Wet van 7 maart 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht BES met het oog op de verruiming van de mogelijkheden tot strafrechtelijke aanpak van huwelijksdwang, polygamie en vrouwelijke genitale verminking

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht BES te wijzigen ter verruiming van de mogelijkheden tot strafrechtelijke aanpak van huwelijksdwang, polygamie en vrouwelijke genitale verminking;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling Advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel 5° door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • 6°. aan het misdrijf omschreven in artikel 284, eerste lid.

2. In het tweede lid wordt «onderdelen 2° en 3°» vervangen door: onderdelen 2°, 3°, 5° en 6°.

B

De artikelen 5a en 5b komen te luiden:

Artikel 5a

  • 1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft en zich buiten Nederland schuldig maakt:

    • 1°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 240b, 242 tot en met 250 en 273f, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt dan wel aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 300 tot en met 303, voor zover het feit oplevert genitale verminking van een persoon van het vrouwelijke geslacht die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

    • 2°. een terroristisch misdrijf, dan wel een der misdrijven omschreven in de artikelen 225, derde lid, 311, eerste lid, onder 6°, 312, tweede lid, onder 5°, alsmede 317, derde lid, jo. 312, tweede lid, onder 5°;

    • 3°. aan een der misdrijven omschreven in artikel 273f, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, en in de artikelen 231, 321, 350 en 416 tot en met 417bis, en op het feit door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld;

    • 4°. aan een der misdrijven omschreven in artikel 273f, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, en in de artikelen 231, 321, 350 en 416 tot en met 417bis, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 20 van het op 16 mei 2005 te Warschau totstandgekomen Verdrag inzake bestrijding van mensenhandel, indien het feit is gepleegd buiten de rechtsmacht van enige staat;

    • 5°. aan het misdrijf omschreven in artikel 237;

    • 6°. aan het misdrijf omschreven in artikel 284, eerste lid.

  • 2. In de gevallen, omschreven in het eerste lid, onderdelen 1°, 2°, 3°, 4° en 6°, kan de vervolging ook plaatshebben, indien de verdachte eerst na het begaan van het feit een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gekregen.

Artikel 5b

De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich schuldig maakt:

  • 1°. aan een der misdrijven omschreven in artikel 273f en in de artikelen 231, 321, 350 en 416 tot en met 417bis, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 20 van het op 16 mei 2005 te Warschau totstandgekomen Verdrag inzake bestrijding van mensenhandel, indien het feit is gepleegd tegen een Nederlander;

  • 2°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 240b, 242 tot en met 250 en 273f, indien het feit is gepleegd tegen een Nederlander of een vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft en die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

  • 3°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 300 tot en met 303, voor zover het feit oplevert genitale verminking van een persoon van het vrouwelijke geslacht die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, indien het feit is gepleegd tegen een Nederlander of een vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft;

  • 4°. aan het misdrijf omschreven in artikel 284, eerste lid, indien het feit is gepleegd tegen een Nederlander of een vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft.

C

In artikel 71, onderdeel 3°, wordt de zinsnede «en 273f dan wel 300 tot en met 303, voor zover het feit oplevert genitale verminking van een persoon van het vrouwelijke geslacht en gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt» vervangen door: , 273f en 284, voor zover gepleegd tegen een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt dan wel in de artikelen 300 tot en met 303, voor zover het feit oplevert genitale verminking van een persoon van het vrouwelijke geslacht die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.

D

In artikel 284, eerste lid, wordt «ten hoogste negen maanden of geldboete van de derde categorie» vervangen door: ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

ARTIKEL II

Het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 67, eerste lid, onderdeel b, wordt na «248e,» ingevoegd: 284, eerste lid,.

ARTIKEL III

In artikel 310, vierde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek wordt na «273f» ingevoegd: , 284.

ARTIKEL IV

Het Wetboek van Strafrecht BES wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

In het eerste lid worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel 6° door een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • 7°. aan het misdrijf omschreven in artikel 242;

  • 8°. aan het misdrijf omschreven in artikel 297, eerste lid.

B

Artikel 5a komt te luiden:

Artikel 5a

  • 1. De strafwet van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is toepasselijk op de vreemdeling die in de openbare lichamen een vaste woon- of verblijfplaats heeft en zich buiten de openbare lichamen schuldig maakt:

    • 1°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 246bis, 248 tot en met 258 en 286f, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt dan wel aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 313 tot en met 316, voor zover het feit oplevert genitale verminking van een persoon van het vrouwelijke geslacht die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

    • 2°. aan een der misdrijven omschreven in 286f, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, en in de artikelen 236, 334, 366 en 431 tot en met 432bis, en op het feit door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld;

    • 3°. aan een der misdrijven omschreven in 286f, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, en in de artikelen 236, 334, 366 en 431 tot en met 432bis, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 20 van het op 16 mei 2005 te Warschau totstandgekomen Verdrag inzake bestrijding van mensenhandel, indien het feit is gepleegd buiten de rechtsmacht van enige staat;

    • 4°. aan het misdrijf omschreven in artikel 242;

    • 5°. aan het misdrijf omschreven in artikel 297, eerste lid.

  • 2. In de gevallen, omschreven in het eerste lid, onderdelen 1°, 2°, 3° en 5° kan de vervolging ook plaatshebben, indien de verdachte eerst na het begaan van het feit een vaste woon- of verblijfplaats in de openbare lichamen heeft gekregen.

C

Aan artikel 5b worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • 3°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 313 tot en met 316, voor zover het feit oplevert genitale verminking van een persoon van het vrouwelijke geslacht die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, indien het feit is gepleegd tegen een Nederlander of een vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft;

  • 4°. aan het misdrijf omschreven in artikel 297, eerste lid, indien het feit is gepleegd tegen een Nederlander of een vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft.

ARTIKEL V

Artikel I, onderdeel C, en artikel III zijn van toepassing op strafbare feiten die zijn gepleegd voor de datum van inwerkingtreding van deze wet.

ARTIKEL VA

Indien het bij koninklijke boodschap van 8 augustus 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de regeling van de bevrijdende verjaring in het Burgerlijk Wetboek in geval van schade veroorzaakt door strafbare feiten (32 853), tot wet is of wordt verheven, en die wet eerder in werking is getreden dan wel eerder of gelijktijdig in werking treedt dan artikel III van deze wet, vervalt artikel III van deze wet.

ARTIKEL VI

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te ’s-Gravenhage, 7 maart 2013

Beatrix

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

Uitgegeven de vijftiende maart 2013

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 32 840

Naar boven