Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2014, 539AMvB

Besluit van 15 december 2014, houdende vaststelling van voorschriften met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van bestaande bouwwerken in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES Bouwbesluit)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 28 oktober 2014, nr. 2014-0000551251 CZW;

Gelet op de artikelen 2.2, tweede lid, onderdeel b, 2.3, eerste en tweede lid, 2.4, tweede lid, 2.7 en 10.9 van de Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES en 2 en 120 van de Woningwet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 december 2014, nr.W04.14.0392/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 10 december 2014, nr. 2014-0000662488, CZW;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

§ 1.1 Algemeen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

wet:

Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES.

§ 1.2 Toepassingbereik voorschriften

Artikel 1.2 Nieuwbouw en bestaande bouw
  • 1. Op het bouwen van een bouwwerk zijn de hoofdstukken 2 tot en met 4 van toepassing.

  • 2. Op een bestaand bouwwerk is hoofdstuk 5 van toepassing.

Artikel 1.3 Verbouw

Op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de hoofdstukken 2 tot en met 4 van toepassing. Het bestuurscollege kan hiervan ontheffing verlenen.

§ 1.3 Aanvraagprocedure bouwvergunning

Artikel 1.4 Aanvraagprocedure bouwvergunning
  • 1. Een aanvraag om bouwvergunning wordt ingediend door middel van een formulier dat door het bestuurscollege van het openbare lichaam waarin het bouwwerk is of zal zijn gelegen aan de aanvrager ter beschikking wordt gesteld.

  • 2. Het in het eerste lid bedoelde formulier bevat:

    • de naam, het adres en de woonplaats van de aanvrager, alsmede het elektronisch adres van de aanvrager, indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend;

    • het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van het project;

    • een omschrijving van de aard en omvang van het project;

    • overige gegevens en bescheiden voor zover dit door het bestuurscollege is bepaald.

  • 3. Het in het eerste lid bedoelde formulier wordt ingediend bij het bestuurscollege van het openbare lichaam waarin het bouwwerk is of zal zijn gelegen.

  • 4. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.10, onderdelen a en e, van de wet, kan de aanvrager binnen 30 dagen de ontbrekende gegevens en bescheiden, bedoeld in het tweede lid, alsnog verstrekken.

  • 5. Het in het eerste lid bedoelde formulier en de daarbij ingevolge het bepaalde bij en krachtens dit besluit te verstrekken gegevens en bescheiden worden ingediend in een door het bestuurscollege te bepalen veelvoud dat ten hoogste drie bedraagt.

  • 6. Voor de indiening van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid is door de verzoeker een vergoeding aan het openbare lichaam verschuldigd. Deze vergoeding wordt bij eilandsverordening vastgesteld.

  • 7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent het in dit artikel bepaalde.

§ 1.4 Vergunningsvrij bouwen

Artikel 1.5 Bouwen van beperkte betekenis

Als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel b, van de wet wordt aangemerkt:

  • a. bouwwerkzaamheden van geringe omvang;

  • b. bouwwerkzaamheden die het bestuurscollege aanmerkt als bouwwerkzaamheden van beperkte betekenis en

  • c. onderhoud dat noodzakelijk is om onmiddellijk gevaar of ernstige schade af te wenden.

§ 1.5 Melding en vergunning brandveilig gebruik

Artikel 1.6 Melding en vergunning brandveilig gebruik
  • 1. Het is verboden om zonder of in afwijking van een gebruiksmelding:

    • a. een bouwwerk in gebruik te nemen of te gebruiken indien daarin meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn, en

    • b. een woning in gebruik te nemen of te gebruiken voor kamergewijze verhuur aan meer dan vier personen.

  • 2. Het is verboden om zonder of in afwijking van de gebruiksvergunning een bouwwerk in gebruik te nemen of te gebruiken indien in dit bouwwerk bedrijfsmatig of in het kader van verzorging:

    • a. nachtverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10 personen, of

    • b. dagverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar of meer dan 10 lichamelijk of verstandelijk gehandicapte personen.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk waarvoor een in het tweede lid bedoelde vergunning is vereist.

  • 4. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op het in gebruik nemen of gebruiken van een woning.

  • 5. Het bestuurscollege toetst een gebruiksmelding of een aanvraag om gebruiksvergunning als bedoeld in dit artikel aan het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk 5.

  • 6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent het in dit artikel bepaalde.

HOOFDSTUK 2 TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN UIT HET OOGPUNT VAN VEILIGHEID

§ 2.1 Constructieve veiligheid

Artikel 2.1 Constructieve veiligheid bij algemene belastingcombinaties

Een bouwwerk heeft een constructie die voldoende bestand is tegen de gecombineerde permanente belasting, veranderlijke belasting en wind.

Artikel 2.2 Constructieve veiligheid bij buitengewone belastingcombinaties

Een bouwwerk heeft een constructie die niet disproportioneel bezwijkt door de gecombineerde permanente belasting, veranderlijke belasting en de relevante incidentele belastingen.

Artikel 2.3 Constructieve veiligheid bij brand

Een bouwwerk heeft een constructie die zodanig is dat het bouwwerk bij brand gedurende redelijke tijd kan worden verlaten en doorzocht, zonder dat er gevaar voor instorting is.

§ 2.2 Gebruiksveiligheid

Artikel 2.4 Afscheiding van vloer, trap en hellingbaan

Een bouwwerk heeft voorzieningen waardoor het vallen van personen van een vloer, een trap of een hellingbaan zo veel mogelijk wordt voorkomen.

Artikel 2.5 Overbruggen van hoogteverschillen

Een bouwwerk heeft voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen door personen.

§ 2.3 Veiligheid gebouwinstallaties

Artikel 2.6 Energie

Een voorziening van een bouwwerk voor het afnemen en gebruiken van energie is veilig.

§ 2.4 Brandveiligheid

Artikel 2.7 Ontwikkeling van brand en rook

Een bouwwerk is zodanig dat brand en rook niet snel ontstaan en zich niet snel kunnen ontwikkelen.

Artikel 2.8 Beperking van uitbreiding van brand

Een bouwwerk is zodanig dat de kans op een snelle uitbreiding van brand voldoende wordt beperkt.

Artikel 2.9 Beperking van verspreiding van rook

Een bouwwerk is zodanig dat verspreiding van rook voldoende wordt beperkt.

Artikel 2.10 Vluchtroutes bij brand

Een bouwwerk heeft zodanige vluchtroutes dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.

Artikel 2.11 Noodverlichting

Een bouwwerk heeft een zodanige verlichtingsinstallatie dat het bouwwerk veilig kan worden verlaten.

Artikel 2.12 Brandmeldinstallaties

Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat brand tijdig kan worden ontdekt zodat veilig kan worden gevlucht.

Artikel 2.13 Voorzieningen voor vluchten

Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat het vluchten tijdig kan beginnen.

Artikel 2.14 Voorzieningen bestrijding van brand

Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de bestrijding van brand, dat brand binnen een redelijke tijd kan worden bestreden.

Artikel 2.15 Bereikbaarheid hulpverleningsdiensten

Een bouwwerk is zodanig bereikbaar voor hulpverleningsdiensten dat tijdig bluswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en hulp kan worden verleend.

HOOFDSTUK 3 TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN UIT HET OOGPUNT VAN GEZONDHEID

§ 3.1 Binnenmilieu

Artikel 3.1 Toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rookgas

Een bouwwerk met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel heeft zodanige voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas, dat een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.

§ 3.2 Voorzieningen

Artikel 3.2 Watervoorziening

Een voorziening voor drinkwater of warm water van een bouwwerk beïnvloedt de gezondheid niet nadelig.

Artikel 3.3 Afvoervoorziening

Een bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd.

HOOFDSTUK 4 TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN UIT HET OOGPUNT VAN BRUIKBAARHEID

Artikel 4.1 Toegankelijkheid

Een voor publiek toegankelijk bouwwerk heeft, afhankelijk van de bestemming en voor zover dit technisch en economisch haalbaar is, voorzieningen waarmee het voor publiek toegankelijke deel van dit bouwwerk toegankelijk is voor mindervaliden.

HOOFDSTUK 5 VOORSCHRIFTEN INZAKE HET GEBRUIK VAN BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN

Artikel 5.1 Voorkomen van brandgevaar en ontwikkeling van brand

Het gebruik van een bouwwerk, open erf of terrein is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand wordt voorkomen.

Artikel 5.2 Veilig vluchten bij brand

Het gebruik van een bouwwerk is zodanig dat bij brand veilig kan worden gevlucht.

Artikel 5.3 Overige bepaling veilig en gezond gebruik

Het gebruik van een bouwwerk, open erf of terrein is zodanig dat hinder, gezondheidsrisico’s en andere veiligheidsrisico’s dan brandveiligheidsrisico’s voor personen in voldoende mate worden beperkt.

HOOFDSTUK 6 BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel 6.1 Aanschrijving

Indien de staat of het gebruik van een bestaand bouwwerk tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, kan het bestuurscollege degene die als eigenaar dan wel uit andere hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan dat bouwwerk verplichten tot het binnen een door het bestuurscollege te bepalen termijn treffen van dusdanige voorzieningen dat er geen sprake meer kan zijn van gevaar voor de gezondheid of veiligheid.

Artikel 6.2 Nadere voorschriften

Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent het bepaalde in de hoofdstukken 2 tot en met 5 en artikel 6.1.

HOOFDSTUK 7 WIJZIGING BOUWBESLUIT 2012

Artikel 7.1

In artikel 5.6 van het Bouwbesluit 2012 wordt «eerste tot en met vierde lid» telkens vervangen door: eerste tot en met zevende lid.

HOOFDSTUK 8 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 8.1 Overgangsrecht

Met betrekking tot een aanvraag om bouwvergunning of gebruiksvergunning, of een gebruiksmelding, ingediend of gedaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, alsmede met betrekking tot enig bezwaar of beroep, ingesteld tegen een beslissing omtrent een dergelijke aanvraag of melding, blijft het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend of de melding werd gedaan van toepassing.

Artikel 8.2 Inwerkingtreding

  • 1. Dit besluit, met uitzondering van artikel 7.1, treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

  • 2. Artikel 7.1 treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.

Artikel 8.3 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: BES Bouwbesluit.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 15 december 2014

Willem-Alexander

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

Uitgegeven de tweeëntwintigste december 2014

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

I Algemeen

1. Inleiding

In dit BES Bouwbesluit zijn voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: BES-eilanden) de voorschriften met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk opgenomen. De grondslag voor deze voorschriften is opgenomen in hoofdstuk 2 van de Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES (hierna: de wet). De directe aanleiding voor het vaststellen van dit besluit is de transitie per 10 oktober 2010 van de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba van de Nederlandse Antillen naar openbare lichamen. Op grond van artikel 2 van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Invoeringswet BES) is tot het moment van inwerkingtreding van dit besluit het recht van toepassing dat op de BES-eilanden gold op de datum van de transitie. Dat zijn de zogenoemde voormalige Nederlands-Antilliaanse regelingen. Andere regelgeving is alleen op de BES-eilanden van toepassing voor zover dat uitdrukkelijk in die regelgeving is bepaald. Dit is niet het geval voor het Nederlandse Bouwbesluit 2012. Voor het niet van toepassing verklaren van het Nederlandse Bouwbesluit 2012 is gekozen omdat die regelgeving niet aansluit op de specifieke bouwomstandigheden en de kleinschaligheid van de BES-eilanden.

2. Hoofdlijnen van het besluit

Het besluit bevat technische voorschriften voor nieuwbouw. Voor de onderwerpen en de systematiek is daarbij zoveel mogelijk gekeken naar het Nederlandse Bouwbesluit 2003. De voorschriften zijn evenals in het Nederlandse Bouwbesluit zogenoemde functionele voorschriften. Een functioneel voorschrift geeft als het ware een kader waaraan een bouwwerk voor een bepaald aspect, zoals bijvoorbeeld constructieve veiligheid bij algemene belastingscombinaties, moet voldoen. De verdere invulling van deze functionele voorschriften is in het kader van de legislatieve terughoudendheid overgelaten aan de eilanden. Hiermee kan bovendien recht worden gedaan aan de verschillende bouwomstandigheden tussen de eilanden. De windbelasting op de bovenwindse eilanden is bijvoorbeeld groter dan op de benedenwindse Eilanden. Zie ook hierna.

De in dit besluit opgenomen technische voorschriften gelden voor het bouwen van een bouwwerk, oftewel voor nieuwbouw. Voor bestaande bouw gelden alleen gebruiksvoorschriften. Daarnaast is er een aanschrijvingsbepaling opgenomen. Als het risico bestaat dat er als gevolg van de slechte staat van een bestaand bouwwerk of van het gebruik van een dergelijk bouwwerk gevaar voor gezondheid en veiligheid ontstaat kan het bestuurscollege de eigenaar verplichten voorzieningen te treffen (artikel 6.1).

De niet-technische onderwerpen zijn in hoofdstuk 1 Algemene bepalingen, hoofdstuk 6, Bijzondere bepalingen en hoofdstuk 8, Overgangs- en slotbepalingen, opgenomen.

De technische onderwerpen zijn onderverdeeld in de volgende hoofdstukken:

Hoofdstuk 2: technische voorschriften uit het oogpunt van veiligheid;

Hoofdstuk 3: technische voorschriften uit het oogpunt van gezondheid;

Hoofdstuk 4: technische voorschriften uit het oogpunt van bruikbaarheid;

Hoofdstuk 5: technische voorschriften inzake het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen.

3. Invulling legislatieve terughoudendheid

Uitgangspunt van de legislatieve terughoudendheid

Bij brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 december 2011 aan de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken 2011/2012, 33 000, VII) is ingegaan op de de legislatieve terughoudendheid bij invoering van nieuwe regelgeving voor de BES-eilanden. «Vooropgesteld zij, dat «legislatieve terughoudendheid» niet betekent dat er in het geheel geen nieuwe regelgeving kan worden ingevoerd. Ten eerste zal de nu bestaande wetgeving moeten worden onderhouden en moet het mogelijk zijn eventuele noodzakelijke verbeteringen aan te brengen. Ten tweede moet het uitgangspunt van de legislatieve terughoudendheid er niet aan in de weg staan dat nieuwe wetgeving tot stand komt die ertoe bijdraagt dat eventuele misstanden worden opgelost.» Met deze uitgangspunten is in dit besluit rekening gehouden.

Invulling legislatieve terughoudendheid bij niet-technische onderwerpen

In december 2012 is door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: ministerie van BZK) een projectplan opgesteld met betrekking tot dit besluit. Dit projectplan is opgesteld aan de hand van een vragenlijst een inventarisatie naar de wensen van de BES-eilanden met betrekking tot de te regelen niet-technische onderwerpen. De vragenlijst is gebaseerd op een vergelijking van de lokale bouwregelgeving Op basis van de antwoorden is gebleken dat de regelgeving op hoofdlijnen veel overeenkomsten bevat. In de uitvoering van niet-technische onderwerpen zijn er meer verschillen. Als een voorbeeld hierbij kan de bouwvergunningprocedure worden genoemd. Bij de uitvoering van «vergunningvrij bouwen» bestaan de nodige uitvoeringsverschillen tussen de BES-eilanden. Op Bonaire is sprake van een meldingsplicht aan de bouwdirectie, terwijl op Saba en Sint Eustatius in een dergelijk geval een bezoek plaatsvindt ter bespreking van de bouwplannen met de bouwdirectie. Om recht te doen aan deze verschillen is ervoor gekozen om ten aanzien van de niet-technische onderwerpen slechts de hoofdlijnen te regelen. De invulling van de niet-technische onderwerpen wordt aan het bestuurscollege van de BES-eilanden zelf overgelaten door het stellen van beleidsregels.

Invulling legislatieve terughoudendheid bij technische onderwerpen

Met betrekking tot de technische onderwerpen is als hiervoor reeds aangegeven, ervoor gekozen deze op te stellen in de vorm van zogenoemde functionele eisen.

Voorbeeld:
Artikel 2.1 Constructieve veiligheid bij algemene belastingcombinaties

Een bouwwerk heeft een bouwconstructie die voldoende bestand is tegen de gecombineerde permanente belasting, veranderlijke belasting en wind.

De functionele eis van artikel 2.1 is dat een bouwwerk voldoende bestand is tegen gecombineerde permanente belasting, veranderlijke belasting en wind. Het is aan het bestuurscollege overgelaten om door middel van beleidsregels aan te geven wanneer er voldaan wordt aan desbetreffende functionele eis. Met andere woorden de prestatie-eisen van de verschillende technische voorschriften worden door de bestuurscolleges van de BES-eilanden per eiland nader ingevuld via beleidsregels. Het bestuurscollege mag uitsluitend prestatie-eisen stellen op basis van de in dit besluit opgenomen functionele eisen.

Als beleidsregels kunnen dan bijvoorbeeld onderdelen van de oude bouwverordening van de BES-eilanden gelden of andere reeds als informeel geldende beoordelingsdocumenten. Tot de inwerkingtreding van dit besluit wordt de zogenoemde BES-code als beoordelingsdocument (vaste gedragslijn) gebruikt voor het aspect «constructieve veiligheid» door de bestuurscolleges van de BES-eilanden. De BES-code bevat uitgangspunten voor de constructieve veiligheid. Voorts zijn de grondslagen voor ontwerp, berekening en toetsing in deze code omschreven. De BES-code is in december 2010 in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties opgesteld. Na het in werking treden van dit besluit kan de BES-code, als formeel toepasselijke beleidsregel ter beoordeling van het aspect «constructieve veiligheid» gelden. Het voornemen is voor het in werking treden van dit besluit technische ondersteuning te bieden aan de BES-eilanden om de beleidsregels vast te stellen.

Consultatie

Bij de totstandkoming van dit besluit is het ontwerp in oktober 2013 ter consultatie voorgelegd aan de openbare lichamen van Caribisch Nederland. Bij deze consultatie is een termijn van drie maanden aangehouden. Met de eilanden heeft op basis van het ontwerp overleg plaatsgevonden. Er is veelsoortig commentaar gegeven. In het algemeen hechten de eilanden eraan zoveel mogelijk een eigen invulling aan de voorschriften van dit besluit te kunnen geven. Met deze wens is zoveel mogelijk rekening gehouden. De belangrijkste punten die aan de orde kwamen: In de consultatieversie van het besluit werd nog uitgegaan van het bij ministeriële regeling vastleggen van een formulier voor de aanvraag om bouwvergunning. Deze bevoegdheid ligt nu bij het bestuurscollege. Ook het voorschrift met betrekking tot het bouwen van beperkte betekenis (artikel 1.5) is zo aangepast dat hier een grotere beleidsvrijheid bij het bestuurscollege is neergelegd. Verder is op expliciet verzoek na de consultatieversie een functionele eis opgenomen met betrekking tot toegankelijkheid van voor publiek toegankelijke gebouwen voor invaliden. Het verzoek om in artikel 3.3 niet alleen over het voorkomen van nadelige gevolgen voor de gezondheid maar ook over nadelige gevolgen voor het maritieme milieu te spreken is niet gehonoreerd. Het voorkomen van nadelige gevolgen voor het maritieme milieu valt namelijk niet onder hoofdstuk 2 van de wet, het hoofdstuk dat de grondslag biedt voor dit besluit.

4. Verhouding tot oude landsverordeningen

Niet-technische voorschriften

Bonaire en Sint Eustatius beschikken over een bouw- en woningverordening1, laatstelijk geactualiseerd in 1999 voor Bonaire respectievelijk 1991 voor Sint Eustatius. Saba beschikt over een Building and House Ordinance daterend uit 19992. De opzet van deze regelgeving komt grotendeels overeen en bevat de volgende niet-technische onderdelen: procedures bouwvergunningverlening, regeling over onbewoonbaarverklaring en een regeling voor het vergunningvrij bouwen. Zoals eerder opgemerkt worden slechts de hoofdlijnen van de niet-technische onderwerpen in het eerste hoofdstuk van dit besluit geregeld.

Technische voorschriften

Voor bouwkundige en constructieve voorschriften wordt in artikel 19 van de Bouw- en woningverordening van Bonaire en Sint Eustatius verwezen naar een eilandsbesluit houdende algemene maatregelen. Tot op heden is dit nooit opgesteld, informeel wordt het besluit van 18 september 1935 van de Gouverneur van Curaçao met daarin technische bouwkundige voorschriften gehanteerd. Saba beschikt over een decree van 16 augustus 1999 van hun eilandsraad bevattende technische bouwkundige en constructieve voorschriften.

Beoordelingsdocumenten als vaste gedragslijn

Naast bovengenoemde algemene verbindende voorschriften worden in de praktijk informele documenten gebruikt ter beoordeling van bouwtechnische en constructieve aspecten. Zoals eerder opgemerkt is de BES-code een voorbeeld hiervan. Daarnaast is er sprake van een aantal documenten die door de bestuurscolleges ter beoordeling van de veiligheid en gezondheid bij het bouwen en gebruiken van bouwwerken worden gebruikt. In dit kader kunnen de volgende beoordelingsdocumenten worden genoemd:

  • Brandveilig bouwen van woningen

  • Brandveilig bouwen van utiliteitsgebouwen

  • Brandveilig gebruik van gebouwen en inrichtingen

Genoemde documenten zijn in 2005 opgesteld door de Afdeling Bouwen en Infrastructuur van de brandweer Den Haag. In de praktijk wordt bij het verlenen van bouwvergunningen -anders dan voor het bouwen van woningen- het advies van de brandweerdiensten van de BES-eilanden ingewonnen. De brandweerdiensten stellen vervolgens een advies op dat gebaseerd is op de genoemde beoordelingsdocumenten. Dit geeft in de praktijk soms problemen omdat sommige bouwvergunningaanvragers zich op het standpunt stellen dat de genoemde documenten geen rechtsgeldige status hebben. Als gevolg hiervan hadden de brandweerdiensten meer een onderhandelingspositie bij de bouwvergunningverlening in plaats dat zij duidelijke afdwingbare aanwijzingen konden geven. Als genoemde documenten bij het inwerkingtreden van dit besluit als beleidsregels zijn vastgesteld is dit probleem voorbij.

5. Ministeriële verantwoordelijkheid

Bij het vaststellen van regelgeving die toepasselijk is op de BES-eilanden kan spanning bestaan tussen de legislatieve terughoudendheid en de ministeriële verantwoordelijkheid. Op grond van de wet zijn de bestuurscolleges bevoegd tot het verlenen van bouwvergunningen, respectievelijk gebruiksvergunningen. Ook een gebruiksmelding moet aan het bestuurscollege worden gedaan. In dit verband heeft de wetgever de primaire zorgplicht ter verlening van bouwvergunningen bij de bestuurscolleges neergelegd. In dit besluit zijn slechts technische functionele eisen als randvoorwaarden gesteld ter toetsing van de aanvragen om bouw- en gebruiksvergunningen. De bestuurcolleges beschikken daardoor over een grote beleidsvrijheid bij het vaststellen van de technische prestatie-eisen.

Zoals reeds opgemerkt zal voor het in werking treden van dit besluit technische ondersteuning worden geboden bij het opstellen van de beleidsregels. Voor het geval dat dit toch nodig mocht blijken is in artikel 6.2 de bevoegdheid opgenomen om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen over de voorschriften opgenomen in de hoofdstukken 2 tot en met 5 en over artikel 6.1.

6. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, juridisch

Op grond van artikel 1.1, eerste lid van de wet wordt onder «bouwen» verstaan: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. Op grond van artikel 2.2, eerste lid, onder a, van de wet is het verboden om zonder door het bestuurscollege verleende bouwvergunning te bouwen. Op grond van artikel 2.10, onder a, van de wet moet een bouwvergunning worden geweigerd indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden, het naar oordeel van het bestuurscollege niet aannemelijk maken dat het bouwen van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2.3 van de wet. De voorschriften waarop in dat artikelonderdeel wordt gedoeld, zijn de voorschriften die in dit besluit over het bouwen van bouwwerken zijn opgenomen. Uit genoemde artikelen van de wet vloeit voort dat de bouwvergunning moet worden geweigerd indien het bouwen waarvoor vergunning wordt gevraagd niet voldoet aan de voorschriften die in dit besluit zijn opgenomen in de hoofdstukken 2 tot en met 4.

Overigens zijn niet alle bouwactiviteiten vergunningplichtig. Op grond van artikel 2.2, tweede lid, onder a, van de wet wordt het bouwen dat tot normaal onderhoud behoort als vergunningvrije activiteit aangemerkt. Daarnaast bevat onderdeel b van artikel 2.2, tweede lid, van de wet een wettelijke grondslag om bij algemene maatregel van bestuur gevallen aan te merken als gevallen waarin het bouwen van beperkte betekenis is waarvoor geen bouwvergunning nodig is. Dit is uitgewerkt in artikel 1.5, bouwen van beperkte betekenis, van dit besluit. Ongeacht of daarvoor een vergunning is vereist dan wel dat het bouwen vergunningvrij is moet bij nieuwbouw worden voldoen aan de voorschriften die in de hoofdstukken 2 tot en met 4 van dit besluit over het bouwen zijn opgenomen. Indien door de bestuurscolleges geconstateerd wordt dat een bepaalde bouwactiviteit in strijd is met de voorschriften uit de hoofdstukken 2 tot en met 4 van dit besluit, kunnen zij behalve betrokkene aanschrijven een last onder bestuursdwang hetzij een last onder dwangsom opleggen. Een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom op basis van artikel 10.4 van de wet kan mede inhouden dat het bouwen, gebruik of slopen wordt gestaakt dan wel dat voorzieningen worden getroffen, met inbegrip van het slopen van een bouwwerk, gericht op het tegengaan van gevaar voor de gezondheid of de veiligheid. Zie ook artikel 6.1 van dit besluit.

7. Administratieve lasten

Het inhoudelijke toetsingkader ter verlening van bouwvergunningen zal vergeleken met de praktijk voor de invoering van dit besluit grotendeels ongewijzigd kunnen blijven. Bepaalde onderdelen van de oude bouwregelgeving en reeds in de praktijk toegepaste informele beoordelingsdocumenten blijven als toetsingskader gelden, echter in een andere gedaante. Deze gelden na inwerkingtreden van dit besluit als prestatie-eisen ten aanzien van de functionele eisen geregeld in dit besluit. Als eerder aangegeven moeten deze prestatie-eisen daartoe door de bestuurscolleges als beleidsregels worden vastgesteld. Ook wat betreft de niet-technische onderwerpen is na in het werking treden van dit besluit in principe sprake van voorschriften, die wat betreft inhoud niet of nauwelijks zullen verschillen met de niet-technische voorschriften van vóór in werking treden van dit besluit. Dit besluit zal derhalve in vergelijking met de administratieve lasten en nalevingskosten op grond van de oude regelgeving niet tot een verhoging leiden.

8. Voorhang

Het ontwerpbesluit is overeenkomstig artikel 2.13 van de wet aan beide Kamers der Staten- Generaal gezonden, alvorens de voordracht heeft plaatsgevonden. Op deze voorhang is geen reactie ontvangen.

II Artikelsgewijs

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.2 Nieuwbouw en bestaande bouw

In het eerste lid is bepaald dat op het bouwen van een bouwwerk de technische voorschriften van de hoofdstukken 2 tot en met 4 van toepassing zijn. In het tweede lid is bepaald dat op een bestaand bouwwerk alleen de gebruiksvoorschriften van hoofdstuk 5 van toepassing zijn.

In dit besluit worden aan een bestaand bouwwerk geen technische voorschriften gesteld. Op grond van 6.1 kan de eigenaar van een bestaand bouwwerk dat gevaar voor gezondheid of veiligheid kan opleveren worden verplicht tot het treffen van voorzieningen. Zie ook de toelichting op genoemd artikel.

Ook indien sprake is van een bestaand bouwwerk dat illegaal gebouwd is of niet conform een verleende bouwvergunning dan kan het eilandbestuur handhavend optreden op basis van artikel 10.4 van de wet.

Artikel 1.3 Verbouw

Artikel 1.3 bevat een voorschrift voor verbouw. Bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk zijn de nieuwbouwvoorschriften van de hoofdstukken 2 tot en met 4 van toepassing, tenzij daarvan ontheffing is verleend door het bestuurscollege. Artikel 1.3 is alleen van toepassing op het desbetreffende verbouwen en niet op het gedeelte van het bouwwerk dat niet wordt verbouwd. Het bestuurscollege kan ontheffing van het nieuwbouwniveau verlenen zodat kan worden aangesloten bij de bestaande kwaliteit van een bouwwerk. De te verbouwen delen hoeven dan niet te voldoen aan het nieuwbouwniveau, maar kunnen volstaan met (lagere) niveau van het te verbouwen bouwwerk.

Artikel 1.4 Aanvraagprocedure

In artikel 1.4 zijn de randvoorwaarden voor de aanvraagprocedure voor een bouwvergunning opgenomen. De Bes-eilanden kennen ook tot inwerkingtreding van dit besluit een grotendeels identieke procedure. Een aanvraag wordt gedaan bij de bouwdirecties van de openbare lichamen. Bij indiening wordt een volledigheidscontrole uitgevoerd. Indien de aanvraag compleet is, volgt de inhoudelijke toetsing. Afhankelijk van de omvang van het bouwproject wordt de aanvraag intern gestuurd aan andere afdelingen zoals Hygiëne en Brand. Er worden bouwleges geheven. Na de inhoudelijke toetsing wordt een advies voor het bestuurscollege afkomstig van de bouwdirectie opgesteld. Vervolgens volgt behandeling van de aanvraag door het bestuurscollege dat zich baseert op het advies van de bouwdirectie. Indien er positief geadviseerd is met betrekking tot de aanvraag volgt in de regel vergunningverlening door het bestuurscollege.

De in artikel 1.4 opgenomen randvoorwaarden behoeven niet of nauwelijks tot wijzigingen in deze procedure te leiden. In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag om een bouwvergunning wordt gedaan door middel van een formulier dat ter beschikking wordt gesteld door het bestuurscollege van het openbare lichaam waarin het bouwwerk is of zal zijn gelegen. In het tweede lid, is bepaald welke gegevens het aanvraagformulier tenminste moet bevatten. Naast de basisgegevens zoals naam en adres zijn dat overige gegevens en bescheiden voor zover het bestuurscollege dat heeft bepaald. Het derde lid bepaalt dat het formulier moet worden ingediend bij het bestuurscollege van het desbetreffende eiland.

Het toetsingskader is niet in dit besluit opgenomen, maar volgt rechtstreeks uit de wet. Er moet getoetst worden aan het bepaalde bij of krachtens artikel 2.10 van de wet. Dit betekent in de praktijk dat er moet worden gekeken of is voldaan aan de functionele eisen van de hoofdstukken 2 tot en met 4 van dit besluit, en of is voldaan aan de welstandsnota. Daarnaast moet worden nagegaan of er geen sprake is van strijd met een zogenoemd ontwikkelingsplan (artikel 7 van de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES) en of er wellicht een monumentenvergunning nodig is. Ook moet aannemelijk zijn gemaakt dat aan de bouwverordening (artikel 2.4 van de wet) is voldaan. Als dit allemaal in orde is moet de bouwvergunning worden verleend.

Op grond van het vierde lid mag de aanvrager eventuele ontbrekende gegevens alsnog binnen een herstel termijn van 30 dagen verstrekken. In het vijfde lid is bepaald dat het aanvraagformulier alsmede de daarbij over te leggen gegevens en bescheiden in een door het bestuurscollege te bepalen veelvoud wordt ingediend. Het maximum van 3 sluit aan bij de aanvraagprocedure op de BES-eilanden voor de inwerkingtreding van dit besluit. In het zesde lid is bepaald dat de aan het openbare lichaam verschuldigde leges door ieder eiland afzonderlijk bij eilandsverordening wordt vastgesteld. Het zevende lid maakt het mogelijk dat er nadere voorschriften bij ministeriële regeling kunnen worden gegeven omtrent het in dit artikel bepaalde. Dit betekent dat dan bijvoorbeeld ook nadere voorschriften kunnen worden gegeven omtrent het elektronisch indienen van een aanvraag. Op de BES-eilanden bestaat thans nog niet de mogelijkheid tot het elektronisch indienen van aanvragen. Bonaire heeft aangegeven om op termijn te willen overgaan op het elektronisch indienen. De vangnetbepaling van dit zevende lid zal alleen gebruikt worden wanneer het in de toekomst op enig moment noodzakelijk mocht blijken om nadere voorschriften met betrekking tot het in artikel 1.4 gestelde te geven.

Artikel 1.5 Bouwen van beperkte betekenis

In artikel 2.2, tweede lid, van de wet worden de bouwvergunningvrije activiteiten geregeld. In artikel 2.2, tweede lid, onderdeel a, is bepaald dat er geen bouwvergunning vereist is voor het bouwen dat tot normaal (regulier) onderhoud behoort. Daarnaast bevat artikel 2.2, onderdeel b, van de wet de grondslag om in dit besluit gevallen als bouwen van beperkte betekenis aan te merken waarvoor tevens geen bouwvergunning vereist is. In artikel 1.5 zijn ter uitwerking van dit onderdeel b drie categorieën opgenomen:

  • a. bouwwerkzaamheden van geringe omvang;

  • b. bouwwerkzaamheden die het bestuurscollege aanmerkt als bouwwerkzaamheden van beperkte betekenis;

  • c. onderhoud (bouwen) dat noodzakelijk is om onmiddellijk gevaar of ernstig schade af te wenden.

Wat precies bouwwerkzaamheden van geringe omvang zijn, kan van geval tot geval worden beoordeeld. Dit kan zowel bouwwerkzaamheden betreffen die betrekking hebben op een geringe oppervlakte (bijvoorbeeld 10 m2) als wel geringe werkzaamheden die betrekking hebben op een grotere oppervlakte (bijvoorbeeld het aanbrengen van een nieuwe toplaag op het dak). Om onduidelijkheden te voorkomen kan het bestuurscollege werkzaamheden aanwijzen die altijd worden beschouwd als bouwwerkzaamheden van beperkte betekenis.

Artikel 1.6 Melding en vergunning brandveilig gebruik

In artikel 1.6, eerste lid, onderdeel a, is bepaald dat het verboden is om zonder of in afwijking van een gebruiksmelding een bouwwerk in gebruik te nemen of te gebruiken indien daar meer dan 50 personen tegelijk aanwezig kunnen zijn. Dit betekent bijvoorbeeld dat het gebruik van een winkel van enige omvang of van een horecagelegenheid moet worden gemeld. Op grond van het vierde lid is het eerste lid onderdeel a, niet van toepassing op woningen. Dit betekent dat het bijvoorbeeld niet nodig is om een tuinfeest waarbij meer dan 50 personen aanwezig zijn te melden. Op grond van het eerste lid, onderdeel b, moet zodra er sprake is van verhuur van kamers aan in totaal meer dan vier personen, dit is dus iets anders dan verhuur van meer dan vier kamers, dit gemeld worden door de eigenaar of hoofdhuurder van de woning. De melding op grond van het eerste lid moet vóór het in gebruik nemen plaatsvinden.

Op grond van het tweede lid is een gebruiksvergunning nodig wanneer een bouwwerk bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal bieden aan meer dan 10 personen (onderdeel a)of dagverblijf aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar of dagverblijf aan meer dan 10 lichamelijk of verstandelijk gehandicapte personen (onderdeel b). Op grond van onderdeel a is het bijvoorbeeld nodig om voor een pension, waar meer dan 10 personen kunnen verblijven, een gebruiksvergunning aan te vragen. Voor een incidentele overnachting van meer dan 10 personen, bijvoorbeeld een schoolkamp is geen vergunning nodig. Op grond van onderdeel b, is het bijvoorbeeld nodig om voor een kinderdagverblijf een gebruiksvergunning aan te vragen, evenals voor dagopvang van gehandicapten ongeacht de leeftijd. De gebruiksvergunning moet voor het daadwerkelijk in gebruik nemen zijn verkregen. Op grond van het derde lid is het niet nodig om een melding op basis van het eerste lid te doen als er al een vergunning is vereist op grond van het tweede lid. Op grond van het vijfde lid is het inhoudelijk toetsingskader voor de melding of voor de beoordeling van de vergunningaanvraag het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk 5. Het zesde lid maakt het mogelijk dat bij ministeriële regeling nadere voorschriften worden gesteld voor het geval op enig moment zou blijken dat de uitvoering van het bepaalde in artikel 1.6 daartoe aanleiding geeft.

Hoofdstuk 2 Technische voorschriften uit het oogpunt van veiligheid

Artikel 2.1 Constructieve veiligheid bij algemene belastingcombinaties

Het doel van dit artikel is te waarborgen dat een constructie van een bouwwerk bestand is tegen de algemene krachten die op die constructie werken. Hierbij moet worden uitgegaan van alle mogelijk gelijktijdig optredende permanente belastingen, veranderlijke belasting en windbelasting. Een constructie mag niet bezwijken als gevolg van deze belastingen.

Artikel 2.2 Constructieve veiligheid bij buitengewone belastingcombinaties

Het doel van dit artikel is te waarborgen dat een constructie van een bouwwerk bestand is tegen buitengewone krachten die incidenteel op die constructie kunnen werken. Hierbij moet worden uitgegaan van gelijktijdig optredende permanente belasting, veranderlijke belasting en één van de in het artikel genoemde incidentele belastingen. Een constructie mag niet bezwijken als gevolg van deze belastingen. Bij disproportioneel bezwijken is het toegestaan dat een constructieonderdeel dat direct wordt belast bezwijkt, zolang dit maar niet leidt tot een voortschrijdende instorting. De te beschouwen incidentele belastingen zijn alleen relevant als deze daadwerkelijk kunnen optreden. Zo hoeft alleen met een gasexplosie rekening te worden gehouden als sprake is van een gasinstallatie in het bouwwerk.

Artikel 2.3 Constructieve veiligheid bij brand

Het doel van dit artikel is dat er geen of slechts beperkte voortschrijdende instorting mag plaatsvinden als gevolg van brand. Zodat het bouwwerk bij brand binnen een redelijke tijd worden verlaten en doorzocht door de brandweer.

Artikel 2.4 Afscheiding van vloer, trap en hellingbaan

Het doel van dit artikel is te voorkomen dat mensen van de rand van een vloer, een trap of een hellingbaan kunnen vallen. Dit kan worden bereikt door het aanbrengen van afscheidingen langs randen van vloeren, trappen en hellingbanen. Dit voor zover functioneel mogelijk; langs randen van perrons en kades is bijvoorbeeld een afscheiding niet functioneel. Verder is bij een beperkte valhoogte een afscheiding niet nodig.

Artikel 2.5 Overbrugging van hoogteverschillen

Het doel van dit artikel is dat de hoogteverschillen veilig kunnen worden overbrugd. Dit kan worden gerealiseerd door bij hoogteverschillen een goed begaanbare trap of hellingbaan te eisen.

Artikel 2.6 Energie

Het doel van dit artikel is dat in het bouwwerk installatie voor het afnemen en gebruiken van energie veilig is. Het gaat hier om de elektrische, gas of warmte-installatie in een bouwwerk.

Artikel 2.7 Ontwikkeling van brand en rook

Het doel van dit artikel is dat brand en rook zich in een bouwwerk zich niet makkelijk kunnen ontwikkelen. Voorkomen moet worden dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs het binnenoppervlak van constructieonderdelen respectievelijk dat zich snel te veel rookdichtheid ontwikkelt. Beide aspecten spelen een belangrijke rol bij het veilig kunnen vluchten uit een bouwwerk en het beperken van de ontwikkeling van de omvang van de brand. Gebruikers van een bouwwerk moeten voldoende tijd hebben om het bouwwerk bij brand veilig te verlaten.

Artikel 2.8 Beperking van uitbreiding van brand

De kans op een snelle uitbreiding van brand moet voldoende worden beperkt om een eventuele brand in een bouwwerk beheersbaar te kunnen houden. Met het woord «snelle» is tot uitdrukking gebracht dat de uitbreiding van brand, door de aangebrachte brandscheidingen zodanig moet worden vertraagd dat veilig vluchten mogelijk is. De belangrijkste bouwkundige voorziening daarbij is de brandcompartimentering. Een brandcompartiment is een gedeelte van een bouwwerk bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van brand.

Artikel 2.9 Beperking van verspreiding van rook

Voor het veilig kunnen vluchten uit een bouwwerk bij brand is het nodig dat er voorzieningen worden getroffen om de verspreiding van rook tegen te gaan. Meer in het bijzonder gaat het erom, dat rookvrije vluchtroutes in voldoende mate gevrijwaard blijven van rook gedurende de tijd dat het bouwwerk wordt ontruimd. Verder dient ook binnen een brandcompartiment met het oog op het verlaten van dat brandcompartiment de verspreiding van rook gedurende zekere tijd beperkt te blijven. Dit kan worden bereikt door een brandcompartiment onder te verdelen in rookcompartimenten, waarbij de maximale loopafstand in een rookcompartiment wordt beperkt.

Artikel 2.10 Vluchtroutes bij brand

Voor het veilig kunnen vluchten uit een bouwwerk bij brand is het nodig dat er voldoende vluchtroutes zijn. Hierbij moet rekening worden gehouden met het aantal personen in een ruimte of bouwwerk. In algemeen moet worden uitgegaan van twee onafhankelijke vluchtroutes. Indien door omstandigheden één route is geblokkeerd, kan dan altijd nog via de andere route worden gevlucht. Bij een beperkt aantal personen kan worden volstaan met een enkele vluchtroute.

Artikel 2.11 Noodverlichting

Om ook veilig te kunnen vluchten wanneer de elektriciteit uitvalt moet bij risicovolle situaties de verlichtingsinstallatie op een voorziening voor noodstroom zijn aangesloten (noodverlichting).

Artikel 2.12 Brandmeldinstallaties

In dit artikel is de functionele eis opgenomen dat een bouwwerk zodanige voorzieningen moet hebben dat een brand in een vroegtijdig stadium wordt ontdekt (gelokaliseerd en gesignaleerd), zodat veilig kan worden gevlucht. Met andere woorden zodat mensen zich zelf in veiligheid kunnen brengen of in veiligheid kunnen worden gebracht.

Artikel 2.13 Voorzieningen voor vluchten

In dit artikel is de functionele eis opgenomen dat een bouwwerk zodanige voorzieningen moet hebben dat het ontvluchten goed kan verlopen. Zo moeten vluchtroutes duidelijk zijn aangegeven met vluchtrouteaanduidingen. Verder moeten deuren in vluchtroutes eenvoudig zijn te openen.

Artikel 2.14 Voorzieningen bestrijding van brand

In dit artikel is de functionele eis opgenomen dat een bouwwerk zodanige voorzieningen voor de bestrijding van brand moet hebben, dat brand binnen redelijke tijd kan worden bestreden. Een bouwwerk moet voldoende brandslanghaspels, draagbare blusmiddelen of droge blusleidingen hebben. Verder kan het noodzakelijk zijn dat in de nabijheid van het bouwwerk een bluswatervoorziening aanwezig is voor de brandweer.

Artikel 2.15 Bereikbaarheid hulpverleningsdiensten

In dit artikel is de functionele eis opgenomen dat een bouwwerk zodanig bereikbaar is voor hulpverleningsdiensten moet zijn, dat tijdig bluswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en hulp kan worden verleend.

Dit kan betrekking hebben op een brandweeringang van bouwwerken waarin personen kunnen verblijven, de bereikbaarheid van dergelijke bouwwerken voor hulpverleningsdiensten, opstelplaatsen voor brandweervoertuigen, brandweerliften in bouwwerken en voorzieningen voor mobiele radiocommunicatie van hulpverleningsdiensten.

Hoofdstuk 3 technische voorschriften uit het oogpunt van veiligheid

Artikel 3.1 Toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rookgas

Dit artikel bevat de functionele eis dat een bouwwerk met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel zodanige voorzieningen heeft voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas, dat een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen. Het gaat er om dat er geen onvolledige verbranding ten gevolge van onvoldoende toevoer van verbrandingslucht plaatsvindt en dat de bij het gebruik van een verbrandingstoestel vrijkomende dampen, gassen en fijne vaste deeltjes naar buiten kunnen worden afgevoerd.

Artikel 3.2 Watervoorziening

Dit artikel bevat de functionele eis dat indien een bouwwerk een drink- of warmwatervoorziening heeft, deze voorziening de gezondheid niet nadelig mag beïnvloeden. Het doel van die eis is te bereiken dat drinkwaterinstallaties water leveren van een kwaliteit die geschikt is voor de menselijke consumptie en hygiëne.

Artikel 3.3 Afvoervoorziening

Dit artikel bevat de functionele eis dat de voorziening voor huishoudelijk afvalwater of hemelwater zodanig moet zijn dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd. Doel van deze eis is een voor de gezondheid nadelige situatie te voorkomen.

Hoofdstuk 4 Technische voorschriften uit het oogpunt van bruikbaarheid

Artikel 4.1 Toegankelijkheid

Met artikel 4.1, een voor publiek toegankelijk bouwwerk heeft, afhankelijk van de bestemming en voor zover dit technisch en economisch haalbaar is, voorzieningen waarmee het voor publiek toegankelijke deel van dit bouwwerk toegankelijk is voor mindervaliden, is het mogelijk om in bepaalde gevallen eisen te stellen aan het toegankelijk zijn van gebouwen. Doel van deze functionele eis is het verbeteren van de toegankelijkheid voor mindervaliden van nieuw te bouwen voor publiek toegankelijke gebouwen. Voor publiek toegankelijke bouwwerken zijn bouwwerken die zonder specifieke toestemming van de eigenaar of gebruiker door het publiek bezocht kunnen worden. Dit is bijvoorbeeld het geval bij cafés en winkels. Een kantoor valt hier buiten, dat zal in het algemeen alleen worden bezocht door de mensen die daar werken. Een kantoor met een publieksfunctie, bijvoorbeeld met een balie waar informatie wordt verstrekt, valt wat betreft die balie wel onder het voorschrift. Op grond van artikel 4.1 mogen dan geen eisen aan de rest van het kantoor worden gesteld.

Of er in een specifiek geval daadwerkelijk eisen aan de toegankelijkheid voor mindervaliden kunnen worden gesteld is daarnaast afhankelijk van de vraag of dit bouwtechnisch mogelijk is en of de kosten van de benodigde voorzieningen niet onredelijk zijn. De eilanden kunnen hierover in hun beleidsregels uitgangspunten opnemen.

Hoofdstuk 5 Technisch voorschriften inzake het gebruik van bouwwerken open erven en terreinen

Artikel 5.1 Voorkomen van brandgevaar en ontwikkeling van brand

De functionele eis in dit artikel lid houdt in dat het gebruik van een bouwwerk zodanig moet zijn dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand wordt voorkomen. Tot het brandveilig gebruik van een bouwwerk kunnen o.a. de volgende aspecten worden gerekend:

  • Het verbod op roken en open vuur.

  • De brandveiligheid van aankleding en inrichting van een bouwwerk.

  • Het brandveilig gebruik van verbrandingstoestellen.

  • De opslag van brandgevaarlijke stoffen.

Artikel 5.2 Veilig vluchten bij brand

De functionele eis in dit artikel houdt in dat het gebruik van een bouwwerk niet zodanig mag zijn dat daardoor het veilig kunnen vluchten bij brand wordt verhinderd. Het gaat hierbij vooral om het vrijhouden van vluchtroutes en niet blokkeren van deuren.

Artikel 5.3 Overige bepaling veilig en gezond gebruik

De functionele eis in dit artikel houdt in dat het gebruik van een bouwwerk, open erf of terrein niet mag leiden tot gezondheidsrisico’s en andere veiligheidsrisico’s dan brandveiligheidsrisico’s voor personen. Dit voorschrift is ook van toepassing op bouwplaatsen (gebruik van een terrein). Er moeten dus tijdens het uitvoeren van bouwwerkzaamheden dusdanige maatregelen worden genomen dat er op een bouwplaats geen onaanvaardbare gezondheidsrisico's ontstaan omdat zoals bekend bouwplaatsen te beschouwen zijn als broedplaatsen van de dengue mug. Dit voorschrift zou er toe kunnen leiden dat van de bouwer kan worden geëist de bouwwerkzaamheden met zekere voortvarendheid ter hand te nemen.

Hoofdstuk 6 Bijzondere bepalingen

Artikel 6.1 Aanschrijving

Als de staat of het gebruik van een bestaand bouwwerk tot gevaar voor gezondheid en veiligheid kan leiden kan het bestuurscollege degene die als eigenaar dan wel uit andere hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan de bouwwerk verplichten om dusdanige voorzieningen te treffen dat dat gevaar niet meer bestaat. Dit artikel kan dus ook worden gebruikt om overbewoning tegen te gaan. Artikel 6.1 is een uitwerking van artikel 10.9 van de wet. Mocht een aanschrijving als bedoeld in artikel 6.1 niet tot het gewenste resultaten leiden, dan kan op grond van artikel 10.4 van de wet een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom worden opgelegd. Deze bevoegdheid komt dan toe aan zowel de minister als aan het bestuurscollege. In het tweede lid van artikel 10.4 van de wet is expliciet aangegeven dat een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom gericht op het naleven van dit besluit mede kan inhouden dat het bouwen, gebruik of slopen wordt gestaakt, dan wel dat voorzieningen worden getroffen, met inbegrip van het slopen van een bouwwerk, gericht op het tegengaan van gevaar voor gezondheid of veiligheid.

Artikel 6.2 Nadere voorschriften

In dit artikel is bepaald dat er nadere voorschriften bij ministeriële regeling kunnen worden gegeven omtrent het bepaalde in de hoofdstukken 2 tot en met 5. en artikel 6.1. Artikel 6.2 bevat een vangnetbepaling, alleen wanneer in de toekomst mocht blijken dat dit noodzakelijk is zullen dergelijke nadere voorschriften worden gegeven.

Hoofdstuk 7 Wijziging Bouwbesluit 2012

Met artikel 7.1 is een correctie aangebracht in artikel 5.6 van het Bouwbesluit 2012. De verwijzing naar «eerste tot en met vierde lid» van artikel 5.3 wordt vervangen door een verwijzing naar «eerste tot en met zevende lid». Deze aanpassing is nodig met ingang van 1 januari 2015, het moment waarop de wijziging van artikel 5.3 van het Bouwbesluit 2012 in werking treedt, die het noodzakelijk maakt dat in artikel 5.6 ook naar het vijfde tot en met zevende lid van artikel 5.3 wordt verwezen.

Hoofdstuk 8 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 8.1 Overgangsrecht

Dit artikel regelt het overgangsrecht met betrekking tot aanvragen om bouwvergunningen, respectievelijk gebruiksvergunningen vóór het in werking treden van dit besluit. Aanvragen om bouwvergunningen respectievelijk gebruiksvergunningen die ingediend zijn vóór die inwerkingtreding worden met toepassing van het oude recht afgedaan. Hetzelfde geldt voor bezwaar of beroep, ingesteld tegen een beslissing omtrent verlening van een bouwvergunning, respectievelijk gebruiksvergunning vóór het in werking treden van dit besluit.

Artikel 8.2 Inwerkingtreding

De inwerkingtreding van dit besluit met uitzondering van artikel 7.1, zal op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, gelijktijdig met hoofdstuk 2 van de wet, plaatsvinden. Dit tijdstip is mede afhankelijk van het tijdstip van het vaststellen van de hierboven in de toelichting genoemde beleidsregels. Naar verwachting zal inwerkingtreding per 1 januari 2016 plaats vinden.

Artikel 7.1 treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok


X Noot
1

A.B. 1999, no. 5 en A.B. 1991, no. 2.

X Noot
2

A.B. 1999, no. 1.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid jo vijfde lid van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.