Wet van 17 november 2016, houdende implementatie van richtlijn nr. 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PbEU L294)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die dezen zullen zien of horen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat richtlijn nr. 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PbEU L294) wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Overleveringswet noodzakelijk maakt;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 27c, derde lid, worden, onder verlettering van onderdeel g tot onderdeel i, onderdelen ingevoegd, die luiden:

  • g. het recht om een persoon in kennis te doen stellen van zijn vrijheidsbeneming, bedoeld in artikel 27e, eerste lid;

  • h. het recht om de consulaire post in kennis te doen stellen van zijn vrijheidsbeneming, bedoeld in artikel 27e, tweede lid;.

B

Na artikel 27c worden twee artikelen toegevoegd, die luiden:

Artikel 27d

  • 1. De opsporingsambtenaar die een persoon uitnodigt om een verklaring af te leggen, deelt daarbij mee of deze als getuige of als verdachte wordt gehoord.

  • 2. Indien ten aanzien van een als getuige gehoorde persoon gedurende het verhoor een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit ontstaat als bedoeld in artikel 27, eerste lid, doet de verhorende opsporingsambtenaar, indien deze het verhoor wil voortzetten, aan deze persoon de in artikel 27c, eerste en tweede lid, genoemde mededelingen.

Artikel 27e

  • 1. Op verzoek van de aangehouden verdachte geeft de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, onverwijld kennis van diens vrijheidsbeneming aan ten minste een door de verdachte aangeduide persoon.

  • 2. Op verzoek van de aangehouden verdachte die niet de Nederlandse nationaliteit heeft, geeft de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beslist om de verdachte op te houden voor onderzoek, onverwijld kennis van diens vrijheidsbeneming aan de consulaire post van de staat waarvan de verdachte de nationaliteit heeft.

  • 3. De hulpofficier van justitie kan de in het eerste lid bedoelde kennisgeving uitstellen voor zover en voor zolang als dit wordt gerechtvaardigd door een dringende noodzaak om:

    • a. ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen of

    • b. te voorkomen dat aanzienlijke schade aan het onderzoek kan worden toegebracht.

  • 4. De in het derde lid bedoelde beslissing en de gronden waarop deze berust, worden in het proces-verbaal vermeld.

C

Artikel 28, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De verdachte heeft het recht om zich, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek, te doen bijstaan door een raadsman.

D

Na artikel 28 worden zes artikelen toegevoegd, die luiden:

Artikel 28a

  • 1. De verdachte kan vrijwillig en ondubbelzinnig afstand doen van het recht op rechtsbijstand, bedoeld in artikel 28, eerste lid, tenzij in dit wetboek anders is bepaald.

  • 2. Wanneer de rechter of opsporingsambtenaar blijkt dat de verdachte de in het eerste lid bedoelde afstand van recht wil doen, licht deze hem in over de gevolgen daarvan en deelt deze hem mee dat hij van zijn beslissing kan terugkomen. Hiervan wordt proces-verbaal opgemaakt.

Artikel 28ab

Artikel 28, eerste lid, is niet van toepassing bij het verhoor ter plaatse van de staande gehouden verdachte van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen overtreding waarvoor een strafbeschikking zal worden uitgevaardigd.

Artikel 28b

  • 1. Indien een kwetsbare verdachte of een verdachte van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld, is aangehouden, stelt de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, het bestuur van de raad voor rechtsbijstand onverwijld van zijn aanhouding in kennis, opdat het bestuur een raadsman aanwijst. Deze kennisgeving kan achterwege blijven indien de verdachte een raadsman heeft gekozen en deze of een vervangende raadsman tijdig beschikbaar zal zijn.

  • 2. Indien een verdachte die is aangehouden voor een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, desgevraagd rechtsbijstand wenst, stelt de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, het bestuur van de raad voor rechtsbijstand hiervan onverwijld in kennis, opdat het bestuur een raadsman aanwijst. De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Indien de verdachte is aangehouden voor een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten, en hij desgevraagd rechtsbijstand wenst, wordt hij in de gelegenheid gesteld contact op te nemen met een door hem gekozen raadsman.

  • 4. Indien de aangewezen raadsman niet binnen twee uur na de kennisgeving, bedoeld in het eerste en tweede lid, beschikbaar is, en indien de gekozen raadsman niet binnen twee uur na het contact, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, beschikbaar is, kan de hulpofficier van justitie, wanneer de verdachte alsnog afstand doet van zijn recht op rechtsbijstand in verband met het verhoor, beslissen dat met het verhoor van de verdachte wordt begonnen.

Artikel 28c

  • 1. De aangehouden verdachte voor wie ingevolge artikel 28b een raadsman beschikbaar is, wordt de gelegenheid verschaft om voorafgaand aan het eerste verhoor gedurende een termijn van ten hoogste een half uur met hem een onderhoud te hebben. De hulpofficier van justitie kan deze termijn, indien deze ontoereikend blijkt, op verzoek van de verdachte of zijn raadsman met ten hoogste een half uur verlengen, tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet. Het onderhoud kan ook door middel van telecommunicatie plaatsvinden.

  • 2. De verdachte, bedoeld in artikel 28b, eerste lid, kan slechts afstand doen van het in het eerste lid bedoelde onderhoud, nadat hij door een raadsman over de gevolgen daarvan is ingelicht.

Artikel 28d

  • 1. Op verzoek van de aangehouden verdachte en de verdachte die is uitgenodigd om op een plaats van verhoor te verschijnen om te worden verhoord, kan de raadsman het verhoor bijwonen en daaraan deelnemen. Het verzoek wordt gericht aan de verhorende ambtenaar of de hulpofficier van justitie. De verhorende ambtenaar kan een verzoek van de verdachte of diens raadsman tot onderbreking van het verhoor voor onderling overleg afwijzen, indien door het voldoen aan herhaalde verzoeken de orde of de voortgang van het verhoor zou worden verstoord. Wanneer de raadsman aan het verhoor deelneemt, wordt daarvan in het proces-verbaal van verhoor melding gemaakt.

  • 2. De verdachte kan tijdens het verhoor dat niet door een raadsman wordt bijgewoond, verzoeken dat het wordt onderbroken voor overleg met een raadsman. De verhorende ambtenaar stelt hem daartoe zo veel mogelijk in de gelegenheid, tenzij door het voldoen aan herhaalde verzoeken de orde of de voortgang van het verhoor zou worden verstoord.

  • 3. De beslissing tot afwijzing van het in het eerste of tweede lid bedoelde verzoek geldt voor de duur van het desbetreffende verhoor en wordt onder opgave van de gronden waarop deze berust vermeld in het proces-verbaal van verhoor.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inrichting van en de orde tijdens het verhoor waaraan ook de raadsman deelneemt.

Artikel 28e

  • 1. De hulpofficier van justitie kan beslissen dat:

    • a. de aangehouden verdachte, zonder dat deze in de gelegenheid wordt gesteld zijn in artikel 28, eerste lid, bedoelde recht uit te oefenen, terstond na zijn aanhouding ter plaatse wordt verhoord,

    • b. met het in artikel 28d, eerste lid, bedoelde verhoor wordt begonnen zonder dat een raadsman beschikbaar is,

    • c. met het in artikel 28d, eerste lid, bedoelde verhoor wordt begonnen of dit verhoor wordt voortgezet zonder dat de aangehouden verdachte gelegenheid wordt geboden voor het in artikel 28c, eerste lid, bedoelde onderhoud, of

    • d. de raadsman niet tot het in artikel 28d, eerste lid, bedoelde verhoor wordt toegelaten.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde beslissingen kunnen alleen worden genomen voor zover en voor zolang als deze worden gerechtvaardigd door de dringende noodzaak om:

    • a. ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen of

    • b. te voorkomen dat aanzienlijke schade aan het onderzoek wordt toegebracht.

  • 3. De beslissing, bedoeld in het eerste lid, onder b, c of d, kan door de hulpofficier van justitie alleen met toestemming van de officier van justitie worden genomen.

  • 4. De beslissing en de gronden waarop deze berust, worden in het proces-verbaal van het verhoor vermeld.

E

Artikel 40 komt te luiden:

Artikel 40

  • 1. Het bestuur van de raad voor rechtsbijstand wijst na de kennisgeving, bedoeld in artikel 28b, eerste en tweede lid, of na de mededeling dat een verdachte in verzekering is gesteld voor wie niet eerder een raadsman is aangewezen, een raadsman aan.

  • 2. De verdachte kan een voorkeur voor een bepaalde raadsman kenbaar maken.

  • 3. De krachtens het eerste lid aangewezen raadsman treedt ook op als raadsman voor de verdachte tijdens de behandeling door de rechtbank van het hoger beroep van de officier van justitie als bedoeld in artikel 59c.

  • 4. De aanwijzing eindigt met het aflopen van het ophouden voor onderzoek, dan wel van de inverzekeringstelling en de eventuele verlenging.

F

Na artikel 488a wordt een artikel toegevoegd, dat luidt:

Artikel 488b

  • 1. In afwijking van artikel 27e, eerste lid, geeft de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, zo spoedig mogelijk kennis van de vrijheidsbeneming en van de redenen daarvan aan de ouders of voogd.

  • 2. Indien de in het eerste lid bedoelde kennisgeving met toepassing van artikel 27e, derde lid, wordt uitgesteld, geeft de hulpofficier van justitie kennis van de vrijheidsbeneming van de verdachte aan de Raad voor de kinderbescherming.

G

Na artikel 488b wordt een artikel toegevoegd, dat luidt:

Artikel 488c

  • 1. De verdachte kan geen afstand doen van het in artikel 28c bedoelde onderhoud met de raadsman voorafgaand aan het verhoor.

  • 2. Tijdens het in het eerste lid bedoelde onderhoud overlegt de raadsman met de verdachte over de noodzaak van zijn aanwezigheid tijdens en deelname aan het verhoor en doet mededeling van de uitkomst van dit overleg aan de hulpofficier van justitie. Op verzoek van de verdachte of diens ouders of voogd verleent de raadsman rechtsbijstand tijdens het verhoor.

H

Artikel 489, eerste lid, aanhef, komt te luiden: Onverminderd artikel 488c wordt aan de verdachte die geen raadsman heeft ambtshalve een raadsman toegevoegd wanneer:.

ARTIKEL II

De Overleveringswet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 17, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b komt te luiden:

  • b. het recht op bijstand van een raadsman, bedoeld in artikel 43a, en de mogelijkheid te verzoeken om aanwijzing van een advocaat in de uitvaardigende lidstaat, bedoeld in artikel 21a;.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, dat luidt:

  • e. de in artikel 27c, derde lid, onder g en h, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde rechten.

3. Aan het slot wordt een volzin toegevoegd, die luidt: De artikelen 27e en 488b van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

B

Aan de artikelen 17, vierde lid, 18, tweede lid, en 21, achtste lid, wordt een zin toegevoegd, die luidt: Bij zijn verhoor kan de opgeëiste persoon zich door zijn raadsman doen bijstaan.

C

Artikel 21, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. Na de opgeëiste persoon te hebben gehoord, kan de officier van justitie of hulpofficier van justitie, bedoeld in het vierde lid, bevelen dat deze persoon gedurende drie dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van de aanhouding, in verzekering gesteld zal blijven. Bij zijn verhoor kan de opgeëiste persoon zich door zijn raadsman doen bijstaan.

D

Na artikel 21 wordt een paragraaf toegevoegd, die luidt:

§ Ba ADVOCAAT IN UITVAARDIGENDE LIDSTAAT

Artikel 21a

De opgeëiste persoon die is aangehouden, kan verzoeken een advocaat in de uitvaardigende lidstaat aan te wijzen met het oog op het, door het verstrekken van informatie en advies, verlenen van bijstand aan zijn raadsman in Nederland ten behoeve van de procedure voor overlevering in Nederland. De officier van justitie stelt na ontvangst van het verzoek de uitvaardigende justitiële autoriteit terstond van het verzoek in kennis; de termijnen voor de behandeling van het Europees aanhoudingsbevel gelden onverkort.

E

In artikel 30, eerste lid, vervalt: 37 tot en met 39, 45 tot en met 49, 50 eerste lid,.

F

Na artikel 43 wordt een paragraaf toegevoegd, die luidt:

§ F. RECHT OP RECHTSBIJSTAND

Artikel 43a
  • 1. De opgeëiste persoon heeft in de procedure voor overlevering door Nederland het recht zich door een raadsman te doen bijstaan. De artikelen 28, 28a, 28c, tweede lid, 28d, eerste lid, laatste volzin, 37 tot en met 39, 45 tot en met 49, 50, eerste lid, en 124 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Indien de opgeëiste persoon krachtens deze wet wordt aangehouden, stelt de hulpofficier van justitie het bestuur van de raad voor rechtsbijstand hiervan in kennis, opdat het bestuur een raadsman aanwijst. De artikelen 28b, eerste lid, tweede volzin, en 40 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Indien de raadsman niet binnen twee uur na de in het tweede lid bedoelde kennisgeving beschikbaar is, kan officier van justitie of – met toestemming van de officier van justitie – de hulpofficier van justitie beginnen met het horen van de opgeëiste persoon in verband met de beslissing over de inverzekeringstelling, bedoeld in de artikelen 17, vierde lid, en 21, vijfde lid.

  • 4. De opgeëiste persoon voor wie ingevolge het tweede lid een raadsman beschikbaar is, wordt de gelegenheid verschaft om voorafgaand aan zijn verhoor in verband met de in het derde lid bedoelde beslissing gedurende ten hoogste een half uur met hem een onderhoud te hebben.

  • 5. Indien een persoon die geen raadsman heeft overeenkomstig deze wet zijn vrijheid wordt benomen – anders dan uit kracht van een Europees aanhoudingsbevel of een Nederlands bevel tot aanhouding of voorlopige aanhouding, dan wel tot inverzekeringstelling of tot verlenging van de termijn daarvan – geeft de voorzitter van de rechtbank in het arrondissement waarin hij zich bevindt een last tot toevoeging aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand. De officier van justitie geeft de voorzitter onverwijld schriftelijk kennis, dat toevoeging moet plaatshebben.

G

Na artikel 48 wordt een artikel toegevoegd, dat luidt:

Artikel 48a

Na ontvangst van een kennisgeving van de uitvoerende justitiële autoriteit dat de opgeëiste persoon heeft verzocht om aanwijzing van een in Nederland ingeschreven advocaat met het oog op het, door het verstrekken van informatie en advies, verlenen van bijstand aan zijn raadsman in de uitvoerende lidstaat ten behoeve van de procedure voor overlevering in die lidstaat, verstrekt de uitvaardigende officier van justitie, al dan niet door tussenkomst van die autoriteit, de daarvoor benodigde gegevens aan de opgeëiste persoon. Deze verstrekking vindt onverwijld plaats; de termijnen voor behandeling van het Europees aanhoudingsbevel gelden onverkort.

H

Artikel 62 komt te luiden:

Artikel 62

Artikel 490 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL III

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te Wassenaar, 17 november 2016

Willem-Alexander

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, K.H.D.M. Dijkhoff

Uitgegeven de achtste december 2016

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 34 157

Naar boven