Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2013, 222AMvB

Besluit van 12 juni 2013 tot wijziging van het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning, het Rechtspositiebesluit burgemeesters, het Rechtspositiebesluit gedeputeerden, het Rechtspositiebesluit wethouders, het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, het Waterschapsbesluit en het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES in verband met een wijziging in de regeling inzake ambtswoningen en enkele andere wijzigingen

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 14 mei 2013, nr. 2013-0000282194, CZW;

Gelet op de artikelen 44, tweede lid, en 66, tweede lid, van de Gemeentewet, de artikelen 43, tweede lid, en 65, tweede lid, van de Provinciewet en de artikelen 32a, eerste lid, en 44, eerste lid, van de Waterschapswet en artikel 193, tweede lid, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 31 mei 2013, no. W04.13.0142/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 juni 2013, nr. 2013-0000331515;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 9 komt te luiden:

Artikel 9

  • 1. Voor het bewonen van een ambtswoning wordt op de bezoldiging een korting toegepast van 18%.

  • 2. Indien gedeputeerde staten de economische huurwaarde van de ambtswoning lager vaststellen dan 18% van de bezoldiging, stellen zij de korting, in afwijking van het eerste lid, vast op dat lagere percentage.

  • 3. Indien de commissaris van de Koning een ambtswoning bewoont, draagt hij de onderhoudskosten welke volgens de wet en het plaatselijk gebruik ten laste van de huurder zijn.

  • 4. Indien de commissaris van de Koning voor het gebruik van een ambtswoning loon- en inkomstenbelasting is verschuldigd, vergoedt de provincie deze belasting aan de commissaris van de Koning.

B

Aan artikel 9a wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • g. de vergoeding, bedoeld in artikel 9, vierde lid.

C

Na artikel 12 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 13

  • 1. Gedeputeerde staten kennen een commissaris die naar het oordeel van een arts een structurele functionele beperking heeft, ten laste van de provincie op aanvraag een tegemoetkoming toe voor de bekostiging van een voorziening als bedoeld in artikel 35, tweede en derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

  • 2. Het gestelde bij of krachtens artikel 35, vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat uitsluitend een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt.

ARTIKEL II

Het Rechtspositiebesluit burgemeesters wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 23 komt te luiden:

Artikel 23

  • 1. Het college van burgemeester en wethouders kent een burgemeester die naar het oordeel van een arts een structurele functionele beperking heeft, ten laste van de gemeente op aanvraag een tegemoetkoming toe voor de bekostiging van een voorziening als bedoeld in artikel 35, tweede en derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

  • 2. Het gestelde bij of krachtens artikel 35, vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat uitsluitend een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt.

B

Artikel 35 komt te luiden:

Artikel 35

  • 1. Voor het bewonen van een ambtswoning wordt op de bezoldiging een korting toegepast van 18%.

  • 2. Indien het college van burgemeester en wethouders de economische huurwaarde van de ambtswoning lager vaststelt dan 18% van de bezoldiging, stelt het college de korting, in afwijking van het eerste lid, vast op dat lagere percentage.

  • 3. Indien de burgemeester een ambtswoning bewoont, draagt hij de onderhoudskosten welke volgens de wet en het plaatselijk gebruik ten laste van de huurder zijn.

  • 4. Indien de burgemeester voor het gebruik van een ambtswoning loon- en inkomstenbelasting is verschuldigd, vergoedt de gemeente deze belasting aan de burgemeester.

C

Aan artikel 36 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • g. de vergoeding, bedoeld in artikel 35, vierde lid.

ARTIKEL III

Het Rechtspositiebesluit gedeputeerden wordt als volgt gewijzigd:

A

In hoofdstuk 3 wordt voor paragraaf 2 een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 1. Vergoedingen in verband met de tijdelijke vervanging in verband met zwangerschap en bevalling of ziekte

Artikel 7

De tijdelijke vervanger van de gedeputeerde die verlof heeft wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ontvangt voor zijn verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden € 590 per maand.

Artikel 8

De gedeputeerde die verlof heeft wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ontvangt een onkostenvergoeding voor overige aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten ter hoogte van de helft van het in artikel 21 bedoelde bedrag.

B

Na artikel 16 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 17

  • 1. Gedeputeerde staten kennen een gedeputeerde die naar het oordeel van een arts een structurele functionele beperking heeft, ten laste van de provincie op aanvraag een tegemoetkoming toe voor de bekostiging van een voorziening als bedoeld in artikel 35, tweede en derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

  • 2. Het gestelde bij of krachtens artikel 35, vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat uitsluitend een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt.

ARTIKEL IV

Het Rechtspositiebesluit wethouders wordt als volgt gewijzigd:

A

In hoofdstuk 3 wordt voor paragraaf 2 een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 1. Vergoedingen in verband met de tijdelijke vervanging in verband met zwangerschap en bevalling of ziekte

Artikel 10

De tijdelijke vervanger van de wethouder die verlof heeft wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ontvangt per maand voor zijn verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden het bij zijn gemeentegrootte behorende bedrag, bedoeld in de onderstaande tabel.

Aantal inwoners gemeente

Tegemoetkoming verzekering arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden

Tot en met 8.000

€ 262

  8.001– 14.000

€ 303

 14.001– 24.000

€ 343

 24.001– 40.000

€ 369

 40.001– 60.000

€ 410

 60.001–100.000

€ 450

100.001–150.000

€ 491

150.001–375.000

€ 518

375.001 en meer

€ 590

Artikel 11

De wethouder die verlof heeft wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ontvangt een onkostenvergoeding voor overige aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten ter hoogte van de helft van het in artikel 25 bedoelde bedrag.

B

Na artikel 20 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 21

  • 1. Het college van burgemeester en wethouders kent een wethouder die naar het oordeel van een arts een structurele functionele beperking heeft, ten laste van de gemeente een tegemoetkoming toe voor de bekostiging van een voorziening als bedoeld in artikel 35, tweede en derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

  • 2. Het gestelde bij of krachtens artikel 35, vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat uitsluitend een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt.

ARTIKEL V

Het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 8 vervalt.

B

Na artikel 11 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 11a

  • 1. Gedeputeerde staten kennen een lid van provinciale staten dat naar het oordeel van een arts een structurele functionele beperking heeft, ten laste van de provincie op aanvraag een tegemoetkoming toe voor de bekostiging van een voorziening als bedoeld in artikel 35, tweede en derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

  • 2. Het gestelde bij of krachtens artikel 35, vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat uitsluitend een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt.

ARTIKEL VI

Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 9 vervalt.

B

Na artikel 12 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 12a

  • 1. Het college van burgemeester en wethouders kent een lid van de raad dat naar het oordeel van een arts een structurele functionele beperking heeft, ten laste van de gemeente op aanvraag een tegemoetkoming toe voor een voorziening als bedoeld in artikel 35, tweede en derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

  • 2. Het gestelde bij of krachtens artikel 35, vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat uitsluitend een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt.

ARTIKEL VII

Het Waterschapsbesluit wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 3.9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.9a

  • 1. Het dagelijks bestuur kent een lid van het algemeen bestuur dat naar het oordeel van een arts een structurele functionele beperking heeft, ten laste van het waterschap op aanvraag een tegemoetkoming toe voor een voorziening als bedoeld in artikel 35, tweede en derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

  • 2. Het gestelde bij of krachtens artikel 35, vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat uitsluitend een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt.

B

In artikel 3.17 wordt «Artikel 3.9» vervangen door: Artikel 3.9, artikel 3.9a.

C

In artikel 3.41 wordt «3.9» vervangen door: 3.9, 3.9a.

ARTIKEL VIII

Het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 8 komt te luiden:

Artikel 8

  • 1. Voor het bewonen van een ambtswoning wordt op de bezoldiging een korting toegepast van 18%.

  • 2. Indien Onze Minister de economische huurwaarde van de ambtswoning lager vaststelt dan 18% van de bezoldiging, stelt hij de korting, in afwijking van het eerste lid, vast op dat lagere percentage.

  • 3. Indien de Rijksvertegenwoordiger een ambtswoning bewoont, draagt hij de onderhoudskosten welke volgens de wet en het plaatselijk gebruik ten laste van de huurder zijn.

  • 4. Indien de Rijksvertegenwoordiger voor het gebruik van een ambtswoning loon- en inkomstenbelasting is verschuldigd, vergoedt het Rijk deze belasting aan de Rijksvertegenwoordiger.

B

Aan artikel 8a wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. de vergoeding, bedoeld in artikel 8, vierde lid.

C

Na artikel 10 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10a

  • 1. Onze Minister kent de Rijksvertegenwoordiger die naar het oordeel van een arts een structurele functionele beperking heeft, ten laste van het Rijk op aanvraag een tegemoetkoming toe voor een voorziening als bedoeld in artikel 35, tweede en derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

  • 2. Het gestelde bij of krachtens artikel 35, vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat uitsluitend een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt.

ARTIKEL IX

Voor de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2013 compenseert de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de aan de Belastingsdienst verschuldigde nageheven loonbelasting en nagevorderde inkomstenbelasting in verband met de ambtswoning van de commissaris, de burgemeester en de Rijksvertegenwoordiger over deze periode.

ARTIKEL X

  • 1. Een uitkering op grond van een uitkeringsregeling op basis van artikel 9 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden aan raadsleden, die uiterlijk aanvangt op de datum van aftreden van de leden van de raad in de oude samenstelling na de raadsverkiezingen van 2014, of een herindelingsverkiezing na publicatie van dit besluit maar vóór de raadsverkiezingen in 2014, wordt verstrekt tegen de voorwaarden van de verordening, zoals die gold op de dag voor de inwerkingtreding van dit besluit.

  • 2. Een uitkering op grond van een uitkeringsregeling op basis van artikel 8 van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden aan leden van provinciale staten, die uiterlijk aanvangt op de datum van aftreden van de leden van de provinciale staten in de oude samenstelling na de provincialestatenverkiezingen van 2015, wordt verstrekt tegen de voorwaarden van de verordening, zoals die gold op de dag voor de inwerkingtreding van dit besluit.

ARTIKEL XI

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2013, met dien verstande dat de artikelen I, II, III, onderdeel B, IV, onderdeel B, V, onderdeel B, VI, onderdeel B, VII en VIII terugwerken tot en met 1 januari 2013 en de artikelen III, onderdeel A en IV, onderdeel A, terugwerken tot en met 3 augustus 2011.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 12 juni 2013

Willem-Alexander

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk

Uitgegeven de eenentwintigste juni 2013

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

In de Gemeentewet, Provinciewet en de Waterschapswet is geregeld dat politieke ambtsdragers buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend, als zodanig geen inkomsten mogen genieten, in welke vorm ook, ten laste van het bestuursorgaan. In het geval van een noodzakelijk geachte aanpassing van hun rechtspositie met een geldelijk gevolg is regelgeving dus vereist. Bij de volgende vier wijzigingen is dit aan de orde.

1. Ambtswoningen

Aanleiding voor de wijzigingen van de de regeling voor ambtswoningen van burgemeesters, commissarissen van de Koning en de Rijksvertegenwoordiger BES is de onduidelijkheid in de praktijk dat er niet alleen een rechtspositioneel maar ook een fiscaal regime moet worden toegepast. Omdat de fiscus naast het lopende jaar tot vijf jaar kan terugvorderen, kan een naheffing of navordering afhankelijk van de omstandigheden oplopen tot een groot bedrag.

Een ambtswoning kan fiscaal worden aangemerkt als loon in natura, ook als de rechtspositionele korting op de bruto bezoldiging van 12% is toegepast. In het eerste lid van de desbetreffende artikelen wordt nu bepaald dat voor een ambtswoning als woonkosten 18% van de bruto bezoldiging wordt betaald, ongeacht de huurwaarde. Indien de huurwaarde van een ambtswoning hoger is dan de 18% korting op de bezoldiging, is de ambtsdrager loon- en inkomstenbelasting over dat meerdere verschuldigd. Deze extra lasten worden door het bestuursorgaan gecompenseerd. Conform de fiscale wetgeving moet deze compensatie worden gebruteerd als het bestuursorgaan nog niet gekozen heeft voor de werkkostenregeling. Is wel gekozen voor de werkkostenregeling, dan kan deze compensatie netto worden verstrekt. Daarom is deze compensatie in het desbetreffende rechtspositiebesluit ook als eindheffingsbestanddeel aangemerkt.

Voor de situatie dat objectief aantoonbaar is dat de economische huurwaarde van de ambtswoning lager is dan de genoemde 18% van de bruto bezoldiging is de uitzondering van het tweede lid opgenomen. Het betreft hier een uitvoeringsbesluit, dus het dagelijks bestuur is daarvoor het aangewezen orgaan: voor de commissaris van de Koning (cdK), betekent dit gedeputeerde staten, voor de burgemeester het college van burgemeester en wethouders, en voor de Rijksvertegenwoordiger de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Tot slot is in het vierde lid een grondslag opgenomen voor een compensatie van de verschuldigde loon- en inkomstenbelasting voor het gebruik van de ambtswoning met ingang van 1 januari 2013.

Voor de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2013 is de in dit verband door de gemeenten die het aanging, verschuldigde nageheven loonbelasting en nagevorderde inkomstenbelasting door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in zijn geheel gecompenseerd. In het proces van de afwikkeling met de Belastingdienst zijn de desbetreffende gemeenten tot en met 15 november 2012 in de gelegenheid gesteld om hun aanvraag bij het ministerie in te dienen om voor deze naheffing of navordering te worden gecompenseerd. Artikel IX legt onder de eind 2012 afgewikkelde compensatie een juridische grondslag.

Deze compensatie is de uitkomst van bestuurlijk overleg tussen de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de staatssecretaris van Financiën, de commissarissen van de Koningin en de burgemeestersbonden. Zij is afgestemd met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).

2. WIA-voorziening decentrale politieke ambtdragers

Voor alle decentrale politieke ambtsdragers met een structurele functionele beperking wordt een grondslag vastgesteld zodat zij aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming voor een voorziening als bedoeld in artikel 35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). In antwoord op een verzoek van de gemeente Doetinchem heeft mijn ambtsvoorganger bij brief van 9 december 2008, kenmerk 2008-0000542361, toegezegd te zullen bevorderen dat wethouders met structurele beperkingen ook aanspraak kunnen maken op arbeidsplaatsvoorzieningen en voorzieningen ter ondersteuning van toeleiding naar arbeid. Hierbij wordt deze toezegging gestand gedaan.

De WIA kent voorzieningen tot bevordering van de arbeidsparticipatie van werknemers met een structurele functionele beperking. Omdat politieke ambtsdragers geen werknemer zijn in de zin van de WIA, zijn zij uitgesloten van de in die wet geregelde voorzieningen. Door deze bepalingen wordt het nu mogelijk gemaakt dat de decentrale politieke ambtsdragers zo veel mogelijk op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als werknemers en overheidswerknemers op grond van de WIA, een aanspraak kunnen doen gelden op een financiële vergoeding van deze voorzieningen. Voor de decentrale politieke ambtsdragers mag een voorziening alleen een vergoeding of tegemoetkoming in geld behelzen, geen voorzieningen in natura. De reden hiervan is dat de huidige grondslagen in Gemeentewet en Provinciewet niet toestaan dat er niet-financiële voorzieningen worden verstrekt.

3. Schrappen grondslag uitkeringsregelingen raads- en statenleden

De mogelijkheid dat gemeenten en provincies een uitkeringsregeling instellen voor hun raads- en statenleden wordt geschrapt. Enkele van mijn ambtvoorgangers hebben zich

reeds in de Tweede Kamer uitgesproken voor afschaffing (zie onder meer kabinetstandpunt Advies beloningsverhoudingen politieke ambtsdragers van de Adviescommissie Rechtspositie Politieke ambtsdragers (Kamerstukken II, 2005/06, 28 479, nr. 24, p. 11)). Ook in de Tweede Kamer en in de lokale politiek zelf is steeds meer steun ontstaan om de voorzieningen af te schaffen. Het lidmaatschap van een gemeenteraad of van provinciale staten wordt gezien als een nevenfunctie die in principe naast een reguliere dienstbetrekking wordt vervuld. Raads- en statenleden zijn dus over het algemeen niet primair afhankelijk van het inkomen uit hun politieke ambt en zij kunnen ver van tevoren aan zien komen wanneer hun ambtsperiode eindigt. Daarbij komt nog dat de uitkering voor afgetreden raads- en statenleden vaak werd verstrekt onafhankelijk van de hoogte van het hoofdinkomen en zonder dat een sollicitatieplicht was geregeld, hetgeen nu als onwenselijk wordt beschouwd.

4. Uitwerking vervangingsregeling wethouders en gedeputeerden wegens zwangerschap en bevalling of ziekte

De Wet van 6 juli 2011 tot regeling van de tijdelijke vervanging van wethouders en gedeputeerden wegens zwangerschap en bevalling of ziekte (Stb. 375) maakt het mogelijk dat wethouders en gedeputeerden gedurende een periode van zestien weken kunnen worden vervangen als zij wegens zwangerschap en bevalling of ziekte hun functie tijdelijk niet kunnen vervullen. Daartoe wordt tijdelijk de norm voor het maximale aantal te benoemen bestuurders buiten werking gesteld. Voorts is in artikel IV van die wet bepaald dat de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) niet van toepassing is op de tijdelijke vervangers. In de memorie van toelichting werd aangekondigd dat in plaats daarvan in de rechtspositiebesluiten zou worden bepaald dat aan de vervanger een extra vergoeding wordt toegekend waarmee in een verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden kan worden voorzien (Kamerstukken II 2009/10, 32 209 , nr. 3, p. 5). Bepaald wordt nu dat de hoogte van het vaste bedrag dat aan de vervanger wordt toegekend ten behoeve van een verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden, voor de tijdelijke vervanger van de gedeputeerde een vast bedrag van € 590 per maand is en voor de vervanger van de wethouder een bedrag dat afhankelijk is van de gemeentegrootte, zoals in de tabel bij artikel IV, onderdeel A, valt af te lezen.

In de memorie van toelichting werd ook al aangegeven dat de onkostenvergoeding van degenen die vervangen worden, gedurende het tijdelijk ontslag of verlof de helft bedraagt van het bedrag dat een wethouder of een gedeputeerde ontvangt als hij of zij in functie is. Dit wordt nu geregeld in de in desbetreffende rechtspositiebesluiten.

5. Financiële gevolgen

De aanpassing van de regeling omtrent ambtswoningen zal er naar verwachting toe leiden dat de bekostiging van ambtswoningen voor een ieder duidelijk is en dat naheffingen en navorderingen bij de functionarissen in die ambtswoningen (over het algemeen hoge bedragen) in de toekomst worden voorkomen. Dit is een onderdeel van het streven om te voorkomen dat de rechtspositionele voorzieningen als gevolg van het voldoen aan de woonplicht (een gedeeld belang van bestuursorgaan, functionaris en burgers) leiden tot een politiek probleem. Verder ontvangt het bestuursorgaan in voorkomend geval nu 18% in plaats van 12% van de bruto bezoldiging van betrokkene.

De meeste ambtswoningen staan in de gemeenten tot en met 60.000 inwoners; van de rest staat er één in een gemeente in klasse 6 en één in een gemeente in klasse 9. Deze burgemeesters van inwonersklassen 1 t/m 5 moeten in beginsel respectievelijk € 344,86, € 379,39, € 413,65, € 447,47 of € 481,09 meer per maand betalen dan in 2012. Daar staat tegenover dat de fiscale waarde van de huurwaarde die hoger is dan het bedrag gerelateerd aan 18% van de bruto bezoldiging, voor rekening komt van de gemeente. Voor een burgemeester in een gemeente in klasse 1 betekent dit ingeval van een ambtswoning die bij voorbeeld een economische huurwaarde heeft van € 1600 per maand, dat de burgemeester € 1034,59 betaalt en de gemeente de belasting over € 565,41. Hoe hoog het bedrag voor een gemeente daadwerkelijk is, hangt sterk af van de individuele omstandigheden van het geval. Deze aanpassing wijzigt niets in de woonkosten van de ambtswoningen als zodanig, wel waarschijnlijk in de verdeling tussen de betrokken gemeenten en burgemeesters. Gezien genoemde specifieke omstandigheden is niet in algemene zin te zeggen wat die financiële gevolgen precies zullen zijn.

De financiële gevolgen van de regeling van een grondslag voor een tegemoetkoming voor een voorziening als bedoeld in artikel 35 van de WIA voor decentrale politieke ambtsdragers met een structurele functionele beperking, zijn lastig te kwantificeren. Het hangt sterk af van de individuele structurele functionele beperking van de betrokkene en de daarvoor benodigde voorziening. Ook zal niet elk bestuursorgaan hiermee worden geconfronteerd.

Met betrekking tot de tijdelijke vervanging van wethouders en gedeputeerden wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, wordt een aantal uitvoeringsbepalingen opgenomen zodat deze vervanging ook daadwerkelijk betekenis heeft en ook hier niet het functioneren in politieke functies wordt belemmerd.

Omdat de vervanger op hoofdlijnen dezelfde rechtspositie heeft als degene die vervangen wordt, ontstaan er voor het bestuursorgaan dubbele kosten. Ook het vaste bedrag voor verzekering van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden leidt tot extra uitgaven. Om de vervangingsregeling te doen slagen, vindt hiervoor in het Provincie- en Gemeentefonds een reservering plaats. De totale geschatte kosten per jaar van de deze uitvoeringsbepalingen zijn € 315.000 voor wethouders en € 19.000 voor gedeputeerden. Gezien de relatief beperkte omvang van de bedragen is uit overleg met de beheerder van het Gemeente- en Provinciefonds gebleken dat hiervoor dekking gevonden kan worden in het Gemeente- en Provinciefonds.

Het schrappen van de mogelijkheid op decentraal niveau uitkeringsregelingen vast te stellen voor raads- en statenleden betekent op termijn minder kosten voor de bestuursorganen die het aangaat.

Het schrappen van deze mogelijkheid is meer ingegeven vanuit het oordeel dat deze op inhoudelijke gronden ongewenst is, dan op financiële gronden.

6. Consultatie

Het interprovinciaal overleg (IPO), de VNG en de Unie van Waterschappen (UvW) zijn over dit ontwerpbesluit geconsulteerd. Zij zijn akkoord gegaan met het ontwerpbesluit, waarvan de voorbereiding heeft plaatsgevonden op uitdrukkelijk verzoek van en in nauwe samenwerking met deze koepels en de desbetreffende beroepsgroepen. Allen hebben tevens aangedrongen op een voortvarende afwikkeling van het ontwerpbesluit.

De VNG ondersteunt deze aanpassingen, omdat daarmee een aantal belangrijke en noodzakelijke aanpassingen worden gedaan in de rechtspositie van politieke ambtsdragers bij gemeenten, provincies en watereschappen. Zij geeft aan dat met de wijziging in artikel II onder A en artikel IV onder C tegemoet wordt gekomen aan een oude wens van de VNG om in de rechtspositie van burgemeesters en wethouders ook te regelen dat deze recht hebben op tegemoetkomingen voor voorzieningen op grond van artikel 35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Wat betreft de wijzigingen in artikel II onder A en artikel IX (ambtswoningen) wijst de VNG erop dat deze het einde markeren van een lang lopend dossier. Zij contstateert dat tegemoet gekomen is aan haar verzoek en dat van de betrokken beroepsorganisaties om rekening te houden met die situaties waarin de huurwaarde lager is dan het vastgestelde kortingspercentage.

Ten aanzien van de wijziging zoals opgenomen in artikel IV onder A (vervangingsregeling) wijst de VNG erop dat dit onderdeel een terugwerkende kracht heeft die over de fiscale jaargrens heen gaat. Zij verzoekt om in de circulaire waarin deze wijzigingen toegelicht worden, gemeenten goed te informeren over de juiste wijze van handelen.

Met betrekking tot de wijzigingen in artikel X (afschaffing mogelijkheid vaststelling uitkeringsregeling voor raadsleden) merkt de VNG op dat hierbij is voldaan aan de wens van de beroepsvereniging en van haarzelf om een overgangsregeling op te nemen voor zittende raadsleden. De VNG merkt op dat door dit besluit nu te nemen er duidelijkheid is voor de kandidaat-raadsleden in de gemeenten waar nu een dergelijke verordening bestaat, over het einde van deze voorziening.

7. Inwerkingtreding en terugwerkende kracht

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2013.

Er is niet voorzien in een invoeringstermijn. Enerzijds is die niet nodig omdat er sprake is van terugwerkende kracht. Dit, mede op verzoek van de koepels en de betrokken beroepsgroepen die op een spoedige inwerkingtreding aandrongen. De gemeenten met ambtswoningen zijn reeds op de hoogte gesteld van de te verwachten regelgeving. Anderzijds omdat het schrappen van de mogelijkheid op decentraal niveau uitkeringsregelingen vast te stellen voor raads- en statenleden pas ingaat na de eerstkomende gemeenteraadsverkiezingen in 2014 respectievelijk de eerstkomende provinciale statenverkiezingen in 2015 en dan nog uitsluitend voor de nieuw gekozen en herkozen raads- en statenleden. Dat betekent ook dat raadsleden die niet meer herkozen worden in de herindelingsverkiezingen van na de inwerkingtreding van dit besluit, maar vóór de algemene gemeenteraadsverkiezingen in 2014, nog onder het oude regime vallen.

Voor de regeling van de tegemoetkoming in verband met de ambtswoning en voorzieningen in het kader van de WIA werkt dit besluit terug tot en met 1 januari 2013. Voor de laatstgenoemde voorzieningen geldt dat deze zonder meer begunstigend zijn. Voor de regeling ten aanzien van de ambtswoning geldt dat de uitwerking van de terugwerkende kracht zoals toegelicht in paragraaf 1 neutraal is. De regeling gaat uit van de totale woonkosten (dus zowel de rechtspositionele als de fiscale) en maximeert die voor de functionaris op een niveau dat voor hem of haar al gold of dat lager is. De terugwerkende kracht helpt om een naheffing of navordering over 2013 bij de functionaris te voorkomen. De fiscus beziet de vraag of er sprake is van een heffingstekort per kalenderjaar en in principe na afloop van dat kalenderjaar. Daarom is terugwerkende kracht in dit geval evenmin bezwarend.

De terugwerkende kracht tot en met 3 augustus 2011 (de datum van inwerkingtreding van de regeling voor tijdelijke vervanging van wethouders en gedeputeerden) is zonder meer begunstigend.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.