Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatsblad 2012, 114Wet

Wet van 22 februari 2012 tot herstel van wetstechnische gebreken alsmede andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetten op of in verband met het terrein van infrastructuur en milieu

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in een aantal wetten op het terrein van infrastructuur en milieu wetstechnische gebreken te herstellen alsmede daarin andere wijzigingen van ondergeschikte aard aan te brengen;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 1.7 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1.7a

Na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt, voor zover in een voor dat tijdstip vastgesteld bestemmingsplan, exploitatieplan, inpassingsplan of voorbereidingsbesluit of in een voor dat tijdstip vastgestelde beheersverordening op grond van artikel 3.3, 3.6, eerste lid, onder c, 3.7, derde of vierde lid, 3.26, tweede lid, 3.28, tweede lid, 3.38, derde of vierde lid, 4.1, derde of vijfde lid, 4.2, derde lid, 4.3, derde of vierde lid, 4.4, derde lid, of 6.13, tweede lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening, zoals die luidde voor dat tijdstip, is bepaald dat een vergunning is vereist of een ontheffing kan worden verleend, onder een zodanige vergunning respectievelijk een zodanige ontheffing een omgevingsvergunning verstaan.

B

In artikel 1.10 wordt na «projectbesluit» ingevoegd: , met dien verstande dat de aanwijzing vijf jaar na dagtekening van dat besluit van rechtswege vervalt.

ARTIKEL II

De Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 9.4.1, eerste lid, en 9.4.2, eerste lid, wordt «artikel 9, derde lid van de Wet voorkeursrecht gemeenten» vervangen door: artikel 9, tweede lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten.

B

In artikel 9.4.4 wordt «artikel 9, vijfde lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten» vervangen door: artikel 9, derde lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten.

ARTIKEL IIa

Artikel 6.26 van de Waterwet wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Op vergunningen voor het lozen of storten van stoffen zijn de volgende bepalingen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van overeenkomstige toepassing:

    • a. 2.14, eerste lid en derde tot en met zesde lid,

    • b. 2.22, vijfde lid, eerste en tweede volzin, met dien verstande dat aan de watervergunning voorschriften worden verbonden die strengere eisen bevatten dan de algemeen verbindende voorschriften, bedoeld in de eerste volzin van dat lid, voor zover deze eisen naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk zijn ter verwezenlijking van de voor het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam in het beheerplan, bedoeld in hoofdstuk 4, paragraaf 3, van deze wet, opgenomen maatregelen;

    • c. 2.25, eerste lid, 2.30, 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, 2.33, eerste lid, aanhef en onder b, en 8.1, met dien verstande dat voor «omgevingsvergunning» wordt gelezen «vergunning» dat voor «milieu» wordt gelezen «chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen» en voor «een inrichting of mijnbouwwerk of de werking daarvan»: het storten of lozen van stoffen.

2. In het vierde lid, eerste volzin, wordt «tweede lid» vervangen door: derde lid.

3. In het vijfde lid wordt «tweede en derde lid» vervangen door: derde en vierde lid.

ARTIKEL III

In artikel 75, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 wordt «de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde eisen» vervangen door: de ingevolge artikel 71 gestelde eisen.

ARTIKEL IV

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2.7, eerste lid, wordt «artikel 2.10, tweede lid,» vervangen door: de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.11, tweede lid,.

B

Artikel 2.9a wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, categorieën gevallen worden aangewezen waarin de eerste volzin van overeenkomstige toepassing is.

2. In het tweede lid wordt «dat besluit of de mededeling, bedoeld in artikel 3.12» vervangen door «de mededeling van dat besluit krachtens artikel 3.12, tweede lid, onder b», en wordt «indien het besluit» vervangen door: indien de mededeling.

C

Artikel 2.11, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Indien sprake is van strijd met de regels, bedoeld in het eerste lid, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

D

In artikel 2.20, eerste lid, wordt «een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of e» vervangen door: een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, of in artikel 2.1, eerste lid, onder e, met betrekking tot een inrichting.

E

Aan artikel 2.27, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.

F

In artikel 5.2, vierde lid, vervalt «de voorschriften die betrekking hebben op».

ARTIKEL V

Artikel 3, derde lid, eerste volzin, van de Wet ammoniak en veehouderij komt te luiden:

Het eerste lid geldt evenmin voor het weigeren van de omgevingsvergunning op de grond dat door verlening daarvan niet aan artikel 2.14, eerste lid, onder c, onder 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingrecht kan worden voldaan en voor voorschriften die met toepassing van het bepaalde krachtens artikel 2.22, derde lid, van die wet of artikel 1.3c of 8.40 van de Wet milieubeheer worden gesteld om te bereiken dat in de veehouderij ten minste de voor de veehouderij in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

ARTIKEL VI

Artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onderdeel 6°, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur komt te luiden:

  • 6°. artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van die wet voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van die wet, en artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van die wet voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een activiteit waarvoor bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2.17 van die wet is bepaald dat de beschikking in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3, kan worden geweigerd;.

ARTIKEL VII

De Wet bodembescherming wordt als volgt gewijzigd:

A

In de aanhef van artikel 12, eerste lid, wordt «artikel 6.1 van de Waterwet» vervangen door: artikel 1.1 van de Waterwet.

B

In artikel 27, tweede lid, wordt «reinigbaarheid» telkens vervangen door: reinigbaarheid en de immobiliseerbaarheid.

C

Artikel 28, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel e wordt na «gereinigd» ingevoegd: of geïmmobiliseerd.

2. In onderdeel f wordt na «reinigbaarheid» ingevoegd: of de immobiliseerbaarheid.

D

In artikel 28a, onderdeel a, wordt na «reinigbaarheid» ingevoegd: of de immobiliseerbaarheid.

ARTIKEL VIII

In artikel 5, eerste lid, van de Wet explosieven voor civiel gebruik wordt «wijst een of meer instellingen aan» vervangen door: kan een of meer instellingen aanwijzen.

ARTIKEL IX

De Wet geluidhinder wordt als volgt gewijzigd:

aA

In de artikelen 49, 58 en 76a wordt «het nemen van een omgevingsvergunning» vervangen door: de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

A

Artikel 55 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt na «eerste» ingevoegd: en vierde.

2. In het vierde lid vervalt « in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen».

B

Artikel 87b, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a komt te luiden:

  • a. een wijziging van de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beide in het toekomstig maatgevende jaar van door Onze Minister te bepalen categorieën spoorvoertuigen op een bepaald spoorweggedeelte of een combinatie van spoorweggedeelten als gevolg waarvan de geluidemissie van de betreffende spoorgedeelten of de combinatie daarvan onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van de gemiddelde geluidemissie, bepaald volgens bij ministeriële regeling te stellen regels, van de drie jaren voorafgaand aan de wijziging;

2. Onderdeel b vervalt.

3. De onderdelen c tot en met e worden geletterd tot b tot en met d.

C

Artikel 89 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikel 111, derde lid» vervangen door: artikel 111, tweede lid.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Met betrekking tot gevallen, die aan Onze Minister zijn gemeld op grond van artikel 88, eerste lid, zoals dat luidde voor 1 januari 2007, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gegeven omtrent de aard van de maatregelen die in aanmerking komen en de omstandigheden waaronder dit het geval is, alsmede omtrent de opzet en het tijdstip van vaststelling van een programma.

ARTIKEL X

Artikel 2, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij komt te luiden:

  • 2. Het eerste lid geldt niet voor het weigeren van de omgevingsvergunning op de grond dat door verlening daarvan niet aan artikel 2.14, eerste lid, onder c, onder 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingrecht kan worden voldaan en voor voorschriften die met toepassing van het bepaalde krachtens artikel 2.22, derde lid, van die wet of artikel 1.3c of 8.40 van de Wet milieubeheer worden gesteld om te bereiken dat in de veehouderij ten minste de voor de veehouderij in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

ARTIKEL XI

In artikel 13, eerste lid, van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden vervalt «artikel 10b, tweede lid, en».

ARTIKEL XII

De Wet milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.3c, eerste lid, vervalt de komma na «voorschriften».

B

Artikel 5.16, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b komt te luiden:

  • b. de artikelen 9.5.1 en 9.5.6;.

2. In onderdeel g wordt onder vernummering van onderdeel 2° tot onderdeel 3°, een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • 2°. activiteiten die op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van die wet, bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover die activiteiten plaatsvinden binnen een inrichting en voor zover dat bij die maatregel is bepaald;.

C

Artikel 7.1, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. «7.7 tot met 7.12» wordt vervangen door: 7.7 tot en met 7.12.

2. Na «dit hoofdstuk» wordt ingevoegd: en de daarop berustende bepalingen.

D

In artikel 7.1a wordt na «Dit hoofdstuk» ingevoegd: en de daarop berustende bepalingen.

Da

In artikel 8.48, eerste lid, onder a, wordt «artikel 8.45» vervangen door: artikel 2.22, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

E

Artikel 9.2.2.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «betreffende» ingevoegd: het ter zake bevoegde gezag,.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De vergunning kan slechts worden geweigerd in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu, alsmede indien de uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie daartoe noopt.

3. In het vijfde lid wordt aan het slot, onder vervanging van een punt door een komma, toegevoegd: alsmede indien de uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie daartoe noopt.

4. In het zesde lid wordt na «vergunning» ingevoegd: in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu.

5. In het zevende lid wordt aan het slot, onder vervanging van de punt door een komma, toegevoegd: tenzij uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie daartoe noopt.

F

In artikel 13.1, eerste lid, wordt «beschikkingen krachtens de in het tweede lid genoemde wetten» vervangen door: beschikkingen krachtens deze wet en van beschikkingen krachtens de in het tweede lid genoemde wetten.

G

In artikel 21.6, zesde lid, wordt «onder vermelding van de korte inhoud» vervangen door: onder korte vermelding van de inhoud.

H

In hoofdstuk 8 wordt het opschrift «Titel 8.4. Regels met betrekking tot plaatsing van stortplaatsen op een lijst» vervangen door: Paragraaf 8.3.

ARTIKEL XIII

In artikel 1a, onderdeel 1°, van de Wet op de economische delicten wordt in de zinsnede met betrekking tot de Wet milieubeheer «17.4 eerste lid, 17.12, eerste lid, 17.13, eerste lid, 17.19, vijfde lid 17.5b, 17.5c, tweede lid, en 17.5d in verbinding met 17.5b en 17.5c, tweede lid,» vervangen door: 17.4, eerste lid, 17.12, eerste lid, 17.13, eerste lid, 17.5b, 17.5c, tweede lid, en 17.5d in verbinding met 17.5b en 17.5c, tweede lid, en 17.19, vijfde lid,.

ARTIKEL XIV

De Wet ruimtelijke ordening wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 6.1, tweede lid, onder f, wordt «artikel 2.10, eerste lid, onder f, artikel 2.11, derde lid,» vervangen door: artikel 2.10, eerste lid, onder c, 2.11, eerste lid,.

B

In artikel 6.13, tweede lid, onder d, wordt «de artikelen 3.1, eerste lid, en 3.10, derde lid,» vervangen door: artikel 3.1, eerste lid, en artikel 2.22, zesde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

C

Artikel 6.21, tweede lid, komt als volgt te luiden:

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen het verschuldigde bedrag, bedoeld in het eerste lid, bij dwangbevel invorderen.

D

[vervallen]

ARTIKEL XV

De Wet voorkeursrecht gemeenten wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 2 en 6, tweede lid, wordt «10 tot en met 24, 26 en 27» vervangen door: 10 tot en met 15, 24 en 26.

Aa

In artikel 3, eerste lid, vervalt « of besluit».

Ab

In artikel 6, derde lid, wordt na «wordt het bezwaar of beroep» ingevoegd: mede.

B

Aan artikel 8 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. In geval van onherroepelijke vernietiging in beroep van het in artikel 3, eerste lid, bedoelde bestemmingsplan of inpassingsplan, geldt de in artikel 3 bedoelde aanwijzing tot een jaar na de datum van de vernietiging als zijnde in overeenstemming met de eisen gesteld in artikel 3, eerste lid, behoudens eerdere intrekking door burgemeester en wethouders.

C

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt de komma na «bestemmingsplan» vervangen door: of.

2. Onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Indien artikel 8, derde lid, van toepassing is, vervalt het besluit tot aanwijzing, bedoeld in artikel 3, van rechtswege na afloop van de in het derde lid van artikel 8 genoemde termijn, tenzij voor dat tijdstip voor de in de aanwijzing begrepen gronden een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld, dat voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, gestelde eisen. In dat geval vervalt het besluit tot aanwijzing van rechtswege tien jaar na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan onderscheidenlijk inpassingsplan.

D

Artikel 9a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. De artikelen 6, derde lid, 7 tot en met 15, 24 en 26 zijn van overeenkomstige toepassing.

2. In het vijfde en zesde lid vervalt «en 16 tot en met» en wordt na «12» een komma geplaatst.

E

In artikel 9b wordt in het eerste en tweede lid »11 tot en met 21» vervangen door: 11 tot en met 15.

F

In artikel 9c vervalt de zinsnede «, tenzij de intrekking het gevolg is van het na een vernietiging van het bestemmingsplan, respectievelijk inpassingsplan niet langer voldoen aan de eisen, gesteld in artikel 3, eerste lid, met dien verstande dat een aldus verlengd voorkeursrecht vervalt als niet binnen een jaar een bestemmingsplan is vastgesteld op grondslag waarvan de aanwijzing kan plaatsvinden».

G

Artikel 10, tweede lid, onderdeel f, komt te luiden:

  • f. een overeenkomst, betrekking hebbende op gronden die zijn aangewezen bij een besluit als bedoeld in artikel 5 of 6 dan wel artikel 9a, eerste of tweede lid, in samenhang met artikel 5 of 6, gesloten met een pachter aan wie ten aanzien van deze gronden ten tijde van de inwerkingtreding van dit besluit een voorkeursrecht toekwam als bedoeld in artikel 378 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

H

In artikel 25, eerste en tweede lid, wordt «10 tot en met 24» vervangen door: 10 tot en met 15, 24.

ARTIKEL XVa

In artikel II van de wet van 18 juni 2009 tot wijziging van de Wet explosieven voor civiel gebruik ten behoeve van de implementatie van richtlijn nr. 2008/43/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 4 april 2008 tot instelling van een systeem voor de identificatie en de traceerbaarheid van explosieven voor civiel gebruik overeenkomstig Richtlijn 93/15/EEG van de Raad betreffende harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik (PbEG L 127) (Stb. 298) wordt na «tijdstip» ingevoegd: , dat voor de verschillende onderdelen van artikel I verschillend kan worden vastgesteld.

ARTIKEL XVb

In artikel II, onderdeel H, van de wet van 29 april 2010 tot kleine wijzigingen en reparaties in diverse wetten op het terrein van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer (Stb. 2010, 187) wordt «koninklijk besluit« vervangen door «koninklijke boodschap» en wordt «artikel 3.1 van de Wet dieren» vervangen door: de artikelen 3.1, 3.3 tot en met 3.6, 6.4 en 7.1 van de Wet dieren met betrekking tot dierlijke bijproducten.

ARTIKEL XVc

De wet van 6 juli 2011 inzake implementatie van het op 23 februari 2006 te Genève tot stand gekomen Maritiem arbeidsverdrag, 2006 (Trb. 2007, 93) wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel I, onderdeel GG, wordt in artikel 69c, vijfde lid, van de Zeevaartbemanningswet «artikel 48c, tweede lid, onderdeel a,» vervangen door: artikel 48c, derde lid, onderdeel a,.

B

In artikel VII vervalt onderdeel n, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel m door een punt.

ARTIKEL XVI

Indien het bij koninklijke boodschap van 7 maart 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur naar aanleiding van de evaluatie van die wet, alsmede uitbreiding van de reikwijdte ervan en wijziging van enige andere wetten (Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob) (32 676) tot wet wordt verheven en artikel I, onderdeel A, onderdeel 2, onderdeel b, van die wet eerder in werking treedt dan artikel VI van deze wet, vervalt artikel VI van deze wet.

ARTIKEL XVII

Indien het bij koninklijke boodschap van 7 maart 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur naar aanleiding van de evaluatie van die wet, alsmede uitbreiding van de reikwijdte ervan en wijziging van enige andere wetten (Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob) (32 676) tot wet wordt verheven en die wet in werking treedt op of na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel VI van deze wet, vervalt artikel I, onderdeel A, onderdeel 2, onderdeel b, van die wet en wordt onderdeel c van onderdeel 2 geletterd onderdeel b.

ARTIKEL XVIII

Indien het bij koninklijke boodschap van 7 maart 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur naar aanleiding van de evaluatie van die wet, alsmede uitbreiding van de reikwijdte ervan en wijziging van enige andere wetten (Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob) (32 676) tot wet wordt verheven en artikel IV van die wet eerder in werking treedt dan artikel XII, onderdeel E, van deze wet, komt artikel XII, onderdeel E, van deze wet te luiden:

E

Artikel 9.2.2.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «betreffende» ingevoegd: het ter zake bevoegde gezag,.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De vergunning kan slechts worden geweigerd:

    • a. in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu;

    • b. indien de uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie daartoe noopt, of

    • c. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, indien dat bij de maatregel is bepaald.

3. Het zesde lid komt te luiden:

  • 6. Onverminderd artikel 5.19, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan een vergunning worden ingetrokken:

    • a. indien de handeling aanmerkelijk gevaar oplevert voor de gezondheid van de mens of voor het milieu en wijziging of aanvulling van de aan de vergunning verbonden voorschriften redelijkerwijs geen oplossing kan bieden;

    • b. indien de uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie daartoe noopt, of

    • c. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur indien dat bij de maatregel is bepaald.

4. In het zevende lid wordt na «vergunning» ingevoegd: in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu.

5. In het achtste lid wordt aan het slot, onder vervanging van de punt door een komma, toegevoegd: tenzij uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie daartoe noopt.

ARTIKEL XIX

Indien het bij koninklijke boodschap van 7 maart 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur naar aanleiding van de evaluatie van die wet, alsmede uitbreiding van de reikwijdte ervan en wijziging van enige andere wetten (Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob) (32 676) tot wet wordt verheven en artikel IV van die wet in werking treedt op of na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel XII, onderdeel E, van deze wet, komt artikel IV, van die wet te luiden:

ARTIKEL IV

Artikel 9.2.2.3 van de Wet milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De vergunning kan slechts worden geweigerd:

    • a. in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu;

    • b. indien de uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie daartoe noopt, of

    • c. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, indien dat bij de maatregel is bepaald.

2. Onder vernummering van het derde tot en met zevende lid tot vierde tot en met achtste lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Voordat toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, aanhef en onder b, of het zesde lid, aanhef en onder b, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

3. Het zesde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 6. Onverminderd artikel 5.19, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan een vergunning worden ingetrokken:

    • a. indien de handeling aanmerkelijk gevaar oplevert voor de gezondheid van de mens of voor het milieu en wijziging of aanvulling van de aan de vergunning verbonden voorschriften redelijkerwijs geen oplossing kan bieden;

    • b. indien de uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie daartoe noopt, of

    • c. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, indien dat bij de maatregel is bepaald.

ARTIKEL XIXa

Indien het bij koninklijke boodschap van 20 mei 2010 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Provinciewet, de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met de revitalisering van het generiek interbestuurlijk toezicht (Wet revitalisering generiek toezicht) (32 389) tot wet is of wordt verheven en artikel 3.9 van die wet eerder in werking treedt dan deze wet, vervalt artikel XI van deze wet.

ARTIKEL XIXb

Indien het bij koninklijke boodschap van 20 mei 2010 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Provinciewet, de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met de revitalisering van het generiek interbestuurlijk toezicht (Wet revitalisering generiek toezicht) (32 389) tot wet is of wordt verheven en artikel 3.3, onderdeel B, van die wet in werking treedt, wordt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als volgt gewijzigd:

1. In artikel 2.29, derde lid (nieuw), wordt «eerste, tweede of derde lid» vervangen door: eerste of tweede lid.

2. In artikel 2.32 wordt «een verzoek als bedoeld in artikel 2.29, derde lid» vervangen door: een verzoek als bedoeld in artikel 2.29, tweede lid.

ARTIKEL XIXc

Indien het bij koninklijke boodschap van 4 februari 2011 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van overgangsrecht en wijziging van diverse wetten ten behoeve van de invoering van de wet van 24 november 2011 tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de invoering van de geluidproductieplafonds en de overheveling van hoofdstuk IX van de Wet geluidhinder naar de Wet milieubeheer (modernisering instrumentarium geluidbeleid, geluidproductieplafonds) (Invoeringswet geluidproductieplafonds) (32 625) tot wet is of wordt verheven en artikel XI van die wet in werking treedt dan wel, indien artikel XI van die wet eerder in werking is getreden dan deze wet, op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, wordt in artikel XI, tweede lid, onderdeel b, van die wet «de onderdelen b, d, e en c» vervangen door: de onderdelen b, d tot en met g en c.

ARTIKEL XIXd

Indien het bij koninklijke boodschap van 4 februari 2011 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van overgangsrecht en wijziging van diverse wetten ten behoeve van de invoering van de wet van 24 november 2011 tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de invoering van de geluidproductieplafonds en de overheveling van hoofdstuk IX van de Wet geluidhinder naar de Wet milieubeheer (modernisering instrumentarium geluidbeleid, geluidproductieplafonds) (Invoeringswet geluidproductieplafonds) (32 625) tot wet is of wordt verheven en artikel I van die wet in werking treedt dan wel, indien artikel I van die wet eerder in werking is getreden dan deze wet, op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, wordt de Wet geluidhinder, zoals deze luidt na inwerkingtreding van genoemd artikel I, als volgt gewijzigd:

1. In de artikelen 46, tweede lid, onderdeel a, 55, derde lid, onderdeel a, 62, eerste lid, 89, eerste lid, en 100a, eerste lid, onderdeel a, onder 2 wordt «artikel 111» vervangen door: artikel 111b.

2. In de artikelen 113 en 114 wordt «de artikelen 111 en 112» vervangen door: de artikelen 111b en 112.

ARTIKEL XIXe

Indien het bij koninklijke boodschap van 4 februari 2011 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van overgangsrecht en wijziging van diverse wetten ten behoeve van de invoering van de wet van 24 november 2011 tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de invoering van de geluidproductieplafonds en de overheveling van hoofdstuk IX van de Wet geluidhinder naar de Wet milieubeheer (modernisering instrumentarium geluidbeleid, geluidproductieplafonds) (Invoeringswet geluidproductieplafonds) (32 625) tot wet is of wordt verheven en de wijziging van de Wet milieubeheer in werking treedt of is getreden, zoals gewijzigd door Artikel II van genoemde wet, wordt de aldus gewijzigde Wet milieubeheer als volgt gewijzigd:

1. In artikel 11.1, eerste lid, komt de begripsomschrijving van «geprojecteerde weg of spoorweg» te luiden:

geprojecteerde weg of spoorweg:

nog niet aangelegde weg of spoorweg, in de aanleg waarvan wordt voorzien door een geldend bestemmingsplan, tracébesluit, of wegaanpassingsbesluit als bedoeld in de Spoedwet wegverbreding, dan wel door een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken;.

2. Artikel 11.42, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Het tweede tot en met vijfde lid zijn van toepassing indien een verzoek tot wijziging van een geluidproductieplafond of een wijziging van een geluidproductieplafond in het kader van een tracébesluit betrekking heeft op een weg of spoorweg waarvoor de beheerder op grond van artikel 11.56, eerste lid, een verzoek tot vaststelling van een saneringsplan moet doen, en er voor deze weg of spoorweg nog niet eerder een saneringsplan is vastgesteld.

3. Artikel 11.43 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid vervalt.

2. Het derde lid wordt genummerd tweede lid.

4. In artikel 11.56, vijfde lid, wordt «tweede en zesde lid» vervangen door: tweede en zevende lid.

5. Artikel 11.57 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Na het eerste lid (nieuw) wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Onder saneringsobjecten als bedoeld in het eerste lid worden niet verstaan geluidsgevoelige objecten met betrekking waartoe met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering een hogere geluidsbelasting is toegestaan dan de wettelijke maximumwaarde ingevolge de Wet geluidhinder.

ARTIKEL XX

  • 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. De artikelen I, onderdeel A, en IV, onderdeel E, werken terug tot en met 1 oktober 2010.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te ’s-Gravenhage, 22 februari 2012

Beatrix

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Uitgegeven de tweeëntwintigste maart 2012

De Minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 32 844