Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatsblad 2016, 232Klein Koninklijk Besluit

Besluit van 15 juni 2016, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen Oa, Ob, K, L, M en N, van de Wet van 19 november 2014 tot wijziging van de Spoorwegwet en de Wet personenvervoer 2000 in verband met een tweede tranche van uitvoeringsmaatregelen van het kabinetsstandpunt «Spoor in beweging», waaronder regels inzake bijzondere spoorwegen en vereenvoudiging van het vergunningenregime hoofdspoorwegen, en in verband met de invoering van een verblijfsverbod voor voorzieningen openbaar vervoer (Stb. 2015, 9) en van de artikelen 20 en 22 van het Besluit bijzondere spoorwegen (Stb. 2015, 267)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 13 juni 2016, nr. IenM/BSK-2016/119578, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op artikel VII, eerste lid, van de Wet van 19 november 2014 tot wijziging van de Spoorwegwet en de Wet personenvervoer 2000 in verband met een tweede tranche van uitvoeringsmaatregelen van het kabinetsstandpunt «Spoor in beweging», waaronder regels inzake bijzondere spoorwegen en vereenvoudiging van het vergunningenregime hoofdspoorwegen, en in verband met de invoering van een verblijfsverbod voor voorzieningen openbaar vervoer (Stb. 2015, 9) en artikel 28, eerste lid, van het Besluit bijzondere spoorwegen (Stb. 2015, 267);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

  • 1. Artikel I, onderdelen Oa en Ob, van de Wet van 19 november 2014 tot wijziging van de Spoorwegwet en de Wet personenvervoer 2000 in verband met een tweede tranche van uitvoeringsmaatregelen van het kabinetsstandpunt «Spoor in beweging», waaronder regels inzake bijzondere spoorwegen en vereenvoudiging van het vergunningenregime hoofdspoorwegen, en in verband met de invoering van een verblijfsverbod voor voorzieningen openbaar vervoer (Stb. 2015, 9) en artikel 20 van het Besluit bijzondere spoorwegen (Stb. 2015, 267) treden in werking op in 1 juli 2016.

  • 2. Artikel I, onderdelen K, L, M en N, van de in het eerste lid genoemde wet, en artikel 22 van het Besluit bijzondere spoorwegen (Stb. 2015, 267) treden in werking op 1 oktober 2016.

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar, 15 juni 2016

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma

Uitgegeven de drieëntwintigste juni 2016

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

1. Inleiding

De Wet van 19 november 2014 tot wijziging van de Spoorwegwet en de Wet personenvervoer 2000 in verband met een tweede tranche van uitvoeringsmaatregelen van het kabinetsstandpunt «Spoor in beweging», waaronder regels inzake bijzondere spoorwegen en vereenvoudiging van het vergunningenregime hoofdspoorwegen, en in verband met de invoering van een verblijfsverbod voor voorzieningen openbaar vervoer (Stb. 2015, 9)(hierna: de Wet) wijzigt een aantal bepalingen in de Spoorwegwet en de Wet personenvervoer 2000. De meeste artikelen en artikelonderdelen van die wet zijn reeds op 1 juli 2015 en 1 december 2015 in werking getreden1.

Het onderhavige koninklijk besluit voorziet in de inwerkingtreding van de artikelonderdelen die niet op de in de vorige zin genoemde data in werking zijn getreden en daarmee samenhangende onderdelen in algemene maatregelen van bestuur, opgenomen in het Besluit bijzondere spoorwegen (Stb. 2015, 267). Het betreft artikel I, onderdelen Oa, Ob, K, L, M en N, van de Wet en de artikelen 20 en 22 van het Besluit bijzondere spoorwegen.

2. Regels over veiligheidscertificaat

De onderdelen Oa en Ob van artikel I van de Wet hebben betrekking op het veiligheidscertificaat als genoemd in artikel 27, tweede lid, onderdeel b, van de Spoorwegwet. Ter uitwerking van deze onderdelen van de Wet zijn in het Besluit bedrijfsvergunning en veiligheidscertificaat hoofdspoorwegen drie nieuwe artikelen opgenomen, artikelen 16b, 16c en 16d. Die nieuwe artikelen van het Besluit bedrijfsvergunning en veiligheidscertificaat hoofdspoorwegen zijn opgenomen in artikel 20 van het Besluit bijzondere spoorwegen. Het onderhavige koninklijk besluit voorziet tevens in de inwerkingtreding van genoemd artikel van het Besluit bijzondere spoorwegen.

Onderdeel Oa van artikel I voorziet in een delegatiegrondslag in het derde lid van artikel 27 van de Spoorwegwet. Op grond van dat lid kan bij algemene maatregel van bestuur (hierna: amvb) vrijstelling worden verleend van de verplichting om een bedrijfsvergunning, dan wel een veiligheidscertificaat als genoemd in het tweede lid van artikel 27 van de Spoorwegwet te hebben. Aan deze vrijstelling kunnen voorwaarden en beperkingen worden verbonden. Een voorwaarde is dat een spoorwegonderneming die vrijgesteld is van de verplichting om over een veiligheidscertificaat te beschikken, wel moet beschikken over een bij die organisatie passend veiligheidsbeheersysteem. Dat veiligheidsbeheersysteem zal moeten voldoen aan de eisen opgenomen in de Regeling aanvraag veiligheidscertificaat en eisen veiligheidsbeheersysteem hoofdspoorwegen (Stcrt. 2016, 29319). Deze regeling treedt in werking op hetzelfde tijdstip als waarop artikel 20 van het Besluit bijzondere spoorwegen in werking treedt.

Onderdeel Ob van artikel I wijzigt artikel 32 van de Spoorwegwet. Met deze wijziging is de mogelijkheid gecreëerd om voor bepaalde bij amvb aangewezen grensbaanvakken minder strenge eisen aan het veiligheidscertificaat toe te staan.

De onderdelen Oa en Ob van artikel I van de Wet, artikel 20 van het Besluit bijzondere spoorwegen en de Regeling aanvraag veiligheidscertificaat en eisen veiligheidsbeheersysteem hoofdspoorwegen treden door het eerste lid van het artikel van het onderhavige besluit in werking op 1 juli 2016.

Met de inwerkingtreding met ingang van 1 juli 2016 van de regelgeving, genoemd in de vorige zin, is voldaan aan het beleid inzake de vaste verandermomenten. Enkel voor de Regeling aanvraag veiligheidscertificaat en eisen veiligheidsbeheersysteem hoofdspoorwegen, gepubliceerd in de Staatscourant van 7 juni 2016, is de verplichte invoeringstermijn van twee maanden niet volledig in acht genomen. Inwerkingtreding van deze regeling is noodzakelijk om de in de artikelen 16b en 16c van het Besluit bedrijfsvergunning en veiligheidscertificaat hoofdspoorwegen opgenomen mogelijkheden tot vrijstelling van kracht te laten worden.

3. Inwerkingtreding regels over omgevingsregime

Met het tweede lid van het artikel van het onderhavige besluit is voorzien in de inwerkingtreding met ingang van 1 oktober 2016 van artikel I, onderdelen K, L, M en N, van de Wet over het publiekrechtelijke vergunningenstelsel inzake het omgevingsregime omtrent de hoofdspoorwegen. Met artikel 22 van het Besluit bijzondere spoorwegen is ter uitwerking van dat publiekrechtelijke vergunningenstelsel het Besluit spoorweginfrastructuur gewijzigd en zijn er ter nadere uitwerking van dat stelsel bij ministeriële regeling nadere regels gesteld, de Regeling omgevingsregime hoofdspoorwegen. Om voor deze regeling de verplichte invoeringstermijn van twee maanden volledig in acht te kunnen nemen, is gekozen voor de inwerkingtredingsdatum van 1 oktober 2016 voor de nieuwe bepalingen over het publiekrechtelijke vergunningenstelsel inzake het omgevingsregime.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma