Wet van 6 november 2013 tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de landelijke publieke omroep efficiënter kan opereren als omroepverenigingen daarin hun krachten bundelen, dat erkende omroepverenigingen van zins zijn daarop hun organisaties in te richten en dat voor het realiseren van een dergelijk, slagvaardiger bestel wijziging noodzakelijk is van onder meer de wettelijke voorschriften die de organisatie en financiering van landelijke publieke media-instellingen betreffen en dat ook overigens, wat betreft de voorlopige erkende omroepverenigingen op doelmatigheid gerichte voorzieningen worden mogelijk gemaakt, en ten slotte dat het wettelijke regime van zendgemachtigde kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag vervalt;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Mediawet 2008 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De definitie van educatieve media-instelling vervalt.

2. De definitie van NPS wordt vervangen door:

NTR:

Stichting NTR, genoemd in artikel 2.35;.

3. In de alfabetische rangschikking wordt de volgende definitie ingevoegd:

omroeporganisatie:

omroeporganisatie als bedoeld in artikel 2.23;.

B

Artikel 2.5, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Voor een van de andere leden kunnen de gezamenlijke ondernemingsraden van de NPO, de NOS, de NTR en de omroeporganisaties die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, hebben verkregen, personen voor benoeming aanbevelen.

C

In artikel 2.6, eerste lid, vervalt in onderdeel f «en». Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door «; en» wordt een onderdeel toegevoegd, dat luidt:

  • h. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een omroepvereniging die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd is.

D

In artikel 2.9, eerste lid, wordt «artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onderdelen a en c tot en met g» vervangen door: artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onderdelen a en c tot en met h.

E

Artikel 2.12, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Het college van omroepen is zodanig samengesteld dat de omroeporganisaties die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, hebben verkregen, de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen, de NOS en de NTR daarin elk één lid benoemen.

F

In artikel 2.14, eerste lid, wordt «artikel 2.149, eerste lid, onderdeel h» vervangen door: artikel 2.149, eerste lid, onderdeel f.

G

In artikel 2.19, derde lid, wordt «de artikelen 2.20, 2.29 en 2.43, eerste lid,» vervangen door: de artikelen 2.20 en 2.29.

H

Het opschrift van afdeling 2.2.2 komt te luiden:

AFDELING 2.2.2. OMROEPORGANISATIES.

I

In afdeling 2.2.2 wordt vóór artikel 2.24 een artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 2.23

  • 1. Onze Minister kan eens in de vijf jaar aan ten hoogste zes omroeporganisaties erkenningen verlenen voor de verzorging van media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst volgens de bepalingen van deze afdeling. Een omroeporganisatie is een omroepvereniging als bedoeld in artikel 2.24 of een samenwerkingsomroep als bedoeld in artikel 2.24a.

  • 2. Onze Minister kan eens in de vijf jaar voorlopige erkenningen verlenen aan omroepverenigingen voor de verzorging van media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst volgens de bepalingen van deze afdeling.

J

Artikel 2.24 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid vervalt en het tweede en derde lid worden vernummerd tot eerste respectievelijk tweede lid.

2. Het eerste lid (nieuw) komt te luiden:

  • 1. Een omroepvereniging is een vereniging die:

    • a. rechtspersoon naar Nederlands recht met volledige rechtsbevoegdheid is;

    • b. zich volgens de statuten uitsluitend of hoofdzakelijk ten doel stelt ter uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau media-aanbod te verzorgen en alle activiteiten te verrichten die nodig zijn om daarmee een publieke taak van algemeen nut te vervullen;

    • c. zich volgens de statuten ten doel stelt in het media-aanbod een bepaalde, in de statuten aangeduide maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke stroming te vertegenwoordigen en zich in het media-aanbod te richten op de bevrediging van in de samenleving levende maatschappelijke, culturele of godsdienstige dan wel geestelijke behoeften;

    • d. haar leden op democratisch aanvaardbare wijze invloed geeft op het beleid; en

    • e. een jaarlijkse contributie heft van ten minste € 5,72, waarin de verstrekking van een programmablad niet is begrepen.

3. In het tweede lid (nieuw) wordt «tweede lid» vervangen door: eerste lid.

K

Na artikel 2.24 wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 2.24a

  • 1. Een samenwerkingsomroep is een vereniging of stichting waarin twee of meer omroepverenigingen vertegenwoordigd zijn, die gericht is op het voeren van een landelijke publieke media-instelling en die:

    • a. rechtspersoon naar Nederlands recht met volledige rechtsbevoegdheid is;

    • b. zich volgens de statuten uitsluitend of hoofdzakelijk ten doel stelt ter uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau media-aanbod te verzorgen en alle activiteiten te verrichten die nodig zijn om daarmee een publieke taak van algemeen nut te vervullen;

    • c. zich volgens de statuten ten doel stelt in het media-aanbod bepaalde, in de statuten aangeduide maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke stromingen te vertegenwoordigen, overeenkomstig de statuten van de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, en zich in het media-aanbod te richten op de bevrediging van in de samenleving levende maatschappelijke, culturele of godsdienstige dan wel geestelijke behoeften;

    • d. als de samenwerkingsomroep een vereniging is, zijn leden op democratisch aanvaardbare wijze invloed geeft op het beleid; en

    • e. ervoor zorg draagt dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, een jaarlijkse contributie heffen van ten minste € 5,72, waarin de verstrekking van een programmablad niet is begrepen.

  • 2. Het in het eerste lid, onderdeel e, genoemde bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur naar aanleiding van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindex worden aangepast.

L

Artikel 2.25 komt te luiden:

Artikel 2.25

  • 1. Voor een erkenning komt slechts in aanmerking een omroeporganisatie:

    • a.

      • 1°. die in de voorafgaande erkenningperiode een erkenning had;

      • 2°. die is gevormd uit omroepverenigingen die in de voorafgaande periode een erkenning hadden;

      • 3°. die is gevormd uit alle omroepverenigingen die waren vertegenwoordigd in een samenwerkingsomroep die in de voorafgaande periode een erkenning had; of

      • 4°. die is gevormd uit omroepverenigingen als bedoeld onder 2° en 3°;

    • b.

      • 1°. die voor zover het een omroepvereniging betreft, ten minste 150.000 leden heeft; of

      • 2°. waarvan voor zover het een samenwerkingsomroep betreft, de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, samen ten minste 150.000 leden hebben en afzonderlijk niet minder dan 50.000 leden;

    • c. die op 31 december van het jaar voorafgaand aan dat waarin die erkenning ingaat, een reserve als bedoeld in artikel 2.174a, eerste lid, heeft waarvan het saldo nihil of positief is en voor zover het een samenwerkingsomroep betreft, ook elke omroepvereniging die hij vertegenwoordigt, op die datum een reserve als bedoeld in artikel 2.174a, tweede lid, heeft waarvan het saldo nihil of positief is; en

    • d. die de beschikbaarheid van het media-aanbod op de aanbodkanalen, bedoeld in artikel 2.55, derde lid, heeft zeker gesteld en voldoet aan de artikelen 2.142a en 2.178, eerste en derde lid.

  • 2. De hoogte van het saldo, bedoeld in het eerste lid, wordt aangetoond door overlegging van de jaarrekening, bedoeld in artikel 2.171, tweede lid, die vergezeld gaat van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan ook in aanmerking komen voor een erkenning een samenwerkingsomroep waarin zijn vertegenwoordigd:

    • a. een of meer omroepverenigingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a; en

    • b. een of meer omroepverenigingen die in de voorafgaande erkenningperiode een voorlopige erkenning hadden, waarbij voor elk van deze omroepverenigingen geldt dat:

      • 1°. die omroepvereniging ten minste 150.000 leden heeft; en

      • 2°. van die omroepvereniging niet tijdens de periode van de voorlopige erkenning onvoldoende is gebleken dat het media-aanbod voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel d.

M

Artikel 2.26, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Voor een voorlopige erkenning komt slechts in aanmerking een omroepvereniging die:

    • a. in de voorafgaande erkenningperiode geen erkenning of voorlopige erkenning had en niet vertegenwoordigd was in een samenwerkingsomroep die in die periode een erkenning had;

    • b. ten minste 50.000 leden heeft;

    • c. op 31 december van het jaar voorafgaand aan dat waarin die erkenning ingaat, een reserve als bedoeld in artikel 2.174a, eerste lid, heeft waarvan het saldo nihil of positief is;

    • d. zich naar stroming als bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, onderdeel c, en naar voorgenomen media-aanbod wat betreft genre, inhoud en doelgroepen zodanig onderscheidt van de omroeporganisaties, bedoeld in artikel 2.25, dat de verscheidenheid van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst wordt vergroot en een vernieuwende bijdrage wordt geleverd aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau;

    • e. de voorschriften met betrekking tot ledenwerving, bedoeld in artikel 2.137, in acht heeft genomen;

    • f. de verzorging van haar media-aanbod opdraagt aan de NTR of een omroeporganisatie die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, heeft verkregen en waarmee zij overeenstemming heeft bereikt; en

    • g. voldoet aan de artikelen 2.142a, eerste en tweede lid, en 2.178, eerste lid.

N

Artikel 2.27 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «per omroepvereniging» vervangen door «per omroeporganisatie» en wordt een volzin toegevoegd, die luidt:

Bij een samenwerkingsomroep wordt het aantal leden bepaald door het totaal aantal leden van de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt.

2. In het tweede lid, onderdeel c, wordt «artikel 2.24, tweede lid, onderdeel e» vervangen door: artikel 2.24, eerste lid, onderdeel e, of 2.24a, eerste lid, onderdeel e.

3. In het derde lid wordt «omroepverenigingen verstrekken» vervangen door: de aanvrager verstrekt.

O

Artikel 2.28 vervalt.

P

Artikel 2.29 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste en tweede lid komen te luiden:

  • 1. Een erkenning of een voorlopige erkenning wordt op aanvraag verleend en geldt voor een periode van vijf jaar die samenvalt met een vijfjaarlijkse periode van de concessie als bedoeld in artikel 2.19, derde lid, en vervalt van rechtswege na afloop van de erkenningperiode.

  • 2. Een erkenning kan alleen overgaan met toestemming van Onze Minister op aanvraag van de omroeporganisatie waaraan deze is verleend, en alleen aan een omroeporganisatie die door fusie is gevormd overeenkomstig artikel 2.25, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°, 3° of 4°. Aan een toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden. Artikel 2.32, eerste lid, aanhef en onderdeel a, wat betreft de artikelen 2.24 en 2.24a, en tweede lid, onderdelen a en c, is van overeenkomstige toepassing.

2. Na het derde lid wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 4. Door overgang van een erkenning treedt de verkrijgende omroeporganisatie in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van haar rechtsvoorganger.

Q

Artikel 2.30 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel a, vervalt «en». Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door «; en» wordt een onderdeel toegevoegd, dat luidt:

  • c. voor zover het betreft het beleidsplan van een aanvrager van een voorlopige erkenning, de voornemens en afspraken over de wijze waarop zijn verantwoordelijkheid, bedoeld in artikel 2.88, eerste lid, in de samenwerking met de NTR of een omroeporganisatie, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel f, is gewaarborgd.

2. In het tweede lid, onderdeel b, wordt «de NPS» vervangen door: de NTR.

3. Na het vierde lid wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 5. Aangaande eenzelfde omroepvereniging kan slechts een aanvraag worden toegewezen.

R

Na artikel 2.31, tweede lid, worden twee leden toegevoegd, die luiden:

  • 3. Als een aanvraag is ingediend door een omroepvereniging als bedoeld in artikel 2.25, derde lid, onderdeel b, bevat het advies een concreet voorstel voor het samengaan van deze aanvrager met een of meer andere aanvragers, gericht op de totstandkoming van een samenwerkingsomroep. De mate waarin aanvragers kunnen bijdragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau met inachtneming van hun in het media-aanbod te weerspiegelen identiteit, is bepalend voor de inhoud van het voorstel.

  • 4. Als het advies een voorstel als bedoeld in het derde lid bevat, stelt Onze Minister na overweging van het advies, de betreffende aanvragers in de gelegenheid als samenwerkingsomroep gezamenlijk een nieuwe aanvraag in te dienen. Artikel 2.30 en het eerste lid zijn van toepassing.

S

Artikel 2.32 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

  • a. niet voldoet aan de artikelen 2.24, 2.24a, 2.25, eerste lid, onderdelen a, b en d, en derde lid, of 2.26, eerste lid, onderdelen a, b, en d tot en met g; of.

2. Het tweede en derde lid komen te luiden:

  • 2. Onze Minister kan een aanvraag afwijzen als:

    • a. de aanvrager blijkens de tweede evaluatie, bedoeld in artikel 2.184, derde lid, onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop hij uitvoering heeft gegeven aan zijn publieke taak, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, onderdeel b, of 2.24a, eerste lid, onderdeel b;

    • b. de aanvrager niet voldoet aan artikel 2.30, eerste tot en met derde en vijfde lid, of de krachtens artikel 2.30, vierde lid, gestelde eisen;

    • c. aannemelijk is dat de aanvrager zich, mede gelet op zijn handelwijze in een voorafgaande periode waarin hij een erkenning heeft gehad, niet zal houden aan het bepaalde bij of krachtens deze wet; of

    • d. uit de aanvraag naar de mening van Onze Minister onvoldoende blijkt dat:

      • 1°. in het door de aanvrager te verzorgen media-aanbod de identiteit en missie van de aanvrager tot uitdrukking komt;

      • 2°. het door de aanvrager te verzorgen media-aanbod voldoet aan de daaraan bij of krachtens deze wet gestelde eisen; of

      • 3°. de aanvrager bereid is tot samenwerking ten behoeve van de landelijk publieke mediadienst en zijn verantwoordelijkheid gewaarborgd is als bedoeld in artikel 2.30, tweede lid, onderdeel c.

  • 3. Onze Minister kan daarnaast een aanvraag afwijzen als de aanvraag niet uitgaat van een voorstel als bedoeld in artikel 2.31, derde lid.

T

Artikel 2.33 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

  • a. niet meer voldoet aan de artikelen 2.24, 2.24a, 2.25, eerste lid, onderdeel d, of 2.26, eerste lid, onderdelen f en g, dan wel niet voldoet aan artikel 2.25, eerste lid, onderdeel c, of 2.26, eerste lid, onderdeel c; of.

2. Het derde lid, eerste en tweede volzin, komt te luiden:

Onze Minister kan een erkenning of voorlopige erkenning daarnaast intrekken als bij de tweede evaluatie, bedoeld in artikel 2.184, derde lid, is vastgesteld dat de instelling onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, onderdeel b, of 2.24a, eerste lid, onderdeel b. Artikel 2.31, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

U

Artikel 2.34 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De omroeporganisaties zijn verplicht gedurende de erkenningperiode media-aanbod te verzorgen, waaronder in elk geval radio- en televisieprogramma’s.

2. In het tweede lid wordt «omroepvereniging» vervangen door «omroeporganisatie» en wordt «vereniging» vervangen door: organisatie.

3. Het derde lid vervalt.

V

Artikel 2.34d wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt in onderdeel e «en». Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door «; en» wordt een onderdeel toegevoegd, dat luidt:

  • g. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een omroepvereniging die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd is.

2. In het vierde lid, eerste volzin, wordt «de nieuwe evaluatie bedoeld, in artikel 2.184, vijfde lid» vervangen door: de tweede evaluatie, bedoeld in artikel 2.184, derde en vierde lid.

W

In artikel 2.34f, tweede lid, wordt «Artikel 2.34d, eerste lid, onderdelen b tot en met f» vervangen door: Artikel 2.34d, eerste lid, aanhef en onderdelen b tot en met g.

X

Het opschrift van afdeling 2.2.3 komt te luiden:

AFDELING 2.2.3. STICHTING NTR.

Y

Artikel 2.35 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «De Nederlandse Programma Stichting» vervangen door: De Stichting NTR.

2. In het tweede lid wordt «de NPS» vervangen door: de NTR.

3. Na het tweede lid wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 3. De NTR heeft eveneens tot taak het voor de landelijke publieke mediadienst verzorgen van een breed en samenhangend educatief media-aanbod op het gebied van onderwijs, scholing en vorming.

Z

In de artikelen 2.35a, 2.36, eerste en vierde lid, 2.37a, eerste en tweede lid, 2.37c, eerste en tweede lid, 2.38, 2.39, eerste en tweede lid, 2.40, eerste tot en met derde lid, en 2.41, eerste en tweede lid, wordt «NPS» telkens vervangen door: NTR.

AA

Artikel 2.37 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef en onderdeel a, en in het vijfde lid, wordt «de NPS» telkens vervangen door: de NTR.

2. In het eerste lid vervalt in onderdeel e «en». Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door «; en» wordt een onderdeel toegevoegd, dat luidt:

  • g. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een omroepvereniging die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd is.

3. In het vierde lid, eerste volzin, wordt «de evaluatie bedoeld, in artikel 2.184, derde lid» vervangen door «de tweede evaluatie, bedoeld in artikel 2.184, derde en vierde lid» en wordt «de NPS» vervangen door: de NTR.

BB

Artikel 2.37b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en derde lid wordt «de NPS» telkens vervangen door: de NTR.

2. In het tweede lid wordt «Artikel 2.37, eerste lid, onderdelen b tot en met f» vervangen door: Artikel 2.37, eerste lid, aanhef en onderdelen b tot en met g.

CC

Afdeling 2.2.4 vervalt.

DD

Artikel 2.51 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdelen a en b, komt te luiden:

  • a. beschikken de omroeporganisaties die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, hebben verkregen, per jaar over een aantal uren voor televisie en een aantal uren voor radio, dat wordt berekend naar rato van het aantal omroepverenigingen, overeenkomstig de formule

    (v : tv) * 2925 onderscheidenlijk (v: tv) * 13.500, waarbij

    v = het aantal omroepverenigingen als bedoeld in artikel 2.25, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, en derde lid, onderdeel b, onder 2°, waaruit de omroeporganisatie die een erkenning heeft verkregen, is gevormd, gerekend vanaf een bij ministeriële regeling te bepalen moment; en

    tv = alle omroepverenigingen waaruit alle omroeporganisaties die een erkenning hebben verkregen, zijn gevormd, gerekend vanaf een bij ministeriële regeling te bepalen moment;

  • b. beschikken de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen, per jaar over een aantal uren voor televisie en een aantal uren voor radio dat gelijk is aan dertig procent van de onderscheiden aantallen die gelden op grond van onderdeel a voor een omroeporganisatie die uit een omroepvereniging is gevormd;.

2. Het eerste lid, onderdeel e, vervalt. Onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel c door «; en» komt onderdeel d te luiden:

  • d. beschikt de NTR per jaar over 1.150 uren voor televisie en 3.475 uren voor radio.

3. Het tweede lid vervalt en het derde en vierde lid worden vernummerd tot tweede respectievelijk derde lid.

4. In het derde lid (nieuw) wordt «omroepverenigingen» vervangen door: het totale aantal omroepverenigingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

EE

Artikel 2.53 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De raad van bestuur verzorgt de indeling van de uren voor de landelijke publieke media-instellingen op de algemene programmakanalen en de overige programmakanalen.

2. Het tweede lid, aanhef, komt te luiden:

De raad van bestuur kan de urenindeling op de programmakanalen herzien:.

3. In het tweede lid wordt in onderdeel c «programmakanalen van de programma’s» vervangen door: aanbodkanalen.

FF

In artikel 2.54, eerste lid, eerste volzin, wordt «Bij de indeling» vervangen door: Bij de indeling van de uren, bedoeld in artikel 2.51, eerste lid,.

GG

Na artikel 2.55, tweede lid, wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 3. Het tweede lid is ook van toepassing op het media-aanbod dat omroepverenigingen die vertegenwoordigd zijn in een samenwerkingsomroep in eerdere erkenningperiodes hebben verzorgd.

HH

Artikel 2.56 komt te luiden:

Artikel 2.56

  • 1. Voor de coördinatie en ordening van het programma-aanbod op een algemeen televisieprogrammakanaal wordt de raad van bestuur bijgestaan door een redactie die als volgt is samengesteld:

    • a. de omroeporganisaties die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, hebben verkregen, de NOS en de NTR waarvan een door de raad van bestuur te bepalen belangrijk deel van de uren, bedoeld in artikel 2.51, eerste lid, is ingedeeld op het desbetreffende programmakanaal tussen de uren waarvoor een evenwichtige verdeling is gemaakt als bedoeld in artikel 2.54, eerste lid, benoemen elk één lid; en

    • b. de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen waarvan de uren zijn ingedeeld als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden vertegenwoordigd door het voor de NTR benoemde lid of het voor de omroeporganisatie, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel f, benoemde lid.

  • 2. Voor de coördinatie en ordening van het programma-aanbod op een algemeen radioprogrammakanaal wordt de raad van bestuur bijgestaan door een redactie die als volgt is samengesteld:

    • a. de instellingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, waarvan de uren, bedoeld in artikel 2.51, eerste lid, zijn ingedeeld op het desbetreffende programmakanaal benoemen elk één lid; en

    • b. de instellingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, waarvan de uren zijn ingedeeld op het desbetreffende programmakanaal, worden vertegenwoordigd door het voor de NTR benoemde lid of het voor de omroeporganisatie, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel f, benoemde lid.

  • 3. Het lidmaatschap van een redactie is onverenigbaar met het lidmaatschap van een orgaan van de NPO, een landelijke publieke media-instelling of een omroepvereniging die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd is.

II

Artikel 2.59 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid wordt een volzin toegevoegd, die luidt:

De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de omroepverenigingen die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd zijn.

2. Aan het slot van het tweede lid wordt een zinsnede toegevoegd, die luidt:

en in die van de omroepverenigingen die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd zijn.

JJ

Artikel 2.88 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt «, met uitzondering van de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag,».

2. Na het derde lid wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 4. De NTR en omroeporganisaties, waaraan omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen, de verzorging van hun media-aanbod hebben opgedragen, dragen ervoor zorg dat de verantwoordelijkheid van die omroepverenigingen in de samenwerking is gewaarborgd.

KK

In artikel 2.90 wordt aan het slot een zinsnede toegevoegd, die luidt:

als bedoeld in afdeling 2.5.6.

LL

In artikel 2.105, eerste lid, wordt «vóór 1 augustus» vervangen door: vóór 15 september.

MM

Artikel 2.114 vervalt.

NN

In artikel 2.116, eerste lid, wordt «met uitzondering van onderdeel g» vervangen door: met uitzondering van onderdeel e.

OO

Artikel 2.121, onderdeel e, komt te luiden:

  • e. dat van kerkelijke of geestelijke aard is, van politieke partijen en de overheid; en.

PP

Artikel 2.122, tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. programma-aanbod dat van kerkelijke of geestelijke aard is, van politieke partijen en de overheid.

QQ

Artikel 2.132 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt aan het slot een zinsnede toegevoegd, die luidt: als bedoeld in artikel 2.136.

2. In het derde lid wordt «van de publieke mediadienst» vervangen door: van de publieke media-instelling.

3. Na het derde lid worden drie leden toegevoegd, die luiden:

  • 4. In afwijking van het eerste lid is geen voorafgaande toestemming van het Commissariaat nodig voor het bij wijze van experiment van beperkte omvang en duur verrichten van nevenactiviteiten die bestaan uit het leveren van goederen of diensten, met inbegrip van rechten en verplichtingen aan:

    • a. mediabedrijven ten behoeve van de versterking en verbetering van de nieuws- en informatievoorziening; of

    • b. culturele instellingen.

  • 5. De NPO en de publieke media-instellingen melden nevenactiviteiten als bedoeld in het vierde lid bij het Commissariaat.

  • 6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:

    • a. de wijze van melden;

    • b. de omvang en duur van het experiment;

    • c. de aard en inhoud van de nevenactiviteiten; en

    • d. de samenwerking met de in het vierde lid, onderdelen a en b, bedoelde instellingen.

RR

In artikel 2.133 wordt «buiten de publieke mediadienst» vervangen door: buiten de landelijke publieke mediadienst.

SS

Artikel 2.135, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, al hun inkomsten voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht gebruiken, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald.

TT

Artikel 2.136 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «Omroepverenigingen die een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.24 hebben verkregen» vervangen door «Omroeporganisaties die een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23 hebben verkregen» en wordt «voor verenigingsactiviteiten» vervangen door: voor eigen verenigingsactiviteiten.

2. In het tweede lid, onderdeel b, vervalt «die».

3. Na het tweede lid worden twee leden toegevoegd, die luiden:

  • 3. Onder verenigingsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid worden ook verstaan activiteiten van een stichting die samenwerkingsomroep is en die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, heeft verkregen, en welke activiteiten:

    • a. redelijkerwijs nodig zijn voor het goed functioneren van de stichting en haar organen; of

    • b. gebruikelijk zijn in een actief functionerende stichting om de band met en tussen de contribuanten te versterken.

  • 4. De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten gebruiken voor eigen verenigingsactiviteiten als bedoeld in het tweede lid, voor zover de omroepverenigingen van die bevoegdheid gebruik maken.

UU

Na artikel 2.137, tweede lid, wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 3. De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt de regels in acht nemen.

VV

Artikel 2.138 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «omroepvereniging» vervangen door «omroeporganisatie» en wordt «artikel 2.24» vervangen door: artikel 2.23.

2. In het tweede en derde lid wordt «omroepvereniging» telkens vervangen door: omroeporganisatie.

WW

Artikel 2.138a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, eerste volzin, wordt «omroepvereniging» vervangen door «omroeporganisatie» en wordt «artikel 2.24» vervangen door: artikel 2.23.

2. In het derde lid, onderdelen a tot en met d, en vierde lid wordt «omroepvereniging» telkens vervangen door: omroeporganisatie.

3. In het vijfde lid wordt in onderdeel a «een omroepvereniging geen erkenning als bedoeld in artikel 2.24 wordt verleend» vervangen door «een omroeporganisatie geen erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, wordt verleend» en wordt in onderdeel c «omroepvereniging» telkens vervangen door: omroeporganisatie.

XX

Artikel 2.138b vervalt.

YY

In artikel 2.139, tweede en derde lid, wordt «omroepverenigingen» telkens vervangen door: omroeporganisaties.

ZZ

Artikel 2.141, tweede lid, komt als volgt te luiden:

  • 2. De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, met al hun activiteiten niet dienstbaar zijn aan het maken van winst door derden en tonen dat desgevraagd naar genoegen van het Commissariaat aan.

AAA

Na artikel 2.142, derde lid, wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 4. De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, overeenkomstig het eerste tot en met derde lid handelen.

BBB

Artikel 2.142a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De NPO, de landelijke publieke media-instellingen en de instellingen die door Onze Minister zijn aangewezen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren, van een media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie, richten hun bestuurlijke organisatie zodanig in dat overeenkomstig hun statuten en reglementen:

    • a. er een helder onderscheid is tussen het dagelijks bestuur en het toezichthoudende orgaan;

    • b. deugdelijk, onafhankelijk en deskundig toezicht wordt uitgeoefend; en

    • c. de leden van het toezichthoudende orgaan worden benoemd op basis van vooraf vastgestelde openbare profielen.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, overeenkomstig het eerste en tweede lid handelen.

CCC

In artikel 2.146, onderdeel i, wordt «omroeporkesten, omroepkoren en een muziekbibliotheek» vervangen door: omroeporkesten en omroepkoren.

DDD

Artikel 2.147, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b vervalt en de onderdelen c tot en met e worden geletterd tot de onderdelen b tot en met d.

2. Onderdeel b (nieuw) komt te luiden:

  • b. de eigen inkomsten van de omroeporganisaties, de NOS en de NTR, die gebruikt moeten worden voor de verzorging van het media-aanbod;.

DDDa

Onder het opschrift van hoofdstuk 2, titel 2.6, afdeling, 2.6.2, paragraaf 2.6.2.2, wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.148a

  • 1. Voorafgaand aan elke periode van vijf jaar, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, wordt door Onze Minister het bedrag vastgesteld dat de landelijke publieke mediadienst in die periode jaarlijks ten minste ter beschikking wordt gesteld ten behoeve van zijn taakvervulling.

  • 2. Het in het eerste lid bedoelde bedrag is voor het eerste jaar van de genoemde periode gelijk aan het bedrag dat ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst beschikbaar wordt gesteld in de rijksbegroting voor dat jaar en wordt voor de daaropvolgende jaren bijgesteld overeenkomstig:

    • a. de door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor het desbetreffende jaar geraamde index voor de groei van het aantal huishoudens in Nederland; en

    • b. de door het Centraal Planbureau voor het desbetreffende jaar geraamde consumentenprijsindex.

  • 3. Indien na aanvang van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, veranderde omstandigheden zich in overwegende mate verzetten tegen ongewijzigde voortzetting van het ter beschikking stellen van de met inachtneming van het eerste en tweede lid vastgestelde bedragen, kan Onze Minister de hoogte van het voor resterende jaren ter beschikking te stellen bedrag wijzigen met inachtneming van een redelijke termijn. De hoogte van het aldus gewijzigde bedrag is gelijk aan het bedrag dat voor het betreffende jaar waarin het gewijzigde bedrag voor het eerst van toepassing is ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst beschikbaar wordt gesteld in de rijksbegroting voor dat jaar en wordt voor de daaropvolgende jaren bijgesteld overeenkomstig de onderdelen a en b van het tweede lid.

  • 4. In geval van een wijziging van het bedrag zoals bedoeld in het derde lid, vergoedt Onze Minister de schade die de landelijke publieke mediadienst lijdt doordat hij in vertrouwen op het eerder vastgestelde bedrag anders heeft gehandeld dan hij met inachtneming van het gewijzigde bedrag zou hebben gedaan.

EEE

Artikel 2.149, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt na «vóór 1 december» ingevoegd: met inachtneming van artikel 2.148a.

2. In onderdeel a van de eerste volzin wordt «de omroepverenigingen die een erkenning als bedoeld in artikel 2.24 hebben verkregen» vervangen door: de omroeporganisaties die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, hebben verkregen.

3. In onderdeel b van de eerste volzin wordt «artikel 2.24» vervangen door: artikel 2.23, tweede lid,.

4. In onderdeel d van de eerste volzin wordt «de NPS» vervangen door: de NTR.

5. Onderdeel e van de eerste volzin vervalt.

6. Onderdeel f van de eerste volzin en de tweede volzin vervallen.

7. De onderdelen g en h worden geletterd tot de onderdelen e en f.

FFF

Artikel 2.150 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel f, bedraagt vijftig procent van het totaal van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen a en b, en dertig procent van het totaal van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen c en d.

2. Het tweede en derde lid komen te luiden:

  • 2. Onder versterking van het media-aanbod wordt verstaan stimulering van de verzorging van media-aanbod en samenwerking ter bevordering van de pluriformiteit van het media-aanbod.

  • 3. Het budget komt geheel ten goede aan media-aanbod van de omroeporganisaties, de NOS en de NTR.

GGG

In artikel 2.151, tweede lid, wordt «onderdelen g en h» vervangen door: onderdelen e en f.

HHH

Artikel 2.152 komt te luiden:

Artikel 2.152

De raad van bestuur verdeelt het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel a, over de omroeporganisaties die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, hebben verkregen zodanig dat elke omroeporganisatie een bedrag ontvangt waarvan de omvang wordt berekend naar rato van het aantal omroepverenigingen, overeenkomstig de formule

(v : tv) * b, waarbij

v = het aantal omroepverenigingen als bedoeld in artikel 2.25, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, en derde lid, onderdeel b, onder 2°, waaruit de omroeporganisatie die een erkenning heeft verkregen, is gevormd, gerekend vanaf een bij ministeriële regeling te bepalen moment;

tv = alle omroepverenigingen waaruit alle omroeporganisaties die een erkenning hebben verkregen, zijn gevormd, gerekend vanaf een bij ministeriële regeling te bepalen moment; en

b = het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel a.

III

Artikel 2.152a komt te luiden:

Artikel 2.152a

  • 1. De raad van bestuur verdeelt het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel b, over de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen zodanig dat elke omroepvereniging over een bedrag beschikt dat gelijk is aan vijftien procent van het bedrag dat geldt op grond van artikel 2.152 voor een omroeporganisatie die uit een omroepvereniging is gevormd.

  • 2. De NTR en de omroeporganisaties, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel f, ontvangen de bedragen, bedoeld in het eerste lid en artikel 2.150, derde lid, van elk van de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning hebben verkregen, ten beheer.

  • 3. De landelijke publieke media-instellingen, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen a tot en met d, besteden de ontvangen bedragen en de budgetten aan de in de desbetreffende onderdelen genoemde doelen.

JJJ

Artikel 2.153 vervalt.

KKK

Artikel 2.154 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. een omroeporganisatie naar de mening van de raad van bestuur onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst.

2. In het tweede lid wordt «onderdeel h» vervangen door: onderdeel f.

LLL

Artikel 2.157 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid wordt een volzin toegevoegd, die luidt:

De NTR en de omroeporganisaties, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel f, ontvangen tevens de bedragen ten beheer die zijn gemoeid met de bevoorschotting van de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen.

2. Het derde en vierde lid komen te luiden:

  • 3. Als een instelling haar gelden in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet uitgeeft, kan het Commissariaat de raad van bestuur verzoeken de bevoorschotting te verminderen of te beëindigen.

  • 4. De raad van bestuur voldoet meteen aan verzoeken als bedoeld in het tweede en derde lid.

MMM

Artikel 2.167 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «omroepkoren, omroeporkesten en een muziekbibliotheek» vervangen door: omroeporkesten en omroepkoren.

2. Aan het tweede lid wordt een volzin toegevoegd, die luidt:

Artikel 2.152a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

NNN

In artikel 2.168, derde lid, wordt «van overeenkomstige toepassing» vervangen door: van toepassing.

OOO

Artikel 2.174a komt te luiden:

Artikel 2.174a

  • 1. Omroeporganisaties die een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23 hebben verkregen, kunnen netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.136 tot een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag reserveren voor die verenigingsactiviteiten.

  • 2. De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, slechts tot een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag overeenkomstig het eerste lid reserveren voor eigen verenigingsactiviteiten. De instelling ontvangt jaarlijks aan het einde van het boekjaar, bedoeld in artikel 2.172, tweede lid, van de omroepverenigingen over dat boekjaar het deel van hun exploitatiesaldo dat overblijft na aftrek van de overeenkomstig de eerste volzin voor verenigingsactiviteiten gereserveerde gelden.

  • 3. Gelden die in strijd met het eerste lid zijn gereserveerd of in strijd met het tweede lid, tweede volzin, niet zijn ontvangen, worden terugbetaald aan de raad van bestuur.

PPP

In artikel 2.177, eerste lid, wordt «, vordert het Commissariaat terug» vervangen door: of die in strijd met artikel 2.174a, tweede lid, tweede volzin, niet zijn ontvangen, vordert het Commissariaat van de landelijke publieke media-instelling terug.

QQQ

Na artikel 2.178, tweede lid, wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 3. Onverminderd het eerste lid voeren de landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is en de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, een eenduidige financiële boekhouding.

RRR

Artikel 2.179 vervalt.

SSS

Het opschrift van afdeling 2.6.7 komt te luiden:

AFDELING 2.6.7. OMROEPORKESTEN, OMROEPKOREN, MEDIA-ARCHIEF EN EXPERTISECENTRUM VOOR MEDIA-EDUCATIE.

TTT

In artikel 2.180, eerste lid, wordt «omroeporkesten, omroepkoren en een muziekbibliotheek,» vervangen door: omroeporkesten en omroepkoren,.

UUU

Aan artikel 2.183, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, die luidt:

Onze Minister stelt de bijdrage voor de instelling die is aangewezen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren door tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking van de raad van bestuur, die de bijdrage ter beschikking stelt aan de instelling.

VVV

Artikel 2.184 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Als de evaluatiecommissie in haar rapportage, bedoeld in artikel 2.186, eerste lid, heeft vastgesteld dat er gegronde redenen zijn aan te nemen dat een omroeporganisatie onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, onderdeel b, of 2.24a, eerste lid, onderdeel b, vindt in afwijking van het tweede lid in elk geval binnen twee jaar en vier jaar na het tijdstip waarop deze rapportage is uitgebracht een eerste respectievelijk tweede evaluatie plaats van de wijze waarop de betreffende omroeporganisatie uitvoering geeft aan deze publieke taak.

2. Het vijfde lid vervalt en het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de NTR en de NOS en de wijze waarop zij uitvoering hebben gegeven aan hun wettelijke taak.

WWW

Artikel 2.186 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «zowel gezamenlijk als afzonderlijk» vervangen door: gezamenlijk.

2. In onderdeel c wordt «artikel 2.24» vervangen door: artikel 2.23, tweede lid,.

3. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst en er wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 2. De evaluatiecommissie rapporteert over de wijze waarop omroeporganisaties, de NTR of de NOS afzonderlijk uitvoering hebben gegeven aan de publieke media-opdracht op landelijk niveau als bedoeld in artikel 2.184, derde en vierde lid.

XXX

In artikel 2.188, eerste lid, wordt «artikel 2.186, eerste lid» vervangen door: artikel 2.186, tweede lid.

YYY

Artikel 3.18 vervalt.

ZZZ

Artikel 3.19c vervalt.

AAAA

In artikel 3.29d wordt «3.15 tot en met 3.19c» vervangen door: 3.15 tot en met 3.17, 3.19 tot en met 3.19b.

BBBB

In artikel 6.8, eerste volzin, vervalt «2.114, ».

CCCC

Artikel 6.18, tweede lid, onderdeel d, komt te luiden:

  • d. het lidmaatschap van het bestuur van of een betrekking bij de NPO, een publieke media-instelling, een omroepvereniging die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd is, of een commerciële media-instelling.

DDDD

Artikel 7.4, onderdeel c, komt te luiden:

  • c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij de NPO, een publieke media-instelling, een omroepvereniging die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd is, een commerciële media-instelling of een uitgever van een persorgaan.

EEEE

In artikel 7.11, eerste lid, onderdeel a, wordt «2.2 tot en met 2.22, 2.24 tot en met 2.33» vervangen door «2.2 tot en met 2.27, 2.29 tot en met 2.33» en wordt na «2.145,» ingevoegd: 2.148a,.

FFFF

Artikel 7.12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «tijdens de lopende erkenningsperiode aan de omroepvereniging» vervangen door: tijdens de lopende erkenningperiode aan de omroeporganisatie.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van de artikelen 2.34, tweede lid, 2.35, 2.58, onderdeel d, 2.70, 2.71, derde en vierde lid, 2.88b tot en met 2.92, 2.94 tot en met 2.99, 2.106 tot en met 2.108, 2.111, eerste lid, 2.115 tot en met 2.124, 2.150, tweede en derde lid, 2.151, tweede lid, 2.170 en 2.170a, 3.5b tot en met 3.14, 3.15, tweede lid, 3.16, 3.17, 3.19 tot en met 3.19b, 3.20 tot en met 3.26, 3.29, 3.29d, 4.1, 4.6, 5.1 tot en met 5.4, 6.4, 6.6, tweede lid, en 6.23 tot en met 6.25, kan het Commissariaat aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

GGGG

Artikel 7.14 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, vervalt «2.49, eerste lid,».

2. Het tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. een omroeporganisatie naar de mening van de raad van bestuur onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst.

HHHH

In artikel 7.16, eerste lid, onderdeel a, wordt «artikel 2.51, derde lid» vervangen door: artikel 2.51, tweede lid.

IIII

Na artikel 7.16 wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 7.16a

  • 1. Als sprake is van wanbeheer van een of meer leden van het bestuur of van het toezichthoudende orgaan van een landelijke publieke media-instelling, kan het Commissariaat de instelling een aanwijzing geven. Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.

  • 2. Onder wanbeheer wordt uitsluitend verstaan:

    • a. financieel wanbeleid;

    • b. ongerechtvaardigde verrijking, al dan niet beoogd, van de instelling, van de leden van het bestuur of het toezichthoudende orgaan zelf of van een derde; of

    • c. onrechtmatig handelen, waaronder wordt verstaan het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen of de kennelijke geest van wettelijke bepalingen waarmee financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de instelling, van de leden van het bestuur of het toezichthoudende orgaan zelf of van een derde.

  • 3. In de aanwijzing geeft het Commissariaat gemotiveerd aan op welke punten sprake is van wanbeheer en de in verband daarmee te nemen maatregelen.

  • 4. Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de instelling aan de aanwijzing moet voldoen.

  • 5. Voordat het Commissariaat een aanwijzing geeft, stelt hij de instelling vier weken in de gelegenheid haar zienswijze naar voren te brengen.

  • 6. Een aanwijzing kan inhouden de opdracht om bestuurders of toezichthouders te vervangen.

JJJJ

In artikel 7.17 vervalt «2.49, eerste lid,».

KKKK

Artikel 8.5, onderdeel c, komt te luiden:

  • c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij de NPO, een publieke media-instelling, een omroepvereniging die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd is, een commerciële media-instelling of een uitgever van een persorgaan.

LLLL

Titel 9.2 komt te luiden:

TITEL 9.2. OVERGANGSBEPALINGEN BIJ DE WET VAN PM TOT WIJZIGING VAN DE MEDIAWET 2008 TENEINDE HET STELSEL VAN DE LANDELIJKE PUBLIEKE OMROEP TE MODERNISEREN

AFDELING 9.2.1. OVERGANGSRECHT VERLENING VAN ERKENNINGEN VOOR DE PERIODE 2016–2021
Artikel 9.7

Voor de erkenningperiode die loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020 kan Onze Minister met inachtneming van afdeling 2.2.2 en onverminderd artikel 9.8a de erkenningen, bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, alleen verlenen aan:

  • a. de omroepverenigingen Evangelische Omroep, MAX en VPRO;

  • b. de omroeporganisaties die gevormd zijn uit de omroepverenigingen Algemene Omroepvereniging AVRO en TROS, BNN en VARA onderscheidenlijk KRO en NCRV; en

  • c. de omroeporganisaties van de in de onderdelen a en b genoemde samenstelling met inbegrip van een of beide omroepverenigingen PowNed en WNL.

Artikel 9.8
  • 1. In afwijking van artikel 2.32, eerste lid, onderdeel a, wijst Onze Minister een aanvraag voor een erkenning voor de periode die loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020 eveneens af, als de aanvrager niet voldoet aan artikel 9.7.

  • 2. In afwijking van artikel 2.33, eerste lid, onderdeel a, trekt Onze Minister een aanvraag voor een erkenning voor de periode die loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020 eveneens in, als de aanvrager niet meer voldoet aan artikel 9.7.

Artikel 9.8a

De omroepverenigingen PowNed en WNL kunnen afzien van deelname aan de procedure tot verlening van de erkenningen, bedoeld in artikel 9.7, door het indienen van een aanvraag voor een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid. In afwijking van artikel 2.26, eerste lid, onderdeel a, kan Onze Minister voor de erkenningperiode die loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020, een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, verlenen aan een of beide van de omroepverenigingen.

AFDELING 9.2.2. OVERGANGSRECHT RAAD VAN TOEZICHT NTR
Artikel 9.9

De leden van de raad van toezicht van de Nederlandse Programma Stichting, bedoeld in artikel 2.36, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van het onderdeel betreffende artikel 2.36 van de Wet van PM tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren, zijn met ingang van dat tijdstip van inwerkingtreding, lid van de raad van toezicht van de NTR, bedoeld in artikel 2.36, zoals dat artikel luidt op dat tijdstip, voor het resterende gedeelte van hun benoemingstermijn. Deze leden van de raad van toezicht van de NTR kunnen voor een aansluitende periode van maximaal vier jaar eenmaal herbenoemd worden.

AFDELING 9.2.3. OVERGANGSRECHT FINANCIËLE VERANTWOORDING KERKGENOOTSCHAPPEN EN GENOOTSCHAPPEN OP GEESTELIJKE GRONDSLAG
Artikel 9.10

Ten behoeve van de financiële verantwoording over het jaar 2015 blijven met betrekking tot kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en rechtspersonen waarin twee of meer van deze genootschappen samenwerken waaraan een aanwijzing was verleend, bedoeld in artikel 2.42, zoals dat artikel luidde op 31 december 2015, de artikelen 2.171 tot en met 174 en 2.176 tot en met 2.178 van toepassing. De artikelen 2.138b en 2.179 zoals die artikelen luidden op 31 december 2015 zijn eveneens van toepassing.

AFDELING 9.2.4. OVERGANGSRECHT VASTSTELLING BUDGET NTR VOOR DE PERIODE 2014–2016
Artikel 9.11

De vaststelling van het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel d, is voor de kalenderjaren 2014 en 2015 ten minste gebaseerd op de wettelijke grondslagen zoals die golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het onderdeel betreffende artikel 2.149 van de Wet van PM tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren, ten aanzien van de vaststelling van het budget van de Nederlandse Programma Stichting en de educatieve media-instelling die een erkenning had verkregen op grond van artikel 2.28, zoals dat artikel toen luidde.

AFDELING 9.2.5. OVERGANGSRECHT PROGRAMMAVERSTERKINGSBUDGET VOOR DE PERIODE 2016–2021
Artikel 9.12
  • 1. In afwijking van artikel 2.150, derde lid, komt:

    • a. jaarlijks voor de kalenderjaren 2016 tot en met 2020 vijf procent van het totaal van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, dat is vastgesteld voor het kalenderjaar 2016 ten goede aan media-aanbod van de omroeporganisaties, bedoeld in artikel 9.7, onderdeel b, of van de omroeporganisaties van de in dat onderdeel genoemde samenstelling met inbegrip van een of beide omroepverenigingen PowNed en WNL; en

    • b. het overige budget geheel ten goede aan media-aanbod van de omroeporganisaties, de NOS, en de NTR.

  • 2. Aan elk van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde omroeporganisaties wordt een gelijk deel van het budget, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, besteed.

AFDELING 9.2.6. OVERGANGSRECHT EVALUATIE LANDELIJKE PUBLIEKE MEDIADIENST VOOR DE PERIODE 2010–2016
Artikel 9.13

De artikelen 2.184 tot en met 2.187 blijven buiten toepassing voor de vijfjaarlijkse periode van de concessie, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, die loopt van 1 september 2010 tot en met 31 december 2015.

AFDELING 9.2.7. OVERGANGSRECHT VRIJSTELLING OVERDRACHTSBELASTING
Artikel 9.14
  • 1. Van overdrachtsbelasting zijn vrijgesteld verkrijgingen van onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen, bij vorming van een omroeporganisatie als bedoeld in artikel 9.7, aanhef en onderdelen b en c.

  • 2. Het eerste lid is alleen van toepassing als de onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen uiterlijk 1 juli 2015 worden verkregen vanwege fusie tot een omroepvereniging of oprichting van een samenwerkingsomroep.

  • 3. Als onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen, die zijn verkregen onder toepassing van het eerste en tweede lid, als gevolg van het niet finaal tot stand komen van een omroeporganisatie worden verkregen door de inbrenger, is die verkrijging vrijgesteld van overdrachtsbelasting.

ARTIKEL II

De Mediawet 2008 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2.5, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Voor een van de andere leden kunnen de gezamenlijke ondernemingsraden van de NPO, de NOS, de NTR en de omroepverenigingen die een erkenning als bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, hebben verkregen, personen voor benoeming aanbevelen.

B

Artikel 2.12, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Het college van omroepen is als volgt samengesteld:

    • a. de omroepverenigingen die een erkenning als bedoeld in artikel 2.24 hebben verkregen, de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.24 hebben verkregen, de NOS en de NTR benoemen elk één lid; en

    • b. de kerkgenootschappen en de genootschappen op geestelijke grondslag die op grond van artikel 2.42 zijn aangewezen, benoemen gezamenlijk één lid.

C

Artikel 2.29 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste en tweede lid komen te luiden:

  • 1. Een erkenning of een voorlopige erkenning wordt op aanvraag verleend en geldt voor een periode van vijf jaar die samenvalt met een vijfjaarlijkse periode van de concessie als bedoeld in artikel 2.19, derde lid, en vervalt van rechtswege na afloop van de erkenningperiode.

  • 2. Een erkenning kan alleen overgaan met toestemming van Onze Minister op aanvraag van de omroepvereniging waaraan deze is verleend, en alleen aan een omroepvereniging die is ontstaan door fusie van erkende omroepverenigingen. Aan een toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden. Artikel 2.32, eerste lid, aanhef en onderdeel a, wat betreft artikel 2.24, en tweede lid, onderdelen a en c, is van overeenkomstige toepassing.

2. Na het derde lid wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 4. Door overgang van een erkenning treedt de verkrijgende omroepvereniging in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van haar rechtsvoorganger.

D

Artikel 2.34, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De omroepverenigingen zijn verplicht gedurende de erkenningperiode media-aanbod te verzorgen, waaronder in elk geval radio- en televisieprogramma’s.

E

Artikel 2.56, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Voor de coördinatie en ordening van het programma-aanbod op een algemeen televisieprogrammakanaal wordt de raad van bestuur bijgestaan door een redactie die als volgt is samengesteld:

    • a. de omroepverenigingen, de NOS en de NTR van wie een door de raad van bestuur te bepalen belangrijk deel van de uren, bedoeld in artikel 2.51, eerste lid, is ingedeeld op het desbetreffende programmakanaal tussen de uren waarvoor een evenwichtige verdeling is gemaakt als bedoeld in artikel 2.54, eerste lid, benoemen elk één lid; en

    • b. de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag van wie uren zijn ingedeeld op het desbetreffende programmakanaal benoemen gezamenlijk één lid.

F

Artikel 2.142a, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De NPO, de landelijke publieke media-instellingen en de instellingen die door Onze Minister zijn aangewezen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren, van een media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie, richten hun bestuurlijke organisatie zodanig in dat er een helder onderscheid is tussen het dagelijks bestuur en het onafhankelijke toezicht daarop.

G

Artikel 2.147, derde lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. de eigen inkomsten van de omroepverenigingen, de NOS en de NTR, die gebruikt moeten worden voor de verzorging van het media-aanbod;.

H

Artikel 2.150, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Het budget komt geheel ten goede aan media-aanbod van de omroepverenigingen, de NOS en de NTR.

I

Artikel 2.152a, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De omroepverenigingen, bedoeld in artikel 2.152, eerste lid, onderdeel a, de omroepverenigingen, bedoeld in het eerste lid, de NOS en de NTR besteden de ontvangen bedragen en de budgetten aan de in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen a tot en met d, genoemde doelen.

J

Artikel 2.154, eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. een omroepvereniging naar de mening van de raad van bestuur onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst.

K

Artikel 7.14, tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. een omroepvereniging naar de mening van de raad van bestuur onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst.

ARTIKEL IIA

1. Indien artikel I, onderdeel H, van de wet van 28 juni 2012 tot wijziging van onder meer de Mediawet 2008 in verband met aanpassing van de rijksmediabijdrage, beëindiging van de wettelijke taken van de Stichting Radio Nederland Wereldomroep en aanpassingen van meer technische aard (Stb. 2012, 319) eerder in werking is getreden of treedt dan onderscheidenlijk op dezelfde datum in werking treedt als artikel I, onderdeel J, van deze wet, komt artikel I, onderdeel J, punt 3, van deze wet als volgt te luiden:

  • 3. In het tweede lid (nieuw) wordt de zinsnede «De in het tweede lid, onderdeel e, genoemde bedragen kunnen» vervangen door: Het in het eerste lid, onderdeel e, genoemde bedrag kan.

2. Indien artikel I, onderdeel H, van de wet van 28 juni 2012 tot wijziging van onder meer de Mediawet 2008 in verband met aanpassing van de rijksmediabijdrage, beëindiging van de wettelijke taken van de Stichting Radio Nederland Wereldomroep en aanpassingen van meer technische aard (Stb. 2012, 319) later in werking treedt dan artikel I, onderdeel J, van deze wet, vervalt artikel I, onderdeel H, van die wet.

ARTIKEL III

Artikel I met uitzondering van de onderdelen A, aanhef en onder 1 en 2, F, O, U, aanhef en onder 3, X tot en met Z, AA, aanhef en onder 1, BB, aanhef en onder 1, DD, aanhef en onder 2, LL tot en met NN, QQ en RR, CCC, DDD, aanhef en onder 1, EEE, aanhef en onder 4, 5 en 7, GGG, KKK, aanhef en onder 2, MMM, aanhef en onder 1, NNN, SSS tot en met UUU, YYY tot en met BBBB, EEEE, FFFF, aanhef en onder 2, IIII en LLLL, aanhef en afdeling 9.2.2 tot en met 9.2.4 en 9.2.6, is voor het eerst van toepassing op de organisatie van de landelijke publieke mediadienst, de erkenningverlening, de vaststelling van uren programma-aanbod en de bekostiging voor de erkenningperiode die loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020.

ARTIKEL IV

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te Wassenaar, 6 november 2013

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker

Uitgegeven de vijftiende november 2013

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 33 541

Naar boven