar verbonden onderneming of een samenwerkingsvennootschap verricht de werkzaamheden, genoemd in artikel 45, zevende lid, van de wet, uitsluitend nadat Onze Minister daarvoor toestemming heeft verleend.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:

    • a. het de werkzaamheden, genoemd in artikel 45, zevende lid, onderdeel b, betreft, die de toegelaten instelling, een met haar verbonden onderneming of een samenwerkingsvennootschap verricht voor een vereniging van eigenaars in welke zij de meerderheid van stemmen heeft in de vergadering van eigenaars en

    • b. deze werkzaamheden worden verricht op grond van een overeenkomst van opdracht betreffende lastgeving als bedoeld in artikel 414, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, die voldoet aan de bij ministeriële regeling daaraan te stellen voorwaarden.

Artikel 52e

  • 1. Onze minister verleent toestemming als bedoeld in artikel 52d, eerste lid, voor het verhuren van woongelegenheden en aanhorigheden van derden, bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel a, van de wet indien:

    • a. het verhuren betrekking heeft op complexen waarin voor ten minste 90% van de woongelegenheden een overeenkomst van huur en verhuur wordt aangegaan:

      • 1°. met een huishouden waarvan het huishoudinkomen niet hoger is dan de inkomensgrens, bedoeld in artikel 1 van de wet, of

      • 2°. met categorieën van personen als bedoeld in artikel 57, en

      • 3°. tegen een huurprijs van ten hoogste het in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag;

    • b. de in artikel 52g, eerste lid, bedoelde schriftelijke verklaring is afgegeven, indien het de voorgenomen werkzaamheden van een toegelaten instelling of een samenwerkingsvennootschap betreft, en

    • c. de gebouwen en aanhorigheden ten aanzien waarvan de werkzaamheden worden verricht van de derde worden gehuurd als bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel c, van de wet.

  • 2. Onze minister verleent toestemming als bedoeld in artikel 52d, eerste lid, voor het in stand houden van en treffen van kleinschalige voorzieningen aan gebouwen van derden, bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel b, van de wet indien:

    • a. de in artikel 52g, eerste lid, bedoelde schriftelijke verklaring is afgegeven, indien het de voorgenomen werkzaamheden van een toegelaten instelling of een samenwerkingsvennootschap betreft;

    • b. de werkzaamheden die zijn gericht op het geschikt maken van het gebouw voor bewoning, een investering vergen van ten hoogste € 25.000,– per beoogde verhuureenheid;

    • c. de gebouwen en aanhorigheden ten aanzien waarvan de werkzaamheden worden verricht van de derde worden gehuurd als bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel c, van de wet of indien ten aanzien van de gebouwen en aanhorigheden tevens diensten ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie worden uitgevoerd als bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel d, van de wet, en

    • d. voor zover de werkzaamheden worden verricht in gebouwen en aanhorigheden, ten aanzien waarvan tevens diensten ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie als bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel c van de wet worden uitgevoerd, de werkzaamheden worden verricht op grond van een overeenkomst van opdracht betreffende lastgeving als bedoeld in artikel 414, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, die voldoet aan de bij ministeriële regeling daaraan te stellen voorwaarden.

  • 3. Onze Minister verleent toestemming als bedoeld in artikel 52d, eerste lid, voor het huren van gebouwen van derden, bedoeld in artikel 45 zevende lid, onderdeel c, van de wet indien:

    • a. de in artikel 52g, eerste lid, bedoelde schriftelijke verklaring is afgegeven, indien het de voorgenomen werkzaamheden van een toegelaten instelling of een samenwerkingsvennootschap betreft;

    • b. de toegelaten instelling, de met haar verbonden onderneming of de samenwerkingsvennootschap aantoont het voornemen te hebben deze gebouwen te gaan verhuren op grond van artikel 45, zevende lid, onderdeel a, van de wet;

    • c. de ontwerphuurovereenkomst tussen de toegelaten instelling, een met haar verbonden onderneming of een samenwerkingsvennootschap en de derde, bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel c, voldoet aan de bij ministeriële regeling daaraan te stellen voorwaarden, en

    • d. er voldoende vermogen beschikbaar is om de verplichtingen die volgen uit de overeenkomst te kunnen opvangen. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit lid.

  • 4. Onze Minister verleent toestemming als bedoeld in artikel 52d, eerste lid, voor het verlenen van diensten ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie van derden, bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel d, van de wet indien:

    • a. in het gebouw voor ten minste 90% van de woongelegenheden een overeenkomst van huur en verhuur is aangegaan:

      • 1°. met een huishouden waarvan het huishoudinkomen niet hoger is dan de inkomensgrens, of

      • 2°. met categorieën van personen als bedoeld in artikel 57, en

      • 3°. tegen een huurprijs van ten hoogste het in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag, waarbij met ten minste 95% van de huishoudens als bedoeld in artikel 46, tweede lid, van de wet een huurprijs is overeengekomen van ten hoogste de huurprijs als bedoeld in dat lid;

    • b. de in artikel 52g, eerste lid, bedoelde schriftelijke verklaring is afgegeven, indien het de voorgenomen werkzaamheden van een toegelaten instelling of een samenwerkingsvennootschap betreft;

    • c. de diensten worden verricht op grond van een overeenkomst van opdracht betreffende lastgeving als bedoeld in artikel 414, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, en

    • d. de ontwerpovereenkomst van opdracht, bedoeld in onderdeel c, voldoet aan de bij ministeriële regeling daaraan te stellen voorwaarden.

  • 5. Onze Minister verleent geen toestemming als bedoeld in artikel 52d, eerste lid, indien naar zijn oordeel de aan het verrichten van de werkzaamheden verbonden financiële risico’s of de financiële positie van de toegelaten instelling, de met haar verbonden onderneming of de samenwerkingsvennootschap zodanig zijn, dat het onverantwoord is dat zij deze uitvoert. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit lid.

Artikel 52f

Bij de aanvraag verstrekt de toegelaten instelling, de met haar verbonden onderneming of de samenwerkingsvennootschap de in artikel 52e, vierde lid, onderdeel d, bedoelde ontwerpovereenkomst. De toegelaten instelling of de samenwerkingsvennootschap verstrekt daarnaast tevens de verklaring, bedoeld in artikel 52g, eerste lid.

Artikel 52g

  • 1. Tenzij het de voorgenomen werkzaamheden van een verbonden onderneming betreft, verklaart het college van de gemeente op wier grondgebied de woongelegenheid, de aanhorigheid of het gebouw waar de werkzaamheden, bedoeld in artikel 52e, eerste lid, betrekking op hebben, zich bevindt, schriftelijk dat het voornemen tot het uitvoeren van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 45, zevende lid, van de wet, tenminste vier weken van tevoren langs elektronische weg algemeen bekend is gemaakt. Voor de verklaring maakt het college gebruik van een bij ministeriële regeling vastgesteld formulier.

  • 2. De bekendmaking bevat in ieder geval:

    • a. de naam en contactgegevens van degene in wiens opdracht de werkzaamheden worden uitgevoerd;

    • b. de aanvang en looptijd van de opdracht;

    • c. een omschrijving van de woongelegenheid, de aanhorigheden of het gebouw waar de werkzaamheden worden uitgevoerd; en

    • d. de wijze waarop en de toestand waarin de woongelegenheid, de aanhorigheden of het gebouw na afloop van de werkzaamheden dienen te worden opgeleverd.

  • 3. Het eerste lid is, met betrekking tot de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van overeenkomstige toepassing op het orgaan dat in die openbare lichamen met het dagelijkse bestuur is belast.

Artikel 52h

Onze Minister kan de verleende toestemming, bedoeld in artikel 52e, eerste lid, intrekken indien blijkt dat:

  • a. niet langer aan de voorwaarden voor het verkrijgen van toestemming wordt voldaan;

  • b. de aan het verrichten van de werkzaamheden verbonden financiële risico’s of de financiële positie van de toegelaten instelling, een met haar verbonden onderneming of een samenwerkingsvennootschap tijdens de looptijd van de werkzaamheden zodanig zijn geworden dan het niet langer verantwoord is dat zij deze uitvoert.

T

Artikel 56 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «De toegelaten instelling of een rechtspersoon of vennootschap als bedoeld in artikel 54, derde lid, geeft slechts toepassing aan het bepaalde bij en krachtens artikel 46, tweede lid, van de wet,» vervangen door: De toegelaten instelling of een rechtspersoon of vennootschap als bedoeld in artikel 54, derde lid, geeft toepassing aan het bepaalde bij en krachtens artikel 46, tweede lid, van de wet, overeenkomstig bijlage 5 bij dit besluit. Zij geeft hieraan slechts toepassing.

2. Onder vernummering van het derde tot en met negende lid tot het vierde tot en met tiende lid wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing indien degenen die de woongelegenheid wensen te betrekken uitsluitend vreemdelingen zijn die in Nederland rechtmatig verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met d, van de Vreemdelingenwet 2000 en behoren tot de groep verblijfsgerechtigden die in aanmerking wordt genomen bij het bepalen van de taakstelling overeenkomstig artikel 29, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014.

3. In het vierde lid (nieuw) vervalt onderdeel a en worden de onderdelen b tot en met c geletterd a tot en met b.

4. Het vijfde lid (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

a. in de aanhef wordt «het vijfde en zesde lid» vervangen door «het zesde en zevende lid» en vervalt «, onderdeel a»;

b. in onderdeel a wordt «, of» vervangen door een puntkomma.

c. onderdeel b wordt geletterd onderdeel c;

d. na onderdeel a wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • b. in geval van personen die algemene bijstand ontvangen op grond van de Participatiewet: een bewijs van toekenning van algemene bijstand;

e. in onderdeel c (nieuw) wordt « zodanige vreemdelingen» vervangen door: de personen, bedoeld in de onderdelen a en b.

5. In het zesde lid (nieuw) wordt «het vierde lid, onderdeel b» vervangen door «het vijfde lid, onderdeel c».

6. In het zevende lid (nieuw) wordt «het vijfde lid, onderdeel b, onder 1° en 2°» vervangen door: het zesde lid, onderdeel b, onder 1° en 2°.

7. In het negende lid (nieuw) wordt «het zevende lid» telkens vervangen door: het achtste lid.

8. Het tiende lid (nieuw) komt te luiden:

  • 10. De in bijlage 5 genoemde index I1 en index I2 worden bij ministeriële regeling vastgesteld en jaarlijks bij ministeriële regeling gewijzigd met het percentage waarmee per gelijke datum het in artikel 18, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag wordt gewijzigd.

U

In artikel 80, eerste lid, wordt «woongelegenheden met een huurprijs van ten hoogste het in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag, waarvan de waardering van de kwaliteit, bedoeld in artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte, kan leiden tot een huurprijs die hoger is dan dat bedrag» vervangen door «potentieel te liberaliseren woongelegenheden» en wordt «woongelegenheden met een huurprijs van ten hoogste het in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag, waarvan de waardering van de kwaliteit, bedoeld in artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte, niet kan leiden tot een huurprijs die hoger is dan dat bedrag» vervangen door: blijvend gereguleerde woongelegenheden.

V

In artikel 86, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, wordt «woongelegenheden met een huurprijs die hoger is dan het in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag» vervangen door: geliberaliseerde woongelegenheden.

W

In artikel 98, eerste lid, wordt «, of door die fusie in strijd zal worden gekomen met artikel 41c, eerste lid, van de wet» vervangen door een punt.

X

In de artikelen 104, eerste lid, tweede lid, onderdelen a, b en c, 106, eerste lid, onderdeel a, 107, eerste en tweede lid en 108, eerste lid, onderdelen a, b en c, wordt «de toegelaten instelling en de dochtermaatschappij» telkens vervangen door: de toegelaten instelling, de dochtermaatschappij en de verbonden onderneming waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan,» en wordt «toegelaten instellingen en dochtermaatschappijen» telkens vervangen door: toegelaten instellingen, dochtermaatschappijen en verbonden ondernemingen waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan.

Y

Artikel 104 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. in onderdeel c wordt «, en» aan het slot vervangen door een puntkomma;

b. onderdeel d wordt geletterd onderdeel e;

c. na onderdeel c wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • d. dat de toegelaten instelling in het jaarverslag, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet, op bij ministeriële regeling te bepalen wijze melding maakt van de met haar verbonden ondernemingen, en

2. In het derde lid, wordt voor «beleggingen» ingevoegd «collegiale leningen en» en vervalt: door toegelaten instellingen en dochtermaatschappijen.

Z

Artikel 105 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt in de aanhef na «financiële derivaten» ingevoegd «ten aanzien van collegiale leningen» en wordt in onderdeel e, onder 4, «woongelegenheden en gebouwen» vervangen door: verhuureenheden.

2. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt na het eerste lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Het aantal verhuureenheden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, onder 4, wordt bepaald overeenkomstig de bepaling daarvan voor de toepassing van de bij de Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen toegelaten instellingen volkshuisvesting 2014 behorende tabel.

AA

Artikel 106, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt voor de dubbele punt ingevoegd: de toegelaten instelling en de dochtermaatschappij

2. In onderdeel a vervalt «de toegelaten instelling en de dochtermaatschappij» en wordt na «financiële derivaten» ingevoegd: , collegiale leningen.

BB

Artikel 111 wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef van het eerste lid komt te luiden: De aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, door de toegelaten instelling die niet beschikt over de financiële middelen om haar werkzaamheden te kunnen voortzetten, gaat in elk geval vergezeld van:.

2. Onder vernummering van het zesde lid tot zevende lid, wordt na het vijfde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 6. Indien op grond van het saneringsplan uitsluitend een of meerdere andere toegelaten instellingen dan de toegelaten instelling, bedoeld in het eerste lid, een subsidie als bedoeld in dat lid zullen aanvragen, dan zendt de laatstbedoelde toegelaten instelling zo spoedig mogelijk na de goedkeuring van het saneringsplan de stukken, bedoeld in dat lid, aan Onze Minister ten behoeve van de behandeling van de aanvragen van een of meerdere van die andere toegelaten instellingen, met dien verstande dat het tijdstip, bedoeld in onderdeel b van dat lid, het tijdstip van verzending van die stukken betreft.

CC

In artikel 122 wordt «raden van toezicht» telkens vervangen door: raden van commissarissen.

DD

Artikel 123 vervalt.

EE

Bijlage 5 wordt vervangen door de bijlage bij dit besluit.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Veegwet Wonen in werking treedt met dien verstande dat artikel 1, onderdeel T, onder 4, onderdeel d, terugwerkt tot en met 1 januari 2017.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 6 juni 2017

Willem-Alexander

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk

Uitgegeven de veertiende juni 2017

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok

Bijlage als bedoeld in artikel I, onderdeel X

BIJLAGE 5 BIJ ARTIKEL 56 VAN HET BESLUIT TOEGELATEN INSTELLINGEN VOLKSHUISVESTING 2015

Aan de hand van de volgende twee stroomschema’s kan de toegelaten instelling het huishoudinkomen, bedoeld in artikel 56, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (BTIV 2015; passend toewijzen in het kader van de huurtoeslag) bepalen.

Schema A betreft toetsing aan de hand van gegevens van de Belastingdienst.

Schema B moet worden toegepast indien Belastingdienst gegevens ontbreken of indien uitgegaan wordt van het actuele inkomen, in de gevallen bedoeld in artikel 56, zesde lid, onder a. of b.

De toetsing voor de passende toewijzing voor de huurtoeslag dient vanaf 1 januari 2016 plaats te vinden. Deze toets kan, tezamen met de inkomenstoets voor de DAEB, die per 1 juli 2015 is vereist, in één administratieve handeling worden uitgevoerd. Indien het huishoudinkomen valt binnen de inkomensgrenzen voor passend toewijzen in het kader van de huurtoeslag, staat daarmee tevens vast dat het betreffende huishouden behoort tot de 80% doelgroep in het kader van de DAEB.

De passendheidstoets is uitsluitend van toepassing op woningen waarvoor in principe huurtoeslag mogelijk is, dus waarvan de huurprijs is gelegen op of onder het bedrag, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag. Hierdoor hebben zowel de inkomenstoets voor de DAEB als de inkomenstoets voor passende toewijzing betrekking op hetzelfde huursegment.

De eisen die gesteld worden aan de over te leggen documentatie zijn neergelegd in het hiervoor genoemde artikel. Het vaststellen van het huishoudinkomen aan de hand van een Inkomenverklaring of een (voorlopige) aanslag IB van de Belastingdienst is verplicht, tenzij de uitzonderingsgevallen zoals omschreven in het BTIV 2015 zich voordoen (zie ook hierna). Ter bepaling van het huishoudinkomen dienen de verzamelinkomens uit het jaar t-1 respectievelijk t-2 te worden vermenigvuldigd met index I1, respectievelijk index I2. De hoogte van index I1 en index I2 wordt jaarlijks bij ministeriële regeling vastgesteld en gepubliceerd (artikel 56, tiende lid, van het BTIV).

A. Toetsing huishoudinkomen op basis van inkomensverklaring/aanslag IB

* Uitzonderingen op de inkomenstoets:

  • i. statushouders die, uitsluitend met medebewoners die statushouder zijn, vanuit een COA-voorziening een sociale huurwoning betrekken (een verklaring van het COA, niet ouder dan 6 maanden, volstaat);

  • ii. woningzoekenden die studiefinanciering genieten, die voltijds studeren of gaan promoveren en die de woongelegenheid als enig student of met maximaal één andere student willen betrekken (bewijs van inschrijving aan de onderwijsinstelling, of bewijs van studiefinanciering verstrekt door DUO, waaruit blijkt dat de betrokkene bij één van de genoemde doelgroepen behoort volstaat);

  • iii. uit het buitenland afkomstige studenten aan een instelling voor hoger of wetenschappelijk onderwijs (bewijs van inschrijving aan de onderwijsinstelling volstaat).

In de onder i, ii en iii genoemde gevallen wordt er vanuit gegaan dat het inkomen niet uitgaat boven de inkomensgrenzen van de huurtoeslag; dat houdt in dat aan de desbetreffende huishoudens passend dient te worden toegewezen.

Wel is een inkomenstoets vereist bij huishoudens met zorgindicatie bij passend toewijzen voor de huurtoeslag. Het BTIV 2015 benoemt de categorieën van zorggeïndiceerden die ook bij een inkomen boven de inkomensgrens, genoemd in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, van het BTIV recht hebben op een sociale huurwoning. De betreffende woningtoewijzingen worden toegerekend aan de 80% toewijzingen aan de doelgroep met een inkomen tot de inkomensgrens, genoemd in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van het BTIV. Vanuit het oogpunt van betaalbaarheid geldt voor deze categorieën zorggeïndiceerden de passendheidsnorm; derhalve dient het inkomen te worden getoetst (zo mogelijk aan de hand van belastingbescheiden, anders conform het toetsingsschema B). Toetsing van het inkomen in deze gevallen kan achterwege blijven indien de huurprijs van de woning is gelegen op of onder de voor het huishouden toepasselijke aftoppingsgrens. In dat geval is met de toewijzing immers in elk geval voldaan aan de passendheidsnorm. Bij de bepaling van het percentage passend gehuisveste huishoudens blijven de toewijzingen aan huishoudens die wel een zorgindicatie maar geen inkomensgegevens hebben overgelegd, buiten beschouwing.

** Uitzonderingen op de verplichte toetsing aan de hand van belastingbescheiden:

  • i. woningzoekenden van wie de inkomensgegevens blijkens een verklaring van de Belastingdienst niet bekend zijn bij die dienst;

  • ii. woningzoekenden van wie het actuele inkomen dusdanig is gedaald ten opzichte van het door de Belastingdienst vermelde inkomen dat het inmiddels op of onder de voor hen toepasselijke inkomensgrens is komen te liggen;

  • iii. woningzoekenden van wie het actuele inkomen dusdanig is gestegen ten opzichte van het door de Belastingdienst vermelde inkomen dat het inmiddels boven de voor hen toepasselijke inkomensgrens is komen te liggen;

  • iv. woningzoekenden die, blijkens een specificatie daarvan, een algemene bijstandsuitkering ingevolge de Participatiewet ontvangen.

B. Toetsing huishoudinkomen op basis van een inkomensverklaring en bijbehorende bewijsstukken

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

Deze wijziging van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (hierna: BTIV) omvat een uitwerking van de voorstellen als gedaan in de Veegwet wonen (Kamerstukken II, 2015/16, 34 468).

Overleg met partijen

De Autoriteit woningcorporaties (hierna: Autoriteit) heeft een uitvoeringstoets uitgevoerd. Daarnaast zijn de voorgestelde wijzigingen aan een aantal betrokken partijen voorgelegd. De daaruit volgende reacties en de uitvoeringstoets hebben op een aantal punten geleid tot aanpassingen en verduidelijkingen van de artikelteksten en de nota van toelichting. Op de belangrijkste punten wordt hierna ingegaan.

Uitvoeringstoets

De Autoriteit heeft gevraagd om betrokken te worden bij het opstellen van de nadere voorwaarden die gaan gelden voor het aangaan van collegiale leningen. Deze voorwaarden zijn van invloed op de handhaving en de inhoud van het reglement omtrent het financieel beleid en beheer. De nadere voorwaarden voor collegiale leningen zullen in nauw overleg met de Autoriteit en het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (hierna: WSW) worden opgesteld, en opgenomen in de Regeling toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (hierna: RTIV).

De Autoriteit heeft een opmerking gemaakt over het handhaven van een maximuminvestering in gebouwen van derde partijen. Er moet vooraf toestemming worden gegeven voor werkzaamheden in gebouwen van derde partijen. Toestemming wordt verleend onder de voorwaarde dat de investeringskosten om het gebouw bewoonbaar te maken niet meer dan € 25.000 per verhuureenheid mogen bedragen. De Autoriteit heeft aangegeven dat zij de betreffende controlepunten zonder nadere administratieve invulling niet of nauwelijks kunnen controleren.

Als een toegelaten instelling gebouwen aanhuurt om te verhuren, kan het nodig zijn dat zij een investering doet om het gebouw bewoonbaar te maken. Tegelijk betekent de investering een waardevermeerdering voor de pandeigenaar. Het maximumbedrag dient te voorkomen dat er meer wordt geïnvesteerd dan noodzakelijk om het gebouw bewoonbaar te maken en daarmee maatschappelijk bestemd vermogen ten goede komt aan de pandeigenaar. Met de Autoriteit is overeengekomen dat voor de controle over het verslagjaar 2017 samen met accountants en de sector een werkbare controlemethodiek wordt opgesteld, waaruit blijkt dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan. Indien nodig, zal hiertoe de verantwoordingsinformatie worden aangepast.

Consultatie

Het ontwerpbesluit is voor consultatie aan enkele partijen voorgelegd. Van Aedes, AKD en het WSW is een reactie ontvangen.

Aedes is over het algemeen positief over voorgestelde wijzigingen, zoals het mogelijk maken van collegiale leningen, administratieve diensten voor verbonden ondernemingen en gebruik van gebouwen van derde partijen. Zij hecht veel waarde aan een snelle parlementaire behandeling van de Veegwet wonen, zodat er helderheid komt richting de sector.

Op verzoek van Aedes zijn de toegestane werkzaamheden voor toegelaten instellingen onderling, voor verbonden ondernemingen en voor derde partijen puntsgewijs tekstueel toegelicht.

Aedes en AKD hebben opmerkingen gemaakt over werkzaamheden door en voor verbonden ondernemingen. Zij zouden graag zien dat werkzaamheden niet alleen mogelijk zijn voor dochterondernemingen die onder aansturing vallen van de toegelaten instelling. Aedes en AKD vinden dat deze werkzaamheden ook mogelijk zouden moeten zijn voor andere ondernemingen die direct ofwel indirect verbonden zijn met toegelaten instellingen. Het gaat hier bijvoorbeeld om kleindochters of stichtingen en verenigingen waarbij de volledige zeggenschap ligt bij één of meer toegelaten instellingen.

De wijziging van de Veegwet wonen heeft als doel om het gemakkelijker te maken voor toegelaten instellingen om verbonden ondernemingen in te schakelen voor bepaalde werkzaamheden, bijvoorbeeld om met andere toegelaten instellingen diensten te delen. In de eerste instantie is gedacht aan de woningvennootschap die ontstaat bij de juridische splitsing en de onderhouds-BV, maar het kan bijvoorbeeld ook gaan om een stichting waarin het woonruimteverdeelsysteem voor meerdere toegelaten instellingen is ondergebracht. Gezocht is naar een manier om de diensten mogelijk te maken, maar alleen voor verbonden ondernemingen die ondersteunend zijn aan en behoren tot de werkzaamheden van de toegelaten instelling of de volkshuisvesting. Daarom is toegevoegd dat de werkzaamheden mogen worden geleverd aan ofwel verbonden ondernemingen waarvan alle aandelen in handen zijn van toegelaten instellingen, ofwel verbonden ondernemingen, waarbij toegelaten instellingen of een of meer van hun verbonden ondernemingen alleen of samen alle bestuurders van de verbonden onderneming kunnen benoemen of ontslaan. In onderstaande toelichting wordt dit nader uitgelegd.

Aedes is positief over het mogelijk maken van het gebruik van gebouwen van derden, maar voorziet wel dat de voorwaarden waaronder toegelaten instellingen gebouwen mogen aanhuren om daarna te verhuren, er mogelijk toe kunnen leiden dat het in de praktijk niet of nauwelijks van de grond zal komen. De voorwaarden zijn tijdens de verkenning omtrent beheer voor derden op hoofdlijnen met de sector besproken en werden werkbaar geacht. Bovendien zijn de voorwaarden noodzakelijk om te borgen dat het gebruik van gebouwen van derden plaatsvindt binnen de kerntaak en financiële risico’s worden beperkt.

De mogelijkheid is bedoeld voor toegelaten instelling die door externe omstandigheden voor het uitvoeren van hun kerntaak beter gebruik kunnen maken van gebouwen van derden dan aankoop of nieuwbouw. Dit is vooral van belang in gebieden waar onzekerheid bestaat of bepaald vastgoed over 10 jaar nog nodig is, zoals in krimpgebieden, bij zorgvastgoed of waar gedurende een relatief korte periode extra capaciteit nodig kan zijn, zoals bij studentenhuisvesting of arbeidsmigranten. In de Woningwet is duidelijk gemaakt welke doelgroep onder welke voorwaarden kan worden gehuisvest, ongeacht wie de eigenaar is van het vastgoed. Omdat de gebouwen van derden worden ingezet voor de kerntaak van de toegelaten instelling, moeten alle toewijzingsregels op dezelfde manier worden nageleefd.

De voorwaarden voor toestemming dienen om de financiële risico’s voor toegelaten instellingen te beperken en om weglek van maatschappelijk bestemd vermogen te voorkomen. Zoals WSW heeft opgemerkt, zullen Autoriteit en WSW het beoordelingskader voor toestemming onderling afstemmen.

De voorgestelde procedure van openbare publicatie dient om transparantie te bevorderen. Marktpartijen weten via de publicatie welke gebouwen op de markt beschikbaar zijn om te verhuren. Zo wordt voorkomen dat er, anders dan voor inwerkingtreding van de Woningwet, ondoorzichtigheid is over welke gebouwen van derde partijen door toegelaten instellingen worden aangehuurd.

Uit het oogpunt van de administratieve lastendruk maakt Aedes zich zorgen over de stijgende accountantskosten als gevolg van de uitgebreide regelgeving. Ook het WSW heeft aandacht gevraagd over de complexiteit van de regelgeving.

De wijzigingen die volgen uit de Veegwet wonen en voorliggende wijziging van het BTIV zijn opgesteld naar aanleiding van de reacties uit een uitgebreide consultatie onder toegelaten instellingen, bewonerscommissies, gemeenten, koepelorganisaties (waaronder Aedes) en andere betrokkenen uit de sector. Zoals bij de Veegwet aangegeven gaat om wijzigingen die noodzakelijk zijn om eerder vastgesteld en in wetgeving verankerd beleid zorgvuldig te kunnen uitvoeren. Daarnaast zijn er enkele wijzigingen met beperkte beleidsmatige gevolgen. Deze maken het bijvoorbeeld makkelijker voor een toegelaten instelling om verbonden ondernemingen in te schakelen voor bepaalde werkzaamheden of om in bepaalde gevallen gebruik te maken van gebouwen van derde partijen. Naar verwachting hebben deze aanpassingen daarom geen noemenswaardig effect op de administratieve lasten. Ook is zoveel mogelijk rekening gehouden met de complexiteit van de regelgeving. In de evaluatie van de wet die in 2018 gereed is, zal worden meegenomen wat de ervaringen hiermee in de praktijk zijn.

II. Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdelen A, Y, onder 2, Z, onder 1, en AA, onder 2

Onder de Woningwet zoals die luidde voor de wijziging van 1 juli 2015 en het Besluit beheer sociale huursector (BBSH) bestond de mogelijkheid voor toegelaten instellingen om leningen te verstrekken aan andere toegelaten instellingen. Op grond van de huidige regelgeving, zoals opgenomen in de Woningwet, het BTIV en de RTIV is dit onbedoeld niet langer mogelijk. Het geheel uitsluiten van deze mogelijkheid is nooit beoogd, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de Nota naar aanleiding van het tweede nader verslag bij de Wijziging van de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting (33 966; 33 606) waarin wordt aangeven dat leningen aan andere toegelaten instellingen zijn toegestaan. Met de wijziging van artikel 42 van de Woningwet middels de Veegwet wonen is deze omissie hersteld.1 De onderhavige wijzigingen van het BTIV zien er in de eerste plaats op dat het reglement, bedoeld in artikel 55a, tweede lid, van de wet, nadere bepalingen dient te omvatten omtrent collegiale leningen. Op grond van het gewijzigde artikel 104, derde lid, kunnen daaromtrent bij ministeriële regeling voorschriften worden gegeven. Daar wordt invulling aan gegeven met de regeling tot wijziging van de Regeling toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 teneinde daarin een aantal technische wijzigingen en een aantal wijzigingen met beperkte beleidsmatige gevolgen aan te brengen, welke op hetzelfde tijdstip als dit besluit in werking zal treden. Het belangrijkste nadere voorschrift in die regeling ziet erop dat in het financieel reglement moet zijn bepaald dat collegiale leningen alleen verstrekt worden van de daeb-tak van de verstrekkende toegelaten instelling, naar de daeb-tak van de ontvangende toegelaten instelling. Daarmee wordt voorkomen dat de scheiding die binnen toegelaten instellingen tussen beide takken moet bestaan wordt doorkruist. De wijzigingen van artikel 105 en 106 zien erop dat de daar genoemde voorschriften omtrent het reglement ook van toepassing zijn ten aanzien van collegiale leningen.

Onderdeel B

In artikel 13, tweede lid, wordt in onderdeel a en b, abusievelijk verwezen naar de onderdelen c en d van het eerste lid, waar de onderdelen b en c van dat lid worden bedoeld. Met deze wijziging wordt deze foutieve verwijzing vervangen door de juiste verwijzing.

Onderdeel C

Op verschillende plaatsen in het BTIV werd verwezen naar artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet. Als gevolg van de Wet doorstroming huurmarkt 2015 (Stb. 2016, 158) is artikel 48, eerste lid, van de Woningwet echter gewijzigd, waardoor de in de eerste volzin vervatte norm thans in de derde volzin is vervat. Met dit onderdeel zijn de onjuiste verwijzingen naar die eerste volzin hersteld.

Onderdelen D en E

In artikel 25, tweede lid, en 30, derde lid, van de Woningwet is opgenomen dat aspirant-leden van het bestuur dan wel de raad van commissarissen een toets moeten ondergaan met betrekking tot hun geschiktheid en betrouwbaarheid. Hiervoor kan de minister, in casu de toezichthouder, gebruik maken van door de Belastingdienst verstrekte gegevens. De verplichting om die gegevens te verstrekken is thans opgenomen in artikel 20 van het BTIV. Met de Veegwet wonen wordt die grondslag voor gegevensverstrekking op het niveau van wet in formele zin geregeld. Artikel 20 van het BTIV komt derhalve met onderhavige wijziging te vervallen. Als gevolg daarvan is de van-overeenkomstige-toepassingverklaring van artikel 20 in artikel 18a, vijfde lid, vervangen door een zelfstandige grondslag.

Onderdeel F

In artikel 24, onderdeel g, is bepaald dat geen goedkeuring, bedoeld in artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet is vereist ten aanzien van besluiten betreffende de vestiging van een recht van opstal of vruchtgebruik op een woongelegenheid in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen. Het is gebleken dat in sommige gevallen, zoals openbare nutsvoorzieningen die zich in of nabij woongelegenheden bevinden, altijd toestemming wordt gegeven voor vestiging van een recht van opstal of vruchtgebruik op een zaak die zich in of nabij een woongelegenheid bevindt. Om administratieve lasten voor de toegelaten instelling en de toezichthouder te verminderen, is gekozen is om deze gevallen bij ministeriële regeling te kunnen benoemen. Hiervoor hoeft in het vervolg geen voorafgaande toestemming meer te worden gevraagd.

Onderdelen G, H, I, en U en V

Per 1 april 2017 is het besluit tot wijziging van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 in verband met het wijzigen van de voorschriften omtrent het vervreemden van geliberaliseerde en potentieel te liberaliseren woongelegenheden door toegelaten instellingen in werking getreden (Stb. 2017, 129). Nadien is gebleken dat er abusievelijk enkele onvolkomenheden in dat besluit terecht zijn gekomen. Het betreft zaken die, gelet op de nota van toelichting bij dat besluit, beoogd werden te bewerkstelligen, maar in de artikelteksten niet adequaat tot uitdrukking zijn gekomen. Met deze onderdelen worden die omissies hersteld.

Onderdelen J en CC

Met de Veegwet wonen wordt voorgesteld om in de Woningwet de term «raad van commissarissen» in plaats van «raad van toezicht» te hanteren. Reden daarvoor is om aansluiting te zoeken bij het voorstel voor de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen2, waarmee een grondslag voor een raad van commissarissen bij de vereniging en stichting wordt geïntroduceerd. In navolging van de Veegwet wonen wordt dit voorstel ook doorgevoerd in het BTIV.

Onderdeel K

In artikel 30, eerste lid, aanhef en onderdeel n, van het besluit, is reeds bepaald dat de vrijstellingen die op grond van artikel 2:296 van het Burgerlijk Wetboek gelden voor kleine rechtspersonen ten aanzien van hun jaarrekening, niet gelden voor toegelaten instellingen die als kleine rechtspersoon zijn aan te merken. Per 1 november 2015 is in het Burgerlijk Wetboek een artikel (2:295a) ingevoegd, dat een nieuw, beperkt jaarrekeningenregime behelst voor nog kleinere rechtspersonen, de zogenaamde «micro-rechtspersoon».3 In navolging daarvan wordt met dit onderdeel bepaald dat ook geen beperkt jaarrekeningenregime van toepassing is op toegelaten instellingen die conform dat artikel als «micro-rechtspersoon» zijn aan te merken.

Onderdeel L

Met de wijziging van de Woningwet wordt het mogelijk dat toegelaten instellingen onder voorwaarden diensten ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie uitvoeren voor dochterondernemingen. Dit neemt belemmeringen weg om juridisch te splitsen of samen met beleggers een dochter-BV op te richten, waarbij door de toegelaten instelling bepaalde administratieve diensten ten behoeve van de BV kunnen worden verricht. Met dit onderdeel wordt geregeld dat voor het uitvoeren van deze diensten geen voorafgaande toestemming van de minister als bedoeld in artikel 44c van de Woningwet vereist is.

Ook is gebleken dat het vereiste van een markttoets bij elke niet-DAEB-werkzaamheid, zoals volgt uit artikel 44c van de Woningwet, in het geval van de verkoop van niet-DAEB-bezit praktisch onuitvoerbaar is. Gezien het feit dat de markttoets oneerlijke concurrentie moet voorkomen, ligt het daarnaast niet in de rede om een toets in te stellen bij verkoop van niet-DAEB-bezit. Om die reden is het, met voorgestelde toevoeging van sub g, het niet meer vereist om een markttoets uit te voeren als de toegelaten instelling niet-DAEB-bezit verkoopt.

Onderdelen M en S (artikelen 52b en 52c)

Met de Veegwet wonen zijn enkele uitbreidingen van het gebied van de volkshuisvesting, bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de Woningwet, doorgevoerd. Op grond van het zesde lid van dat artikel kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften worden gegeven omtrent het toepassingsbereik daarvan. Daar wordt in onderhavig besluit gehoor aan gegeven in de nieuwe artikelen 46a, 52b en 52c.

Door inperking van het werkdomein in de Woningwet was het alleen mogelijk onderhoudswerkzaamheden voor het eigen bezit uit te voeren. Met de wijziging in de Veegwet wonen (onderdeel Y) is het mogelijk gemaakt dat toegelaten instellingen deze werkzaamheden ook onderling uitvoeren; het gaat immers om taken op het gebied van de volkshuisvesting. Daarnaast wordt geregeld dat een verbonden onderneming van een toegelaten instelling werkzaamheden mag uitvoeren voor toegelaten instellingen. Op die manier blijft het bijvoorbeeld mogelijk dat bv’s onder marktconforme omstandigheden onderhoud kunnen plegen voor zowel de toegelaten instelling als voor andere verbonden ondernemingen van toegelaten instellingen.

In de praktijk leveren toegelaten instellingen diensten aan verbonden ondernemingen. Het gaat om diensten zoals het beheren van het personeelsbestand, het opstellen van een onderhoudsplan of het ontwikkelen van een ICT-administratiesysteem. Ook het bijhouden van de verhuuradministratie behoort tot dergelijke diensten. De nadere voorwaarden waaronder toegelaten instellingen deze diensten kunnen leveren aan verbonden ondernemingen zijn opgenomen in artikel 52b. Zo kunnen deze diensten slechts worden geleverd aan verbonden ondernemingen waarvan meer dan de helft van de aandelen door toegelaten instellingen worden gehouden of indien en zolang toegelaten instellingen of een of meer van hun verbonden ondernemingen alleen of samen meer dan de helft van de bestuurders van de verbonden onderneming kunnen benoemen of ontslaan.

Schematisch zien deze nadere regels er als volgt uit.

Bouwen, verwerven, toewijzen, bezwaren, verhuren, vervreemden en doen slopen van bezit van andere toegelaten instellingen en verbonden ondernemingen; in stand houden van en treffen van voorzieningen van bezit van andere toegelaten instellingen en verbonden ondernemingen (uitwerking van artikel 45, tweede lid, sub a en b, van de Woningwet):

Toegelaten instelling:

Eigen bezit

Bezit van een toegelaten instelling

Verbonden onderneming:

Eigen bezit

Bezit van een toegelaten instelling

Bezit van een verbonden onderneming (100% zeggenschap d.m.v. aandelenbezit of benoemingsmogelijkheid bestuur)

Het verlenen van diensten aan bewoners van corporaties en verbonden ondernemingen (uitwerking van artikel 45, tweede lid, sub c, van de Woningwet):

Toegelaten instelling:

Eigen bewoners

Bewoners van een toegelaten instelling

Eigenaar-bewoners die lid zijn van een VVE

Overige bewoners (gebouw vormt bouwkundig geheel met woongelegenheden van de toegelaten instelling)

Verbonden onderneming:

Eigen bewoners

Bewoners van een toegelaten instelling

Bewoners van een verbonden onderneming (100% aandelen of benoemen alle bestuurders)

Eigenaar-bewoners die lid zijn van een VVE

Overige bewoners (gebouw vormt bouwkundig geheel met woongelegenheden van de toegelaten instelling)

Overige bewoners (gebouw vormt bouwkundig geheel met woongelegenheden van de verbonden onderneming)

Verlenen van diensten ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie voor andere corporaties en verbonden ondernemingen (uitwerking van artikel 45, tweede lid, sub j, van de Woningwet):

Toegelaten instelling:

Eigen bedrijfsvoering

Bedrijfsvoering van een toegelaten instelling

Bedrijfsvoering van een dochteronderneming (50% aandelen of benoemen meer dan helft bestuurders) (mits tevens bedrijfsvoering van de toegelaten instelling)

Verbonden onderneming:

Eigen bedrijfsvoering

Bedrijfsvoering van een toegelaten instelling

Bedrijfsvoering van een dochteronderneming (50% aandelen of benoemen meer dan helft bestuurders) (mits tevens bedrijfsvoering van de toegelaten instelling)

Verlenen van diensten ten behoeve van de huurdersorganisatie of bewonerscommissie van een corporatie of verbonden onderneming (uitwerking van artikel 45, tweede lid, sub k, van de Woningwet):

Toegelaten instelling:

Eigen huurdersorganisatie

Huurdersorganisatie van een verbonden onderneming

Huurdersorganisatie van een toegelaten instelling

Overige huurdersorganisaties (zolang huurders van een toegelaten instelling of verbonden onderneming hiervan lid zijn)

Verbonden onderneming:

Eigen huurdersorganisatie

Huurdersorganisatie van een verbonden onderneming

Huurdersorganisatie van een toegelaten instelling

Overige huurdersorganisaties (zolang huurders van een toegelaten instelling of verbonden onderneming hiervan lid zijn)

Onderdeel O

Met deze wijziging wordt buiten twijfel gesteld dat toegelaten instellingen financiële middelen ter beschikking kunnen stellen in de vorm van tegemoetkomingen ter voldoening aan de verplichting om aan de toekomstige leden van een op te richten wooncoöperatie een eenmalige tegemoetkoming te doen voor het opstellen van het coöperatieplan.

Onderdelen P en R

De artikelen 49, derde lid, en 52, vierde lid, zien erop dat de minister op verzoek van een toegelaten instelling kan bepalen dat het verwerven van gebouwen die geen verband houden met werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting, niettemin is toegestaan indien de toegelaten instelling aannemelijk maakt die gebouwen binnen vijf jaar te transformeren tot gebouwen die wel verband houden met werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting. Oorspronkelijk werd beoogd dat het in dergelijke situaties tevens geoorloofd is dat de toegelaten instelling het aangekochte tijdelijk blijft verhuren aan de oorspronkelijke huurder.4 De oorspronkelijke formuleringen van beide bepalingen brachten deze bedoeling onvoldoende tot uitdrukking. De bepalingen zijn derhalve geherformuleerd.

Onderdeel Q

Met deze technische wijziging wordt artikel 51, eerste lid, onderdeel c, verduidelijkt.

Naar aanleiding van een vraag die zich in de praktijk heeft voorgedaan wordt hierbij een opmerking ten overvloede geplaatst. Wanneer sprake is van een inbreuk op het woongenot als gevolg van overlast door omwonenden, kan een toegelaten instelling maatregelen (moeten) nemen om die overlast te voorkomen. De kosten voor het voeren van juridische procedures om dergelijke overlast te beëindigen en eventuele andere kosten in dat verband, vallen niet onder bijdragen aan de leefbaarheid als bedoeld in dit artikel.

Onderdelen N en S (artikelen 52d tot en met h)

Met de Veegwet wonen is aan artikel 45 van de Woningwet een zevende lid toegevoegd, waarmee bij algemene maatregel van bestuur gevallen kunnen worden bepaald waarin, en voorwaarden worden gesteld waaronder, het toegelaten instellingen, de met hen verbonden ondernemingen en de samenwerkingsvennootschappen wordt toegestaan om bepaalde werkzaamheden te verrichten in gebouwen van derden. Daar wordt met onderhavig besluit invulling aan gegeven met de nieuwe artikelen 52d tot en met 52h.

Werkzaamheden in gebouwen van derden worden uitsluitend toegestaan ten aanzien van gebouwen waarin minimaal 90% van de verhuureenheden wordt verhuurd aan huishoudens uit de DAEB-doelgroep. Ook mag de huur niet hoger zijn dan de liberalisatiegrens, namelijk € 710,68, en moeten dezelfde regels worden gevolgd als bij het eigen bezit aangaande de passendheidstoets. Dit betekent dat in het gebouw aan huishoudens met potentieel recht op huurtoeslag maximaal een huurprijs mag worden gevraagd van € 586,68 voor één- en tweepersoonshuishoudens, en van € 628,76 voor meerpersoonshuishoudens. Als laatste telt de huurstijging die plaatsvindt in de gebouwen waaromtrent werkzaamheden worden geleverd, mee voor het bepalen van de huursom.

Er wordt een tweetal beheerconstructies toegestaan:

Werkzaamheden op basis van een dienstverleningsovereenkomst

Diensten ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie voor gebouwen van derden mogen worden uitgevoerd op basis van een dienstverleningsovereenkomst. Deze constructie is uitgewerkt in het nieuwe artikel 52e, vierde lid. De diensten moeten betrekking hebben op woongelegenheden en aanhorigheden. De dienstverleningsovereenkomst dient te worden vormgegeven met een overeenkomst van opdracht betreffende lastgeving. Hiermee verricht de toegelaten instelling de werkzaamheden voor rekening (en dus voor economisch risico) van de pandeigenaar. In de lastgevingsovereenkomst dient bepaald te worden dat de toegelaten instelling verplicht is te handelen in naam van de pandeigenaar. Zodoende wordt de toegelaten instelling geen contractpartij met de derde.

Diensten ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie mogen worden gecombineerd met het in stand houden van en het treffen van kleinschalige voorzieningen in die woongelegenheden. Deze werkzaamheden worden tevens op basis van een overeenkomst van opdracht betreffende lastgeving uitgevoerd.

Bij ministeriële regeling worden nadere eisen aan de te tekenen overeenkomst gesteld. Gedacht kan worden aan een clausule dat de overeenkomst kan worden ontbonden indien de Autoriteit de toestemming voor de werkzaamheden intrekt.

Werkzaamheden op basis van een zuivere huurconstructie

Dit betreft de constructie waarbij toepassing wordt gegeven aan artikel 45, zevende lid, onderdeel c, van de wet, waarna toepassing wordt gegeven aan onderdeel a. Die onderdelen zien op het huren van gebouwen van derden, ten behoeve van de exploitatie van die gebouwen. De constructie is uitgewerkt in de nieuwe artikelen 52e, eerste en derde lid. Omdat in dit geval de werkzaamheden plaatsvinden voor rekening en risico van de toegelaten instelling, worden aan deze constructie strikte voorwaarden gesteld. Zo moet er voldoende weerstandsvermogen zijn om de waarde en risico’s van de beheerovereenkomst te kunnen opvangen. De overeenkomst van huur en verhuur mag een looptijd hebben van ten hoogste tien jaar, met mogelijkheid tot verlenging, geen koopoptie bevatten, en niet de aan de aanvrager toekomende bevoegdheid tot ontbinding aantasten. Deze eisen aan de overeenkomst zullen bij ministeriële regeling worden voorgeschreven.

In woongelegenheden en aanhorigheden die worden aangehuurd, mogen verbouw- en onderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd. Voor zover er werkzaamheden worden verricht met het oog op het geschikt maken van het gebouw voor bewoning, dan mag de investering per beoogde verhuureenheid niet hoger zijn dan € 25.000,–.

Hieronder is een schema met toegestane werkzaamheden in gebouwen van derden weergegeven:

Voorafgaande toestemming

Voor werkzaamheden in gebouwen van derde partijen dient vooraf toestemming te worden gevraagd aan de minister, in casu de toezichthouder. Om het proces van aanhuren van gebouwen van derden zo transparant mogelijk te maken, is voorzien in een procedure van openbare publicatie. Deze procedure beoogt dat de marktpartijen weten welke gebouwen op de markt beschikbaar zijn om te verhuren. Zo wordt voorkomen dat er, anders dan voor inwerkingtreding van de Woningwet, ondoorzichtigheid is op de markt en toegelaten instellingen wordt verweten de markt te verstoren. Voorafgaande toestemming is niet vereist indien het verbouw- en onderhoudswerkzaamheden betreft voor gebouwen waarin de toegelaten instelling, verbonden onderneming of samenwerkingsvennootschap meer dan 50% van het stemrecht heeft in de vereniging van eigenaars. Wel moet hiervoor een dienstverleningsovereenkomst zijn opgesteld.

De voorgeschreven procedure om marktpartijen op de hoogte te stellen van de beschikbaarheid van het gebouw geldt alleen indien de werkzaamheden worden uitgevoerd door toegelaten instellingen of samenwerkingsvennootschappen. Indien een verbonden onderneming de werkzaamheden uitvoert, is een markttoets niet nodig omdat een verbonden onderneming al opereert onder marktconforme condities.

De procedure bestaat uit de volgende stappen:

  • 1. een pandeigenaar stelt een gebouw beschikbaar voor een toegelaten instelling;

  • 2. de gemeente maakt dit langs elektronische weg algemeen bekend. Vermeld wordt een omschrijving van het bewuste gebouw, wat het tijdstip van aanvang en de looptijd is van de opdracht en hoe het gebouw nadien moet worden opgeleverd;

  • 3. marktpartijen krijgen de gelegenheid om hun interesse te laten blijken om werkzaamheden in het gebouw uit te voeren;

  • 4. zijn de werkzaamheden gedurende twee weken gepubliceerd, dan kan de toegelaten instelling toestemming vragen om de opdracht uit te voeren.

Op een aantal punten verschilt bovenstaande procedure van de markttoets voor niet-DAEB-werkzaamheden. Het doel van de procedures verschilt: bij de markttoets gaat het om werkzaamheden die niet behoren tot de kerntaak van toegelaten instellingen. De toegelaten instelling is derhalve niet degene die in de eerste instantie de werkzaamheden zou moeten uitvoeren. Bij werkzaamheden in gebouwen van derde partijen is nadrukkelijk vereist dat de werkzaamheden wel tot de DAEB-categorie, en dus de kerntaak van de toegelaten instelling, behoren. Daarom is de voorwaarde dat de toegelaten instelling alleen toestemming krijgt als er geen marktpartij geïnteresseerd is, niet opgenomen; de openbare publicatie heeft het karakter van een tender. De pandeigenaar kan dus kiezen met welke partij, marktpartij of toegelaten instelling, hij een overeenkomst wenst aan te gaan.

1. Een pandeigenaar stelt een gebouw beschikbaar

Een pandeigenaar heeft een gebouw in eigendom dat hij beschikbaar wil stellen voor bewoning door huishoudens met een laag inkomen. Hij meldt zich, al dan niet op uitnodiging van de toegelaten instelling, bij de gemeente.

2. De pandeigenaar formuleert de globale voorwaarden waaronder hij het pand beschikbaar stelt

Ten behoeve van de openbare publicatie formuleert de pandeigenaar een aantal globale voorwaarden waaraan hij wil dat de opdracht voldoet. Zo kan worden vastgesteld of marktpartijen geïnteresseerd zijn om de opdracht uit te voeren. In de opdracht is in elk geval opgenomen:

  • de naam en de contactgegevens van de pandeigenaar;

  • een omschrijving van het bewuste gebouw zoals het adres en overige typerende kenmerken van het gebouw;

  • het startmoment en de duur van de opdracht;

  • de wijze waarop en toestand waarin het gebouw na afloop van de opdracht dient te worden opgeleverd.

3. De opdracht wordt gepubliceerd door de gemeente; marktpartijen reageren op de opdracht

Op basis van de globale voorwaarden van de pandeigenaar kunnen marktpartijen inschatten of zij geïnteresseerd zijn en of zij werkzaamheden zouden willen uitvoeren in dit gebouw.

Om dit te inventariseren, publiceert de gemeente het voornemen en de voorwaarden. Dit geeft marktpartijen de gelegenheid om contact op te nemen met de pandeigenaar om een voorstel te doen. De publicatie van de opdracht door de gemeente dient vier weken te duren.

4. De toegelaten instelling vraagt toestemming

Wanneer een pandeigenaar voornemens is om de opdracht te verstrekken aan een toegelaten instelling en deze ook bereid is de werkzaamheden op zich te nemen, vraagt de toegelaten instelling op grond van artikel 52e toestemming aan de minister. Bij de aanvraag dient de toegelaten instelling de volgende documenten te overleggen:

een verklaring van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente op wiens grondgebied de werkzaamheden worden uitgevoerd, waarin is opgenomen dat, indien de werkzaamheden zullen worden uitgevoerd door de toegelaten instelling of een samenwerkingsvennootschap, de hierboven beschreven procedure is gevolgd;

de te tekenen overeenkomst tussen de pandeigenaar en de toegelaten instelling.

Een modelverklaring voor de gemeente wordt voorgeschreven bij ministeriële regeling. De minister geeft geen toestemming als uit de te tekenen overeenkomst of anderszins blijkt dat niet voldaan is aan de genoemde vereisten of indien de verklaring van de gemeente ontbreekt. Ook kan de toestemming uitblijven als blijkt dat het uitvoeren van de werkzaamheden te grote financiële risico’s voor de toegelaten instelling met zich meebrengt of dat de financiële continuïteit van de toegelaten instelling niet voldoende is gewaarborgd.

De toegelaten instelling legt jaarlijks in de reguliere verantwoordingsprocedure verantwoording af over de werkzaamheden en gemaakte kosten. Als blijkt dat het voortzetten van de werkzaamheden leidt tot financiële risico’s bij de toegelaten instelling of als tussentijds niet aan de voorwaarden voor het uitvoeren van de werkzaamheden wordt voldaan, kan de minister handhavend optreden en daartoe de bevoegdheden van artikel 61 en verder van de Woningwet inzetten. Daarnaast kan de toestemming tussentijds worden ingetrokken wanneer door het voortzetten van de werkzaamheden de financiële continuïteit van de toegelaten instelling niet langer is gewaarborgd of de financiële risico’s van de opdracht onverantwoord groot zijn geworden.

Onderdeel T en EE

Met de wijziging van artikel 56, eerste lid, wordt, door voor de toepassing van artikel 46, tweede lid, van de wet te verwijzen naar bijlage 5 van het BTIV, beoogd te verduidelijken dat aan de hand van de genoemde inkomensgegevens dient te worden vastgesteld of het huishouden waarvan de huurder deel uitmaakt naar verwachting in aanmerking zal komen voor huurtoeslag in de zin van de Wet op de huurtoeslag. Aansluiten bij de feitelijke toekenning van de huurtoeslag is immers niet mogelijk, omdat de definitieve huurtoeslagtoekenning pas plaatsvindt ruimschoots nadat het huishouden de woning heeft betrokken, aan de hand van, onder meer, het definitief door de Belastingdienst vastgestelde inkomen over het kalenderjaar waarop de toeslag betrekking heeft. Tevens wordt bijlage 5 gewijzigd. Bedragen zijn daarbij zoveel mogelijk vervangen door verwijzingen naar de bedragen in andere regelgeving, waar deze bedragen van zijn afgeleid. Hierdoor is het niet langer nodig om de bijlage jaarlijks te wijzigen om de bedragen te actualiseren.

Woningzoekende vergunninghouders moesten op grond van artikel 56 eerste en derde lid, aanhef en onderdeel a, een verklaring over de huishoudsamenstelling overleggen aan de toegelaten instelling, ten behoeve van het passend toewijzen van woongelegenheden. In de praktijk is dit onnodig, omdat de samenstelling van het huishouden reeds blijkt uit een verklaring van het COA die dient te worden overlegd. Dit is opgenomen in een nieuw derde lid. Het is geen vereiste dat die verklaring ook de namen van eventueel meeverhuizende gezinsleden noemt.

In het nieuwe zesde lid wordt een nieuw onderdeel b ingevoegd. Voor de inkomenstoetsing en verantwoording bij het passend toewijzen voor de huurtoeslag stelt artikel 56 van het BTIV het gebruik van belastingbescheiden voorop, tenzij sprake is van een van de uitzonderingscategorieën die in het derde lid van dat artikel zijn genoemd. Alleen als de Belastingdienst verklaart niet over gegevens van een betrokkene te beschikken, mag gebruik worden gemaakt van andere bescheiden, zoals beschreven in bijlage 5 van dit besluit. Gebruik van deze andere bewijsstukken is ook toegestaan in de gevallen waarin het actuele inkomen substantieel afwijkt van het bij de Belastingdienst bekende inkomen over een van de twee jaren voorafgaand aan het jaar van de toewijzing (t-1 of 1-2). Bij een nadere beschouwing van dit artikel is geconcludeerd dat de eis om (ook) bij verhuur aan personen met een algemene bijstanduitkering op grond van de Participatiewet primair uit te gaan van belastinggegevens in feite tot een onnodige administratieve last leidt. Dit bijstandsinkomen ligt immers altijd onder de inkomensgrens voor de huurtoeslag, zodat een toewijzing aan hen altijd passend zal zijn. Toekenning van bijstand betekent dat betrokkene geen (ander) inkomen heeft. De gemeentelijke vermogenstoets sluit bovendien de aanwezigheid van vermogen als inkomstenbron uit. Met de onderhavige wijziging wordt hierom geregeld dat bij toetsing en verantwoording bij de toewijzing aan algemeen bijstandontvangers niet langer gebruik hoeft te worden gemaakt van belastinggegevens, maar dat kan worden volstaan met een uitkeringsspecificatie van de bijstand. Omdat de beschikking waarmee deze uitkering wordt toegekend soms al geruime tijd geleden is afgegeven, worden in dit verband de jaaropgave (over het jaar t-1) en recente specificaties over de uitkering bruikbaar geacht. Dit laatste kan zowel de maandopgave zijn die sommige gemeenten afgeven, of de specificatie over de toekenning die andere gemeenten verstrekken als het bedrag van de bijstand wijzigt (per januari en juli).

Onderdeel W

In artikel 98 is reeds opgenomen dat bijzondere omstandigheden, zoals sanering, ertoe kunnen leiden dat toestemming wordt gegeven voor een fusie, hoewel de lokale binding niet gewaarborgd is. Deze bijzondere omstandigheden kunnen een fusie over de woningmarktregiogrenzen heen vereisen. Met de wijziging van artikel 98 wordt dit mogelijk gemaakt. De voorwaarde dat bij een reguliere fusie de lokale binding moet worden zijn gegarandeerd, blijft onderkort van kracht.

Onderdeel Y

Met de Veegwet wonen wordt voorgesteld dat het financieel reglement mede moet ingaan op de verbonden ondernemingen. In dit besluit wordt hieraan nader invulling gegeven. Op basis van de artikelen 104 tot en met 108 gold al dat de daar genoemde eisen die in het reglement moeten worden opgenomen in genoemde gevallen niet alleen gelden voor de toegelaten instelling, maar ook voor haar dochtermaatschappijen. Hieraan is de verbonden onderneming waarin de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen en ontslaan toegevoegd, zodat de eisen ook gelden voor stichtingen waarin de toegelaten instelling een vergelijkbare zeggenschap heeft als in dochters.

In artikel 104, tweede lid, onderdeel d wordt opgenomen dat toegelaten instellingen in het jaarverslag moeten ingaan op alle met haar verbonden ondernemingen. Het doel hiervan is dat inzicht wordt gegeven in de risico’s die de toegelaten instelling door haar verbindingen loopt. Bij ministeriële regeling zullen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze waarop moet worden verantwoord over de verbindingen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de omvang, aard en motief van de verbinding, de risico’s daarvan en de wijze waarop deze beheerst worden.

Onderdeel Z, onder 2

Op verschillende plekken in de wet- en regelgeving wordt het aantal verhuureenheden gebruikt als grens waarboven toegelaten instellingen aan bepaalde verplichtingen moeten voldoen. Echter, de systematiek om dit aantal te berekenen is niet overal gelijk. Dit geldt bijvoorbeeld voor het afzonderlijk beleggen van de controlfunctie en de staffels in de Wet normering topinkomens (WNT). Om dubbel werk voor toegelaten instellingen te voorkomen, wordt met de toevoeging van een tweede lid aan artikel 105 de systematiek uit de WNT ook toegepast bij de controlfunctie. Dit betekent dat verschillende soorten bezit ook verschillend worden gewogen: huurwoningen, eenheden in verzorgingshuizen, onzelfstandige eenheden, bedrijfsruimten en winkels tellen voor 1 verhuureenheid; maatschappelijk vastgoed telt voor 2 verhuureenheden en garages, parkeerplaatsen en overig bezit tellen voor 0,2 verhuureenheden.

Onderdeel AA, onder 1

De huidige redactie van artikel 106, eerste lid, brengt met zich dat uitsluitend onderdeel a op zowel de toegelaten instelling als op de dochtermaatschappijen betrekking heeft, terwijl dat voor het gehele eerste lid beoogd is. Die onvolkomenheid is met dit onderdeel hersteld.

Onderdeel BB

Op grond van artikel 57 van de Woningwet kan de minister saneringsubsidie verstrekken aan toegelaten instellingen. Het eerste lid is daarbij zodanig geredigeerd, dat de toegelaten instelling die de subsidie ontvangt, niet per definitie dezelfde is als de toegelaten instelling die wordt gesaneerd. Voor die redactie is bewust gekozen, omdat dit goed aansluit bij de praktijk.5 Zo kunnen bijvoorbeeld andere corporaties die in het kader van de sanering bepaalde taken van de noodlijdende corporatie overnemen, in aanmerking komen om daarvoor subsidie te ontvangen. De saneringssubsidie dient te worden verstrekt overeenkomstig de artikelen 111 en 112 van het Btiv. In die artikelen wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin:

  • 1. uitsluitend aan de noodlijdende toegelaten instelling subsidie wordt verstrekt;

  • 2. zowel aan de noodlijdende als aan één of meerdere andere toegelaten instellingen subsidie wordt verstrekt;

  • 3. uitsluitend aan één of meerdere andere dan de noodlijdende toegelaten instelling subsidie wordt verstrekt.

Om de regels beter uitvoerbaar te maken, wordt met deze wijziging van artikel 111 geregeld welke werkwijze in de genoemde situaties gevolgd dient te worden. In alle situaties geldt dat de subsidie verstrekt wordt op grond van het saneringsplan van de noodlijdende toegelaten instelling. Als gevolg van de wijziging gelden voor de genoemde situaties de volgende werkwijzen:

  • 1. Indien uitsluitend aan de noodlijdende toegelaten instelling subsidie wordt verstrekt, wijzigt er niets en is er altijd slechts één aanvraag. De noodlijdende toegelaten instelling vraagt subsidie aan en de aanvraag gaat vergezeld van de stukken, genoemd in art. 111 lid 1 BTIV.

  • 2. Indien zowel aan de noodlijdende als een of meerdere andere toegelaten instellingen subsidie wordt verstrekt, is er altijd sprake van ten minste twee subsidieaanvragen. Beide subsidieaanvragen zijn gebaseerd op het ingediende saneringsplan en de door de noodlijdende toegelaten instelling aangeleverde informatie bij de subsidieaanvraag. Praktisch betekent dit dat de noodlijdende toegelaten instelling subsidie aanvraagt en de aanvraag vergezeld gaat van de stukken, genoemd in art. 111 lid 1 BTIV. De wijze waarop de één of meerdere andere toegelaten instellingen in dat geval subsidie aan moet vragen is niet expliciet in art. 111 BTIV opgenomen, omdat de standaardprocedure voor een subsidieaanvraag al in de Algemene wet bestuursrecht is opgenomen. Aan de aanvra(a)g(en) van de andere dan de noodlijdende toegelaten instelling worden naast deze algemene bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht in dit besluit geen aanvullende vereisten gesteld. Dat betekent nadrukkelijk dat deze toegelaten instelling(en) ook niet zelf financieel noodlijdend hoeft/hoeven te zijn om in aanmerking te komen voor subsidieverstrekking.

  • 3. Indien uitsluitend aan één of meerdere andere dan de noodlijdende toegelaten instelling subsidie wordt verstrekt is er altijd ten minste één subsidieaanvraag. Deze subsidieaanvraag dient gebaseerd te zijn op het saneringsplan van de noodlijdende toegelaten instelling. Voor het indienen van de subsidieaanvraag van een andere dan de noodlijdende toegelaten instelling gelden de algemene bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van subsidies en worden geen aanvullende vereisten gesteld. De noodlijdende toegelaten instelling zal conform het saneringsplan geen subsidie aanvragen en ontvangen. Met deze wijziging is geregeld dat zij wel zo spoedig mogelijk na de goedkeuring van het saneringsplan de stukken, genoemd in art. 111 lid 1, naar de minister stuurt, zodat de minister daar gebruik van kan maken bij de behandeling van de aanvragen die een of meerdere andere toegelaten instellingen zullen aanvragen.

Onderdeel DD

Artikel 123 bepaalt dat een aantal bevoegdheden van de minister gemandateerd worden aan de Autoriteit woningcorporaties. De betreffende bevoegdheden zijn thans reeds aan de Autoriteit gemandateerd op grond van het Besluit mandaat Autoriteit woningcorporaties en aanwijzing toezichthouders Woningwet en WNT. Artikel 123 kan derhalve vervallen. Het betreft een wijziging zonder beleidsmatige gevolgen.

Artikel II

Voorliggend besluit treedt in werking op het moment dat de Veegwet Wonen in werking treedt, te weten op 1 juli 2017. De wijziging van artikel 56, vijfde lid (nieuw) werkt terug tot en met 1 januari 2017. Hierdoor is het, om het inkomen te controleren in het kader van het passend toewijzen, vanaf 1 januari 2017 voldoende als algemeen bijstandsontvangers een uitkeringsspecificatie van de bijstand overleggen. Het wordt niet wenselijk geacht als toegelaten instellingen zich over 2017 via twee regimes moeten verantwoorden over de mate waarin zij hebben voldaan aan passend toewijzen. Nu dit onderdeel een voor alle betrokkenen begunstigende wijziging betreft, stuit het verlenen van terugwerkende kracht niet op rechtsstatelijke bezwaren.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk


X Noot
1

Kamerstukken II 2015/16, 34 468.

X Noot
2

Kamerstukken II 2015/16, 34 491, 2.

X Noot
3

Stb. 2015, 349.

X Noot
4

Stb. 2015, 231, p. 110.

X Noot
5

Kamerstukken II 2013/14, 33 966, nr. 3, p. 60.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbij behorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.