﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl publtype="stbl" soort="kb" id="sb2007.472">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2007-472/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="axml_1.8" conv="vrrm_1.12" markup="V"></versie>
    <ordernr>STB11366</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="2007">Jaargang 2007</jaargang>
      <stbjaar>2007</stbjaar>
      <stbnr>472</stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 26 november 2007, houdende vaststelling van het tijdstip van
inwerkingtreding van de wet van 22 november 2006, houdende wijziging
van de Wet milieubeheer en enige andere daarmee verband houdende wetten
(modernisering van de algemene milieuregels voor inrichtingen) (Stb.
606) en van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
(Stb. 415)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van Onze
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van
22 november 2007, nr. DJZ2007115283, Directie Juridische Zaken,
Afdeling Wetgeving;</al>
        <al>Gelet
op<grslag> artikel IX van de wet van 22 november
2006, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en enige andere
daarmee verband houdende wetten (modernisering van de algemene
milieuregels voor inrichtingen) (Stb. 606)</grslag> en
<grslag>artikel 6.44 van het Besluit algemene
regels voor inrichtingen milieubeheer (Stb.
415)</grslag>;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben
goedgevonden en
verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <art>
      <kop>
        <nr>Artikel 1</nr>
      </kop>
      <al>De wet van
22 november 2006, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en enige
andere daarmee verband houdende wetten (modernisering van de algemene
milieuregels voor inrichtingen) (Stb. 606) treedt in werking met ingang
van 1 januari 2008.</al>
    </art>
    <art>
      <kop>
        <nr>Artikel 2</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>Het Besluit algemene regels voor inrichtingen
milieubeheer treedt in werking met ingang van 1 januari 2008 met
uitzondering
van:</al>
        <al>a. artikel 2.11, vijfde lid, onderdeel
b;</al>
        <al>b. artikel 2.16;</al>
        <al>c. artikel 2.17, tweede lid, ten aanzien van
inrichtingen die voor 21 december 2006 zijn opgericht op
industrieterreinen als bedoeld in artikel 1 van de Wet
geluidhinder;</al>
        <al>d. artikel
2.19;</al>
        <al>e. de paragrafen 3.3.5 voor zover
het de opslag van bilgewater en afgewerkte olie in ondergrondse tanks
betreft en 4.1.1 voor zover het de opslag van gevaarlijke afvalstoffen
in verpakking betreft afkomstig van onderhoud en reparatie van
pleziervaartuigen, ten aanzien van inrichtingen waar gelegenheid wordt
geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen;</al>
        <al>f. artikel 4.15 voor zover het de opslag van
afgedankte apparatuur betreft, ten aanzien van inrichtingen met een
opslag tot 35 kubieke meter afgedankte apparatuur, bedoeld in artikel
1, onderdeel l, van de Regeling beheer elektrische en elektronische
apparatuur die conform artikel 4 van die regeling is ingenomen bij het
ter beschikking stellen van een nieuw product;</al>
        <al>g. de artikelen 4.15 voor zover het de opslag van
autowrakken betreft en 4.84 voor zover het de opslag en het demonteren
van autowrakken betreft, ten aanzien van inrichtingen waar onderhoud en
reparatie van motorvoertuigen plaatsvindt en waar autowrakken worden
opgeslagen waarop op 31 december 2007 het Besluit inrichtingen voor
motorvoertuigen milieubeheer van toepassing was of zou zijn
geweest;</al>
        <al>h. paragraaf 4.1.1 voor zover
het de opslag van gevaarlijke afvalstoffen betreft ontstaan bij
bouwwerkzaamheden, onderhoudswerkzaamheden of herstelwerkzaamheden die
buiten de inrichting zijn verricht door degene die de inrichting
drijft, ten aanzien van inrichtingen met een opslag van gevaarlijke
afvalstoffen ontstaan bij bouwwerkzaamheden, onderhoudswerkzaamheden of
herstelwerkzaamheden die buiten de inrichting zijn verricht door degene
die de inrichting drijft, waarop op 31 december
2007</al>
        <al>1°. het Besluit horeca-, sport- en
recreatie-inrichtingen milieubeheer;</al>
        <al>2°. het Besluit bouw- en houtbedrijven
milieubeheer;</al>
        <al>3°. het Besluit
inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer;</al>
        <al>4°. het Besluit textielreinigingsbedrijven
milieubeheer, of</al>
        <al>5°. het Besluit
jachthavens,</al>
        <al>van
toepassing was of zou zijn geweest;</al>
        <al>i. de artikelen 4.105, tweede tot en met vijfde lid,
4.106, eerste lid, onderdelen b, c en d, 4.107, eerste lid, voor zover
het gevaarlijke afvalstoffen betreft, ten aanzien van inrichtingen waar
gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van
pleziervaartuigen.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>Artikel 2.11, vijfde lid, onderdeel b, van het
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer treedt in
werking op het tijdstip waarop enig artikel van het Besluit
bodemkwaliteit in werking treedt.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>3.</nr>
        <al>Artikel 2.16 van het Besluit algemene regels voor
inrichtingen milieubeheer treedt in werking met ingang van 1 januari
2009.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>4.</nr>
        <al>Artikel 2.17, tweede lid,
van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer treedt
ten aanzien van inrichtingen die voor 21 december 2006 zijn
opgericht op industrieterreinen als bedoeld in artikel 1 van de Wet
geluidhinder in werking met ingang van 21 december
2008.</al>
      </lid>
    </art>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.</slotform>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>26
november
2007</onddatum>
        <koning>Beatrix</koning>
        <minister>
          <minvan>De
Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer, </minvan>
          <naam>J.
M. Cramer</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">vierde</nadruk> december 2007</uitgifte-regel>
        <uitdag>vierde</uitdag>
        <uitmaand>december</uitmaand>
        <uitjaar>2007</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van
Justitie, </minvan>
          <naam>E.
M. H. Hirsch
Ballin</naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING</titel>
      </kop>
      <al>De wet van 22 november 2006, houdende wijziging van
de Wet milieubeheer en enige andere daarmee verband houdende wetten
(modernisering van de algemene milieuregels voor inrichtingen) (Stb.
606) biedt een juridische grondslag voor de wijziging van de algemene
regels. De nieuwe systematiek gaat er vanuit dat een inrichting onder
de algemene regels valt, tenzij een deel daarvan is uitgezonderd. In
artikel 1 van dit besluit is geregeld dat de wet met ingang van 1
januari 2008 in werking treedt.</al>
      <al>Het Besluit
algemene regels voor inrichtingen milieubeheer hangt nauw samen met de
voornoemde wet. Het besluit vormt het hart van het project
«Modernisering van algemene regels». De voorschriften uit
de oude 8.40-besluiten zijn opgeschoond en geharmoniseerd samengevoegd
in het besluit. Ook de voorschriften voor lozingen in de bodem en het
oppervlaktewater, die in afzonderlijke lozingsbesluiten of vergunningen
en ontheffingen waren opgenomen zijn in het besluit opgenomen. In
artikel 2, eerste lid, van dit besluit is geregeld dat het Besluit
algemene regels voor inrichtingen milieubeheer met ingang van 1 januari
2008 in werking treedt.</al>
      <al>Voor een aantal
artikelen is een uitzondering gemaakt ten aanzien van de
inwerkingtreding met ingang van 1 januari 2008. Hieronder worden die
uitzonderingen besproken.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2,
eerste lid, onderdeel a, en tweede lid</tuskop>
      <al>Artikel 2.11, vijfde lid, onderdeel b, treedt in werking met
ingang van het tijdstip waarop het Besluit bodemkwaliteit in werking
treedt. In het betreffende onderdeel wordt verwezen naar het
laatstgenoemde besluit en dit kan derhalve eerst inwerkingtreden op het
tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit
bodemkwaliteit.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2,
eerste lid, onderdeel b, en derde lid</tuskop>
      <al>In
artikel 2.16 is een uitputtende regeling opgenomen betreffende het
vervoer van de eigen werknemers van en naar de inrichting. In verband
met de oprichting van een Taskforce waarin werkgevers met werknemers en
overheden gaan werken aan voorstellen voor het concreet en niet
vrijblijvend regelen van vervoermanagement treedt artikel 2.16 niet met
ingang van 1 januari 2008 in werking. De uitgestelde inwerkingtreding
maakt het mogelijk voor de Tasforce om met adequate voorstellen te
komen betreffende het vervoermanagement. Het artikel treedt in beginsel
met ingang van 1 januari 2009 in werking. Indien voor de laatstgenoemde
datum adequate voorstellen door de Taskforce worden gedaan zal artikel
2.16 vervallen. Tot die tijd is artikel 6.9 van het besluit van
toepassing.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2,
eerste lid, onderdeel c, en vierde lid</tuskop>
      <al>Op 21
december 2006 is het besluit van 20 oktober 2006, houdende wijziging
van enige krachtens de artikelen 8.40, 8.41 en 8.42 van de Wet
milieubeheer gegeven algemene maatregelen van bestuur in verband met
een tekort aan geluidsruimte op industrieterreinen als bedoeld in
artikel 1 van de Wet geluidhinder (efficiënter gebruik
geluidsruimte op gezoneerde industrieterreinen, Stb. 567) in werking
getreden. Dat besluit wijzigde een aantal oude 8.40-besluiten in die
zin dat voor inrichtingen gelegen op een gezoneerd industrieterrein de
geluidsnormen golden op een afstand van 50 meter van de grens van de
inrichting, tenzij binnen 50 meter een geluidsgevoelige bestemming was
gelegen. In het besluit efficiënter gebruik geluidsruimte op
gezoneerde industrieterreinen is een overgangsregeling opgenomen ten
aanzien van inrichtingen die voor de inwerkingtreding van dat besluit
zijn opgericht op industrieterreinen als bedoeld in artikel 1 van de
Wet geluidhinder. Ten aanzien van die inrichtingen worden de bij dat
besluit ingevoerde bepalingen voor het eerst van toepassing twee jaar
na inwerkingtreding van dat besluit. Die ingevoerde bepalingen zijn
overgenomen als artikel 2.17, tweede lid, van het Besluit algemene
regels voor inrichtingen milieubeheer. De overgangsregeling wordt
voortgezet hetgeen inhoudt dat dit artikellid voor de betreffende
inrichtingen eerst met ingang van 21 december 2008 in werking
treedt.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2, eerste
lid, onderdeel d</tuskop>
      <al>In artikel 2.19 van het
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer wordt gemeenten
de mogelijkheid geboden om in een gemeentelijke verordening een
afwijkende geluidsnorm vast te stellen. Artikel 2.19 treedt nog niet in
werking omdat de VNG hiervoor een model gemeentelijke verordening gaat
opstellen. Pas nadat deze voldoende ontwikkeld is zal artikel 2.19 in
werking kunnen treden. Dit zal middels een afzonderlijk
inwerkingtredingsbesluit gebeuren. Tot die tijd is artikel 6.16 van het
besluit van toepassing.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2, eerste lid, onderdelen e tot en
met i</tuskop>
      <al>Op grond van artikel 3, vierde lid,
van richtlijn 91/689/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen van
12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEU L 377)
moeten de bepalingen inzake gevaarlijke afvalstoffen worden
genotificeerd. Ofschoon de notificatie binnen de daarvoor aangegeven
termijn is gedaan, is de betreffende procedure nog niet afgerond. Het
zonder afronding van deze procedure in werking laten treden van de
betreffende artikelen neemt het risico met zich van
niet-toepasselijkheid en niet-handhaafbaarheid van deze artikelen en
een inbreukprocedure van de Commissie tegen Nederland. Om dit te
voorkomen treden de betreffende bepalingen nog niet in werking. Deze
zullen wanneer de notificatie is afgerond door middel van een
afzonderlijk inwerkingtredingsbesluit in werking
treden.</al>
      <minister>
        <minvan>De
Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer, </minvan>
        <naam>J.
M. Cramer</naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>