﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<staatsbl publtype="stbl" soort="kb" id="sb2007.469">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2007-469/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="axml_1.8" conv="vrrm_1.12" markup="V"></versie>
    <ordernr>STB11333</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="2007">Jaargang 2007</jaargang>
      <stbjaar>2007</stbjaar>
      <stbnr>469</stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 22 november 2007, houdende regels inzake de kwaliteit van de bodem
</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van
Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer van 2 juli 2007, nr. DJZ2007057947, Directie Juridische
Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens de Staatssecretaris van
Verkeer en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit;</al>
        <al>Gelet op
<grslag>richtlijn nr. 89/106/EEG van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de
onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen der lidstaten inzake de voor de bouw bestemde produkten
(PbEG L 40), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 93/68/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993 (PbEG L
220)</grslag>;</al>
        <al>Gelet
op <grslag>richtlijn nr. 06/12/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 5 april 2006 betreffende
afvalstoffen (PbEG, L 114), ter vervanging van richtlijn nr. 75/442/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende
afvalstoffen (PbEG L 194), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij
verordening nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Gemeenschap van 29 september 2003 (PbEU L
284)</grslag>;</al>
        <al>Gelet
op de <grslag>artikelen 1.1, zevende lid, 8.1,
tweede lid, 8.5, 8.40, 8.45, 8.49, vijfde lid,10.2, tweede lid, 10.15,
eerste lid, 10.17, eerste lid, 10.52, 11.1, 11.2 en 11.3 van de Wet
milieubeheer</grslag>, de <grslag>artikelen 6, 7,
8, 12a, 12b, 15, 16a, 17, 36, 38, 39b, 70, 71, 72, 76o en 91 van de Wet
bodembescherming</grslag>, de <grslag>artikelen 1
derde lid, 2a, eerste en tweede lid, 2b en 2c van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren</grslag>,
<grslag>artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke
stoffen</grslag>, <grslag>artikel 12, tweede lid
van de Wet belastingen op milieugrondslag</grslag> en
<grslag>artikel 40a van de
Woningwet</grslag>;</al>
        <al>De
Raad van State gehoord (advies van 10 september 2007,
nr. W08.07.0189/IV);</al>
        <al>Gezien het nader rapport van Onze
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van
19 november 2007, nr. DJZ2007113029, Directie Juridische Zaken,
Afdeling Wetgeving, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van
Verkeer en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en
verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 1.</nr>
        <titel status="off">ALGEMENE
BEPALINGEN</titel>
      </kop>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 1</nr>
        </kop>
        <al>In dit
besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Achtergrondwaarden</nadruk>: bij regeling van
Onze Ministers vastgestelde gehalten aan chemische stoffen voor een
goede bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van
belasting door lokale verontreinigingsbronnen;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Accreditatie</nadruk>: bewijs waarmee de Raad
voor Accreditatie kenbaar maakt dat gedurende een bepaalde periode een
gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de hierin genoemde persoon of
instelling competent is voor het uitvoeren van de desbetreffende
werkzaamheid;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Baggerspecie</nadruk>:
materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of
de voor dat water bestemde ruimte en dat bestaat uit minerale delen met
een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een
verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature
worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende
schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Bodembeheergebied</nadruk>: aaneengesloten, door
het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 44, 45 of 46, afgebakend deel
van de oppervlakte van een of meer gemeenten of het beheergebied van
een of meer waterkwaliteitsbeheerders;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Bodemfuncties</nadruk>: gebruik van de bodem,
niet zijnde de bodem onder oppervlaktewater, zoals dat is vastgesteld
door de gemeenteraad, overeenkomstig een bij regeling van Onze
Ministers vastgestelde indeling;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Bodemfunctieklassen</nadruk>: bij regeling van
Onze Ministers vastgestelde indeling van bodemfuncties in de
categorieën, bedoeld in artikel 55, eerste lid;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Bouwstof</nadruk>: materiaal waarin de
totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium tezamen meer dan 10
gewichtsprocent van dat materiaal bedragen, uitgezonderd vlakglas,
metallisch aluminium, grond of baggerspecie, dat is bestemd om te
worden toegepast;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Certificaat</nadruk>:
verklaring waarmee een door Onze Minister en Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat erkende certificeringsinstelling kenbaar maakt dat
gedurende een bepaalde periode een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat
dat de hierin genoemde persoon voldoet aan het voor de certificering
geldende normdocument;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Erkende
kwaliteitsverklaring</nadruk>: schriftelijke verklaring die is
afgegeven door een instelling die daartoe beschikt over een erkenning,
waarin wordt verklaard dat de bijbehorende partij die afkomstig is van
een persoon of instelling die is erkend voor het produceren op basis
van een nationale Beoordelingsrichtlijn, voldoet aan de bij of
krachtens dit besluit gestelde eisen met betrekking tot de
milieuhygiënische kwaliteit, mits toegepast op de in de
verklaring aangegeven wijze;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Erkenning</nadruk>: beschikking van Onze
Ministers waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling
voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens dit besluit
geldende voorwaarden;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Fabrikant-eigenverklaring</nadruk>:
schriftelijke verklaring, afgegeven door de producent van een bouwstof,
grond of baggerspecie, waarin deze verklaart dat de bijbehorende partij
voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen met
betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit. Uit de verklaring
blijkt op welke wijze is vastgesteld dat de partij voldoet aan de bij
of krachtens dit besluit gestelde eisen;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Grond</nadruk>: vast materiaal dat bestaat uit
minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en
organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de
bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem
voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63
millimeter, niet zijnde baggerspecie;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">IBC-bouwstof</nadruk>: bouwstof die vanwege de
mate van emissie alleen met isolatie-, beheers-, en controlemaatregelen
mag worden toegepast;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Instelling</nadruk>:
certificeringsinstelling, inspectie-instelling, laboratorium of andere
instelling met rechtspersoonlijkheid, die beoordeelt of een persoon,
een stof, een product, een installatie, een voorziening of een ander
object overeenstemt met een normdocument;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Interventiewaarden</nadruk>: bij regeling van
Onze Ministers vastgestelde generieke waarden die aangeven dat bij
overschrijding sprake is van potentiële ernstige vermindering
van de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier
heeft, als bedoeld in artikel 36 van de Wet bodembescherming;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Isolatie, beheers- en
controlemaatregelen</nadruk>: maatregelen waardoor bij toepassing van
een bouwstof nagenoeg geen contact optreedt van die bouwstof met
hemelwater en grondwater;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Kwaliteitsklasse</nadruk>: bij regeling van Onze
Ministers vastgestelde indeling in categorieën van de kwaliteit
van de bodem, grond of baggerspecie;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Landbouwbedrijf</nadruk>: bedrijf als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Meststoffenwet;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Milieuhygiënische
verklaring</nadruk>:</al>
        <al>a. voor bouwstoffen, grond of baggerspecie:
partijkeuring, fabrikant-eigenverklaring of erkende
kwaliteitsverklaring, en</al>
        <al>b. voor grond,
baggerspecie of de bodem, waarop of waarin de grond of baggerspecie
wordt toegepast: verklaring omtrent de milieuhygiënische
kwaliteit van een specifieke partij of de bodem, die is afgegeven op
basis van een kaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of 57, tweede
lid of een bij regeling van Onze Ministers aangewezen normdocument of
onderzoeksprotocollen;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Normdocument</nadruk>: een voor een werkzaamheid
op grond van artikel 25 aangewezen beoordelingsrichtlijn, protocol of
andere richtlijn, code, aanbeveling of norm die of dat eisen bevat ter
bevordering van de kwaliteit van werkzaamheden of de uitvoering
daarvan;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Onze Minister</nadruk>: Onze
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Onze Ministers</nadruk>: Onze
Minister, Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, met dien verstande dat het
bepaalde in artikel 14 van toepassing is;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Parameter</nadruk>: chemische stof of een
fysische eigenschap;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Partij</nadruk>:
identificeerbare hoeveelheid bouwstof, grond of baggerspecie van
vergelijkbare milieuhygiënische kwaliteit, die is bedoeld om als
geheel te worden verhandeld of toegepast;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Partijkeuring</nadruk>: schriftelijke verklaring
op basis van een eenmalig onderzoek, dat wordt uitgevoerd door een
persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning, en
waarin wordt vermeld of een partij onder het regime van het besluit kan
worden toegepast en hoe dit is vastgesteld;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Persoon</nadruk>: natuurlijk persoon of
rechtspersoon;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Raad voor
Accreditatie</nadruk>: de Stichting Raad voor Accreditatie te
Utrecht;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Toepassen van
bouwstoffen</nadruk>: in een werk aanbrengen of houden van bouwstoffen,
alsmede het laten verrichten daarvan. Voor de toepassing van de bij of
krachtens dit besluit gestelde regels wordt onder «het toepassen
van bouwstoffen in oppervlaktewater» mede verstaan het toepassen
van bouwstoffen op of in de bodem onder oppervlaktewater;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Toepassen van grond of baggerspecie</nadruk>:
het aanbrengen, verspreiden of tijdelijk opslaan van grond of
baggerspecie als bedoeld in artikel 35, het houden van de aangebrachte
of tijdelijk opgeslagen grond of baggerspecie in die toepassing,
alsmede het laten verrichten daarvan. Voor de toepassing van de bij of
krachtens dit besluit gestelde regels wordt onder het toepassen van
grond of baggerspecie in oppervlaktewater mede verstaan het toepassen
van grond of baggerspecie op of in de bodem onder
oppervlaktewater;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Vestigingsplaats</nadruk>: adres en woonplaats
van een persoon of adres en woonplaats waar een instelling zetelt;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Vormgegeven bouwstof</nadruk>: bouwstof met een
volume per kleinste eenheid van ten minste 50 cm<sup>3</sup>, die onder
normale omstandigheden een duurzame vormvastheid heeft;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Waterkwaliteitsbeheerder</nadruk>:
bestuursorgaan dat bevoegd is tot vergunningverlening ingevolge de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Werk</nadruk>: bouwwerk, weg- of waterbouwkundig
werk of anderszins functionele toepassing van een bouwstof,
uitgezonderd het verondiepen of het dempen van oppervlaktewater en het
ophogen van de bodem ten behoeve van woonwijken en
industrieterreinen.</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">Werkzaamheid</nadruk>:
een bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat aangewezen handeling als bedoeld in artikel 11.2, tweede
lid, van de Wet milieubeheer, die wordt uitgevoerd met betrekking tot
bodem, grond, baggerspecie of bouwstoffen.</al>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 2</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Voor de toepassing van de artikelen 5, eerste
en tweede lid, 6, 7, 8, van hoofdstuk 3 en de daarop berustende
bepalingen zijn, behoudens het tweede lid, burgemeester en wethouders
van de gemeente waarin de bouwstoffen worden toegepast het bevoegd
gezag ten opzichte van degene die een bouwstof toepast op of in de
bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Indien bouwstoffen worden toegepast op of in de
bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, binnen een
inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen die is
aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer,
en op grond van artikel 8.2 van die wet een ander orgaan dan
burgemeester en wethouders bevoegd is of indien de vergunningplicht
niet was opgeheven, bevoegd zou zijn een vergunning voor de inrichting
te verlenen, is ook in het kader van dit besluit dat andere orgaan het
bevoegd gezag, tenzij er sprake is van een toepassing als bedoeld in
artikel 1, onder a, van de Woningwet.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>De waterkwaliteitsbeheerder is het bevoegd gezag
ten opzichte van degene die een bouwstof toepast in
oppervlaktewater.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>Onze Minister is
het bevoegd gezag ten opzichte van degene die de handelingen, genoemd
in artikel 28, eerste lid, aanhef, verricht, met uitzondering van het
toepassen van bouwstoffen.</al>
        </lid>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 3</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Voor de toepassing van de artikelen 5, eerste
en tweede lid, 6, 7, 8, van hoofdstuk 4 en de daarop berustende
bepalingen zijn, behoudens het tweede lid, burgemeester en wethouders
van de gemeente waarin grond of baggerspecie op of in de bodem,
uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, wordt toegepast, het
bevoegd gezag.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Indien grond of
baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder
oppervlaktewater, wordt toegepast binnen een inrichting die behoort tot
een categorie van inrichtingen, die is aangewezen krachtens artikel
1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, en op grond van artikel 8.2
van die wet een ander orgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd
gezag is of zou zijn, is dat andere orgaan het bevoegd
gezag.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>De waterkwaliteitsbeheerder
is het bevoegd gezag voor degene die grond of baggerspecie toepast in
oppervlaktewater.</al>
        </lid>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 4</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Onze Minister treft de noodzakelijke
voorzieningen voor een doelmatig toezicht op de naleving van de bij of
krachtens dit besluit gestelde verplichtingen, na afstemming met de
bestuursorganen, bedoeld in het tweede tot en met derde lid, voorzover
het daar andere bestuursorganen dan Onze Minister betreft. De
voorzieningen hebben betrekking op de strategische, programmatische en
onderling afgestemde uitoefening van de
handhavingsbevoegdheden.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Ingeval
van toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie op of in de
bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, binnen een of meer
bodembeheergebieden, waarvoor meerdere bestuursorganen bevoegd gezag
zijn, wordt door de desbetreffende bestuursorganen één
bevoegd gezag aangewezen dat namens de betrokken bestuursorganen
zorgdraagt voor een gecoördineerd toezicht op de naleving van de
bij of krachtens dit besluit gestelde verplichtingen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Burgemeester en wethouders hebben tot taak zorg te
dragen voor de handhaving van de bij of krachtens dit besluit gestelde
verplichtingen, voorzover zij betrekking hebben
op:</al>
          <al>a. het toepassen van bouwstoffen op of in de bodem,
uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater;</al>
          <al>b. het toepassen van grond of baggerspecie op of in
de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, als bedoeld in
artikel 35;</al>
          <al>c. het verstrekken van een
milieuhygiënische verklaring als bedoeld in artikel 28, derde
lid;</al>
          <al>d. het melden van een toepassing
als bedoeld in de artikelen 32 en 42.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>Onze Minister heeft tot taak zorg te dragen voor
de handhaving van de bij of krachtens dit besluit gestelde
verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben
op:</al>
          <al>a. het in opdracht aanbrengen van bouwstoffenop of in
de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater;</al>
          <al>b. het in opdracht verrichten van de handelingen,
genoemd in artikel 35, op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder
oppervlaktewater.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5.</nr>
          <al>Aan
de artikelen 28, derde lid, 32, eerste en tweede lid, 42, eerste,
negende en elfde lid, en 58, eerste lid, wordt geacht te zijn voldaan,
indien door één van de daartoe verplichte personen aan de
desbetreffende verplichting is
voldaan.</al>
        </lid>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 5</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Dit besluit is van toepassing op het
toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie, voor
zover:</al>
          <al>a. geen grotere hoeveelheid van die bouwstoffen,
grond of baggerspecie wordt toegepast dan volgens gangbare maatstaven
nodig is voor het functioneren van de toepassing,</al>
          <al>b. de toepassing volgens gangbare maatstaven nodig is
op de plaats waar deze plaatsvindt, of onder de omstandigheden waarin
deze plaatsvindt; en</al>
          <al>c. ingeval van het
toepassen van afvalstoffen sprake is van nuttige toepassing in de zin
van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet
milieubeheer.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De
verboden, bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren, gelden niet voor toepassingen van bouwstoffen,
grond of baggerspecie in oppervlaktewater die voldoen aan het bepaalde
in het eerste lid.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Een toepassing
in de zin van hoofdstuk 3 en 4 van dit besluit waarbij wordt afgeweken
van de bepalingen in dit besluit is vergunningplichtig als bedoeld in
artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.</al>
          <al>In
afwijking van de artikelen twee en drie zijn Onze Minister
respectievelijk de Minister van Verkeer en Waterstaat het bevoegd
gezag.</al>
        </lid>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 6</nr>
        </kop>
        <al>Het stellen
van regels als bedoeld in de artikelen 28, eerste lid, onder b, 30,
eerste en tweede lid, en 31, tweede lid, en het toetsen aan de maximale
waarden, bedoeld in de artikelen 44, eerste lid, 45, eerste lid, 46,
55, tweede lid, 57, eerste lid, 60, eerste lid en 63, eerste lid,
onderdeel a, onder i, geschiedt met inachtneming van de voorwaarde dat
toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie voldoen aan de
voorwaarden, bedoeld in artikel 4 van de Kaderrichtlijn
afvalstoffen.</al>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 7</nr>
        </kop>
        <al>Degene die
bouwstoffen, grond of baggerspecie toepast en die weet of
redelijkerwijs had kunnen weten dat door zijn handelen of nalaten
nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater ontstaan of kunnen
ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door
naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt
die gevolgen of beperkt die zoveel mogelijk voor zover voorkomen niet
mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden
gevergd.</al>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 8</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Degene die ingevolge de bij of krachtens dit
besluit gestelde regels onderzoek dient te verrichten op of in een
gedeelte van de bodem ten aanzien waarvan hem de nodige bevoegdheid
ontbreekt, kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen als bedoeld
in artikel 71 van de Wet bodembescherming.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De aanvrager, bedoeld in het eerste lid, verstrekt
bij het verzoek de volgende
gegevens:</al>
          <al>a. zijn naam en adres;</al>
          <al>b. de naam en het adres van de
rechthebbenden;</al>
          <al>c. de plaats waar het
onderzoek zal plaatsvinden;</al>
          <al>d. de aard,
de omvang en het tijdstip van het voorgenomen onderzoek,
en</al>
          <al>e. de handelingen die de
rechthebbenden in het belang van het onderzoek moeten
nalaten.</al>
        </lid>
      </art>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 2.</nr>
        <titel status="off">KWALITEIT VAN
DE UITVOERING VAN EEN WERKZAAMHEID</titel>
      </kop>
      <afd>
        <kop>
          <nr>AFDELING 1.</nr>
          <titel status="off">ERKENNING VAN
PERSONEN EN INSTELLINGEN</titel>
        </kop>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 9</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onze Ministers kunnen op aanvraag voor een
werkzaamheid een erkenning verlenen aan een persoon of een
instelling.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De beschikking
vermeldt ten minste de naam van de persoon of instelling, de
werkzaamheid, de vestigingsplaats en, indien van toepassing, de naam
van de natuurlijk persoon die werkzaam is voor de erkende persoon of
instelling en die een van de bij regeling van Onze Ministers aangewezen
handelingen uitvoert.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Een
erkenning wordt voor onbepaalde tijd verleend.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Onze Ministers stellen lijsten met erkende
personen en instellingen beschikbaar via een door hen aangewezen
website. Het besluit tot aanwijzing van de website wordt in de
Staatscourant geplaatst.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Een
erkenning is niet overdraagbaar.</al>
          </lid>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 10</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Een aanvraag voor een erkenning wordt door
middel van een door Onze Ministers vastgesteld formulier, ingediend bij
Onze Ministers.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Bij de aanvraag
worden ten minste de volgende gegevens
verstrekt:</al>
            <al>a. de naam en het adres van de
aanvrager;</al>
            <al>b. de werkzaamheid waarop de
aanvraag betrekking heeft;</al>
            <al>c. het
certificaat of de accreditatie voor de werkzaamheid;</al>
            <al>d. de vestigingsplaats van de persoon of
instelling;</al>
            <al>e. indien van toepassing,
de naam en een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28
van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet
ouder is dan zes maanden, van de natuurlijk persoon als bedoeld in
artikel 9, tweede lid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met
betrekking tot de in het tweede lid bedoelde
gegevens.</al>
          </lid>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 11</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onze Ministers beslissen binnen acht weken na
de datum van ontvangst van de aanvraag. Onze Ministers kunnen deze
termijn eenmaal verlengen met ten hoogste acht weken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien de beschikking niet binnen de in het eerste
lid gestelde termijn is bekendgemaakt, wordt de beschikking geacht te
zijn geweigerd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onze Ministers
verlenen de erkenning geheel of gedeeltelijk, indien de desbetreffende
persoon of
instelling:</al>
            <al>a. niet in staat van faillissement of surseance van
betaling verkeert; en</al>
            <al>b. heeft voldaan
aan artikel 10, tweede lid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Bij regeling van Onze Ministers wordt aangegeven
of een erkenning voor een werkzaamheid wordt gebaseerd op een
certificaat of een accreditatie.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Een erkenning kan geheel of gedeeltelijk worden
geweigerd, indien de desbetreffende persoon of instelling of een
bestuurder van deze persoon of instelling, in de drie jaren
voorafgaande aan de aanvraag een wettelijk voorschrift heeft overtreden
dat is gesteld bij of krachtens dit besluit, bij of krachtens
één van de in artikel 21 of 22 genoemde wetten of artikel
225 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de overtreding verband
houdt met een werkzaamheid.</al>
          </lid>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 12</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Op verzoek van de erkende persoon of
instelling kan de erkenning worden gewijzigd. Artikel 9, vierde lid, is
van overeenkomstige toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het verzoek wordt, door middel van een door Onze
Ministers vastgesteld formulier, ingediend bij Onze Ministers. Artikel
10, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onze Ministers
beslissen binnen vier weken na de datum van ontvangst van het verzoek.
Onze Ministers kunnen deze termijn verlengen met ten hoogste vier
weken. Artikel 11, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.</al>
          </lid>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 13</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>In afwijking van artikel 10, tweede lid,
onderdeel e, verstrekt een aanvrager, wiens land van oorsprong of
herkomst een andere lidstaat van de Europese Unie is dan Nederland, dan
wel een andere staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de
Europese Economische Ruimte een gelijkwaardige verklaring omtrent het
gedrag, die niet ouder is dan zes maanden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Met een certificaat of een accreditatie wordt
gelijkgesteld een certificaat of een accreditatie afgegeven door een
daartoe bevoegd verklaarde certificeringsinstelling, onderscheidenlijk
accreditatie-instelling, in een andere lidstaat van de Europese Unie
dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie,
die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische
Ruimte, welk certificaat of accreditatie is afgegeven op basis van
onderzoekingen of documenten die een beschermingsniveau bieden dat ten
minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale
onderzoekingen of normdocumenten wordt gewaarborgd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Met een erkenning wordt gelijkgesteld een
erkenning of vergelijkbare beschikking afgegeven door een bevoegde
autoriteit in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland
dan wel in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de
Europese Economische Ruimte, op basis van voorwaarden die een
beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het
niveau dat met de voorwaarden van artikel 10, tweede lid, wordt
gewaarborgd. Artikel 9, vierde lid en artikel 24 zijn van
overeenkomstige toepassing.</al>
          </lid>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 14</nr>
          </kop>
          <al>Voor
toepassing van de artikelen in Hoofdstuk 2 wordt onder «Onze
Ministers» verstaan: Onze Minister en Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat.</al>
        </art>
      </afd>
      <afd>
        <kop>
          <nr>AFDELING 2.</nr>
          <titel status="off">VERBODEN EN
VERPLICHTINGEN</titel>
        </kop>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 15</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het is verboden een werkzaamheid uit te
voeren zonder daartoe verleende erkenning.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De in artikel 9, tweede lid, bedoelde handelingen
kunnen slechts worden uitgevoerd door een natuurlijke persoon die staat
vermeld op de erkenning.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Het
bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voorzover de
werkzaamheid wordt uitgevoerd voor het verkrijgen van een certificaat
of een accreditatie.</al>
          </lid>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 16</nr>
          </kop>
          <al>Het is een
persoon of instelling verboden een resultaat van een werkzaamheid te
gebruiken of aan een ander ter beschikking te stellen indien hij weet
of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat dit resultaat, gelet op het
doel waarvoor dit wordt gebruikt, geen betrouwbaar beeld verschaft van
de eigenschappen, aard, hoedanigheid of samenstelling van de bodem,
grond, baggerspecie of bouwstof.</al>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 17</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Een bij regeling van Onze Ministers
aangewezen instelling of persoon verricht niet een bij
ministeriële regeling aangewezen handeling met betrekking tot
bodem, grond, baggerspecie of bouwstof, waarop deze instelling of
persoon een persoonlijk of zakelijk recht heeft.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Een bij regeling van Onze Ministers aangewezen
instelling of persoon verricht niet een bij ministeriële
regeling aangewezen handeling ten aanzien van een persoon, een stof,
een bouwstof, een product, een installatie, een voorziening of ander
object, waarmee deze instelling of persoon een organisatorische,
financiële of juridische binding heeft, tenzij deze binding
alleen voortvloeit uit de overeenkomst tot uitvoering van de
werkzaamheid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Het eerste lid geldt
niet voor degene die door middel van organisatorische maatregelen, op
aantoonbare, transparante en controleerbare wijze, ervoor zorg heeft
gedragen dat de werkzaamheid uitsluitend wordt verricht door een
onderdeel van de organisatie dat of een persoon
die:</al>
            <al>a. geen financieel belang heeft bij de uitkomst van
de werkzaamheid;</al>
            <al>b. onder een andere
bestuurlijke verantwoordelijkheid valt dan degene die een persoonlijk
of zakelijk recht heeft op de bodem, grond, baggerspecie of bouwstof,
en</al>
            <al>c. onder de directe aansturing van
een andere leidinggevende valt dan degene die een persoonlijk of
zakelijk recht heeft op de bodem, grond, baggerspecie of
bouwstof.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Indien een
normdocument eisen bevat ten aanzien van organisatorische maatregelen
als bedoeld in het derde lid voldoet de persoon of instelling die voor
de desbetreffende werkzaamheid is erkend aan het derde lid, indien hij
aan het normdocument voldoet.</al>
          </lid>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 18</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het is verboden een werkzaamheid uit te
voeren in strijd met het daarvoor geldende
normdocument.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het in het eerste
lid gestelde verbod geldt niet voor zover het afwijken van het
normdocument bij wettelijk voorschrift is
toegestaan.</al>
          </lid>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 19</nr>
          </kop>
          <al>De houder
van een erkenning meldt onverwijld aan een door Onze Ministers
aangewezen instantie zijn door de rechtbank uitgesproken faillissement
of surseance van betaling. De melding geschiedt door middel van een
door Onze Ministers vastgesteld formulier.</al>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 20</nr>
          </kop>
          <al>Een
certificeringsinstelling of de Raad voor Accreditatie meldt een
schorsing of intrekking van een certificaat, onderscheidenlijk een
accreditatie, voor een werkzaamheid onverwijld aan een door Onze
Ministers aangewezen instantie. De melding geschiedt door middel van
een door Onze Ministers vastgesteld
formulier.</al>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 21</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Een bestuursorgaan neemt een aanvraag om een
beschikking, die bij of krachtens wettelijke voorschriften wordt
gegeven, niet in behandeling indien daarbij gegevens zijn gevoegd die
afkomstig zijn van een persoon of instelling die voor het verkrijgen
van deze gegevens in strijd heeft gehandeld met artikel 15, eerste of
tweede lid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De wettelijke
voorschriften, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 8.1, 8.4 en
8.49 van de Wet milieubeheer, en de artikelen 29, eerste lid, en 39,
tweede lid, 39b, 39c, tweede lid, 39d, derde lid, en 40, tweede lid,
van de Wet bodembescherming.</al>
          </lid>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 22</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het is een ieder verboden om, ter voldoening
aan bij of krachtens wettelijke voorschriften, gegevens te verstrekken
aan een bestuursorgaan, indien hij weet of redelijkerwijs had kunnen
vermoeden dat deze gegevens afkomstig zijn van een persoon of
instelling die voor het verkrijgen van deze gegevens in strijd heeft
gehandeld met artikel 15, eerste of tweede lid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De wettelijke voorschriften, bedoeld in het eerste
lid, zijn de artikelen 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, de
artikelen 2a tot en met 2d van de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren en de artikelen 6 tot en met 12, 27, eerste lid, 39,
eerste en vierde lid, 39b, tweede lid, onderdelen b en c, 70 en 72 van
de Wet bodembescherming.</al>
          </lid>
        </art>
      </afd>
      <afd>
        <kop>
          <nr>AFDELING 3.</nr>
          <titel status="off">SANCTIES</titel>
        </kop>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 23</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onze Ministers kunnen een erkenning geheel of
gedeeltelijk
intrekken:</al>
            <al>a. op verzoek van de erkende persoon of
instelling;</al>
            <al>b. indien bij de aanvraag
onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, en kennis omtrent de
juiste en volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben
geleid;</al>
            <al>c. indien het bewijs van
certificatie of accreditatie voor de desbetreffende werkzaamheid is
ingetrokken of niet meer geldig is;</al>
            <al>d. indien de erkende persoon of instelling in staat
van faillissement verkeert of surseance van betaling heeft verkregen,
of</al>
            <al>e. indien de erkende persoon of
instelling of de natuurlijk persoon, bedoeld in artikel 9, tweede lid,
een wettelijk voorschrift heeft overtreden dat is gesteld bij of
krachtens dit besluit, bij of krachtens de in artikel 21 of 22 genoemde
wetten of artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de
overtreding verband houdt met een
werkzaamheid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Onze
Ministers kunnen een erkenning voor een periode van ten hoogste twee
jaren, geheel of gedeeltelijk schorsen,
indien:</al>
            <al>a. het bewijs van certificatie of accreditatie voor
de desbetreffende werkzaamheid is geschorst, of</al>
            <al>b. sprake is van een overtreding als bedoeld in het
eerste lid, onder e.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Indien een besluit tot intrekking of schorsing
betrekking heeft op een certificeringsinstelling blijven de door deze
instelling afgegeven certificaten gedurende zes maanden
geldig.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Ingeval van aanwijzingen
dat er sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel e, kunnen Onze Ministers de desbetreffende persoon of
instelling verzoeken binnen een redelijke termijn een verklaring
omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet
justitiële en strafvorderlijke gegevens over te leggen, die niet
ouder is dan twee maanden. Indien de desbetreffende persoon of
instelling niet binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldoet of
kan voldoen, kunnen Onze Ministers de erkenning voor een periode van
ten hoogste twee jaren geheel of gedeeltelijk
schorsen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 24</nr>
          </kop>
          <al>Onze
Ministers verwerken de schorsing en intrekking van de erkenning in de
lijsten, bedoeld in artikel 9, vierde lid.</al>
        </art>
        <art>
          <kop>
            <nr>Artikel 25</nr>
          </kop>
          <al>Onze
Ministers kunnen normdocumenten aanwijzen voorzover
deze:</al>
          <al>a. niet in strijd zijn met een wettelijk
voorschrift;</al>
          <al>b. zijn vastgesteld door
organen waarin alle betrokken partijen zich konden laten
vertegenwoordigen;</al>
          <al>c. zowel qua inhoud
als qua strekking voldoende duidelijk zijn, en</al>
          <al>d. voldoende draagvlak hebben bij de betrokken
partijen.</al>
        </art>
      </afd>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 3.</nr>
        <titel status="off">BOUWSTOFFEN</titel>
      </kop>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 26</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Onze Ministers stellen regels met betrekking
tot de wijze waarop het percentage van de totaalgehalten aan silicium,
calcium of aluminium in een materiaal wordt
vastgesteld.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Onze Ministers
stellen regels met betrekking tot de wijze waarop het volume per
kleinste eenheid van een materiaal, alsmede de duurzame vormvastheid
daarvan, wordt vastgesteld.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Voor
de toepassing van dit besluit wordt onder bouwstof mede verstaan, een
bouwstof die is vermengd met ten hoogste 20 gewichtsprocenten grond of
baggerspecie, voor zover deze grond of baggerspecie daar geen
functioneel onderdeel van uitmaakt.</al>
        </lid>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 27</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing
op:</al>
          <al>a. bouwstoffen die binnen een gebouw als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder c. van de Woningwet worden
toegepast;</al>
          <al>b. bouwstoffen die vallen
onder een douaneregeling en bestemd zijn voor douanevervoer, plaatsing
in douane-entrepot of voor tijdelijke invoer als bedoeld in artikel 4,
onderdeel 16 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992, tot vaststelling van het
communautair douanewetboek (PbEG L 302).</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Het tijdelijk verplaatsen of uit een werk wegnemen
van bouwstoffen is toegestaan zonder inachtneming van de artikelen 28
tot en met 32, indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of
nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in dat werk
worden aangebracht.</al>
        </lid>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 28</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Het vervaardigen, invoeren, voor toepassing
in Nederland of voor handelsdoeleinden voor de Nederlandse markt
voorhanden hebben, vervoeren, aan een ander ter beschikking stellen of
toepassen van bouwstoffen is verboden,
tenzij:</al>
          <al>a. de samenstellings- en emissiewaarden van de
bouwstof zijn bepaald aan de hand van de parameters, die in bijlage 1
van dit besluit zijn vermeld en bij regeling van Onze Ministers zijn
aangewezen, overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers gestelde
methoden door of onder toezicht van een persoon of instelling die
daartoe beschikt over een erkenning;</al>
          <al>b. een bij regeling van Onze Ministers aangewezen
persoon of instelling op een bij regeling van Onze Ministers
voorgeschreven wijze heeft vastgesteld dat de waarden, bedoeld onder a,
de bij regeling van Onze Ministers vastgestelde maximale
samenstellings- en emissiewaarden niet overschrijden;</al>
          <al>c. uit een milieuhygiënische verklaring, die
is afgegeven onder bij regeling van Onze Ministers vastgestelde
voorwaarden, blijkt dat wordt voldaan aan het bepaalde in onderdeel a
en b; en</al>
          <al>d. een afleveringsbon bij de
desbetreffende partij aanwezig is die de bij regeling van Onze
Ministers vastgestelde gegevens bevat.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Bij regeling van Onze Ministers wordt bepaald in
welke gevallen een afleveringsbon als bedoeld in het eerste lid, onder
d niet vereist is.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Degene die de
bouwstoffen toepast bewaart de bijbehorende milieuhygiënische
verklaring en de afleveringsbon gedurende vijf jaar na het tijdstip
waarop de bouwstoffen zijn toegepast en verstrekt die verklaring of
afleveringsbon op verzoek van het bevoegd gezag.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>Bij regeling van Onze Ministers worden regels
gesteld met betrekking tot het samenvoegen en splitsen van partijen
bouwstof.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5.</nr>
          <al>Het is verboden om
bouwstoffen toe te passen in strijd met de artikelen 5, eerste lid en 7
van dit besluit.</al>
        </lid>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 29</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>In afwijking van artikel 28, eerste lid,
onder a en c, worden de samenstellings- en emissiewaarden van de toe te
passen bouwstof niet bepaald en is geen milieuhygiënische
verklaring vereist, indien sprake is van de volgende
handelingen:</al>
          <al>a. het toepassen van metselmortel of
natuursteenproducten, met uitzondering van breuksteen en
steenslag;</al>
          <al>b. het zonder bewerking
opnieuw onder dezelfde condities toepassen van vormgegeven bouwstoffen
van beton, keramiek, natuursteen en bakstenen;</al>
          <al>c. het zonder bewerking opnieuw onder dezelfde
condities toepassen van bouwstoffen, waarvan de eigendom niet wordt
overgedragen;</al>
          <al>d. het opnieuw toepassen
van niet teerhoudend asfalt of asfaltbeton in wegverhardingen indien
overeenkomstig de CROW-publicatie, 210 «Richtlijn omgaan met
vrijkomend asfalt» wordt aangetoond dat het materiaal niet
teerhoudend is;</al>
          <al>e. het toepassen van
bouwstoffen door natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van
beroep of bedrijf.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van
toepassing, indien degene die de bouwstof toepast op grond van kennis
of organoleptische waarneming kan aannemen of redelijkerwijs had moeten
aannemen dat niet is voldaan aan artikel 28, eerste lid, onder
b.</al>
        </lid>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 30</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr></nr>
          <al>Een
bouwstof die de maximale emissiewaarden, bedoeld in artikel 28, eerste
lid, onder b overschrijdt, kan als IBC-bouwstof worden toegepast,
indien:</al>
          <al>a. de bouwstof voldoet aan de bij regeling van Onze
Ministers gesteld maximale emissiewaarden voor
IBC-bouwstoffen;</al>
          <al>b. de bouwstof ten
minste het bij regeling van Onze Ministers bepaalde volume heeft en
aaneengesloten in een werk wordt toegepast;</al>
          <al>c. isolatie-, beheers- en controlemaatregelen worden
getroffen, die voldoen aan de daarvoor bij regeling van Onze Ministers
gestelde eisen en die zijn goedgekeurd door een bij regeling van Onze
Ministers aangewezen persoon of instelling.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Het is verboden IBC-bouwstoffen in
oppervlaktewater toe te passen.</al>
        </lid>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 31</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Onze Minister kan op aanvraag ontheffing
verlenen van de eis, gesteld in artikel 30, onder c, voor zover anders
dan door toepassing van die regel ten minste dezelfde mate van
bescherming van de bodem wordt geboden, als is beoogd met de betrokken
eis.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Bij regeling van Onze
Minister worden regels gesteld
omtrent:</al>
          <al>a. de beoordeling van de gelijkwaardigheid;
en</al>
          <al>b. de bij de aanvraag te verstrekken
gegevens, waaruit onder meer blijkt dat sprake is van bescherming als
bedoeld in het eerste lid.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Een aanvraag wordt, door middel van een door Onze
Minister vastgesteld formulier, ingediend bij Onze
Minister.</al>
        </lid>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 32</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Degene die voornemens is een bouwstof toe te
passen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder c, meldt dit
voornemen ten minste vijf werkdagen voor het toepassen aan Onze
Minister.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Degene die voornemens is
een IBC-bouwstof toe te passen als bedoeld in artikel 30 meldt dat
voornemen tenminste vier weken voor het toepassen aan Onze
Minister.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Bij een melding als
bedoeld in het eerste en tweede lid, worden ten minste de volgende
gegevens
verstrekt:</al>
          <al>a. de naam en het adres van de
toepasser;</al>
          <al>b. de datum waarop de
toepassing zal plaatsvinden;</al>
          <al>c. de
toepassingslocatie ;</al>
          <al>d. de beoogde
toepassing;</al>
          <al>e. het soort en de
hoeveelheid toe te passen bouwstof.</al>
          <al>Bij een
melding als bedoeld in het eerste lid wordt voorts
vermeld:</al>
          <al>f. het werk, en</al>
          <al>g. de plaats van herkomst van de toe te passen
bouwstof.</al>
          <al>Bij een melding als bedoeld in het
tweede lid worden voorts verstrekt:</al>
          <al>h. een milieuhygiënische verklaring;
en</al>
          <al>i. de beschrijving van de isolatie,
controle- en beheersmaatregelen, alsmede de vermelding van de persoon
of instelling die deze maatregelen heeft
goedgekeurd.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>Onze
Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in het
derde lid bedoelde gegevens.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5.</nr>
          <al>Indien bij een voorgenomen toepassing van een
IBC-bouwstof de milieuhygiënische verklaring nog niet
beschikbaar is op het tijdstip waarop de melding wordt gedaan, wordt
deze uiterlijk vijf werkdagen voor de toepassing van de desbetreffende
IBC-bouwstof aan Onze Minister verstrekt.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>6.</nr>
          <al>De melding wordt elektronisch of schriftelijk
gedaan door middel van een formulier waarvan het model door Onze
Ministers wordt vastgesteld. Onze Ministers kunnen nadere regels
stellen met betrekking tot de wijze waarop moet worden
gemeld.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>7.</nr>
          <al>Onze Minister zendt
onverwijld de melding met de bijbehorende gegevens elektronisch door
aan het bevoegd gezag.</al>
        </lid>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 33</nr>
        </kop>
        <al>Degene die
een bouwstof toepast, draagt er zorg voor dat die
bouwstof:</al>
        <al>a. niet met de bodem wordt vermengd;</al>
        <al>b. kan worden verwijderd; en</al>
        <al>c. wordt verwijderd in geval het werk of het deel van
het werk waarvan de bouwstof deel uitmaakt niet meer als functionele
toepassing kan worden beschouwd, tenzij het verwijderen leidt tot een
grotere aantasting van de bodem of het oppervlaktewater dan het niet
verwijderen.</al>
      </art>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 4.</nr>
        <titel status="off">GROND EN
BAGGERSPECIE</titel>
      </kop>
      <afd>
        <kop>
          <nr>AFDELING 1.</nr>
          <titel status="off">ALGEMENE
BEPALINGEN</titel>
        </kop>
        <par>
          <kop>
            <nr>Paragraaf 1.</nr>
            <titel status="off">Algemeen</titel>
          </kop>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 34</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij regeling van Onze Ministers wordt de
wijze bepaald waarop wordt vastgesteld of een materiaal aan te merken
is als grond of baggerspecie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Voor
de toepassing van dit besluit wordt onder grond of baggerspecie mede
verstaan, grond of baggerspecie die is vermengd met ten hoogste 20
gewichtsprocenten bodemvreemd materiaal.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Op grond van milieuhygiënische overwegingen
kunnen onze Ministers voor een toepassing van grond of baggerspecie een
lager gewichtspercentage bodemvreemd materiaal vaststellen dan genoemd
in het derde lid en hierover en over soorten toegestaan bodemvreemd
materiaal nadere regels stellen.</al>
            </lid>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 35</nr>
            </kop>
            <al>Dit
hoofdstuk is van toepassing op de volgende
handelingen:</al>
            <al>a. toepassing van grond of baggerspecie in bouw- en
weg constructies, waaronder mede worden begrepen wegen, spoorwegen en
geluidswallen;</al>
            <al>b. toepassing van grond
of baggerspecie op of in de bodem, met uitzondering van de bodem onder
oppervlaktewater, in ophogingen van industrieterreinen,
woningbouwlocaties en landbouw- en natuurgronden, met het oog op het
verbeteren van de bodemgesteldheid;</al>
            <al>c. toepassing van grond of baggerspecie voor het
afdekken van een locatie die wordt gesaneerd als bedoeld in hoofdstuk
IV, paragraaf 3 van de Wet bodembescherming, als afdeklaag voor een
stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid respectievelijk
derde lid, van de Wet milieubeheer, of als afdeklaag voor een
voormalige stortplaats met het oog op het voorkomen van nadelige
gevolgen voor de functionele eigenschappen die de bodem voor mens,
plant of dier heeft als gevolg van contact met het onderliggende
materiaal;</al>
            <al>d. toepassing van grond of
baggerspecie in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het
verondiepen en dempen van oppervlaktewater met het oog op de
hoogwaterbescherming, de doelstellingen van artikel 4 van de
Kaderrichtlijn water, de bevordering van de natuurwaarden en de vlotte
en veilige afwikkeling van de scheepvaart;</al>
            <al>e. toepassing van grond of baggerspecie in
aanvullingen, waaronder mede wordt verstaan de herinrichting en
stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen, of met het
oog op onderhoud en herstel van de toepassingen, bedoeld in onderdeel a
tot en met d;</al>
            <al>f. verspreiding van
baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende
percelen, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de
watergang grenzende percelen;</al>
            <al>g. verspreiding van baggerspecie in oppervlaktewater,
met het oog op de duurzame vervulling van de ecologische en
morfologische functies van het sediment, behoudens op of in
uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden en platen, met uitzondering van
de daarbinnen gelegen aangrenzende percelen van watergangen met het oog
op het herstellen of verbeteren van die percelen;</al>
            <al>h. tijdelijke opslag van grond of baggerspecie,
bestemd voor de toepassingen, bedoeld in onderdeel a tot en met e
gedurende maximaal drie jaar op of in de bodem, met uitzondering van de
bodem onder oppervlaktewater, of gedurende maximaal tien jaar in
oppervlaktewater;</al>
            <al>i. tijdelijke opslag
van baggerspecie, bestemd voor één van de toepassingen,
bedoeld in onderdeel a tot en met f, gedurende maximaal drie jaar op
percelen gelegen naast de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig
is.</al>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 36</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het is verboden grond of baggerspecie die
gevaarlijke afvalstoffen zijn toe te passen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de
volgende
handelingen:</al>
              <al>a. het toepassen van grond of baggerspecie waarvan de
samenstelling de interventiewaarde overschrijdt, tenzij artikel 44,
tweede lid, of artikel 45, tweede lid van toepassing is;</al>
              <al>b. het op of in de bodem brengen van producten die
overeenkomstig de krachtens artikel 4 van de Meststoffenwet gestelde
regels als meststof mogen worden verhandeld;</al>
              <al>c. handelingen waarop het Besluit uniforme saneringen
van toepassing is, tenzij bij of krachtens dat besluit anders is
bepaald.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Het
tijdelijk verplaatsen of uit de toepassing wegnemen van grond of
baggerspecie is toegestaan zonder inachtnemening van de artikelen 38
tot en met 64, indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of
nabij dezelfde plaats en onder dezelfde conditie opnieuw in die
toepassing wordt aangebracht.</al>
            </lid>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 37</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het is verboden om grond of baggerspecie toe
te passen in strijd met de artikelen 5, eerste lid, 7, 38, 42, 44, 45,
46, 52, 59, 60, 63 en 64 van dit besluit.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Bij regeling van Onze Ministers worden regels
gesteld ten aanzien van de wijze waarop een overschrijding wordt
vastgesteld van waarden, gesteld bij of krachtens de artikelen, genoemd
in het eerste lid.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>Paragraaf 2.</nr>
            <titel status="off">Algemene
voorschriften voor degene die grond of baggerspecie
toepast</titel>
          </kop>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 38</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Degene die voornemens is grond of
baggerspecie toe te passen laat overeenkomstig de bij regeling van Onze
Ministers bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe
beschikt over een erkenning de kwaliteit van de grond of baggerspecie
vaststellen, met inbegrip van de emissiewaarden voor zover vereist op
grond van artikel 63.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De kwaliteit
van de grond of baggerspecie en het gestelde in het eerste lid blijkt
uit een milieuhygiënische verklaring, die bij de betreffende
partij aanwezig is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Bij regeling
van Onze Ministers wordt bepaald onder welke voorwaarden de
milieuhygiënische verklaring, bedoeld in het tweede lid, mag
worden afgegeven.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De toe te passen
grond of baggerspecie kan worden ingedeeld in de bij regeling van Onze
Ministers vast te stellen kwaliteitsklassen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Bij regeling van Onze Ministers worden regels
gesteld met betrekking tot het samenvoegen en splitsen van partijen
grond of baggerspecie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Het eerste
tot en met het vijfde lid geldt niet
voor:</al>
              <al>a. natuurlijke personen anders dan in de uitoefening
van beroep of bedrijf; en</al>
              <al>b. degene die
voornemens is grond of baggerspecie toe te passen binnen een
landbouwbedrijf, indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een
tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een vergelijkbaar gewas
wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie wordt
toegepast.</al>
            </lid>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 39</nr>
            </kop>
            <al>Op het
toepassen van grond of baggerspecie waarvan de kwaliteit de bij
regeling van Onze Ministers vastgestelde achtergrondwaarden niet
overschrijdt, zijn artikel 40 en afdeling 2 van dit hoofdstuk niet van
toepassing.</al>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 40</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het vaststellen van de kwaliteit van de
bodem, waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast,
geschiedt overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers bepaalde
methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een
erkenning krachtens artikel 9, eerste lid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De kwaliteit van de bodem en het gestelde in het
eerste lid, blijkt uit een milieuhygiënische
verklaring.</al>
            </lid>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 41</nr>
            </kop>
            <al>Bij
regeling van Onze Ministers wordt bepaald welke van de in bijlage 1 van
dit besluit genoemde parameters voor de toepassing van dit hoofdstuk en
de daarop berustende bepalingen worden gemeten ten behoeve
van:</al>
            <al>a. de vaststelling van de kwaliteit van grond of
baggerspecie, met inbegrip van de emissiewaarden voor toepassingen voor
zover vereist op grond van artikel 63, en</al>
            <al>b. de vaststelling van de kwaliteit van de bodem,
waarop of waarin grond of baggerspecie wordt
toegepast.</al>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 42</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Degene die voornemens is grond of
baggerspecie toe te passen als bedoeld in artikel 35, onderdeel a tot
en met i, met uitzondering van onderdeel f, meldt dat voornemen ten
minste vijf werkdagen van tevoren aan Onze Minister.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Bij de melding van een toepassing als bedoeld in
artikel 35, onder a tot en met e en g, worden ten minste de volgende
gegevens
verstrekt:</al>
              <al>a. de naam en het adres van degene die voornemens is
grond of baggerspecie toe te passen;</al>
              <al>b. het toetsingskader waarbinnen de toepassing wordt
uitgevoerd;</al>
              <al>c. de
milieuhygiënische verklaring van de toe te passen grond of
baggerspecie;</al>
              <al>d. de plaats van herkomst
van de toe te passen grond of baggerspecie;</al>
              <al>e. de hoeveelheid toe te passen grond of
baggerspecie;</al>
              <al>f. de
toepassingslocatie;</al>
              <al>g. voor zover het
een toepassing betreft krachtens afdeling 2, paragraaf 2, de
bodemkwaliteitsklasse;</al>
              <al>h. voor zover
het een toepassing op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder
oppervlaktewater, betreft krachtens afdeling 2, paragraaf 2, de
bodemfunctieklasse.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Op de melding van de toepassing, bedoeld in
artikel 35, onder h en i, is het tweede lid, onder a, c tot en met f,
van overeenkomstige toepassing en op meldingen van de toepassing,
bedoeld in artikel 35, onder h, het tweede lid, onder g. Bij meldingen
van de toepassing, bedoeld in artikel 35, onder h en i, wordt ook de
voorziene duur van de toepassing vermeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Indien de voorziene duur van de toepassing,
bedoeld in artikel 35, onder h en i, langer is dan zes maanden, wordt
de eindbestemming van de grond of baggerspecie binnen die termijn
gemeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Onze Ministers kunnen
nadere regels stellen met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde
gegevens.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>De melding wordt
elektronisch of schriftelijk gedaan door middel van een formulier
waarvan het model bij regeling van Onze Ministers wordt aangewezen.
Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de wijze
waarop moet worden gemeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>7.</nr>
              <al>Onze
Minister zendt onverwijld de melding met de bijbehorende gegevens
elektronisch door aan het bevoegd gezag.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>8.</nr>
              <al>Het eerste lid geldt niet
voor:</al>
              <al>a. natuurlijke personen anders dan in de uitoefening
van beroep of bedrijf;</al>
              <al>b. degene die
voornemens is grond of baggerspecie toe te passen binnen een
landbouwbedrijf, indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een
tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een vergelijkbaar gewas
wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie wordt
toegepast;</al>
              <al>c. degene die voornemens is
grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 39 in een omvang van
minder dan 50 m<sup>3</sup> toe te passen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>9.</nr>
              <al>Degene die voornemens is grond of baggerspecie als
bedoeld in artikel 39 in een omvang van ten minste 50 m<sup>3</sup> toe
te passen, meldt in afwijking van het tweede en derde lid eenmalig de
gegevens, genoemd in het tweede lid, onder a en f.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>10.</nr>
              <al>Het achtste lid, onder c, en het negende lid zijn
niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie in de
Nederlandse territoriale zee.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>11.</nr>
              <al>De
volgende toepassers van grond of baggerspecie bewaren de in het tweede,
onder a, c tot en met f, genoemde gegevens gedurende ten minste vijf
jaren:</al>
              <al>a. degene die voornemens is grond of baggerspecie toe
te passen als bedoeld in artikel 39, uitgezonderd degene, bedoeld in
het achtste lid, onder a en b;</al>
              <al>b. degene die baggerspecie verspreidt uit een
watergang over de aan de watergang grenzende
percelen.</al>
            </lid>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 43</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Voor het toepassen van baggerspecie, bedoeld
in artikel 35, onder g, kan de waterkwaliteitsbeheerder met betrekking
tot de oppervlaktewateren onder zijn beheer verspreidingsvakken
aanwijzen en vaststellen hoeveel baggerspecie er maximaal kan worden
verspreid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het is verboden om
baggerspecie toe te passen buiten een krachtens het vorige lid
aangewezen verspreidingsvak en boven de daarbij aangegeven maximale
hoeveelheid.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
      </afd>
      <afd>
        <kop>
          <nr>AFDELING 2.</nr>
          <titel status="off">TOETSINGSKADERS
VOOR HET TOEPASSEN VAN GROND EN BAGGERSPECIE</titel>
        </kop>
        <par>
          <kop>
            <nr>Paragraaf 1.</nr>
            <titel status="off">Gebiedsspecifiek
toetsingskader voor de algemene toepassing</titel>
          </kop>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 44</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De gemeenteraad kan voor het toepassen van
grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onderdeel a tot en met
e en h op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater,
voor een door hem aangewezen bodembeheergebied lokale maximale waarden
vaststellen voor de bodem, waarop of waarin de grond of baggerspecie
wordt toegepast, alsmede een percentage bodemvreemd materiaal dat
afwijkt van het percentage, bedoeld in artikel 34, tweede en derde lid
tot een maximum van 20 gewichtsprocenten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De lokale maximale waarden kunnen boven de
maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in
artikel 55, tweede lid, worden vastgesteld en het afwijkende percentage
bodemvreemd materiaal kan worden vastgesteld,
indien:</al>
              <al>a. de kwaliteit van de bodem wordt bepaald door
stoffen die verspreid in dat bodembeheergebied voorkomen als gevolg van
diffuse verontreiniging;</al>
              <al>b. die waarden
en dat percentage overeenkomen met de kwaliteit van de bodem in het
bodembeheergebied; en</al>
              <al>c. die waarden
niet de waarden overschrijden die worden vastgesteld op grond van de
beoordelingssystematiek die wordt gehanteerd voor het vaststellen van
de noodzaak van een spoedige sanering als bedoeld in artikel 37, eerste
lid, van de Wet
bodembescherming.</al>
            </lid>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 45</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Onze Minister van Verkeer en Waterstaat of
het algemeen bestuur van het waterschap kan met betrekking tot
oppervlaktewateren, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren, onderscheidelijk andere
oppervlaktewateren voor het toepassen van grond of baggerspecie in
oppervlaktewater als bedoeld in artikel 35, onderdeel a, c tot en met e
en h voor een door hem aangewezen bodembeheergebied lokale maximale
waarden vaststellen voor de bodem onder oppervlaktewater, waarop of
waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast, alsmede een percentage
bodemvreemd materiaal dat afwijkt van het percentage, bedoeld in
artikel 34, tweede en derde lid, tot een maximum van 20
gewichtsprocenten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De lokale
maximale waarden kunnen voor het toepassen van baggerspecie boven de
interventiewaarden en voor het toepassen van grond niet boven de
maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie worden
vastgesteld en het afwijkende percentage bodemvreemd materiaal kan
worden vastgesteld, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in
artikel 44, tweede lid.</al>
            </lid>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 46</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Onze Minister van Verkeer en Waterstaat of
het algemeen bestuur van het waterschap kan met betrekking tot
oppervlaktewateren, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren, onderscheidelijk andere
oppervlaktewateren voor toepassingen als bedoeld in artikel 35,
onderdeel g, voor een door hem aangewezen bodembeheergebied, maximale
waarden vaststellen voor de kwaliteit van de toe te passen baggerspecie
die afwijken van de waarden, die krachtens artikel 60, eerste lid, voor
die toepassing zijn vastgesteld, alsmede een percentage bodemvreemd
materiaal dat afwijkt van het percentage, bedoeld in artikel 34, tweede
en derde lid, tot een maximum van 20 gewichtsprocenten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Bij regeling van Onze Ministers kan worden bepaald
dat het bestuursorgaan, bedoeld in het eerste lid, voor daarbij aan te
geven parameters geen hogere maximale waarden kan vaststellen dan de
krachtens artikel 60, eerste lid vastgestelde waarden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Voor toepassingen als bedoeld in het eerste lid in
de Nederlandse territoriale zee kan het bestuursorgaan, bedoeld in het
eerste lid, geen hogere maximale waarden vaststellen dan de krachtens
artikel 60, eerste lid, vastgestelde
waarden.</al>
            </lid>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 47</nr>
            </kop>
            <al>Een besluit
op grond van de artikelen 44, eerste lid en 45, eerste lid,
bevat:</al>
            <al>a. een of meer kaarten, opgesteld overeenkomstig de
bij regeling van Onze Ministers gestelde protocollen, waarop zijn
aangegeven de begrenzing van het bodembeheergebied, de kwaliteit van de
bodem en, bij toepassingen op of in de bodem, uitgezonderd de bodem
onder oppervlaktewater, de bodemfuncties;</al>
            <al>b. de lokale maximale waarden, bedoeld in de
artikelen 44, eerste lid, en 45, eerste lid;</al>
            <al>c. voor zover van toepassing, het gewichtspercentage
bodemvreemd materiaal, bedoeld in artikel 34, derde en vierde
lid;</al>
            <al>d. een motivering van het besluit
aan de hand van de lokale maximale waarden en, voor zover van
toepassing, het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal in relatie tot
de kwaliteit van de bodem, de maatschappelijke noodzaak van die waarden
en het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal en een beschrijving van
de overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers gestelde methoden
bepaalde gevolgen van de uitvoering van het besluit voor de kwaliteit
van de bodem in het
bodembeheergebied.</al>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 48</nr>
            </kop>
            <al>Een besluit
op grond van artikel 46, eerste lid,
bevat:</al>
            <al>a. een of meerdere kaarten waarop de begrenzing van
dat bodembeheergebied is aangegeven;</al>
            <al>b. de maximale waarden en het percentage bodemvreemd
materiaal, bedoeld in artikel 46, eerste lid;</al>
            <al>c. een motivering van het besluit aan de hand van de
maximale waarden en het percentage bodemvreemd materiaal in relatie tot
de gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en de
maatschappelijke noodzaak van die
waarden.</al>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 49</nr>
            </kop>
            <al>Bij de
voorbereiding van een besluit als bedoeld in de artikelen 44, 45 en 46
wordt toepassing gegeven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht.</al>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 50</nr>
            </kop>
            <al>Tegen een
besluit als bedoeld in de artikelen 44, 45 en 46 kan beroep worden
ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State.</al>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 51</nr>
            </kop>
            <al>Op een
besluit tot wijziging van een besluit als bedoeld in de artikelen 44,
45 en 46, zijn de artikelen 47 tot en met 50 van overeenkomstige
toepassing.</al>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 52</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij toepassing in een bodembeheergebied
overschrijdt de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie
niet de lokale maximale waarden, bedoeld in de artikelen 44 en 45, en
de maximale waarden, bedoeld in artikel 46.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Grond of baggerspecie die voldoet aan de lokale
maximale waarden, bedoeld in de artikelen 44, tweede lid, en 45, tweede
lid, kan uitsluitend worden toegepast in het bodembeheergebied waarvan
deze afkomstig is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Indien de grond
of baggerspecie, bedoeld in het vorige lid, de kwaliteit van de bodem,
waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast,
overschrijdt, kan deze grond of baggerspecie alleen worden toegepast in
het bodembeheergebied waarvan deze afkomstig is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Het eerste tot en met derde lid geldt niet
voor:</al>
              <al>a. het toepassen van grond of baggerspecie door
natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of
bedrijf;</al>
              <al>b. het toepassen van grond of
baggerspecie binnen een landbouwbedrijf, indien de grond of
baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend
perceel waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel
waar de grond of baggerspecie wordt
toegepast.</al>
            </lid>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 53</nr>
            </kop>
            <al>Het
bestuursorgaan, bedoeld in de artikelen 44 tot en met 46, overweegt ten
minste eenmaal in de tien jaar in hoeverre een aldaar bedoeld besluit
herziening behoeft.</al>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>Paragraaf 2.</nr>
            <titel status="off">Generiek
toetsingskader voor de algemene toepassing</titel>
          </kop>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 54</nr>
            </kop>
            <al>Deze
paragraaf is uitsluitend van toepassing, indien geen besluit als
bedoeld in de artikelen 44, 45 of 46 is
genomen.</al>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 55</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Burgemeester en wethouders leggen uiterlijk
een half jaar na inwerkingtreding van dit besluit op een kaart de
bodemfunctieklassen, zijnde industrie of wonen, van het gebied binnen
hun gemeente, waarop of waarin de grond of baggerspecie zal worden
toegepast, vast.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Bij regeling van
Onze Ministers worden voor de bodemfunctieklassen, bedoeld in het
eerste lid, maximale waarden vastgesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Bij regeling van Onze Ministers worden de eisen
vastgesteld waaraan de kaart, bedoeld in het eerste lid, moet
voldoen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Indien geen kaart is
vastgesteld als bedoeld in het eerste lid, kan alleen grond of
baggerspecie worden toegepast, die de achtergrondwaarden niet
overschrijdt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Dit artikel is niet
van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie in
oppervlaktewater.</al>
            </lid>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 56</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Indien de kwaliteit van de bodem waarop of
waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast, voldoet aan de
achtergrondwaarden, dan wel voor deze bodem niet de bodemfunctieklasse
wonen of industrie geldt, is uitsluitend het toepassen van grond of
baggerspecie toegestaan, waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarden
niet overschrijdt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het eerste lid
geldt niet
voor:</al>
              <al>a. het toepassen van grond of baggerspecie door
natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of
bedrijf;</al>
              <al>b. het toepassen van grond of
baggerspecie binnen een landbouwbedrijf, indien de grond of
baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend
perceel waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel
waar de grond of baggerspecie wordt toegepast;</al>
              <al>c. het toepassen van baggerspecie, als bedoeld in
artikel 35, onder f en i;</al>
              <al>d. het
toepassen van baggerspecie in oppervlaktewater, als bedoeld in artikel
35, onder g.</al>
            </lid>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 57</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij regeling van Onze Ministers wordt de
bodem ingedeeld in bodemkwaliteitsklassen en worden voor de
bodemkwaliteitsklassen maximale waarden vastgesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het bevoegd gezag kan de bodemkwaliteitsklassen,
bedoeld in het eerste lid, vastleggen op een
kaart.</al>
            </lid>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 58</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Indien het bevoegd gezag de
bodemkwaliteitsklasse niet heeft vastgelegd op een kaart, stelt degene
die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen de
bodemkwaliteitsklasse vast op de bij regeling van Onze Ministers
bepaalde wijze. Hierbij worden gegevens gebruikt die afkomstig zijn van
een persoon of een instelling die beschikt over een
erkenning.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het eerste lid geldt
niet
voor:</al>
              <al>a. natuurlijke personen anders dan in de uitoefening
van beroep of bedrijf;</al>
              <al>b. degene die
voornemens is grond of baggerspecie toe te passen binnen een
landbouwbedrijf, indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een
tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een vergelijkbaar gewas
wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie wordt
toegepast;</al>
              <al>c. degene die voornemens is
baggerspecie toe te passen, als bedoeld in artikel 35, onder f, g en
i.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Het eerste lid is
niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie als
bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder h, met een duur van korter dan
6 maanden.</al>
            </lid>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 59</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Voor het toepassen van grond of baggerspecie,
bedoeld in artikel 35, onder a tot en met e, op of in de bodem,
uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, overschrijdt de kwaliteit
van de grond of baggerspecie
niet:</al>
              <al>a. de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse
wonen of industrie; en</al>
              <al>b. de maximale
waarden voor de bodemkwaliteitsklassen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Voor het op of in de bodem onder oppervlaktewater
toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder a
en c tot en met e, en het op of in de bodem toepassen van grond en
baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder h, overschrijdt de
kwaliteit van de grond of baggerspecie niet de waarden, bedoeld in het
eerste lid, onder b.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Onverminderd
het bepaalde in het tweede lid, overschrijdt bij toepassing in
oppervlaktewater de kwaliteit van de grond niet de maximale waarden
voor de bodemfunctieklasse
industrie.</al>
            </lid>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 60</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij het toepassen van baggerspecie, bedoeld
in artikel 35, onder f, g en i, overschrijdt de kwaliteit van de
baggerspecie de daarvoor bij regeling van Onze Ministers vastgestelde
maximale waarden niet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Voor
toepassing van het eerste lid worden erven en gronden die door een weg,
voetpad of andere constructie of door een te smalle grondstrook om de
baggerspecie te ontvangen van de watergang gescheiden zijn, als aan de
watergang grenzend perceel
aangemerkt.</al>
            </lid>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 61</nr>
            </kop>
            <al>Onze
Ministers overwegen ten minste eenmaal in de tien jaar in hoeverre de
waarden, bedoeld in de artikelen 55, eerste lid, en 57, derde lid,
herziening behoeven en stellen de Staten-Generaal in kennis van hun
bevindingen daaromtrent.</al>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>Paragraaf 3.</nr>
            <titel status="off">Toetsingskader
voor grootschalige toepassingen</titel>
          </kop>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 62</nr>
            </kop>
            <al>Deze
paragraaf is niet van toepassing op het toepassen van grond of
baggerspecie in de Nederlandse territoriale
zee.</al>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 63</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Een toepassing van grond of baggerspecie als
bedoeld in artikel 35, onder a, c tot en met e, in een laagdikte van
minimaal twee meter en een minimale omvang van 5000 m<sup>3</sup> hoeft
niet te voldoen aan de eisen die daaraan in afdeling 2, paragraaf 1 en
2, worden gesteld,
mits</al>
              <al>a. de kwaliteit van de grond of baggerspecie voldoet
aan:</al>
              <al>i. de bij regeling van Onze Ministers vast te stellen
maximale emissiewaarden, en</al>
              <al>ii. bij
toepassing op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder
oppervlaktewater, de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse
industrie, bedoeld in artikel 55, tweede lid;</al>
              <al>iii. bij toepassing in oppervlaktewater, de maximale
waarden voor de bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 55,
tweede lid, onderscheidelijk de interventiewaarden,
en</al>
              <al>b. op de desbetreffende
grond of baggerspecie een leeflaag of een laag bouwstoffen wordt
aangebracht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De
kwaliteit van de grond of baggerspecie wordt, in afwijking van het
bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, onder i, niet getoetst aan de
maximale emissiewaarden in de bij regeling van Onze Ministers te
bepalen gevallen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De leeflaag,
bedoeld in het eerste lid, onder b, heeft een minimale dikte van een
halve meter. Bij regeling van Onze Ministers kunnen op grond van
milieuhygiënische overwegingen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de dikte van de leeflaag of de laag
bouwstoffen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Op het aanbrengen van
een leeflaag zijn de eisen die in afdeling 2, paragraaf 1 en 2, aan het
toepassen van grond of baggerspecie worden gesteld van overeenkomstige
toepassing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>In afwijking van het
eerste lid, aanhef, geldt voor de toepassingen, bedoeld in artikel 35,
onder a, een laagdikte van minimaal een halve meter,
indien:</al>
              <al>a. het de aanleg of het wijzigen van Rijkswegen,
provinciale en gemeentelijke wegen en spoorwegen betreft;
en</al>
              <al>b. op de desbetreffende grond of
baggerspecie in afwijking van het eerste lid, onder b, een
aaneengesloten laag bouwstoffen wordt aangebracht, met uitzondering van
de bijbehorende bermen en taluds.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>In het geval, bedoeld in het vijfde lid, voldoet
de kwaliteit van de grond of baggerspecie in de bermen of taluds van
Rijkswegen, provinciale wegen of spoorwegen tot aan een fysieke
afscheiding met een maximum van 10 meter vanaf de rand van de
verharding of het ballastbed, aan de maximale waarden van de
bodemfunctieklasse industrie.</al>
            </lid>
          </art>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 64</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij regeling van Onze Ministers kunnen aan de
toepassing van grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 63, eerste en
vijfde lid, nadere regels worden gesteld ter bescherming van de
kwaliteit van de omliggende bodem en het grond- of
oppervlaktewater.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Bij regeling van
Onze Ministers kunnen regels worden gesteld met betrekking tot
beheersmaatregelen met het oog op de instandhouding van de toepassing,
bedoeld in artikel 63, eerste en vijfde
lid.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
      </afd>
    </hfdst>
    <hfdst>
      <kop>
        <nr>HOOFDSTUK 5.</nr>
        <titel status="off">SLOT- EN
OVERGANGSBEPALINGEN</titel>
      </kop>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 65</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Het Bouwstoffenbesluit bodem- en
oppervlaktewaterenbescherming wordt ingetrokken, met dien verstande dat
de intrekking voor gedeelten van dat besluit op verschillende
tijdstippen kan geschieden welke tijstippen nader worden bepaald in het
besluit tot inwerkingtreding van het besluit bodemkwaliteit als bedoeld
in artikel 83, eerste lid.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Het
Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming blijft van
toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van
de Tijdelijke Stimuleringsregeling verwerking
baggerspecie.</al>
        </lid>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 66</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer
wordt ingetrokken, met uitzondering van artikel 21, met dien verstande
dat in dat artikel in plaats van Besluit uitvoeringskwaliteit
bodembeheer, wordt gelezen: Besluit bodemkwaliteit.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Hoofdstuk 2 van dit besluit is niet van toepassing
op:</al>
          <al>a. een werkzaamheid die voor inwerkingtreding van het
Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer is aangevangen;</al>
          <al>b. een werkzaamheid die wordt verricht ter uitvoering
van een wettelijke taak door of in opdracht van een bestuursorgaan,
of</al>
          <al>c. de opsporing en vervolging van
strafbare feiten.</al>
        </lid>
      </art>
      <wart id="a1">
        <kop>
          <nr>Artikel 67</nr>
        </kop>
        <al>Het
Besluit indieningsvereisten aanvraag
bouwvergunning wordt als volgt
gewijzigd:</al>
        <wlid>
          <kop>
            <nr>A</nr>
          </kop>
          <al>Paragraaf 1.2.5,
onderdeel e, van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten
aanvraag bouwvergunning komt te
luiden:</al>
          <arttkst>
            <al>e. Een onderzoeksrapport
betreffende de bodemgesteldheid dat is gebaseerd op onderzoek
uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe op grond van
het Besluit bodemkwaliteit is
erkend.</al>
          </arttkst>
        </wlid>
        <wlid>
          <kop>
            <nr>B</nr>
          </kop>
          <al>Paragraaf
3.2.6, onderdeel e, van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten
aanvraag bouwvergunning komt te
luiden:</al>
          <arttkst>
            <al>e. Artikel 8, tweede lid,
onderdeel c, van de Woningwet verplicht gemeenten in hun
bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op
verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften hebben op grond van
artikel 8, vierde lid, van de Woningwet onder meer betrekking op het
verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de
bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het
op te stellen onderzoeksrapport. Op hoofdlijnen weergegeven is deze
verplichting door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten als volgt
uitgewerkt in de artikelen 2.1.5 en 2.4.1 van de Modelbouwverordening
(Mbv). Het onderzoek dient te bestaan uit de resultaten van een
verkennend onderzoek, verricht volgens NEN 5740, bijlage B (uitgave
1999), waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het
onderzoeksrapport daarnaast nog dient te bestaan uit de resultaten van
een onderzoek volgens het gecombineerde protocol Bodemonderzoek
milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober 1993). Uit de
systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het verkennend
onderzoek eerst een vooronderzoek volgens NVN 5725 dient te worden
uitgevoerd (ook wel historisch onderzoek genoemd) ten behoeve van de
onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. De
aanwezigheid van asbest in de bodem kan daarbij worden onderzocht door
aan het vooronderzoek volgens NEN 5740 een onderzoek volgens NEN 5707
(indien de bodem en grond minder dan 20% puin bevat) respectievelijk
NEN 5897 (indien de bodem en grond 20% of meer puin bevat) te koppelen.
Indien het vooronderzoek uitwijst dat de locatie onverdacht is, kunnen
burgemeester en wethouders besluiten ontheffing te verlenen voor het
uitvoeren van het verkennend onderzoek. Indien de resultaten van het
verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is van bodemverontreiniging
en voor de beoordeling van de ernst van de verontreiniging een nader
onderzoek onontkoombaar is, dient nader onderzoek volgens het Protocol
Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader
Onderzoek (SDU, uitgave 1995) te worden verricht.</al>
            <al>De
bouwvergunningaanvrager hoeft niet altijd een bodemonderzoeksrapport
aan te leveren. Op grond van artikel 8, derde lid, van de Woningwet is
een bodemonderzoeksrapport alleen voorgeschreven voor bouwwerken voor
het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning nodig is, met
uitzondering van bouwwerken die naar aard en omvang gelijk zijn aan een
bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van artikel 43 van de
Woningwet geen bouwvergunning is vereist of een geval als bedoeld in
artikel 44, tweede lid, van die wet, en waarin voortdurend of nagenoeg
voortdurend mensen aanwezig zijn, mits dat bouwwerk de grond raakt of
sprake is van een verandering van het niet-wederrechtelijke gebruik.
Maar ook dan is een bodemonderzoeksrapport niet altijd vereist:
burgemeester en wethouders kunnen hiervan, op grond van artikel 2.1.5
van de Mbv, namelijk nog ontheffing verlenen.</al>
            <al>Wanneer een
bodemonderzoeksrapport is vereist, dient dat rapport op grond van
paragraaf 1.2.5, onderdeel e, van deze bijlage te zijn gebaseerd op
onderzoek dat is uitgevoerd door een persoon of een instelling die
daartoe is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit.
Laatstgenoemd besluit bevat eisen met betrekking tot de uitvoering van
werkzaamheden in het bodembeheer. Personen en instellingen die bij
ministeriële regeling aangewezen werkzaamheden, waaronder het
uitvoeren van bodemonderzoek, uitvoeren, dienen daartoe te zijn erkend
door de Ministers van VROM en Verkeer en Waterstaat. Een voorwaarde
voor erkenning is het bezit van een certificaat of een accreditatie.
Bovendien dienen deze personen en instellingen bij de uitvoering te
voldoen aan eisen die onder meer zijn neergelegd in
beoordelingsrichtlijnen en protocollen.</al>
            <al>Voor het geval een
bodemonderzoeksrapport dient te worden aangeleverd maar het bouwen pas
kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, bevat
artikel 2.1.5 Mbv het voorschrift dat het bodemonderzoek dient plaats
te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Dit
brengt met zich dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd
kan worden overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom behoort
dit onderzoeksrapport tot de bescheiden die op grond van onderdeel 3
van paragraaf 1.5 van deze bijlage eerst na indiening van de aanvraag
om bouwvergunning doch uiterlijk drie weken voor de aanvang van de
desbetreffende bouwwerkzaamheden mogen worden aangeleverd. Voorwaarde
voor latere indiening van het onderzoeksrapport is dat burgemeester en
wethouders met die latere indiening instemmen. Op basis van het
bepaalde in artikel 56 van de Woningwet kan het tijdstip van latere
indiening door hen zo nodig in een voorwaarde bij de bouwvergunning
worden
vastgelegd.</al>
          </arttkst>
        </wlid>
      </wart>
      <wart id="a2">
        <kop>
          <nr>Artikel 68</nr>
        </kop>
        <wlid>
          <kop>
            <nr>A</nr>
          </kop>
          <al>Categorie
28.3, onderdeel c van bijlage I behorende bij het
Inrichtingen- en vergunningenbesluit
milieubeheer komt te
luiden:</al>
          <arttkst>
            <al>c. inrichtingen voor zover
het betreft toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie waarop
het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is en waarin wordt gehandeld
in overeenstemming met de bepalingen van dat besluit;</al>
            <al>Onderdeel
g vervalt onder vernummering van onderdeel g tot
f.</al>
          </arttkst>
        </wlid>
        <wlid>
          <kop>
            <nr>B</nr>
          </kop>
          <al>Categorie
28.4 van bijlage I van het Inrichtingen en vergunningenbesluit
milieubeheer, onderdeel a, onder 3°, komt te
luiden:</al>
          <arttkst>
            <al>3°. van buiten de
inrichting afkomstige verontreinigde grond, waaronder begrepen
verontreinigde baggerspecie, met een capaciteit ten aanzien daarvan van
10.10 m<sup>3</sup> of
meer.</al>
          </arttkst>
        </wlid>
      </wart>
      <wart id="a3">
        <kop>
          <nr>Artikel 69</nr>
        </kop>
        <al>Het
Besluit vrijstellingen stortverbod
buiten inrichtingen wordt als volgt
gewijzigd:</al>
        <wlid>
          <kop>
            <nr>A</nr>
          </kop>
          <al>In artikel 1 vervallen
de aanduidingen van:</al>
          <arttkst>
            <al>nationale
beoordelingsrichtlijn;</al>
            <al>onderhoudsspecie klasse 0;</al>
            <al>onderhoudsspecie klasse 1;</al>
            <al>onderhoudsspecie klasse 2;</al>
            <al>verspreiden en de daarbijbehorende
begripsomschrijvingen.</al>
          </arttkst>
        </wlid>
        <wlid>
          <kop>
            <nr>B</nr>
          </kop>
          <al>Artikel
2 wordt als volgt gewijzigd:</al>
          <wond>
            <nr>1.</nr>
            <al>In het
eerste lid komt onderdeel b te luiden:</al>
            <arttkst>
              <al>b. sprake
is van het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie als bedoeld
in het Besluit
bodemkwaliteit;</al>
            </arttkst>
          </wond>
          <wond>
            <nr>2.</nr>
            <al>De
onderdelen c, d en e
vervallen.</al>
          </wond>
          <wond>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onderdeel f komt
te luiden:</al>
            <arttkst>
              <al>f. dit geschiedt overeenkomstig het
Besluit bodemkwaliteit in een werk waarin avi-bodemas wordt gebruikt
als bouwstof, indien
deze:</al>
              <al>1. niet meer dan 5,5% onverbrand vliegas
bevat,</al>
              <al>2. niet is vermengd met
avi-vliegas, en</al>
              <al>3. ten minste zes weken
opgeslagen is voor het gebruik in een werk tenzij de avi-bodemas eerder
is gebruikt in een werk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a,
van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming, of
in een werk als bedoeld in artikel 1, eerste lid van het Besluit
bodemkwaliteit;</al>
            </arttkst>
          </wond>
          <wond>
            <nr>4.</nr>
            <al>Het tweede lid komt te
luiden:</al>
            <arttkst>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Het eerste lid,
onder a, is niet van toepassing met betrekking tot de in dat lid
aangegeven handelingen met gevaarlijke
afvalstoffen.</al>
              </lid>
            </arttkst>
          </wond>
          <wond>
            <nr>5.</nr>
            <al>Het derde lid komt te
luiden:</al>
            <arttkst>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Het eerste lid,
onder a, is evenmin van toepassing met betrekking tot de in dat lid
bedoelde handelingen met afvalstoffen, behorende tot een categorie
waarvoor het in artikel 1 van het Besluit stortplaatsen en
stortverboden afvalstoffen gestelde verbod
geldt.</al>
              </lid>
            </arttkst>
          </wond>
          <wond>
            <nr>6.</nr>
            <al>Het vierde lid
vervalt.</al>
          </wond>
          <wond>
            <nr>7.</nr>
            <al>Het vijfde lid
komt te luiden:</al>
            <arttkst>
              <lid>
                <nr>5.</nr>
                <al>Het
eerste lid, onder b, is niet van toepassing met betrekking tot de in
dat lid bedoelde handelingen met afvalstoffen, behorende tot een
categorie waarvoor het in artikel 1 van het Besluit stortplaatsen en
stortverboden afvalstoffen gestelde verbod geldt, met uitzondering
van:</al>
                <al>a. categorie 19, voorzover het betreft granulaat en
de categorieën 20, 21 en 24;</al>
                <al>b. de categorieën 19 en 22, voor zover deze
onderdeel uitmaken van grond of
baggerspecie.</al>
              </lid>
            </arttkst>
          </wond>
        </wlid>
        <wlid>
          <kop>
            <nr>C</nr>
          </kop>
          <al>Artikel 3
vervalt.</al>
        </wlid>
        <wlid>
          <kop>
            <nr>D</nr>
          </kop>
          <al>Artikel 4a
vervalt.</al>
        </wlid>
      </wart>
      <wart id="a4">
        <kop>
          <nr>Artikel 70</nr>
        </kop>
        <al>Het
Besluit stortplaatsen en stortverboden
afvalstoffen wordt als volgt
gewijzigd:</al>
        <wlid>
          <kop>
            <nr>A</nr>
          </kop>
          <al>Artikel 3, tweede lid,
komt te
luiden;</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het
eerste lid is niet van toepassing op afvalstoffen, voorzover deze
worden toegepast als bouwstof, grond of baggerspecie overeenkomstig het
Besluit bodemkwaliteit, behorende
tot:</al>
              <al>a. categorie 19, voor zover het betreft granulaat, de
categorieën 20, 21 en 24;</al>
              <al>b. de
categorieën 19 en 22, voor zover deze onderdeel uitmaken van
grond of
baggerspecie.</al>
            </lid>
          </arttkst>
        </wlid>
        <wlid>
          <kop>
            <nr>B</nr>
          </kop>
          <al>Aan artikel 11e wordt een lid toegevoegd,
luidende:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Het
bevoegd gezag kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, aan een
vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor een
inrichting voor de opslag in oppervlaktewater van baggerspecie niet
zijnde een gevaarlijke afvalstof als bedoeld in de Wet milieubeheer het
voorschrift verbinden dat de opslag is toegestaan voor een termijn van
ten hoogste tien
jaar.</al>
            </lid>
          </arttkst>
        </wlid>
      </wart>
      <wart id="a5">
        <kop>
          <nr>Artikel 71</nr>
        </kop>
        <al>Het
Besluit financiële bepalingen
bodemsanering wordt als volgt
gewijzigd:</al>
        <al>Na artikel 7 wordt in Hoofdstuk 2 een
artikel ingevoegd, luidende:</al>
        <wlichaam>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 7a</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het
bedrag, bedoeld in artikel 76o, eerste lid, onder a, van de wet,
bedraagt € 0,45.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Als
maximum, bedoeld in artikel 76o, tweede lid, van de wet, geldt een
bedrag van € 226 890,11.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Het eerste en tweede lid werken terug tot en met 1
januari 2006.</al>
            </lid>
          </art>
        </wlichaam>
      </wart>
      <wart id="a6">
        <kop>
          <nr>Artikel 72</nr>
        </kop>
        <al>Het
Uitvoeringsbesluit belastingen op
milieugrondslag wordt als volgt
gewijzigd:</al>
        <al>Artikel 5, onderdeel l, wordt vervangen
door:</al>
        <arttkst>
          <al>l. bouwstoffen
als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit, die voorzien
zijn van een overeenkomstig bij of krachtens dat besluit gestelde
regels afgegeven erkende kwaliteitsverklaring, partijkeuring of
fabrikant-eigenverklaring waaruit blijkt dat zij voldoen aan de
voorwaarden, bedoeld in artikel 28, eerste lid, of artikel 30, eerste
lid, van dat besluit en die worden toegepast in een voorziening, die op
grond van de voor de inrichting verleende vergunning, bedoeld in
artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, binnen de inrichting
is aangebracht;</al>
          <al>m. grond als bedoeld in
artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit, die voorzien is van een
overeenkomstig bij of krachtens dat besluit gestelde regels afgegeven
erkende kwaliteitsverklaring, partijkeuring of
fabrikant-eigenverklaring waaruit blijkt dat de kwaliteit van de grond
de maximale waarde voor de bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in
artikel 55, tweede lid, van dat besluit, niet overschrijdt en die wordt
toegepast in een voorziening, die op grond van de voor de inrichting
verleende vergunning, bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet
milieubeheer, binnen de inrichting is
aangebracht.</al>
        </arttkst>
      </wart>
      <wart id="a7">
        <kop>
          <nr>Artikel 73</nr>
        </kop>
        <al>Het
Besluit overige niet-meldingsplichtige
gevallen bodemsanering wordt als volgt
gewijzigd:</al>
        <wlid>
          <kop>
            <nr>A</nr>
          </kop>
          <al>Artikel 1
vervalt.</al>
        </wlid>
        <wlid>
          <kop>
            <nr>B</nr>
          </kop>
          <al>Artikel 2
wordt als volgt gewijzigd:</al>
          <al>In het eerste lid komt
onderdeel b te luiden:</al>
          <arttkst>
            <al>b. Indien het bevoegde
gezag naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 42 van het
Besluit bodemkwaliteit heeft vastgesteld dat geen sprake is van een
ernstig geval van
verontreiniging.</al>
          </arttkst>
        </wlid>
      </wart>
      <wart id="a8">
        <kop>
          <nr>Artikel 74</nr>
        </kop>
        <al>Onderdeel
c van de Bijlage behorende bij het
Besluit milieu-effectrapportage
1994 wordt als volgt
gewijzigd:</al>
        <wlid>
          <kop>
            <nr>A</nr>
          </kop>
          <al>In Kolom 2 van
activiteit 18.3 komt onderdeel 1°. te
luiden:</al>
          <arttkst>
            <al>1°. baggerspecie van
klasse B als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit,
en</al>
          </arttkst>
        </wlid>
        <wlid>
          <kop>
            <nr>B</nr>
          </kop>
          <al>Onderdeel
d in k van de Bijlage behorende bij het Besluit milieu-effectrapportage
1994 wordt als volgt gewijzigd:</al>
          <al>In Kolom 2 van
activiteit 18.3 komt onderdeel 1°. te
luiden:</al>
          <arttkst>
            <al>1°. Het storten of opslaan van
baggerspecie van klasse B als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit in
een hoeveelheid van 250.000 m<sup>3</sup> of
meer,</al>
          </arttkst>
        </wlid>
      </wart>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 75</nr>
        </kop>
        <al>Het recht
zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65
blijft van toepassing op het houden van bouwstoffen, waaronder grond en
baggerspecie, in een werk, indien de bouwstoffen voor dat tijdstip in
het betreffende werk waren toegepast.</al>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 76</nr>
        </kop>
        <al>De
Vrijstellingsregeling grondverzet blijft van toepassing indien voor het
tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit voor het gebied waarop of
waarin de grond wordt gebruikt een bodemkwaliteitskaart is vastgesteld
krachtens die regeling, voor de duur waarvoor de bodemkwaliteitskaart
geldt met een maximum van vijf jaar na het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit.</al>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 77</nr>
        </kop>
        <al>Het recht
zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65
blijft voor partijkeuringen, erkende kwaliteitsverklaringen en andere
bewijsmiddelen, die krachtens het Bouwstoffenbesluit bodem- en
oppervlaktewaterenbescherming, zoals dat gold op het tijdstip van
inwerkingtreding, zijn afgegeven, van toepassing voor de duur van de
desbetreffende verklaring, maar ten hoogste voor drie jaar na de
inwerkingtreding van dit besluit.</al>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 78</nr>
        </kop>
        <al>Het recht
zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65
blijft voor maximaal drie jaar na dat tijdstip van toepassing, indien
voor dat tijdstip een melding krachtens artikel 11, eerste lid, 18,
tweede lid, of 21, tweede lid, van het Bouwstoffenbesluit bodem- en
oppervlaktewaterenbescherming is gedaan en binnen een half jaar na dat
tijdstip is begonnen met de toepassing.</al>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 79</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Het recht zoals dat gold voor het tijdstip
van inwerkingtreding van artikel 65 blijft geldig, indien voor dat
tijdstip, dan wel uiterlijk een half jaar na dat tijdstip een
vergunning is verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet
milieubeheer of artikel 1, eerste of derde lid, van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren, voor de duur van de vergunning maar
ten hoogste voor drie jaar na dat tijdstip.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Voorzover een vergunning op grond van artikel 1,
eerste of derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
betrekking heeft op een handeling als bedoeld in artikel 35, onder g,
vervalt het desbetreffende deel van de vergunning.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>In afwijking van het tweede lid vervallen de
voorschriften van een vergunning waarbij verspreidingsvakken worden
aangewezen een half jaar na de datum van inwerkingtreding van dit
besluit.</al>
        </lid>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 80</nr>
        </kop>
        <al>Op het
toepassen van tarragrond blijft de Vrijstellingsregeling plantenresten
en tarragrond gedurende twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding
van dit besluit van toepassing.</al>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 81</nr>
        </kop>
        <al>Indien het
bij koninklijke boodschap van 21 mei 2007 ingediende voorstel van wet
tot wijziging van de Wet verontreiniging zeewater en enige andere
wetten, kamerstukken II, 2006/07, 31 049, nr. 1 nadat het tot wet is
verheven, in werking treedt, treedt dit besluit voor het toepassen van
grond en baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee, op hetzelfde
tijdstip in werking.</al>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 82</nr>
        </kop>
        <al>Onze
Minister zendt in overeenstemming met de Ministers van Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit en van Verkeer en Waterstaat binnen drie jaar na
inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag
over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de
praktijk.</al>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 83</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Dit besluit treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan of het toepassen of toepassingen, als
bedoeld in artikel 35, verschillend kan worden
vastgesteld.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Artikel 36 van de Wet
bodembescherming treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 1 in
werking treedt.</al>
        </lid>
      </art>
      <art>
        <kop>
          <nr>Artikel 84</nr>
        </kop>
        <al>Dit besluit
wordt aangehaald als: Besluit
bodemkwaliteit.</al>
      </art>
    </hfdst>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.</slotform>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad
van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde
lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State,
omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard
bevat.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>22
november
2007</onddatum>
        <koning>Beatrix</koning>
        <minister>
          <minvan>De
Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer, </minvan>
          <naam>J.
M. Cramer</naam>
        </minister>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van
Verkeer en
Waterstaat, </minvan>
          <naam>J.
C. Huizinga-Heringa</naam>
        </minister>
        <minister>
          <minvan>De
Minister van Landbouw,
Natuur en
Voedselkwaliteit, </minvan>
          <naam>G. Verburg</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">derde</nadruk> december 2007</uitgifte-regel>
        <uitdag>derde</uitdag>
        <uitmaand>december</uitmaand>
        <uitjaar>2007</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van
Justitie, </minvan>
          <naam>E.
M. H. Hirsch
Ballin</naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <bijlage>
      <kop>
        <titel status="off">Bijlage 1, behorende bij artikel 28,
eerste en tweede lid en 41</titel>
      </kop>
      <table tabstyle="xml2">
        <tgroup align="left" char="" charoff="50" cols="2">
          <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="80*"></colspec>
          <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="32.5*"></colspec>
          <thead valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">Parameterlijst
voor bouwstoffen, grond en
baggerspecie</nadruk>
                </al>
              </entry>
            </row>
          </thead>
          <tbody valign="top">
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>
                  <nadruk type="vet">1.
Metalen</nadruk>
                </al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>
                  <nadruk type="vet">CAS-nummers</nadruk>
                </al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Antimoon
(Sb)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>7440-36-0</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Arseen
(As)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>7440-38-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Barium
(Ba)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>7440-39-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Beryllium
(Be)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>7440-41-7</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Cadmium
(Cd)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>7440-43-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Chroom
(Cr)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>7440-47-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Kobalt
(Co)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>7440-48-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Koper
(Cu)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>7440-50-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Kwik
(Hg)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>7439-97-6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Lood
(Pb)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>7439-92-1</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Molybdeen
(Mo)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>7439-98-7</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Nikkel
(Ni)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>7440-02-0</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Seleen
(Se)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>7782-49-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Tellurium
(Te)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>13494-80-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Thallium
(Tl)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>7440-28-0</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Tin
(Sn)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>7440-31-5</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Vanadium
(V)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>7440-62-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Zilver
(Ag)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>7440-22-4</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Zink
(Zn)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>7440-66-5</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2" morerows="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">2.
Overige anorganische
stoffen</nadruk>
                </al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bromide</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>n.v.t</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Chloride</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>n.v.t</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Cyanide
(vrij)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>n.v.t</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Cyanide-complex
(ph &lt;
5)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>n.v.t</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Cyanide-complex
(ph ≥
5)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>n.v.t</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Fluoride</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>n.v.t</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Thiocyanaten
(som)</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>n.v.t</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Sulfaat</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>n.v.t</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">3.
Aromatische
stoffen</nadruk>
                </al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Benzeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>71-43-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Ethylbenzeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>100-41-4</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Tolueen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>108-88-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Ortho-xyleen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>95-47-6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Meta-xyleen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>108-38-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Para-xyleen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>106-42-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Styreen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>100-42-5</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Fenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>108-95-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Catechol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>120-80-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Resorcinol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>108-46-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Hydrochinon</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>123-31-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Ortho-Cresol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>95-48-7</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Meta-cresol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>108-39-4</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Para-Cresol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>106-44-5</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Dodecylbenzeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>123-01-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2,3-trimethylbenzeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>526-73-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2,4-trimethylbenzeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>95-63-6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,3,5-trimethylbenzeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>108-67-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2-ethyltolueen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>611-14-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3-ethyltolueen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>620-14-4</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4-ethyltolueen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>622-96-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Isopropylbenzeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>98-82-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Propylbenzeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>103-65-1</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">4.
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen
(PAK's)</nadruk>
                </al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Naftaleen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>91-20-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Fenantreen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>85-01-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Antraceen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>120-12-7</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Fluorantheen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>206-44-0</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Chryseen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>218-01-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Benzo(a)antraceen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>56-55-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Benzo(a)pyreen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>50-32-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Benzo(k)fluorantheen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>207-08-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Indeno(1,2,3cd)pyreen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>193-39-5</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Benzo(ghi)peryleen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>191-24-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="bottom">
                <al>Pyrene</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="bottom">
                <al>129-00-0</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="bottom">
                <al>Acenaphthene</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="bottom">
                <al>83-32-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="bottom">
                <al>Benzo(b)fluoranthene</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="bottom">
                <al>205-99-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="bottom">
                <al>Benzo(j)fluoranthene</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="bottom">
                <al>205-82-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="bottom">
                <al>Dibenz(a,h)anthracene</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="bottom">
                <al>53-70-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="bottom">
                <al>9H-Fluorene</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="bottom">
                <al>86-73-7</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="bottom">
                <al>Acenaphthylene</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="bottom">
                <al>208-96-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" rotate="0" valign="bottom" morerows="0"></entry>
              <entry align="left" rotate="0" valign="bottom" morerows="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">5.
Gechloreerde
koolwaterstoffen</nadruk>
                </al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2" morerows="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">A.
(vluchtige)
chloorkoolwaterstoffen</nadruk>
                </al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Monochlooretheen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>75-01-4</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Dichloormethaan</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>75-09-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,1-dichloorethaan</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>75-34-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2-dichloorethaan</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>107-06-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,1-dichlooretheen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>75-35-4</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Cis-1,2-dichlooretheen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>156-59-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Trans-1,2-dichlooretheen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>156-60-5</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,1-dichloorpropaan</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>78-99-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2-dichloorpropaan</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>78-87-5</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,3-dichloorpropaan</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>142-28-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Trichloormethaan</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>67-66-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,1,1-trichloorethaan</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>71-55-6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,1,2-trichloorethaan</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>79-00-5</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Trichlooretheen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>79-01-6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Tetrachloormethaan</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>56-23-5</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Tetrachlooretheen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>127-18-4</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">B.
Chloorbenzenen</nadruk>
                </al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Monochloorbenzeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>108-90-7</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2-dichloorbenzeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>95-50-1</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,3-dichloorbenzeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>541-73-1</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,4-dichloorbenzeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>106-46-7</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2,3-trichloorbenzeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>87-61-6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2,4-trichloorbenzeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>120-82-1</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,3,5-trichloorbenzeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>108-70-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2,3,4-tetrachloorbenzeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>634-66-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2,3,5-tetrachloorbenzeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>634-90-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2,4,5-tetrachloorbenzeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>95-94-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Pentachloorbenzeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>608-93-5</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Hexachloorbenzeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>118-74-1</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">C.
Chloorfenolen</nadruk>
                </al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2-chloorfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>95-57-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3-chloorfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>108-43-0</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4-chloorfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>106-48-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,3-dichloorfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>576-24-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,4-dichloorfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>120-83-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,5-dichloorfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>583-78-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,6-dichloorfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>87-65-0</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3,4-dichloorfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>95-77-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3,5-dichloorfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>591-35-5</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,3,4-trichloorfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>15950-66-0</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,3,5-trichloorfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>933-78-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,3,6-trichloorfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>933-75-5</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,4,5-trichloorfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>95-95-4</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,4,6-trichloorfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>88-06-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3,4,5-trichloorfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>609-19-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,3,4,5-tetrachloorfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4901-51-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,3,4,6-tetrachloorfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>58-90-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,3,5,6-tetrachloorfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>935-95-5</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Pentachloorfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>87-86-5</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">D.
Polychloorbifenylen
(PCB's)</nadruk>
                </al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>PCB
28</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>7012-37-5</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>PCB
52</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>35693-99-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>PCB
101</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>37680-73-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>PCB
118</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>31508-00-6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>PCB
138</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>35065-28-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>PCB
153</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>35065-27-1</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>PCB
180</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>35065-29-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">E.
Overige gechloreerde
koolwaterstoffen</nadruk>
                </al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2-chlooraniline</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>95-51-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3-chlooraniline</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>108-42-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4-chlooraniline</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>106-47-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,3-dichlooraniline</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>608-27-5</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,4-dichlooraniline</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>554-00-7</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,5-dichlooraniline</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>95-82-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,6-dichlooraniline</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>608-31-1</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3,4-dichlooraniline</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>95-76-1</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3,5-dichlooraniline</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>626-43-7</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,3,4-trichlooraniline</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>634-67-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,3,5-trichlooraniline</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>18487-39-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,4,5-trichlooraniline</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>636-30-6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,4,6-trichlooraniline</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>634-93-5</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3,4,5-trichlooraniline</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>634-91-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,3,4,5-tetrachlooraniline</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>634-83-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,3,5,6-tetrachlooraniline</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3481-20-7</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Pentachlooraniline</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>527-20-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>EOX</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>n.v.t.</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,3,7,8-TCDD</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1746-01-6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2,3,7,8-PeCDD</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>40321-76-4</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2,3,6,7,8-HxCDD</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>57653-85-7</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2,3,7,8,9-HxCDD</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>19408-74-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2,3,4,7,8-HxCDD</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>39227-28-6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2,3,4,6,7,8-HpCDD</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>35822-46-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2,3,4,6,7,8,9-OCDD</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3268-87-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,3,7,8-TCDF</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>51207-31-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2,3,7,8-PeCDF</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>57117-41-6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,3,4,7,8-PeCDF</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>57117-31-4</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2,3,6,7,8-HxCDF</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>57117-44-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2,3,7,8,9-HxCDF</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>72918-21-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2,3,4,7,8-HxCDF</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>70648-26-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,3,4,6,7,8-HxCDF</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>60851-34-5</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2,3,4,6,7,8-HpCDF</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>67562-39-4</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2,3,4,7,8,9-HpCDF</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>55673-89-7</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1,2,3,4,6,7,8,9-OCDF</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>39001-02-0</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>α-Chloornaftaleen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>90-13-1</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>β-Chloornaftaleen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>91-58-7</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>C10-13-chlooralkanen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>85535-84-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">6.
Bestrijdingsmiddelen</nadruk>
                </al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2" morerows="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">A.
Organochloorbestrijdingsmiddelen</nadruk>
                </al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Aldrin</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>390-00-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Dieldrin</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>60-57-1</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Endrin</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>72-20-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Isodrin</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>465-73-6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Telodrin</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>297-78-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Cis-chloordaan</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5103-71-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Trans-chloordaan</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5103-74-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,4-DDT</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>789-02-6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4,4-DDT</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>50-29-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,4-DDE</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3424-82-6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4,4-DDE</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>72-55-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2,4-DDD</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>53-19-0</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4,4-DDD</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>72-54-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>α-Endosulfan</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>959-98-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Endosulfansulfaat</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1031-07-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Endosulfan</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>115-29-7</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>α-HCH</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>319-84-6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>β-HCH</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>319-85-7</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>γ-HCH</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>58-89-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>δ-HCH</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>319-86-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>ε-HCH</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>6108-10-7</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Heptachloor</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>76-44-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Cis-Heptachloorepoxide</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>280044-83-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Trans-Heptachloorepoxide</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1024-5703</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Hexachloorbutadieen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>87-68-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">B.
Organofosforpesticiden</nadruk>
                </al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Azinfos-methyl</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>86-50-0</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">C.
Organotin
bestrijdingsmiddelen</nadruk>
                </al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Tributyltin</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>688-73-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Trifenyltin</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>892-20-6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Tributyltin-kation</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>36643-28-4</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">D.
Chloorfenoxy-azijnzuur
herbiciden</nadruk>
                </al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>MCPA</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>94-74-6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">E.
Overige
bestrijdingsmiddelen</nadruk>
                </al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Atrazine</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1912-24-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Carbaryl</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>63-25-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Carbofuran</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1563-66-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Maneb</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1247-38-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4-chloor-3-methylfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>59-50-7</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4-chloor-2-methylfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1570-64-5</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Propazine</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>139-40-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Simazine</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>122-34-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Terbutryn</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>886-50-0</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bromofos-ethyl</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4824-78-6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bromofos-methyl</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2104-96-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Chloorpyrifos-ethyl</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2921-88-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Dichloorvos</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>62-73-7</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Disulfoton</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>298-04-4</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Fenthion</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>55-38-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Malathion</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>121-75-5</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Parathion-ethyl</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>56-38-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Parathion-methyl</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>298-00-0</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Alachloor</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>15972-60-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Chloorfenvinfos</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>470-90-6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Diuron</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>330-54-1</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Isoproturon</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>34123-59-6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Trifluraline</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1582-09-8</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
              <entry align="left" rotate="0" valign="top" morerows="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">7.
Overige
parameters</nadruk>
                </al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Acrylonitril</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>107-13-1</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Asbest</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>n.v.t.</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Butanol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>71-36-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Butylacetaat</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>123-86-4</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Cyclohexanon</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>108-94-1</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Diethyleenglycol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>111-46-6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Ethylacetaat</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>141-78-6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Ethyleenglycol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>107-21-1</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Formaldehyde</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>50-00-0</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Dimethylftalaat</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>131-11-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Diethylftalaat</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>84-66-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Di-isobutylftalaat</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>84-69-5</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Dibutylftalaat</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>84-74-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Butylbenzylftalaat</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>85-68-7</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Dihexylftalaat</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>84-75-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Di(2-ethylhexyl)ftalaat</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>117-81-7</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Di-n-octylftalaat</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>117-84-0</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Isopropanol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>67-63-0</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Methanol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>67-56-1</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Methylethylketon</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>78-93-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>MTBE</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1634-04-4</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Minerale
olie</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>n.v.t.</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Vertakte
en onvertakte alkanen bestaande uit minimaal 5 en maximaal 40
koolstofatomen<sup>(1)</sup></al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>n.v.t.</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Nutriënten</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>n.v.t.</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>pH</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>n.v.t.</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Pyridine</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>110-86-1</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Reducerend
vermogen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>n.v.t.</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Tetrahydrofuran</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>109-99-9</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Tetrahydrothiofeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>110-01-0</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Tribroommethaan</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>75-25-2</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Zwevende
stof</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>n.v.t.</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Nonylfenolen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>25154-52-3</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4-para-nonylfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>104-40-5</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Octylfenolen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1806-26-4</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Para-tert-octylfenol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>140-66-9</al>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <al>
        <sup>(1)</sup> De vertakte en onvertakte alkanen
kunnen zowel als individuele stof als in verschillende
deelverzamelingen in somparameters worden
genormeerd.</al>
    </bijlage>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING</titel>
      </kop>
      <table tabstyle="xml9" frame="bottom">
        <tgroup align="left" char="" charoff="50" cols="3">
          <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="12*"></colspec>
          <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="93*"></colspec>
          <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="7.5*"></colspec>
          <tbody valign="top">
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">Inhoudsopgave</nadruk>
                </al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" colname="col3">
                <al>Blz.</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">I.
Algemeen</nadruk>
                </al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" colname="col3">
                <al>37</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">Hoofdstuk
1. Achtergronden en inhoud van het
besluit</nadruk>
                </al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" colname="col3">
                <al>37</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Achtergronden</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>37</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Inhoud
van het besluit</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>38</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Doelstellingen
van het bodembeleid</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>38</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1.4</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Veranderingen
in het bodembeleid</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>40</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1.4.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bouwstoffen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>40</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1.4.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Grond
en baggerspecie</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>41</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1.4.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Samenvatting
consequenties veranderingen in het bodembeleid</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="bottom">
                <al>43</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1.5</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Beoordelingssystematiek</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>44</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1.6</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Toepassingen
in oppervlaktewater</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>45</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1.6.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Reikwijdte</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>45</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1.6.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Begrip
baggerspecie</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>47</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1.6.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Ten
slotte</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>48</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">Hoofdstuk
2. Kwaliteit van
uitvoering</nadruk>
                </al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" colname="col3">
                <al>48</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">Hoofdstuk
3.
Bouwstoffen</nadruk>
                </al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" colname="col3">
                <al>48</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Doelstelling
bouwstoffen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>48</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.1.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Doelstelling</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>48</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.1.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Uitgangspunten</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>49</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Werkingssfeer
bouwstoffen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>49</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.2.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Reikwijdte</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>49</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.2.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Toepassing
van bouwstoffen in een werk</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>49</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.2.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Overig</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>50</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Normstelling
bouwstoffen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>50</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.3.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Eisen
en parameters</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>50</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.3.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Emissie-eisen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>51</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.3.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Samenstellingseisen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>52</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.4</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Milieu-effecten</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>53</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.4.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Effect
van emissies naar bodem en grondwater</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>53</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.4.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Effect
van samenstelling op bodem en grondwater</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>55</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.4.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Effecten
op het oppervlaktewater</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>55</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.4.4</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Overige
milieu-effecten</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>55</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.5</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>IBC-bouwstoffen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>56</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.5.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Isoleren,
beheersen en controleren</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>56</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.5.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Melden
van IBC-bouwstoffen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>56</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.5.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Gelijkwaardigheid
bij isolerende voorzieningen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>57</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.5.4</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Geen
IBC in oppervlaktewater</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>57</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.6</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bedrijfseconomische
gevolgen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>57</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.6.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bedrijfseffectentoets</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>57</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.6.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Doelgroepen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>58</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.6.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Administratieve
lasten</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>58</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.6.4</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Toetsing
door Actal</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>59</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.6.5</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Inhoudelijke
nalevingskosten</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>60</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.6.6</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Markteffecten
en andere effecten</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>60</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.6.7</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bestuurlijke
lasten</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>61</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">Hoofdstuk
4. Grond en
baggerspecie</nadruk>
                </al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" colname="col3">
                <al>61</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Hoofdlijnen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>61</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.1.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Systeem
grond en baggerspecie</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>61</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.1.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Melding</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>63</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.1.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Actoren,
bevoegdheden en verplichtingen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>63</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.1.4</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>De
lokale bodembeheerder</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>63</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.1.5</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>De
toepasser</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>64</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Doelstellingen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>64</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Werkingssfeer</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>65</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.3.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Reikwijdte</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>65</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.3.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Particulieren
en landbouwbedrijven</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>65</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.3.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Nuttige
toepassing van grond en baggerspecie</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>65</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.3.4</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Tijdelijke
opslag van grond en baggerspecie</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>66</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.4</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Voorschriften
voor toepassing van grond en baggerspecie</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>72</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.4.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Algemeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>72</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.4.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Vaststellen
van kwaliteitseisen en milieuhygiënische verklaring</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="bottom">
                <al>72</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.4.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Melden</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="bottom">
                <al>73</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.5</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Normstelling
en toetsingskaders voor grond en baggerspecie</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="bottom">
                <al>74</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.5.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Gehanteerde
waarden</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="bottom">
                <al>74</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.5.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Toetsingskaders</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="bottom">
                <al>75</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.6</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Gebiedsspecifieke
toetsingskader voor de algemene toepassing</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="bottom">
                <al>75</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.6.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Gebiedsspecifieke
toetsingskader</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>75</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.6.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Procedure
vaststellen lokale maximale waarden</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>76</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.6.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Nota
bodembeheer</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>77</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.6.4</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Standstill-beginsel
op gebiedsniveau</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>78</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.6.5</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Ernstig
verontreinigde grond</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>78</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.7</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Generieke
toetsingskader voor algemene toepassingen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>79</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.7.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bodemfuncties
en bodemfunctieklassen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>79</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.7.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bodemkwaliteitsklassen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>80</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.7.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Toetsing
van toepassingen op of in de bodem</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>81</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.7.4</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Toepassingen
in oppervlaktewater: achtergronden en toetsing</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>82</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.7.5</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bodemfunctiekaart
en bodemkwaliteitskaart</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>83</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.8</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Verspreiden
baggerspecie</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>84</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.8.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Verspreiden
van baggerspecie over het aangrenzend perceel</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>84</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.8.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Verspreiden
van baggerspecie in oppervlaktewater</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>85</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.9</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Toetsingskader
grootschalige toepassingen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>86</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.9.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Algemeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>86</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.9.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Criteria</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>86</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.9.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Baggerspecie
in watersysteem</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>88</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.10</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Milieu-effecten
grond en baggerspecie</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>88</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.10.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Algemeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>88</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.10.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bodem</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>89</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.10.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Oppervlaktewater</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>90</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.10.4</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Grondstoffen
en afvalstoffen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>90</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.10.5</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Beschikbare
fysieke ruimte</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>91</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.10.6</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Energiegebruik,
mobiliteit en lucht</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>91</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.11</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bedrijfseconomische
gevolgen voor grond en baggerspecie</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>91</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.11.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bedrijfseffectentoets</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>91</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.11.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Administratieve
lasten</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>94</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.11.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Marktwerking
en andere effecten</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>96</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4.11.4</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bestuurlijke
lasten</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>98</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">Hoofdstuk
5. Algemene
onderdelen</nadruk>
                </al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" colname="col3">
                <al>99</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Milieuhygiënische
verklaringen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>99</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.1.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Algemeen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>99</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.1.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Partijkeuringen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>100</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.1.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Fabrikant-eigenverklaringen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>100</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.1.4</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Erkende
kwaliteitsverklaringen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>101</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.1.5</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>CE-markering</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>101</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.1.6</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Verklaring
op grond van een bodemkwaliteitskaart</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>101</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.1.7</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Verklaring
op grond van bodemonderzoek</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>102</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Handhaving
en toezicht</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>102</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.2.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Inleiding</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>102</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.2.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Verdeling
verantwoordelijkheden bevoegde bestuursorganen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>102</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.2.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bevoegdheden
en verplichtingen voor het lokale bevoegde gezag</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>105</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.2.4</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bevoegdheden
en verplichtingen voor de VI en de IVW</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>105</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.2.5</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Invulling
ketenhandhaving</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>106</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.2.6</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Resultaten
uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>107</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Verhouding
tot nationale regelgeving</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>111</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.3.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Wet
bodembescherming, Wet verontreiniging oppervlaktewateren en Wet
milieugevaarlijke stoffen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>111</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.3.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bodemsanering</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>112</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.3.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Afvalstoffenregelgeving</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>113</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.3.4</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Natuurbeschermingsrecht</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>114</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.3.5</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Meststoffenwet</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>116</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.3.6</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Stortbesluit
bodembescherming</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>116</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.3.7</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bouwbesluit</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>116</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.3.8</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Ruimtelijke
ordening</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>116</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.3.9</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Mijnwetgeving</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>117</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.3.10</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>London
Protocol</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>117</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.3.11</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Wet
verontreiniging zeewater</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>118</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.4</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Verhouding
tot Europese regelgeving</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>118</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.4.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Richtlijn
bouwproducten</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>118</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.4.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Europese
bodemstrategie</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>119</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.4.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Kaderrichtlijn
water</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>119</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.4.4</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Grondwaterrichtlijn</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>120</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.4.5</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Richtlijn
storten</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>121</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.4.6</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Vogel-
en Habitatrichtlijn</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>121</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.4.7</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Milieu-effectrapportage
en strategische milieubeoordeling</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>121</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.4.8</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Kaderrichtlijn
afvalstoffen voor grond en baggerspecie</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>122</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5.4.9</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Kaderrichtlijn
afvalstoffen voor bouwstoffen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>125</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">Hoofdstuk
6. Voorbereiding van het
besluit</nadruk>
                </al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" colname="col3">
                <al>126</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>6.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Advies
Technische Commissie Bodembescherming</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>126</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>6.1.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bouwstoffen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>126</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>6.1.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Grond
en baggerspecie</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>128</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>6.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Reacties
op de voorpublicatie</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>130</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>6.2.1</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Aantal
en algemene duiding</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>130</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>6.2.2</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Reikwijdte</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>131</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>6.2.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bevoegd
gezag bij slootdempingen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>131</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>6.2.4</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Normstelling</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>131</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>6.2.5</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Onderscheid
tussen bouwstoffen en grond en baggerspecie</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>132</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>6.2.6</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Aansluiting
bij de ruimtelijke ordening</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>132</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>6.2.7</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Decentralisatie</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>132</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>6.2.8</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Opnieuw
gebruiken van bouwstoffen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>133</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>6.2.9</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Afstemming
met de RAW-systematiek</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>133</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>6.2.10</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bestuurlijke
lasten</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>133</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>6.3</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Advies
Raad van State</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>133</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>6.4</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Notificatie</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>133</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" namest="col1" nameend="col2">
                <al>
                  <nadruk type="vet">II.
Artikelsgewijs</nadruk>
                </al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top" colname="col3">
                <al>134</al>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <tuskop letat="vet">I. ALGEMEEN</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Hoofdstuk 1. Achtergronden en
inhoud van het besluit</tuskop>
      <tuskop letat="cur">1.1
Achtergronden</tuskop>
      <al>Begin jaren tachtig werd
geconstateerd dat het ontbreken van milieuhygiënische
randvoorwaarden een belemmering vormde voor het hergebruik van
secundaire grondstoffen op of in de bodem. Het ging dan vooral om
steenachtige bouwstoffen en grond en baggerspecie als bouwstof, waarbij
het onduidelijk was wat het effect was van deze bouwstoffen op de bodem
en het oppervlaktewater, inclusief de bodem onder het oppervlaktewater.
Uiteindelijk resulteerde dit in het Bouwstoffenbesluit bodem- en
oppervlaktewaterenbescherming (het Bouwstoffenbesluit) dat met ingang
van 1 januari 1996 gedeeltelijk en met ingang van 1 januari 1999
volledig in werking trad. Het Bouwstoffenbesluit had tot doel
milieuhygiënische randvoorwaarden te geven voor het gebruik van
primaire en secundaire bouwstoffen op of in de bodem of in
oppervlaktewater.</al>
      <al>Daarnaast trad met ingang van 1 oktober 1999
(met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 1999) de
Vrijstellingsregeling grondverzet in werking om het hergebruik van
licht verontreinigde grond als bodem mogelijk te maken. Deze regeling
was nodig omdat op grond van het Bouwstoffenbesluit bouwstoffen niet
met de bodem mochten worden vermengd en de bouwstoffen veelal
verwijderd moesten kunnen worden. De toen in ontwikkeling zijnde
praktijk van actief bodembeheer in gemeenten en provincies, dat zich
richtte op een verantwoord en duurzaam gebruik van de bodem door het
instandhouden en zo mogelijk verbeteren van de gebruikswaarde van de
bodem, zou met de inwerkingtreding van het Bouwstoffenbesluit worden
doorkruist. De Vrijstellingregeling grondverzet stelde het hergebruik
van licht verontreinigde grond als bodem met name vrij van de genoemde
verplichtingen van het Bouwstoffenbesluit. Nadat met de
Vrijstellingsregeling grondverzet de nodige ervaring zou zijn opgedaan
en het beleid met betrekking tot actief bodembeheer verder zou zijn
ontwikkeld zouden deze ervaring en kennis in een algemene maatregel van
bestuur worden opgenomen.</al>
      <al>In 2001 is het
Bouwstoffenbesluit geëvalueerd, waaruit bleek dat het besluit
een goed kader biedt dat stimulerend werkt op het hergebruik van
materialen, maar dat er ook forse knelpunten bestonden in de
uitvoeringspraktijk. Het besluit werd onder meer als te complex, te
star en slecht handhaafbaar ervaren. Bovendien werden de
administratieve lasten als te hoog ervaren. Ook de normstelling stond
onder druk, omdat deze onvoldoende rekening hield met
milieurisico’s. Gepleit werd voor een aansluiting bij de
daadwerkelijke risico’s van de toepassing van bouwstoffen.
Daarnaast bleek het beleid voor grond en baggerspecie te versnipperd
geregeld in het Bouwstoffenbesluit en de Vrijstellingsregeling
grondverzet. Het bleek wenselijk om een aparte, brede aanpak van grond
en baggerspecie uit te werken, waarin meer rekening kan worden gehouden
met de specifieke aspecten van deze materialen.</al>
      <al>Op basis van
deze evaluatie heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM), mede namens de
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (VenW), in een brief aan de
Tweede Kamer aangegeven, dat hij het Bouwstoffenbesluit wilde herzien
en hierbij wilde onderzoeken of en op welke wijze voor grond en
baggerspecie een nieuw, samenhangend beleidskader kan worden
gemaakt.</al>
      <al>In de brief over de herijking van de
VROM-regelgeving<voetref refid="b1"></voetref><voetnoot id="b1"><nootnr>1</nootnr><noottkst><al>Kamerstukken
II, 2003/04, 29 200 XI, nr. 7.</al></noottkst></voetnoot> is herhaald
dat het Bouwstoffenbesluit fundamenteel zal worden herzien om het
eenvoudiger, beter uitvoerbaar en beter handhaafbaar te maken en dat
als onderdeel van deze herziening grond en baggerspecie in een apart
kader zullen worden ondergebracht.</al>
      <al>De kaders voor bouwstoffen
en voor grond en baggerspecie zijn verder uitgewerkt in de brief van 24
december
2003<voetref refid="b2"></voetref><voetnoot id="b2"><nootnr>2</nootnr><noottkst><al>Kamerstukken
II, 2003/04, 28 663.</al></noottkst></voetnoot> aan de Tweede Kamer (hierna te
noemen: Beleidsbrief bodem) en in het onderhavige besluit juridisch
verankerd. Hierbij zijn beide kaders inhoudelijk zoveel mogelijk op
elkaar afgestemd, maar blijven zij verder wel nadrukkelijk gescheiden.
Het kader voor de toepassing van grond en baggerspecie in dit besluit
vormt met bodemsanering een samenhangend en consistent systeem voor
bodembeheer, zoals aangekondigd in de brief van 19 juli
2005<voetref refid="b3"></voetref><voetnoot id="b3"><nootnr>3</nootnr><noottkst><al>Kamerstukken
II, 2004/05, 28 199, nr. 13.</al></noottkst></voetnoot> aan de Tweede
Kamer.</al>
      <tuskop letat="cur">1.2
Inhoud van het besluit</tuskop>
      <al>Het onderhavige
besluit is gebaseerd op de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming,
de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet milieugevaarlijke
stoffen en de Woningwet (zie paragraaf 5.3.1 en de artikelsgewijze
toelichting onder «Grondslagen van het besluit»).</al>
      <al>In hoofdlijnen heeft het onderhavige besluit ten doel
milieuhygiënische voorwaarden te stellen aan de toepassing van
bouwstoffen, grond en baggerspecie ter bescherming van de bodem en het
oppervlaktewater. De regels verschaffen tevens duidelijkheid over de
mogelijkheden van het hergebruik van afvalstoffen als bouwstof of als
bodem.</al>
      <al>Dit besluit richt zich primair tot degenen die
bouwstoffen, grond of baggerspecie toepassen. Hier vallen ook
particulieren (natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van
beroep of bedrijf) onder (zie paragraaf 4.3.2).</al>
      <al>Dit besluit is als volgt vormgegeven.</al>
      <al>In hoofdstuk 1 zijn
onder meer definities, bepalingen over het bevoegd gezag en de
zorgplicht opgenomen (zie de toelichting bij de desbetreffende
bepalingen).</al>
      <al>Hoofdstuk 2 bevat bepalingen die betrekking
hebben op de kwaliteit van de uitvoering.</al>
      <al>Hoofdstuk 3 en
hoofdstuk 4 bevatten voorschriften ten aanzien van het toepassen van
bouwstoffen respectievelijk grond en baggerspecie.</al>
      <al>Hoofdstuk 5
bevat onder meer overgangsbepalingen, de inwerkingtredingsbepaling, de
intrekking en wijziging van enkele wettelijke regelingen in verband met
de inwerkingtreding van het onderhavige besluit.</al>
      <al>Bijlage 1 bij
dit besluit bevat de parameterlijst voor bouwstoffen, grond en
baggerspecie.</al>
      <al>In de hoofdstukken 3, 4 en 5 van
de nota van toelichting bij dit besluit wordt de werkingssfeer van de
desbetreffende hoofdstukken afzonderlijk toegelicht. Voor de
toelichting bij hoofdstuk 2 wordt verwezen naar de nota van toelichting
bij het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer (zie ook de
toelichting bij artikel 66).</al>
      <tuskop letat="cur">1.3 Doelstellingen van het
bodembeleid</tuskop>
      <al>In het onderhavige besluit
worden de doelstellingen van het bodembeleid ten aanzien van
bouwstoffen, grond en baggerspecie juridisch vormgegeven door het
vastleggen van het beleidskader voor bouwstoffen, grond en
baggerspecie. Onderstaand wordt op deze doelstellingen
ingegaan.</al>
      <al>Het doel van het Nederlandse
bodembeleid is een balans te vinden tussen de maatschappelijke opgave
die voortvloeit uit de Wet bodembescherming en de maatschappelijke
opgave die voortvloeit uit het sociaal-economische gebruik van de
bodem, dat wil zeggen een balans tussen enerzijds de bescherming van de
gezondheid van de mens en het behoud van de functionele eigenschappen
die de bodem heeft voor mens, plant en dier, en anderzijds het geven
van ruimte aan maatschappelijke activiteiten op de bodem.</al>
      <al>Dit
betekent dat eventuele negatieve effecten van maatschappelijke
activiteiten op de kwaliteit van de bodem moeten worden tegengegaan
zonder deze activiteiten onmogelijk te maken. Het gaat hierbij om het
bouwen van huizen, het aanleggen van wegen, het uitbaggeren van
vaarwegen en diverse andere activiteiten die invloed kunnen uitoefenen
op de kwaliteit van de bodem. De uitdaging voor het beleid is de balans
tussen deze maatschappelijke opgaven te vinden en te behouden. Zodra
een evenwichtige situatie is bereikt, is sprake van duurzaam
bodembeheer.</al>
      <al>De Nederlandse bodem is voor het
overgrote deel niet of nauwelijks verontreinigd. Het grootste deel van
de bodem wordt gebruikt als landbouwgrond (60% van de landbodem) en
natuurgebied (10% van de landbodem). De kwaliteit van deze gebieden mag
niet achteruit gaan. Het bodembeleid is er daarom voor een belangrijk
deel op gericht de aanwezige balans te behouden. Dit betekent het
voorkómen of beperken van verontreiniging door het aanpakken van
mogelijke bronnen van bodembelasting, zoals bedrijfsmatige
activiteiten, lozingen in de bodem, het storten van afval,
bouwactiviteiten, enzovoort. Ook het bebouwde deel van de bodem (15%
van de landbodem) voldoet aan de achtergrondwaarden, hoewel de druk van
menselijke activiteiten hier groter is. Dit heeft in het verleden onder
andere geresulteerd in een diffuse verontreiniging van het
binnenstedelijk gebied voor een beperkt aantal specifieke stoffen en
puntverontreinigingen op plekken van oude industriële
bedrijvigheid. Aandacht is vooral nodig voor grondstromen afkomstig uit
licht tot ernstig verontreinigde gebieden. De resterende 15% van de
bodem betreft waterbodems.</al>
      <al>Voor baggerspecie
geldt de volgende analyse. Het overgrote deel van de Nederlandse bodem
is gevormd door de afzet van (overwegend schoon) rivier- en
zeesediment. Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw groeide het
besef dat door de sterk toegenomen naoorlogse milieudruk niet alleen
het oppervlaktewater maar ook het waterbodemsediment op grote schaal
was verontreinigd. Inmiddels is vanwege de aanpak van de daarvoor
verantwoordelijke bronnen van verontreiniging de kwaliteit van
oppervlaktewater en waterbodemsediment significant verbeterd. Locaties
waar periodiek baggerwerk plaatsvindt (havengebieden,
scheepvaartgeulen, regionale watergangen vanwege de aan- en
afvoerfunctie) en dus recent afgezet sediment wordt opgebaggerd,
profiteren het meest van deze kwaliteitsverbetering. Op een groot
aantal locaties wordt echter geen periodiek (onderhouds)baggerwerk
uitgevoerd en worden we geconfronteerd met verontreinigde waterbodems
als erfenis uit het verleden. Voor zover deze verontreiniging leidt tot
onaanvaardbare risico’s voor mens, plant of dier, vindt sanering
plaats. Dit is meestal het geval als ter plaatse sprake is geweest van
(extra) verontreiniging van de waterbodem door locale activiteiten of
lozingen (puntverontreiniging).</al>
      <al>Het merendeel van de
waterbodemverontreiniging betreft echter diffuse verontreiniging die
vanuit risico-oogpunt niet gesaneerd hoeft te worden. Dit gegeven, in
samenhang met de omstandigheid dat zich in watersystemen voortdurend
natuurlijke processen afspelen van sedimentatie en erosie en de hiermee
gepaard gaande (her)verontreiniging, vormt een belangrijk element van
het waterbodembeleid. Dit beleid kenmerkt zich verder door de sterke
nadruk op het voorkómen of beperken van verontreiniging door
effectief bronbeleid omdat alleen langs deze weg structurele en
duurzame verbetering van de kwaliteit van de waterbodem kan worden
gerealiseerd. Momenteel worden hiertoe op grond van de Kaderrichtlijn
Water (inter)nationale afspraken gemaakt.</al>
      <al>Het
onderhavige besluit ziet op deze doelstellingen door het juridisch
vastleggen van het beleidskader voor bouwstoffen, grond en
baggerspecie.</al>
      <tuskop letat="cur">1.4 Veranderingen in het
bodembeleid</tuskop>
      <al>In deze paragraaf wordt nader
ingegaan op de veranderingen in het bodembeleid ten aanzien van
bouwstoffen, grond en baggerspecie en de wijze waarop deze zijn
geëffectueerd in het onderhavige besluit.</al>
      <al>In zijn algemeenheid geldt dat de regelgeving voor de toepassing
van bouwstoffen, grond en baggerspecie is vereenvoudigd en meer
flexibiliteit geeft om af te stemmen op de locale omstandigheden.</al>
      <al>Voor het toepassen van grond en baggerspecie is het normenkader
consistenter geworden, waardoor een betere afstemming ontstaat tussen
de regelgeving voor toepassen van grond en baggerspecie en de regels
voor bodemsanering.</al>
      <al>De voorschriften in dit besluit sluiten
beter aan bij de mate van risico die de diverse toepassingen met zich
meebrengen.</al>
      <al>Ook zijn de administratieve lasten teruggebracht
door de ontwikkeling van een vereenvoudigde kwaliteitsborging. Door
borging van de kwaliteit en integriteit van belangrijke intermediairs
bij bodemactiviteiten wordt de kwaliteit van de uitvoering
verbeterd.</al>
      <al>Verder is in dit besluit de mogelijkheid opgenomen
om gericht toezicht te houden op de gehele keten van bouwstoffen, grond
of baggerspecie, dat wil zeggen vanaf de productie van bouwstoffen of
de ontgraving van grond of baggerspecie tot en met de toepassing van
bouwstoffen, grond of baggerspecie op of in de bodem of in
oppervlaktewater.</al>
      <al>Het toepassen van
bouwstoffen, grond en baggerspecie op of in de bodem of in
oppervlaktewater betreft een beïnvloeding van de bodem die voor
een groot aantal maatschappelijke activiteiten wenselijk wordt geacht.
In het onderhavige besluit zijn voorschriften opgenomen die voor deze
toepassingen milieuhygiënische randvoorwaarden stellen ter
bescherming van bodem, grond- en oppervlaktewater.</al>
      <al>Deze
voorschriften zijn gebaseerd op de kennis, de ervaring en de inzichten
die de afgelopen jaren zijn opgedaan.</al>
      <tuskop letat="cur">1.4.1
Bouwstoffen</tuskop>
      <al>Voor de
toepassing van bouwstoffen stelt dit besluit grenzen aan de emissie en
de samenstelling op basis van een risicobenadering. Deze benadering
gaat uit van een maximaal toelaatbare toevoeging van stoffen aan bodem
en grondwater. Hierbij wordt in tegenstelling tot het
Bouwstoffenbesluit gekeken naar het daadwerkelijke effect van de
gebruikte bouwstof op het leven in de bodem en het grondwater. De
nieuwe normstelling richt zich primair op het product zonder te
differentiëren naar de verschillende situaties bij de
toepassing. Bouwstoffen die aan het generieke beschermingsniveau
voldoen, mogen worden toegepast zonder nadere eisen aan de toepassing.
Bouwstoffen die niet aan dit beschermingsniveau voldoen, mogen tot
bepaalde grenzen aan emissie en samenstelling worden toegepast met
isolerende voorzieningen. Deze generieke benadering betekent een sterke
vereenvoudiging van de uitvoering en
handhaving.</al>
      <tuskop letat="cur">1.4.2
Grond en
baggerspecie</tuskop>
      <al>Hieronder zijn
puntsgewijs de hoofdlijnen van dit besluit met betrekking tot het
toepassen van grond en baggerspecie
weergegeven:</al>
      <al>– Dit besluit neemt de versnippering in
regelgeving weg ten aanzien van het toepassen van grond en baggerspecie
op of in de bodem en in oppervlaktewater, door in één
kader te voorzien voor wat betreft de navolgende tot op heden
gebruikelijke «toepassingsvormen»:</al>
      <al>– het gebruik van grond en baggerspecie
conform het Bouwstoffenbesluit;</al>
      <al>– actief bodem beheer conform de
Vrijstellingsregeling grondverzet en de beleidsnotities Actief
bodembeheer Maas en Actief bodembeheer Rijntakken;</al>
      <al>– het verspreiden van baggerspecie over de aan
de watergang grenzende percelen;</al>
      <al>– het verspreiden van baggerspecie in zoet of
zout oppervlaktewater;</al>
      <al>– het
toepassen van grond of baggerspecie in een afdeklaag in het kader van
een sanering op grond van de Wet bodembescherming (Wbb);</al>
      <al>– het toepassen van grond of baggerspecie in
een afdichtingslaag op een (voormalige) stortplaats op grond van de Wet
milieubeheer (Wm);</al>
      <al>– de
tijdelijke opslag van grond of baggerspecie over de aan de watergang
grenzende percelen (zgn. weilanddepots);</al>
      <al>– de tijdelijke opslag van grond of
baggerspecie voorafgaand aan een nuttige
toepassing.</al>
      <al>De nieuwe regelgeving
is gebaseerd op een vernieuwd beleidskader. De toepassingen van grond
en baggerspecie op of in de bodem en in watersystemen worden
vergelijkbaar getoetst. Onderdelen uit de regelgeving waarmee de
afgelopen jaren bij deze toepassingen positieve ervaringen zijn
opgedaan, zijn meegenomen in de nieuwe
regelgeving.</al>
      <al>– Het beleid voor grond en baggerspecie is
niet langer centraal gedicteerd, maar gaat uit van een eigen
verantwoordelijkheid voor het bevoegd gezag om gebiedsgericht maatwerk
te kunnen verrichten. Hierdoor wordt de ruimte binnen beleid en
regelgeving voor toepassing van gebiedseigen grond en baggerspecie
beter benut. Vernieuwend is hierbij ook dat de toetsing aan het
standstill-beginsel op gebiedsniveau mag plaatsvinden in plaats van per
vierkante meter. Voor overheden die gebiedsgericht maatwerk niet
noodzakelijk vinden, zijn generieke regels opgesteld. Ook deze regels
gaan uit van een betere benutting van de beleidsruimte voor het
toepassen van grond en baggerspecie.</al>
      <al>– De basis voor het vernieuwde beleidskader
voor de toepassing van grond en baggerspecie op of in de bodem en in
watersystemen wordt gevormd door het gedachtegoed uit de
Vrijstellingregeling grondverzet. Dit gedachtegoed betreft een vorm van
actief bodembeheer waarmee bij de landbodems de afgelopen jaren veel
ervaring is opgedaan en waarmee grond daadwerkelijk als bodem kon
worden toegepast. Vernieuwend aan de nieuwe regelgeving is dat er nu
een wettelijke basis is voor actief bodembeheer in
watersystemen.</al>
      <al>– Vernieuwend bij
de toetsing van de toepassingen van grond en baggerspecie op of in de
landbodem is de introductie van bodemfuncties. De hierboven bedoelde
maatschappelijke activiteiten op de bodem zijn gebundeld in zeven
bodemfuncties die in de uitvoeringsregeling zijn vastgelegd. Voor deze
bodemfuncties zijn toetsingscriteria ontwikkeld die zijn gebaseerd op
de risicobenadering. Bij gebiedsspecifieke toetsing van de toepassingen
van grond en baggerspecie legt het bevoegd gezag lokale maximale
waarden vast waarbij rekening is gehouden met de gewenste kwaliteit van
de bodem voor de bodemfunctie ter plaatse. Voor de generieke toetsing
van toepassingen van grond en baggerspecie zijn deze functies gebundeld
in bodemfunctieklassen om voor overheden die gebiedsgericht maatwerk
niet noodzakelijk vinden, de toetsing te vereenvoudigen.</al>
      <al>– Ook wordt bij de generieke toetsing van
toepassingen van grond en baggerspecie op of in de landbodem voor het
eerst gebruik gemaakt van de indeling van de bodemkwaliteit in
bodemkwaliteitsklassen, die meer recht doen aan de heterogeniteit van
de bodem en in het waterbeheer al vele jaren gemeengoed zijn. Een
indeling in bodemkwaliteitsklassen maakt ook het grondverzet in
Nederland eenvoudiger. Bij deze toetsing gaan bodemkwaliteitskaarten
een belangrijke rol vervullen.</al>
      <al>– Er wordt bij de toepassing van grond en
baggerspecie geen onderscheid meer gemaakt tussen toepassing in werken
en toepassing als bodem. Op grond van dit besluit worden alle
toepassingen van grond en baggerspecie als bodemtoepassing getoetst.
Ook wordt bij de toetsing geen onderscheid meer gemaakt in de locatie,
diepte of hoogte waarop grond en baggerspecie wordt toegepast. De
toepassingen van grond of baggerspecie in bijvoorbeeld wegen, parken,
terpen, putten en woonwijken kunnen op dezelfde wijze worden
getoetst.</al>
      <al>– Een belangrijke
verbetering van de nieuwe regelgeving is dat grondverzet en
bodemsanering goed op elkaar zijn afgestemd. Ernstig verontreinigde
grond en baggerspecie mogen slechts in een beperkt aantal gevallen
worden toegepast binnen een door het bevoegd gezag aangewezen gebied.
Er mag hierbij geen sprake zijn van een onaanvaardbaar risico voor
mens, plant en dier en geen urgentie van sanering aanwezig zijn. De
saneringsdoelstellingen zijn afgestemd op de normen die voor het
grondverzet worden gehanteerd.</al>
      <al>– Voor de verspreiding van baggerspecie over
de aan de watergang grenzende percelen (baggerspecie op de kant) heeft
dit besluit een aantal belangrijke knelpunten weggenomen. De «20
meter»-grens is verruimd, of beter gezegd teruggedraaid, naar de
perceelsgrens die reeds in de Waterstaatswet van 1900 is gedefinieerd.
Verder is de mogelijkheid opgenomen tot het opwerpen van weilanddepots
naast de gebaggerde watergang zonder dat hiervoor een Wm-vergunning
noodzakelijk is. Het wegnemen van de diverse knelpunten kent grote
voordelen voor het beheer van de regionale watersystemen.</al>
      <al>– De voorwaarden voor het verspreiden van
baggerspecie in oppervlaktewater zijn over het algemeen niet veel
veranderd, los van het feit dat het gebiedsgericht mogelijk is om
generieke verspreidingsgrenzen te optimaliseren.</al>
      <al>– Voor de tijdelijke opslag van grond en
baggerspecie bij of krachtens dit besluit zijn flexibelere
voorschriften opgenomen, zodanig dat een Wm-vergunning niet
noodzakelijk is.</al>
      <al>Hierboven zijn
de veranderingen geschetst die betrekking hebben op de toetsing van de
algemene toepassing van grond en baggerspecie op grond van het
onderhavige besluit.</al>
      <al>Dit besluit kent echter ook een
toetsingskader voor grootschalige toepassingen van grond en
baggerspecie, dat duidelijke overeenkomsten vertoont met het
toetsingskader dat is gehanteerd vóór de inwerkingtreding
van dit besluit.</al>
      <al>Bij grootschalige toepassingen
gaat het om toepassingen op of in de bodem die voldoen aan
minimumvoorwaarden voor hoogte en omvang. De toetsing van deze
toepassingen vertoont grote gelijkenis met de toetsing van de
toepassing van bouwstoffen in werken. De basis voor de toetsing wordt
gevormd door het beoordelen van verspreidingsrisico’s als gevolg
van optredende emissies. De toetsing aan de ontvangende bodem is
hierbij niet noodzakelijk. De ervaringen met de werken in het
Bouwstoffenbesluit hebben geleid tot betere criteria voor het beheren
van grootschalige toepassingen. Een voorbeeld hiervan is een vergroting
van de minimale omvang van de toepassing en een registratieplicht. De
toetsing van grootschalige toepassingen van grond en baggerspecie kent
dan ook vergelijkbare voordelen als de toetsing van bouwstoffen in
werken in het kader van het Bouwstoffenbesluit, bijvoorbeeld bij de
aanleg van grote infrastructurele projecten. Vernieuwend is echter dat
bij de afwerking van de grootschalige toepassing via een leeflaag
nadrukkelijk rekening is gehouden met de kwaliteit van de omliggende
bodem en de (neven)functies die de toepassing vervult.</al>
      <tuskop letat="cur">1.4.3 Samenvatting consequenties
veranderingen in het
bodembeleid</tuskop>
      <al>In het voorgaande
van deze paragraaf zijn de belangrijkste veranderingen in het
bodembeleid beschreven, waarbij verband is gelegd met de doelstellingen
zoals beschreven in paragraaf 1.3. Bij het ontwikkelen van de nieuwe
regelgeving is tevens gekeken naar de consequenties, middels de
uitvoering van diverse toetsen. Deze dienen primair voor het in beeld
brengen van mogelijk (ongewenste) neveneffecten van de nieuwe
regelgeving. Secundair geven ze tevens inzicht in de mate waarin
bepaalde doelstellingen worden gerealiseerd, zoals duurzaamheid,
vereenvoudiging regelgeving en vermindering van administratieve en
bestuurlijke lasten. Een samenvatting van de resultaten van de toetsen
wordt hieronder weergegeven, met verwijzing naar de uitgebreidere
beschrijving in deze nota van
toelichting.</al>
      <tuskop letat="cur">Milieuhygiënische
effecten</tuskop>
      <al>Voor het toepassen
van bouwstoffen geldt het preventieve spoor, gericht op het beperken
van effecten op bodem, grondwater en oppervlaktewater door het
toepassen van bouwstoffen. Voor veel bouwstoffen kon de normstelling
worden vastgesteld op het beoogde beschermingsdoel of zelfs scherper.
Voor enkele bouwstoffen ligt de norm iets boven het beoogde
beschermingsdoel, maar wel onder of gelijk aan de normering van het
Bouwstoffenbesluit (op één uitzondering na). Het Besluit
bodemkwaliteit biedt daarmee in een aantal gevallen een gelijkwaardige
en in de meeste gevallen een hogere bescherming dan onder het
Bouwstoffenbesluit het geval was. (nadere toelichting in paragraaf
3.4)</al>
      <al>Voor het toepassen van grond en
baggerspecie geldt het beheersspoor. Het gaat hierbij om het
verantwoord omgaan met reeds aanwezige (historische, diffuse)
verontreiniging in de (water)bodem. Door de nieuwe regelgeving zullen
verontreinigingen van de bodem niet toenemen, maar kunnen deze wel
worden verplaatst. Hiervan worden positieve milieu-effecten verwacht,
omdat de aanwezige bodemkwaliteit beter in overeenstemming kan worden
gebracht met het beoogde gebruik van de bodem, hetgeen is verankerd in
de normstelling. Bovendien worden de mogelijkheden voor hergebruik van
grond en baggerspecie verbeterd, zodat de hoeveelheid te storten grond
en baggerspecie afneemt en inzet van primaire grondstoffen wordt
beperkt. (nadere toelichting in paragraaf 4.10)</al>
      <tuskop letat="cur">Bedrijfseffecten</tuskop>
      <al>Met betrekking tot bouwstoffen krijgt ook de
tussenhandel te maken met het besluit, hetgeen onder het
Bouwstoffenbesluit niet het geval was. De economische gevolgen zijn
echter beperkt, omdat de milieuhygiënische kwaliteit van de
bouwstoffen die worden verhandeld reeds eerder in de keten is bepaald.
De nieuwe normstelling leidt niet tot grote markteffecten, de kans op
afkeur blijft gelijk of neemt zelfs af. Door vereenvoudiging van de
regelgeving (onder meer vervallen toepassingshoogte) worden positieve
bedrijfseffecten verwacht. (nadere toelichting in paragraaf
3.6)</al>
      <al>De bedrijfseffecten van het onderdeel
grond en baggerspecie verschillen per sector. Voor de zandwinbedrijven
worden geen effecten verwacht. Voor de GWW-sector, loonwerkers,
aardappel- en bietenverwerkende industrie (afzet tarragrond) en
baggerbedrijven worden positieve effecten verwacht. Zowel positieve als
negatieve effecten worden verwacht voor de grondbanken,
adviesbureau’s en laboratoria. Per saldo negatief bedrijfseffect
wordt verwacht voor de grondreinigers en stortplaatsen als gevolg van
verminderd aanbod van te reinigen of te storten grond en baggerspecie.
(nadere toelichting in paragraaf 4.11)</al>
      <tuskop letat="cur">Administratieve lasten</tuskop>
      <al>De administratieve lasten zijn de kosten voor
het bedrijfsleven om te voldoen aan informatieverplichtingen
voortvloeiend uit wet- en regelgeving van de overheid. In dit besluit
gaat het om keuringskosten, afgifte van milieuhygiënische
verklaringen en het doen van meldingen.</al>
      <al>Voor
bouwstoffen leidt het besluit tot een aantal forse besparingen. Rond
partijkeuringen wordt een lastenverlichting verwacht, mede door
vereenvoudigde regelgeving voor hergebruik van bouwstoffen. Verder
leidt de introductie van de fabrikant-eigenverklaring tot een halvering
van de kosten voor circa 500 tot 600 producenten. Door de gewijzigde
normering wordt een lichte daling verwacht van de keuringskosten. In
totaal wordt voor bouwstoffen een besparing verwacht van circa 5,9
miljoen euro per jaar. (nadere toelichting in paragraaf
3.6.3)</al>
      <al>Ook voor het onderdeel grond en
baggerspecie worden de administratieve lasten verminderd. De besparing
vloeit voor uit de introductie van bodemkwaliteitskaarten en
fabrikant-eigenverklaringen als bewijsmiddel. Door het centrale,
digitale systeem voor het doen van meldingen kan de minimale
inspanningsverplichting voor het toepassen van schone grond
budgetneutraal worden ingevoerd. De totale meldingskosten voor grond en
baggerspecie blijven dus ongewijzigd. De besparing op de
administratieve lasten voor grond en baggerspecie bedragen 9,3 miljoen
euro per jaar. (nadere toelichting in paragraaf
4.11.2)</al>
      <al>De totale besparing voor het hele
besluit bedraagt 15,2 miljoen euro per jaar (= 47%).</al>
      <tuskop letat="cur">Bestuurlijke lasten</tuskop>
      <al>Door het centrale, digitale meldsysteem zullen
de bestuurlijke lasten als gevolg van de afhandeling van meldingen
dalen, ook al neemt het aantal meldingen toe. Daarnaast zal selectiever
toezicht mogelijk zijn als gevolg van ketenhandhaving. Naar verwachting
wordt een besparing van 2,9 miljoen euro per jaar (= 22%) gerealiseerd.
De kosten voor de ontwikkeling van gebiedsgericht beleid zijn niet
meegenomen, omdat het geen verplichting is voor de uitvoering van het
nieuwe besluit. (nadere toelichting in paragraaf
4.11.4)</al>
      <tuskop letat="cur">1.5
Beoordelingssystematiek</tuskop>
      <al>In de Beleidsbrief
bodem is aangekondigd dat de omvang van de risico’s voor mens,
plant en dier tengevolge van de toepassing van bouwstoffen, grond en
baggerspecie als volgt bij de uitwerking van het beleid zullen worden
betrokken.</al>
      <al>– In situaties met een gering risico kunnen
beperkte regels gelden: minder omvangrijke bodembeschermende
voorzieningen, weinig regels voor het omgaan met licht verontreinigde
grond en baggerspecie en een beperkte plicht tot informatieverschaffing
voor weinig risicovolle bouwstoffen.</al>
      <al>– In situaties die meer risico’s met
zich meebrengen bestaat de plicht nauwkeuriger informatie te
verstrekken aan de bevoegde overheid over de mogelijke risico's die een
activiteit of situatie met zich meebrengt. Ook gelden toegespitste
(rijks)regels en kunnen beperkingen worden opgelegd aan het gebruik van
de bodem en het toepassen van grond en baggerspecie. Voor bouwstoffen
gelden zwaardere eisen voor de informatiekwaliteit als ze een grote
spreiding in kwaliteit vertonen en geldt de plicht tot het treffen van
voorzieningen indien ze meer uitlogen.</al>
      <al>– Tenslotte kunnen zich zodanige
risico’s voor mens, plant of dier voordoen dat op korte termijn
maatregelen moeten worden genomen en bouwstoffen, grond of baggerspecie
niet op of in de bodem of in oppervlaktewater mogen worden
gebracht.</al>
      <al>Uitgaande van deze
risicoverschillen is in het onderhavige besluit één
samenhangende beoordelingssystematiek opgenomen voor de toepassing van
bouwstoffen, grond en baggerspecie. Met de koppeling aan
risico’s wordt beoogd betere handvatten te verkrijgen voor het
vinden van de eerder genoemde balans tussen enerzijds de bescherming
van de gezondheid van de mens en het behoud van de functionele
eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant en dier, en
anderzijds het geven van flexibiliteit aan decentrale overheden voor
zowel de ontwikkeling van maatschappelijke activiteiten als het
realiseren van lokale en gebiedsgerichte
kwaliteitsambities.</al>
      <al>Onveranderd is het beleid
gericht op het voorkómen, het beperken, en het ongedaan maken
van verslechteringen en bedreigingen van de functionele eigenschappen
van de bodem voor mens, plant en dier, bijvoorbeeld door sanering van
ernstig verontreinigde grond en het milieuhygiënisch verantwoord
toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Bij lagere
risico’s kan sprake zijn van een meer ruimhartige toepassing,
omdat hergebruik van secundaire grondstoffen als bouwstof als onderdeel
van de natuurlijke kringloop duurzamer is dan het storten van deze
secundaire grondstoffen en ook duurzamer is dan de vervanging van deze
secundaire grondstoffen door primaire grondstoffen uit de zand-, klei-
en grindwinning.</al>
      <al>Op grond van de normstelling,
die bij ministeriële regeling wordt geregeld, zal het overgrote
deel van de bouwstoffen, grond en baggerspecie vrij kunnen worden
toegepast, dat wil zeggen het toepassen van bouwstoffen zonder
isolatie-, beheers- en controlemaatregelen. Indien op grond van de
normstelling geen sprake kan zijn van vrije toepassing, dan zijn bij de
toepassing van bouwstoffen isolatie- beheers- en controlemaatregelen
vereist (IBC-bouwstoffen) en geldt voor de toepassing van grond en
baggerspecie een gebiedsspecifieke toetsing die een transparante
gebiedsgerichte kwaliteitsverbetering waarborgt of een generieke
toetsing op basis van een indeling van de ontvangende bodem in twee
bodemfunctieklassen en twee bodemkwaliteitsklassen (wonen en
industrie). De generieke toetsing is beperkt tot licht verontreinigde
grond en baggerspecie, terwijl gebiedsspecifiek in een beperkt aantal
gevallen toepassing van ernstig verontreinigde grond en baggerspecie
mogelijk is.</al>
      <tuskop letat="cur">1.6
Toepassingen in oppervlaktewater</tuskop>
      <tuskop letat="cur">1.6.1
Reikwijdte</tuskop>
      <al>Dit besluit heeft
onder meer tot doel milieuhygiënische voorwaarden te stellen aan
het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie in het
oppervlaktewater. Dit besluit is daartoe gebaseerd op de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) die ziet op bescherming van de
kwaliteit van het oppervlaktewater. Wat precies onder
«oppervlaktewater» moet worden verstaan, geeft de wet
niet aan. De invulling van dit begrip is bewust aan de rechter
overgelaten om een te restrictieve uitleg daarvan te voorkomen. Dit
heeft inmiddels tot vele uitspraken van diverse gerechtelijke
instanties geleid. Hieruit is af te leiden dat het begrip
«oppervlaktewater» ruim moet worden uitgelegd en dat
daaronder onder meer ook
vallen:</al>
      <al>– wateren die met andere oppervlaktewateren in
open verbinding staan;</al>
      <al>– wateren
die van tijd tot tijd droog staan;</al>
      <al>– particuliere wateren, tenzij het
bijvoorbeeld tuinvijvers van geringe omvang
betreft.</al>
      <al>Uit de jurisprudentie
blijkt tevens dat de reikwijdte van het begrip
«oppervlaktewater» niet beperkt is tot het water, maar
ook de bodem omvat waarop dit water zich al dan niet bij voortduring
bevindt. Oppervlaktewater wordt dus als één geheel gezien
met de zich daaronder bevindende bodem. Die bodem wordt de waterbodem
genoemd en is integraal onderdeel van het watersysteem. Hierdoor valt
ook de bescherming van de waterbodem tegen verontreiniging onder de
reikwijdte van de Wvo. Dit besluit sluit aan bij de lijn die uit de
jurisprudentie is af te leiden lijn t.a.v. de reikwijdte van het begrip
oppervlaktewater. Voor wat betreft de bescherming van de waterbodem is
dit besluit dan ook niet gebaseerd op de Wet bodembescherming (Wbb),
maar op de Wvo, hetgeen op wetsniveau tot uitdrukking komt in artikel
99 van de Wbb. Hierin staat dat de artikelen 6 tot met 11 van deze wet
niet van toepassing zijn op gedragingen, voor zover daaromtrent regels
gelden die zijn gesteld bij af krachtens de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren.</al>
      <al>Voor de praktijk is van
belang om te weten waar geografisch gezien de scheidingslijn met de
landbodem ligt. Enerzijds voor de vraag met welk bevoegd gezag men in
het geval van voorgenomen toepassingen van bouwstoffen, grond en
baggerspecie te maken heeft en anderzijds voor de vraag of ontgraven
bodem al dan niet baggerspecie betreft. In geval van oppervlaktewateren
met een bepaalde technische infrastructuur zoals kades en dijken zal de
scheidingslijn gemakkelijker kunnen worden getrokken dan bij sloten met
oevers of onbedijkte delen van rivieren. Daarbij zal voor wat betreft
de regionale oppervlaktewateren veelal de begrenzing uit de door de
waterschappen vastgestelde leggers zijn af te leiden. Dit laat echter
onverlet dat niet altijd even duidelijk zal zijn waar horizontaal
bezien de begrenzing tussen de landbodem en de waterbodem nu precies
ligt en dit op grond van de omstandigheden van het geval moet worden
bepaald. Dit gaat in grotere mate op voor rijkswateren waarvoor geen
verplichting tot het vaststellen van een legger
bestaat.</al>
      <al>Duidelijk is dat oevers, alsmede het
winterbed deel uit kunnen maken van de waterbodem. Dit kan worden
afgeleid uit artikel 4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit artikel
1, derde lid, Wvo. Hierin wordt ter uitwerking van artikel 1, derde
lid, van de Wvo bepaald voor welke «lozingen» zonder een
werk een relatief verbod geldt. In onderdeel c van dat lid wordt onder
meer het nederleggen of laten liggen van o.a. afvalstoffen op oevers of
in het winterbed van enig oppervlaktewater als voorbeelden genoemd
waarvoor de vergunningplicht geldt. Uit de toelichting op dat artikel
blijkt dat deze bepaling zich behalve op rechtstreekse lozingen in het
water, richt op handelingen met o.a. afvalstoffen, die plaatsvinden op
een zodanige wijze en op zodanige plaatsen dat zij naar ervaringsregels
in het (oppervlakte)water geraken (zie NvT bij KB van 28 november 1974,
Stb. 709, p. 160/161). De oever en het winterbed kunnen daarmee in
beginsel als onderdeel van het oppervlaktewater worden gezien en worden
aangemerkt als waterbodem. Voor delen daarvan waar in geval van een
lozing het belang van het bestrijden en voorkomen van verontreiniging
van het oppervlaktewater niet of zeer zelden in het geding is, gaat dit
evenwel niet op.</al>
      <al>Dat het begrip waterbodem mede de oevers
(inclusief winterbed) van een oppervlaktewater kan omvatten valt ook af
te leiden uit de Wbb. In paragraaf 5 van deze wet, getiteld
«Bijzondere regels inzake sanering van de waterbodem», is
bepaald voor welke delen van de bodem – kort gezegd – de
waterkwaliteitsbeheerder bevoegd gezag is. Dit geldt in de eerste
plaats voor de bodem onder oppervlaktewater, maar in beginsel eveneens
voor de kust of de oever van oppervlaktewater, als sprake is van
verontreiniging of aantasting daarvan. In de toelichting is te lezen
dat onder oevers onder meer het winterbed van een rivier wordt verstaan
(Kmst. II, 1989–1990, 21.556, nr. 3, p. 45). De bevoegdheid ten
aanzien van de kust en oevers ligt niet bij de
waterkwaliteitsbeheerder, indien de zich daarin bevindende
verontreiniging geen gevolgen heeft voor de bodem onder dat water.
Zoals eveneens uit de toelichting is op te maken wordt hiermee voor wat
betreft de reikwijdte van het begrip waterbodem beoogd aan te sluiten
bij de reikwijdte van de Wvo.</al>
      <al>Waar nu precies
de grens van de oever of het winterbed ligt valt als zodanig niet af te
leiden uit de Wvo, dan wel de Wbb, aangezien daarin de begrippen
«oever» en «winterbed» niet nader worden
geconcretiseerd. Ook de jurisprudentie biedt hieromtrent geen
duidelijkheid. Een wet op grond waarvan wel tot een begrenzing kan
worden gekomen betreft de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. In deze
wet worden in artikel 1a de rivieren, behorende tot de wateren in
beheer bij het Rijk, begrensd door de buitenkruinlijn van de primaire
waterkering in de zin van de Wet op de Waterkering, dan wel, waar
zodanige waterkering ontbreekt, door de bij algemene maatregel van
bestuur vast te stellen lijn van de hoogwaterkerende gronden. Mede
gezien het streven naar integraal waterbeheer, zoals dit ook in het bij
de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel (Kamerstuk 30 818) tot
uitdrukking wordt gebracht, lijkt het logisch om deze begrenzing als
uitgangspunt te nemen. Doorslaggevend zal echter steeds zijn in
hoeverre het belang van het bestrijden en voorkomen van verontreiniging
van het desbetreffende oppervlaktewater in het geding is. Dit met het
oog op de verschillende functies die deze wateren in onze samenleving
vervullen. Dit belang lijkt in ieder geval niet in het geding te zijn
bij kunstmatig opgehoogde terreinen in uiterwaarden die geschikt zijn
gemaakt voor bewoning of bedrijvigheid en een eigen
hoogwaterbescherming kennen.</al>
      <tuskop letat="cur">1.6.2. Begrip
baggerspecie</tuskop>
      <al>De begrenzing
van de waterbodem is, zoals gezegd, mede van belang voor de vraag of al
dan niet sprake is van baggerspecie. In artikel 1 van dit besluit is
namelijk bepaald dat hieronder materiaal valt dat afkomstig is uit de
bodem en via het oppervlaktewater of de voor dat water beschikbare
ruimte is vrijgekomen. Deze elementen van de definitie voor
baggerspecie zijn ontleend aan de definitie die voor baggerspecie is
opgenomen in de Wet belasting op milieugrondslag. Deze definitie werd
voorheen al gehanteerd door N.V. Service Centrum Grond (thans
Senternovem, Bodem+) bij de beoordeling of baggerspecie al dan niet
reinigbaar is. Daarbij wordt onder «voor dat water bestemde
ruimte» de bodem in het krachtens de Wvo geldende beheersgebied
verstaan (MvT, 29 758, nr. p. 31 en Stcrt 27 december 2001, nr. 249,
p.52). Ook bij de definitie van baggerspecie wordt dus aangesloten bij
de reikwijdte van de Wvo en Wbb, zoals hierboven beschreven. In lijn
met de definitie van bodem in artikel 1 van de Wbb wordt hierbij niet
van een verticale begrenzing uitgegaan. Beslissend is of de bodem via
het oppervlaktewater of de voor dat water beschikbare ruimte is
vrijgekomen. De plaats waar het materiaal vrijkomt is derhalve bepalend
voor de beantwoording van de vraag of sprake is van baggerspecie. Dit
blijft het geval indien aan het toepassen een bepaalde behandeling,
bewerking of tijdelijke opslag voorafgaat. Pas indien de baggerspecie
vervolgens op grond van dit besluit (definitief) wordt toegepast op de
landbodem is nadien niet langer sprake van baggerspecie. Deze hierboven
beschreven wijze van omgaan met het begrip baggerspecie komt ook
overeen met die in het kader van de Regeling voor stortplaatsen op land
(Stcrt 13 juli 2001, nr. 133, p. 12). Door bij deze bestaande
invullingen van het begrip aan te sluiten wordt beoogd tot een
uniformering daarvan te
komen.</al>
      <tuskop letat="cur">1.6.3 Ten
slotte</tuskop>
      <al>Ten slotte verdient
opmerking dat zich uiteraard situaties zullen voordoen waarbij
discussie ontstaat over de precieze afbakening tussen enerzijds
«waterbodem» en «landbodem» en anderzijds
«baggerspecie» en «grond». Daarnaast kunnen
zich situaties voordoen waarbij de landbodem tot waterbodem verwoord en
omgekeerd. In al deze situaties moet nadrukkelijk ook oog zijn voor een
meer praktische invulling ten behoeve van de uitvoerbaarheid en
handhaafbaarheid van dit besluit, zodat tot een duidelijke en ook voor
derden kenbare begrenzing wordt gekomen. Daarbij dient in het bijzonder
te worden gewezen op de mogelijkheid om als bevoegd gezag voor (delen)
van het beheersgebied in een zogenaamd bodembeheerplan op grond van
artikelen 44 en 45 van dit besluit maximale waarden op te nemen die
zijn afgestemd op de toekomstige situatie (landbodem wordt waterbodem
of omgekeerd).</al>
      <tuskop letat="cur">Hoofdstuk 2. Kwaliteit van uitvoering</tuskop>
      <al>Voor een toelichting op dit hoofdstuk wordt gewezen op de
toelichting bij het Besluit uitvoeringskwaliteit
bodembeheer.</al>
      <tuskop letat="cur">Hoofdstuk 3.
Bouwstoffen</tuskop>
      <tuskop letat="cur">3.1
Doelstellingen en
uitgangspunten</tuskop>
      <tuskop letat="cur">3.1.1
Doelstellingen</tuskop>
      <al>Dit hoofdstuk
van dit besluit heeft ten doel milieuhygiënische randvoorwaarden
te stellen aan bouwstoffen ter bescherming van de bodem (inclusief het
grondwater) en het oppervlaktewater. Hiermee wordt de verspreiding naar
en in het milieu van zware metalen en andere veelvoorkomende parameters
met een negatief milieu-effect zoveel mogelijk voorkomen.</al>
      <al>De
milieuhygiënische randvoorwaarden worden concreet vertaald naar
samenstellings- en emissie-eisen die generiek voor alle bouwstoffen in
alle toepassingen gelden. Er vindt dus geen locatiespecifieke
beoordeling plaats (i.e. er wordt geen rekening gehouden met de lokale
bodemkwaliteit en eigenschappen) en slechts in een enkel geval een
toepassingsspecifieke beoordeling in relatie tot het gebruik van
isolerende voorzieningen.</al>
      <al>Naast de bescherming
van het milieu geven de regels in het onderhavige besluit ook
duidelijkheid over de mogelijkheden van het hergebruik van afvalstoffen
als bouwstof. In het verleden is gebleken dat zonder een duidelijk
kader veel materialen die als afvalstof vrijkomen en die op
milieuhygiënische gronden toelaatbaar zijn, toch niet als
bouwstof worden toegepast. Het hergebruik van dit soort materialen is
echter gewenst, omdat hiermee het storten van materiaal wordt
verminderd en de inzet van eindige primair gewonnen materialen wordt
teruggedrongen. Daarnaast geven duidelijke grenzen een belangrijk
houvast bij het verbeteren van de kwaliteit van reststoffen die wel de
potentie hebben om te worden hergebruikt, maar die momenteel nog een te
negatief milieu-effect vertonen.</al>
      <al>Om een gelijk speelveld te
creëren wordt in dit besluit geen onderscheid gemaakt tussen
primaire bouwstoffen en afvalstoffen. Wat betreft de samenstelling en
emissies valt in veel gevallen ook geen onderscheid te maken. In beide
gevallen gaat het om materialen die al dan niet door bewerking geschikt
zijn gemaakt voor het toepassen als
bouwstof.</al>
      <tuskop letat="cur">3.1.2
Uitgangspunten</tuskop>
      <al>Vanuit de
evaluatie van het Bouwstoffenbesluit in 2001 en de herijking van de
VROM-regelgeving zijn een aantal uitgangspunten opgesteld voor het
nieuwe bouwstoffenbeleid. Dit
zijn:</al>
      <al>– een simpel regime voor bouwstoffen met een
acceptabel risico voor het ecosysteem;</al>
      <al>– een belangrijke vereenvoudiging van de
bewijslast waar dit mogelijk is;</al>
      <al>– een heroverwogen, uitlegbaar
normenstelsel;</al>
      <al>– een betere
controleerbaarheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de
regelgeving;</al>
      <al>– een zo goed
mogelijke aansluiting bij de ontwikkelingen in het kader van de
Europese Richtlijn Bouwproducten;</al>
      <al>– Een sterke vermindering van de
administratieve lasten met zo’n
50%.</al>
      <tuskop letat="cur">3.2 Werkingssfeer
bouwstoffen</tuskop>
      <tuskop letat="cur">3.2.1
Reikwijdte</tuskop>
      <al>Dit hoofdstuk van
dit besluit stelt alleen eisen aan steenachtige bouwstoffen. In dit
opzicht behoudt het dezelfde reikwijdte als het Bouwstoffenbesluit. In
de toekomst zal dit mogelijk worden uitgebreid naar bepaalde groepen
niet-steenachtige bouwstoffen.</al>
      <al>Dit besluit
stelt producteisen aan de samenstellings- en emissiewaarden van
bouwstoffen, waaraan deze in de gehele bouwstofketen moeten voldoen.
Het gaat om het vervaardigen, invoeren, voorhanden hebben, vervoeren,
aan een ander ter beschikking stellen en toepassen van bouwstoffen in
Nederland. Dit betekent feitelijk dat alle schakels in de gehele
bouwstofketen zelf verantwoordelijk worden de milieuhygiënische
kwaliteit van de bouwstof. Dit is een verruiming van de werkingssfeer
ten opzichte van het Bouwstoffenbesluit, dat alleen was gericht op de
toepassingsfase.</al>
      <al>Dit besluit ziet niet op
bouwstoffen die bedoeld zijn om buiten Nederland te worden toegepast.
Op zo’n moment gelden de regels van dat andere land. Dit besluit
is ook niet van toepassing op bouwstoffen die in een gebouw worden
toegepast als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Woningwet. Een
gebouw is op grond van die wet elk bouwwerk dat een voor mensen
toegankelijk overdekt geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte
vormt. In zulke gevallen komen bouwstoffen niet in contact met
oppervlakte-, grond- of regenwater en kan ook geen emissie optreden,
zodat de bodem en het oppervlaktewater niet worden
belast.</al>
      <tuskop letat="cur">3.2.2 Toepassing
van bouwstoffen in een
werk</tuskop>
      <al>Op grond van het
onderhavige besluit moeten bouwstoffen per definitie altijd worden
toegepast in een werk. Dat kan een bouwwerk zijn, zoals een flatgebouw
of een fabriek (en daarvan alleen de buitenkant die in aanraking kan
komen van grond-, oppervlakte- of regenwater), of een weg- en
waterbouwkundig werk, zoals een dijk, een viaduct, een spoorlijn, een
geluidswal of een snelweg. Daarnaast kan ook sprake zijn van een
anderszins functionele toepassingen van bouwstoffen op of in de bodem
of in oppervlaktewater. Dit geeft ruimte om ook minder gebruikelijke
werken uit te voeren met bouwstoffen, zoals kunstwerken. Uitgangspunt
daarbij is dat een werk altijd een functioneel karakter moet hebben.
Anders zou geen sprake zijn van een nuttige toepassing van bouwstoffen
als bedoeld in de Kaderrichtlijn Afvalstoffen (zie 5.3.3 en de
toelichting bij artikel 5). Het bevoegd gezag kan hierover zelf een
knoop doorhakken bij twijfelgevallen.</al>
      <tuskop letat="cur">3.2.3
Overig</tuskop>
      <al>Dit besluit beperkt
zich tot zogenaamde nuttige toepassingen als bedoeld in de
Kaderrichtlijn afvalstoffen. Zie hieromtrent nader paragraaf 4.3.3 en
meer specifiek paragraaf 5.4.9. Verder is dit besluit niet van
toepassing op het toepassen in oppervlaktewater van zogenaamde
IBC-bouwstoffen. Hiertoe is een expliciet verbod opgenomen. Ten slotte
gelden een aantal verplichtingen van hoofdstuk 3 niet voor de
zogenoemde tijdelijke uitname van bouwstoffen en een aantal specifieke
categorieën van bouwstoffen. Zie hieromtrent nader de
artikelsgewijze toelichting bij artikel 27, tweede lid en artikel
29.</al>
      <tuskop letat="cur">3.3 Normstelling
bouwstoffen</tuskop>
      <tuskop letat="cur">3.3.1 Eisen en
parameters</tuskop>
      <al>Dit hoofdstuk van
dit besluit stelt milieuhygiënische randvoorwaarden aan
bouwstoffen door eisen te stellen aan de emissies van veelvoorkomende
metalen en anionen (anorganische stoffen) uit bouwstoffen en aan de
gehalten (samenstellingswaarden) van een aantal relevante organische
stoffen in bouwstoffen. Dit sluit aan bij de systematiek van de
Europese Richtlijn Bouwproducten en volgt in grote lijnen de insteek
van het voormalige Bouwstoffenbesluit. De basis van deze eisen is
echter fundamenteel vernieuwd.</al>
      <al>In het
onderhavige besluit worden in bijlage 1 alle parameters genoemd
waarvoor milieu-eisen kunnen worden gesteld voor bouwstoffen, grond of
baggerspecie. Het gaat om een groslijst van bekende potentiële
probleemparameters voor de bodem. De daadwerkelijke samenstellings- en
emissie-eisen voor bouwstoffen zijn vastgesteld in de
ministeriële regeling. Hier zijn alleen die parameters opgenomen
die frequent in bouwstoffen voorkomen en die onder invloed van
oppervlaktewater, grondwater of regenwater uit de bouwstof kunnen
uitlogen. In de toekomst kunnen ook andere stoffen van de groslijst
worden toegevoegd, indien dat nodig blijkt.</al>
      <al>De
lijst met eisen in de ministeriële regeling maakt onderscheid
tussen vormgegeven bouwstoffen, zoals beton en bakstenen, en
niet-vormgegeven bouwstoffen, zoals assen en granulaten. Dit
onderscheid wordt gemaakt, omdat de wijze van uitloging tussen deze
twee typen materialen verschillend is en daarom ook verschillend moet
worden gemeten. In de ministeriële regeling is opgenomen hoe kan
worden vastgesteld wanneer een bouwstof vormgegeven is of niet. Naast
de eis voor het minimale volume, gaat het dan om duurzame vormvastheid
en een diffusiegecontroleerde uitloging.</al>
      <al>De niet-vormgegeven
bouwstoffen zijn nader onderverdeeld in bouwstoffen die zonder
isolatie-, beheers- en controlemaatregelen kunnen worden toegepast en
bouwstoffen die alleen met voorzieningen mogen worden toegepast
(zogenaamde IBC-bouwstoffen), omdat deze anders leiden tot teveel
emissies naar het
milieu.</al>
      <tuskop letat="cur">3.3.2
Emissie-eisen</tuskop>
      <al>Bij
ministeriële regeling zijn emissie-eisen opgenomen voor
negentien anorganische parameters (metalen en anionen). Het concept
voor de vaststelling van deze eisen is fundamenteel gewijzigd ten
opzichte van het Bouwstoffenbesluit. De gedachte achter het
Bouwstoffenbesluit was om de belasting van bodem, waaronder het
grondwater en het oppervlaktewater zoveel mogelijk beperken, waarbij
werd uitgegaan van de stand der techniek. Omdat uitloging uit
bouwstoffen niet geheel te vermijden is, was een grens aan de uitloging
geformuleerd die enige ruimte gaf voor geringe niveaus van uitloging.
Deze grens was vastgesteld op basis van het concept «marginale
bodembelasting», waarmee een grens werd gesteld aan de vracht
verontreinigende stoffen die in de bodem mocht worden gebracht. De
vracht aan verontreinigende stoffen kwam overeen met een toegevoegd
gehalte in één meter bodem op het niveau van
één procent van de streefwaarde, als een invulling van
het stand-still beginsel. Er werd van uitgegaan dat met deze grens in
het algemeen voldoende bescherming werd geboden aan het grondwater en
aan het vaste deel van de bodem. Het effect van deze normstelling was
echter moeilijk inzichtelijk te krijgen en kon niet meer goed worden
afgewogen tegen het effect van beperkingen van het (her)gebruik van
bouwstoffen.</al>
      <al>In het onderhavige besluit is veel directer aan
te geven welke bovengrens de uitloging mag hebben. Dat gebeurt aan de
hand van een ecotoxicologische risicobeoordeling, waarbij wordt gekeken
naar het daadwerkelijke effect van de gebruikte bouwstof op het leven
in de bodem en het grondwater. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de
maximaal toelaatbare toevoeging (MTT) aan de bodem. Dit is de toename
van een milieubelastende stof in de bodem (inclusief grondwater),
waardoor een deel van de daarin levende organismen een aanwijsbaar
effect gaan vertonen.</al>
      <al>Bij de bepaling van de
gewenste maximale emissie-eisen is gerekend met een MTT die hoort bij
een hoog ecologisch beschermingsniveau, de HC 5 (hazardous
concentration), zoals vastgelegd in het Nationaal Milieubeleidsplan 3.
Bij dit beschermingsniveau vertoont 95% van het ecosysteem geen
aanwijsbare negatieve effecten van de emissies. Vanuit dit
beschermingsniveau kan modelmatig worden teruggerekend naar wat de
belasting van de bodem zou mogen bedragen.</al>
      <al>De berekeningen
zijn uitgevoerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
(RIVM) en het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN). Daarbij is
gebruik gemaakt van de nieuwste inzichten op het gebied van het gedrag
van stoffen in de bodem en van de nieuwste mogelijkheden van
modellering van dat gedrag. Hiermee kan goed inzicht worden gegeven in
de wisselwerking tussen de hechting van stoffen aan de vaste
bodemdeeltjes en het oplossen van stoffen in het grondwater, en de
daarmee verbonden humane en ecotoxicologische risico’s. Vooral
de risico’s van opgeloste stoffen in het grondwater blijken op
de lange termijn veelal bepalend te zijn voor de
milieu-eisen.</al>
      <al>Beleidsmatig wordt uitgegaan van
één vaste emissie-eis voor alle toepassingen. Dit wijkt
af van het Bouwstoffenbesluit, waar de concrete toepassingshoogte
bepalend was voor de hoogte van de eis, waardoor voor ieder werk extra
berekeningen noodzakelijk waren. Generieke emissie-eisen versimpelen de
uitvoering en de handhaving van dit besluit aanzienlijk. Om tot
één generieke eis te komen, is uitgegaan van een
standaard laagdikte van een halve meter. Dit komt in de praktijk
overeen met de dikte van een funderingslaag.</al>
      <al>De
milieu-effecten zijn in het rekenmodel getoetst in de bovenste meter
van de droge bodem (de onverzadigde zone) en in de bovenste meter van
het grondwater. De berekening waarin de bouwstof is beschouwd is
beperkt tot honderd jaar. Voor de bepaling van de eisen is voor elke
parameter het hoogste jaargemiddelde genomen dat optreedt in de bodem
binnen deze tijdshorizon (zie ook RIVM rapport 711701043/2006 Kritische
emissiewaarden voor bouwstoffen; Milieuhygiënische onderbouwing
en consequenties voor bouwmaterialen).</al>
      <al>Na de
berekening van de gewenste maximale emissie-eisen voor het milieu, is
het effect van deze eisen op de toepasbaarheid van bouwstoffen bepaald.
Hiertoe zijn over 2004 en 2005 een grote hoeveelheid marktgegevens
verzameld over de kwaliteit van bouwstoffen. Hieruit blijkt dat voor
een aantal parameters ruimere milieu-eisen mogelijk zijn, dan gezien de
stand der techniek nodig is. In deze gevallen is gekozen om geen
onnodige extra ruimte te bieden in de eis, omdat dit tot normopvulling
en tot verslechtering van de productkwaliteit en het milieu zou kunnen
leiden. Dit komt erop neer dat de huidige eisen van het
Bouwstoffenbesluit of de Wijziging Bouwstoffenbesluit 2005 zijn
gehandhaafd. Voor deze parameters worden de eisen derhalve niet
strenger dan voorheen.</al>
      <al>Tegelijkertijd bleek uit de
marktgegevens en nadere contacten met diverse branches dat een aantal
eisen tot een aanzienlijke stijging in het aantal afgekeurde partijen
zou leiden. Dit botst met de hergebruiksdoelstelling van het ministerie
van VROM. In een aantal gevallen zijn de emissie-eisen dan ook ruimer
gemaakt dan de berekende eisen. Hierbij zijn twee criteria
gehanteerd:</al>
      <al>– de verruiming is zo beperkt
mogelijk;</al>
      <al>– de verruiming is
maximaal gelijk aan het niveau van de Wijziging Bouwstoffenbesluit
2005.</al>
      <al>Voor IBC-bouwstoffen geldt
dat de emissie-eisen van de Richtlijn storten in een aantal gevallen
scherper zijn dan wat milieuhygiënisch nodig is. Waar nodig is
gekozen om de eisen niet ruimer te maken dan deze richtlijn
voorschrijft voor stortplaatsen.</al>
      <al>De effecten
op het oppervlaktewater zijn apart berekend door RIVM en door het
Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling
(RIZA) voor verschillende soorten watergangen, van grote rivieren tot
kleine poldersloten. Hierbij is getoetst met behulp van de in de
praktijk gangbare CIW-methode (voormalige Commissie Integraal
Waterbeheer) en met een toelaatbare belasting tot een tiende van het
Maximaal Toelaatbaar Risico (MTR). Uit deze berekeningen blijkt dat
oppervlaktewatertoepassingen minder gevoelig zijn voor milieu-effecten
dan de bodem en het grondwater, door het effect van verdunning dat in
stromend water optreedt. Ook bij verruimingen van de eis blijft dit het
geval. Dit betekent dat de gestelde emissie-eisen genoeg bescherming
bieden voor het oppervlaktewater.</al>
      <al>De
Technische Commissie Bodembescherming (TCB) heeft in haar advies van 13
juni 2006 een aantal kanttekeningen geplaatst bij uitgangspunten van de
berekeningen (zie ook paragraaf 3.4.1 en 6.1.1). Dit zal naar
verwachting op termijn leiden tot aanscherping van de emissie-eisen,
met als doel om volledig aan de milieudoelstellingen te gaan voldoen.
Hiervoor zal innovatie benodigd zijn, zoals ook is aangegeven in de
Toekomstagenda Milieu (VROM, 2006). Met de desbetreffende branches
zullen nadere, meerjarige afspraken worden gemaakt over de termijn en
de wijze waarop aan de milieu-eisen wordt voldaan.</al>
      <tuskop letat="cur">3.3.3
Samenstellingseisen</tuskop>
      <al>Voor de
organische stoffen, zoals benzeen, PAK’s en minerale olie gelden
alleen eisen voor de samenstellingswaarde in de bouwstof. Idealiter
zouden ook de organische stoffen worden genormeerd op basis van hun
uitloging. Het ontbreekt echter voor een aantal organische stoffen aan
uitloogproeven. Daar waar inmiddels wel geschikte proeven zijn
ontwikkeld, zijn nog onvoldoende gegevens over de uitloging van
bouwstoffen, ervaring en andere middelen beschikbaar om hierop
normstelling te kunnen baseren.</al>
      <al>Omdat de
emissie niet te bepalen is, is ook het directe milieurisico niet
eenduidig te berekenen. De samenstellingseisen zijn daarom vastgesteld
op basis van de stand der techniek. Hierbij is gekeken naar welke
waarden haalbaar zijn voor de huidige bouwstoffen op basis van de
verzamelde marktgegevens uit 2004 en 2005. Daarbij blijkt dat voor de
samenstellingseisen voor bouwstoffen in belangrijke mate kan worden
aangesloten op de achtergrondwaarden die gelden voor grond en
baggerspecie (hoofdstuk 4). Dit betekent voor enkele individuele
PAK’s, de som PAK en benzeen een aanscherping ten opzichte van
de eisen uit het Bouwstoffenbesluit.</al>
      <al>Voor de eis voor minerale
olie geldt dat de mogelijkheid wordt onderzocht van opsplitsing in
fracties, waardoor er gedifferentieerde eisen kunnen ontstaan. Dit zou
een beter beeld geven van de milieu-effecten.</al>
      <al>Verder is het
aantal organische parameters waarop hoeft te worden getoetst,
ingeperkt. Bouwstoffen hoeven bijvoorbeeld niet meer te worden getoetst
op de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen, omdat redelijkerwijs
verwacht mag worden dat deze middelen hierin niet aanwezig zullen zijn.
Mocht dit in een heel enkel geval toch tot problemen leiden, dan valt
dit onder artikel 13 van de Wet bodembescherming: de zorgplicht. Ook de
eis voor EOX is komen te vervallen, omdat die geen toegevoegde waarde
meer biedt als triggerwaarde voor bouwstoffen.</al>
      <al>Een nieuwe genormeerde stof voor bouwstoffen is asbest. Voor deze
meeste bouwstoffen geldt dat deze geen asbest zullen bevatten. Voor
deze bouwstoffen geldt een nul-eis voor de samenstellingswaarde conform
het Productenbesluit asbest. In dit besluit staat dat een nul-eis
geldt, behalve voor producten «waaraan geen asbest opzettelijk
is toegevoegd en waarvan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd
met tienmaal de concentratie amfiboolasbest ... niet hoger is dan
honderd milligram per kilogram droge stof». Voor dergelijke
producten zou een absolute nul-eis het hergebruik onmogelijk maken. Bij
een aantal bouwstoffen kan het voorkomen dat ze onopzettelijk een
geringe concentratie asbest bevatten. Het gaat dan met name om
bouwstoffen als AVI-bodemas, BSA-granulaten, geïmmobiliseerde
grond en vormgegeven producten die BSA-granulaat of grond als grondstof
gebruiken.</al>
      <al>Voor nutriënten, zwevend
stof, pH en reducerend vermogen zullen zo mogelijk eisen worden
opgesteld, met name voor de verdere bescherming van het
oppervlaktewater.</al>
      <tuskop letat="cur">3.4
Milieu-effecten</tuskop>
      <tuskop letat="cur">3.4.1 Effect van
emissies naar bodem en
grondwater</tuskop>
      <al>Het doel van dit
hoofdstuk van dit besluit is om de bodem (inclusief het grondwater) en
het oppervlaktewater te beschermen tegen eventuele effecten van de
toepassing van bouwstoffen. Hiertoe worden samenstellings- en
emissie-eisen gesteld, die zijn afgeleid zoals aangegeven in paragraaf
3.3.</al>
      <al>De basis voor de emissie-eisen is een
hoog ecologisch beschermingsniveau, zoals neergelegd in het NMP 3.
Hierbij ondervindt 95% van de organismen in de bodem geen aanwijsbaar
effect van de emissies uit bouwstoffen. Voor negentien stoffen worden
emissie-eisen gesteld, met verschillende eisen voor vormgegeven,
niet-vormgegeven en IBC-bouwstoffen. In totaal levert dit 57
afzonderlijke emissie-eisen op. Hiervan voldoen 47 emissie-eisen aan
het gestelde beschermingsniveau voor het milieu, of konden zelfs worden
aangescherpt door de goede huidige stand der techniek (zie tabel).</al>
      <al>De overige tien eisen vallen iets hoger uit dan de berekende
milieu-eisen. Hierbij moet worden opgemerkt dat de gestelde eisen
slechts in één geval uitgaan boven de eisen van de
laatste versie van het Bouwstoffenbesluit (2005). Dit besluit biedt
daarmee in een aantal gevallen een gelijkwaardige en in de meeste
gevallen een hogere mate van bescherming dan onder het
Bouwstoffenbesluit het geval was. Bovendien zijn de verhoogde eisen
slechts voor een beperkt aantal bouwstoffen nodig. De meeste
bouwstoffen produceren normaal binnen de berekende milieu-eisen.
Daarmee blijft het effect op het milieu beperkt.</al>
      <al>Voor deze
tien parameters kan niet precies vastgesteld worden welk
ecotoxicologisch beschermingsniveau wordt bereikt (i.e. welke
HC-waarde), omdat hiervoor de beschikbare data niet toereikend zijn.
Dit is bijvoorbeeld het geval voor antimoon, vanadium, chloride en
sulfaat. Duidelijk is wel dat de interventiewaarden niet worden
overschreden, zodat geen nieuwe saneringsgevallen worden
gecreëerd.</al>
      <table tabstyle="xml2">
        <tgroup align="left" char="" charoff="50" cols="4">
          <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="28.5*"></colspec>
          <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="28*"></colspec>
          <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="28*"></colspec>
          <colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="28*"></colspec>
          <thead valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bouwstoffen</al>
              </entry>
              <entry align="center" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>eis
zoals berekend</al>
              </entry>
              <entry align="center" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>strengere
eis door stand der techniek</al>
              </entry>
              <entry align="center" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>ruimere
eis nodig voor
(her)gebruik</al>
              </entry>
            </row>
          </thead>
          <tbody valign="top">
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Vormgegeven</al>
              </entry>
              <entry align="center" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>6</al>
              </entry>
              <entry align="center" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>13</al>
              </entry>
              <entry align="center" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>–</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Niet-vormgegeven</al>
              </entry>
              <entry align="center" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>5</al>
              </entry>
              <entry align="center" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>8</al>
              </entry>
              <entry align="center" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>6</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>IBC</al>
              </entry>
              <entry align="center" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3</al>
              </entry>
              <entry align="center" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>12</al>
              </entry>
              <entry align="center" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>4</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Totaal</al>
              </entry>
              <entry align="center" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>14</al>
              </entry>
              <entry align="center" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>33</al>
              </entry>
              <entry align="center" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>10</al>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <al>Bij de berekening van de
emissie-eisen zijn een aantal aannames gemaakt die relevant zijn voor
de inschatting van de milieu-effecten. Het hanteren van een vaste
toepassingshoogte voor van een halve meter voor niet-vormgegeven en
twee meter voor IBC-bouwstoffen versimpeld de werkelijkheid. In de
praktijk kan de toepassing hoger of lager zijn. Dit betekent dat bij
een grotere laagdikte een grotere belasting kan optreden dan berekend
en vice versa bij een dunnere laag. Gezien het generieke karakter van
dit besluit en het gebruik van bouwstoffen in de praktijk wordt de
gekozen standaard laagdikte verantwoord geacht.</al>
      <al>Omdat het merendeel van de vormgegeven materialen op de droge bodem
wordt toegepast is de aparte categorie van het Bouwstoffenbesluit voor
100% natte toepassingen komen te vervallen. Dit betekent dat in een
zeer beperkt aantal gevallen de kans bestaat dat een groter
milieu-effect optreedt dan berekend. In welke mate dit precies het
geval zal zijn, is niet aan te geven.</al>
      <al>Bij de berekening is
niet gekeken naar het gelijktijdige gebruik van verschillende
bouwstoffen in een werk of het cumulatieve toxiciteitseffect van de
parameters. Eventueel hieruit voortkomende extra risico’s worden
aanvaardbaar geacht, omdat zij niet opwegen tegen de transparantie in
beheer, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid die hiermee wordt
geboden.</al>
      <al>In het rekenmodel is alleen gekeken
naar de milieu-effecten in de bovenste meter van de droge bodem (de
onverzadigde zone) en in de bovenste meter van het grondwater. Dit
betekent dat verdunning van verontreiniging in het diepere grondwater
niet is meegenomen in de beoordeling. De Technische Commissie
Bodembescherming (TCB) plaatst hier in haar advies van 13 juni 2006 een
kanttekening bij. De TCB vindt het meer voor de hand liggend om
hiervoor de dikte van de bouw voor (0,30m) aan te houden. Dit is met
name voor belang voor immobiele parameters als lood.</al>
      <al>De
berekening waarin de bouwstof is beschouwd is beperkt tot honderd jaar.
Er is derhalve niet in detail gekeken naar de gehalten die op langere
termijn in de bodem kunnen komen. De HC 5-waarde zou voldoende
bescherming moeten bieden om geen onwenselijke situaties te krijgen. De
TCB heeft hierop in haar advies kanttekeningen geplaatst, omdat het
daadwerkelijke milieu-effect voor een aantal parameters (na 100 jaar)
nog steeds toeneemt.</al>
      <al>Beide kantekeningen van de TCB zouden in
de berekeningen leiden tot strengere emissie-eisen. Om zicht te krijgen
op deze kanttekeningen zullen aanvullende berekeningen worden
uitgevoerd door RIVM en ECN, die te zijnder tijd zullen worden verwerkt
in de regelgeving (zie verder paragraaf 6.1.1).</al>
      <tuskop letat="cur">3.4.2 Effect van samenstellingswaarden op
bodem en grondwater</tuskop>
      <al>Voor
organische stoffen zouden bij voorkeur ook emissie-eisen moeten gelden.
De mate van beïnvloeding van het milieu door bouwstoffen wordt
immers bepaald door de emissies van stoffen naar bodem en
oppervlaktewater. Omdat dit nu nog niet mogelijk is (zie ook paragraaf
3.3.3), gelden samenstellingseisen voor deze stoffen, net als in het
Bouwstoffenbesluit. Deze eisen zijn in grote lijnen gelijk aan die van
het Bouwstoffenbesluit, met een aantal lichte aanscherpingen. Dit
betekent dat hoewel het milieu-effect moeilijk te kwantificeren is,
deze in ieder geval positief is ten opzichte van de bestaande situatie
onder het
Bouwstoffenbesluit.</al>
      <tuskop letat="cur">3.4.3
Effecten op het
oppervlaktewater</tuskop>
      <al>Uit
onderzoek van RIVM blijkt dat de toegestane belasting vanuit
bouwstoffen naar de bodem (inclusief grondwater) maatgevend is en dat
organismen in het oppervlaktewater met de gestelde emissie-eisen
voldoende worden
beschermd.</al>
      <tuskop letat="cur">3.4.4 Overige
milieu-effecten</tuskop>
      <al>De nieuwe
regelgeving voor bouwstoffen leidt naar verwachting niet tot een
toename in het energiegebruik of in het aantal verreden kilometers.
Omdat het hergebruik vrijwel op hetzelfde niveau blijft, wordt ook geen
extra transport van primaire bouwstoffen en afgekeurde afvalstoffen
verwacht. Ook effecten op de beschikbare fysieke ruimte worden niet
verwacht. Deze zaken hangen uitsluitend samen met de bouwinspanning
zelf.</al>
      <al>Door de inzet van afvalstoffen als
bouwstof wordt het gebruik van eindige primaire grondstoffen beperkt.
Met de voorgestelde normstelling wordt een afweging gemaakt tussen
enerzijds bescherming van bodem en water en anderzijds het (her)gebruik
van afvalstoffen als bouwstof. De herziene normstelling levert ten
opzichte van het Bsb 1999 positieve effecten op voor het hergebruik.
Ten opzichte van de Tijdelijke Vrijstellingsregeling Bouwstoffen 2004
(TVR) wordt het hergebruik van sommige afvalstoffen mogelijk iets
lager, maar voor anderen weer hoger.</al>
      <al>Het hergebruik van
bouwstoffen die zonder bewerking direct weer worden toegepast, is
verruimd. Dit bespaart onnodige kosten en voorkomt dat in het verleden
toegepaste bouwstoffen alsnog als afvalstoffen zouden moeten worden
gestort door de aangepaste normstelling. Hiervoor is onder meer een
toetsingsregel opgesteld, waarbij voor maximaal twee parameters de
voorgestelde emissie-eisen met een factor twee mogen worden verhoogd.
Deze toetsingsregel vermindert hiermee de potentiële hoeveelheid
afvalstoffen. Er is geen netto milieu-effect op de kwaliteit van bodem
en oppervlaktewater, omdat deze bouwstoffen nu ook al in het milieu
aanwezig zijn in een vergelijkbare toepassing.</al>
      <al>Wat betreft de luchtkwaliteit geldt dat vluchtige (organische)
stoffen niet of slechts in verwaarloosbare hoeveelheden voorkomen in
bouwstoffen. Andere stoffen hebben geen invloed op de
luchtkwaliteit.</al>
      <tuskop letat="cur">3.5
IBC-bouwstoffen</tuskop>
      <tuskop letat="cur">3.5.1 Isoleren,
beheersen en controleren</tuskop>
      <al>Voor
alle puntbronactiviteiten geldt volgens de Wet bodembescherming het
brede milieubeginsel van isoleren, beheren en controleren. Dit betekent
dat activiteiten waarbij verontreinigende stoffen in het geding zijn,
alleen op of in de bodem mogen plaatsvinden als de verspreiding van de
desbetreffende stoffen wordt beperkt en de toepassing beheersbaar is.
Voor de meeste bouwstoffen betekent dit dat voldaan moet worden aan de
emissie-eisen, dat ze terugneembaar moeten worden toegepast en niet
vermengd mogen raken met de bodem (beheren). Voor niet-vormgegeven
IBC-bouwstoffen geldt dat deze alleen op of in de bodem mogen worden
toegepast met isolatiemaatregelen. Zonder dergelijke maatregelen zou de
toepassing van dit type bouwstoffen leiden tot een te grote belasting
van de bodem.</al>
      <al>Isolatie betekent dat een
bovenafdichting wordt aangebracht, die contact met hemelwater sterk
vermindert en dat een bepaalde minimale afstand tussen de toegepaste
bouwstof en het grondwater wordt aangehouden. Deze isolerende
voorzieningen moeten worden beheerd. Er moeten dus controles en
onderhoud plaatsvinden om de kwaliteit van de isolatie op peil te
houden.</al>
      <al>Uit het oogpunt van beheersbaarheid van dit type
bouwstoffen op landelijke schaal is ervoor gekozen om alleen toepassing
toe te staan van grotere hoeveelheden IBC-bouwstof aaneengesloten in
een werk. De hoeveelheidsgrens wordt bij ministeriële regeling
vastgelegd.</al>
      <al>Bij de normstelling voor IBC-bouwstoffen is
rekening gehouden met 6 mm per jaar aan
neerslagoverschot.</al>
      <tuskop letat="cur">3.5.2
Melden van IBC-bouwstoffen</tuskop>
      <al>De
invloed van IBC-bouwstoffen op het milieu hangt onder meer sterk af van
de correcte uitvoering van de isolatiemaatregelen bij de toepassing.
Het is van belang dat het bevoegd gezag hierop voldoende toezicht kan
houden. Om deze reden moet degene die voornemens is IBC-bouwstoffen toe
te passen dit altijd van tevoren melden, net als in het voormalige
Bouwstoffenbesluit. De melding moet minimaal één maand
voor de voorgenomen toepassing zijn gedaan. Dit zal in de praktijk niet
tot vertragingen hoeven te leiden, omdat bij het ontwerp al rekening
moet worden gehouden met de toepassing van IBC-bouwstoffen.</al>
      <al>De
milieuhygiënische verklaring die hoort bij de desbetreffende
partijen bouwstof moet uiterlijk vijf werkdagen voor aanvang van de
toepassing beschikbaar te zijn voor het bevoegd gezag. Reden is dat,
hoewel vaak al in een eerder stadium voor IBC-bouwstoffen wordt
gekozen, de daadwerkelijk toe te passen partij (met bijbehorende
milieuhygiënische verklaring) soms pas korter van tevoren bekend
is.</al>
      <al>Ten behoeve van het ketentoezicht en het stroomlijnen van
de meldingen worden deze centraal gedaan bij de Minister van VROM, die
vervolgens de meldingen direct doorgeeft aan het lokale bevoegd gezag.
Het bevoegd gezag is zo tijdig op de hoogte van dat voornemen, zodat
een goede beoordeling kan worden gemaakt van het benodigde toezicht. In
artikel 32 is aangegeven welke gegevens bij de melding moeten worden
verstrekt. De melding wordt om redenen van efficiëntie zoveel
mogelijk elektronisch
gedaan.</al>
      <tuskop letat="cur">3.5.3
Gelijkwaardigheid bij isolerende
voorzieningen</tuskop>
      <al>Om innovatie
bij isolerende voorzieningen mogelijk te blijven maken, is het mogelijk
gemaakt om alternatieve voorzieningen toe te passen, die dezelfde mate
van bescherming van de bodem en het oppervlaktewater bieden, mits de
Minister van VROM hiermee instemt. Hierbij geldt dat als een
alternatieve voorziening eenmaal is goedgekeurd, deze breder
beschikbaar wordt gesteld voor de markt als bruikbare methode.</al>
      <al>De aanvraag voor een gelijkwaardige alternatieve voorziening wordt
in de praktijk gedaan bij het agentschap SenterNovem (Bodem+). De
gegevens die moeten worden verstrekt en wijze waarop de beoordeling zal
plaatsvinden, worden nader geregeld in de ministeriële regeling.
De beslissing op de aanvraag is een beschikking die vatbaar is voor
bezwaar en beroep.</al>
      <al>Een gelijkwaardigheidsverklaring wordt bij
de melding gevoegd van het voornemen IBC-bouwstoffen toe te
passen.</al>
      <tuskop letat="cur">3.5.4 Geen IBC in
oppervlaktewater</tuskop>
      <al>Het is
verboden om IBC-bouwstoffen in oppervlaktewater toe te passen. Onder de
vigeur van het Bouwstoffenbesluit was dit wel toegestaan, maar in de
praktijk bleek dat het materiaal vrijwel nooit beheersbaar en
controleerbaar kan worden geïsoleerd in oppervlaktewater. Dit
had als gevolg dat dergelijke toepassingen niet of nauwelijks
voorkomen. Uit oogpunt van helderheid en om eventuele ongewenste
situaties uit te sluiten, is gekozen deze toepassingen volledig te
verbieden.</al>
      <tuskop letat="cur">3.6. Bedrijfseconomische
gevolgen</tuskop>
      <tuskop letat="cur">3.6.1
Bedrijfseffectentoets</tuskop>
      <al>De
regelgeving voor bouwstoffen is fundamenteel gewijzigd ten opzichte van
het voormalige Bouwstoffenbesluit. Om de economische effecten van deze
wijzigingen in kaart te brengen is door externe bureaus een
bedrijfseffectentoets (BET) uitgevoerd. Hierbij is eerst een BET
uitgevoerd op basis van dit besluit en de concept-normstelling.
Vervolgens is de ministeriële regeling verder ingevuld en zijn
de samenstellings- en emissie-eisen uitgebreid met het betrokken
bedrijfsleven besproken. Ten slotte is een aanvullende BET uitgevoerd
over het totaal, waarbij het bedrijfsleven de gelegenheid heeft
gekregen haar eigen detail-effecten per type bouwstof aan te geven. Dit
heeft uiteindelijk geleid tot een definitieve normstelling, waarbij een
goede balans bestaat tussen de bedrijfseffecten en de
milieu-effecten.</al>
      <al>Bij bedrijfseffecten gaat het
om administratieve lasten, inhoudelijke nalevingskosten en
markteffecten. Om kosten te kunnen bepalen is een nulpunt nodig. In de
BET is uitgegaan van het Bouwstoffenbesluit uit 1999 als nulsituatie.
De Tijdelijke vrijstellingsregeling Bouwstoffenbesluit 2004 (TVR 2004),
die bedoeld was voor de overgangssituatie naar het onderhavige besluit,
is niet als nulsituatie gebruikt. Het gaat hierbij nadrukkelijk om een
tijdelijke regeling, bedoeld om het effect van uitschieters tijdelijk
en grofstoffelijk te verlichten, niet om het neerleggen van nieuw
beleid. Hierbij is met het bedrijfsleven afgesproken dat de kwaliteit
van bouwstoffen op basis van de tijdelijke regeling niet zou
verslechteren. De effecten (ten opzichte) van deze TVR 2004 zijn bij de
bedrijfseffectentoets overigens wel in beeld gebracht. Deze effecten
zijn groter, omdat in de TVR 2004 een aantal eisen tijdelijk verder is
verruimd dan op langere termijn milieuhygiënisch gewenst
is.</al>
      <al>In de volgende paragrafen wordt op de doelgroepen van dit
besluit, de administratieve lasten, de inhoudelijke nalevingskosten en
de markteffecten nader
ingegaan.</al>
      <tuskop letat="cur">3.6.2
Doelgroepen</tuskop>
      <al>Zoals uit de BET
blijkt heeft het onderhavige besluit invloed op de producenten van
bouwstoffen, de tussenhandel en de toepassers. De kosten die
voortvloeien uit dit besluit liggen met name bij de ongeveer 900
bedrijven die bouwstoffen produceren. Kosten in het kader van dit
besluit zijn met name de kosten om te produceren aan de hand van een
goed kwaliteitssysteem met regelmatige keuringen (in het geval van een
certificaat: met extern toezicht), om over hun product een
milieuhygiënische verklaring te mogen
afgegeven.</al>
      <al>Anders dan in het
Bouwstoffenbesluit krijgt ook de tussenhandel met dit besluit te maken.
Het gaat dan om marktpartijen en vervoerders van bouwstofen. De
tussenhandel draagt zelf de wettelijke verantwoordelijkheid voor de
kwaliteit van de bouwstof, zolang deze in hun handen is en voor zover
de kwaliteit afhankelijk is van hun handelen. Dit kan bijvoorbeeld het
geval zijn bij het samenvoegen en splitsen van partijen. Ook moeten
tussenhandelaren een milieuhygiënische verklaring kunnen tonen
die bij een partij behoort. Door de bank genomen zijn de
bedrijfseconomische gevolgen voor de tussenhandel echter zeer beperkt,
omdat de milieuhygiënische kwaliteit van de bouwstoffen die
worden verhandeld reeds eerder in de keten is
bepaald.</al>
      <al>Voor de toepasser geldt dat deze
alleen bouwstoffen mag toepassen in een werk, die voldoen aan de eisen
van dit besluit. Dit zijn bouwstoffen die voorzien zijn van een
partijkeuring, fabrikant-eigenverklaring of erkende
kwaliteitsverklaring. Bij de toepassing van IBC-bouwstoffen geldt
bovendien de eis dat de toepassing van deze bouwstoffen van tevoren
moet worden gemeld en dat de toepassing moet worden voorzien van de
gepaste IBC-maatregelen (isoleren, beheersen, controleren). Deze zaken
zijn niet anders dan in het Bouwstoffenbesluit, zodat er qua kosten
niets verandert. De vereenvoudiging van de regelgeving, zoals het
vervallen van de toepassingshoogte, maakt de toepassing wel
gemakkelijker en zal mogelijk positieve bedrijfseffecten kunnen
hebben.</al>
      <al>Dit besluit leidt niet tot
(administratieve) lasten voor burgers. Deze hoeven geen
milieuhygiënische verklaring te kunnen tonen bij het toepassen
van bouwstoffen. Ook ligt het niet in de rede om te verwachten dat
burgers IBC-bouwstoffen zullen toepassen, met de daaraan gekoppelde
meldingsplicht. Wel blijft de eis van kracht dat ook burgers
bouwstoffen moeten gebruiken die voldoen aan de gestelde
samenstellings- en emissie-eisen. Zo blijft het voor het bevoegd gezag
toch mogelijk om in te grijpen als de (naar verwachting zeldzame)
situatie hierom vraagt.</al>
      <tuskop letat="cur">3.6.3 Administratieve
lasten</tuskop>
      <al>Administratieve lasten
zijn de kosten voor het bedrijfsleven om te voldoen aan
informatieverplichtingen voortvloeiend uit wet- en regelgeving van de
overheid. In dit besluit gaat het om alle kosten rond de keuring van
bouwstoffen, het afgeven van milieuhygiënische verklaringen, het
doen van meldingen en het onderzoek rond IBC-maatregelen. De
administratieve lasten van het Bouwstoffenbesluit zijn in 2002 met een
nulmeting vastgesteld op € 52,8 miljoen per jaar, waarvan
€ 34,6 miljoen voor bouwstoffen en de rest voor grond en
baggerspecie. Hierbij zijn de gegeven van de BET uit 1998 gebruikt. Bij
de herijking van de VROM-regelgeving is gesteld dat
«verondersteld mag worden dat een veel eenvoudiger besluit de
administratieve lasten met de helft zal doen dalen.» Deze
doelstelling is meegenomen bij het maken van het nieuwe
besluit.</al>
      <al>Bij het bepalen van de lasten van het
nieuwe besluit bleek de nulmeting uit 2002 niet te kloppen. Met name de
kosten rond IBC-maatregelen, meldingen en «overige
bouwstoffen» waren veel te hoog ingeschat. De nulmeting is
daarom inhoudelijk gecorrigeerd, waarmee de lasten voor bouwstoffen
feitelijk uitkomen op € 21,7 miljoen per jaar.</al>
      <al>Een
aanzienlijk deel van de kosten in het kader van het Bouwstoffenbesluit
is eenmalig gemaakt. Het gaat om kosten rondom het opstellen van de
beoordelingsrichtlijnen en het doen van de toelatingskeuring. Deze
kosten zijn berekend op een afschrijvingstermijn van vijf jaar en zijn
inmiddels vervallen. Ook deze vervallen kosten moeten van de
nulsituatie worden afgetrokken om het effect van het nieuwe besluit in
beeld te kunnen brengen. Hiermee komen de huidige lasten uit op
€ 14,8 miljoen per jaar.</al>
      <al>Het
nieuwe besluit leidt tot een aantal forse besparingen. Rond
partijkeuringen wordt een lastenverlichting verwacht, mede door de
vereenvoudigde regelgeving voor het hergebruik van bouwstoffen. De
invoering van de fabrikant-eigenverklaring zal naar schatting voor
ongeveer 500 tot 600 producenten van met name vormgegeven materialen
kunnen leiden tot een halvering van hun administratieve lasten. Dit
komt omdat de kosten die samenhangen met de controles door
certificeringsinstellingen vervallen.</al>
      <al>Door de gewijzigde
normstelling zullen de keuringskosten voor gecertificeerde bouwstoffen
naar verwachting licht dalen. Deze kosten hangen vooral samen met de
keuringsfrequentie, die direct afhankelijk is van de hoogte van de
normen. De precieze verandering in administratieve lasten ten gevolge
van de gewijzigde normstelling per producent of per bouwstof is niet
van tevoren in detail te schatten.</al>
      <al>Alles bij
elkaar dalen de administratieve lasten van bouwstoffen naar verwachting
van € 14,8 miljoen naar € 8,9 miljoen per jaar. Dat is
een besparing van € 5.9 miljoen per jaar, ofwel 40% ten opzichte
van de herziene nulmeting. Om een goede vergelijking met de oude
situatie mogelijk te maken, wordt bij de berekening van de lasten
aangenomen dat het aantal bedrijven gelijk blijft. In de praktijk is
het aantal bedrijven netto gegroeid. Hierdoor zullen de administratieve
lasten in de praktijk zo’n vier ton hoger liggen.</al>
      <al>De
tabel met alle administratieve lasten van het Besluit bodemkwaliteit
kunt u vinden in paragraaf 4.11.2.</al>
      <tuskop letat="cur">3.6.4 Toetsing door
Actal</tuskop>
      <al>Op 26 januari 2006
heeft het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal) advies
uitgebracht aangaande de vermindering van administratieve lasten. Het
College adviseert positief en ziet dit besluit als een goede aanzet om
de administratieve lasten te verminderen. Daarbij wordt een aantal
aanbevelingen gegeven. Deze zijn meegenomen bij de uitwerking van de
ministeriële
regeling:</al>
      <al>– Ten aanzien van de ministeriële
regeling constateert Actal dat deze sterk bepalend is voor de
uiteindelijke realisatie van de vermindering van de administratieve
lasten. Actal adviseert om de uitwerking hiervan goed af te stemmen met
de betrokken partijen en gaat er vanuit dat ook deze regelingen aan
Actal worden voorgelegd. Dit advies is overgenomen en de desbetreffende
regelingen zijn aan Actal voorgelegd, met positief
resultaat.</al>
      <al>– Ten aanzien van de
melding hecht Actal in het bijzonder aan een minimale gegevensvraag bij
meldingen en aansluiting op bestaande informatiebronnen. Actal
adviseert verder om de invoering van een elektronische melding niet
alleen voor grond en baggerspecie, maar ook voor bouwstoffen mogelijk
te maken. Dit advies is overgenomen (zie artikel 42)</al>
      <al>– Actal wijst op het belang om alert te
blijven op (toekomstige) mogelijkheden om meer bouwstoffen onder de
fabrikant-eigenverklaring te laten vallen. Hiervoor zijn heldere
criteria in de bijbehorende ministeriële regeling opgesteld,
waaraan alle bouwstoffen zich kunnen meten.</al>
      <al>– Actal stelt vast dat vier inspecties zijn
betrokken bij de handhaving en wijst erop dat een goede afstemming van
groot belang is om ook de toezichtslasten te beperken. Aan de de
praktische invulling van deze afstemming wordt gewerkt. Ook is in het
besluit bepaald dat de Minister van VROM deze afstemming nader in vult
(zie artikel 4).</al>
      <al>– Actal
adviseert de administratieve lasten door kennisname te minimaliseren
door goede, gerichte communicatie. Dit advies wordt
overgenomen.</al>
      <tuskop letat="cur">3.6.5 Inhoudelijke
nalevingskosten</tuskop>
      <al>De wijziging
in de inhoudelijke nalevingskosten betreft met name het effect van de
nieuwe normstelling op de toepasbaarheid van bouwstoffen. Uit de BET
blijkt dat de meerkosten voor extra afkeur op basis van het nieuwe
besluit verwaarloosbaar zijn. Bij zo’n zestien bouwstoffen
leiden de voorgestelde eisen tot minder afkeur. Voor vormgegeven
bouwstoffen vervalt de aparte normering voor een 100% natte toepassing,
waardoor de afzet wordt vergemakkelijkt. Voor AVI-bodemas en E-vliegas
leidt het wegvallen van de bijzondere categorie en het instellen van
één categorie IBC-bouwstoffen zelfs tot een toename in
afzetmogelijkheden.</al>
      <al>Ook ten opzichte van de
Tijdelijke vrijstellingsregeling Bouwstoffenbesluit 2004 pakken de
inhoudelijke nalevingskosten gunstig uit door verminderde
afkeur.</al>
      <tuskop letat="cur">3.6.6 Marktwerking
en andere effecten</tuskop>
      <al>De in dit
besluit gestelde Nederlandse eisen zijn in een aantal gevallen strenger
dan in het buitenland, waar al dan niet aparte normen worden gesteld
aan de uitloging uit bouwstoffen. Dit kan leiden tot export van met
name de IBC-bouwstoffen, indien hiervoor onvoldoende toepassingen
worden gerealiseerd. Het ligt in de lijn van de rol van de overheid als
opdrachtgever voor werken om voldoende mogelijkheden te blijven
creëren voor deze bouwstoffen. Opgemerkt moet worden dat de
meeste normen zijn verruimd ten opzichte van het Bouwstoffenbesluit en
dat het aandeel IBC-bouwstoffen hiermee zal
afnemen.</al>
      <al>Verdringingseffecten tussen
bouwstoffen en grond en baggerspecie kunnen optreden bij bouwstoffen
met ongeveer dezelfde materiaaleigenschappen in de ophogingsmarkt. Het
gaat dan om bouwstoffen als AVI-bodemas, E-bodemas, E-vliegas,
zeefzanden, BSA-granulaat, reinigingsslib en asfaltgranulaat, die nu
worden ingezet als vervanging voor ophoogzand. Verdringingseffecten
kunnen over en weer optreden door verschillen in de normstelling en
doordat bij grond en baggerspecie geen IBC-condities gelden, maar
andere specifieke eisen. Het is niet goed mogelijk om deze effecten van
tevoren te voorspellen. Hiervoor spelen teveel verschillende
marktfactoren een rol.</al>
      <al>In de BET is een
verkenning uitgevoerd naar de historische voorraad bouwstoffen in
GWW-werken (grond-, weg- en waterbouw). Hieruit blijkt dat momenteel
zo’n miljard ton bouwstoffen in Nederland is toegepast in
GWW-werken. Op basis van de gemiddelde levensduur zal jaarlijks een
hoeveelheid vrijkomen die toeneemt van 10 miljoen ton per jaar in 2010
tot 20 miljoen ton per jaar in 2040. De kwaliteit van deze bouwstoffen
varieert en is met name voor bouw- en sloopafval en AVI-bodemas van
voor 1995 minder goed. Door de toetsingsregel voor hergebruik, die in
de ministeriële regeling is opgenomen, zal naar verwachting een
groot deel van de bouwstoffen kunnen worden hergebruikt, met
uitzondering van de slechtere kwaliteit
bouwstoffen.</al>
      <al>Wat betreft de
sociaal-economische effecten kan de invoering van de
fabrikant-eigenverklaring en de daaruit volgende vermindering van het
aantal erkende kwaliteitsverklaringen mogelijk leiden tot een beperkte
personele afname bij laboratoria en
certificeringsinstellingen.</al>
      <tuskop letat="cur">3.6.7
Bestuurlijke lasten</tuskop>
      <al>Uit dit
besluit vloeien alleen aparte bestuurlijke lasten voort voor gemeenten.
Voor andere bestuursorganen geldt dat toezicht op naleving van dit
besluit deels samenvalt met toezicht op de bouw en op inrichtingen,
voortvloeiend uit de Woningwet respectievelijk de Wet milieubeheer. De
kosten voor provincies vallen onder de afhandeling van de vergunning.
De kosten voor waterkwaliteitsbeheerders komen voort uit de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren. De inzet van de VROM-Inspectie valt
samen met de inzet in het kader van de Europese Richtlijn
Bouwproducten.</al>
      <al>De lasten voor gemeenten komen
met name voort
uit:</al>
      <al>– Toetsing van IBC-meldingen;</al>
      <al>– Toezicht en controle op de aanleg, onderhoud
én waar nodig handhaving;</al>
      <al>– Opleidingen, overleg en
rapportage.</al>
      <al>De lasten zijn
bepaald in samenhang met de bestuurlijke lasten voor het nieuwe beleid
voor grond en baggerspecie (zie paragraaf 4.11.4. voor een verdere
specificatie).</al>
      <tuskop letat="cur">Hoofdstuk 4. Grond en baggerspecie</tuskop>
      <tuskop letat="cur">4.1
Hoofdlijnen</tuskop>
      <tuskop letat="cur">4.1.1 Systeem grond
en baggerspecie</tuskop>
      <al>Dit besluit
beschrijft een systeem voor het beheer van in de bodem en in
oppervlaktewater aanwezige grond en baggerspecie die voldoen aan de
achtergrondwaarden of verontreinigd zijn. Het doet dit vanuit de eisen
die gesteld worden aan grond en baggerspecie die op een bepaalde
locatie worden toegepast. Die eisen zijn erop gericht om de kwaliteit
van bodem en oppervlaktewater tenminste te behouden en te verbeteren
waar dat, gelet op het gebruik van de bodem ter plaatse, wenselijk is.
Hiertoe krijgt de lokale bodembeheerder (gemeenteraad of
waterkwaliteitsbeheerder) de mogelijkheid om, gelet op de lokale
situatie, normen vast te stellen waaraan toe te passen grond en
baggerspecie moet voldoen. Het is niet doenlijk voor al deze situaties
apart normen af te leiden, reden waarom deze bevoegdheid bij het
bevoegd gezag is gelegd.</al>
      <al>Deze normen worden
gerelateerd aan de bestaande bodemkwaliteit, het bodemgebruik ter
plaatse, en de maatschappelijke belangen die verbonden zijn aan de
toepassing van grond en baggerspecie (bijvoorbeeld de
waterbodemopgave). De vrijheid tot het vaststellen van normen bevindt
zich wel binnen grenzen. Het staat de gemeenteraad en de
waterkwaliteitsbeheerder vrij om tussen de achtergrondwaarden en de
grens van een onaanvaardbaar risico voor mens, plant of dier (het
zogenaamde saneringscriterium) lokale maximale waarden vast te stellen
binnen de voorwaarden zoals opgenomen in het onderhavige besluit. Grond
en baggerspecie die voldoen aan de achtergrondwaarden mogen namelijk
altijd worden toegepast en grond en baggerspecie boven de grens van het
onaanvaardbaar risico mogen nooit worden toegepast. Dit geldt ook voor
grond en baggerspecie die boven de interventiewaarden zijn
verontreinigd als gevolg van lokale puntbronnen.</al>
      <al>Aan de vaststelling van lokale normen is bovendien een aantal
procesmatige voorwaarden verbonden. Zij moeten worden vastgelegd in een
besluit van het bevoegd gezag. Dit besluit staat open voor bezwaar en
beroep. De normen moeten worden onderbouwd in een nota bodembeheer.
Deze wordt vastgesteld door het democratisch controlerende orgaan, en
wordt ter advies aan de betrokken bestuursorganen voorgelegd. Deel van
de onderbouwing wordt gevormd door het gebruik van een
gestandaardiseerde risico-berekening. Het gebruik van de mogelijkheden
voor dit lokale bodembeheer wordt het «gebiedsspecifieke
kader» genoemd.</al>
      <al>Voor die bodembeheerders die geen
lokale normstelling wensen geldt een ander kader: het «generieke
kader». Binnen het generieke kader wordt het gebruik van de
landbodem geografisch vastgelegd in bodemfunctieklassen, en wordt zowel
de landbodem als de waterbodem ingedeeld in
bodemkwaliteitsklassen.</al>
      <al>De bodemfunctieklasse beschrijft het
gebruik van de bodem. Er zijn twee bodemfunctieklassen;
«wonen» en «industrie». Alle locaties die
niet worden ingedeeld vallen automatisch onder de achtergrondwaarden,
bijvoorbeeld landbouwgronden en natuurgebieden. Aan de
bodemfunctieklassen worden door dit besluit normen gekoppeld voor
chemische parameters (maximale waarden). Deze normen geven de maat voor
de gewenste (duurzame) bodemkwaliteit voor de desbetreffende
bodemfunctieklasse.</al>
      <al>De bodemkwaliteitsklasse is een maat voor
de kwaliteit van de bodem en van een partij grond of baggerspecie.
Hiertoe wordt een set aan normen voor chemische parameters gegeven door
dit besluit. De bodemkwaliteitsklassen voor de toepassing op of in de
landbodem worden zodanig ingedeeld dat de bovengrens van een
bodemkwaliteitsklasse op hetzelfde niveau ligt als de bovengrens van de
corresponderende bodemfunctieklasse. De normen voor de
bodemfunctieklasse «wonen» liggen op een lager niveau dan
die voor «bedrijven».</al>
      <al>De toepassingseisen die op
een bepaalde locatie gelden worden gevormd door de combinatie van de
eis die op grond van de bodemfunctieklasse geldt, en de eis die op
grond van de ter plekke aanwezige bodemkwaliteitsklasse geldt. De
strengste van de twee geeft de uiteindelijke eis. Bijvoorbeeld, op een
industrieterrein met een bodem die overeenkomt met de
achtergrondwaarden mag alleen maar grond en baggerspecie die voldoen
aan de achtergrondwaarden worden toegepast. Op een woonwijk met een op
het niveau van de bodemfunctieklasse «bedrijven»
verontreinigde bodem mag alleen maar grond en baggerspecie worden
toegepast die aan de klasse «wonen» voldoet (dus ook
schonere grond &amp; baggerspecie). Op een industrieterrein dat een
verontreiniging kent tot op het niveau van de bodemfunctieklasse
«bedrijven» mag grond worden toegepast die aan de
bodemfunctieklasse «bedrijven» voldoet (dus ook alle
schonere grond).</al>
      <al>Voor de waterbodem worden geen
bodemfunctieklassen vastgesteld. Dit vanwege het feit dat een
waterbodem vaak vele functies kent, maar vooral omdat de kwaliteit van
de waterbodem wordt bepaald door het herverontreinigingsniveau. Het
heeft geen zin de eis te stellen dat er vanwege een natuurfunctie
schone grond of baggerspecie moet worden toegepast, terwijl er vanzelf
«vieze» baggerspecie neerslaat. Om die reden wordt voor
de waterbodem alleen met bodemkwaliteitsklassen
gewerkt.</al>
      <al>Er zijn op deze algemene systematiek
twee
uitzonderingen.</al>
      <al>1. Bij het op de kant brengen van baggerspecie op het
direct aan de watergang gelegen perceel hoeft de kwaliteit van die
baggerspecie alleen aan door dit Besluit gegeven kwaliteitseisen te
voldoen.</al>
      <al>2. Toepassingen die dikker
zijn dan 2 meter en in een omvang van meer dan 5000 m<sup>3</sup>, de
zogenaamde grootschalige toepassingen van grond en baggerspecie. Deze
kunnen worden uitgevoerd wanneer wordt voldaan aan door dit Besluit
gegeven standaardnormen. In dat geval hoeft alleen te worden voldaan
aan een aantal randvoorwaarden.</al>
      <tuskop letat="cur">4.1.2
Melding</tuskop>
      <al>Dit besluit kent in
beginsel een meldingsplicht voor alle toepassingen, ongeacht of de
grond of baggerspecie voldoet aan de achtergrondwaarden of
verontreinigd is. Op deze meldingsplicht is een aantal uitzonderingen
gemaakt, onder meer kleinschalige toepassingen van schone grond en
baggerspecie. Er wordt gemeld via de Minister van VROM bij het bevoegd
gezag. In de praktijk betekent dit dat de melding zal geschieden via
een centraal meldpunt. Zie 4.4.3.</al>
      <tuskop letat="cur">4.1.3 Actoren, bevoegdheden en
verplichtingen</tuskop>
      <al>Het systeem
kent voor de toepassing van grond en baggerspecie twee primaire
actoren: de lokale bodembeheerder in zijn rol als bevoegd gezag en de
toepasser. Het bevoegd gezag bepaalt welke eisen op een bepaalde
locatie moeten worden gesteld. De toepasser moet bepalen of een
bepaalde partij grond of baggerspecie op een locatie mag worden
toegepast. Hieronder wordt beschreven welke handelingen de lokale
bodembeheerder respectievelijk de toepasser moet uitvoeren ter
uitvoering van dit besluit.</al>
      <tuskop letat="cur">4.1.4 De lokale
bodembeheerder</tuskop>
      <al>De eerste
vraag die de lokale bodembeheerder zich moet stellen is of er redenen
zijn om lokale normen vast te stellen. Dit kan bijvoorbeeld het geval
zijn omdat de generieke normstelling die nu eenmaal gebaseerd is op
algemene aannames, onvoldoende is toegesneden op de lokale situatie.
Als voorbeeld is de generieke normstelling voor de bodemfunctieklasse
«wonen» gebaseerd op een relatief intensief gebruik van
de tuin bij de woning. In het binnenstedelijk gebied is dit gebruik
heel anders, met dientengevolge andere bijpassende normen.</al>
      <al>Wanneer deze vraag met «nee» wordt beantwoord dient
de gemeente de bodemfunctieklasse op een bodemfunctiekaart vast te
leggen, en desgewenst de bodemkwaliteitsklassen vast te leggen, en te
controleren of de toepassers zich aan de regels van het generieke kader
houden. Dat wil zeggen controleren of de toepassing van partijen grond
of baggerspecie wordt gemeld, of de juiste partij wordt toegepast
(gelet op het gebruik van de bodem en de aanwezige bodemkwaliteit), en
of sprake is van een nuttige toepassing (als verwoord in artikel 35).
Wanneer het om de waterkwaliteitsbeheerder gaat hoeft geen functiekaart
te worden vastgesteld en is verder het bovenstaande van
toepassing.</al>
      <al>Wanneer de vraag met «ja» wordt
beantwoord dan dient een proces van beleidsvorming te worden doorlopen.
Hiertoe moet bepaald worden welke ruimtelijke situatie er is, en welke
ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien. Op basis hiervan wordt in een
afweging tussen de bestaande bodemkwaliteit, de landelijke normen die
voor de betreffende bodemfunctieklasse zijn vastgesteld en diverse
maatschappelijke ontwikkelingen (voorziene handelingen met grond,
noodzakelijke baggerwerkzaamheden) een gewenste bodemkwaliteit
vastgesteld. Op basis daarvan worden de lokale maximale waarden
vastgesteld. Wanneer dit is gebeurd rest het de lokale bodembeheerder
om te controleren of de toepassing van partijen grond &amp;
baggerspecie wordt gemeld, of de juiste partij wordt toegepast (gelet
op de lokale maximale waarden), en of sprake is van een nuttige
toepassing (als verwoord in artikel 35).</al>
      <tuskop letat="cur">4.1.5 De
toepasser</tuskop>
      <al>Degene die een
partij grond of baggerspecie wil toepassen dient zich eerst af te
vragen of de beoogde toepassing de instemming van de eigenaar van de
locatie heeft, en of sprake is van een nuttige toepassing als
omschreven in artikel 35. Wanneer één van beide vragen
met «nee» wordt beantwoord dan kan de toepassing niet
plaatsvinden. Wanneer beide vragen met «ja» worden
beantwoord dan moet de kwaliteit van de partij grond of baggerspecie
worden bepaald. Er zijn dan drie
mogelijkheden:</al>
      <al>1. de partij voldoet aan de achtergrondwaarden. Het
volstaat dan een melding te doen met uitzondering van de situaties
genoemd in paragraaf 4.4.3 en de partij toe te grond of
baggerspecie;</al>
      <al>2. de partij is zodanig
verontreinigd dat toepassing tot een onaanvaardbaar risico zou leiden.
In dat geval kan de partij niet worden toegepast en dient hij te worden
afgevoerd om te reinigen of te storten;.</al>
      <al>3. de partij is licht verontreinigd en kan onder
voorwaarden worden toegepast.</al>
      <al>Wanneer de partij onder voorwaarden toepasbaar is (zoals verwoord
in voorbeeld 3 hierboven) dan dient de toepasser zich af te vragen
welke eisen gelden op de plaats waar hij de partij wil toepassen.</al>
      <al>Toepassing in oppervlaktewater kan plaatsvinden indien de partij
gelijk of minder verontreinigd is dan de ter plaatse aanwezige
bodemkwaliteit of door de waterkwaliteitsbeheerder vastgestelde lokale
normen voor toepassing of verspreiding van de partij. Voor toepassing
op of in de bodem geldt het volgende. Het kan zijn dat de lokale
bodembeheerder lokale normen heeft vastgesteld. Voldoet de partij aan
de lokale normen, dan kan de toepassing na te zijn gemeld worden
uitgevoerd. Heeft de lokale bodembeheerder geen lokale normen
vastgesteld, dan geldt het generieke kader en wordt bepaald of de
kwaliteit van de partij gelijk aan of schoner is dan de ter plekke
aanwezige kwaliteit en wordt bepaald of de kwaliteit voldoet aan de
eisen van de ter plekke geldende bodemfunctieklasse. Is dat het geval
dan kan de toepassing na te zijn gemeld worden
uitgevoerd.</al>
      <tuskop letat="cur">4.2
Doelstellingen</tuskop>
      <al>Hoofdstuk 4 van dit besluit
heeft ten doel milieuhygiënische randvoorwaarden te stellen aan
de toepassing van grond en baggerspecie op of in de bodem en in
oppervlaktewater. Hiervoor is een integraal en consistent beleidskader
ontwikkeld.</al>
      <al>Dit besluit beoogt een sterke
vereenvoudiging van het bestaande stelsel van regels voor de toepassing
van grond en baggerspecie dat als ingewikkeld en weinig samenhangend is
ervaren. Bovendien beoogt dit besluit beter aan te sluiten op de
praktijk en de maatschappelijke beleving van milieu- en
gezondheidsrisico’s. Hiertoe wordt bij de uitvoering van de
regelgeving meer verantwoordelijkheid neergelegd bij de decentrale
overheden, waardoor ruimere mogelijkheden ontstaan voor maatwerk op
lokaal niveau.</al>
      <tuskop letat="cur">4.3
Werkingssfeer</tuskop>
      <tuskop letat="cur">4.3.1
Reikwijdte</tuskop>
      <al>Hoofdstuk 4 van
dit besluit regelt de toepassing van grond en baggerspecie op of in de
bodem en in oppervlaktewater.</al>
      <al>Op grond van de kwaliteit van de
grond en baggerspecie is de toepassing van grond en baggerspecie met
een kwaliteit boven het zogenaamde saneringscriterium ingevolge dit
besluit niet mogelijk («nooit»-grens; zie 4.7.3) en is
het toegestaan grond en baggerspecie die voldoen aan de
achtergrondwaarden zonder toetsingsregels toe te passen
(«altijd»-grens). Voor de toepassing van grond en
baggerspecie tussen de «altijd»- en
«nooit»-grens, voornamelijk licht verontreinigde grond en
baggerspecie, is een drietal toetsingskaders ontworpen ( in afdeling 2
van hoofdstuk 4 van het onderhavige besluit). In de paragrafen 4.6 en
4.7. zijn deze toetsingskaders beschreven. Een aantal toepassingen van
grond en baggerspecie valt niet onder de werkingssfeer van dit besluit
(zie de toelichting bij artikel 36).</al>
      <tuskop letat="cur">4.3.2 Particulieren en
landbouwbedrijven</tuskop>
      <al>Natuurlijke
personen anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf
(particulieren) vallen onder het onderhavige besluit. In de praktijk
gaat het veelal om particulieren die grond toepassen in hun tuin.
Particulieren hoeven niet aan een aantal verplichtingen te voldoen. Het
gaat om de volgende
verplichtingen:</al>
      <al>– het bepalen van de samenstellings- en
emissiewaarden van bouwstoffen;</al>
      <al>– het laten vaststellen van de kwaliteit van
de toe te passen grond of baggerspecie;</al>
      <al>– het melden van de toe te passen grond of
baggerspecie;</al>
      <al>– het vaststellen
van de
bodemkwaliteitsklasse.</al>
      <al>Voor het
toepassen van grond of baggerspecie binnen een landbouwbedrijf gelden
bovenstaande verplichtingen eveneens niet, indien de grond of
baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend
perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het
perceel grond waar de grond of baggerspecie wordt
toegepast.</al>
      <al>Ten overvloede zij opgemerkt dat de
zorgplichtbepalingen onverkort gelden voor bovenstaande toepassingen
van grond of baggerspecie.</al>
      <tuskop letat="cur">4.3.3 Nuttige toepassing van grond en
baggerspecie</tuskop>
      <al>De voorschriften
voor de toepassing van grond of baggerspecie zijn zodanig vormgegeven
dat wordt voldaan aan de eisen die gelden voor het omgaan met
afvalstoffen. De reden hiervoor is dat grond en baggerspecie in het
licht van de Kaderrichtlijn afvalstoffen en de jurisprudentie inzake
afvalstoffen meestal als afvalstof kunnen worden beschouwd (zie 5.4.8).
Door in dit besluit reeds rekening te houden met de eisen die voor
afvalstoffen gelden, hoeft degene die grond of baggerspecie toepast
zich zo min mogelijk af te vragen of de afvalstoffenregelgeving van
toepassing is.</al>
      <al>Op grond van de Kaderrichtlijn
afvalstoffen is voor handelingen met afvalstoffen een vergunning
vereist, tenzij lidstaten toepassing hebben gegeven aan artikel 11 van
die richtlijn. Dat artikel schept de mogelijkheid om vrijstelling te
verlenen van de vergunningplicht binnen de in dat artikel genoemde
voorwaarden. Zie de uiteenzetting in 5.4.8 over deze
voorwaarden.</al>
      <al>Dit besluit beoogt gebruik te
maken van de mogelijkheid die artikel 11 van de Kaderrichtlijn
afvalstoffen biedt. Artikel 35 strekt hiertoe.</al>
      <al>Als een lidstaat een beroep doet op dat artikel 11 (en dus, althans
voor wat betreft dit besluit, stelt dat sprake is van nuttige
toepassing) heeft de lidstaat de volledige bewijslast. Van sommige
handelingen die in dit besluit zijn gereguleerd, is niet op het eerste
gezicht duidelijk of het verwijdering of nuttige toepassing is, omdat
de betreffende handeling zowel op een handeling in bijlage IIA
(verwijdering) als bijlage IIB (nuttige toepassing) van de
Kaderrichtlijn afvalstoffen lijkt. Als een lidstaat een handeling als
nuttige toepassing interpreteert, die niet in bijlage IIB staat, ligt
de bewijslast volledig bij de lidstaat. Daarom is voor elke in dit
besluit gereguleerde activiteit die in artikel 35 is opgenomen,
gemotiveerd beoordeeld dat die activiteit kan worden gekwalificeerd als
nuttige toepassing. Daarbij is tevens aangegeven waarom een toepassing
die schijnt te lijken op een verwijderingshandeling in bijlage IIA
desondanks niet als verwijderingshandeling, maar toch als nuttige
toepassing moet worden gekwalificeerd.</al>
      <al>Er zij op gewezen dat
de Europese Commissie en het Europese Hof van Justitie gelet op hun rol
in het toezicht op de naleving van het gemeenschapsrecht met hun
interpretatie de doorslag geven in de beoordeling.</al>
      <tuskop letat="cur">4.3.4 Tijdelijke opslag van grond en
baggerspecie</tuskop>
      <al>Voor de
inwerkingtreding van dit besluit was de tijdelijke opslag van grond en
baggerspecie vergunningplichtig op grond van de Wm en de Wvo, met
uitzondering van de tijdelijke opslag korter dan zes maanden. De
tijdelijke opslag korter dan zes maanden hoefde bovendien niet gemeld
te worden en ook de kwaliteit hoefde niet te worden getoetst. Dit gaf
echter problemen bij de handhaving, omdat op diverse plaatsen van het
land illegale gronddepots werden opgeworpen. Bij de uitvoering van
projecten leidde de vergunningplicht bovendien regelmatig tot problemen
indien door onvoorziene omstandigheden de tijdelijke opslag langer
plaatsvond dan zes maanden.</al>
      <al>Dit besluit komt tegemoet aan de
wens tot deregulering door de vergunningverlening te beperken en
bedoelde problemen bij de handhaving wordt ondervangen door de
verplichting tot het melden van een dergelijke handeling. Voor de
tijdelijke opslag van grond en baggerspecie in afwachting van
toepassing op een geplande en gemelde eindbestemming, gelden voortaan
de voorschriften voor de algemene toepassingen van grond of
baggerspecie, te weten afdeling 2, paragraaf 1 en 2, van hoofdstuk 4
van dit besluit, met dien verstande dat vanwege de aard van de
handeling – tijdelijke opslag – niet behoeft te worden
getoetst aan de bodemfunctie. Voorwaarde is dat de opslag op de bodem
maximaal drie jaar duurt en de opslag in oppervlaktewater 10 jaar, dat
de opgeslagen grond of baggerspecie nuttig wordt toegepast in de
eindbestemming en dat bij met het melden van het voornemen tot
tijdelijke opslag de eindbestemming en de voorziene periode van opslag
uiterlijk binnen 6 maanden is aangegeven. De eindbestemming, de locatie
en de voorgenomen handeling, dienen te vallen binnen de reikwijdte van
artikel 35. Zie ook de toelichting bij artikel 35, onder h en i,68,
onderdeel B, 70, onderdeel B en 74 over tijdelijke opslag.</al>
      <al>Ten
overvloede wordt opgemerkt dat indien er niet kan worden voldaan aan de
voorwaarden die volgen uit dit besluit, op grond van het verbod van
artikel 37 voor bedoelde handeling een vergunning op grond van de Wm of
de Wvo is vereist.</al>
      <al>De volgende vormen van
tijdelijke opslag van grond en baggerspecie zijn in dit besluit
geregeld:</al>
      <al>a. de kortdurende opslag (minder dan zes maanden)
;</al>
      <al>b. de tijdelijke opslag van grond of
baggerspecie op of in de bodem gedurende maximaal drie jaar of in
oppervlaktewater gedurende maximaal tien jaar;</al>
      <al>c. de tijdelijke opslag van baggerspecie op percelen
gelegen naast de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is
gedurende maximaal drie jaar (de zogenaamde
weilanddepots);</al>
      <al>d. de tijdelijke opslag
met het oog op herstel van de oorspronkelijke situatie bij
graafwerkzaamheden ten behoeve van aanleg en onderhoud (tijdelijk
verplaatsen of tijdelijk wegnemen van grond of baggerspecie conform
artikel 36, tweede lid).</al>
      <tuskop letat="cur">Ad a. Kortdurende opslag</tuskop>
      <al>De toetsingskaders in afdeling 2 van hoofdstuk
4 van dit besluit zijn niet van toepassing op een tijdelijke opslag van
grond en baggerspecie korter dan zes maanden. Deze situatie is
vergelijkbaar met de situatie voor de inwerkingtreding van dit besluit.
Nieuw is dat voor kortdurende opslag een meldingsplicht geldt. Hierbij
is het melden van de eindbestemming echter niet noodzakelijk. Hierdoor
kan in afwachting van de afvoer van grond of baggerspecie op basis van
deze bepaling maximaal zes maanden gezocht worden naar een passende
eindbestemming. De mogelijkheid van kortdurende opslag kan ook worden
benut vooruitlopend op andere vormen van tijdelijke opslag. De totale
duur van de tijdelijke opslag (inclusief de 6 maanden) mag echter de
periode van 3 jaar (op landbodem) of 10 jaar (in oppervlaktewater) niet
overschrijden.</al>
      <tuskop letat="cur">Ad b.
Tijdelijke opslag op of in de bodem of in
oppervlaktewater</tuskop>
      <al>Zie de
toelichtingbij artikel 35, onder h.</al>
      <tuskop letat="cur">Ad c. Tijdelijke opslag van baggerspecie
op percelen gelegen naast de watergang waaruit de baggerspecie
afkomstig is.</tuskop>
      <al>Zie de
toelichting bij artikel 35, onder i</al>
      <tuskop letat="cur">Ad d. Tijdelijke opslag bij tijdelijk
verplaatsen of wegnemen</tuskop>
      <al>Deze
vorm van opslag maakt onderdeel uit van het tijdelijk verplaatsen of
uit de toepassing wegnemen van grond of baggerspecie, bedoeld in
artikel 36, tweede lid, en kenmerkt zich door het feit dat de opslag
van grond of baggerspecie op de locatie van ontgraven niet langer duurt
dan de looptijd van de onderhouds- of aanlegwerkzaamheden waarop het
tijdelijk verplaatsen of wegnemen als bedoeld is gericht. Op grond van
dit besluit hoeft deze vorm van tijdelijke opslag niet te worden
gemeld, onderzocht of getoetst (onderzoeksverplichtingen die
voortvloeien uit andere wet- en regelgeving gelden uiteraard
onverkort). Zie hieromtrent nader de toelichting bij artikel 36, derde
lid. Overtollig materiaal dat na afronding van de werkzaamheden op de
locatie in opslag blijft, in afwachting van een nieuwe bestemming, valt
niet onder deze uitzonderingsbepaling.</al>
      <tuskop letat="cur">4.3.5 Definities grond en
baggerspecie</tuskop>
      <al>De definities
van grond en baggerspecie hebben betrekking op het fijne bodemmateriaal
(maximale korrelgrootte van 2 millimeter) alsmede op van nature in de
bodem voorkomende schelpen en grind (2–63 mm). Ook natuurlijke
mengsels van fijn bodemmateriaal en schelpen en grind vallen onder de
noemer grond en baggerspecie. Het fijne bodemmateriaal bestaat
doorgaans uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2
millimeter en organische stof. In uitzonderingsgevallen komt ook grond
voor met vrijwel geen organische stof (bijvoorbeeld dekzanden) of
vrijwel geen minerale delen (bijvoorbeeld mineraalarm veen). Schelpen
en grind zijn in de definities opgenomen omdat zij regelmatig in de
bodem voorkomen, en toepassing ervan als bodem geen bezwaren uit
milieuoogpunt kent. Uitsluiting van deze materialen zou het toepassen
van grond en baggerspecie nodeloos beperken. Natuurlijke
bodemmaterialen groter dan 63 mm worden in de bodemkunde beschouwd als
stenen en worden niet gerekend tot de grondmatrix. Overigens komen
stenen van nature slechts sporadisch voor in de Nederlandse bodem.
Stenen worden gekwalificeerd als een bouwstof van natuurlijke
oorsprong. Voor situaties waarin stenen voorkomen in grond of
baggerspecie wordt verwezen naar de passage hierna over vermenging van
grond en baggerspecie met ander materiaal.</al>
      <al>De
definities hebben een lange voorgeschiedenis. Tijdens een Algemeen
Overleg met de Tweede Kamer op 27 juni 2002 heeft de toenmalige
minister van VROM aangekondigd dat opnieuw zou worden gekeken naar de
definitie van «grond». Hij doelde daarbij op het begrip
«grond» zoals dat voorkomt in een aantal
milieuregelingen, waaronder – toentertijd – het
Bouwstoffenbesluit. Ter uitvoering hiervan zijn in de ambtelijke
notitie «Naar een uniforme definitie van grond in de bodem- en
afvalstoffenregelgeving» van mei 2004 voorstellen gedaan voor
een nieuwe definitie. Nader overleg, onder meer in het kader van de
Stuurgroep Bodem, heeft geleid tot aanpassing van de voorgestelde
definitie. In hetzelfde kader is tevens een definitie van
«baggerspecie» ontwikkeld. De aldus totstandgekomen
definities zijn thans opgenomen in het onderhavige besluit. Eerder is
de nieuwe definitie van «grond» reeds opgenomen in de
«Beleidsregels verontreinigde grond Besluit stortplaatsen en
stortverboden afvalstoffen».</al>
      <al>De nieuwe
definities hebben betrekking op grond en baggerspecie die niet is
vermengd met ander materiaal. Zij worden daarom ook aangeduid als de
«basisdefinities» van grond en baggerspecie. In grond en
baggerspecie wordt doorgaans ook ander materiaal aangetroffen, zoals
minerale bestanddelen (puin, vliegas, slakken), en niet-minerale,
niet-natuurlijke bestanddelen (glas, plastic, behandeld en onbehandeld
hout). Daarom moet ook worden geregeld in hoeverre dergelijk gemengd
materiaal wordt aangemerkt als grond of baggerspecie. Hiertoe wordt een
maximaal gewichtspercentage ander materiaal gehanteerd. Dit percentage
kan per regeling verschillen, aangezien het afhankelijk is van de
strekking van de
regeling<voetref refid="b4"></voetref><voetnoot id="b4"><nootnr>4</nootnr><noottkst><al>In de
beleidsregels verontreinigde grond Besluit stortplaatsen en
stortverboden afvalstoffen is een percentage van 50% aangehouden voor
grond die wordt aangeboden op een
stortplaats.</al></noottkst></voetnoot>. Het percentage maakt daarom geen deel
uit van de basisdefinitie. In dit besluit is het percentage gesteld op
20%. Dit percentage heeft betrekking op het gewicht. Indien grond is
vermengd met meer dan 20% ander materiaal kan deze voor de toepassing
van dit besluit niet worden aangemerkt als grond. Evenmin kan het
materiaal worden gekwalificeerd als een bouwstof (zie artikel 26,
vierde lid van dit besluit). Door middel van zeven of scheiden kan voor
dergelijke partijen het percentage ander materiaal in de grond worden
teruggebracht tot onder de 20 gewichtsprocenten, zodat de partij kan
worden aangemerkt als grond in het kader van dit
besluit.</al>
      <al>Voor bouwstoffen geldt een
aanvullende eis dat deze maximaal uit 20 gewichtsprocenten grond en
baggerspecie mogen bestaan (zie artikel 26, vierde lid), tenzij deze
grond een functioneel onderdeel uitmaakt van de bouwstof (zie
artikelsgewijze toelichting bij artikel 26). Dit betekent dat er
producten zijn die geen grond en tevens geen bouwstof betreffen. Deze
producten dienen bewerkt te worden met als doel een hoogwaardig gebruik
als grond of bouwstof mogelijk te maken.</al>
      <al>Het
begrip baggerspecie is nevengeschikt aan het begrip grond. Baggerspecie
is dus niet opgevat als een categorie grond maar als een zelfstandige
categorie. Baggerspecie is bodemmateriaal dat vrijkomt uit het
oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte. Zie hieromtrent
nader paragraaf 1.6.</al>
      <al>Een gevolg van het feit dat er een
koppeling wordt gelegd tussen oppervlaktewater en het begrip
baggerspecie is dat het zand dat wordt gewonnen uit zandwinputten die
zijn gelegen in het oppervlaktewater in juridische zin wordt beschouwd
als baggerspecie. Dit laat onverlet dat de producenten van dit zand het
materiaal onveranderd als zand op de markt kunnen brengen. De
juridische benaming van dit zand als baggerspecie doet verder ook niets
af of bij aan de status van het materiaal als primaire grondstof of
afvalstof. Dat wordt bepaald door de feitelijke handelingen met het
materiaal.</al>
      <al>De basisdefinities zijn gebaseerd
op de samenstelling van het materiaal. De directe herkomst van het
materiaal is daarmee niet bepalend voor de vraag of er sprake is van
grond of baggerspecie. Ook materiaal dat aan de samenstellingskenmerken
voldoet, maar dat niet rechtstreeks vrijkomt uit de bodem, bijvoorbeeld
omdat het eerder is toegepast, kan derhalve onder de definities vallen.
Wel zal het steeds gaan om materiaal dat oorspronkelijk afkomstig is
uit de bodem. Het moet immers gaan om materiaal «in een
verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature
worden aangetroffen». Met «van nature worden
aangetroffen» wordt niet zozeer gedoeld op de directe herkomst
van de gronddeeltjes, maar op de samenstelling van het materiaal. Het
gaat erom dat het toe te passen product gronddeeltjes bevat (een
samenstelling heeft) welke overeenkomt met gronddeeltjes die van nature
in de bodem voorkomen en daarmee dat het toe te passen product dus ook
geschikt is om als bodem te kunnen worden toegepast. Het materiaal
hoeft dus niet rechtstreeks uit de bodem te komen, maar moet wel
vergelijkbaar zijn met materiaal dat rechtsreeks uit de bodem
komt.</al>
      <al>De nieuwe definities sluiten goed aan
bij de nieuwe regels voor het toepassen van grond en baggerspecie.
Onder de nieuwe regels geldt dat het toe te passen materiaal duurzaam
een bodemfunctie moet kunnen vervullen. Bij dit criterium is de
herkomst irrelevant. Het gaat er om dat de toe te passen partij een
samenstelling en structuur heeft zoals die ook elders in de bodem
worden aangetroffen. Verder kan ook materiaal met een zeker aandeel
ander fysisch materiaal duurzaam een bodemfunctie
vervullen.</al>
      <al>De nieuwe definities wijken af van
de definitie van «grond» zoals deze was opgenomen in het
Bouwstoffenbesluit. De definitie in het Bouwstoffenbesluit luidde als
volgt: «niet-vormgegeven bouwstof met een vaste structuur, die
van natuurlijke oorsprong is, niet door de mens is geproduceerd en
onderdeel van de Nederlandse bodem kan uitmaken». Het
Bouwstoffenbesluit kende geen afzonderlijke definitie van baggerspecie.
Baggerspecie werd voor de toepassing van het Bouwstoffenbesluit
beschouwd als grond. De voornaamste verschillen met de definitie uit
het Bouwstoffenbesluit zijn als volgt.</al>
      <al>In de
eerste plaats is de relatie met het begrip «bouwstof»
verbroken. In de tweede plaats heeft het begrip
«baggerspecie» een afzonderlijke definitie gekregen.
Daarmee wordt ingespeeld op het feit dat bepaalde toepassingen
specifiek betrekking hebben op baggerspecie. In de derde plaats kende
de definitie uit het Bouwstoffenbesluit herkomstelementen. Met name was
bepaald dat het materiaal niet door de mens mocht zijn geproduceerd.
Bovendien gold dat het materiaal onderdeel van de Nederlandse bodem
moest kunnen uitmaken. De nieuwe definities kennen deze elementen niet
meer. In de vierde plaats is nu een regeling opgenomen voor de
aanwezigheid van ander <nadruk type="cur">fysisch</nadruk> materiaal in
grond.</al>
      <al>Diverse materialen die onder het
Bouwstoffenbesluit geen grond waren, zijn dat onder deze regeling wel.
Vanzelfsprekend moet ook bij deze materialen worden gekeken naar het
gewichtspercentage ander materiaal. Voorts blijft altijd gelden dat het
moet gaan om materiaal «in een verhouding en met een structuur
zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen». In de
inspraakreacties is voor onderstaande materiaalstromen gevraagd
duidelijkheid te scheppen over de status van het materiaal in relatie
tot de definitie van grond.</al>
      <al>Voor de
onderstaande materiaalstromen geldt dat deze in ieder geval voldoen aan
het eerste gedeelte van de definitie van grond, het betreft namelijk
vast materiaal dat bestaat uit minerale delen en organische stof. Het
gaat bij de beoordeling van de status van onderstaande materiaalstromen
om de vraag of voldaan wordt aan de zinsnede «in een verhouding
en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden
aangetroffen».</al>
      <al>De volgende stromen zijn genoemd in de
inspraakreacties:</al>
      <al>– Rioolkolken en gemalenslib, veegzand
(RKGV)</al>
      <al>– Zand uit de reiniging
van RKGV</al>
      <al>– Zeefzand</al>
      <al>– Zand uit de reiniging van
zeefzand</al>
      <al>– Teerhoudend
Asfaltgranulaat (TAG)</al>
      <al>– Zand uit
de reiniging van TAG</al>
      <al>– Boorgruis</al>
      <al>– Bentoniet</al>
      <al>– Gereinigde grond</al>
      <al>– Tarragrond</al>
      <al>– Immobilisaten en
stabilisaten</al>
      <tuskop letat="cur">RKGV</tuskop>
      <al>RKGV betreft het materiaal dat via verwaaiing
en oppervlakkige afspoeling in onze riolen terecht komt. Het betreft
bodemmateriaal dat afhankelijk van de seizoensinvloeden in meer of
mindere mate is vermengd met bijvoorbeeld bladeren en ander
straatafval. Het materiaal is te beschouwen als grond, voorzover de 20%
grens qua bijmengingen niet wordt overschreden. Evenzeer geldt dit voor
het gereinigde zand uit RKGV waarbij uiteraard geldt dat daarbij
vanwege de toegepaste scheidingstechnieken geen sprake is van
bijmengingen.</al>
      <tuskop letat="cur">(Sorteer- en
breker) Zeefzand</tuskop>
      <al>Zeefzand is
een verzamelnaam voor een product dat vrijkomt bij het proces van
sorteren, breken en afzeven van met name bouw en sloopafval en heeft
als zodanig geen relatie met bodemmateriaal.</al>
      <al>Het kan afkomstig
zijn van bouw- en sloopafval maar ook van overig afval. Vanuit de
oorsprong kan het materiaal belast zijn met allerhande niet-bodem
gerelateerde bestanddelen zoals o.a. gips, piepschuim, glas, keramiek
en metaaldeeltjes, etc. Zeefzand is derhalve in het algemeen een
volledig bodemvreemd product.</al>
      <al>De enige overeenkomst tussen
grond en zeefzand is gelegen in de korrelgrootteverdeling, dit komt
omdat het hoofdaandeel van bouw en sloopafval afkomstig is van
steenachtig materiaal welke direct (natuursteen) of indirect (klei voor
bakstenen, zand voor beton) afkomstig is uit de bodem.</al>
      <al>Op
basis van het bovenstaande kan gesteld worden dat zeefzand geen grond
betreft. Zeefzand zal in de regel een niet-vormgegeven bouwstof
betreffen, tenzij het aandeel grond in die niet vormgegeven bouwstof
groter is dan 20%.</al>
      <al>Een uitzondering op het
bovenstaande wordt gevormd door de situatie dat met het afzeven is
beoogd om bodemdeeltjes af te zeven, bijvoorbeeld bij het uitzeven van
een bodemlaag waarin veel puin aanwezig is. In dergelijke gevallen
heeft het zeefzand wel een relatie met bodemmateriaal en dient het als
grond te worden beschouwd.</al>
      <tuskop letat="cur">Zand uit zeefzand</tuskop>
      <al>De situatie is anders bij de beoordeling van
het zand dat vrijkomt bij de afscheiding in een zandscheidings- of
reinigingsinstallatie. Dit zand voldoet aan de definitie van grond, het
zand is immers gebruikt om beton en bakstenen te maken, waarbij het
zand dus in een product is opgesloten en het zand komt na een
bewerkingsproces weer vrij. Dit zand kan normaliter gewoon een
bodemfunctie vervullen. Aandacht daarbij is wel noodzakelijk voor de
voorgeschiedenis van het zand afkomstig uit de reiniging van zeefzand.
Vanwege de vermenging met allerhande soorten materialen is het
noodzakelijk meer parameters te onderzoeken dan de parameters die
regulier worden onderzocht, met name de uitloging van sulfaat is vaak
een probleem bij gereinigd zand uit zeefzand. Dergelijke elementen
moeten onderdeel zijn van een beoordelingsrichtlijn of de procedure bij
partijkeuringen, waarbij de voorgeschiedenis van de partij ook
aanleiding kan zijn voor het aanpassen van het analysepakket en voor
het zonodig apart bewerken van de stroom zeefzand ten opzichte van
andere materiaalstromen (ook grond en RKGV worden in dergelijke
installaties gereinigd). Het apart reinigen van deze stroom kan
noodzakelijk zijn indien de kwaliteit van het gereinigde zeefzand
anders is dan de kwaliteit van de overige gereinigde
materialen.</al>
      <tuskop letat="cur">TAG</tuskop>
      <al>TAG is een verzamelnaam voor een product dat
is ontstaan door opbreken of affrezen van asfalt en heeft als zodanig
geen relatie met bodemmateriaal. TAG is daarom een bodemvreemd
materiaal. De enige overeenkomst tussen grond en TAG is gelegen in de
korrelgrootteverdeling. Dit komt doordat een onderdeel van TAG
afkomstig is van steenachtig materiaal dat direct of indirect afkomstig
is uit de bodem. Op basis van het bovenstaande wordt gesteld dat TAG
geen grond betreft.</al>
      <tuskop letat="cur">Zand
uit TAG</tuskop>
      <al>Het zand dat bij de
reiniging van TAG vrijkomt is hetzelfde zand dat is gebruikt voor het
maken van het asfalt. Dit zand voldoet aan de definitie van grond. Het
zand is immers gebruikt om het zand te vervaardigen en komt na een
bewerkingsproces weer vrij. Dit zand kan normaliter gewoon een
bodemfunctie vervullen. Daarbij is wel aandacht noodzakelijk voor de
voorgeschiedenis van het zand afkomstig uit de reiniging van TAG.
Daarom is het noodzakelijk om meer parameters te onderzoeken dan de
parameters die regulier worden onderzocht. Dergelijke elementen moeten
onderdeel uitmaken van een beoordelingsrichtlijn of de procedure bij
partijkeuringen, waarbij de voorgeschiedenis van de partij ook
aanleiding kan zijn voor aanpassing van het analysepakket en voor het
zonodig apart bewerken van TAG ten opzichte van andere
materiaalstromen. In de praktijk worden namelijk ook grond en RKGV in
dergelijke installaties gereinigd. Het apart reinigen van deze stroom
kan noodzakelijk zijn indien de kwaliteit van het gereinigde zand uit
TAG anders is dan de kwaliteit van de overige gereinigde
materialen.</al>
      <tuskop letat="cur">Boorgruis &amp;
Bentoniet</tuskop>
      <al>Boorgruis is niets
anders dan grond die is ontgraven door middel van een boortechniek. Ter
voorkoming van het instorten van het boorgat wordt boorspoeling
gebruikt. Voor de ondiepe boringen is dat vaak bentoniet
(natuurproduct) en voor de diepere boringen wordt vaak een oliehoudende
boorspoeling gebruikt. De olie in het oliehoudende boorgruis wordt na
het vrijkomen gedestilleerd waarna dus feitelijk de oorspronkelijk
ontgraven bodem resteert. Daar is de conclusie dus dat het materiaal
grond betreft. Het Bentoniethoudende boorgruis, dat tevens grootschalig
vrijkomt bij het horizontaal boren van tunnels en leidingen wordt
veelal teruggewonnen en opnieuw als bentoniet ingezet en de resterende
bentoniet/grondmengsels worden ontwaterd en bevatten dus gronddelen en
bentoniet. Aangezien bentoniet een natuurproduct is afkomstig uit de
bodem, betreft deze materiaalstroom ook grond.</al>
      <tuskop letat="cur">Gereinigde grond</tuskop>
      <al>Gereinigde grond betreft grond die wordt
ontdaan van zijn verontreinigingen en is na die behandeling uiteraard
gewoon nog grond.</al>
      <tuskop letat="cur">Tarragrond</tuskop>
      <al>Tarragrond is de aanhangende grond die
vrijkomt bij het behandelen van gewassen na de oogst. Tarragrond kent
ook andere benamingen, zoals spoelgrond en zeefgrond, en verschillende
verschijningsvormen; afhankelijk van de oogstomstandigheden en de
gehanteerde scheidingtechnieken komt tarragrond vrij als droge of natte
stromen. Voor de toepassing van tarragrond, en de beoordeling daarvan
onder dit besluit, maakt dit geen verschil: natte en droge tarragrond
zijn beide grond in de zin van artikel 1 van dit
besluit.</al>
      <tuskop letat="cur">Immobilisaten en
stabilisaten</tuskop>
      <al>Immobilisaten en
stabilisaten betreffen producten waarin grond is vermengd met onder
andere cement om enerzijds de uitloging te beperken en anderzijds de
constructieve eigenschappen van het materiaal te verbeteren.
Immobilisaten en stabilisaten betreffen geen producten met een
samenstelling in een verhouding en met een structuur zoals deze in de
bodem van nature worden aangetroffen en zijn dus vormgegeven of
niet-vormgegeven bouwstoffen.</al>
      <al>Ten
slotte wordt opgemerkt dat het residu van de reiniging van grond en
baggerspecie zelfstandig zal worden getoetst aan de definitie van grond
respectievelijk baggerspecie. Afhankelijk van de samenstelling is het
residu dus al dan niet grond of baggerspecie.</al>
      <tuskop letat="cur">4.4 Voorschriften voor
toepassing van grond en baggerspecie</tuskop>
      <tuskop letat="cur">4.4.1
Algemeen</tuskop>
      <al>Degene die
voornemens is grond of baggerspecie toe te passen dient aan te tonen
dat de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie geschikt is
voor de voorgenomen toepassing en dient dat voornemen te melden, met
uitzondering van de situaties genoemd in
4.4.3.</al>
      <tuskop letat="cur">4.4.2 Vaststellen van
kwaliteitseisen en milieuhygiënische
verklaring</tuskop>
      <al>De kwaliteit van
de grond en baggerspecie of voorzover van toepassing de kwaliteit van
de ontvangende bodem dient te worden vastgesteld door een laboratorium
dat daartoe is erkend door de Ministers van VROM en VenW.
Milieuhygiënische verklaringen waaruit in elk geval blijkt dat
de desbetreffende grond of baggerspecie voldoet aan de kwaliteitseisen,
zijn een partijkeuring, een fabrikanteigenverklaring, een verklaring op
grond van een door het bevoegd gezag vastgestelde bodemkwaliteitskaart,
een (water)bodemonderzoek of een erkende kwaliteitsverklaring. De
methoden en protocollen die worden gehanteerd voor de vaststelling van
de kwaliteit van grond of baggerspecie en de voorwaarden waaronder de
genoemde milieuhygiënische verklaringen mogen worden afgegeven
worden bij ministeriële regeling bepaald.</al>
      <tuskop letat="cur">4.4.3
Melden</tuskop>
      <al>Degene die voornemens
is grond of baggerspecie toe te passen als bedoeld in het onderhavige
besluit dient in beginsel dat voornemen tenminste vijf werkdagen van te
voren te melden via de Minister van VROM bij het bevoegd
gezag.</al>
      <al>In de praktijk zal een dergelijke
melding geschieden aan het agentschap SenterNovem dat daartoe is
gemandateerd door de Minister van VROM. De melding vindt zoveel
mogelijk elektronisch plaats door middel van een daartoe vastgesteld
formulier via www.senternovem.nl. Een afschrift van deze melding wordt
direct (elektronisch) doorgezonden aan het bevoegd gezag (college van
burgemeester en wethouders en waterkwaliteitsbeheerder) en aan degenen
die belast zijn met het toezicht op de naleving.</al>
      <al>Het digitale meldsysteem zal worden gebruikt om meldingsgegevens te
administreren. Het meldsysteem kan door het bevoegd gezag worden
geraadpleegd. Het bevoegd gezag kan bovendien de gegevens
actualiseren.</al>
      <al>Het meldsysteem is zodanig ingericht dat degene
die de melding doet direct wordt geattendeerd op onjuiste of
ontbrekende informatie die voor de desbetreffende melding nodig
is.</al>
      <al>Dit meldsysteem sluit aan op het digitale meldsysteem in
het kader van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke
afvalstoffen. Op het moment dat de partij aan een inrichting als
bedoeld in de Wet milieubeheer wordt overgedragen, valt deze binnen het
regime van dat besluit. Het meldsysteem op grond van het onderhavige
besluit wordt hier zodanig op toegesneden dat slechts één
keer hoeft te worden gemeld.</al>
      <al>Bij de melding
worden tenminste de gegevens verstrekt, genoemd in artikel 42, van het
onderhavige besluit.</al>
      <al>De meldingsplicht geldt niet voor de
volgende
toepassingen:</al>
      <al>1. de toepassing van grond of baggerspecie door
particulieren;</al>
      <al>2. het toepassen van
grond of baggerspecie binnen een landbouwbedrijf indien de grond of
baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend
perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het
perceel grond waar de grond of baggerspecie wordt toegepast.
Grondbewerking en grondverzet is in de landbouw een basisactiviteit die
geen risico’s voor de bodemkwaliteit met zich brengt. De
verplichting om elke toepassing van grond binnen van een landbedrijf te
moeten melden, zal voor de agrariër naar verhouding onevenredige
administratieve lasten met zich brengen;</al>
      <al>3. het toepassen van grond of baggerspecie uit een
watergang over de aan de watergang grenzende percelen met het oog op
het herstellen of verbeteren van het profiel van de watergang of de aan
de watergang grenzende percelen;</al>
      <al>4. het
toepassen van schone grond en baggerspecie in hoeveelheden kleiner dan
50 m<sup>3</sup>.</al>
      <tuskop letat="cur">4.5 Normstelling en
toetsingskaders voor grond en baggerspecie</tuskop>
      <tuskop letat="cur">4.5.1 Gehanteerde
waarden</tuskop>
      <al>Voor het toetsen van
de toepassing van grond en baggerspecie op of in de bodem of in
oppervlaktewater worden de volgende aanduidingen gebruikt voor het
weergeven van de kwaliteit van de toe te passen grond en baggerspecie
en de kwaliteit van de bodem waarop de grond en baggerspecie wordt
toegepast.</al>
      <al>1. Achtergrondwaarden:
landelijk geldende waarden voor een multifunctionele bodemkwaliteit die
de grens vormen aan wat in het dagelijks gebruik «schone grond
en bagger» wordt genoemd. Bodems in relatief onbelaste gebieden
in Nederland voldoen in overgrote meerderheid aan de
achtergrondwaarden. De achtergrondwaarden zijn ontleend aan de waarden
die zijn vastgesteld in het project «Achtergrondwaarden 2000 (AW
2000) en zijn gepubliceerd in het TNO-rapport 2007-U-R1052/A,
Beleidsmatig vervolg AW 2000, Voorstellen voor normwaarden op
achtergrondniveau en bijbehorende «toetsingsregel». Deze
achtergrondwaarden zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen,
zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden. De
keuze voor deze gronden is gebaseerd op de verwachting dat daarin een
niet meer dan normale diffuse achtergrondbelasting uit antropogene en
natuurlijke bronnen aanwezig is. Locaties waar een vermoeden bestaat
van bodembelasting door lokale bronnen zijn bij de bepaling van de
achtergrondwaarden niet meegenomen.</al>
      <al>2. Maximale waarden voor de bodemfunctieklassen:
landelijk vastgestelde generieke waarden voor de bodemkwaliteit die
voor een groep van bodemfuncties in algemene zin de bovengrens aangeeft
van wat als een duurzaam geschikte toestand wordt beschouwd. Voor de
generieke toetsing van op de landbodem toe te passen grond en
baggerspecie worden twee bodemfunctieklassen onderscheiden: wonen en
industrie.</al>
      <al>3. Maximale waarden voor de
bodemkwaliteitsklassen: landelijk vastgestelde generieke waarden voor
klassen waarin de actuele bodemkwaliteit kan worden ingedeeld. Voor de
generieke toetsing van op de landbodem toe te passen grond en
baggerspecie worden twee bodemkwaliteitsklassen onderscheiden: wonen en
industrie. De bovengrens van deze klassen die de actuele bodemkwaliteit
weergeven, komt overeen met de overeenkomstige bodemfunctieklassen die
de gewenste kwaliteit weergeven. Bij toepassing op de waterbodem worden
eveneens twee bodemkwaliteitsklassen onderscheiden: klasse A en klasse
B.</al>
      <al>4. Interventiewaarden: landelijk
geldende waarden die aangeven dat bij overschrijding sprake is van
potentiële ernstige vermindering van de functionele
eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier, als bedoeld
in de Wet bodembescherming. Bij overschrijding van deze waarden moet
nader worden onderzocht welke maatregelen nodig zijn om de
risico’s voor mens, plant of dier te beperken of ongedaan te
maken en of spoedige sanering op grond van artikel 37 van de Wet
bodembescherming (zie onder 6) nodig is. Overschrijding van de
interventiewaarden betekent niet automatisch dat de verontreinigde
grond moet worden afgegraven of het verontreinigd grondwater moet
worden opgepompt. Er kunnen bijvoorbeeld ook beperkingen aan het
gebruik van de bodem worden opgelegd.</al>
      <al>5. Lokale maximale waarden: lokaal vastgestelde
waarden voor de bodemkwaliteit waaraan de toe te passen grond en
baggerspecie moet voldoen. Bij het vaststellen van deze waarden is door
het bevoegd gezag rekening gehouden met de actuele bodemkwaliteit en de
risico’s voor de bodemfunctie ter plaatse.</al>
      <al>6. Met spoed saneren op grond van artikel 37 van de
Wet bodembescherming. Om vast te kunnen stellen wanneer het
noodzakelijk is om in een bepaald geval met spoed te saneren is een
methodiek ontwikkeld waarmee het bevoegd gezag bodemsanering
(gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders van de zogenaamde
grote gemeenten) per locatie waarden kan vaststellen die aangeven
wanneer er sprake is van een onaanvaardbaar risico voor mens, plant of
dier in welk geval spoedige sanering is geboden (het zogenaamde
saneringscriterium). Grond en baggerspecie met stoffen in concentraties
boven een dergelijke waarde mogen niet worden toegepast (zie artikel
44, tweede lid).</al>
      <tuskop letat="cur">4.5.2
Toetsingskaders</tuskop>
      <al>In dit
besluit zijn de volgende toetsingskaders voor het toepassen van licht
verontreinigde grond en baggerspecie en in specifieke gevallen ook
ernstig verontreinigde grond en baggerspecie
opgenomen:</al>
      <al>– Het gebiedsspecifieke en generieke
toetsingskader voor de algemene toepassing van grond en baggerspecie
(zie paragraaf 4.6 en 4.7);</al>
      <al>– het toetsingskader voor verspreiden van
baggerspecie (zie 4.8);</al>
      <al>– het
toetsingskader voor grootschalige toepassingen (zie
4.9).</al>
      <al>In dit besluit maakt het
verspreiden van baggerspecie onderdeel uit van de toetsingskaders voor
de algemene toepassing. Voor de duidelijkheid is het onderdeel
verspreiden in een aparte paragraaf toegelicht.</al>
      <al>Voor de
algemene toepassingen en het verspreiden in oppervlaktewater is de
gebiedsspecifieke toetsing ontwikkeld om invulling te geven aan een van
de belangrijkste uitgangspunten van het nieuwe beleidskader, namelijk
decentrale bestuursorganen meer ruimte te geven om lokaal beleid te
voeren. Voor zover het decentraal bestuursorgaan daar geen uitvoering
aan wenst te geven is het generieke toetsingskader van toepassing dat
landelijk geldt. Het toetsingskader voor het verspreiden van
baggerspecie over het aan de watergang grenzend perceel en voor
grootschalige toepassingen (met uitzondering van de leeflaag), is niet
gerelateerd aan vormgegeven lokaal beleid en hiervoor is ook geen
lokaal beleid te voeren.</al>
      <tuskop letat="cur">4.6 Gebiedsspecifieke
toetsingskader voor de algemene toepassing</tuskop>
      <tuskop letat="cur">4.6.1
Gebiedsspecifieke
toetsingskader</tuskop>
      <al>Het algemene
toetsingskader gaat bij gebiedsspecifieke toetsing uit van de
verantwoordelijkheid van zowel het bevoegd gezag als de toepasser voor
een verantwoorde toepassing van grond en baggerspecie binnen een door
het bevoegd gezag aangewezen gebied.</al>
      <al>Toepassing van grond en baggerspecie op of in de bodem of in
oppervlaktewater is verantwoord als deze toepassing past binnen het
beleid dat het bevoegd gezag heeft ontwikkeld voor de bodem in zijn
gebied. In dit beleid zijn de ruimtelijke situatie en de voorgestane
ruimtelijke ontwikkelingen afgestemd op de ambities voor de kwaliteit
van de bodem. Hierbij kan het gaan
om:</al>
      <al>– een algemene verbetering van de
bodemkwaliteit;</al>
      <al>– toepassing van
licht verontreinigde grond en baggerspecie op een schonere bodem op
basis van een integrale afweging van risico’s en
maatschappelijke belangen binnen het door het bevoegd gezag aangewezen
gebied en onder de voorwaarde dat door kwaliteitsverbetering elders
binnen het aangewezen gebied tenminste een standstill-situatie op
gebiedsniveau wordt bereikt.</al>
      <al>– toepassing van ernstig verontreinigde grond
of baggerspecie in diffuus belaste
gebieden.</al>
      <al>Voor landbodems geldt
dat de toekenning van bodemfuncties centraal staat in de handelwijze
van het bevoegd gezag bij het toepassen van grond en baggerspecie op of
in de bodem binnen zijn grondgebied. Voor zowel de landbodem als het
oppervlaktewater legt het betreffende bevoegd gezag legt in een nota
bodembeheer de maximale waarden vast waaraan de kwaliteit van de toe te
passen grond en baggerspecie moet voldoen. Deze waarden zijn lokale
waarden en vormen het gebiedsspecifieke toetsingskader. De kwaliteit
van de toe te passen grond en baggerspecie moet tenminste voldoen aan
deze lokale maximale waarden. Bij de vaststelling van lokale waarden
voor landbodems dient rekening gehouden te worden met de bodemfunctie
ter plaatse. Hiervoor worden als richtlijn per stof op landelijk niveau
maximale waarden aangereikt. In bijzondere situaties kunnen de lokale
waarden voor één of meerdere stoffen boven de
interventiewaarden liggen. Toepassing van grond en baggerspecie boven
deze interventiewaarden is onder stringente voorwaarden mogelijk (zie
paragraaf 4.6.5). De lokale waarden mogen niet worden vastgesteld boven
het saneringscriterium (zie 4.5.1).</al>
      <al>In
situaties dat het bevoegd gezag toestaat licht verontreinigde grond of
baggerspecie op of in de landbodem toe te passen die voldoet aan de
bodemfunctie maar die slechter is dan de actuele kwaliteit van de
ontvangende bodem, is toepassing beperkt tot grond en baggerspecie uit
hetzelfde gebied. Het bevoegd gezag kan bijvoorbeeld ertoe besluiten de
aanwezige verontreiniging binnen een klein deelgebied te concentreren
en daarmee de kwaliteit van het gehele gebied te verbeteren of
besluiten ruimte te bieden aan baggerspecie die bij het onderhoud van
aangrenzende watergangen vrijkomt. Door de herkomst van de grond en
baggerspecie in deze gevallen te beperken tot het gebied zelf wordt
geborgd dat de totale kwaliteit van het gehele gebied waartoe een nota
bodembeheer strekt, kan worden verbeterd met als consequentie dat op
een klein deelgebied een verantwoorde vermindering van kwaliteit
optreedt. Door het aanzuigen van grond van buiten het aangewezen gebied
te voorkómen en door te zorgen dat er navenante verbeteringen in
andere gedeelten van het gebied plaatsvinden wordt standstill op
gebiedsniveau
gewaarborgd.</al>
      <tuskop letat="cur">4.6.2 Procedure
vaststellen lokale maximale
waarden</tuskop>
      <al>De lokale maximale
waarden worden door de gemeenteraad, Rijkswaterstaat of het algemeen
bestuur van het waterschap bij besluit vastgesteld of de
waterkwaliteitsbeheerder bij besluit vastgesteld. Hiermee wordt het
vaststellen van lokale maximale waarden democratisch gelegitimeerd. Op
de vaststelling van het besluit is de openbare voorbereidingsprocedure
van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit besluit is
vatbaar is voor bezwaar en beroep.</al>
      <al>In de praktijk zullen de
maximale waarden onderdeel uitmaken van een nota bodembeheer bij het
besluit van de gemeenteraad, Rijkswaterstaat of het algemeen bestuur
van het waterschap. Voor watersystemen zal de vaststelling van de
waarden in een nota bodembeheer plaatsvinden door de
waterkwaliteitsbeheerder als onderdeel van het
watergebiedsplan.</al>
      <al>De nota bodembeheer wordt
voor een periode van maximaal tien jaar vastgesteld. Aan het eind van
deze periode wordt de nota geëvalueerd en worden de lokale
maximale waarden eventueel bijgesteld.</al>
      <al>In de nota bodembeheer
vindt vanuit de verschillende belangen, vooral milieu, ruimtelijke
ordening en economische ontwikkeling, een optimalisatie plaats van de
mogelijkheden om grond en baggerspecie af te zetten op basis van een
beoordeling van risico’s. Ook moet rekening worden gehouden met
kwetsbare gebieden, zoals natuurgebieden, drinkwaterwingebieden en
beschermde gebieden die zijn aangewezen in een provinciale
milieuverordening. Het betreft hier in ieder geval de gebieden die op
grond van artikel 10 van de Natuurbeschermingswet 1998 zijn aangewezen
als beschermde natuurmonumenten en de op grond van artikel 10a van
dezelfde wet aangewezen gebieden ter uitvoering van Richtlijn (EEG) nr.
79/409 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979
inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103, hierna:
Vogelrichtlijn) en Richtlijn (EEG) nr. 92/43 van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van
natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206, hierna:
Habitatrichtlijn), alsmede de kerngebieden van de Ecologische
Hoofdstructuur als bedoeld in het Natuurbeleidsplan (Kamerstukken II,
1989/90, 21 149, nrs. 2–3) en de gebieden waarin particulier of
agrarisch natuurbeheer plaatsvindt.</al>
      <al>De nota
bodembeheer wordt afgestemd met de overige betrokken bevoegde
bestuursorganen (bevoegd gezag bodemsanering, provincies en
waterkwaliteitsbeheerders) Waar lokale maximale waarden boven de
interventiewaarden worden vastgesteld, is instemming van het bevoegd
gezag bodemsanering noodzakelijk in verband met de vaststelling van het
saneringsplan voor het gebied waarop het grondverzet betrekking heeft.
Bovendien is kennis van de lokale maximale waarden belangrijk voor het
bevoegd gezag bodemsanering vanwege de vaststelling van
saneringsdoelstellingen voor een saneringslocatie die is gelegen in een
gebied waarvoor de lokale maximale waarden gelden.</al>
      <al>De bevoegde bestuursorganen hebben de keuze of ze hun gehele
grondgebied opnemen als gebied voor gebiedsspecifieke toetsing, of
slechts een deel. Ook kunnen ze ervoor kiezen om hun gebied met
aangrenzende gebieden van anderen samen te voegen tot één
gebied waarop de nota bodembeheer betrekking heeft. Dit kan
schaalvoordelen opleveren die de toepassing van grond en baggerspecie
vereenvoudigen.</al>
      <tuskop letat="cur">4.6.3 Nota
bodembeheer</tuskop>
      <al>De nota
bodembeheer voldoet aan de richtlijnen die zijn vastgesteld bij
ministeriële regeling.</al>
      <al>In ieder geval beschrijven de
bevoegde bestuursorganen de volgende onderwerpen in de nota
bodembeheer:</al>
      <al>A. de
bodemkwaliteit en de bodemfuncties in het aangewezen gebied. Op een
kaart wordt de (chemische) kwaliteit van de bodem geregistreerd en voor
de landbodem de bodemfuncties;</al>
      <al>B. de maatschappelijke opgave. De omvang en de
locatie van de baggeropgave en het grondverzet binnen een gebied worden
weergegeven, inclusief verwachte ruimtelijke ontwikkelingen in de
toekomst.</al>
      <al>C. de lokale
maximale waarden en de motivering daarvan. Lokale maximale waarden
kunnen voor diverse parameters lager of hoger uitvallen dan de maximale
waarden die in het generieke toetsingskader voor bodemfunctieklassen
(zie hoofdstuk 4.7) worden gehanteerd. Voor het percentage bodemvreemd
materiaal kan eveneens een lager percentage worden vastgesteld, dan op
grond van artikel 34, derde of vierde lid generiek is toegestaan. De
bevoegde bestuursorganen dienen deze andere waarden afdoende te
onderbouwen en – indien op grond van dit besluit toegestaan
– bij hogere waarden aan te geven waarom deze noodzakelijk en
milieuhygiënisch acceptabel worden geacht. Er dient een
integrale afweging van risico’s plaats te vinden waarbij in de
situaties zoals opgenomen in de ministeriele regeling bij dit besluit
verplicht gebruik wordt gemaakt van een landelijk uniforme
rekenmethodiek, de zogenaamde risicotoolbox. Deze berekent de
risico’s voor mens, plant en dier bij verschillende
bodemfuncties en het risico op verhoogde gehalten in bodem, grond- of
oppervlaktewater door verspreiding van stoffen. De methodiek geeft ook
inzicht in de gevolgen voor de kwaliteit van geteelde producten.
Hierbij is de mogelijkheid opgenomen bij ministeriële regeling
maximale waarden te bepalen tot aan het zogenaamde saneringscriterium.
Ook voor de toepassing in oppervlaktewater kunnen lokale maximale
waarden boven de interventiewaarden worden vastgesteld. De methodiek
geeft ook inzicht in de gevolgen voor de kwaliteit van geteelde
producten. Tevens wordt aangegeven op welke wijze invulling is gegeven
aan het uitgangspunt van standstill op
gebiedsniveau.</al>
      <al>D. Een
beschrijving van de uitvoering, het toezicht, de handhaving en de
evaluatie van het bodembeleid.</al>
      <tuskop letat="cur">4.6.4 Standstill-beginsel op
gebiedsniveau</tuskop>
      <al>De nota
bodembeheer bevat als voorwaarde voor het vaststellen van de lokale
maximale waarden een beschrijving van de wijze waarop binnen het door
het bevoegde bestuursorgaan aangewezen gebied invulling is gegeven aan
het uitgangspunt dat de bodemkwaliteit niet verslechtert in een gebied
(standstill op gebiedsniveau) en waar mogelijk dient te worden
verbeterd. Met het oog hierop geven de bevoegde bestuursorganen in de
nota bodembeheer aan op welke wijze de volgende zaken zijn
geborgd:</al>
      <al>– bij een plaatselijke vermindering van de
bodemkwaliteit tengevolge van de toepassing van licht verontreinigde
grond of baggerspecie moet elders in het gebied ten minste een
navenante verbetering van de bodemkwaliteit worden gerealiseerd, zodat
in het hele gebied minimaal aan standstill wordt voldaan. De
vermindering van de bodemkwaliteit mag alleen plaatsvinden tengevolge
van het toepassen van grond en baggerspecie uit het aangewezen gebied
en</al>
      <al>– de lokale maximale waarden
mogen uiteraard niet leiden tot nadelige gevolgen voor mens en
ecosystemen.</al>
      <al>Het toepassen van
standstill op gebiedsniveau, zoals bovenstaand beschreven, geldt alleen
bij het toepassen van licht verontreinigde grond of baggerspecie. Voor
ernstig verontreinigde grond of baggerspecie geldt uitsluitend een
standstill op lokaal niveau (zie volgende paragraaf).</al>
      <tuskop letat="cur">4.6.5 Ernstig verontreinigde grond en
baggerspecie</tuskop>
      <al>In een gebied
waarvan de bodem als gevolg van diffuse verontreiniging stoffen bevat
in concentraties boven de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse
industrie (landbodem) of interventiewaarden (waterbodem) , kan onder de
volgende voorwaarden grond of baggerspecie worden
toegepast:</al>
      <al>– het bevoegd gezag dient in een besluit
lokale maximale waarden vast te stellen voor die parameters die de
diffuse ernstige verontreiniging hebben veroorzaakt; deze lokale
maximale waarden dienen overeen te komen met de kwaliteit van de bodem
waarvoor deze lokale maximale waarden gelden;</al>
      <al>– de lokale maximale waarden worden niet
vastgesteld boven het saneringscriterium (zie 4.5.1);</al>
      <al>– vanwege de samenhang met het
bodemsaneringsbeleid wordt bij overschrijding van de interventiewaarden
een dergelijk besluit van tevoren afgestemd met het bevoegd gezag
bodemsanering (zie 4.6.2);</al>
      <al>– de
kwaliteit van de grond of baggerspecie die in het desbetreffende gebied
wordt toegepast voldoet ten minste aan de lokale maximale waarden, en
is bij overschrijding van de maximale waarden voor de
bodemfunctieklasse industrie (grond) of interventiewaarden
(baggerspecie) uitsluitend afkomstig uit het desbetreffende
gebied.</al>
      <al>Voorkomen moet worden dat
dergelijke gebieden gaan fungeren als stortplaats voor ernstig
verontreinigde grond en baggerspecie afkomstig van saneringslocaties
met een direct aanwijsbare bron. Het toepassen van dergelijke grond en
baggerspecie is in die gebieden daarom niet toegestaan en dient te
worden gereinigd of te worden gestort op een daartoe bestemde
stortplaats.</al>
      <tuskop letat="cur">4.7 Generieke toetsingskader
voor algemene toepassingen</tuskop>
      <tuskop letat="cur">4.7.1 Bodemfuncties
en bodemfunctieklassen</tuskop>
      <al>In die
gebieden waarvoor de bevoegde bestuursorganen geen lokale maximale
waarden in een besluit hebben vastgelegd, wordt de toepassing van grond
en baggerspecie generiek getoetst. Voor deze generieke toetsing zijn
bij ministeriële regeling zowel maximale waarden voor
bodemfunctieklassen (landbodem) als maximale waarden voor
bodemkwaliteitsklassen vastgelegd.</al>
      <al>In de
beleidsontwikkeling is men tot de volgende indeling van bodemfuncties
gekomen:</al>
      <al>1. wonen met tuin;</al>
      <al>2. plaatsen waar kinderen spelen;</al>
      <al>3. moestuinen/volkstuinen;</al>
      <al>4. landbouw;</al>
      <al>5. natuur;</al>
      <al>6. groen
met natuurwaarden;</al>
      <al>7. ander groen,
bebouwing, infrastructuur en
industrie.</al>
      <al>Deze bodemfuncties
worden gebruikt in het gebiedsspecifieke kader. Bij ministeriële
regeling worden deze functies nader ingevuld.</al>
      <al>Met het oog op het generiek toetsen van de toepassing van grond en
baggerspecie op of in de bodem zijn de functies 1, 2 en 6 samengevoegd
tot de bodemfunctieklasse wonen en komt functie 7 overeen met de
bodemfunctieklasse industrie. De bodemfunctieklasse industrie staat
iets meer verontreinigingen toe dan de bodemfunctieklasse wonen. Indien
voor de bodem waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast
geen van deze beide bodemfunctieklassen geldt, en dus schoner is, dan
wel deze bodem voldoet aan de achtergrondwaarden, mag uitsluitend grond
en baggerspecie worden toegepast die voldoet aan de achtergrondwaarden.
Dit betekent onder meer dat op of in een bodem waaraan de functie
landbouw of natuur is toegekend, alleen grond en baggerspecie mag
worden toegepast die voldoet aan de achtergrondwaarden. Hiermee wordt
bereikt dat enerzijds natuurgebieden zo schoon mogelijk blijven en
anderzijds de voedselkwaliteit niet wordt bedreigd. Bovendien wordt
rekening gehouden met het feit dat in het landelijk gebied veelal een
combinatie van landbouw en natuur aanwezig is en hierbij veelvuldig
sprake is van functiewisseling tussen beide. Voor de natuurgebieden die
nu niet aan de achtergrondwaarden voldoen en derhalve wat minder schoon
zijn, moet het gebiedsspecifieke spoor worden bewandeld om de
afzetruimte voor grond en baggerspecie met gelijke kwaliteit in het
gebied te benutten. Hetzelfde geldt voor een aantal teelten op bodems
waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarden overschrijdt. Voor het
vaststellen van lokale maximale waarden voor deze teelten wordt een
handreiking opgesteld.</al>
      <al>Omwille van de eenheid
in normen is voor moestuin/volkstuin gekozen voor aansluiting bij de
functie landbouw. Voor moestuin/volkstuin liggen de door het RIVM
berekende referenties boven de achtergrondwaarden met uitzondering van
lood. De impact van deze keuze op de mogelijkheden voor de afzet van
grond en baggerspecie is uitermate beperkt; er vindt nauwelijks
grondverzet voor moestuinen en volkstuinen plaats in
Nederland.</al>
      <al>Voor de functies wonen met tuin en
kinderspeelplaats is voor de parameters lood, cadmium en kwik
aangesloten bij de lagere referenties zoals die zijn berekend voor
groen. Zonder deze keuze was een extra bodemkwaliteitsklasse
noodzakelijk, welke slechts afzetruimte zou bieden voor ca. 2% van de
vrijkomende licht verontreinigde grond. Overigens voldoet deze 2% wel
aan de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie, waardoor
er nog steeds mogelijkheden zijn voor afzet van deze
grond.</al>
      <tuskop letat="cur">4.7.2
Bodemkwaliteitsklassen</tuskop>
      <al>De
bodemkwaliteitsklassen worden alleen gehanteerd in het generieke
toetsingskader. In het gebiedsspecifieke kader kan het bevoegd gezag
gebruik maken van een klassenindeling, maar is hiertoe niet verplicht.
Voor toepassing op of in de bodem geldt een andere indeling in
bodemkwaliteitsklassen dan voor toepassing op of in de bodem onder
oppervlaktewater.</al>
      <al>Het gebruik van
(bodem)kwaliteitsklassen is voor waterbodems niet nieuw. De voor
inwerking van dit besluit gehanteerde waterbodemkwaliteitsklassen zijn
beschreven in de Vierde Nota Waterhuishouding en wordt al vele jaren
gebruikt door waterkwaliteitsbeheerders. In de Vierde Nota
Waterhuishouding is echter een herziening van de indeling aangekondigd.
Dit besluit geeft hier invulling aan door een nieuwe indeling in
waterbodemkwaliteitsklassen vast te stellen die de oude indeling moet
vervangen. De uitwerking van de nieuwe indeling is bij
ministeriële regeling vastgelegd. De nieuwe indeling kent minder
klassen en houdt bijvoorbeeld meer rekening met sedimentatieprocessen
die voortdurend de waterbodemkwaliteit beïnvloeden. De
kwaliteitsklassen gelden voor alle algemene toepassingen, exclusief
verspreiden, die met grond en baggerspecie op of in de bodem onder
oppervlaktewater plaatsvinden. Aangezien de uiterwaarden, stranden,
slikken en platen onderdeel uitmaken van het oppervlaktewater (zie par.
5.3.) geldt deze indeling ook voor toepassing op deze delen. Bij
toepassing kan sprake zijn van verschillende milieuomstandigheden
(drogere delen overwegend aeroob, natte delen overwegend anaeroob) en
dus ook van verschillende milieurisico's, waaronder de mobiliteit van
metalen. Bij de herziening van de klassenindeling is met deze
verschillen rekening gehouden. De oude indeling in klassen (0 t/m 4)
conform de Vierde Nota Waterhuishouding is door het jarenlange gebruik
zeer diep geworteld in diverse wetgevingen, vergunningen en
beleidsnota’s. Middels dit besluit wordt de wetgeving waarin
deze indeling is gebruikt aangepast. Dit besluit heeft niet de
mogelijkheden om bestaande vergunningen en beleidsnota’s aan te
passen. De wens bestaat wel dat het bevoegd gezag gaat bezien of het
gewenst is dat bestaande vergunningen en beleidsnota’s op grond
van de nieuwe indeling worden aangepast. Zeker voor bestaande
vergunningen omtrent het storten van baggerspecie wordt de
wenselijkheid groot geacht om een betere aansluiting te krijgen met het
toepassingskader zoals door dit besluit geboden.</al>
      <al>Voor de landbodem is het indelen van de bodemkwaliteit in
bodemkwaliteitsklassen, zoals dat voor waterbodems al bestond, wel een
nieuw element. De bodemkwaliteitsklassen voor de landbodem zijn
ontstaan als sterke vereenvoudiging van het systeem van
bodemgebruikswaarden. Door het RIVM zijn voor diverse bodemfuncties
referenties berekend, dat wil zeggen de chemische bodemkwaliteit voor
deze bodemfuncties die minimaal nodig is op basis van risico’s
voor mens, ecosysteem en landbouw en het risico op doorvergiftiging. De
verspreidingsrisico’s voor grond-, drink- en oppervlaktewater
heeft het RIVM niet meegenomen in de berekening. Hiervoor ontbreekt
namelijk een afdoende wetenschappelijke basis. Indien voldoende kennis
over de verspreidingsrisico’s is verkregen, kunnen de
bodemkwaliteitsklassen hierop in de toekomst worden aangepast, ook in
het licht van de implementatie van de Kaderrichtlijn Water en de nieuwe
Richtlijn Grondwater.</al>
      <al>Op basis van de informatie van het RIVM
is voor licht verontreinigde landbodems en hierop toe te passen grond
en baggerspecie een bodemkwaliteitsklasse industrie en een
bodemkwaliteitsklasse wonen onderscheiden.</al>
      <al>De bovengrens van
de bodemkwaliteitsklassen is bepaald op basis van de geschiktheid van
de bodem voor de hierboven genoemde bodemfuncties en betreft maximale
waarden voor een selectie van de stoffen die in bijlage 1 bij dit
besluit zijn opgenomen. Deze maximale waarden zijn bij
ministeriële regeling vastgelegd. De basis voor de
kwaliteitsklassen voor toepassing op of in de bodem en toepassing in
oppervlaktewater wordt gevormd door de achtergrondwaarde (AW2000),
waardoor de grens voor schone grond en schone baggerspecie identiek
is.</al>
      <tuskop letat="cur">4.7.3 Toetsing van
toepassingen op of in de
bodem</tuskop>
      <al>Bij toepassing van
licht verontreinigde grond en baggerspecie op of in de bodem kunnen
vijf situaties worden
onderscheiden:</al>
      <al>1. Voor de bodem waarop of waarin de grond of
baggerspecie wordt toegepast geldt een bodemfunctieklasse wonen en is
een actuele kwaliteit vastgesteld die voldoet aan de
bodemkwaliteitsklasse wonen.</al>
      <al>2. Voor de
bodem waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast geldt
een bodemfunctieklasse industrie en is een actuele kwaliteit
vastgesteld die voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse
industrie.</al>
      <al>3. Voor de bodem waarop of
waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast geldt een
bodemfunctieklasse wonen en is een actuele kwaliteit vastgesteld die
voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse industrie.</al>
      <al>4. Voor de bodem waarop of waarin de grond of
baggerspecie wordt toegepast geldt een bodemfunctieklasse wonen en is
een actuele kwaliteit vastgesteld die voldoet aan de
achtergrondwaarden.</al>
      <al>5. Voor de bodem
waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast geldt een
bodemfunctieklasse industrie en is een actuele kwaliteit vastgesteld
die voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse wonen of aan de
achtergrondwaarden.</al>
      <al>Voor de
eerste twee situaties moet de kwaliteit van de toe te passen grond of
baggerspecie voldoen aan de maximale waarden die gelden voor de
genoemde bodemfunctieklassen en bodemkwaliteitsklassen. Deze maximale
waarden zijn voor wonen respectievelijk industrie aan elkaar gelijk. In
de laatste drie situaties gelden de strengste maximale waarden: die van
de bodemfunctieklasse wonen in situatie 3, die van de
achtergrondwaarden in situatie 4 en die van de bodemkwaliteitsklasse
wonen of de achtergrondwaarden in situatie 5.</al>
      <al>Er kunnen gevallen voorkomen waarbij de overschrijding van
één parameter zou betekenen dat het gehele gebied in een
bodemkwaliteitsklasse ingedeeld zou moeten worden die voor de overige
parameters als gevolg zou hebben dat minder strenge eisen zouden
gelden. De grens om te kunnen voldoen aan de maximale waarden voor de
desbetreffende parameters wordt immers ruimer. Dit zou kunnen betekenen
dat de kwaliteit van het hele gebied verslechtert. Om dergelijke
grensgevallen goed te regelen, worden bij ministeriële regeling
regels gesteld aan de indeling in
bodemkwaliteitsklassen.</al>
      <al>De keuze voor de
bodemkwaliteitsklasse zal afhankelijk zijn van de volgende
situaties:</al>
      <al>– de overschrijding van meer dan een bij de
ministeriële regeling bij dit besluit nader aangegeven
parameters;</al>
      <al>– de mate van
overschrijding van de bovengrens van de bodemkwaliteitsklasse; de
gevallen waarin de desbetreffende overschrijding bepalend is, zal bij
ministeriële regeling worden
aangegeven.</al>
      <tuskop letat="cur">4.7.4 Toepassingen in oppervlaktewater:
achtergronden en
toetsing</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Achtergronden</tuskop>
      <al>In de Nederlandse wateren wordt op grote
schaal baggerwerk verricht. Dit baggerwerk is onder meer nodig met het
oog op de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart, de
waterhuishouding, de bescherming van het achterland tegen hoogwater en
de natuur- en milieudoelstellingen. Een aantal van deze werkzaamheden
heeft een wederkerig karakter: steeds opnieuw bezinkt op deze locaties
sediment dat vanwege onderhoud of beheer aan het watersysteem gebaggerd
dient te worden.</al>
      <al>De bulk van dit sediment is niet dermate
verontreinigd dat deze een bedreiging vormt voor mens, natuur of
milieu. Op een aantal locaties daarentegen is sprake van een erfenis
uit het verleden. Hier is het sediment ten gevolge van allerhande
lokale activiteiten dermate verontreinigd geraakt dat wel sprake is van
ontoelaatbare risico’s voor mens, natuur en milieu, ook met het
oog op de chemische en ecologische doelstellingen van de Kaderrichtlijn
Water. Voor zover op dergelijke locaties baggerwerkzaamheden worden
uitgevoerd, worden deze aangemerkt als saneringshandelingen. De hierbij
vrijkomende baggerspecie met onaanvaardbare risico’s wordt
afgevoerd naar daartoe ingerichte depots zoals Slufter en IJsseloog,
dan wel verwerkt.</al>
      <al>Voor de overige
baggerspecie, de zogenaamde diffuus verontreinigde baggerspecie (i.t.t.
de hot-spot-verontreiniging) zijn er binnen de milieuhygiënische
en ecologische kaders van de Kaderrichtlijn Water wel
toepassingsmogelijkheden. Een belangrijk deel van deze baggerspecie
wordt binnen het oppervlaktewater verspreid. Het betreft hier in
hoofdzaak baggerspecie die afkomstig is uit de havens en vaarwegen in
de kustgebieden: de Noordzeekust, de Zeeuwse Delta en de Waddenzee. Dit
sediment bezinkt hier omdat vanwege de economische noodzaak tot
instandhouding van (diepe) havens en vaarwegen de morfologische
ontwikkeling van het natuurlijk systeem wordt verstoord: havens en
vaarwegen fungeren hier als bezinkbassin. Voor zover dit sediment bij
elke baggerhandeling aan het watersysteem zou worden onttrokken zou dit
funeste gevolgen hebben voor met name de ecologische en morfologische
functies van sediment. Om dit te voorkomen is door het Kabinet
verspreidingsbeleid voor baggerspecie ontwikkeld. Door baggerspecie
weer te verspreiden in het oppervlaktewater worden de nadelige gevolgen
van het ontrekken van sediment teniet gedaan. Door het stellen van
stringente kwaliteitscriteria die aansluiten bij de
achtergrondkwaliteit van het sediment, wordt voorkomen dat sediment
wordt verspreid dat risico’s geeft voor mens, natuur of milieu.
Dit wordt bevestigd door diverse studies die tot heden geen schadelijke
effecten van het verspreiden van baggerspecie in oppervlaktewater
hebben aangetoond. Hieruit komt juist naar voren dat het
niet-verspreiden van baggerspecie schadelijker is voor het watersysteem
dan het wel verspreiden van baggerspecie, gelet op de ecologische
functie van het sediment zoals de kraamkamerfunctie in
rivierdelta’s en Waddenzee. Het toetsingskader voor deze
handelingen wordt in paragraaf 4.8.2 beschreven.</al>
      <al>Daarnaast wordt in toenemende mate baggerspecie toegepast op of in
de bodem van het watersteem, met als voordeel dat in die gevallen met
systeemeigen materiaal wordt gewerkt. De meeste van deze toepassingen,
zoals bij grootschalige dempingen en verondiepingen, kenmerken zich
doordat dat grote hoeveelheden baggerspecie op een relatief beperkte
oppervlakte worden geconcentreerd. Uit tot dusver uitgevoerde studies
blijkt dat hiermee eventuele risico’s voor mens, milieu of
natuur significant kunnen worden gereduceerd. Hiermee kan derhalve een
extra bijdrage worden geleverd aan de realisering van de doelstellingen
van de Kaderrichtlijn Water. Behalve ten gevolge van de
toepassingshandeling, in casu het concentreren van de baggerspecie,
leveren de toepassingen zelf ook een functionele bijdrage aan de
verbetering van de veiligheid (bescherming tegen hoogwater), natuur,
milieu, landschap en recreatie (de ruimtelijke kwaliteit) en anderszins
de ruimtelijke (her)inrichting. Dergelijke grootschalige toepassingen
bieden dus bij uitstek de kans om het omliggende watermilieu, waaronder
de bodemkwaliteit significant te verbeteren. Daarbij is het gedrag van
verontreinigingen in een dergelijke toepassing zodanig dat eventueel in
de baggerspecie aanwezige verontreinigingen nagenoeg niet ter
beschikking komen van het milieu. Hier is op de toepassingslocaties
geen sprake van verspreidings- of blootstellingsrisico's voor mens,
natuur of milieu. De hier beschreven handelingen worden getoetst
volgens het hiervoor beschreven algemene toetsingskader of het
toetsingskader voor grootschalige toepassingen.</al>
      <tuskop letat="cur">Toetsing</tuskop>
      <al>Het hierboven in paragraaf 4.7.3 geschetste
generieke toetsingskader is ook van toepassing op waterbodems met
uitzondering van de toetsing aan de maximale waarden voor de
bodemfunctieklassen. In het waterbeheer worden functies gekoppeld aan
oppervlaktewaterlichamen en niet aan de waterbodem. Bovendien moet in
dynamische watersystemen nadrukkelijk rekening worden gehouden met
erosie- en sedimentatieprocessen die voortdurend de waterbodemkwaliteit
beïnvloeden. Hierdoor is alleen toetsing aan de actuele
bodemkwaliteit zinvol, op basis van de klassenindeling, zoals reeds
toegelicht in paragraaf 4.7.2. Grond en baggerspecie die op of in de
bodem onder oppervlaktewater wordt toegepast dient ingedeeld te zijn in
dezelfde of betere kwaliteitsklasse dan (ai) de ontvangende bodem. Net
als bij de bodemkwaliteitsklassen voor toepassing op de landbodem
worden bij ministeriële regeling regels gesteld aan de indeling
in bodemkwaliteitsklassen. De klassenindeling voor watersystemen is
reeds toegelicht in paragraaf
4.7.2.</al>
      <tuskop letat="cur">4.7.5
Bodemfunctiekaart en
bodemkwaliteitskaart</tuskop>
      <al>Ten
behoeve van het toepassen van grond en baggerspecie in het generieke
toetsingskader zal door het bevoegd gezag (college van burgemeester en
wethouders), binnen een half jaar na publicatie van dit besluit een
kaart worden vastgesteld waarop de bodemfunctieklassen wonen en
industrie zijn vastgelegd voor die gebieden waarin de toepassing van
grond en baggerspecie generiek zal worden getoetst.</al>
      <al>De kaart
dekt alleen functies op de landbodem. Voor de waterbodem (inclusief
uiterwaarden) gelden wel functies voor het watersysteem (zwemwater,
drinkwater, etc), maar niet voor de waterbodem zelf. Hier wordt alleen
de bodemkwaliteitsklasse vastgesteld op basis van de daadwerkelijke
kwaliteit van de waterbodem.</al>
      <al>Het voornemen is
een bodemkwaliteitskaart te maken, waarin de bodemkwaliteit landelijk
uniform is vastgelegd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de gegevens
die het bevoegd gezag over de bodemkwaliteit heeft verzameld. Bij een
gebiedsspecifieke toetsing van de toepassing van grond of baggerspecie
dienen deze gegevens door het bevoegd gezag op kaart te worden
vastgelegd. Bij een generieke toetsing is het bevoegd gezag hiertoe
niet verplicht. In het project BIELLS (bodeminformatie voor effectieve
landelijke en lokale sturing) is reeds het initiatief genomen voor het
voorbereiden van een digitaal systeem van gegevensuitwisseling waarmee
een landelijke bodemkwaliteitskaart kan worden
opgebouwd.</al>
      <al>In die gebieden op de kaart waar
sprake is van generieke toetsing voor zover daar grond of baggerspecie
wordt toegepast, zal de bodemkwaliteit als bodemkwaliteitsklasse worden
weergegeven.</al>
      <al>Degene die grond of baggerspecie wil toepassen in
die gebieden waar de bodemkwaliteit nog niet bekend is, is verplicht
deze bodemkwaliteit te meten en aan het bevoegd gezag te melden. De met
de gemeten kwaliteit corresponderende bodemkwaliteitsklasse zal op de
landelijke bodemkwaliteitskaart worden vastgelegd. Op deze wijze wordt
op de landelijke bodemkwaliteitskaart geleidelijk een landsdekkend
beeld opgebouwd.</al>
      <al>De bodemfunctiekaart en de
bodemkwaliteitskaart zullen op een geschikt moment tot
één digitaal kaartsysteem worden samengevoegd. Dit moment
zal afhankelijk zijn van de ontwikkeling van de landelijke
bodemkwaliteitskaart. Het verzamelen en verwerken van de
bodemkwaliteitsgegevens die over een groot aantal bestanden zijn
verspreid betekent een aanzienlijke opgave. De in het gebiedsspecifieke
toetsingskader verzamelde bodemkwaliteitsgegevens zullen te zijner tijd
eveneens in het landelijke digitale kaartsysteem worden
opgenomen.</al>
      <al>Ook voor waterbodems wordt via
onderzoek informatie verkregen van de kwaliteit in een stroomgebied. De
vastlegging in bodemkwaliteitskaarten zal in een globalere zin worden
gedaan dan bij landbodems, vanwege een grotere dynamiek in de actuele
kwaliteit van de waterbodem vanwege de erosie- en de
sedimentatieprocessen die hierbij een rol
spelen.</al>
      <tuskop letat="cur">4.8 Verspreiden
baggerspecie</tuskop>
      <tuskop letat="cur">4.8.1 Verspreiden van
baggerspecie over het aangrenzend
perceel</tuskop>
      <al>Het beleidskader
stelt de regels voor de toepassing van grond gelijk aan die voor de
toepassing van baggerspecie. Hiermee worden de nu vaak complexe eisen
sterk versimpeld en zal de baggerspecie eenvoudiger en veelvuldiger
nuttig als bodem kunnen worden toegepast. Voor de regionale
onderhoudsbaggerspecie wordt de huidige praktijk zo veel mogelijk
gecontinueerd. Enkele randvoorwaarden hieromtrent worden aangepast,
maar op een zodanige wijze dat tenminste dezelfde afzetcapaciteit in
stand blijft, maar in veel gevallen een grotere afzetcapaciteit wordt
voorzien. Deze nieuwe randvoorwaarden worden gebaseerd op de volgende
uitgangspunten:</al>
      <al>– De
feitelijke risico’s voor het gebruik van de bodem die verbonden
zijn aan de toepassing van baggerspecie als landbodem (in dit kader is
de huidige normstelling aangepast).</al>
      <al>– Verruiming voor vrijwillige acceptatie van
20-meter naar de perceelsgrens, op voorwaarde dat de kwaliteit per
saldo niet verslechtert en zelfs kan verbeteren. De 20-meter grens die
voor vaststelling van dit besluit geldig was, vervalt. Er wordt
teruggegrepen naar de oorspronkelijke begrenzing zoals gesteld in de
Waterstaatswet uit 1900.</al>
      <al>– Gezamenlijk opereren van betrokken overheden
in een gebied. Om de afzet van baggerspecie te garanderen is het
gezamenlijk optrekken van gemeenten, waterschappen en grondeigenaren
een voorwaarde.</al>
      <al>– Goed overleg
tussen betrokken overheden en
grondeigenaren.</al>
      <al>Met de beschreven
systematiek wordt een zekere verruiming van de afzetcapaciteit voor
baggerspecie gerealiseerd. Immers, de huidige praktijk voor de
regionale onderhoudsbaggerspecie wordt gecontinueerd, en door de
gelijkschakeling van de regels voor de toepassing van grond en
baggerspecie kan de baggerspecie nu ook als bodem worden gebruikt in
situaties waar dit in het vigerende verspreidingsbeleid niet mogelijk
is. Anderzijds waarborgen de in de ministeriële regeling vast te
stellen maximale waarden dat het verspreiden van baggerspecie, mede
gelet op de landbouwpraktijk op de belendende percelen
milieuhygiënisch toelaatbaar is. Overigens is verspreiding over
het aangrenzend perceel mogelijk na een tijdelijke opslag op de
percelen. Voor de opslag is geen vergunning vereist, mits wordt voldaan
aan het gestelde in paragraaf 4.3.4. Bij het vaststellen van de
maximale waarden waaraan de te verspreiden grond en baggerspecie moeten
voldoen, wordt, met het oog op de bescherming van de kwaliteit van
onder meer de bodem, het grondwater en de voedselkwaliteit, naast de
aanvoer van eventuele lichte verontreinigingen ook rekening gehouden
met de afvoer hiervan middels biologische afbraak, uitspoeling en
opname in gewassen.</al>
      <al>De bestaande acceptatieplicht voor
aangelanden (zoals geregeld in de Keur) blijft onveranderd van
toepassing.</al>
      <al>Het verspreiden van de baggerspecie over het
aangrenzende perceel is niet meldingsplichtig.</al>
      <al>Het vaststellen
van lokale waarden voor verspreiden van baggerspecie op het aangrenzend
perceel is uitgesloten. Het bevoegd gezag heeft echter wel de
mogelijkheid om via het vaststellen van lokale normen voor andere
toepassingen ruimte te bieden voor het realiseren van de
water(bodem)opgave in een gebied. De acceptatieplicht voor aangrenzende
percelen is dan niet aan de orde, waardoor de desbetreffende andere
toepassing (dan verspreiden), in principe enkel met instemming van de
eigenaar van het desbetreffende perceel kan worden toegepast. Een
verbod tot het vaststellen van lokale waarden is dan derhalve niet
noodzakelijk en wenselijk.</al>
      <tuskop letat="cur">4.8.2 Verspreiden van baggerspecie in
oppervlaktewater</tuskop>
      <al>Verspreiding
van baggerspecie in oppervlaktewater vindt voornamelijk plaats in de
Noordzee, de Zeeuwse Delta en de Waddenzee en op kleinschaliger niveau
in rivieren en meren. Voor verspreiding in ander oppervlaktewater dan
de Noordzee werden op grond van de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren vergunningen verleend. Dit besluit is mede bedoeld
om de administratieve lasten tengevolge van de vergunningverlening te
reduceren. Dit besluit biedt daarbij in de vorm van algemene regels in
milieuhygiënisch opzicht tenminste dezelfde waarborgen voor het
milieu.</al>
      <al>Voor de toepassing van grond en baggerspecie,
waaronder het verspreiden van baggerspecie, in de Nederlandse
territoriale zee is tot de wijziging van de Wet verontreiniging
zeewater (Wvz) in werking treedt (zie hiervoor paragraaf 5.3.11), op
grond van deze wet een ontheffing vereist. Na de inwerkingtreding van
de wetswijziging zijn ook op deze toepassingen de regels van dit
besluit van toepassing.</al>
      <al>Voor de toetsing van de
toelaatbaarheid van deze toepassingen van baggerspecie in een zout
milieu is een zoute-baggertoets ontworpen. Bij ministeriële
regeling is deze toets in de normstelling voor het toepassen van grond
en baggerspecie verwerkt. Bij ministeriële regeling is tevens
voorzien in een generieke kwaliteitsgrens voor het verspreiden van
baggerspecie in zoet oppervlaktewater.</al>
      <al>Het bevoegd gezag kan
bij besluit voor een aangewezen gebied andere maximale waarden
vaststellen dan de generieke kwaliteitsgrens, met als maximale grens de
interventiewaarden. Voor het verspreiden van baggerspecie in de
Nederlandse territoriale zee kan het bevoegd gezag alleen lagere
waarden vaststellen dan de waarden die in het generieke kader gelden
voor de toepassing van baggerspecie in een zout milieu. Voor het
verspreiden van baggerspecie in oppervlaktewater geldt een
meldingsplicht, behalve voor hoeveelheden schone baggerspecie kleiner
dan 50 m<sup>3</sup>. De laatstgenoemde uitzondering geldt echter niet
voor verspreiding van baggerspecie in de Nederlandse territoriale
zee.</al>
      <al>Voor het verspreiden van baggerspecie kan de
waterkwaliteitsbeheerder voor het oppervlaktewater onder zijn beheer,
verspreidingsvakken aanwijzen met bijbehorende maximaal te verspreiden
hoeveelheden. Indien een dergelijke aanwijzing heeft plaatsgevonden, is
het verspreiden van baggerspecie buiten het daarbij aangewezen
verspreidingsvak en boven de maximaal aangewezen hoeveelheden,
verboden.</al>
      <tuskop letat="cur">4.9 Toetsingskader
grootschalige toepassingen</tuskop>
      <tuskop letat="cur">4.9.1
Algemeen</tuskop>
      <al>Naast de
toetsingskaders voor de algemene toepassingen is een apart
toetsingskader opgesteld voor grootschalige toepassingen van licht
verontreinigde grond en baggerspecie. De toepassing van grond of
baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee is hiervan
uitgezonderd.</al>
      <al>Bij gestelde volumes en laagdikten kan een
initiatiefnemer hiervan gebruik maken, het is geen verplichting. Voor
het toepassen van grote volumes en laagdiktes kan natuurlijk ook
gebruik gemaakt worden van de algemene regels uit afdeling 2, paragraaf
1 en 2 (respectievelijk gebiedsspecifiek en generiek kader).</al>
      <al>Bij grootschalige toepassingen gaat het bijvoorbeeld om de aanleg
van wegen, spoorwegen, terpen, dijken, geluidswallen, de demping van
putten en groeven in het kader van landschappelijke aanpassingen,
enzovoort. Dergelijke toepassingen vielen voorheen onder het generieke
regime van het Bouwstoffenbesluit, maar zijn binnen de toetsingskaders
voor de algemene toepassingen moeilijk realiseerbaar. Immers, dit
betreft voorwaarden die de aanleg van een dijk met licht verontreinigde
grond op een schone bodem onmogelijk maken, tenzij voor het hele
deelgebied minder strenge lokale maximale waarden zouden gelden. Dit
laatste is vaak echter niet wenselijk. Daarom is gekozen om voor deze
gevallen een apart toetsingskader op te stellen, die voldoende
bescherming voor het milieu
biedt.</al>
      <tuskop letat="cur">4.9.2
Criteria</tuskop>
      <al>Voor grootschalige
bodemtoepassingen mag op landbodems gebruik worden gemaakt van grond en
baggerspecie tot en met bodemkwaliteitsklasse industrie en is bij
toepassing in oppervlaktewater begrensd tot de interventiewaarden.
Toetsing aan de kwaliteit en functie van de onderliggende bodem vindt
niet plaats. De toepassing is gekoppeld aan een aantal
criteria:</al>
      <al>– de toepassing is herkenbaar en beheersbaar.
Dit heeft zich vertaald in criteria voor voldoende schaalgrootte.
Daarom komen alleen toepassingen van tenminste 5000 m<sup>3</sup> en
met een toepassingshoogte van tenminste twee meter in aanmerking. Voor
wegen en spoorwegen, zijnde herkenbare objecten, waarop een laag
bouwstoffen is toegepast , geldt een minimale toepassingshoogte van 0,5
meter. Bij de aanleg van grootschalige toepassingen en beoordeling door
het bevoegd gezag dient pragmatisch met deze hoogten te worden
omgegaan, mede gezien het feit dat toepassingen van grond en
baggerspecie door de consistentie van het materiaal geen verticale
taluds kunnen hebben. Taluds die onderdeel vormen van deze toepassingen
en daardoor lagere toepassingshoogten kennen, mogen met dezelfde
kwaliteit worden toegepast als de kern van het lichaam waar de grootste
hoeveelheid grond in dient te worden toegepast, mits op de taluds
eveneens een leeflaag wordt aangebracht;</al>
      <al>– er gelden emissie-eisen voor de grond of
baggerspecie in de grootschalige bodemtoepassing, om te voorkomen dat
ontoelaatbare uitloging naar de bodem en het grondwater plaatsvindt. In
de Regeling bodemkwaliteit zijn deze eisen nader ingevuld. In een goot
aantal gevallen, zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit is
emissie-onderzoek echter niet noodzakelijk. In deze gevallen is na
onderzoek al reeds voldoende vastgesteld dat aan de emissie-eisen wordt
voldaan;</al>
      <al>– de functie die op en
rond de grootschalige bodemtoepassing wordt uitgeoefend mag niet lijden
onder deze toepassing. Dat betekent dat op de toepassing een leeflaag
moet worden aangebracht van tenminste 0,5 meter dik, van de in het
gebied vereiste bodem- en functiekwaliteit. De leeflaag fungeert als
gebruikslaag en zal vanwege de verplichting tot instandhouden van de
grootschalige toepassing in alle gevallen zijn aangebracht met
erosiebestendig materiaal, om het beheer minimaal vorm te geven. De
leeflaag moet geschikt zijn voor de functie en passen bij de
daadwerkelijke kwaliteit van de omliggende bodem. Voor de leeflaag
gelden dezelfde toetsingsregels als gehanteerd in het generieke of
indien van toepassing gebiedsspecifieke kader. De leeflaag mag op
plaatsen ook vervangen zijn door een laag bouwstoffen (zoals klinkers
of asfalt), wanneer er bijvoorbeeld een weg op de grootschalige
bodemtoepassing is aangebracht. Voor deze bouwstoffen gelden dan de
voorwaarden uit hoofdstuk 3 van dit besluit;</al>
      <al>– de toepassing dient in stand gehouden te
worden en dient blijvend te voldoen aan de volumecriteria die zijn
gesteld. Dit vraagt om beheer van de toepassing. Dit betekent dat er
een aanwijsbare beheerder moet zijn, die de toepassing in stand houdt
in de vorm en hoeveelheid, waarin deze is toegepast en geregistreerd
staat bij het bevoegd gezag.</al>
      <al>– Voor bermen en taluds voor Rijkswegen,
provinciale wegen en spoorwegen zijn specifieke voorwaarden opgenomen
rondom de kwaliteit van de toe te passen grond en baggerspecie, die
meer recht doen aan de milieuhygiënische situatie rondom deze
wegen. Deze uitzondering geldt niet voor gemeentelijke
wegen.</al>
      <al>Een toepassing die conform
de regels voor grootschalige toepassingen is aangebracht, mag worden
uitgebreid. Voorbeeld hiervan is een wegverbreding. Uitbreidingen die
qua volume op zich zelf niet voldoen aan de volumecriteria van een
grootschalige toepassing, kunnen onderdeel gaan uitmaken van de reeds
bestaande grootschalige toepassing, met bijbehorende criteria, mits dit
plaatsvindt met grond en baggerspecie van vergelijkbare kwaliteit,
zoals destijds gemeld en toegepast. Via een melding aan het bevoegd
gezag wordt aangegeven dat de bestaande grootschalige toepassing wordt
uitgebreid. Voor dit soort uitbreidingen hoeft dan niet te worden
teruggegrepen op de algemene regels (generiek dan wel
gebiedsspecifiek). Uitbreidingen die op zich zelf ook al voldoen aan de
criteria voor grootschalige toepassingen, mogen ook als aparte (nieuwe)
grootschalige toepassingen worden aangemerkt. Bij afgraven van grond of
baggerspecie uit de grootschalige toepassing moet worden gecontroleerd
of deze na afgraven nog voldoet aan de volume-eisen en
toepassingshoogte. Als dit niet het geval is, vervalt daarmee ook de
«status» van grootschalige toepassing en moet de
aanwezige grond of baggerspecie alsnog voldoen aan de eisen van het
algemene toetsingskader. Dit kan betekenen dat de aanwezige grond of
baggerspecie moet worden herkeurd, of zelfs verwijderd.</al>
      <al>Voor
een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel
63 en 64.</al>
      <tuskop letat="cur">4.9.3
Baggerspecie in
watersysteem</tuskop>
      <al>Naar verwachting
zal de toepassing van baggerspecie op of in de bodem van het
watersysteem steeds meer als grootschalige toepassing worden getoetst.
Het voordeel bij deze toepassing is dat met systeemeigen materiaal
wordt gewerkt. De meeste van deze toepassingen, zoals bij grootschalige
dempingen en verondiepingen, kenmerken zich doordat grote hoeveelheden
baggerspecie op een relatief beperkt oppervlakte worden geconcentreerd.
Uit tot dusver uitgevoerde studies blijkt dat hiermee eventuele
risico’s voor mens, milieu of natuur significant kunnen worden
gereduceerd. Hiermee kan een extra bijdrage worden geleverd aan de
realisering van de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water. Behalve
tengevolge van de toepassingshandeling, in casu het concentreren van de
baggerspecie, leveren de toepassingen zelf ook een functionele bijdrage
aan de verbetering van de veiligheid (bescherming tegen hoogwater),
natuur, milieu, landschap en recreatie (de ruimtelijke kwaliteit) en
anderszins de ruimtelijke (her)inrichting. Dergelijke toepassingen
bieden bij uitstek de kans om het omliggende watermilieu, waaronder de
bodemkwaliteit, significant te verbeteren. Daarbij is het gedrag van
verontreinigingen in een dergelijke toepassing zodanig dat eventueel in
de baggerspecie aanwezige verontreinigingen nagenoeg niet ter
beschikking komen van het milieu. Er is op de toepassingslocaties geen
sprake van verspreidings- of blootstellingsrisico’s voor mens,
natuur of milieu.</al>
      <tuskop letat="cur">4.10 Milieu-effecten grond en
baggerspecie</tuskop>
      <tuskop letat="cur">4.10.1
Algemeen</tuskop>
      <al>Dit hoofdstuk geeft
een kader om lichtverontreinigde grond en baggerspecie duurzaam te
kunnen beheren en gebruiken. Het beleidskader is een afweging tussen
het gebruik van grond en baggerspecie, de eenvoud en consistentie van
de regelgeving en de bescherming van bodem en oppervlaktewater.
Uitgangspunt is dat de verontreinigingen in de grond en de baggerspecie
al aanwezig zijn in het milieu en bij grondverzet en
baggerwerkzaamheden slechts worden verplaatst. Verontreinigingen worden
in principe niet verwijderd, tenzij onaanvaardbare risico’s
optreden voor het huidige of toekomstige gebruik. In dat geval geldt
het bodemsaneringsbeleid.</al>
      <al>Het beleidskader
geeft ruimte voor lokaal maatwerk waar dat nodig is. Deze ruimte wordt
alleen gegeven bij een goede milieuhygiënische onderbouwing door
de lokale overheden. Daartoe wordt een landelijk
risicobeoordelingssysteem ontwikkeld (risicotoolbox), waarmee lokale
overheden kunnen aantonen dat bij de specifieke omstandigheden in het
beheersgebied geen onaanvaardbare risico’s optreden en dat de
bodem voldoende wordt beschermd. Daarnaast kunnen er op rijksniveau
grenzen worden gesteld ten aanzien van bepaalde parameters, als blijkt
dat deze humane en ecologische risico’s met zich
meebrengen.</al>
      <al>De gevolgen van de nieuwe
regelgeving voor de toepassing van grond en baggerspecie in of op de
bodem zijn in een milieueffectentoets in beeld gebracht. De resultaten
van deze toets zijn hieronder weergegeven. In het algemeen worden op
grond van dit beleid geen negatieve gevolgen verwacht voor de bodem,
het grondwater of het
oppervlaktewater</al>
      <tuskop letat="cur">4.10.2
Bodem</tuskop>
      <al>Door de nieuwe
regelgeving zal de verontreiniging van de bodem niet toenemen. Reeds
aanwezige verontreinigingen kunnen wel worden verplaatst, omdat de
nieuwe regelgeving het toepassen van lichtverontreinigde grond en
baggerspecie mogelijk maakt. Dit was ook al mogelijk op grond van de
Vrijstellingsregeling grondverzet. Overigens biedt verschuiven van
bestaande verontreinigingen ook nieuwe kansen om gewenste verbeteringen
van de (water)bodemkwaliteit te
realiseren.</al>
      <al>Als uitgangspunt voor
het beleid geldt het behoud van bestaande bodemkwaliteit (standstill)
binnen een beheersgebied (zie paragraaf 4.6.4). Dit wordt gewaarborgd
door het systeem van bodemkwaliteitsklassen. De grenzen van deze
klassen zijn gebaseerd op humane en ecologische risico’s. De
Maximale Waarden voor de klassen Wonen en Industrie zijn gebaseerd op
voorstellen van RIVM en vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit. De
schoonste klasse, die geldt voor landbouw en natuur, is gebaseerd op de
kwaliteit die het onverdachte deel van de Nederlandse bodem nu heeft,
inclusief door de mens veroorzaakte diffuse belasting. De Maximale
Waarden voor deze klasse, de zogenaamde Achtergrondwaarden, zijn
eveneens vastgelegd in de Regeling.</al>
      <al>In paragraaf 4.7 wordt
uitgelegd hoe deze Maximale Waarden worden gehanteerd bij het toetsen
van de toepassingen. Door het kiezen van de strengste waarden wordt een
verbetering van de bodemkwaliteit bereikt. Gebiedsspecifiek mogen
decentrale overheden afwijken van deze Maximale Waarden (zie paragraaf
4.6). Dit kan leiden tot strengere of minder strenge grenzen. Minder
strenge grenzen kunnen alleen worden vastgesteld als de risico’s
inzichtelijk zijn gemaakt met behulp van het landelijke
risicobeoordelingssysteem. Daarbij dient de gebiedsbeheerder eventuele
plaatselijke kwaliteitsverslechteringen te compenseren met een
verbeterde bodemkwaliteit elders in het gebied, zodat in ieder geval
standstill wordt gewaarborgd. Lokale aanpassingen van het beleid mogen
nooit leiden tot onaanvaardbare humane en ecologische
risico’s.</al>
      <al>Het beleid maakt toepassing
van ernstig verontreinigde grond en baggerspecie boven de
interventiewaarden mogelijk, maar alleen in uitzonderingssituaties en
onder strikte voorwaarden (zie 4.6.5). Ook hier geldt dat met behulp
van het landelijke risicobeoordelingssysteem moet worden aangetoond dat
geen onaanvaardbare risicogrenzen worden overschreden en dat de
toepassing niet leidt tot belasting van grondwater en oppervlaktewater.
De werking van dit risicobeoordelingssysteem is beschreven in de
Toelichting bij de Regeling.</al>
      <al>Grootschalige
bodemtoepassingen zijn een bijzondere categorie in het generieke
beleidskader. Deze categorie maakt het mogelijk om grotere hoeveelheden
grond en baggerspecie nuttig toe te passen in bijvoorbeeld terpen,
putten, wegen en geluidswallen. De milieuhygiënische
onderbouwing hiervan past niet goed in het algemene toetsingskader voor
bodembeheer. In plaats daarvan gelden beheersmatige randvoorwaarden en
emissie-eisen. Hiermee wordt gewaarborgd dat de onderliggende bodem,
het grondwater en het oppervlaktewater niet worden belast. Ook wordt
rechtstreeks contact met de verontreinigde grond voorkómen.
Daarom is toetsing aan de functie bij deze toepassingen niet nodig. De
beschreven toetsing is vergelijkbaar met de oorspronkelijke toetsing in
het Bouwstoffenbesluit, waarbij de emissie-eisen zijn gebaseerd op
voorstellen van ECN of ongewijzigd zijn gebleven ten opzichte van het
Bouwstoffenbesluit.</al>
      <tuskop letat="cur">4.10.3
Oppervlaktewater</tuskop>
      <al>De kwaliteit
van het oppervlaktewater wordt op dezelfde wijze beschermd als die van
de bodem, namelijk door alleen grond of baggerspecie toe te passen van
gelijke of hogere kwaliteit. Daarnaast wordt een verspreidingsgrens
gehanteerd, die recht doet aan de kwaliteit van het deelstroomgebied en
die waar nodig vergelijkbaar is met het
herverontreinigingsniveau.</al>
      <al>De waterkwaliteit wordt
beïnvloed door de kwaliteit van de waterbodem via processen van
erosie, sedimentatie en diffusie. Het herschikken van grond of
baggerspecie binnen een systeem van dezelfde (of betere) kwaliteit
leidt nauwelijks tot een merkbare verandering van de waterkwaliteit. De
waterkwaliteit kan wel verslechteren bij de aanleg van grootschalige
toepassingen, met name wanneer de aanlegfase geruime tijd in beslag
neemt en de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie
slechter is dan de omgevingskwaliteit. In alle gevallen geldt de
zorgplicht, zoals toegelicht in de toelichting bij artikel 7. Verder
kunnen in de ministeriële regeling worden regels gesteld voor de
bescherming van de waterkwaliteit.</al>
      <al>Onder de
nieuwe regelgeving zullen meer baggerwerkzaamheden worden uitgevoerd.
Dit is nodig om de opgelopen baggerachterstand uit het verleden weg te
werken en wordt ook mogelijk doordat minder baggerspecie hoeft te
worden gestort. Deze extra baggerwerkzaamheden hebben een positief
milieueffect op de kwaliteit van het oppervlaktewater. Eventuele
verontreinigingen in de waterbodem worden versneld verwijderd of
geconcentreerd, waardoor ook de kwaliteit van het oppervlaktewater zal
verbeteren. Overigens worden baggerwerkzaamheden doorgaans om andere
redenen uitgevoerd, dan bescherming van het aquatisch
ecosysteem.</al>
      <tuskop letat="cur">4.10.4
Grondstoffen en
afvalstoffen</tuskop>
      <al>De nieuwe
regelgeving vereenvoudigt de toepassing van hergebruiksgrond en
baggerspecie. Hiermee kan dit hergebruik toenemen en kan het gebruik
van (niet-vernieuwbare) primaire grondstoffen worden beperkt, zoals
zand en ophoogzand. Dit geeft een positief milieueffect. Dit
milieueffect is evenwel beperkt, omdat de toename van hergebruik van
grond en baggerspecie (0,35 miljoen ton) klein is ten opzichte van de
totale hoeveelheid toegepaste primaire grondstoffen (65 miljoen
ton).</al>
      <al>De toepassing van grond en baggerspecie als alternatief
voor primaire grondstoffen wordt in de praktijk vaak beperkt door
civieltechnische en logistieke eisen waaraan moet worden voldaan. De
nieuwe regelgeving voor toepassen van grond en baggerspecie brengt
hierin geen verandering.</al>
      <al>De toename van het
hergebruik van verontreinigde grond en baggerspecie heeft een tweede
positief effect. Hierdoor hoeft namelijk minder te worden gereinigd en
gestort. De bedrijfseffectentoets laat zien dat tot 0,11 miljoen ton
verontreinigde grond minder hoeft te worden gestort, een afname van
23%. Voor zoete baggerspecie wordt verwacht dat tenminste 4% (0,05
miljoen ton droge stof) minder hoeft te worden gestort. Bovendien leidt
de afname van de hoeveelheid grond en baggerspecie die wordt gereinigd
ook tot minder residu dat moet worden gestort. De nieuwe regelgeving
heeft aldus een positief milieueffect met betrekking tot
afvalstoffen.</al>
      <tuskop letat="cur">4.10.5
Beschikbare fysieke
ruimte</tuskop>
      <al>Het beleid zelf legt
geen beslag op de beschikbare fysieke ruimte. Wel leidt de werking van
het beleid ertoe dat de kwaliteit van de bodem steeds beter zal
aansluiten bij het gebruik van de bodem, als gevolg van de koppeling
aan de bodemfunctie. Vooral het gebiedsspecifieke kader biedt de
mogelijkheid om bodem van te slechte kwaliteit voor het gewenste
bodemgebruik te verplaatsen naar een plek waar deze past bij de
functie. Denk aan het verplaatsen van historisch verontreinigde grond
uit de binnenstad met woonfunctie naar een industrieterrein aan de rand
van de stad. Zo heeft de nieuwe regeling een positief milieueffect op
duurzaam gebruik van bodem en fysieke ruimte.</al>
      <tuskop letat="cur">4.10.6 Energiegebruik, mobiliteit en
lucht</tuskop>
      <al>De toepassing van grond
en baggerspecie kost energie. Voorheen leidde de regelgeving tot
vertraging, uitstel en zelfs afstel van de uitvoering van projecten,
omdat onvoldoende afzetmogelijkheden beschikbaar waren voor vrijkomende
verontreinigde grond en baggerspecie. Het onderhavige beleid zorgt voor
vereenvoudiging en stroomlijning. De afzetmogelijkheden nemen toe,
waardoor ook het aantal uitgevoerde projecten zal toenemen. Door het
landelijk uniforme systeem van bodemkwaliteitskaarten zal het daarbij
eenvoudiger worden om afzetmogelijkheden te vinden in de nabije
omgeving (vaak zelf in het eigen beheersgebied). Hierdoor kunnen
transportafstanden afnemen en daarmee ook het
energiegebruik.</al>
      <al>Doordat zo’n 10% minder
verontreinigde grond hoeft te worden gereinigd neemt het energiegebruik
van reinigingsinstallaties en het vervoer van en naar
reinigingsinstallaties af. Ook het vervoer naar stortplaatsen, die in
de regel buiten het eigen beheersgebied liggen, neemt af. Dit besluit
heeft geen effect op het aantal verreden kilometers door
personenauto’s.</al>
      <al>Op basis van al deze overwegingen wordt
met betrekking tot energiegebruik en mobiliteit een positief
milieueffect verwacht.</al>
      <al>Ten opzichte van de
huidige situatie wordt geen verandering verwacht voor emissies naar
lucht door de nieuwe regelgeving. Verandering van emissies naar lucht
zijn verbonden met verandering in energiegebruik en mobiliteit, zoals
hierboven beschreven.</al>
      <tuskop letat="cur">4.11 Bedrijfseconomische
gevolgen voor grond en baggerspecie</tuskop>
      <tuskop letat="cur">4.11.1
Bedrijfseffectentoets</tuskop>
      <al>De
effecten voor het bedrijfsleven van het nieuwe beleid voor grond en
baggerspecie zijn getoetst in een bedrijfseffectentoets. Bij het
bepalen van de kosteneffecten is uitgegaan van het Bouwstoffenbesluit
(1999) als nulsituatie. Hieronder worden per bedrijfstak de conclusies
uit de bedrijfseffectentoets weergegeven. De marktontwikkelingen als
gevolg van het nieuwe beleidskader hebben voor de verschillende
bedrijfstakken de volgende effecten.</al>
      <al>Voor de
zandwinbedrijven heeft het nieuwe beleid geen significante invloed.
Vanwege de goede milieuhygiënische kwaliteit zal primair zand
(evenals nu het geval is) in alle gevallen voldoen aan de eisen voor
toepassing als bodem. Wel zal als gevolg van de normstelling de
keuringsfrequentie toenemen. Omdat echter een besparing wordt
gerealiseerd door de introductie van de fabrikant-eigenverklaring
zullen per saldo de keuringskosten voor de zandwinbedrijven gelijk
blijven.</al>
      <al>Voor loonwerkers en gww-aannemers
(grond-, weg- en waterbouw) worden licht positieve effecten verwacht
door toename van de mogelijkheden om grond af te zetten als bodem. De
effecten zijn echter moeilijk te kwantificeren. In de periode dat er
nog geen bodemkwaliteitskaarten zijn, zullen bodemonderzoekskosten
moeten worden gemaakt als lichtverontreinigde grond op de bodem wordt
toegepast. Dit wordt niet gezien als negatief bedrijfseffect, maar als
kosten die worden gemaakt voor het benutten van nieuwe mogelijkheden
voor de afzet van lichtverontreinigde grond.</al>
      <al>Over het melden
van schone grond was tijdens de uitvoering van de bedrijfseffectentoets
nog geen overeenstemming bereikt met het bedrijfsleven. Daarom zijn
voor de effecten van het melden van schone grond twee scenario’s
gevolgd, volledige meldingsplicht voor schone grond en volledige
vrijstelling van melden van schone grond. Voor de loonwerkers en
gww-aannemers veroorzaakt het melden van schone grond € 2
miljoen per jaar aan administratieve lasten. Bij het vrijstellen van
het melden van schone grond wordt een besparing gerealiseerd van circa
50% op de meldingskosten op grond van het Bouwstoffenbesluit
(€ 0,1 miljoen per jaar).</al>
      <al>Voor
baggeraars heeft het nieuwe beleid een positieve doorwerking. Verwacht
wordt dat jaarlijks circa 65.000 ton droge stof extra kan worden
gebaggerd, wat een omzetstijging van € 0,7 miljoen per jaar
oplevert (een omzetstijging van 0,2%). Tevens zal er zo’n 47.000
ton droge stof minder baggerspecie hoeven te worden gestort. Dit levert
de overheid een besparing op van zo’n € 3,1 miljoen per
jaar. Omdat baggerstortplaatsen in beheer zijn van de overheid, wordt
de omzetdaling niet gezien als een negatief bedrijfseffect, maar als
besparing voor de overheid. Door de stijging van de gebaggerde volumes
zullen ook de verwerkers meer baggerspecie verwerken. Het gaat om
22.500 ton droge stof. Dit levert een omzetstijging op van € 0,1
miljoen per jaar.</al>
      <al>Voor de afzet van tarragrond
worden de problemen sterk verminderd. Het percentage tarragrond dat
wordt aangemerkt als schone grond stijgt van 36% naar 85%. Door de
betere afzetmogelijkheden voor tarragrond kunnen transportkosten worden
gereduceerd. Een vermindering van het aantal kilometers met 10% komt
reeds overeen met een besparing van € 0,45 miljoen per
jaar. Door de sector worden de conclusies van de toets niet
onderschreven wegens onvoldoende gegevens over de effecten van de
nieuwe normstelling en het stoffenpakket. Aanvullend onderzoek naar de
samenstelling van tarragrond is toegezegd en wordt op korte termijn
uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek konden niet meer worden
meegenomen in deze bedrijfseffectentoets.</al>
      <al>Voor
onderzoek- en adviesbureaus en laboratoria worden verschillende
positieve en negatieve effecten voorzien. Op korte termijn wordt een
toename van de omzet verwacht op gebied van bodemonderzoek voor het
bepalen van de kwaliteit van de ontvangende bodem, en voor het
opstellen van bodemkwaliteitskaarten. Dit zal ook leiden tot een
toename van de hoeveelheid laboratoriumwerk. Als gevolg van de
ontwikkeling van gebiedsspecifiek beleid wordt bovendien voor de
onderzoek- en adviesbureaus een omzetstijging verwacht voor het
opstellen van bodembeheernota’s. Op de langere termijn kan zowel
voor de adviesbureau’s als voor de laboratoria sprake zijn van
een omzetdaling, wanneer de bodemkwaliteitskaarten eenmaal gemaakt zijn
en dus steeds vaker geen aparte keuring hoeft te worden
uitgevoerd.</al>
      <al>De omzetdaling wordt voor de laboratoria enigzins
gecompenseerd als gevolg van verandering van het stoffenpakket voor
routinematig onderzoek van grond, bagger en bodem. De pakketprijs zal
op termijn circa 20% hoger liggen dan het huidige
prijsniveau.</al>
      <al>Voor de grondreinigers wordt een
negatief bedrijfseffect verwacht, door de toenemende mogelijkheden voor
hergebruik van verontreinigde grond en baggerspecie. Hierdoor zal het
aanbod van grond en baggerspecie om te worden gereinigd naar
verwachting afnemen met circa 10%. Als gevolg van de nieuwe normering
worden aan de afzetzijde geen significante effecten
verwacht.</al>
      <al>Voor grondbanken zullen er
verschuivingen plaatsvinden in de wijze waarop deze in de markt
opereren. De dienstverlening zal zich minder richten op specialistisch
advies, keuringen en opslag, tenminste als het gebiedsspecifieke beleid
zich in de komende jaren ontwikkelt. Tegelijkertijd zal
(hergebruiks)grond een minder negatieve (positievere) waarde krijgen,
wat de negatieve tendens ten dele compenseert. Netto zal er voor
grondbanken daarom naar verwachting weinig veranderen, behalve mogelijk
voor een aantal kleinere bedrijven die een minder breed dienstenpakket
hebben.</al>
      <al>Door de digitalisering van de meldingen zullen de
meldingskosten voor de grondbanken afnemen, ook als schone grond moet
worden gemeld. De verandering van het stoffenpakket leidt echter tot
een stijging van de analysekosten. Deze kunnen op termijn worden
gecompenseerd door het gebruik van de bodemkwaliteitskaart als
bewijsmiddel.</al>
      <al>Een volledige meldingsplicht
voor schone grond zou ook gevolgen hebben voor bestratingsbedrijven en
hoveniers. Deze bedrijven passen doorgaans een groot aantal kleine
partijen schone grond toe. Het grote aantal meldingen zou leiden tot
een administratieve lastenpost van circa € 18 miljoen
per jaar. Beperking van de meldingsplicht voor schone grond tot
éénmalige melding van de toepassingslocatie voor
hoeveelheden van meer dan 50 m<sup>3</sup> brengt deze lastenpost met
99% terug.</al>
      <al>Voor stortplaatsbeheerders wordt
een negatief bedrijfseffect verwacht, omdat de hoeveelheid te storten
grond en baggerspecie afneemt van 610 kton naar zo’n 498 kton,
een afname van 18%. Tevens wordt een negatief bedrijfseffect verwacht
voor de bouwstoffen (grond en baggerspecie) die worden ingezet om een
stabiel en bereidbaar stortlichaam te bouwen.</al>
      <al>Voor het bedrijfsleven als geheel worden door het Besluit
bodemkwaliteit positieve markteffecten verwacht. Daarnaast wordt een
aanzienlijke besparing verwacht op de keuringskosten door de
introductie van de BKK en FEV als bewijsmiddel, waarmee de
prijsstijging van het stoffenpakket ruimschoots wordt gecompenseerd.
Ten behoeve van de evaluatie van het nieuwe beleid wordt monitoring
uitgevoerd, waarin onder andere de effecten van gebiedsspecifiek beleid
worden gevolgd. De monitoring zal in gezamenlijkheid met de
stakeholders worden uitgevoerd.</al>
      <al>Over de
uitvoering en de resultaten van de bedrijfseffectentoets heeft veel
overleg plaatsgevonden met het bedrijfsleven. In het overleg zijn de
meeste discussiepunten opgelost. Het is echter niet gelukt om volledige
overeenstemming te bereiken over de inschatting van de
bedrijfseffecten. Perceptieverschillen zijn blijven bestaan als gevolg
van:</al>
      <al>– niet kwantificeren van de effecten van het
gebiedsspecifieke kader,</al>
      <al>– niet
zichtbaar maken van de effecten voor de opdrachtgevende en uitvoerende
overheden,</al>
      <al>– onvolledig beeld
van de consequenties voor gerijpte baggerspecie,</al>
      <al>– onzekerheid over de kwalificatie van grond
en baggerspecie door de verandering van het
stoffenpakket,</al>
      <al>– onvoldoende
onderbouwing van het effect van de criteria voor bodemvreemd
materiaal.</al>
      <al>Geconstateerd is dat
deze effecten pas goed zichtbaar kunnen worden gemaakt bij uitvoering
van het besluit. Zolang onzekerheid over deze effecten blijft bestaan
onderschrijft het bedrijfsleven niet de positieve effecten, die het
Rijk verwacht bij de uitvoering van het besluit.</al>
      <al>De uitkomst van de bedrijfseffectentoets, dat de meldingskosten
zouden oplopen tot € 20 miljoen per jaar, was beleidsmatig niet
acceptabel. Naar aanleiding hiervan is besloten de meldingsinspanning
voor het toepassen van schone grond te minimaliseren. De resterende
meldingskosten worden geraamd op € 0,25 miljoen per jaar,
hetgeen vergelijkbaar is met de meldingskosten onder de oude
regelgeving.</al>
      <tuskop letat="cur">4.11.2
Administratieve lasten</tuskop>
      <al>Bij
administratieve lasten gaat het om de kosten rond de
informatievoorziening. De berekening van de administratieve lasten
wordt getoetst door het Adviescollege toetsing administratieve lasten
(Actal). Voor de beoordeling van administratieve lasten heeft SIRA
Consulting in 2002 een nulmeting uitgevoerd van de administratieve
lasten van het Bouwstoffenbesluit. Voor grond en baggerspecie
(inclusief de Vrijstellingsregeling grondverzet) bedroeg deze nulmeting
€ 18,3 miljoen per jaar. Bij de herijking van de
VROM-regelgeving is vervolgens gesteld, dat in de nieuwe regelgeving
voor bouwstoffen (inclusief grond en baggerspecie) de administratieve
lasten zouden moeten halveren.</al>
      <al>Onderstaande
tabel geeft de totale verandering weer van de administratieve lasten
door de invoering van het Besluit bodemkwaliteit en bijbehorende
regeling.</al>
      <table tabstyle="xml5">
        <title>Tabel Inschatting
administratieve lasten Besluit
bodemkwaliteit</title>
        <tgroup align="left" char="" charoff="50" cols="7">
          <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"></colspec>
          <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*" align="right"></colspec>
          <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="22*" align="right"></colspec>
          <colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="22*" align="right"></colspec>
          <colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="22*" align="right"></colspec>
          <colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="22*" align="right"></colspec>
          <colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="12*" align="right"></colspec>
          <thead valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bsb</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>bouwstoffen</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>grond</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>grondverzet</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>totaal</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>verschil</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>%</al>
              </entry>
            </row>
          </thead>
          <tbody valign="top">
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Nulmeting
31-12-2002</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 34.575.400</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 18.234.700</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 93.000</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 52.903.100</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Gecorrigeerde
nulmeting, met aftrek eenmalige
lasten</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 14.798.500</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 17.243.000</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 93.000</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 32.134.500</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 20.768.600</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>39%</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Besluit
bodemkwaliteit</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 8.886.400</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 11.168.400</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 0</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 20.054.800</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 12.079.700</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>38%</al>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <al>Voor het onderdeel grond en bagger
laat de tabel zien, dat de administratieve lasten afnemen van
€ 17,3 miljoen naar € 11,2 miljoen per
jaar. Dit is een daling van € 6,1 miljoen per jaar, ofwel
een besparing van 36% vergeleken met de gecorrigeerde nulmeting. De
meest substantiële besparing vloeit voort uit het toenemend
gebruik van bodemkwaliteitskaarten, waarmee aparte partijkeuringen
achterwege kunnen blijven. Verder wordt besparing gerealiseerd door de
introductie van de fabrikant-eigenverklaring. Met deze eenvoudige
verklaring kunnen enkele verplichtingen rond de certificering
vervallen.</al>
      <al>Op 3 mei 2007 heeft Actal advies
uitgebracht op het Besluit bodemkwaliteit en de bijbehorende regeling.
Alles overwegende adviseert Actal het besluit en de regeling vast te
stellen nadat rekening is gehouden met onderstaande
aspecten:</al>
      <al>– meldingsplicht schone grond;</al>
      <al>– bodemkwaliteitskaarten;</al>
      <al>– handhaving en toezicht;</al>
      <al>– decentrale uitvoering;</al>
      <al>– evaluatie.</al>
      <al>Actal adviseert de meldingsplicht voor schone grond te heroverwegen
in relatie tot de handhaving.</al>
      <al>Deze heroverweging heeft
plaatsgevonden, maar heeft op grond van verplichtingen in de Europese
afvalstoffenrichtlijn en het belang voor de kwaliteit van de handhaving
niet geleid tot afschaffen van de meldingsplicht van schone grond. Wel
heeft de heroverweging geleid tot minimalisatie van de
meldingsinspanning voor toepassen van schone grond. Voor schone grond
hoeft alleen de locatie van toepassing te worden gemeld. Ten opzichte
van de adviesaanvraag aan Actal levert dit een besparing op van
€ 2,7 miljoen per jaar.</al>
      <al>Actal maakt zich zorgen over
het vertrouwen, dat bedrijven zullen stellen in de bodemkwaliteitskaart
als bewijsmiddel voor grondverzet. Voorts zou de overgangsperiode voor
bestaande bodemkwaliteitskaarten voor onduidelijkheid zorgen. Actal
adviseert de mogelijkheden voor het gebruik van bodemkwaliteitskaarten
te benutten.</al>
      <al>«Het gebruik van bodemkwaliteitskaarten
zal zeker worden gestimuleerd. Overigens zijn wel beperkingen gesteld
aan het gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel. Dit is
noodzakelijk om risicovolle situaties te voorkomen. Verder is de keuze
aan de bedrijven zelf, of men in bepaalde situaties de voorkeur geeft
aan het uitvoeren van een partijkeuring.</al>
      <al>De overgangsperiode
voor bodemkwaliteitskaarten zal niet veel onduidelijkheid veroorzaken.
Het meeste grondverzet op basis van bodemkwaliteitkaarten zal
plaatsvinden binnen het gebied van de kaart zelf. In dat geval maakt
het dus geen verschil, of sprake is van een kaart volgens de oude of
nieuwe regelgeving. Indien een partij grond of baggerspecie afkomstig
is van buiten het gebied van de bodemkwaliteitskaart, dan
zijn er twee situaties mogelijk, namelijk de kaart is opgesteld volgens
de oude of de nieuwe regelgeving. Daarmee is direct inzichtelijk welke
informatie nodig is in de milieuhygiënische verklaring voor de
toe te passen partij grond of baggerspecie.</al>
      <al>Het vroegtijdig
ongeldig verklaren van bestaande bodemkwaliteitskaarten leidt tot
ernstige kapitaalvernietiging en daarmee onacceptabele maatschappelijke
kosten. Voorts is het Rijk voornemens enige miljoenen euro’s te
investeren in de ontwikkeling van nieuwe bodemkwaliteitskaarten.</al>
      <al>Actal meent dat de handhaving en toezicht effectief lijkt te worden
georganiseerd door de introductie van ketenhandhaving en een centraal
toezichtloket. Actal is benieuwd naar de resultaten van deze
aanpak.</al>
      <al>Het Rijk is reeds voornemens de nieuwe
regelgeving binnen drie jaar te evalueren. In deze evaluatie zullen de
resultaten van de handhavingsaanpak worden meegenomen.</al>
      <al>Actal
merkt op dat de administratieve lasten van de decentrale uitvoering van
het beleid niet in beeld zijn gebracht. Voorts wordt geadviseerd voor
lokale overheden een meer uniform kader te creëren waarbinnen
gemeenten hun lokale beleid kunnen inzetten.</al>
      <al>Het lokaal beleid
veroorzaakt geen administratieve lasten. Schone grond mag namelijk
altijd worden toegepast, ongeacht de aanwezigheid van lokaal beleid.
Informatie over lokaal beleid is alleen nodig bij het toepassen van
niet-schone grond op de bodem. Dit was onder de oude regelgeving niet
toegestaan. Het gebiedsspecifieke beleid geeft dus nieuwe mogelijkheden
voor toepassing van (licht) verontreinigde grond en baggerspecie.
Kennisname van het gebiedsspecifiek beleid wordt daarom gezien als
investering in het benutten van nieuwe toepassingen en niet beschouwd
als administratieve last.</al>
      <al>Voor het ontwikkelen van lokaal
beleid worden in de nieuwe regelgeving duidelijke richtlijnen en
randvoorwaarden gesteld, maar wordt natuurlijk ook decentrale
beleidsvrijheid gelaten. Overigens zal het lokaal beleid altijd
uitmonden in een toepassingseis per locatie, die op een
bodemkwaliteitskaart wordt weergegeven. De bodemkwaliteitskaarten
worden via het project BIELLS digitaal ontsloten, zodat de kennisname
van lokaal beleid geen tijdrovende zaak hoeft te zijn.</al>
      <al>Actal
constateert een bijzondere mate van detaillering in de nieuwe
regelgeving en gebrek aan kennis bij de lokale overheden. Actal
adviseert deze aspecten nadrukkelijk mee te nemen in de evaluatie.</al>
      <al>Aan de ontwikkeling van de monitoring ten behoeve van de evaluatie
van de nieuwe regelgeving is reeds begonnen. Hierbij wordt ondermeer
gekeken naar de wijze waarop decentrale overheden de bodem beschermen.
De evaluatie zal in gezamenlijkheid met de stakeholders worden
uitgevoerd.</al>
      <al>Sinds de adviesaanvraag aan Actal is nog een
kleine aanpassing doorgevoerd in de normstelling, waardoor de
keuringsfrequentie voor primair gewonnen zand minder sterkt toeneemt,
en dus de keuringskosten minder zullen stijgen. De administratieve
lasten zijn daarom nogmaals doorgerekend, waarin ook de beperkte
meldingsplicht voor schone grond is meegenomen. Het resultaat is
weergegeven in onderstaande tabel.</al>
      <table tabstyle="xml5">
        <title>Tabel Definitieve inschatting
administratieve lasten Besluit
bodemkwaliteit</title>
        <tgroup align="left" char="" charoff="50" cols="7">
          <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"></colspec>
          <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*" align="right"></colspec>
          <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="22*" align="right"></colspec>
          <colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="22*" align="right"></colspec>
          <colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="22*" align="right"></colspec>
          <colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="22*" align="right"></colspec>
          <colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="12*" align="right"></colspec>
          <thead valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bsb</al>
              </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top" align="right">
                <al>bouwstoffen</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>grond</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>grondverzet</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>totaal</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>verschil</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>%</al>
              </entry>
            </row>
          </thead>
          <tbody valign="top">
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Nulmeting
31-12-2002</al>
              </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top" align="right">
                <al>€ 34.575.400</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 18.234.700</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 93.000</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 52.903.100</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Gecorrigeerde
nulmeting, met aftrek eenmalige
lasten</al>
              </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top" align="right">
                <al>€ 14.798.500</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 17.243.000</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 93.000</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 32.134.500</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 20.768.600</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>39%</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Besluit
bodemkwaliteit</al>
              </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top" align="right">
                <al>€ 8.886.400</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 8.055.800</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 0</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 16.942.200</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 15.192.300</al>
              </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>47%</al>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <al>Voor het onderdeel grond en bagger
laat de tabel zien, dat de administratieve lasten afnemen met
€ 9,3 miljoen per jaar, ofwel een besparing van 54%
vergeleken met de gecorrigeerde nulmeting. Voor het besluit als geheel
wordt een besparing van 47% gerealiseerd.</al>
      <tuskop letat="cur">4.11.3 Marktwerking en andere
effecten</tuskop>
      <al>De grondmarkt is
sinds de nulsituatie in 2002 zeer sterk veranderd. Het aantal bedrijven
in de verschillende sectoren is de laatste jaren sterk veranderd en
hiermee verandert ook de administratieve lasten voor het Nederlandse
bedrijfsleven. Sommige sectoren kenden een sterke afname van het aantal
bedrijven, terwijl andere sectoren een sterke toename kenden. In
navolging van de methode voor het uitvoeren van administratieve
lasten-berekeningen zijn deze veranderingen buiten beschouwing gelaten.
In de BET wordt wel rekening gehouden met deze effecten en zal de
lastenreductie hoger zijn.</al>
      <al>Jaarlijks komt zo’n 12,8
miljoen ton grond vrij uit grond-, weg- en waterbouwprojecten, uit de
industrie en uit bodemsaneringen. De kwaliteit van deze grond varieert
van grond die voldoet aan de achtergrondwaarden tot ernstig
verontreinigde grond. Van deze grond wordt onder het bestaande beleid
ongeveer 2,1 miljoen ton gereinigd en 1,2 miljoen ton gestort. De
resterende 9,5 miljoen ton wordt toegepast, met name via grondbanken.
Omdat de lokale bodembeheerder binnen het nieuwe beleid voor grond en
baggerspecie een grotere beleidsvrijheid krijgt, is niet met zekerheid
te berekenen welke hoeveelheden grond en baggerspecie in de toekomst op
welke plekken zullen worden toegepast. In de bedrijfseffectentoets zijn
inschattingen gemaakt van marktverschuivingen als gevolg van het nieuwe
beleidskader. Naar verwachting zal bijna 0,3 miljoen ton ernstig
verontreinigde grond, die eerder werd gereinigd of gestort, binnen het
gebiedsspecifieke kader worden hergebruikt.</al>
      <al>De
bedrijfseffectentoets verwacht geen effecten op het volume van te
verspreiden zoute baggerspecie, zodat sprake is van een neutraal
milieueffect. Wel worden veranderingen verwacht in de toepassing van
zoete baggerspecie, met name een toename voor klasse 3 en 4. In 2003
kwam circa 8,8 miljoen m<sup>3</sup> zoete baggerspecie vrij, waarvan
7,6 miljoen m<sup>3</sup> klasse 0, 1 en 2 en 1,2 miljoen m<sup>3</sup>
klasse 3 en 4. De bestemmingen van de zoete baggerspecie is weergegeven
in tabel 1.</al>
      <al>Los van grootschalige
rivierverruimingswerken wordt er vanuit de bedrijfseffectentoets voor
de toepassing van klasse 0, 1 en 2 baggerspecie weinig veranderingen
ten opzichte van de huidige situatie. Op dit punt wordt daarom het
milieueffect neutraal verondersteld. Volgens de bedrijfseffectentoets
zal circa 10% van klasse 3 en 4, die nu worden gestort, op grond van
het nieuwe beleidskader toegepast kunnen worden, dus circa 0,14 miljoen
m<sup>3</sup> (= 0,1 miljoen ton droge stof). Verder wordt naar
aanleiding van de bedrijfseffectentoets een toename verwacht van de
hoeveelheid baggerspecie met 0,09 miljoen m<sup>3</sup>, waarvan 0,04
miljoen m<sup>3</sup> kan worden
toegepast.</al>
      <table tabstyle="xml2">
        <title>Tabel 1 Bestemmingen zoete
baggerspecie in 2004</title>
        <tgroup align="left" char="" charoff="50" cols="2">
          <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="56.5*"></colspec>
          <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="56*"></colspec>
          <thead valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Bestemmingen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>2004
(in situ m<sup>3</sup>)</al>
              </entry>
            </row>
          </thead>
          <tbody valign="top">
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Verspreiden</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>3.608.282</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Verwerken</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>376.949</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Direct
toepassen</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1.035.391</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Storten</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1.077.297</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Tijdelijke
opslag</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>1.749.915</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Zandmarkt</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>902.600</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Totaal</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>8.750.434</al>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <al>Als gevolg van het beleid rond
grond en baggerspecie kan de onderlinge concurrentiepositie ten
opzichte van andere bouwstoffen gaan veranderen, met name in de markt
voor ophoogmaterialen. Dit is een markt van in totaal zo’n 10
miljoen ton bouwstoffen per jaar (exclusief grond en baggerspecie). De
extra concurrentie van grond en baggerspecie op bepaalde bouwstoffen
kan leiden tot minder negatieve of zelfs positieve prijsvorming voor
bepaalde grond en baggerspecieproducten. Met name zandige grondsoorten
springen er gunstig uit.</al>
      <al>Het hanteren van een
indeling in bodemkwaliteitsklassen leidt tot enige mate van
normopvulling, namelijk tot aan de bovengrens van de klasse. Hierop
wordt een rem gezet doordat de ontvangende bodem pas op basis van twee
of drie verhoogde stofgehaltes in een volgende klasse wordt ingedeeld,
terwijl de toe te passen partij grond of baggerspecie op basis van de
stof met het «hoogste gehalte» wordt ingedeeld. De
potentiële verslechtering door opvulling tot de bovengrens van
de klasse speelt alleen op de plaats van toepassing, want het betreft
geen nieuwe verontreiniging. Op plaats van herkomst is de
verontreiniging dus verminderd. Feitelijk is sprake van een neutraal
milieueffect op de bodem.</al>
      <al>Bij toepassing van
grond of baggerspecie op of in de waterbodem (inclusief uiterwaarden en
oevers) vindt toetsing plaats op basis van de actuele bodemkwaliteit.
Hiertoe is een nieuwe beoordelingssystematiek ontwikkeld. Deze houdt
onder meer rekening met de verschillen in milieuomstandigheden tussen
de drogere (b.v. uiterwaarden) en nattere delen van het watersysteem en
hiermee de hiermee samenhangende verschillen in
milieurisico’s.</al>
      <al>In dit kader is tevens relevant dat
door het RIZA voor beheerders van natuurgebieden in de uiterwaarden
vuistregels zijn opgesteld voor het omgaan met verontreinigde grond en
bagger in relatie tot de inrichting en het beheer van deze gebieden
(Natuurontwikkeling op verontreinigde grond in het rivierengebied, RIZA
2004). De beheerders van deze gebieden bepalen in hoeverre deze
vuistregels aanvullend op de regels van dit besluit worden
toegepast.</al>
      <al>Mede hierdoor, maar ook vanwege de milieuwinst die
wordt voorzien vanuit de grootschalige bodemtoepassingen in
oppervlaktewater, wordt voor de waterbodem een positief milieueffect
verwacht.</al>
      <al>Bij grootschalige toepassingen van grond en
baggerspecie van meer dan 5000 m3 en in een laagdikte van meer dan 2
meter wordt niet getoetst aan de maximale waarden voor de functie van
de bodem en ook niet aan de kwaliteit van de ontvangende
bodem.</al>
      <al>Achterwege laten van de functie van de
bodemtoets is vanuit milieuoptiek verantwoord, omdat de referenties
voor de bodemfunctie van de bodemklassen zijn gericht op de bescherming
van mens, ecosysteem en voedselproductie. Deze beschermingsdoelen zijn
bij grootschalige toepassingen niet relevant, omdat geen blootstelling
aan mens, ecosysteem en gewas of vee optreedt.</al>
      <al>De toetsing aan
de kwaliteit van de ontvangende (water)bodem is voor de grootschalige
toepassingen vervangen door een emissie-eis, die luidt dat uit de
grootschalige toepassing nauwelijks emissies mogen optreden naar de
omliggen (water)bodem en het grondwater.</al>
      <al>De
nieuwe regelgeving kent een gebiedsspecifiek en een generiek kader.
Bovenstaande werkwijze geldt in het generieke kader, waarbij de
bovengrens voor toepassen van grond en baggerspecie is gesteld op de
Interventiewaarde, zowel voor de grootschalige toepassingen van grond
en baggerspecie als de leeflaag die bij deze toepassingen is
voorgeschreven.</al>
      <al>In het gebiedsspecifieke kader
mag ook grond en baggerspecie worden toegepast, die verontreinigingen
boven de Interventiewaarden bevat. Hiervoor moet het bevoegd gezag
eigen beleid formuleren, dat wordt vastgelegd in een besluit en een
nota bodembeheer. Dit gebiedsspecifieke kader is met name bedoeld voor
het oplossen van gebiedspecifieke knelpunten. Onder bepaalde
voorwaarden, die vooral zijn gebaseerd op locatiespecifieke
risico’s, mag de bodem gecontroleerd verslechteren, om elders in
het gebied een belangrijke verbetering te kunnen realiseren. De locale
beleidsruimte heeft alleen betrekking op gebiedseigen grond en
baggerspecie. Voor toepassing van grond en baggerspecie van buiten het
beheergebied blijven de generieke regels gelden. Aldus is sprake van
stand-still op gebiedsniveau en dus een neutraal milieueffect op de
bodem in het beheergebied.</al>
      <tuskop letat="cur">4.11.4 Bestuurlijke
lasten</tuskop>
      <al>De bestuurlijke lasten
voor grond en baggerspecie gelden met name voor gemeenten. Dit toezicht
valt samen met toezicht op de Woningwet respectievelijk de Wet
milieubeheer. Voor andere bestuursorganen vallen de kosten onder de
afhandeling van vergunningen. De kosten voor waterkwaliteitsbeheerders
komen voort uit de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De inzet van
de VROM-Inspectie valt samen met de inzet in het kader van de Europese
Richtlijn Bouwproducten.</al>
      <al>Voor de handhaving
van het Bouwstoffenbesluit werd in het verleden ieder jaar €
13,61 miljoen per jaar beschikbaar gesteld via het gemeentefonds.
Deloitte &amp; Touche Milieu had hiervoor de apparaatskosten bij
gemeenten in 1999 in kaart gebracht. De kentallen bij deze bepaling
zijn nader bijgesteld op basis van de evaluatie van het
Bouwstoffenbesluit in 2001. De bijdrage aan het gemeentefonds werd door
het Rijk gecompenseerd uit het budget voor bodemsanering. Het geld werd
vervolgens verdeeld middels een in het fonds gehanteerde verdeelsleutel
van het uitgavencluster Fysiek Milieu.</al>
      <al>In
verband met het onderhavige besluit is voor bouwstoffen en voor grond
en baggerspecie gezamenlijk een nieuwe inschatting gemaakt van de
bestuurlijke lasten bij gemeenten (zie ook paragraaf 3.6.7). De
uiteindelijke kosten worden in samenwerking met de VNG bepaald bij de
voorbereiding van de ministeriële regeling.</al>
      <al>Voor gemeenten geldt dat deze taken overlappen met name rond
invoering, overleggen en rapportage, maar ook bij het daadwerkelijke
toezicht.</al>
      <al>De bestuurlijke lasten zullen op een aantal punten
kunnen dalen. Zo wordt de afhandeling van meldingen eenvoudiger en
sneller door elektronisch te gaan melden. Ook wordt ervan uitgegaan dat
bij toezicht bij de aanleg en uitvoering steekproefsgewijs
één op de vijf werken zal worden gecontroleerd. Dit omdat
ook eerder in de keten toezicht kan worden gehouden.</al>
      <al>Met name
bij grond en baggerspecie zullen ook nieuwe kosten ontstaan. Het gaat
dan om de kosten rond het vaststellen en onderhouden van de
bodemfunctiekaart. Daarnaast kunnen gemeenten zelf kiezen om kosten te
maken rond het ontwikkelen van bodemkwaliteitskaarten en het opstellen
van lokaal beleid. Deze kosten zijn vrijwillig en zijn bij de bepaling
van de bestuurlijke lasten niet meegenomen.</al>
      <al>In totaal komen de
geschatte bestuurlijke lasten uit op zo’n € 10,7
miljoen per jaar (zie ook de tabel). Hierbij is uitgegaan van een
uurtarief van € 55. Dit is een daling van zo’n 22%
ten opzichte van de huidige vergoede kosten.</al>
      <table tabstyle="xml2">
        <tgroup align="left" char="" charoff="50" cols="2">
          <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="70*"></colspec>
          <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="42.5*"></colspec>
          <thead valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>
                  <nadruk type="vet">Taak</nadruk>
                </al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>
                  <nadruk type="vet">Apparaatskosten</nadruk>
                </al>
              </entry>
            </row>
          </thead>
          <tbody valign="top">
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Invoering
besluit</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 0,8
miljoen per jaar</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Handhaving
vaste inzet /
kosten</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 0,9
miljoen per jaar</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Handhaving
bouwwerken</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 3,0
miljoen per jaar</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Handhaving
grondwerken</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 5,1
miljoen per jaar</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>Handhaving
weg- en
waterbouwwerken</al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 0,9
miljoen per jaar</al>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>
                  <nadruk type="vet">Totaal</nadruk>
                </al>
              </entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <al>€ 10,7
miljoen per jaar</al>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <tuskop letat="cur">Hoofdstuk
5. Algemene onderdelen</tuskop>
      <tuskop letat="cur">5.1
Milieuhygiënische verklaringen</tuskop>
      <tuskop letat="cur">5.1.1
Algemeen</tuskop>
      <al>Op grond van het
onderhavige besluit kunnen in totaal vijf soorten
milieuhygiënische verklaringen van bouwstoffen, grond en
baggerspecie worden afgegeven: partijkeuringen, bodemonderzoeken,
fabrikant-eigenverklaringen, bodemkwaliteitskaarten en erkende
kwaliteitsverklaringen. De bodemonderzoeken en bodemkwaliteitskaarten
zijn milieuhygiënische verklaringen die specifiek bestaan voor
grond en baggerspecie. Met een milieuhygiënische verklaring
wordt aangegeven of een partij, dan wel de ontvangende bodem, voldoet
aan de eisen met betrekking tot de milieuhygiënische
kwaliteit.</al>
      <al>Voor het bevoegd gezag is de
milieuhygiënische verklaring een eenvoudige toets om te
controleren of aan de eisen van het onderhavige besluit wordt voldaan.
Wanneer het bevoegd gezag een vermoeden heeft dat de eisen van dit
besluit ondanks de verklaring toch niet worden nageleefd, kan het
handhavend optreden door zelf onderzoek te verrichten naar de
milieuhygiënische kwaliteit van de partij
bouwstof.</al>
      <al>Onder het regiem van het
Bouwstoffenbesluit hebben de meeste producenten (en grondbanken)
gekozen om gebruik te maken van certificering van hun product en
daarmee van de erkende kwaliteitsverklaring. Partijkeuring blijkt vaak
alleen interessant voor partijen die eenmalig of kleinschalig worden
geproduceerd of die incidenteel voor hergebruik vrijkomen.</al>
      <al>In
het onderhavige besluit zal naar verwachting voor een groot aantal
producenten ook het gebruik van een fabrikant-eigenverklaring mogelijk
worden. Verwacht wordt dat hiervan in de toekomst in toenemende mate
gebruik zal worden gemaakt.</al>
      <al>In het
Bouwstoffenbesluit werd nog gesproken over «andere
bewijsmiddelen», naast de in dat besluit genoemde formele
milieuhygiënische verklaringen. Deze «andere
bewijsmiddelen» werden echter veelvuldig onterecht gebruikt en
leidden tot onduidelijkheid. Dergelijke verklaringen worden daarom in
het kader van het onderhavige besluit niet meer geaccepteerd als middel
om de milieuhygiënische kwaliteit van een bouwstof aan te
tonen.</al>
      <tuskop letat="cur">5.1.2.
Partijkeuringen</tuskop>
      <al>Iedereen in
de keten kan de milieuhygiënische kwaliteit van een partij
vaststellen door middel van een eenmalige partijkeuring. Hierbij wordt
de partij bemonsterd en gekeurd volgens de voorschriften vastgelegd in
de ministeriële regeling bij het onderhavige besluit door een op
grond van hoofdstuk 2 van dit besluit erkende monsternemer en een dito
erkend laboratorium. Hierbij worden alle relevante parameters
onderzocht. Op basis van deze keuring wordt vervolgens veelal door een
adviesbureau een verklaring afgegeven dat de partij
voldoet.</al>
      <tuskop letat="cur">5.1.3
Fabrikant-eigenverklaringen</tuskop>
      <al>Wanneer
sprake is van een beheerst productieproces en van een product dat
voldoet aan de samenstellings- en emissie-eisen van het onderhavige
besluit, kan een producent kiezen voor een fabrikant-eigenverklaring.
Dit is een milieuhygiënische verklaring van de producent zelf
dat het product aan de eisen van het onderhavige besluit voldoet.
Voordat een producent een fabrikant-eigenverklaring mag afgeven, moet
hij aantonen dat zijn product aan de hieraan gestelde eisen voldoet.
Dit gebeurt door middel van een toelatingskeuring, die overeenkomt met
een deel van de toelatingskeuring in het kader van certificering (zie
5.1.4). Na succesvolle afronding van de toelatingskeuring is de
producent niet gebonden aan een nationale beoordelingsrichtlijn (NBRL)
en hoeft hij geen overeenkomst af te sluiten met een
certificeringsinstelling voor verdere controle. Dit betekent dat de
producent nog meer dan voorheen zelf verantwoordelijk is voor het
bewaken van de kwaliteit van zijn product. Hij kan hierop ook worden
aangesproken.</al>
      <al>Het gebruik van dit type
milieuhygiënische verklaring als afdoende verklaring voor het
bevoegd gezag, is nieuw ten opzichte van het voormalige
Bouwstoffenbesluit.</al>
      <al>Het gebruik van de
fabrikant-eigenverklaring sluit aan bij de systematiek van de Europese
Richtlijn Bouwproducten en dan specifiek ten aanzien van
conformiteitsniveau 3. Vanuit de markt was hiertoe een sterke wens
uitgesproken, mede omdat een dergelijke systematiek voor een aantal
bouwstoffen ook mogelijk zal worden voor de civieltechnische
eigenschappen op basis van het Bouwbesluit.</al>
      <al>Het was bij het
maken van het onderhavige besluit niet mogelijk om volledig over te
stappen op de systematiek van de Europese Richtlijn Bouwproducten. De
relevante technische documenten voor het bepalen van emissies (de
geharmoniseerde EN-normen) en de daarop gebaseerde keuzes omtrent de
borging, zullen de komende jaren pas worden gemaakt. Daarom is gekozen
voor een systeem dat hierop zoveel mogelijk
vooruitloopt.</al>
      <tuskop letat="cur">5.1.4 Erkende
kwaliteitsverklaringen</tuskop>
      <al>Wanneer
sprake is van een beheerst productieproces kan een producent kiezen
voor het gebruik van een erkende kwaliteitsverklaring om de
milieuhygiënische kwaliteit van zijn product aan te tonen. Dit
is een certificaat dat is afgegeven door een door de Ministers van VROM
en van V en W erkende certificeringsinstelling. Dit certificaat is
vervolgens door Onze Ministers erkend op grond van hoofdstuk 2 van dit
besluit.</al>
      <tuskop letat="cur">5.1.5
CE-markering</tuskop>
      <al>Op dit moment
zijn de geharmoniseerde Europese normen voor bouwproducten (mogelijk
inclusief grond en baggerspecie) in het kader van de Europese Richtlijn
Bouwproducten nog niet voorzien van eisen en meetmethoden voor
samenstelling en emissies naar bodem en oppervlaktewater. Tot die tijd
stelt de richtlijn dat daarvoor in Nederland de nationale regelgeving
geldt. Dat betekent dat deze bouwproducten in Nederland alleen mogen
worden aangeboden en verkocht wanneer de voorgeschreven informatie over
de kwaliteit van de bouwstof wordt verleend, die nodig is om te toetsen
aan de Nederlandse eisen op gebied van samenstelling en emissie. Deze
informatie moet zijn verkregen op de wijze en volgens de
bepalingsmethoden zoals vastgelegd in het onderhavige besluit (zie ook
5.4.1). Ook moet zijn voldaan aan soortgelijke eisen die in andere
nationale of internationale wetgeving zijn vastgelegd voor toepassing
in Nederland.</al>
      <tuskop letat="cur">5.1.6
Verklaring op grond van een
bodemkwaliteitskaart</tuskop>
      <al>Het
onderhavige besluit maakt het mogelijk om de kwaliteit van de toe te
passen grond of baggerspecie en de beoordeling van de kwaliteit van de
ontvangende bodem, te baseren op een milieuhygiënische
verklaring van het bevoegd gezag op grond van de van
bodemkwaliteitskaart. De voorwaarden verbonden aan een dergelijke
verklaring worden nader uitgewerkt bij ministeriële
regeling.</al>
      <al>Op grond van de
Vrijstellingsregeling grondverzet was het mogelijk licht verontreinigde
grond of baggerspecie als bodem toe te passen voor zover dit gebruik
plaatsvond in een gebied waarvoor het bevoegd gezag een
bodemkwaliteitskaart had opgesteld. Voor het opstellen van dergelijke
kaarten kon het bevoegd gezag gebruik maken van de interimrichtlijn
«Opstellen en toepassen van bodemkwaliteitskaarten in het kader
van de Vrijstellingsregeling grondverzet», die richtlijnen
bevatte voor het opstellen en het toepassen van bodemkwaliteitskaarten
bij grondverzet op de landbodem. De toepasser kon de vereiste kwaliteit
van de toe te passen grond of baggerspecie van de bodemkwaliteitskaart
afleiden. Deze interimrichtlijn wordt vervangen door voorschriften in
de ministeriële regeling bij het onderhavige besluit, die niet
alleen zien op bodemkwaliteitskaarten voor de landbodem, maar ook voor
de waterbodem.</al>
      <tuskop letat="cur">5.1.7 Verklaring op grond van
bodemonderzoek</tuskop>
      <al>Dit besluit
maakt het mogelijk om de kwaliteit van de toe te passen grond of
baggerspecie en de beoordeling van de kwaliteit van de ontvangende
bodem, te baseren op een milieuhygiënische verklaring van het
bevoegd gezag op grond van een bodemonderzoek. De voorwaarden verbonden
aan een dergelijke verklaring, waaronder de betreffende
onderzoeksprotocollen, worden nader uitgewerkt bij ministeriële
regeling.</al>
      <tuskop letat="cur">5.2 Handhaving en
toezicht</tuskop>
      <tuskop letat="cur">5.2.1
Inleiding</tuskop>
      <al>In het besluit is
via een uitgebreid normadressaat en de aanwijzing van bevoegde
bestuursorganen voor de onderdelen van de keten, de mogelijkheid
gecreëerd voor ketenhandhaving. In het Bouwstoffenbesluit
bestreek het normadressaat slechts een enkel onderdeel van de keten, te
weten de opdrachtgever of eigenaar van het werk. In de praktijk bleek
echter vaak dat de opdrachtgever te goeder trouw was en dat een
overtreding zich eerder in de keten had voorgedaan, bijv. bij de
productie of kwalificatie van een bouwstof. De opdrachtgever werd
handhavend aangesproken door het lokale bevoegd gezag en moest het
ongedaan maken van de overtreding zelf, via private weg organiseren.
Deze constructie leidde niet tot een daadkrachtige handhaving.</al>
      <al>Met de uitbreiding van het normadressaat in het besluit, kan nu ook
worden opgetreden tegen de verantwoordelijke actor in de keten. Een
ander groot voordeel van deze ketenhandhaving is dat een meer
samenhangende vorm van toezicht op de keten kan worden uitgeoefend door
niet alleen op de actoren maar ook op de diverse overdrachtsmomenten
toezicht uit te
oefenen.</al>
      <tuskop letat="cur">5.2.2 Verdeling
verantwoordelijkheden bevoegde
bestuursorganen</tuskop>
      <al>In het
besluit is aangegeven wie bevoegd gezag is en wie belast is met de
bestuurlijke handhaving van bepaalde onderdelen. De
bevoegdhedenverdeling is schematisch als
volgt:</al>
      <plaatje color="no" format="eps" file="stb-2007-469-1.gif"></plaatje>
      <al>Deze
beschrijving is omwille van de leesbaarheid vereenvoudigd en maakt
daarom gebruik van de begrippen opdrachtgever en aannemer. Degene die
zelf bouwstoffen, grond of baggerspecie toepast is in deze beschrijving
gelijk gesteld met de opdrachtgever.</al>
      <al>In hoofdstuk 2 van het
besluit (kwaliteit van de uitvoering) is bepaald dat specifieke
activiteiten uitsluitend mogen worden uitgevoerd door daartoe erkende
intermediairs. Deze intermediairs zijn op diverse plaatsen in de keten
actief, zodat daarmee ketenhandhaving mogelijk is gemaakt. Handhaving
kan daarbij via het erkenningenstelsel, maar ook door het gebruiken van
de reguliere bestuursrechtelijke en strafrechtelijke
handhavingsinstrumenten.</al>
      <al>In hoofdstuk 3 van
het besluit (onderdeel bouwstoffen) is de keten specifiek uitgewerkt.
Dit is gedaan door de verschillende onderdelen van de keten te
omschrijven en daarbij te bepalen dat een bouwstof moet voldoen aan de
milieuhygiënische kwaliteitseisen en dat dit op
één van de omschreven wijzen moet worden aangetoond. De
beschreven onderdelen van de keten, waarvoor die eisen dus gelden, zijn
het produceren, verhandelen, opslaan en toepassen.</al>
      <al>In hoofdstuk 4 van het besluit (onderdeel grond en bagger) is de
keten echter niet als zodanig uitgewerkt. In dit hoofdstuk is alleen
sprake van degene die de grond of bagger toepast, de aannemer of de
opdrachtgever. De actoren in de keten die daaraan voorafgaan, worden
gereguleerd via hoofdstuk 2 (kwaliteit van de uitvoering).</al>
      <al>Grondverzet, transport en verwerking is in de regel slechts
mogelijk als de kwaliteit bekend is. Het vaststellen van die kwaliteit
en het op de juiste wijze daarvan aantonen, zijn werkzaamheden die
vallen onder hoofdstuk 2. Het bevoegd gezag voor deze werkzaamheden
zijn de VROM-Inspectie (VI) en de Inspectie VenW (IVW). Het schema
hierboven geldt daarom praktisch voor zowel bouwstoffen als grond en
bagger, ondanks het verschil in omschrijvingen van de keten tussen de
hoofdstukken 3 en 4.</al>
      <al>De scheiding tussen de
rijksinspecties en het lokale bevoegd gezag is voor toepassingen op of
in de bodem anders ingevuld dan voor toepassingen in oppervlaktewater.
Dit heeft een juridische achtergrond. De behoefte was om een zo groot
mogelijk deel van de keten landelijk te kunnen beheersen. Actoren in de
keten die op meerdere plaatsen actief zijn, moeten landelijk gevolgd
kunnen worden. Daarom is de VROM-Inspectie bevoegd tot bestuurlijke
handhaving van de aannemer voor toepassingen op of in de
bodem.</al>
      <al>Het lokale bevoegde gezag, veelal de
gemeente, is met betrekking tot een specifieke locatie binnen haar
grondgebied het bevoegd gezag voor de toepassing van grond, bagger of
bouwstoffen. Dit betekent dat ten aanzien van alle activiteiten en
werkzaamheden toezicht kan worden uitgeoefend. De opdrachtgever is
daarbij de normadressaat voor eventueel handhavend optreden. Via de
opdrachtgever kan foutief handelen van de aannnemer worden
gecorrigeerd. Naast dit curatieve optreden, zoals dat ook binnen het
Bouwstoffenbesluit mogelijk was, is preventief optreden door de
VROM-Inspectie richting de aannemer mogelijk gemaakt. Op lokaal niveau
handhaaft met andere woorden het lokale bevoegde gezag de regels van
het besluit, indien nodig zet de VROM-inspectie handhavingsmiddelen in
om te voorkomen dat de aannemer elders dezelfde overtreding begaat.
Gedacht kan worden aan het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor
erkenning nodig is, of het pogen zich te ontdoen van een partij grond
zonder kwaliteitsverklaring.</al>
      <al>Voor
oppervlaktewater bleek de hiervoor beschreven bevoegdhedenverdeling
juridisch niet mogelijk. De Wvo regelt dat de waterkwaliteitsbeheerder
bevoegd gezag is en de bevoegdheid tot bestuurlijke handhaving heeft
ten opzichte van degene die de handeling verricht (het brengen van
verontreinigende stoffen in oppervlaktewater). De Inspectie V&amp;W is
daarom bevoegd gezag en heeft de bevoegdheid tot bestuurlijke
handhaving voor de keten tot de aannemer voor toepassingen in
oppervlaktewater. De waterkwaliteitsbeheerder is bevoegd gezag en heeft
de bevoegdheid tot bestuurlijke handhaving voor de aannemer en de
opdrachtgever bij toepassing van grond, bagger of bouwstoffen in
oppervlaktewater.</al>
      <al>De verdeling van
bevoegdheden tussen de bevoegde bestuursorganen heeft betrekking op de
rol als bevoegd gezag en de mogelijkheden voor bestuurlijke handhaving,
zoals geregeld in artikel 2 tot en met 4 van het besluit. Naast de rol
als bevoegd gezag en de bevoegdheid om bestuurlijk te handhaven, hebben
handhavende instanties ook bevoegdheden in de rol van toezichthouder.
Een toezichthouder heeft bevoegdheden die verder reiken dan de
reikwijdte van het bevoegd gezag of de reikwijdte van de bevoegdheden
tot bestuurlijke handhaving. Zij heeft de mogelijkheid om op meer
actoren in de keten toezicht uit te oefenen. Bij de constatering van
overtredingen of het vermoeden daarvan kan de toezichthouder het
betrokken lokale bevoegd gezag en via een centraal punt tevens de
Inspecties informeren. Afhankelijk van de aard van de overtreding kan
de toezichthouder tevens een proces verbaal (laten) opmaken dat
vervolgens via het strafrechtelijke spoor door het OM wordt
afgehandeld.</al>
      <al>Net zoals in het
Bouwstoffenbesluit het geval was, blijft het lokale bevoegd gezag de
instantie die voor de toepassing bepaalt op welke wijze het besluit
moet worden nageleefd. De bevoegdheden van een lokaal bevoegd gezag
daarbij
zijn:</al>
      <al>– het doen van een uitspraak over de uitleg
van interpretatieruimte;</al>
      <al>– het
uitoefenen van toezicht op de locatie;</al>
      <al>– het zonodig bestuurlijk handhavend optreden
richting de opdrachtgever</al>
      <al>De
scheiding in bevoegde bestuursorganen tussen aannemer en opdrachtgever
voor toepassingen op of in de bodem betekent niet dat de aannemer zich
bijv. voor vragen over de juiste uitleg van het besluit moet wenden tot
de VROM-Inspectie. De VROM-Inspectie zal ook niet structureel op
toepassingsniveau toezicht uitoefenen, maar wel gericht bijv. op basis
van signalen of een interventiestrategie. Wel zal de VROM-Inspectie
(zoals beschreven in par.5.2.5) op basis van signalen of strategie
selectief toezicht uitoefenen, veelal in samenspraak met het lokale
bevoegd gezag.</al>
      <al>Alleen bij het derde punt in de bovengenoemde
opsomming (bestuurlijk handhavend optreden) is voor het lokale bevoegd
gezag sprake van een beperking tot de opdrachtgever. Het doen van
uitspraken over de uitleg van interpretatieruimte en het uitoefenen van
toezicht op de locatie houden in dat het lokale bevoegd gezag bepalend
is voor de toepassing en dus zowel met de aannemer als de opdrachtgever
te maken heeft. Het is daarom de bedoeling dat ook een aannemer zich
voor vragen en uitsluitsel over interpretatieruimte wendt tot het
lokale bevoegd gezag. Het zal in diverse situaties de voorkeur
verdienen dat een aannemer en het lokale bevoegd gezag direct contact
hebben, zonder dat tussenkomst van de opdrachtgever nodig is,
bijvoorbeeld wanneer een aannemer via innovatieve contracten
verantwoordelijk is voor ontwerp, materiaalkeuze en uitvoering. Dit
sluit ook aan bij de gangbare praktijk.</al>
      <al>Het
lokale bevoegde gezag gaat met andere woorden primair over een
specifieke toepassing, waarbij de mening van het lokale bevoegde gezag
in principe doorslaggevend is binnen de geboden interpretatieruimte. De
VROM-Inspectie zal optreden richting aannemer op verzoek van het lokale
bevoegde gezag of als zij daar zelf aanleiding toe ziet. Dit optreden
richt zich dan op de aannemer ter voorkoming van herhaling op volgende
locaties en niet op het ongedaan maken van de
overtreding.</al>
      <tuskop letat="cur">5.2.3
Bevoegheden en verplichtingen voor het lokale bevoegd
gezag:</tuskop>
      <al>Het lokale bevoegd
gezag is het bevoegde gezag voor de toepassing van bouwstoffen, grond
en bagger. Dit houdt in dat het lokale bevoegd gezag bestuurlijk kan
handhaven
op:</al>
      <al>– de wijze van toepassing (overeenkomstig de
kwaliteitsverklaring en eventueel in overeenstemming met de
gebiedspecifieke voorwaarden);</al>
      <al>– de tijdige en correcte
melding;</al>
      <al>– de te verstrekken
kwaliteitsverklaringen.</al>
      <al>Het
lokale bevoegd gezag kan, zoals reeds eerder opgemerkt, haar
bestuursrechtelijke maatregelen alleen inzetten tegen de opdrachtgever
en in geval van oppervlaktewater tevens de aannemer. De toezichthouders
van het lokale bevoegde gezag zijn, voorzover aangewezen, wel bevoegd
tot het uitoefenen van toezicht op alle activiteiten en actoren.</al>
      <al>Om bestuurlijke handhaving mogelijk te maken van actoren die buiten
de reikwijdte van het lokale bevoegde gezag vallen, kan een overtreding
doorgegeven worden aan de VI of IVW. Daarnaast kan strafrechtelijke
handhaving worden geïnitieerd door het (laten) opmaken van een
proces verbaal.</al>
      <al>Het lokale bevoegd gezag is
zoals hierboven beschreven primair bepalend voor de juiste wijze van
toepassing en daartoe de eerst aangewezene om uitspraken te doen over
interpretatieruimte.</al>
      <al>Het lokale bevoegd gezag
mag alleen besluiten nemen op basis van gegevens die afkomstig zijn van
erkende instanties, voor zover het gaat om werkzaamheden die in dit
besluit zijn aangewezen. Het nemen van besluiten heeft betrekking op
het verlenen van saneringsbeschikkingen en het accepteren van
meldingen.</al>
      <al>Het lokale bevoegd gezag is tevens
de beheerder van de bodem in het betreffende beheersgebied. Voor
landbodems geldt als verplichting dat een besluit moet worden genomen
tot functieaanwijzing, voor zover niet wordt overgegaan tot een
gebiedsgerichte uitwerking. Voor zowel landbodems als waterbodems geldt
dat de bodembeheerder bevoegd is voor de gebiedsgerichte
uitwerking.</al>
      <al>Het lokale bevoegd gezag geeft de
geconstateerde overtredingen als signaal door aan het centrale punt dat
daartoe door de Inspecties is ingericht.</al>
      <tuskop letat="cur">5.2.4 Bevoegdheden en verplichtingen voor
de VI en de IVW:</tuskop>
      <al>De VI is het
bevoegd gezag
voor:</al>
      <al>– de hele bouwstoffenketen die voorafgaat aan
de aannemer. De bouwstofketen is omschreven als «het
vervaardigen, importeren, voor handelsdoeleinden voorhanden hebben,
vervoeren, aan een ander ter beschikking stellen en in opdracht
toepassen».</al>
      <al>– het deel
van de keten grond en bagger die voorafgaat aan de aannemer, voor zover
de activiteiten vallen onder hoofdstuk 2 van het besluit
(Kwalibo).</al>
      <al>De VI is daarnaast bevoegd tot
bestuurlijke handhaving van:</al>
      <al>– de aannemer die
bouwstoffen, grond of bagger toepast op of in de
bodem.</al>
      <al>De IVW is bevoegd gezag voor de ketens
bouwstoffen, grond en bagger die voorafgaan aan de aannemer, voor zover
de activiteiten vallen onder hoofdstuk 2 van het besluit
(kwalibo).</al>
      <al>De VI en IVW zijn bevoegd gezag
voor hoofdstuk 2 van het besluit (Kwalibo), hetgeen de volgende taken
inhoudt:</al>
      <al>– adviserende rol bij het verlenen van de
erkenningen;</al>
      <al>– uitoefenen van
toezicht op erkende intermediairs en certificerende
Instellingen;</al>
      <al>– het zonodig
bestuurlijk handhavend optreden als de vereiste erkenning
ontbreekt;</al>
      <al>– het zonodig
schorsen of intrekken van erkenningen bij geconstateerde
overtredingen.</al>
      <al>Een bijzondere
taak van de VI en IVW is het treffen van voorzieningen, samen met de
lokale bevoegde bestuursorganen, voor een doelmatig toezicht op de
naleving van het Bbk. Daaronder wordt
verstaan:</al>
      <al>– het inrichten van een centraal punt voor het
indienen van signalen dat het besluit niet wordt nageleefd en het
opvolging geven aan die signalen (zie .5.2.5);</al>
      <al>– het bevorderen van de samenwerking tussen
bevoegde bestuursorganen bij grote, gemeentegrensoverschrijdende
(infrastructurele) toepassingen van bouwstoffen, grond of
bagger.</al>
      <al>Net als bij andere wet-
en regelgeving houden de VI en de IVW interbestuurlijk toezicht op
lokale bevoegde bestuursorganen.</al>
      <tuskop letat="cur">5.2.5 Invulling
ketenhandhaving</tuskop>
      <al>De invulling
van ketenhandhaving bestaat uit twee
delen:</al>
      <al>1. ketenhandhaving op basis van
signalen</al>
      <al>2. ketenhandhaving op basis
van strategie</al>
      <tuskop letat="cur">Ad 1.
Ketenhandhaving op basis van signalen</tuskop>
      <al>Het faciliteren van signalen dat het besluit
niet wordt nageleefd, is van groot belang vanuit de gedachte dat de
juiste actor in de keten moet worden aangepakt. Daarom is een centraal
punt ingericht, dat wordt beheerd door de VI en de IVW en waar deze
signalen kunnen worden afgegeven. Signalen worden hier verzameld,
beoordeeld en afgehandeld. Afhankelijk van het soort signaal, zal het
afhandelen kunnen bestaan uit het handhavend optreden door de VI of de
IVW tegen de betreffende actor, uit het informeren van andere bevoegde
gezagen en/of het informeren van private toezichthoudende instanties
(Certificerende instelling of de Raad voor Accreditatie). De signalen
kunnen, na analyse, tevens aanleiding voor specifieke
acties.</al>
      <al>Het betrokken gezag wordt
geïnformeerd, voor zover deze niet zelf het signaal heeft
gegeven en voor zover bestuurlijke handhaving in haar bereik ligt. Het
zal dan hoofdzakelijk gaan om een signaal dat betrekking heeft op een
specifieke toepassing van grond, bagger of bouwstoffen. Het lokale
bevoegd gezag kan daarop de opdrachtgever aanspreken en bij
toepassingen in oppervlaktewater tevens de aannemer. Het bevoegd gezag
kan ook worden geïnformeerd naar aanleiding van signalen over
specifieke instanties, bouwstoffen, grond of bagger. De informatie
heeft dan meer een waarschuwend karakter en moet dan gericht worden aan
de bevoegde gezagen die hiermee te maken kunnen
krijgen.</al>
      <al>Als signalen binnenkomen over
gecertificeerde instellingen of activiteiten, kan de certificerende
instelling worden geïnformeerd. Zij heeft het certificaat
verleend en ziet via audits toe op een goede naleving van de regels die
nodig zijn voor het behalen en behouden van het certificaat (vastgelegd
in een beoordelingsrichtlijn). Een doorgegeven signaal zal bij de
certificerende instelling veelal leiden tot een extra audit of een
extra aandachtspunt tijdens een reguliere audit. Sommige werkzaamheden
vallen niet onder certificatie, maar onder accreditatie. Bij
accreditatie is de Raad voor Accreditatie de toezichthouder. Een
signaal over een geaccrediteerde instelling zal daarom worden
doorgegeven aan de Raad voor Accreditatie.</al>
      <tuskop letat="cur">Ad 2. Ketenhandhaving op basis van
strategie</tuskop>
      <al>Ketenhandhaving op
basis van strategie houdt in dat aan de hand van een analyse van de
keten (welke doelgroepen, waar zitten de risico’s) wordt bepaald
waar, wanneer en door wie toezicht wordt uitgeoefend. Hiervoor wordt
gebruik gemaakt van het stappenplan van de Handreiking ketenhandhaving
van het LOM (januari 2006). Een aantal interventiestrategieën is
beschikbaar ten tijde van de inwerkingtreding van het besluit, namelijk
voor AVI-bodemas, teerhoudend asfaltgranulaat, bodemsaneringen, bagger,
bouw- en sloopafval en asbest. Het uitbreiden van de
interventiestrategieën zal gebeuren aan de hand van
risico-analyses. De signalen die binnenkomen bij het centrale punt
kunnen onder andere worden gebruikt bij een nadere risico-analyse en
prioritering.</al>
      <al>De interventiestrategieën
bieden de kans om de ketens te beheersen via toezicht op de zwakke
actoren. De tactiek daarvoor wordt binnen de
interventiestrategieën op maat uitgewerkt. Dit kan betekenen dat
het uitoefenen van toezicht het meest effectief is bij de toepassing
van een bouwstof. Het kan ook betekenen dat juist het moment van
productie cruciaal is. In dat geval is toezicht bij de producent het
meest effectief.</al>
      <tuskop letat="cur">5.2.6 Resultaten uitvoerbaarheids- en
handhaafbaarheidstoets</tuskop>
      <al>Bij
het opstellen van dit besluit is een uitvoerbaarheids- en
handhaafbaarheidstoets uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de
handhaafbaarheid van het besluit op een aantal punten is verbeterd ten
opzichte van het Bouwstoffenbesluit.</al>
      <al>Voor
bouwstoffen geldt dat de vereenvoudiging van de regelgeving die heeft
plaatsgevonden een belangrijke verbetering is. Zo is de variabele
toepassingshoogte komen te vervallen, waardoor handhaving in de
praktijk eenvoudiger wordt. De nadruk verschuift van de uitvoering van
het werk naar de kwaliteit van het product. Alleen bij de toepassing
van IBC-bouwstoffen blijft controle van het werk een relevante factor,
omdat de aanleg van isolatiemaatregelen en het beheer van de
voorzieningen kritisch is. Daarnaast houdt de gemeente toezicht op het
voorkomen van vermenging van bouwstoffen met de bodem en op de
terugneembaarheid.</al>
      <al>Een tweede verbetering is de verbreding van
het normadressaat, waardoor het onderhavige besluit alle actoren in de
bouwstofketen aanspreekt. Onder het regiem van het Bouwstoffenbesluit
kon alleen de toepasser worden gehandhaafd, wat in de evaluatie van dit
besluit in 2001 werd gesignaleerd als een groot manco. De verschuiving
van nadruk in het onderhavige besluit van de toepassing naar het
product, maakt het des te belangrijker dat ook de actoren die direct
invloed hebben op de kwaliteit van het product direct kunnen worden
aangesproken. Dit kan ten slotte ook leiden tot een effectievere
handhaving, waarbij de mogelijkheid tot georganiseerde ketenhandhaving
in beeld komt.</al>
      <al>Voor grond en baggerspecie
geldt dat een belangrijke verbetering is gelegen in het feit dat alle
regels betreffende de toepassing van grond en baggerspecie binnen
één besluit worden opgenomen. In de oude situatie zijn
meerdere regelingen op de toepassing van grond en baggerspecie van
toepassing waardoor inconsistentie is ontstaan. Daarnaast ontstaat vaak
discussie over de vraag welke regels nu eigenlijk van toepassing zijn,
hetgeen de handhaving lastig en inefficiënt maakt. Er hoeft nu
ook niet meer worden aangetoond of er sprake is van grond of
baggerspecie.</al>
      <al>Een tweede verbetering is de
verbreding van het normadressaat, aangezien alle toepassingen moeten
worden gemeld (ook de tijdelijke). Dit geeft handhavers meer
mogelijkheden om gericht te toetsen op de kwaliteit van grond en
baggerspecie, wat weer leidt tot effectievere handhaving. Dit betekent
ook dat de VROM-Inspectie een nadrukkelijker rol krijgt bij de
handhaving van het besluit en dat daardoor een meer georganiseerde
ketenhandhaving mogelijk wordt.</al>
      <al>Een algemene
verbetering is in de centrale meldingsystematiek. Deze (digitale)
systematiek geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om op een relatief
eenvoudige wijze inzicht te krijgen in de bouwstoffen-, grond- en
baggerstromen en om op basis hiervan prioriteiten te stellen in haar
handhavingsinspanningen. De samenhang zit in het feit dat de informatie
uit meldingen én informatie uit andere controles onderling
uitwisselbaar moeten zijn, zodat op basis van deze informatie
prioriteiten kunnen worden gesteld in de keten en effectiever toezicht
mogelijk is.</al>
      <al>Het onderhavige besluit maakt,
net als voorheen het Bouwstoffenbesluit, voor de meeste bouwstoffen en
enkele stromen grond en baggerspecie gebruik van het systeem van
private certificering. Hierbij vindt altijd externe controle plaats
door een certificeringsinstelling. Een deel van de bouwstoffen die
voorheen onder certificaat (erkende kwaliteitsverklaring) werden
geleverd, zal in het onderhavige besluit worden voorzien van een
fabrikant-eigenverklaring. Hierbij vervalt de externe controle
grotendeels. Dit legt weliswaar een grotere druk op het belang van
steekproefsgewijze handhaving, maar tegelijkertijd gaat het wel om
bouwstoffen die in de toelatingskeuring bewezen hebben van een
constante goede kwaliteit te zijn.</al>
      <al>Met betrekking tot het
beheer van de bodemkwaliteitskaarten en bodembeheernota kan in zekere
zin hetzelfde worden gesteld. Via SIKB worden kwaliteitssystemen
opgezet, die een integrale beschrijving geven van de randvoorwaarden
waaronder de bodemkwaliteitskaart moet worden beheerd en op basis
waarvan kan worden gecontroleerd.</al>
      <al>Om toezicht
en handhaving in de keten optimaal en zo efficiënt mogelijk te
laten functioneren zijn goede afspraken nodig tussen de verschillende
bevoegde gezagen. Hierdoor kan een integrale handhavingsorganisatie
ontstaan, die in de gehele keten en vanuit verschillende
milieuwetgeving kan opereren. In dit besluit is daarom bepaald dat de
Ministers van VROM, VenW en LNV tezamen met het decentraal bevoegd
gezag de noodzakelijke voorzieningen treffen voor een doelmatig
toezicht op de naleving van verplichtingen tengevolge van dit besluit.
De organisatie hiervan zal plaatsvinden binnen het Landelijk Overleg
Milieuhandhaving. Om handhaving te ondersteunen zal in samenwerking met
alle bevoegde bestuursoganen een Handhaving Uitvoerings Methodiek (HUM)
worden opgesteld.</al>
      <al>Voor grote, gemeentegrensoverschrijdende
werken geldt dat optimaal toezicht uit zou moeten gaan van
één bevoegd gezag dat dient als centraal
coördinatiepunt. Dit vergroot de effectiviteit voor het bevoegd
gezag en de duidelijkheid voor de
toepassers.</al>
      <tuskop letat="cur">5.2.7
Optimalisatie toezicht en
handhaving</tuskop>
      <al>Uit de evaluatie
van het Bouwstoffenbesluit (Bsb) in 2002 is gebleken dat het niveau van
de handhaving een sterk wisselend beeld liet zien. Naast overheden die
deze taak goed hadden opgepakt, bleek dat te veel overheden de regels
uit het Bsb niet of niet op het gewenste niveau handhaven. Dit was
onder andere te verklaren door de matige handhaafbaarheid van het Bsb
en de complexiteit van dit besluit. Het spreekt vanzelf dat onvoldoende
handhaving en gebrek aan uniformiteit bij de interpretatie van het Bsb
uitermate ongewenst zijn vanuit het oogpunt van milieurisico’s,
maar ook vanuit de rechtsongelijkheid die ontstaat doordat
goedwillenden economisch worden benadeeld ten opzichte van de
overtreders.</al>
      <al>De matige handhaafbaarheid en de
complexiteit van het Bsb worden aangepakt via het onderhavige besluit
dat het Bsb vervangt. Naast een aantal vereenvoudigingen, wordt een
sterke verbetering bewerkstelligd door het uitbreiden van het
normadressaat en het verlenen van bevoegdheden aan de VROM-Inspectie en
de Inspectie Verkeer en Waterstaat waardoor ketenhandhaving een
wettelijke basis krijgt. De systematiek van certificering en erkenning
door onze ministers, die in het besluit een nog prominentere rol speelt
dan bij het Bsb, zorgt voor kwaliteitsborging waarbij de markt zelf
haar verantwoordelijkheid neemt. Een centraal meldpunt waar de
toepassingen van grond, baggerspecie en bouwstoffen elektronisch worden
gemeld, verlaagt de drempel om te melden. Het geeft ook op landelijk
niveau inzicht in de activiteiten en geeft daarmee invulling aan de
informatiebehoefte van de handhaving. Bovendien beperkt de registratie
van elektronisch gemelde kwaliteitsgegevens in een centraal systeem de
kans op frauduleuze handelingen met keuringsrapporten. Ook de
introductie van een Toezichtloket, waar signalen over overtredingen
kunnen worden ingediend en waardoor op landelijk niveau intermediairs
kunnen worden gevolgd, draagt in belangrijke mate bij aan het
vertrouwen dat met bovengenoemde maatregelen de handhaving sterk wordt
verbeterd.</al>
      <al>De verbeteringen zoals hiervoor
geschetst, geven naar verwachting ook een impuls aan de
toezichtinspanningen van alle betrokken overheden. Momenteel zijn
ontwikkelingen gaande die zijn gericht op de verbetering en borging van
de kwaliteit van de vergunninglening en het toezicht op regelgeving,
waaronder de milieuregelgeving. In het Bestuursakkoord van het kabinet
en de VNG «Samen aan de slag» hebben rijk en gemeenten
afspraken gemaakt om de bestuurskracht van gemeenten en de samenwerking
tussen gemeenten te versterken. Met behulp van een maatlat kan worden
nagegaan wat het vereiste schaalniveau is om de taken op een adequaat
niveau uit te voeren, rekening houdende met de lokale omstandigheden.
Opschaling van de uitvoering van het toezicht is een oplossing wanneer
uit de maatlat blijkt dat de omvang van de vergunningverlenende en
toezichthoudende overheidsorganisatie te klein is ten opzichte van de
hoeveelheid en complexiteit van de regelgeving alsmede de complexiteit
van de lokale milieuproblematiek.</al>
      <al>Op grond van
de evaluatie van het Bsb is gebleken dat samenwerking nodig is om
versnippering in het toezicht en de hiervoor beschikbare middelen (13,6
miljoen euro per jaar) tegen te gaan, mede gezien het
gemeentegrensoverschrijdende karakter van de bouwstoffen- en
grondstromenketens. In het bijzonder het toezicht op complexe en
omvangrijke werken vraagt een bundeling van capaciteit, deskundigheid
en kennis. Indien dit niet gebeurt, kan een situatie ontstaan waarin
het – op zichzelf voor het land toereikend geachte –
bedrag teveel wordt versnipperd om het beoogde doel van een adequaat
toezicht in het gehele land te bereiken.</al>
      <al>Ook
gelet op de ontwikkelingen die spelen op het totale vlak van de
milieuhandhaving, is samenwerking een belangrijk middel om te komen tot
een adequaat handhavingsniveau. Zoals eerder vermeld geldt dit in het
bijzonder voor het onderhavige besluit om grip te krijgen op
bouwstoffen- en grondstromenketens en intermediairs die regionaal of
landelijk te werk gaan. Door samenwerking kan tevens de capaciteit,
kennis en deskundigheid op het vereiste niveau worden gebracht. De
samenwerking kan bijvoorbeeld in de vorm van het oprichten van
intergemeentelijke of regionale teams, waarbij de betrokken overheden
gericht samenwerken aan toezicht met behoud van de eigen bevoegdheden.
Ook andere vormen van samenwerking zijn mogelijk, zoals landelijk
opererende teams voor sommige ketens. Zo nodig kan een
samenwerkingsvorm een tijdelijk karakter hebben, bijvoorbeeld om
gedurende de realisatie van een groot project de nodige samenhang in
het toezicht te bewerkstelligen. In het besluit is daar overigens in
voorzien door de bepaling in artikel 4, tweede lid. Deze bepaling houdt
in dat bij toepassingen waarbij meerdere bestuursorganen bevoegd gezag
zijn, één bevoegd gezag wordt aangewezen dat zorgt voor
een gecoördineerd toezicht. Door samenwerking kan zowel
invulling worden gegeven aan een adequaat lokaal handhavingsniveau als
aan een effectieve ketenhandhaving. Bovendien draagt samenwerking bij
aan uniformiteit in de handhaving.</al>
      <al>In artikel
4, eerste lid, van het besluit is een bepaling opgenomen die de
minister van VROM de bevoegdheid geeft om tezamen met de
gemeentebesturen de noodzakelijke voorzieningen te treffen voor een
doelmatig toezicht op de naleving van de bij of krachtens dit besluit
gestelde verplichtingen. Deze bevoegdheid zal door de minister van VROM
worden ingevuld bij de overleggen met provincies en gemeenten over de
kwaliteitsverbetering bij toezicht en vergunningverlening, waaronder de
opschaling van de uitvoering daarvan. Daartoe zal zij ingaan op de
wenselijkheid van het organiseren van de samenwerking ten behoeve van
het onderhavige besluit en de reeds geboekte voortgang hierin. Zij zal
de gemeenten uitnodigen concrete voorstellen te doen om door middel van
samenwerking te waarborgen dat er bij de uitvoering van werken telkens
de voor een adequaat toezicht benodigde capaciteit, kennis en
deskundigheid beschikbaar zullen zijn. Dit zonder dat er wijziging komt
in de bestuurlijke bevoegdheden tot handhaving. Ook in het
DUIV-overleg, waarin VROM, Unie van Waterschappen, IPO en VNG
participeren, zal dit aan de orde worden gesteld waarbij tevens
rekening wordt gehouden met de regierol van de
provincies.</al>
      <al>Daarbij is het uitgangspunt dat
binnen een half jaar na inwerkingtreding van dit besluit een voldoende
handhavingsniveau is bereikt bij de bevoegde overheden. Hoewel dat
niveau zich lastig exact laat definiëren, wordt daarmee bedoeld
dat het kabinet in lijn met het gesloten bestuursakkoord met de VNG er
vertrouwen in heeft dat de overheden de benodigde capaciteit, kennis en
deskundigheid beschikbaar hebben en met elkaar afspraken hebben gemaakt
om de handhaving adequaat uit te voeren. Ter financiering wordt de
jaarlijkse bijdrage van 13,6 miljoen euro in het gemeentefonds
gecontinueerd. Verwacht wordt dat de gemeenten met deze middelen de
mogelijkheid hebben om te komen tot een goede invulling van de
handhaving, mits door samenwerking de op grond van deze middelen
beschikbare capaciteit, kennis en deskundigheid zoveel mogelijk
gebundeld worden ingezet.</al>
      <al>Bij het vormgeven
van toezicht door middel van samenwerking wordt gestimuleerd dat
aandacht wordt gegeven aan de mogelijkheden om bij het toezicht een
bepaalde mate van landelijke uniformiteit en een goede wisselwerking
met de activiteiten van de VROM-Inspectie op het vlak van ketentoezicht
en het erkenningstelsel te waarborgen. Een digitaal systeem van
informatieuitwisseling kan hierbij behulpzaam zijn.</al>
      <tuskop letat="cur">5.2.8 Heterogeniteit van
bouwstoffen</tuskop>
      <al>Uit een oogpunt
van versterking van de bewijsvoering in strafrechtelijke zaken is het
belangrijk dat de spreiding in samenstelling van partijen bouwstoffen
(heterogeniteit) een controleerbare factor is. In de
ministeriële regeling is reeds eenduidig vastgelegd hoe vanuit
oogpunt van handhaving moet worden gehandeld bij spreiding in
samenstelling. Het in aanvulling hierop opnemen van eisen die
beperkingen opleggen aan de spreiding van de samenstelling kan
voordelen hebben uit oogpunt van handhaving, maar ook leiden tot
administratieve lasten en beperkingen opleggen aan het hergebruik van
bouwstoffen. Pas na een degelijke afweging tussen voor- en nadelen is
besluitvorming over eventuele nadere eisen mogelijk. Bij deze afweging
zijn vele partijen betrokken. Het resultaat van deze afweging kan in de
ministeriële regeling worden verankerd. Verwacht wordt dat deze
verankering, indien noodzakelijk, niet eerder dan medio 2008 kan worden
geëffectueerd.</al>
      <tuskop letat="cur">5.3 Verhouding tot nationale
regelgeving</tuskop>
      <tuskop letat="cur">5.3.1 Wet
bodembescherming, Wet verontreiniging oppervlaktewateren en Wet
milieugevaarlijke stoffen</tuskop>
      <al>Met
dit besluit wordt ten aanzien van het toepassen van bouwstoffen, grond
en baggerspecie beoogd in het hele land een algemeen beschermingsniveau
voor bodem, grond- en oppervlaktewater vast te stellen. Dit besluit is
hiertoe mede gebaseerd op de Wet bodembescherming (Wbb), de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) en de Wet milieugevaarlijke
stoffen (Wms). Door dit besluit op zowel de Wbb als de Wvo te baseren,
blijft de toepassing van bouwstoffen, grond en baggerspecie op of in de
bodem en in het oppervlaktewater in één besluit
gebundeld. Hierbij is gekozen voor rechtstreeks werkende regels
krachtens de Wbb en krachtens artikel 2a, eerste lid, van de
Wvo.</al>
      <tuskop letat="cur">Wet verontreiniging
oppervlaktewateren</tuskop>
      <al>Voor de
verhouding van dit besluit tot de Wvo wordt verwezen naar de
toelichting bij artikel 5, tweede lid.</al>
      <tuskop letat="cur">Wet mileugevaarlijke
stoffen</tuskop>
      <al>Artikel 24 van de Wms
geeft ruimte tot verbreding van het normadressaat bij de toepassing van
bouwstoffen in werken. Dit betekent dat naast de toepasser van de
bouwstof ook de andere actoren in de bouwstofketen verantwoordelijkheid
dragen voor hun aandeel in de kwaliteit van de bouwstof en de
bescherming van bodem, grond- en oppervlaktewater en hierop kunnen
worden aangesproken. Bij de toepassing van bouwstoffen is dit
belangrijk omdat de toetsing van de geproduceerde bouwstof met name aan
het begin van de keten plaatsvindt. Bij de toepassing van grond en
baggerspecie vindt de toetsing met name bij de toepassing aan het eind
van de keten plaats.</al>
      <al>Het gebruik van dit artikel betekent niet
dat bouwstoffen als gevaarlijke chemische stoffen moeten worden
aangemerkt of met de overige artikelen van de Wms te maken
hebben.</al>
      <tuskop letat="cur">5.3.2
Bodemsanering</tuskop>
      <al>Dit besluit
stelt regels over de vaststelling van de kwaliteit van de bodem in
relatie tot het toepassen van grond en baggerspecie. Bij het saneren
van de bodem wordt vastgesteld wat de kwaliteit is van de bodem na de
sanering. Onder omstandigheden laat dit besluit toe dat ernstig
verontreinigde grond en baggerspecie wordt toegepast als bodem binnen
een bepaald gebied. Dit vergt afstemming tussen de regels en de
bevoegdheden voor het toepassen van grond en baggerspecie op grond van
dit besluit en de regels voor bodemsanering in de Wet bodembescherming.
Besluitvorming op grond van deze regels moet worden afgestemd. Hierbij
gaat het met name om het toepassen van ernstig verontreinigde grond en
baggerspecie en om de doelstellingen bij sanering en
grondverzet.</al>
      <al>Vanuit het oogpunt van
bodemsanering is het streven steeds gericht geweest op het schoonmaken
en schoonhouden van de bodem die ernstig is verontreinigd. Sinds de
jaren ’90 is hier een dimensie aan toegevoegd, voortvloeiend uit
het gegeven dat bepaalde ernstig verontreinigde gebieden in ons land te
kampen hebben met grootschalige diffuse verontreinigen die niet direct
aan een puntlozing te relateren zijn. Het opruimen van deze
verontreinigingen is te kostbaar en vanuit een perspectief van
risico’s vaak niet noodzakelijk. Dit heeft een beleidswijziging
tot gevolg gehad. Bij ernstig verontreinigde bodems waar geen sprake is
van risico en geen ontwikkelingen plaatsvinden is beheer
voldoende.</al>
      <al>Voorbeelden van gebieden in Nederland die diffuus
zijn verontreinigd met stoffen waarvan de concentraties de
interventiewaarden overschrijden, zijn de Kempen, het stroomgebied van
de Maas, toemaakdekken in de provincie Utrecht/Zuid Holland en
historische binnensteden. In formele zin spreken we hier dan ook over
gevallen van ernstige verontreiniging. Het onderhavige besluit richt
zich ook op deze verontreiniging voor zover grondverzet in deze
gebieden noodzakelijk is. Het bevoegd gezag (gemeente) mag bij het
toepassen van de grond en baggerspecie binnen deze gebieden maximale
waarden boven de interventiewaarden vaststellen. In dit besluit zijn
hier strenge voorwaarden aan verbonden.</al>
      <al>De
regelgeving in het onderhavige besluit is nadrukkelijk niet bedoeld
voor het toepassen van ernstig verontreinigde grond uit
saneringsgevallen met een direct aanwijsbare bron. Uiteraard kan een
gebied dat diffuus ernstig is verontreinigd niet dienen als een
stortplaats voor grond afkomstig uit saneringen. Grond die uit een
sanering wordt ontgraven moet worden gereinigd of gestort op een
reguliere stortplaats.</al>
      <al>Alleen niet ernstig verontreinigde
grond die vrijkomt bij een sanering van een verontreinigd
bodemcompartiment in het desbetreffende gebied en een kwaliteit heeft
die gelijk aan of beter is dan de kwaliteit van de ontvangende bodem
kan worden toegepast binnen dat gebied.</al>
      <al>In het
onderhavige besluit zijn de voorwaarden geregeld waaronder toepassen
van ernstig verontreinigde grond en baggerspecie is toegestaan.
Beoordeling vindt plaats per stof. De toepassing van ernstig
verontreinigde grond en baggerspecie is alleen toegestaan op bodems
waar sprake is van diffuus verhoogde achtergrondgehaltes (boven de
interventiewaarden) van dezelfde stof(fen) als de toe te passen grond
en baggerspecie. Het bevoegd gezag (de gemeente) mag geen maximale
waarden vaststellen voor stoffen die kunnen leiden tot onaanvaardbare
humane en ecologische risico’s. Voor het bepalen van deze
risico’s wordt voorgeschreven uit te gaan van de
beoordelingssystematiek volgens het saneringscriterium in artikel 37
Wet bodembescherming.</al>
      <al>Wanneer de bodem wordt
gesaneerd wordt in het saneringsplan, dat instemming behoeft van het
bevoegd gezag bodemsanering, de doelstellingen geformuleerd voor de
bodemkwaliteit na afronding van de sanering. In het geval dat het
bevoegd gezag (vaak de gemeente) invulling geeft aan de
gebiedsspecifieke toetsing en lokale maximale waarden vaststelt, is het
gewenst dat deze ook gaan gelden als terugsaneerwaarden. Dit betekent
dat er goede bestuurlijke afstemming moet plaatsvinden tussen het
bevoegd gezag onderhavige besluit (vaak de gemeente) en de provincie,
als de gemeente niet zelf bevoegd gezag bodemsanering is. De provincie
zal in haar eigen beleid moeten aangeven dat bij saneringen aangesloten
wordt bij de door de gemeente vastgestelde lokale maximale waarden. In
een incidenteel geval blijft de provincie echter krachtens de Wbb
bevoegd om op basis van de specifieke omstandigheden een andere
beschikking te nemen op een individueel geval van bodemsanering.
Vanzelfsprekend doet zij dit niet dan na overleg met de betrokken
gemeente.</al>
      <al>Verwacht wordt dat in gebieden met
saneringslocaties de bevoegde decentrale overheid haar
verantwoordelijkheid neemt en lokale maximale waarden vastlegt. In het
geval dat dit niet zo is, zullen de terugsaneerwaarden op het niveau
van de maximale waarden liggen die bij de generieke toetsing van de
toepassing van grond en baggerspecie worden
gehanteerd.</al>
      <al>Op deze wijze kan ervoor worden
gezorgd dat dezelfde waarden worden gehanteerd voor enerzijds het
toepassen van grond en baggerspecie en anderzijds de doelstelling van
bodemsanering en derhalve een goede afstemming wordt
gerealiseerd.</al>
      <al>In dit besluit is opgenomen, dat
de bodembeheerder voor het stellen van lokale maximale waarden advies
vraagt aan belanghebbende bestuursorganen, waartoe uiteraard ook het
bevoegd gezag bodemsanering wordt gerekend. Het bevoegd gezag
onderhavige besluit moet aangeven wat er is gedaan met de verstrekte
adviezen. In dat kader kan het bevoegd gezag aangeven dat er
zorggedragen is voor afstemming tussen gemeentelijk en provinciaal
beleid zodat beide overheden bij de besluitvorming uitgaan van dezelfde
kwaliteitseisen.</al>
      <tuskop letat="cur">5.3.3
Afvalstoffenregelgeving</tuskop>
      <al>Dit
besluit geeft aan wanneer bouwstoffen, grond of baggerspecie geschikt
zijn om als zodanig te worden toegepast op of in de bodem of in
oppervlaktewater. Het is voor de uitvoering van dit besluit niet
relevant of de bouwstoffen, grond of baggerspecie tevens afvalstoffen
zijn.</al>
      <al>Voor de toepassing van bouwstoffen in
werken zijn er een viertal raakvlakken met de
afvalstoffenregelgeving.</al>
      <al>Ten eerste kunnen werken strikt
genomen ook een inrichting zijn in de zin van de Wet milieubeheer.
Gelet op het feit dit besluit is gebaseerd op artikel 8.40 van de Wm is
een milieuvergunning voor zodanige inrichtingen niet nodig. Daarom is
de toepassing van bouwstoffen conform dit besluit uitgezonderd van de
werkingssfeer van categorie 28 van het Inrichtingen- en
vergunningenbesluit milieubeheer. Dit was ook in het Bouwstoffenbesluit
geregeld.</al>
      <al>Ten tweede zou de toepassing van bouwstoffen die
tevens afvalstoffen zijn op gespannen voet kunnen staan met het verbod
om afvalstoffen buiten inrichtingen «anderszins op of in de
bodem te brengen» (artikel 10.2 Wm). Omdat werken als bedoeld in
dit besluit vaak juist wel buiten inrichtingen zullen worden aangelegd
en tegen de toepassing van bouwstoffen in deze werken – mits aan
de eisen van dit besluit wordt voldaan – geen bezwaar bestaat,
is dit besluit uitgezonderd van de werkingssfeer van bedoeld verbod.
Dit was ook in het Bouwstoffenbesluit geregeld.</al>
      <al>Ten derde
mogen bouwstoffen in principe niet bestaan uit stoffen die vermeld
staan op de lijst als bedoeld in artikel 1 van het Besluit
stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen. Voor onder meer bouw- en
sloopafval, dat ook op deze lijst voorkomt, is hierop een uitzondering
gemaakt, onder de voorwaarde dat het materiaal is bewerkt tot een
nieuwe bouwstof, waarvoor een milieuhygiënische verklaring is
afgegeven.</al>
      <al>Belangrijk is dat de uitzonderingen op de
afvalstoffenregelgeving voor afvalstoffen die als bouwstof in een werk
worden toegepast alleen gelden, indien deze worden toegepast in werken
met een functioneel karakter (verwezen zij hiervoor naar paragraaf
3.2.3. van deze toelichting). Heeft een werk geen functioneel karakter,
dan herleven voor toegepaste afvalstoffen op dat moment de
afvalstoffenregels. Voor werken die tevens kunnen worden beschouwd als
een inrichting betekent dit dat alsnog dient te worden voldaan aan de
vergunningplicht van de Wm. Voor het toepassen van bouwstoffen buiten
een inrichting geldt in dat geval dat toepassing verboden is op grond
van artikel 10.2 Wm, behoudens ontheffing. Deze moet worden aangevraagd
bij gedeputeerde staten op grond van artikel 10.63 van de Wm.</al>
      <al>Ten vierde dient de voorgenomen toepassing van IBC-bouwstoffen op
grond van dit besluit vanuit milieuhygiënisch perspectief te
worden gemeld. Indien het bij deze toepassing zou gaan om afvalstoffen,
is er geen sprake van overlap met reeds bestaande
meldingsverplichtingen voor de afgifte van afvalstoffen. Deze
verplichtingen, die zijn opgenomen in het Besluit melden
bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen, hebben immers
betrekking op het deel van de afvalketen dat aan de toepassing van
afvalstoffen als bouwstof voorafgaat.</al>
      <al>Voor de
toepassing van grond en baggerspecie gelden vergelijkbare raakvlakken
met de afvalstoffenregelgeving. In de paragrafen 5.4.8 en 5.4.9 wordt
uitgebreid beschreven op welke wijze met dit besluit wordt voldaan aan
de vereisten van de Kaderrichtlijn
afvalstoffen.</al>
      <tuskop letat="cur">5.3.4
Natuurbeschermingsrecht</tuskop>
      <al>Richtlijn
nr. 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de
vogelstand (hierna: Vogelrichtlijn) heeft tot doel de bescherming en
het beheer van alle vogels die op het communautair grondgebied in het
wild leven en hun habitats. De Richtlijn ziet enerzijds op de
bescherming van leefgebieden van een aantal specifieke soorten en
anderzijds op een algemene bescherming van alle natuurlijk in het wild
levende vogelsoorten. Richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van 21 mei
1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats van flora en
fauna (hierna: Habitatrichtlijn) voorziet in de bescherming van
natuurlijke habitats en habitats van een aantal specifieke soorten en
in de bescherming van dieren- en plantensoorten van communautair
belang.</al>
      <al>In beide richtlijnen kan een onderscheid worden
gemaakt in een gebiedsbeschermingsdeel en een soortenbeschermingsdeel.
Het gebiedsbeschermingsdeel is in Nederland geïmplementeerd in
de Natuurbeschermingswet 1998, op grond waarvan beschermde
natuurgebieden ter uitvoering van de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn of
worden aangewezen.</al>
      <al>Nederland past een vergunningenstelsel toe
op handelingen die schadelijk kunnen zijn voor de natuurwaarden
waarvoor deze gebieden zijn aangewezen.</al>
      <al>Hiermee wordt voor
projecten die mogelijk schadelijk kunnen zijn voor deze gebieden een
zorgvuldige afweging gewaarborgd.</al>
      <al>Het soortenbeschermingsdeel
is geïmplementeerd in de Flora- en Faunawet.</al>
      <al>Onder de
Flora- en Faunawet is het eveneens verboden om handelingen die schade
toe kunnen brengen aan de beschermde soorten, tenzij hiervoor een
vrijstelling of ontheffing is verleend.</al>
      <al>Dit
besluit laat de op kwetsbare of beschermde gebieden toepasselijke
regimes onverlet. Het betreft hier in ieder geval de gebieden die in
artikel 10 van de Natuurbeschermingswet 1998 zijn aangewezen als
beschermd natuurmonument en de gebieden die in artikel 10a van
diezelfde wet zijn aangewezen ter uitvoering van de Vogel- en
Habitatrichtlijn. Op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 is het
verboden om zonder vergunning van Gedeputeerde Staten, of van de
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit handelingen te
verrichten die schadelijk kunnen zijn voor dergelijke gebieden. Indien
het bevoegd gezag heeft besloten dat de toepassing van grond en
baggerspecie in een beschermd natuurmonument of een Vogel- of
Habitatrichtlijngebied uit milieuhygiënisch oogpunt is
toegestaan, dient de degene die baggerspecie toepast hiermee rekening
te houden.</al>
      <al>Onder beschermde gebieden worden
ook de gebieden begrepen van de Ecologische Hoofdstructuur. In de Nota
Ruimte, waarin het ruimtelijk rijksbeleid op hoofdlijnen is neergelegd,
is vastgelegd dat provincies en gemeenten voor de beschermde gebieden
in hun ruimtelijk en waterhuishoudingsbeleid moeten neerleggen waar en
hoe negatieve ontwikkelingen voor de aanwezige natuurwaarden en de
natuurontwikkeling op het gebied van water-, lucht- en bodemkwaliteit
kunnen worden verminderd en voorkomen. Voor de gebieden van de
Ecologische Hoofdstructuur geldt tevens een «nee,
tenzij»-regime. Dit houdt in dat rond deze gebieden nieuwe
plannen, projecten of handelingen die de wezenlijke kenmerken of
waarden van een gebied wezenlijk kunnen aantasten niet zijn toegestaan,
tenzij er geen reële alternatieven zijn én er redenen
zijn van groot openbaar belang om de plannen, projecten en handelingen
wel toe te staan. In geval er toch handelingen worden verricht die
schadelijk zijn voor het gebied, dient schade zoveel mogelijk te worden
beperkt door mitigerende maatregelen en dient eventuele resterende
schade te worden gecompenseerd.</al>
      <al>Ook bij
particulier of agrarisch natuurbeheer gelden specifieke eisen waaraan
een beheerder moet voldoen om bijvoorbeeld voor een subsidie in
aanmerking te komen. Door bijvoorbeeld het toepassen van grond of
baggerspecie in een bepaald gebied toe te laten, voldoet de beheerder
mogelijk niet meer aan de eisen voor het desbetreffende beheer en kan
bijvoorbeeld de verleende subsidie worden
ingetrokken.</al>
      <al>Ten slotte zij opgemerkt dat de
Flora- en Faunawet bescherming biedt aan in het wilde levende
plantensoorten op hun groeiplaats en aan dieren in hun natuurlijke
leefomgeving. De voor planten- en diersoorten schadelijke handelingen
zijn verboden, tenzij een vrijstelling, vergunning of ontheffing is
verleend.</al>
      <tuskop letat="cur">5.3.5
Meststoffenwet</tuskop>
      <al>Krachtens
artikel 4 van de Meststoffenwet zijn in hoofdstuk III van het
Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet onder meer de landbouwkundige en
milieukundige eisen gesteld waaraan meststoffen moeten voldoen, om als
meststof verhandeld en gebruikt te mogen worden. Op het gebruik van
meststoffen op of in de bodem is naast de gebruiksvoorschriften van het
Besluit gebruik meststoffen, het stelsel van gebruiksnormen van de
Meststoffenwet van toepassing. In artikel 36, onderdeel b, zijn de
regimes van de Meststoffenwet en het onderhavige besluit op elkaar
afgestemd. Als gevolg hiervan is het onderhavige besluit niet van
toepassing op het gebruik van meststoffen die aan de in hoofdstuk III
van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet gestelde eisen voldoen.
Hiermee is beoogd te voorkomen dat deze meststoffen onder de noemer van
grond of baggerspecie worden toegepast en aldus aan het stelsel van
gebruiksnormen worden onttrokken. Grond of baggerspecie die bij
toepassing weliswaar een zekere bemesting van de bodem tot gevolg kan
hebben, maar die niet voldoet aan de landbouwkundige en milieukundige
eisen van hoofdstuk III van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet dient
daarentegen wel te worden toegepast met inachtneming van de eisen die
in het onderhavige besluit en in de ministeriële regeling worden
gesteld. Dit zal met name de van compost afgeleide producten betreffen,
met een lager organisch stofgehalte dan 10 procent, zoals de zogenoemde
«zwarte grond». Overigens is ook in hoofdstuk III van het
Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in een afbakening met het onderhavige
besluit voorzien. Indien meststoffen met bodembestanddelen worden
geproduceerd, moet ten aanzien van deze bodembestanddelen worden
voldaan aan de bij of krachtens onderhavig besluit gestelde regels.
Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat «licht verontreinigde
grond» in compost wordt weggemengd.</al>
      <tuskop letat="cur">5.3.6 Stortbesluit
bodembescherming</tuskop>
      <al>Het
Stortbesluit bodembescherming regelt dat het op of in de bodem brengen
van afvalstoffen met een bepaald bodembedreigend karakter moet
plaatsvinden op een volwaardige stortplaats met uitgebreide
IBC-voorzieningen. Indien de voorwaarden van het onderhavige besluit
niet van toepassing zijn of indien niet aan de voorwaarden wordt
voldaan, kunnen bouwstoffen en grond worden gestort op grond van het
Stortbesluit bodembescherming. Hierbij zal dan moeten worden voldaan
aan de eisen gesteld aan de acceptatie van afvalstoffen, die mede zijn
gebaseerd op de Europese richtlijn storten.</al>
      <al>Het Stortbesluit
bodembescherming is niet van toepassing op stortplaatsen waar
uisluitend baggerspecie wordt
gestort.</al>
      <tuskop letat="cur">5.3.7
Bouwbesluit</tuskop>
      <al>Dit besluit en
het Bouwbesluit 2003 kunnen beide van toepassing zijn op de toepassing
van bouwstoffen, grond of baggerspecie. Opgemerkt zij dat in het kader
van de fundamentele herziening van het Bouwstoffenbesluit ervan is
afgezien om te komen tot een integratie van de milieuhygiënische
randvoorwaarden voor bodem, grond- en oppervlaktewater in het
Bouwbesluit 2003. Wel is gezocht naar onderlinge afstemming waar dat
mogelijk is.</al>
      <tuskop letat="cur">5.3.8
Ruimtelijke ordening</tuskop>
      <al>Dit
besluit verplicht het bevoegd gezag om bij keuze voor generieke
toetsing uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van het besluit een
bodemfunctieklassenkaart te maken waarin per gebied is aangegeven in
welke bodemfunctieklasse het gebied is ingedeeld. Vooralsnog is er voor
gekozen om de systematiek van dit besluit niet direct te koppelen aan
de ruimtelijke ordeningsregelgeving. Dit heeft te maken met het feit
dat de bestemmingen in het bestemmingsplan per gemeente verschillen en
de twee bodemfunctieklassen (wonen en industrie) zijn ontstaan uit
samenvoeging van acht in dit besluit vastgestelde bodemfuncties. Voor
de koppeling van deze bodemfuncties aan de functies in het
bestemmingsplan zal een handreiking worden opgesteld.</al>
      <al>Het
besluit tot vaststelling van de bodemfunctieklassenkaart kan wel
gemotiveerd worden door te verwijzen naar de bestemmingen. Wanneer een
gemeente bij de bodemfuncties afwijkt van het bestemmingsplan zal zij
dit moeten motiveren. Dit kan bijvoorbeeld wanneer er een
voorbereidingsbesluit is vastgesteld in verband met toekomstige
bestemmingen of wanneer de feitelijke situatie afwijkt van de
bestemmingen in het bestemmingsplan.</al>
      <al>Het
bevoegd gezag kan er echter ook voor kiezen de functiekaart in te
vullen door een besluit te nemen waarin voor alle bestemmingen de
vertaling naar de bodemfunctieklasse wordt vastgelegd. Zo wordt de
relatie met de ruimtelijke ordening zo veel mogelijk gewaarborgd.</al>
      <al>Ten overvloede wordt hier benadrukt dat de systematiek van dit
besluit naast de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening
staat. De bodemfunctieklassenkaart kan dan ook niet de plaats van het
bestemmingsplan innemen. Wellicht dat op termijn de
bodemfunctieklassenkaart wel een onderdeel kan worden van het
bestemmingsplan.</al>
      <tuskop letat="cur">5.3.9
Mijnwetgeving</tuskop>
      <al>In artikel 99
van de Wet bodembescherming is een aantal wetten genoemd, die de
werkingssfeer van het onderhavige besluit kunnen beperken. Het gebruik
van bouwstoffen binnen bij mijnen behorende ondergronds gelegen werken
en binnen inrichtingen waarop de Mijnwet 1903 van toepassing is, valt
niet onder de werkingssfeer van dit besluit.</al>
      <tuskop letat="cur">5.3.10 London
Protocol</tuskop>
      <al>Op 7 november 1996
is te Londen tot stand gekomen het Protocol bij het Verdrag inzake de
voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten
van afval en andere stoffen uit 1997 (Trb. 1998, 134 en Trb. 2000, 27)
(Protocol). Dit Protocol zal binnen afzienbare tijd ter goedkeuring
worden voorgelegd aan de Staten-Generaal.</al>
      <al>Het Protocol eist
met het oog op de bescherming van het mariene milieu tegen
verontreiniging en de bevordering van een duurzaam gebruik en het
behoud van mariene bronnen een vergunning voor het storten van
afvalstoffen. Het Protocol verstaat niet onder storten «het
plaatsen van stoffen met een ander oogmerk dan er zich enkel en alleen
van te ontdoen, mits zulks niet strijdig is met het doel van dit
Protocol» (artikel 1, vierde lid onder 2.2). Het Besluit
bodemkwaliteit waarborgt afdoende dat het nuttig toepassen niet
verwordt tot «storten» en voorkomt daarmee dat er
spanning ontstaan met de vergunningplicht van het Protocol. Zo stelt
het besluit als voorwaarde voor het verspreiden van baggerspecie dat
dit plaatsvindt met het oog op het herstellen van de balans tussen
sedimentatie- en erosieprocessen en het bevorderen van de ecologische
functie van sediment. Daarnaast is met het oog op het Protocol in de
ministeriële regeling geregeld dat de generieke
kwaliteitsgrenzen voor het toepassen van grond en baggerspecie,
waaronder verspreiden van baggerspecie, in zout oppervlaktewater
tenminste even streng zijn als die voor zoet water. Tevens kan het
bevoegd gezag in het gebiedsspecifieke kader voor het verspreiden van
baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee alleen lagere waarden
vaststellen dan de waarden die gelden in het generieke kader. Verder
geldt het besluit niet voor grootschalige toepassingen van grond en
baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee.</al>
      <tuskop letat="cur">5.3.11 Wet verontreiniging
zeewater</tuskop>
      <al>Voor het toepassen
van bouwstoffen, grond of baggerspecie in zee is de afbakening tussen
de Wvo en de Wvz van belang. Voor toepassing in de Noordzee tot aan de
kust is in principe vooralsnog ontheffing op basis van de Wvz nodig. Op
toepassingen op de kust (oevers) is, gelet op de werkingssfeer van de
Wvo, dit besluit van toepassing. De Waddenzee en Zeeuwse en
Zuid-Hollandse wateren vallen eveneens onder de werkingssfeer van de
Wvo, zodat dit besluit ook op deze wateren van toepassing
is.</al>
      <al>Het London Protocol zal hoofdzakelijk
worden uitgevoerd via de Wvz. In verband met de totstandkoming in 2006
van het eerder genoemde Protocol, is daarom gelijktijdig met het
wetsvoorstel tot goedkeuring van het Protocol een wetsvoorstel tot
wijziging van de Wvz aanhangig gemaakt bij de Tweede Kamer.</al>
      <al>Het Protocol is, zoals hierboven is vermeld, niet van toepassing op
«het plaatsen van stoffen met een andere oogmerk dan er zich
enkel en alleen van te ontdoen, mits zulks niet strijdig is met het
doel van dit Protocol». Met het wetsvoorstel wordt het
toepassingsbereik van de Wvz dienovereenkomstig beperkt. Als deze
wetswijziging in werking is getreden, zal voor nuttige toepassingen van
grond en baggerspecie geen ontheffingsplicht op grond van de Wvz meer
zijn vereist. Deze toepassingen vallen dan onder de werkingssfeer van
de Wvo. Het toepassen van grond en baggerspecie zal dan worden
gereguleerd krachtens de Wvo in dit besluit. In de tot aan de
wetswijziging krachtens de Wvz te verlenen ontheffingen zullen in
beginsel dezelfde eisen worden gesteld als gelden op grond van dit
besluit.</al>
      <tuskop letat="cur">5.4 Verhouding tot Europese
regelgeving</tuskop>
      <tuskop letat="cur">5.4.1 Richtlijn
bouwproducten</tuskop>
      <al>Dit besluit
bevat voorschriften die in de eerste plaats zijn gericht op de
toepasser van bouwstoffen, maar die ook de bouwstoffen zelf betreffen.
Daardoor krijgt dit besluit te maken met het Europese recht en het
handelsverkeer. Geconstateerd kan worden dat er thans nog vrijwel geen
direct werkende, operationele Europese regelgeving bestaat op het
terrein dat door het dit besluit wordt bestreken. Ook op basis van de
EG-Richtlijn Bouwproducten zijn nog geen eisen opgesteld, die
vergelijkbaar zijn met die van dit besluit.</al>
      <al>Het doel van de EG-Richtlijn Bouwproducten is om te komen tot vrij
Europees handelsverkeer voor bouwstoffen. Om dit te bereiken wordt
gestreefd naar Europese harmonisatie op het gebied van meetmethoden en
bewijsvoering. Hierbij wordt gekeken naar verschillende aspecten van
bouwstoffen. Het bepalen van emissies uit bouwstoffen is onderdeel van
de fundamentele voorschriften rond «hygiëne, gezondheid
en milieu». Dit onderdeel wordt de komende jaren
uitgewerkt.</al>
      <al>Er is een basisdocument
vastgesteld, dat de fundamentele voorschriften rond hygiëne,
gezondheid en milieu nader uitwerkt. Op basis hiervan is een
horizontaal mandaat aan CEN opgesteld voor het onderdeel milieu
(Regulated dangerous substances), waarbij voor alle productfamilies de
technische specificaties uniform worden vastgesteld. Dit kan betreffen
Europese normen (opgesteld door CEN) of richtlijnen voor Europese
technische goedkeuringen (opgesteld door de European Organization On
Technical Approvals (EOTA)). Producten die voldoen aan de Europese
technische specificaties mogen de CE-markering dragen en zijn vrij
verhandelbaar in de Europese Unie. Daarbij is het de
verantwoordelijkheid van de lidstaten om desgewenst prestatie-eisen
voor te schrijven (i.e. samenstellings- en emissie-eisen in het geval
van dit besluit).</al>
      <al>Zolang het onderdeel dat
betrekking heeft op milieu niet is uitgewerkt, gelden in Nederland de
regels van het onderhavige besluit als genotificeerde nationale
regelgeving op dit gebied. Daarmee gelden alle regels en eisen aan
monsterneming, laboratoriumwerk, betrokken organisaties e.d. In alle
Europese geharmoniseerde bouwproductnormen is daarom de volgende
standaardformulering
opgenomen:</al>
      <al>
        <nadruk type="cur">«In addition to any
specific clauses relating to dangerous substances contained in the
Standard, there may be other requirements applicable to the products
falling within its scope (e.g. transposed European legislation and
national laws, regulations and provisions). In order to meet the
provisions of the CPD, these requirements need also to be complied
with, when and where they apply.»</nadruk>
      </al>
      <tuskop letat="cur">5.4.2 Europese
bodemstrategie</tuskop>
      <al>De Europese
Commissie werkt aan een Thematische Strategie inzake de
bodembescherming. In dat kader wordt een Mededeling uitgevaardigd
waarin de uitgangspunten van het gemeenschappelijke
bodembeschermingsbeleid worden neergelegd. Tevens werkt de Europese
Commissie aan een kaderrichtlijn die de juridische basis legt voor
bodembescherming op Europees niveau.</al>
      <al>Naar verwachting zal de
kaderrichtlijn de Europese lidstaten de opdracht geven om bodembeleid
te voeren en daarover te rapporteren, door middel van het in kaart
brengen van risicogebieden en het opstellen van een actieplan om deze
risico’s te verminderen. De Europese Commissie heeft
aangekondigd tegen de zomer het voorstel te
publiceren.</al>
      <tuskop letat="cur">5.4.3
Kaderrichtlijn
water</tuskop>
      <al>Richtlijn nr.
2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire
maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L327) (hierna:
Kaderrichtlijn water) heeft als doel de bescherming van
oppervlaktewater en grondwater. Hiertoe is in de Kaderrichtlijn water
bepaald dat de lidstaten – in beginsel in het jaar 2015 –
bepaalde milieudoelstellingen moeten bereiken. De milieudoelstellingen
van de Kaderrichtlijn water betreffen chemische en ecologische
doelstellingen die moeten leiden tot een goede toestand van
oppervlaktewater en grondwater. Deze doelstellingen zijn vastgelegd in
diverse onderdelen van artikel 4 van de Kaderrichtlijn water, met
bijbehorende uitzonderingsbepalingen. De milieudoelstellingen van de
Kaderrichtlijn water betreffen chemische en ecologische doelstellingen
die moeten leiden tot een goede toestand van oppervlaktewater en
grondwater. Deze doelstellingen zijn vastgelegd in diverse onderdelen
van artikel 4 van de Kaderrichtlijn water, met bijbehorende
uitzonderingsbepalingen. Op grond van artikel 4 wordt voor het
merendeel van de kunstmatig dan wel sterk veranderende waterlichamen
het bereiken van een goede ecologische toestand en een goed ecologisch
potentieel nagestreefd overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van
bijlage V van de kaderrichtlijn. Uiteindelijk moet de toepassing van de
bijlagen van de Kaderrichtlijn water, alsmede de vaststelling van
dochterrichtlijnen voor prioritaire stoffen en voor grondwater in het
jaar 2009 resulteren in concrete, gekwantificeerde doelstellingen. Op
diverse plaatsen in de Kaderrichtlijn water is sprake van een
maatschappelijk haalbare en kosteneffectieve aanpak; zonodig kan
daartoe voor een of meer waterlichamen verlenging van de streeftermijn
tot 2021 of 2027 plaatsvinden, dan wel een minder stringente
doelstelling worden bepaald.</al>
      <al>Op dit moment is dus nog niet
volledig te overzien welke verplichtingen uit de Kaderrichtlijn water
per waterlichaam voortvloeien. Hierbij is mede van belang dat nog een
aantal kaders nader moeten worden ingevuld, zoals de indeling in
waterlichamen, alsmede het maatregelenpakket per stroomgebieddistrict
dat – met publieke participatie – zal worden ontwikkeld
om de milieudoelstellingen te realiseren en dat eveneens in 2009 zal
worden vastgelegd. Mede in verband hiermee zijn in de Kaderrichtlijn
water een aantal overgangsbepalingen opgenomen die erin voorzien dat
«oude» Europese richtlijnen inzake de bescherming van het
oppervlaktewater en grondwater voorlopig nog ten dele van kracht
blijven.</al>
      <al>Ten aanzien van de bescherming van
het oppervlaktewater betreft dit richtlijn 76/464 betreffende
verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in
het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd. (Pb EG L129)
(hierna: Richtlijn 76/464). De Richtlijn 76/464 heeft geen betrekking
op het in het oppervlaktewater brengen (hierna: lozen) van baggerspecie
en is derhalve enkel relevant voor het lozen van bouwstoffen en grond.
Niettemin is in dit besluit om redenen van uniformiteit tot
één gezamenlijk toetsingskader voor grond en baggerspecie
gekozen. Bij de (nadere) vaststelling daarvan wordt een afweging
gemaakt tussen enerzijds het realiseren van afdoende mogelijkheden om
tot (her)gebruik van bouwstoffen, grond en baggerspecie te (kunnen)
komen en de bescherming van het oppervlaktewater anderzijds. Daarbij is
als uitgangspunt genomen, dat geen sprake mag zijn van achteruitgang
van de toestand van oppervlaktewaterlichamen. Voor de beoogde
normstelling, alsmede de specifieke milieueffecten voor het
oppervlaktewater wordt verwezen naar de hoofdstukken 3 en
4.</al>
      <tuskop letat="cur">5.4.4
Grondwaterrichtlijn</tuskop>
      <al>Richtlijn
nr. 1980/68/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17
december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen
verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke
stoffen (PbEG L20) (hierna: Grondwaterrichtlijn) beoogt de
verontreiniging van grondwater te verminderen door middel van
harmonisatie van regelgeving van de Lidstaten betreffende lozingen van
bepaalde gevaarlijke stoffen in het grondwater en door totstandbrenging
van een systematische controle op de grondwaterkwaliteit. Deze
richtlijn heeft tot doel verontreiniging van het grondwater door
stoffen van Lijst I en II te voorkomen en het zoveel mogelijk beperken
of beëindigen van de gevolgen van de bestaande verontreiniging.
Mede met het oog op de Grondwaterrichtlijn is in artikel 12a, derde
lid, van de Wbb voorzien in een grondslag om, voor zover nodig,
emissie-eisen vast te stellen en worden andere voorwaarden gesteld ter
bescherming van het grondwater. Hierbij wordt een afweging gemaakt
tussen de bescherming van het grondwater enerzijds en het realiseren
van afdoende mogelijkheden om tot (her)gebruik van bouwstoffen, grond
en baggerspecie te (kunnen) komen. Ten slotte is van belang op te
merken dat vrij recentelijk een nieuwe Grondwaterrichtlijn
(2006/118/EG) is vastgesteld waarin ten aanzien van de doelstelling om
de inbreng van verontreinigende stoffen in grondwater te voorkomen of
de beperken een aantal uitzonderingen zijn opgenomen. Dit betreft onder
meer een uitzondering voor ingrepen in oppervlaktewater ten behoeve
van, onder andere, het verminderen van de gevolgen van overstromingen
en droogte en het beheer van water en waterwegen, ook op internationaal
niveau.</al>
      <tuskop letat="cur">5.4.5 Richtlijn
storten</tuskop>
      <al>Richtlijn nr.
1991/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PbEG L182)
beoogt de negatieve gevolgen van het storten van afvalstoffen voor het
milieu en de risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen of
zoveel mogelijk te verminderen. Aangezien grond en baggerspecie vaak
afvalstoffen zijn (zie paragraaf 2.8 van de richtlijn) kan deze
richtlijn van toepassing zijn, tenzij de betreffende handelingen met
grond en baggerspecie worden uitgezonderd in artikel 3 van de
richtlijn. De verspreiding van slib voor bemesting en grondverbetering,
gebruik van inerte afvalstoffen voor terreinophoging en -verbetering en
het storten van ongevaarlijke baggerspecie langs kleine waterwegen of
in oppervlaktewater (met inbegrip van haar bedding en ondergrond) zijn
in elk geval uitgezonderd van deze richtlijn. Mede in verband met deze
uitzondering wordt met dit besluit aan artikel 11e van het Besluit
stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen een derde lid toegevoegd.
Zie hieromtrent de toelichting bij artikel 70 van dit
besluit.</al>
      <tuskop letat="cur">5.4.6 Vogel- en
Habitatrichlijn</tuskop>
      <al>Richtlijn nr.
79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de
vogelstand (hierna: Vogelrichtlijn) heeft tot doel de bescherming en
het beheer van alle vogels die op het communautair grondgebied in het
wild leven en hun habitats. De Richtlijn ziet enerzijds op de
bescherming van leefgebieden van een aantal specifieke soorten en
anderzijds op een algemene bescherming van alle natuurlijk in het wild
levende vogelsoorten. Richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van 21 mei
1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats van flora en
fauna (hierna: Habitatrichtlijn) voorziet in de bescherming van
natuurlijke habitats en habitats van een aantal specifieke soorten en
in de bescherming van dieren- en plantensoorten van communautair
belang. In beide richtlijnen kan een onderscheid worden gemaakt in een
gebiedsbeschermingsdeel en een soortenbeschermingsdeel. Het
gebiedsbeschermingsdeel is in Nederland geïmplementeerd in de
Natuurbeschermingswet 1998, op grond waarvan beschermde natuurgebieden
ter uitvoering van de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn of worden
aangewezen. Nederland past een vergunningenstelsel toe op handelingen
die schadelijk kunnen zijn voor de natuurwaarden waarvoor deze gebieden
zijn aangewezen. Hiermee wordt voor projecten die mogelijk schadelijk
kunnen zijn voor deze gebieden een zorgvuldige afweging
gewaarborgd.</al>
      <al>In de Flora- en Faunawet is onder
meer het soortenbeschermingsdeel van de Vogel- en Habitatrichlijn
geïmplementeerd. Onder de Flora- en Faunawet is het eveneens
verboden om handelingen die schade toe kunnen brengen aan de beschermde
soorten, tenzij hiervoor een vrijstelling of ontheffing is
verleend.</al>
      <al>In het beleidskader voor de
toepassing van grond en baggerspecie zijn op het toepassen van deze
stoffen in beschermde gebieden, of indien de toepassing schade kan
veroorzaken voor beschermde flora en fauna, de Natuurbeschermingswet
1998 en de Flora- en Faunawet onverkort van toepassing.</al>
      <tuskop letat="cur">5.4.7 Milieu-effectrapportage en
strategische
milieubeoordeling</tuskop>
      <al>Richtlijn
nr. 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de
milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere
projecten (PbEG L175) schrijft voor dat voor een aantal
categorieën projecten die aanzienlijke milieugevolgen kunnen
hebben, een milieu-effectrapport wordt gemaakt, en voor een aantal
projecten voorschrijft dat nagegaan wordt of een dergelijk rapport moet
worden gemaakt. Dit wetsvoorstel laat de implementatie van deze
richtlijn in de Wet milieubeheer onverlet, met dien verstande dat een
beperkte wijziging noodzakelijk is in verband met de nieuwe klasse
indeling voor baggerspecie. Zie hieromtrent de toelichting bij artikel
74 van dit besluit.</al>
      <tuskop letat="cur">5.4.8 Kaderrichtlijn
afvalstoffen voor grond en
baggerspecie</tuskop>
      <al>De toepassing
van grond en baggerspecie in of op de bodem moet in overeenstemming
zijn met het Europese recht. Eén van de belangrijkste
toetsingskaders voor de toepassing van grond en baggerspecie binnen het
Europese recht is Richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PbEG 1975, L
194), hierna aangeduid als «de Kaderrichtlijn
afvalstoffen».</al>
      <al>In de
Kaderrichtlijn zijn afvalstoffen gedefinieerd als: elke stof of elk
voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën
waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich
moet ontdoen. De categorieën in bijlage I zijn zeer ruim
omschreven en bovendien is als laatste categorie omschreven
«alle stoffen, materialen of producten die niet onder de
hierboven vermelde categorieën vallen», zodat er vrijwel
niets is dat niet in beginsel onder de Kaderrichtlijn afvalstoffen kan
vallen.</al>
      <al>Het doorslaggevende criterium is de
vraag of de houder (de producent of de natuurlijke of rechtspersoon die
de afvalstoffen in bezit heeft) zich van die stoffen ontdoet,
voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Dat criterium wordt
in de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie en, in navolging
van dat Hof, door de Nederlandse Afdeling Bestuursrechtspraak van de
Raad van State zeer ruim uitgelegd. Als recent voorbeeld daarvan kan de
uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Van de Walle (C-1/03)
worden genoemd. Daarin oordeelde het Hof van Justitie dat per ongeluk
door koolwaterstoffen verontreinigde bodem zelfs voordat die is
ontgraven als afvalstof moet worden beschouwd. In het licht van de
richtlijn en deze jurisprudentie moet ervan uit worden gegaan dat grond
en baggerspecie na het ontgraven ervan in de meeste gevallen als
afvalstof dienen te worden beschouwd. Om die reden zijn de
voorschriften in dit besluit opgesteld met als uitgangspunt dat dit
besluit aan alle eisen voldoet die aan afvalstoffen worden gesteld:
degene die grond of baggerspecie toepast, hoeft zich dan niet (of in
elk geval zo min mogelijk) af te vragen of hij al dan niet met een
afvalstof bezig is.</al>
      <al>Er zijn twee vormen van
zich ontdoen van afvalstoffen, te weten verwijdering en nuttige
toepassing. Het onderscheid tussen deze twee begrippen is, zoals hierna
zal blijken, van belang in het licht van artikel 11 van de
Kaderichtlijn en dit besluit. Verwijdering kan in het algemeen aldus
worden gekarakteriseerd dat een verwijderingshandeling elke verdere
toepassing van een stof uitsluit, hetgeen het meest duidelijk is in
geval van lozing, verbranding of storten op een stortplaats. De
juridische term «nuttige toepassing» roept niet zelden
vraagtekens op in de praktijk, maar mag niet worden verward met de
taalkundige betekenis van die woorden: er gelden specifieke juridische
criteria voor het beoordelen of een handeling als nuttige toepassing
mag worden aangemerkt of niet. Een onderbouwing dat een handeling
milieuhygiënisch verantwoord of zelfs nuttig is voor het milieu,
of anderszins nuttig, is dan ook niet zonder meer
relevant.</al>
      <al>Het onderscheid tussen
«verwijdering» en «nuttige toepassing»
wordt gemaakt in artikel 1 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. De
begrippen verwijdering en nuttige toepassing sluiten elkaar uit: een
handeling kan nooit beide zijn, maar altijd slechts één
van beide. Voor de definitie van verwijdering wordt verwezen naar de
handelingen die zijn opgesomd in bijlage IIA bij de Kaderrrichtlijn
afvalstoffen, voor nuttige toepassing naar bijlage IIB. De bijlagen
zijn echter niet uitputtend en dus op zichzelf niet voldoende om van
een bepaalde handeling eenduidig vast te stellen van welk begrip sprake
is. Deze begrippen zijn daarom verder ontwikkeld in de jurisprudentie
van het Hof van Justitie.</al>
      <al>Uit de
jurisprudentie van het Hof van Justitie, met name het arrest Abfall
Service (C-6/00) zijn indicaties af te leiden, die in latere arresten
steeds zijn herhaald. Indicaties die in elk geval in acht moeten worden
genomen bij het toetsen van handelingen,
zijn:</al>
      <al>– Lijkt de handeling meer op een handeling die
voorkomt in de lijst met verwijderingshandelingen of lijkt zij meer op
een handeling uit de lijst met nuttige
toepassingshandelingen?</al>
      <al>– Wat is
het hoofddoel van de handeling? Worden de afvalstoffen alleen toegepast
om er vanaf te zijn (waarbij de toepasser er een nuttige bestemming
voor zoekt) of is de toepassing het hoofddoel en worden afvalstoffen
gebruikt om primaire grondstoffen te vervangen?</al>
      <al>– Is er voorafgaande behandeling nodig voordat
de stof kan worden hergebruikt?</al>
      <al>De Kaderrichtlijn afvalstoffen bevat een doelbepaling (artikel 4)
die de lidstaten ertoe verplicht de nodige maatregelen te nemen om te
waarborgen dat handelingen met afvalstoffen geen nadelige gevolgen
hebben voor de gezondheid van de mens of het milieu; in het bijzonder
zijn onder meer water, lucht, bodem, fauna en natuur genoemd. De eisen
vastgelegd in dit besluit en die bij ministeriële regeling geven
invulling aan artikel 35 van dit besluit en daarmee aan artikel 4 van
de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Aan deze doelbepaling is invulling
gegeven bij het vaststellen van de verplichtingen die bij dit besluit
zijn gesteld. Daarnaast is in artikel 6 van dit besluit dit vereiste
expliciet opgenomen voor zover dit besluit de bevoegdheid bevat om bij
ministeriele regeling de noodzakelijke milieuhygiënische
normstelling vast te stellen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat
deze randvoorwaarde als uitvloeisel van artikel 4 van de Kaderrichtlijn
afvalstoffen ook is opgenomen in artikel 12a, tweede lid, van de Wet
bodembescherming. Op grond daarvan is de randvoorwaarde van toepassing
op de bevoegdheid om als bestuursorgaan op grond van de artikelen 44 en
46 van dit besluit een gebiedsgericht toetsingskader te kunnen
vaststellen.</al>
      <al>Het doel dat in artikel 4 is
omschreven, krijgt een nadere uitwerking in de artikelen 9 en 10. De
Kaderrichtlijn afvalstoffen stelt een vergunning verplicht voor
handelingen met afvalstoffen. Volgens artikel 9 dient de vergunning met
name betrekking te hebben op soort en hoeveelheid afvalstoffen,
technische eisen, voorzorgsmaatregelen, de plaats om afvalstoffen te
verwijderen en de behandelingsmethode, maar er kunnen ook andere
voorwaarden aan worden verbonden die nodig zijn uit oogpunt van
milieubescherming. De vergunning kan worden geweigerd indien de
voorgenomen handeling uit milieubeschermingsoogpunt niet aanvaardbaar
is.</al>
      <al>De lidstaat kan een beroep doen op artikel
11 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Dat artikel schept de
mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van de vergunningplicht binnen
de in dat artikel genoemde voorwaarden. Ten eerste is het artikel
uitsluitend van toepassing op «nuttige toepassing» of
«verwijdering in eigen beheer» (van dat laatste is in dit
besluit geen sprake: het gaat dan om grote inrichtingen die in eigen
beheer hun afval verwijderen). Een handeling die moet worden beschouwd
als «verwijdering» kan dus niet worden vrijgesteld van de
vergunningplicht op grond van dit artikel.</al>
      <al>Bij
het verlenen van een vrijstelling dient aan de volgende voorwaarden in
artikel 11 te worden
voldaan:</al>
      <al>– het moet zoals gezegd gaan om nuttige
toepassing als bedoeld in de Kaderrichtlijn afvalstoffen;</al>
      <al>– de lidstaat moet per type activiteit
algemene voorschriften stellen, dus gedifferentieerd typen activiteiten
benoemen en reguleren;</al>
      <al>– de
soort afvalstoffen benoemen;</al>
      <al>– regelen om welke hoeveelheid afvalstoffen
het gaat;</al>
      <al>– de aard van de
afvalstoffen regelen (bijvoorbeeld samenstelling,
verontreinigingsgraad, et cetera);</al>
      <al>– regelen onder welke voorwaarden de
afvalstoffen mogen worden gebruikt.</al>
      <al>De ratio hiervan is dat de algemene regels naar hun aard de
<nadruk type="cur">vergunning</nadruk> moeten kunnen vervangen, maar
dan voor een grotere groep gevallen. Dat volgt uit het systeem van de
Kaderrichtlijn (met name de artikelen 9, 10 en 11). Deze figuur is
daardoor enigszins vergelijkbaar met de 8.40-amvb’s (besluiten
met algemene regels op grond van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer
die de milieuvergunning vervangen) in het Nederlandse recht: in die
amvb’s kunnen alleen regels worden gesteld voor inrichtingen met
een beperkte milieubelasting en homogene kenmerken, zodat voor een
grotere groep inrichtingen in feite dezelfde voorschriften worden
gegeven als in een milieuvergunning zouden zijn
opgenomen.</al>
      <al>Van belang is nog dat artikel 11 de
richtlijn over gevaarlijke
afvalstoffen<voetref refid="b5"></voetref><voetnoot id="b5"><nootnr>5</nootnr><noottkst><al>Richtlijn
78/319/EEG van de Raad van 20 maart 1978, betreffende toxische
en gevaarlijke afvalstoffen, PbEG 1978, L 84.</al></noottkst></voetnoot>
onverlet laat. Die richtlijn stelt aanvullende voorwaarden indien
sprake is van gevaarlijke afvalstoffen, in verband met de sterkere
schadelijkheid voor het milieu van die categorie afvalstoffen. In
verband daarmee is die categorie afvalstoffen dan ook uitgezonderd van
de reikwijdte van dit besluit. Dat betekent dat te allen tijde van
geval tot geval moet worden beoordeeld of – en zo ja onder welke
voorwaarden – handelingen met gevaarlijke afvalstoffen
toelaatbaar zijn.</al>
      <al>Tot slot en ook van groot
belang is dat de voorschriften zo moeten worden opgesteld dat is
gewaarborgd dat de vrijgestelde activiteiten te allen tijde in
overeenstemming zijn met het doel van de Kaderrichtlijn afvalstoffen
zoals dat naar voren komt uit artikel 4 en de considerans van de
richtlijn (dat vergt kortom een milieuhygiënische
onderbouwing).</al>
      <al>Dit besluit beoogt gebruik te
maken van de mogelijkheid die artikel 11 van de Kaderrichtlijn
afvalstoffen biedt. Als een lidstaat een beroep doet op dat artikel 11
(en dus, althans voor wat betreft dit besluit, stelt dat sprake is van
nuttige toepassing) heeft de lidstaat de volledige bewijslast. Van
sommige handelingen die in dit besluit zijn gereguleerd, is niet op het
eerste gezicht duidelijk of het verwijdering of nuttige toepassing is,
omdat de betreffende handeling zowel op een handeling in bijlage IIA
(verwijdering) als bijlage IIB (nuttige toepassing) lijkt. Als een
lidstaat een handeling als nuttige toepassing interpreteert, die niet
in bijlage IIB staat, ligt de bewijslast volledig bij de lidstaat. De
volgende paragraaf bevat daarom voor elke in dit besluit gereguleerde
activiteit een gemotiveerde beoordeling van de vraag of die activiteit
kan worden gekwalificeerd als nuttige toepassing. Daarbij is tevens
aangegeven waarom een toepassing die schijnt te lijken op een
verwijderingshandeling in bijlage IIA desondanks niet als
verwijderingshandeling maar toch als nuttige toepassing moet worden
gekwalificeerd.</al>
      <al>Er zij op gewezen dat de
Europese Commissie en het Europese Hof van Justitie gelet op hun rol in
het toezicht op de naleving van het gemeenschapsrecht met hun
interpretatie de doorslag geven in de beoordeling.</al>
      <al>Ter uitvoering van de registratieplichten vervat in de artikelen
11, tweede lid, en 14 van de Kaderrichtlijn is artikel 42 in dit
besluit opgenomen.</al>
      <tuskop letat="cur">5.4.9
Kaderrichtlijn afvalstoffen voor
bouwstoffen</tuskop>
      <al>Voor bouwstoffen
geldt dat in dit besluit geen onderscheid wordt gemaakt tussen primaire
bouwstoffen en afvalstoffen. Beide moeten op dezelfde wijze voldoen aan
de milieuhygiënische eisen om als bouwstof te mogen worden
toegepast. Voor zover bouwstoffen tevens afvalstoffen zijn, moet
daarnaast wel worden voldaan aan de eisen die de Kaderrichtlijn
afvalstoffen stelt.</al>
      <al>Afvalstoffen spelen op twee manieren een
rol in de bouwstoffenstroom. Ten eerste worden afvalstoffen gerecycled
tot nieuw toe te passen bouwstoffen of als grondstof toegepast voor de
productie van nieuwe bouwstoffen. Ten tweede kunnen sommige bouwstoffen
die vrijkomen uit een ouder werk direct worden hergebruikt, zonder
verdere bewerking tot nieuw product. Op beide manieren wordt het
gebruik van primaire hulpbronnen verminderd en worden afvalstoffen
nuttig toegepast. Hierin heeft dit besluit voor het onderdeel
bouwstoffen dezelfde doelstelling als de Kaderrichtlijn
afvalstoffen.</al>
      <al>Een voorwaarde voor het (opnieuw) mogen
toepassen van bouwstoffen is dat het leven in de bodem (inclusief het
grondwater) en in het oppervlaktewater hiervan geen noemenswaardige
nadelige gevolgen ondervindt. Deze voorwaarde is de bestaansreden van
het in dit besluit neergelegde beleid voor bouwstoffen. Hiervoor is
risicogebaseerde normstelling ontwikkeld en is een helder kader
opgesteld. Dit alles komt overeen met de voorwaarden die de
Kaderrichtlijn afvalstoffen stelt aan het nuttig toepassen van
afvalstoffen.</al>
      <al>Voor het voorkomen van risico’s voor
lucht, fauna en flora, geluid- of stankhinder en natuur- en
landschapsschoon in gelden nationaal andere wet- en regelgevingskaders,
zoals bijvoorbeeld de Wet milieubeheer, de Flora- en Faunawet en de
Natuurbeschermingswet.</al>
      <al>De Kaderrichtlijn
afvalstoffen geeft aan dat algemene voorschriften voor nuttige
toepassing mogen worden opgesteld (zoals dit besluit), waarin soort en
hoeveelheid afvalstoffen zijn vastgesteld en is aangegeven onder welke
voorwaarden de activiteit kan worden vrijgesteld van een vergunning.
Voor bouwstoffen geldt dat de soort afvalstof helder is gedefinieerd.
Het gaat om afvalstoffen die kunnen voldoen aan de definitie van een
bouwstof, op grond waarvan in een materiaal meer dan 10% silicium,
calcium en/of aluminium aanwezig dient te zijn. De nuttige toepassing
is het toepassen en houden van bouwstoffen in een werk. Hieraan is een
aantal randvoorwaarden verbonden.</al>
      <al>Ten eerste moet het gaan om
de toepassing van een gekeurde bouwstof met milieuhygiënische
verklaring, op grond waarvan het vertrouwen mag bestaan dat de bouwstof
voldoet aan de milieu-eisen.</al>
      <al>Ten tweede moet het werk een
aanwijsbare functie hebben.</al>
      <al>Ten derde moet het werk zodanig
zijn ontworpen dat de uitloging beperkt blijft tot acceptabele niveaus.
Deze eis geldt met name voor IBC-bouwstoffen, maar ook voor andere
bouwstoffen waarvoor toepassingsbeperkingen gelden. Die
toepassingsbeperkingen zijn aangegeven in beoordelingsrichtlijnen of op
het bij een bouwstof behorende certificaat.</al>
      <al>Ten slotte moeten
bouwstoffen verwijderbaar worden toegepast en moeten ze ook worden
verwijderd wanneer het werk zijn functie verliest en (gedeeltelijk)
wordt gesloopt.</al>
      <al>De hoeveelheid bouwstof die per activiteit mag
worden toegepast verschilt in de praktijk per werk, afhankelijk van de
aan een werk te stellen functionele eigenschappen. Hierbij kan worden
gedacht aan onder andere civieltechnische, bouwtechnische,
geluidstechnische of esthetische (bijvoorbeeld in relatie tot
natuurschoon)eigenschappen. In de praktijk kan de toe te passen
hoeveelheid bouwstof uiteenlopen van een kruiwagen tot een miljoen ton
bouwstoffen. De hoeveelheid toe te passen bouwstof is in dit besluit
daarom vastgesteld in relatie tot de functie die het werk vervult. Kan
de hoeveelheid toe te passen of toegepaste bouwstoffen niet worden
onderbouwd in relatie tot de functie van een werk, dan geldt de
vrijstelling van dit besluit van het verbod van artikel 10.2 Wm om zich
van afvalstoffen te ontdoen door deze – al dan niet in
verpakking – buiten een inrichting anderszins op of in de bodem
te brengen niet (meer) en brengt artikel 8.40 Wm niet met zich mee dat
de algemene regels van dit besluit de vergunningplicht op grond van
artikel 8.1, Wm vervangen. In dat geval valt het toepassen van
afvalstoffen onder de vergunningplicht van artikel 8.1, of de
ontheffingsplicht van artikel 10.63 Wm.</al>
      <al>Voor wat betreft
melding en registratie van afvalstoffen zijn voor bouwstoffen in dit
besluit geen extra regels opgenomen. Dit is reeds geregeld in de
artikelen 10.38 tot en met 10.40 Wm.</al>
      <tuskop letat="cur">Hoofdstuk 6. Voorbereiding van het besluit</tuskop>
      <tuskop letat="cur">6.1 Advies
Technische Commissie Bodembescherming</tuskop>
      <tuskop letat="cur">6.1.1
Bouwstoffen</tuskop>
      <al>Op 20 januari
2006 heeft de Technische Commissie Bodembescherming (TCB) advies
uitgebracht aangaande het besluit. Door de tijdsdruk waaronder dit
besluit tot stand is gekomen, kon de TCB hierbij op dat moment nog niet
beschikken over alle gegevens met betrekking tot de invloed van de
voorgenomen regels op onder meer de uiteindelijk gekozen modellering
bij bouwstoffen en over de aanpassingen in beleidskeuzes die nog zijn
gemaakt. Het advies werkt op een aantal punten door in hoofdstuk 3 van
dit besluit.</al>
      <al>Op hoofdlijnen onderschrijft de
Commissie de productgerichte benadering, waardoor de regelgeving rond
bouwstoffen eenvoudiger en beter handhaafbaar
wordt.</al>
      <al>Ten aanzien van grondwater vraagt de
TCB aandacht voor de relatie met de voor grondwater nog vast te stellen
drempelwaarden op grond van de nieuwe Europese Richtlijn Grondwater.
Deze drempelwaarden zullen echter pas formeel eind 2008 worden
vastgesteld. Pas op dat moment kunnen hieraan consequenties worden
verbonden met betrekking tot de normstelling voor
bouwstoffen.</al>
      <al>Ten aanzien van de modellering
van de emissie uit bouwstoffen adviseert de TCB om een
gevoeligheidsanalyse uit te voeren. Hieraan is invulling gegeven door
het door de TCB bestudeerde RIVM-model te leggen naast een model van
ECN, waarin een aantal bodemspecifieke eigenschappen beter kan worden
verdisconteerd. Op grond van deze vergelijking blijkt dat de
oorspronkelijke, door de TCB bekritiseerde belasting naar het
grondwater aanzienlijk lager uitpakt dan eerder werd ingeschat. Dit
leidt tot een betere balans tussen de bescherming van bodem en water
aan de ene kant en de afzet van bouwstoffen aan de andere. Voor
verreweg de meeste stoffen komt de emissie-eis overeen met het
beschermingsniveau dat als uitgangspunt is
gekozen.</al>
      <al>Ten aanzien van de geschiktheid van
de twee gebruikte rekenmodellen voor het bepalen van generieke
emissienormen voor bouwstoffen, is op 30 maart 2006 aan de TCB een
aanvullend advies gevraagd. Het advies van de TCB luidt dat beide
modellen, PEARL en ORCHESTRA, goede perspectieven bieden voor de
onderbouwing van emissienormen. Naar het oordeel van de TCB behoeven de
berekeningen echter op drie aspecten
verbetering:</al>
      <al>1. de emissienormen voor met name de middencategorie
«mobiele» componenten moeten voor een ruimere tijdschaal
dan honderd jaar inzichtelijk worden gemaakt;</al>
      <al>2. voor PEARL moet de bandbreedte van de
adsorptiecoëfficiënten voor een aantal componenten beter
worden onderbouwd;</al>
      <al>3. voor ORCHESTRA is
het nodig om inzicht te verschaffen in de invloed van de natuurlijke
variabiliteit van bodemeigenschappen op de berekende
emissiewaarden.</al>
      <al>Ten aanzien van
de resultaten van een ruimere tijdschaal dan honderd jaar verwacht
zowel de TCB als de betreffende onderzoekers dat de resultaten van
beide modellen ook voor de middencategorie «mobiele»
componenten dichter bij elkaar komen te liggen. Om bodem en water
voldoende te beschermen is beleidsmatig op basis van de resultaten tot
honderd jaar vooralsnog gekozen voor de voor het bedrijfsleven gunstige
waarden. Vooralsnog omdat beleidsmatig voor een fasering wordt gekozen
en moet zeker niet worden uitgesloten dat voor een betere bescherming
van bodem en water de emissiewaarden worden aangescherpt. Met het
bedrijfsleven zullen nadere afspraken hierover worden
gemaakt.</al>
      <al>Aanvullende berekeningen zullen
worden gedaan om het effect van de piekbelasting na honderd jaar in
beeld te brengen. Bij deze berekeningen zal ook het effect van de
bodemdikte van 0,30 meter worden meegenomen.</al>
      <al>De onderbouwing
van een aantal adsorptiecoëfficiënten met PEARL zal op
een later moment met de resultaten van het eerste punt worden
betrokken. Met ORCHESTRA is inmiddels een gevoeligheidsanalyse gemaakt
en de resultaten hiervan zijn bij de normstelling
betrokken.</al>
      <al>De TCB beveelt verder aan om in
analogie voor grond en bagger een toetsingsregel te ontwikkelen om
tegemoet te komen aan de natuurlijke variabiliteit in bouwstoffen. Bij
navraag heeft de Commissie verduidelijkt dat een toetsingsregel alleen
van toepassing zou moeten zijn wanneer de eisen op het niveau van de
milieugewenste eisen liggen. Een toetsingsregel kan op verschillende
manieren worden ingevuld. Een deel van deze invulling heeft
plaatsgevonden met de gevoeligheidsanalyse. Voor de rest kan een
toetsingsregel nog niet overal van toepassing kan zijn, omdat de
voorgestelde emissienormen soms hoger liggen dan de milieugewenste
normen. Daarom is gekozen geen verdere toetsingsregel voor nieuw
geproduceerde bouwstoffen te maken.</al>
      <al>Wel is een toetsingsregel
ontwikkeld voor reeds toegepaste bouwstoffen, die weer hergebruikt
worden zonder bewerking. Reden is dat deze bouwstoffen onder het
normstellingskader van het Bouwstoffenbesluit of daarvoor zijn
toegepast in het milieu en alleen bij grotere overschrijdingen alsnog
zouden moeten worden
afgekeurd.</al>
      <tuskop letat="cur">6.1.2
Grond en baggerspecie</tuskop>
      <al>De
Technische Commissie Bodembescherming (TCB) heeft in januari 2006
geadviseerd over de hoofdlijnen van het nieuwe bodembeleid. Hoewel de
TCB een aantal kritische vragen heeft gesteld, heeft de TCB ook begrip
getoond voor de beleidsmatige keuzes die voor grond en baggerspecie in
het nieuwe beleidskader zijn gemaakt. TCB heeft onvoldoende inzicht in
de effecten van het beleid, zeker gezien de vele veranderingen die nu
tegelijk worden doorgevoerd. Er is sprake van een optelsom van
versoepelen en strenger worden. Bij het uitwerken van de
ministeriële regeling, waarin een aantal technische aspecten
nader wordt uitgewerkt is ruimte voor meer specifieke advisering door
de TCB.</al>
      <al>De TCB pleit voor voldoende aandacht voor de
milieuhygiënische gevolgen en geeft aan dat als er vanwege
maatschappelijke belangen risico’s worden overschreden, dat
herstelbaar moet zijn. De TCB ondersteunt het hanteren van de
Achtergrondwaarden 2000 grens voor het vrij kunnen toepassen van grond
en baggerspecie. De TCB stelt een aantal kanttekeningen bij de
normstelling en het klassensysteem, ziet ruimte voor normopvulling en
als gevolg daarvan een risico op onherstelbare diffuse verontreiniging
van de bodem. De TCB heeft gevraagd de invoering van een extra
klassengrens te overwegen. De TCB vindt dat de vergelijking tussen de
kwaliteit van de ontvangende bodem en de kwaliteit van de toe te passen
grond en baggerspecie stofafhankelijk zou moeten zijn. Anders kan niet
worden voorkomen dat de bodem belast wordt met stoffen die plaatselijk
niet of nauwelijks aanwezig zijn. Verder vraagt de TCB om
één samenhangend klassensysteem voor grond en
baggerspecie en om een functiegerichte invulling van de klasse hoog. De
TCB betreurt het in stand houden van een uitzondering voor het
verspreiden van grond en baggerspecie op aangrenzende percelen en
bepleit aansluiting bij het klassensysteem dat geldt voor grond en
baggerspecie. De TCB adviseert om via monitoring in de komende jaren
zicht te krijgen op de kwaliteitsverslechtering van het gebied. De TCB
staat achter het instrument Bodemkwaliteitskaart, maar pleit wel voor
een landelijk uniform systeem en voor een goede
overgangsregeling.</al>
      <al>De normopvulling die wordt
veroorzaakt door het klassensysteem zal in de praktijk zeer beperkt
zijn. Binnen de bandbreedte van de bodemklasse is er stand-still voor
zowel de kwaliteit als de functionaliteit. Die blijft in ieder geval
onder de interventiewaarde en is minder extreem dan nu onder het
Bouwstoffenbesluit gebruikelijk is. De ophoging wordt in dat kader als
werk gezien en dus is er de mogelijkheid om tot de interventiewaarde
toe te passen op schone grond. De opvulling tot klassengrenzen treedt
bovendien maar beperkt op omdat het beleidskader geen prikkels
introduceert om te gaan slepen met grond tussen gebieden met
verschillende kwaliteit: er is immers ook ruimte voor toepassing in de
categorie grote bodemtoepassingen. Voorts is de Nederlandse landbodem
voor 86% in gebruik als landbouw of natuurgrond (waarvoor de
Achtergrondwaarden 2000 de grens vormt), voor ca. 7% als woongrond
(klasse midden) en voor ca. 7% als verkeer/industrie (klasse hoog),
waaruit moge blijken dat normopvulling slechts in potentie op 14% van
de landbodems aan de orde is, nog los van het feit dat flinke delen van
die 14% vanwege hun goede kwaliteit (schoon) geen normopvulling
toestaan. Het klassensysteem hoeft daarom niet te worden uitgebreid,
wat tevens de eenvoud en uitvoerbaarheid van het systeem ten goede
komt.</al>
      <al>In het nieuwe beleid voor grond en
baggerspecie constateert de TCB een dreigende achteruitgang van de
bodem- en grondwaterkwaliteit in het landelijk gebied, aangezien zowel
generiek als gebiedsspecifiek meer ruimte wordt geboden voor de
toepassing van verontreinigde grond en baggerspecie. Inmiddels heeft
een nadere uitwerking van zowel het gebiedspecifieke als het generieke
toetsingskader plaatsgevonden, waardoor de zorg van de TCB kan worden
weggenomen. De bodembeheernota is nu met zodanige waarborgen omkleed,
dat van een verslechtering van de kwaliteit van de bodem en het
grondwater in een door het bevoegd gezag aangewezen gebied geen sprake
zou mogen zijn. Verwezen zij naar paragraaf 4.6.2 en 4.6.3. Onder het
generieke toetsingskader hebben de Achtergrondwaarden 2000 als absolute
grens te gelden voor de kwaliteit van grond en baggerspecie in gebieden
met de functie landbouw of natuur. Voorts wordt opgemerkt dat ten
aanzien van het verspreiden van baggerspecie een niet-acceptabele
achteruitgang van de bodem- en grondwaterkwaliteit zal worden voorkomen
middels het vaststellen van nieuwe grenzen bij ministeriële
regeling. Op voorhand kan worden gesteld dat de normen niet op het
niveau van de Achtergrondwaarden 2000 komen te liggen. Bij de
vaststelling van deze nieuwe grenzen zal echter, overeenkomstig artikel
6 van dit besluit, rekening worden gehouden met de risico’s voor
de gezondheid van de mens, de landbouw en ecologische risico’s
onder meer als het gevolg van oplading. Oplading ontstaat doordat het
herhaaldelijk opbrengen van grond en baggerspecie kan leiden tot een
geleidelijke toename van milieubedreigende stoffen in de
bodem.</al>
      <al>In de uiteindelijke invulling van de
klassen is grotendeels aangesloten bij de functiegerichte grenzen zoals
die zijn afgeleid door het RIVM. Daar waar het verschil met de
Interventiewaarde klein is, is omwille van de eenvoud van het systeem
gekozen voor de interventiewaarde. Voor wat betreft de indeling van de
bodem in klassen in het generieke systeem wordt een toetsingsregel
ingevoerd die pas bij overschrijding van meerdere stoffen leidt tot
indeling in een hogere klasse. Dit is bedoeld om de nadelen van een
stofonafhankelijke beoordeling van de vergelijkbare kwaliteit tussen
bodem en grond en baggerspecie te beperken. Deze toetsingsregel wordt
bij ministeriële regeling vastgesteld. Als voorlopige
toetsingsregel geldt dat een ontvangende bodem pas ingedeeld in een
hogere klasse als tenminste twee stoffen in die slechtere klasse zitten
of ingeval het een stof betreft waarvan de overschrijding van de
normgrens meer dan 50% is. Deze voorlopige toetsingsregel zal bij het
totstandkomen van de ministeriële regeling worden
geëvalueerd en eventueel worden bijgesteld als blijkt hij
onvoldoende waarborgen biedt om de bodem te beschermen. In het
gebiedsspecifieke systeem worden lokale maximale waarden op stofniveau
vastgesteld.</al>
      <al>De vergelijking tussen de
kwaliteit van de ontvangende bodem en de kwaliteit van de toe te passen
grond of baggerspecie zou volgens het TCB stofafhankelijk moeten zijn.
In principe is een stofafhankelijke beoordeling een goed uitgangspunt.
Bij een stof<nadruk type="cur">on</nadruk>afhankelijke beoordeling is
er sprake van potentiële normopvulling en is er een risico dat
nieuwe verontreinigende stoffen in een gebied worden
geïntroduceerd (bijv. grond met teveel kwik toepassen in een
gebied met teveel koper).</al>
      <al>In het gebiedsspecifieke kader
worden mede daarom de lokale maximale waarden en de toepassing van de
grond en baggerspecie op stofniveau uitgevoerd. Daarnaast zal dit
probleem hier «niet» spelen omdat alleen gebiedseigen
grond en baggerspecie mag worden toegepast. Ook de risicotoolbox zal
zorgen dat er geen nieuwe risico's voor mens, dier en plant ontstaan in
een gebied.</al>
      <al>In het generieke kader speelt dit probleem met
name in de klasse/functie wonen en bedrijven. Bij de klasse/functie
landbouw en natuur mag alleen schone grond en baggerspecie worden
toegepast en speelt dit probleem dus niet.</al>
      <al>Om
de terechte zorg van het TCB weg te nemen en tevens de gewenste
vereenvoudiging in de normsstellingsystematiek te realiseren is en
wordt gewerkt aan een toetsingregel: de ontvangende bodem zal pas op
basis van 2 of 3 verhoogde stofgehaltes in een volgende klasse worden
ingedeeld terwijl de toe te passen grond/baggerspecie op basis van de
stof met het hoogste gehalte wordt ingedeeld. In de komende periode zal
worden bezien of in de toetingregel nadere eisen moeten worden gesteld
om de terechte zorg van het TCB tav normopvulling en/of nieuwe
verontreinigingen/risico’s weg te nemen.</al>
      <al>Voor het verspreiden van baggerspecie op aangrenzende percelen is
een uitzondering nodig om voldoende ruimte te hebben voor
onderhoudsbaggerspecie die ontstaat uit werkzaamheden ten dienste van
de waterhuishouding, binnen milieuverantwoorde grenzen. Bij
gebiedsspecifieke afwijking moeten de consequenties voor de
bodemkwaliteit inzichtelijk worden gemaakt via een door het Rijk
vastgelegde methodiek, voordat besluitvorming kan
plaatsvinden.</al>
      <al>De mogelijkheden voor monitoring
van de bodemkwaliteit in aanvulling op bestaande meetnetten zullen nog
worden bezien. Mogelijk kan daarbij gebruik worden gemaakt van de
gegevens die gegenereerd worden voor het maken en actualiseren van
bodemkwaliteitskaarten.</al>
      <al>Er zal geen vierde
bodemklasse worden ingesteld. Dit leidt teveel tot extra complicering
van het systeem, zonder afdoende milieuvoordeel te
bieden.</al>
      <al>De TCB is een voorstander van
één samenhangend klassensysteem dat geldt voor zowel
grond als baggerspecie. Verder betreurt de TCB het instandhouden van de
uitzondering voor het verspreiden van baggerspecie op aangrenzende
percelen en bepleit aansluiting bij het bodemklassensysteem.</al>
      <al>Bij de lopende aanpassing van de baggerspecieklassen zal worden
bezien in hoeverre het mogelijk is om beide klassen op elkaar aan te
sluiten. De uitzondering voor het verspreiden van baggerspecie op
aangrenzende percelen blijft nodig om voldoende ruimte te hebben voor
onderhoudsbaggerspecie die ontstaat uit werkzaamheden ten dienste van
de waterhuishouding.</al>
      <al>De TCB staat achter het
instrument bodemkwaliteitskaart, maar pleit wel voor een landelijk
uniform systeem en voor een goede overgangsregeling.</al>
      <al>Deze
aanbeveling wordt meegenomen in de uitwerking van de
ministeriële regeling.</al>
      <tuskop letat="cur">6.2. Reacties naar aanleiding
van de voorpublicatie</tuskop>
      <tuskop letat="cur">6.2.1 Aantal en
algemene duiding</tuskop>
      <al>Naar
aanleiding van de publicatie van het ontwerpbesluit (Stcrt. 2006, 66)
werden van 47 personen en instanties schriftelijke reacties ontvangen.
Een overzicht van die personen en instanties is als bijlage bij de nota
van toelichting opgenomen.</al>
      <al>Een groot aantal van de
binnengekomen reacties ging in op de leesbaarheid en de opbouw en
structuur van het ontwerpbesluit. Naast verzoeken om verduidelijking of
signalen dat bepaalde onderdelen van het besluit onduidelijk waren,
zijn ook voorstellen gedaan voor tekstuele verbetering, verduidelijking
en aanvulling. Al deze reacties zijn geanalyseerd en hebben, waar deze
tot verbetering van het besluit strekten, geleid tot aanpassingen in de
tekst van het besluit, in de volgorde van de artikelen en in de nota
van toelichting. Daarnaast gingen veel reacties in op de inhoud van het
ontwerpbesluit.</al>
      <al>De vaste commissie voor Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft naar aanleiding van het
ontwerpbesluit 34 vragen gesteld die door de staatssecretaris van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zijn beantwoord
(Kamerstukken II 2005–2006, 29 383, nr. 52). Met de commissie
heeft voorts een algemeen overleg over het ontwerpbesluit
plaatsgevonden (Kamerstukken II 2005–2006, ...). De verwerking
van de inhoudelijke inspraakreacties is hoofdzakelijk bepaald door de
uitgangspunten zoals neergelegd in de antwoorden op de vragen van de
vaste commissie en de uitkomsten van het algemeen
overleg.</al>
      <tuskop letat="cur">6.2.2
Reikwijdte</tuskop>
      <al>In de inspraak is
ervoor gepleit de meldingsverplichtingen die niet gelden bij
grondverzet door particulieren, ook niet te laten gelden voor
agrarische bedrijven. Een goede bedrijfsvoering vergt dat bij deze
bedrijven veelvuldig in meer of mindere mate grondverzet plaatsvindt.
Aan het bezwaar dat alle handelingen met grond binnen een agrarisch
bedrijf steeds gemeld zouden moeten worden, is tegemoetgekomen met de
beperking dat van melding alleen kan worden afgezien als het gaat om
het toepassen van grond of baggerspecie binnen een landbouwbedrijf,
indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat
landbouwbedrijf behorend perceel waarop een vergelijkbaar gewas wordt
geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie wordt
toegepast.</al>
      <tuskop letat="cur">6.2.3
Bevoegd gezag bij
slootdempingen</tuskop>
      <al>Onder de
werking van het Bouwstoffenbesluit was het onduidelijk bij wie het
bevoegd gezag berustte bij demping van oppervlaktewater bijvoorbeeld
een sloot. Wie in dat geval bevoegd gezag is, zal afhankelijk zijn van
de specifiek omstandigheden van het geval. Om die reden kan ook in het
kader van dit besluit niet in de gewenste duidelijkheid worden
voorzien. In paragraaf 4.7.5 is getracht enigszins richting te geven
aan de uitvoeringspraktijk voor dergelijke
overgangssituaties.</al>
      <tuskop letat="cur">6.2.4
Normstelling</tuskop>
      <al>Zeer veel
reacties hadden betrekking op de normstelling voor bouwstoffen en grond
en baggerspecie en de consequenties daarvan voor bepaalde bouwstoffen
of bepaalde grond- of baggerspeciestromen. Deze reacties vinden niet
hun weerslag in eventuele aanpassingen van het besluit maar worden
betrokken bij de opstelling van de bij het besluit behorende
ministeriële regeling en het overleg daarover. Voor een eerste
inzicht in de gevolgen van de normstelling was aan het ontwerpbesluit
een tabel gevoegd met voorlopige normwaarden. In de ministeriële
regeling vindt de verdere uitwerking van de normstelling plaats. Aan de
hand van de uitgewerkte normstelling zal een bedrijfseffectentoets
worden uitgevoerd waarin de (financiële) gevolgen voor diverse
bouwstoffen en grond- of baggerspeciestromen zullen worden
aangegeven.</al>
      <al>Ook werd er aangegeven dat het niet goed mogelijk
was om een beeld te krijgen van het nieuwe kader, omdat de
ministeriële regeling nog niet is vastgesteld. Een zorgvuldig
eindoordeel over het voorliggende besluit is echter goed te geven. Het
relevante deel van de inhoud van de regeling is daartoe immers
opgenomen in de toelichting en de bijlagen bij het Besluit. Hoewel op
detailniveau de normen nog nadere uitwerking behoeven kan op
hoofdlijnen een goed totaalbeeld worden verkregen van de inhoud van het
Besluit en de daarop gebaseerde
regelingen.</al>
      <tuskop letat="cur">6.2.5
Onderscheid tussen bouwstoffen en grond en
baggerspecie</tuskop>
      <al>Enkele reacties
hadden betrekking op de verschillen tussen het toetsingskader voor
bouwstoffen enerzijds en dat voor grond en baggerspecie anderzijds en
de negatieve gevolgen die deze zouden kunnen hebben voor bepaalde
bouwstoffen. Uitgangspunt van het besluit is echter dat de mate van
bescherming bij grond en baggerspecie verschilt van die van
bouwstoffen. Grond en baggerspecie bevinden zich immers al in het
milieu, terwijl bouwstoffen afkomstig zijn uit een (industrieel)
productieproces. Aan de kwaliteit van bouwstoffen mogen dan ook andere
eisen gesteld worden.</al>
      <tuskop letat="cur">6.2.6 Aansluiting bij de
ruimtelijke ordening</tuskop>
      <al>In de
inspraak is meerdere keren aangegeven dat er voor wat betreft de
functiekaarten (in het generieke kader) een betere vertaling naar de
ruimtelijke ordening zou moeten komen.</al>
      <al>Het is
momenteel niet mogelijk om de functiekaarten één op
één door te vertalen naar de ruimtelijke ordening. De
functies zijn namelijk een onderdeel van het centraal vastgelegde kader
en de bestemmingen in een bestemmingsplan worden decentraal
vastgesteld. Er is dus niet één lijn te trekken uit de
gebruiksfuncties in de bestemmingsplannen, hetgeen wel nodig is voor
het generieke kader bij grond en baggerspecie. Wel wordt in het Besluit
mogelijk gemaakt dat door middel van een transponeringstabel het
bevoegd gezag bij besluit kan aangeven welke functie bij welke
bestemming hoort (in plaats van het apart opstellen van een
functiekaart). Daarnaast is expliciet aangegeven dat voor de motivering
uiteraard kan worden aangesloten bij de ruimtelijke ordening. Aldus
wordt de relatie met de ruimtelijke ordening niet uit het oog
verloren.</al>
      <al>Ook werd de vraag gesteld of gegevens uit
gemeentelijke bestuurlijke informatiesystemen gebruikt mogen worden de
vast te stellen bodemfunctiekaarten. Tegen het gebruik van bestaande
gegevens bestaat geen bezwaar, mits voldaan wordt aan dezelfde
voorwaarden als bij gegevens die onder de werking van het besluit tot
stand komen.</al>
      <tuskop letat="cur">6.2.7
Decentralisatie</tuskop>
      <al>Een groot
aantal reacties had betrekking op de decentralisatie van het grond- en
baggerbeleid.</al>
      <al>Daarbij was sprake van instemming met het nieuwe
beleidskader, naast vrees voor een grote mate van versnippering met
alle negatieve gevolgen van dien. Gesteld kan worden dat binnen het
nieuwe beleidskader het decentrale gezag gebonden is aan op rijksniveau
vastgestelde randvoorwaarden. Enerzijds maakt dit mogelijk dat
ingespeeld kan worden op lokale situaties, terwijl anderzijds gezorgd
wordt voor een milieuhygiënische waarborg.</al>
      <al>Er werd
verzocht om uitleg over standstill op gebiedsniveau. Deze invulling van
standstill geldt in het decentrale kader. Een bevoegd gezag kan er voor
kiezen om een gedeelte van een gebied «vuiler» te laten
worden (mag alleen met gebiedseigen grond en niet met grond van
puntverontreinigingen) om een ander gedeelte van het gebied te laten
«verschonen». Hierdoor kan er op de vierkante centimeter
een achteruitgang van de bodem optreden (wat uiteraard nooit mag leiden
tot risico’s voor mens, dier en plant), maar wordt in het gehele
gebied tenminste standstill
gewaarborgd.</al>
      <tuskop letat="cur">6.2.8
Opnieuw gebruiken van
bouwstoffen</tuskop>
      <al>In enkele
reacties werd gesteld dat het opnieuw gebruiken van bouwstoffen aan een
aanzienlijk zwaarder regime wordt onderworpen dan voordien. De vraag
hierbij is waarmee dit regime wordt vergeleken. Onder de vigeur van het
Bouwstoffenbesluit konden bouwstoffen alleen opnieuw worden toegepast
wanneer zij opnieuw gekeurd waren door middel van een partijkeuring. In
de Tijdelijke Vrijstellingsregeling Bouwstoffenbesluit 2004 (later
opgenomen in de Wijziging Bouwstoffenbesluit 2005) werden enkele
bouwstoffen van deze verplichting vrijgesteld. Deze vrijstelling wordt
thans verbreed naar alle bouwstoffen, zij het dat dan wel een simpele
melding van het opnieuw gebruiken van een bouwstof moet worden gedaan.
De vrijstelling geldt niet wanneer sprake is van
eigendomsoverdracht.</al>
      <al>Aan de bezwaren dat
bijvoorbeeld bij dakreparaties het opnieuw gebruiken van uitgehaalde
dakpannen steeds gemeld zou moeten worden, wordt tegemoetgekomen door
het continueren van de vrijstelling van de Wijziging Bouwstoffenbesluit
2005 met betrekking tot het zonder bewerking opnieuw op of in de bodem
gebruiken van vormgegeven bouwstoffen van beton, keramiek, natuursteen
en van bakstenen.</al>
      <tuskop letat="cur">6.2.9
Afstemming met de
RAW-systematiek</tuskop>
      <al>In de
inspraak werd gesteld dat een afstemming tussen het Besluit
bodemkwaliteit en de RAW-systematiek, bijvoorbeeld op het gebied van
risicoverdeling en aansprakelijkheid van deelnemers in de keten, werd
gemist. Deze afstemming werd essentieel geacht voor de uitvoerbaarheid.
Met de vertegenwoordigers van het CROW (Kennisplatform voor
infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte), die de RAW
(Rationalisatie en automatisering in de grond-, water- en wegenbouw en
de verkeerstechniek) beheert, heeft hierover overleg plaatsgevonden.
Van die zijde werd aangegeven, dat er geen problemen bij de invoering
van het Besluit bodemkwaliteit worden verwacht. Wel zullen er aan de
RAW kleine aanpassingen moeten plaatsvinden, waaraan van ambtelijke
zijde medewerking is
toegezegd.</al>
      <tuskop letat="cur">6.2.10
Bestuurlijk lasten</tuskop>
      <al>In de
inspraak is naar voren gekomen dat niet duidelijk is hoe in de kosten
van de decentrale overheden is voorzien. Zoals uit de paragrafen 3.6.7
en 4.11.4 blijkt wordt er geen verhoging van de bestuurlijke lasten
verwacht. Mocht dit anders zijn dan gelden uiteraard de afspraken die
zijn gemaakt tussen de rijksoverheid en de decentrale overheden: er
wordt dan gekeken wat er moet worden
gecompenseerd.</al>
      <tuskop letat="cur">6.3 Advies Raad van
State</tuskop>
      <al>In het onderhavige besluit is voor een
belangrijk deel het advies van de Raad van State over de wijziging van
de Wet bodembescherming met het oog op de nieuwe regels voor de
toepassing van bouwstoffen, grond en
baggerspecie<voetref refid="b6"></voetref><voetnoot id="b6"><nootnr>6</nootnr><noottkst><al>Advies
van 23 december 2005, nr. W08.05.0433/V.</al></noottkst></voetnoot>
geïncorporeerd, zoals ook is aangegeven in het nader
rapport<voetref refid="b7"></voetref><voetnoot id="b7"><nootnr>7</nootnr><noottkst><al>Kamerstukken
II, 2005/06, 30 522, nr. 4.</al></noottkst></voetnoot>.</al>
      <al>De Raad van
State heeft op 10 oktober 2006 advies uitgebracht over het onderhavige
besluit<voetref refid="b8"></voetref><voetnoot id="b8"><nootnr>8</nootnr><noottkst><al>Advies
van 10 oktober 2006, nr. W08.06.0339/V, en van 10 september
2007, nr. W08.07.0189/IV.</al></noottkst></voetnoot>.</al>
      <tuskop letat="cur">6.4
Notificatie</tuskop>
      <al>Het ontwerpbesluit is op 13
september 2006 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen
(notificatienummer 2006/0496/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste
lid, van richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een
informatieprocedure op het gebied van normen en technische
voorschriften en regels betreffende de diensten van de
informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr.
98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).</al>
      <al>De artikelen 28, 29,
31, 38 en 63 bevatten mogelijk technische voorschriften. Deze
bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; ze zijn
evenredig en, daar waar nodig, voorzien van een
gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning. Er
zijn geen reacties ontvangen van de lidstaten.</al>
      <al>Na deze melding
is een beperkte verruiming aangebracht in artikel 29, eerste lid, onder
d, waarmee een bepaling uit het Bouwstoffenbesluit wordt gecontinueerd.
Verder is artikel 3.8.2, eerste lid, van de ontwerpregeling
bodemkwaliteit, die op 17 oktober 2006 is gemeld aan de Commissie van
de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2006/0557/NL), eveneens
ter voldoening van artikel 8, eerste lid, van genoemde richtlijn,
overgeheveld naar het besluit in artikel 28, eerste lid, onder d.
Hetzelfde geldt voor artikel 3.3.1, tweede lid, van genoemde
ontwerpregeling, dat is overgeheveld naar artikel 26, vierde lid van
het besluit en voor artikel 4.7.1, eerste lid, onder b van de
ontwerpregeling, dat is overgeheveld naar artikel 42, tweede lid, onder
e. Deze wijzigingen bevatten geen nieuwe technische voorschriften. Om
deze reden is het gewijzigde ontwerpbesluit niet opnieuw aan de
Commissie van de Europese Gemeenschappen gemeld ter voldoening van
artikel 8, eerste lid, van genoemde richtlijn.</al>
      <al>Het ontwerpbesluit is niet aan de WTO gemeld, omdat het in dat
kader geen significante gevolgen
heeft.</al>
      <tuskop letat="vet">II. ARTIKELSGEWIJS</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Grondslagen van het
besluit</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Wet
milieubeheer</tuskop>
      <al>De in de aanhef
genoemde artikelen van de Wet milieubeer die beogen om aan het besluit
de noodzakelijke delegatiegrondslagen te bieden voorzover die
gronslagen niet mede in de andere in de aanhef genoemde wetten kan
worden gevonden zijn in de eerste plaats de artikelen 1.1, zevende lid,
10.2, tweede lid, 10.15, eerste en 10.17, eerste lid waarin regels
worden gesteld met betrekking tot nuttige toepassing van afvalstoffen.
Die grondslagen zijn noodzakelijk voor wat betreft de hoofdstukken 1,
3, 4 en 5. Artikel 8.40 van de Wet milieubeheer geeft de noodzakelijke
steun aan het besluit waar het gaat om de de regels die betrekking
hebben op inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de
Wet milieubeheer. De overige genoemde artikelen uit hoofdstuk 8 van de
Wet milieubeheer bieden steun aan de aan het slot van het besluit
opgenomen wijzigingsvoorstellen voor enkele met de aan de orde zijnde
materie verband houdende andere besluiten. De artikelen 11.1, 11.2 en
11.3 van de Wet milieubeheer bieden de noodzakelijke
delegatiegrondslagen voor hoofdstuk 2 van het besluit.</al>
      <tuskop letat="cur">Wet bodembescherming</tuskop>
      <al>Voor wat betreft de Wet bodembescherming bieden de
in die wet genoemde artikelen 6, 7 en 8 met name steun aan de regels
met betrekking tot de toepassingen van grond en baggerspecie waar deze
bepalingen betrekking hebben op het stellen van regels die in het
belang van de bescherming van de bodem en meer in het bijzonder zien op
het verrichten van handelingen met stoffen op of in de bodem of het
uitvoeren van werken op of in de bodem. De artikelen 12a en 12b bieden
steun aan die bepalingen van het besluit waarbij een differentiatie
wordt aangebracht in de bodem voor de toepassingen van grond en
baggerspecie en waarbij de mogelijkheid wordt gebruikt om
bestuursorganen aan te wijzen die onder bepaalde voorwaarden kunnen
afwijken van de bij of krachtens het besluit gestelde voorschriften. De
overige genoemde artikelen van de Wet bodembescherming bieden een
nadere detaillering van de genoemde bevoegdheden om in dit besluit
nadere regels te stellen en eventueel te delegeren naar het niveau van
de ministeriële regeling.</al>
      <tuskop letat="cur">Wet verontreiniging
oppervlaktewateren</tuskop>
      <al>Om deze
algemene regels mogelijk te maken, is de Wvo gewijzigd. Conform de
bestaande systematiek voor algemene regels naast of in de plaats van de
vergunningplicht is om de nieuwe algemene regels mogelijk te maken
overwegend aansluiting gezocht bij de wijzigingen die in de Wm worden
doorgevoerd<voetref refid="b9"></voetref><voetnoot id="b9"><nootnr>9</nootnr><noottkst><al>Stb.
2006, 606.</al></noottkst></voetnoot>. In afwijking daarvan is voor wat betreft
de hieronder als laatst genoemde verandering aangesloten bij de daarop
betrekking hebbende wijziging die in de Wbb doorgevoerd
is<voetref refid="b10"></voetref><voetnoot id="b10"><nootnr>10</nootnr><noottkst><al>Stb. 2006,
152.</al></noottkst></voetnoot>.</al>
      <al>– bij algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald, of een lozing aan het bevoegd gezag gemeld moet worden.
Voorafgaand aan de wetswijziging was deze melding altijd
vereist;</al>
      <al>– er wordt een
delegatiemogelijkheid geboden om binnen de in dit besluit gestelde
randvoorwaarden bij ministeriële regeling in de noodzakelijke
normstelling voorzien;</al>
      <al>– de wet
biedt de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
dat in plaats van bij of krachtens dit besluit aangegeven (technische)
maatregelen andere, tenminste gelijkwaardige maatregelen kunnen worden
toegepast;</al>
      <al>Er is behoefte aan
de mogelijkheid om decentraal in afwijking van het bij of krachtens dit
besluit gestelde generieke toetsingskader te voorzien in een
gebiedsgericht toetsingskader. De wetswijziging voorziet daarvoor in
een op dit besluit afgestemde grondslag.</al>
      <tuskop letat="cur">Hoofdstuk 1. Algemeen</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1, eerste
lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Achtergrondwaarden</nadruk> – De
achtergrondwaarden zijn ontleend aan de waarden die zijn vastgesteld in
het project Achtergrondwaarden 2000 (AW 2000) en zijn gepubliceerd in
het TNO-rapport 2006-U-R0044/A, Beleidsmatig vervolg AW 2000,
Voorstellen voor normwaarden op achtergrondniveau en bijbehorende
toetsingsregel; maart 2006. De achtergrondwaarden zijn vastgesteld op
basis van gehalten aan chemische stoffen zoals die voorkomen in de
bodem van natuur- en landbouwgronden, omdat daarin naar verwachting een
niet meer dan normale diffuse achtergrondbelasting uit antropogene en
natuurlijke bronnen aanwezig wordt geacht (in de definitie uitgedrukt
als een goede bodemkwaliteit). Bodems in relatief onbelaste gebieden in
Nederland voldoen in overgrote meerderheid aan de achtergrondwaarden.
Met een normale diffuse achtergrondbelasting wordt bedoeld de
verspreide belasting van de Nederlandse bodem, vooral via atmosferische
depositie.</al>
      <al>Locaties waar een vermoeden bestaat van
bodembelasting door lokale bronnen zijn bij de bepaling van de
achtergrondgehalten niet meegenomen.</al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Baggerspecie</nadruk> – Anders dan in de
definitie van «grond», ontbreekt in de definitie van
baggerspecie het woord «vast». Baggerspecie is immers
geen vast materiaal. Sediment valt mede onder het begrip
«baggerspecie». Voor de vraag of al dan niet sprake is
van baggerspecie is de herkomst daarvan leidend. Indien het materiaal
via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte is
vrijgekomen, is sprake van baggerspecie als bedoeld in dit besluit.
Indien de baggerspecie echter vervolgens daarbuiten op of in de
landbodem wordt toegepast, is na de toepassing niet langer sprake van
baggerspecie als bedoeld in dit besluit. Indien het materiaal te zijner
tijd weer wordt ontgraven is dan ook sprake van grond.</al>
      <al>Zie ook
paragraaf 4.1.1 voor een nadere toelichting.</al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Accreditatie</nadruk> – Zie de nota van
toelichting bij het Besluit uitvoeringskwaliteit
bodembeheer.</al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Bouwstof</nadruk> – Steenachtig materiaal
bedoeld om te worden toegepast in een werk. Het gaat hierbij dus niet
om grondstoffen of halffabrikaten. Die vallen buiten dit besluit. Ook
bouwstoffen die zijn vervaardigd, maar die niet aan de eisen blijken te
voldoen en die vervolgens worden afgevoerd, zijn niet bedoeld om te
worden toegepast.</al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Certificaat</nadruk> – Zie de nota van
toelichting bij het Besluit uitvoeringskwaliteit
bodembeheer.</al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Erkenning</nadruk> – Zie de nota van
toelichting bij het Besluit uitvoeringskwaliteit
bodembeheer.</al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Grond</nadruk>
– Zie paragraaf 4.3.1.</al>
      <al>
        <nadruk type="cur">IBC-bouwstof</nadruk> – Een
niet-vormgegeven bouwstof die niet kan voldoen aan de emissie-eisen
voor open toepassingen, maar wel aan de eisen voor geïsoleerde
toepassingen (zie ook de toelichting bij artikel
30).</al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Instelling</nadruk>
– Zie de nota van toelichting bij het Besluit
uitvoeringskwaliteit bodembeheer.</al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Milieuhygiënische verklaring</nadruk>
– Zie paragraaf 5.1.</al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Normdocument</nadruk> – Zie de nota van
toelichting bij het Besluit uitvoeringskwaliteit
bodembeheer.</al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Partij</nadruk> –
Dit is de eenheid die wordt gehanteerd voor het verhandelen en
toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie. Ook de bemonstering
en keuring zijn gebaseerd op een bepaalde partijgrootte. Voor een
partij geldt dat deze een beperkte kwaliteitsverdeling moet hebben. Dit
heeft tot gevolg dat ook alleen verschillende partijen van
vergelijkbare kwaliteit mogen worden samengevoegd tot een nieuwe
partij, zoals bouwstoffen die aan dezelfde maximale waarden voldoen,
ongekeurde bouwstoffen van vergelijkbare aard en oorsprong, of grond of
baggerspecie van dezelfde bodemkwaliteitsklasse. Anders zou sprake
kunnen zijn van het wegmengen van verontreinigingen, hetgeen
onwenselijk is voor het milieu.</al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Toepassen van een bouwstof</nadruk> – Bij
het toepassen gaat het zowel om het daadwerkelijk aanbrengen van
bouwstoffen in een werk, als om het houden van een bouwstof in dat
werk. Zowel de aannemer en de opdrachtgever, als de eigenaar en
beheerder van het werk worden hierdoor aangemerkt als toepasser in de
zin van dit besluit. Daarnaast kan er sprake zijn van toepassen door
een «houder» in de zin van de Kaderrichtlijn
afvalstoffen, te weten de producent van de afvalstoffen of de
natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in bezit heeft. Wie
zal worden aangesproken, is sterk afhankelijk van de fase van
totstandkoming waarin het werk zich bevindt.</al>
      <al>Voor de
toepassing van het besluit wordt onder «het toepassen van
bouwstoffen in oppervlaktewater» mede verstaan het toepassen van
bouwstoffen op of in de bodem onder oppervlaktewater. Onder het
toepassen van bouwstoffen wordt ook het toepassen daarvan op of in de
bodem van dat oppervlaktewater, de waterbodem, verstaan. Hiermee wordt
de in de jurisprudentie gevormde lijn ten aanzien van de reikwijdte van
het begrip oppervlaktewater expliciet tot uitdrukking gebracht. In de
jurisprudentie is namelijk bepaald, dat de reikwijdte van het begrip
«oppervlaktewater» en daarmee van de Wvo zich niet enkel
beperkt tot het water zelf, maar ook de bodem omvat waarop dit water
zich al dan niet bij voortduring bevindt. Zie hieromtrent ook paragraaf
1.6</al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Toepassen van grond of
baggerspecie</nadruk> – Bij het toepassen gaat het zowel om het
daadwerkelijk aanbrengen van grond of baggerspecie op of in de bodem of
in oppervlaktewater, als om het houden van grond of baggerspecie op of
in de bodem of in de bodem onder oppervlaktewater. Ook wordt hieronder
verstaan het verspreiden van baggerspecie en het tijdelijk opslaan van
grond of baggerspecie in afwachting van de definitieve toepassing.
Zowel de toepasser en de opdrachtgever, als de eigenaar en de beheerder
van de bodem of de bodem onder oppervlaktewater worden hierdoor
aangemerkt als toepasser in de zin van dit besluit. Daarnaast kan er
sprake zijn van toepassen door een «houder» in de zin van
de Kaderrichtlijn afvalstoffen, te weten de producent van de
afvalstoffen of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in
bezit heeft. Wie zal worden aangesproken, is sterk afhankelijk van de
fase van totstandkoming waarin het werk zich bevindt.</al>
      <al>Hierbij
wordt opgemerkt dat er niet in alle gevallen gesproken kan worden van
het «houden» van grond of baggerspecie in een bepaalde
toepassing. Zo wordt bij het verspreiden van baggerspecie in
oppervlaktewater baggerspecie niet in een toepassing gehouden, omdat
daarmee niet wordt beoogd om een blijvende toepassing op een bepaalde
locatie te realiseren. Het houden van grond en baggerspecie is wel
relevant voor grootschalige toepassingen. Zie verder ook de toelichting
bij artikel 35.</al>
      <al>De tweede alinea bij de definitie van
toepassen van een bouwstof is van overenkomstige toepassing, met dien
verstande dat voor bouwstoffen moet worden gelezen; grond of
baggerspecie.</al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Werk</nadruk>
– Dit is een breed begrip dat alle functionele toepassingen van
bouwstoffen op of in de bodem of in oppervlaktewater dekt. Daarbij gaat
het in de meeste gevallen om gebouwen, wegen, spoorwegen, bruggen,
enzovoort. In de definitie van het toepassen van bouwstoffen is
opgenomen dat het gaat om het in een werk aanbrengen of houden van
bouwstoffen. In een aantal situatiesmogen geen bouwstoffen worden
toegepast. Deze situaties zijn uitgezonderd van het begrip werk.</al>
      <al>Het gaat hierbij om verondiepingen en dempingen van
oppervlaktewater en ophogingen tot het maaiveld ten behoeve van de
aanleg van woonwijken en industrieterreinen. Het oogmerk van deze
toepassingen is dat ze blijvend onderdeel gaan uitmaken van de bodem.
Dergelijke toepassingen behoren te worden aangelegd met grond of
baggerspecie en niet met bouwstoffen. Dit past bij het onderscheid in
uitgangspunten tussen de toepassing van bouwstoffen en de toepassing
van grond en baggerspecie. Hierbij geldt dat bouwstoffen tijdelijk
worden toegepast en na het wegvallen van de functie van een werk weer
moeten worden verwijderd, terwijl grond en baggerspecie blijvend
onderdeel worden van de bodem.</al>
      <al>Een fundering onder een gebouw,
weg of parkeerterrein blijft wel mogelijk als een werk waarin
bouwstoffen worden toegepast. Hier is het oogmerk niet het blijvend
onderdeel uitmaken van de bodem, maar om een civieltechnisch goede
constructie te maken. Ook een werk op een verondieping, zoals een laag
breuksteen om wegspoeling van de toegepaste grond of bagger te
voorkomen, blijft een civieltechnisch noodzakelijk werk uitgevoerd met
bouwstoffen.</al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Werkzaamheid</nadruk> – Zie de nota van
toelichting bij het Besluit uitvoeringskwaliteit
bodembeheer.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel
2</tuskop>
      <al>Het bevoegd gezag en de bevoegdheid tot
bestuurlijke handhaving in het kader van dit besluit is verdeeld over
verschillende bestuursorganen. Dit is mede een gevolg van de bestaande
structuren van de wetten waarop dit besluit is gebaseerd. De
bevoegdheidsverdeling is uitgebreid beschreven in paragraaf 5.2.2.</al>
      <tuskop letat="cur">Eerste lid</tuskop>
      <al>Het toezicht op de toepassing van grond,
baggerspecie of bouwstoffen en de bestuurlijke handhaving van het zelf
toepassen of door een ander laten toepassen van bouwstoffen is de
bevoegdheid van het college van burgemeester en
wethouders.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede
lid</tuskop>
      <al>Wanneer in het kader van
hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer en het Inrichtingen- en
vergunningenbesluit milieubeheer een ander bevoegd gezag is aangewezen
voor het verlenen van een vergunning voor een inrichting, is dat gezag
ook bevoegd voor de toepassing van bouwstoffen binnen die inrichting.
Voor inrichtingen waarvoor geen vergunningplicht geldt, maar waarop
algemene regels op grond van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer van
toepassing zijn, is het bevoegd gezag in het kader van de
desbetreffende algemene maatregel van bestuur tevens het bevoegd gezag
voor het onderhavige besluit.</al>
      <tuskop letat="cur">Derde lid</tuskop>
      <al>Gezien de reikwijdte van de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren (Wvo) is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd
gezag voor de toepassing van bouwstoffen in het oppervlaktewater, zowel
ten aanzien van de aannemer, als de opdrachtgever.</al>
      <tuskop letat="cur">Vierde lid</tuskop>
      <al>In de praktijk zal de VROM-Inspectie de
bevoegdheden uitoefenen die aan de minister van VROM zijn
geattribueerd. Deze bevoegdheden betreffen de rol van bevoegd gezag
voor de productie tot en met transport van
bouwstoffen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 3</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Eerste
lid</tuskop>
      <al>Het college van burgemeester
en wethouders is het bevoegd gezag voor het toepassen van grond of
baggerspecie op of in de bodem.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>Wanneer in het kader van hoofdstuk 8 van de Wet
milieubeheer en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
een ander bevoegd gezag is aangewezen voor het verlenen van een
vergunning voor een inrichting, is dat gezag ook bevoegd voor de
toepassing van grond en baggerspecie binnen die inrichting (zie ook de
toelichting bij artikel 2, tweede lid).</al>
      <tuskop letat="cur">Derde lid</tuskop>
      <al>De toelichting bij artikel 2, derde lid is van
overeenkomstige toepassing.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4</tuskop>
      <al>Dit
artikel regelt de handhaving van de bij of krachtens dit besluit
geldende verplichtingen voor de verschillende toepassingsvormen van
bouwstoffen, grond of baggerspecie. Hierbij wordt aangesloten bij de
bevoegdheden van de verschillende bestuursorganen, zoals die in de
artikelen 2 en 3 zijn vastgelegd. Voor een toelichting met betrekking
tot de verschillende toepassingsvormen wordt verwezen naar de
toelichting bij de artikelen van hoofdstuk 3 en 4.</al>
      <al>De Minister van VROM heeft op basis van het eerste lid de taak om
de handhaving in de keten en bij de toepassing zodanig te organiseren
en te faciliteren dat deze doelmatig en effectief kan
verlopen.Uiteraard vindt er eerst afstemming plaats met de
bestuursorganen die krachtens het tweede en derde lid een rol spelen
bij de handhaving.</al>
      <al>Voor toepassingen van bouwstoffen, grond of
baggerspecie in oppervlaktewater wordt vooralsnog vastgehouden aan de
bestaande organisatie van de handhavingwaarbij de hoofdregel is dat de
dagelijkse besturen van de waterschappen deze rol vervullen ten aanzien
van regionale oppervlaktewateren en de minister van Verkeer en
Waterstaat (regionale diensten rijkswaterstaat) ten aanzien van de
(veelal) grotere zogenaamde rijkswateren. Dit vloeit voort uit artikel
1 van de Wvo, dat uitgaat van een breed normadressaat, alsmede artikel
3 van de Wvo, dat ten grondslag ligt aan de verdeling van de
bevoegdheden tussen waterschappen en het Rijkrijkswaterstaat.Op grond
van de artikelen 1 en 29 Wvokan in beginsel zowel ten aanzien van de
aannemer, als de opdrachtgever door de waterkwaliteitsbeheerder tot
handhaving over worden gegaan. Het doorvoeren van de voor de landbodem
in het kader van de ketenhandhaving gekozen knip, zou een fundamentele
wijziging van de Wvo met zich meebrengen die vooralsnog niet opportuun
wordt geacht. Bij een dergelijke wijziging, die mede in het licht van
de Waterwet moet worden bezien, doet zich onder meer de vraag voor of
deze wijziging zich tot de werking van dit besluit zou moeten beperken.
Op basis van de ervaringen die de komende twee jaar worden opgedaan met
het besluit en in afstemming met de regionale waterkwaliteitsbeheerders
zal worden bezien of alsnog moet worden aangesloten bij de voor de
landbodem gekozen organisatie van de handhaving.</al>
      <al>In het tweede lid is bepaald dat ingeval van meerdere bevoegde
gezagsinstanties voor één toepassing, bijvoorbeeld bij
grote werken die gemeentegrensoverschrijdend zijn, één
bevoegd gezag wordt aangewezen. Hieruit vloeit niet noodzakelijk een
aanwijzing van de minister uit voort. Voor het geval waarin het laatste
zich voordoet, is in het eerste lid een uitzondering opgenomen. Het
gecoördineerde toezicht kan vorm krijgen doordat het aangewezen
bevoegd gezag dienst doet als loket voor degene die de bouwstof, grond
of baggerspecie toepast of een overlegstructuur organiseert om een
eenduidige aanpak van het toezicht van de betrokken gemeenten te
bewerkstelligen.</al>
      <al>De bepalingen in het eerste en tweede lid
zijn mede ingegeven door het systeem dat in artikel 18.3 van de Wet
milieubeheer is neergelegd en dat mede herkenbaar is in artikel 5.3 van
het ontwerp van Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht.</al>
      <al>Op basis van het derde lid
handhaven burgemeester en wethouders de verplichtingen met betrekking
tot het toepassen op de landbodem, de plicht om een milieuhygienische
verklaring te verstrekken met het oog op het toepassen van bouwstoffen
en de meldingsplicht. Burgemeester en wethouders zijn op grond van dit
artikel niet bevoegd om de verplichtingen met betrekking tot toepassing
in oppervlaktewater te handhaven.</al>
      <al>Voor wat
betreft het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie op of in
de landbodem zal de VROM-inspectie de handhavingstaak die in het vierde
lid aan Onze Minister is toegekend uitoefenen ten aanzien van degene
die in opdracht bouwstoffen toepast. Hierbij dient met name te worden
gedacht aan (onder)aannemers. Deze taak is gelegd bij de landelijke
inspectie en niet bij individuele gemeenten, omdat aannemers veelal
landelijk opereren (zie ook paragraaf 5.2.1 en verder). Anders dan voor
bouwstoffen zijn voor grond of baggerspecie in hoofdstuk 4 van het
besluit geen voorschriften opgenomen voor de keten tot het toepassen,
zijnde de productie tot en met het transport van grond of baggerspecie.
In belangrijke mate wordt dit deel van de keten gereguleerd in
hoofdstuk 2 van het besluit en hebben de minister van VROM en de
minister van Verkeer en Waterstaat daarvoor een
handhavingstaak.</al>
      <al>Het vijfde lid voorkomt dat
elke schakel in de keten zich genoodzaakt ziet om te voldoen aan de in
dat lid genoemde verplichtingen. Deze bepaling beoogt de
administratieve lasten, zowel aan de kant van de uitvoering als aan de
kant van de handhaving, te beperken.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Eerste
lid</tuskop>
      <al>Dit artikel bepaalt het
toepassingsbereik van dit besluit. Dit besluit ziet enerzijds op het
– in een werk – toepassen van bouwstoffen en anderzijds
op het toepassen van grond en baggerspecie voor zover het de in artikel
35 genoemde handelingen betreft. Overeenkomstig artikel 11 van de
Kaderrichtlijn afvalstoffen kunnen afvalstoffen uitsluitend worden
toegepast als nuttige toepassing.</al>
      <al>Hiertoe geeft het artikel in
de eerste plaats in de onderdelen a en b twee criteria voor
functionaliteit, waarmee afdoende wordt gewaarborgd dat bouwstoffen,
grond of baggerspecie alleen worden benut voor maatschappelijk
noodzakelijke toepassingen waarbij de toe te passen hoeveelheden
begrensd zijn tot hoeveelheden die daadwerkelijk nodig zijn voor deze
toepassingen.</al>
      <al>Er mag ten eerste niet meer materiaal worden
toegepast dan nodig is voor de toepassing, waarbij bijvoorbeeld kan
worden gedacht aan het aanleggen van een geluidswal die hoger is dan
nodig om het geluid te weren. Ten tweede mag er ook geen toepassing
plaatsvinden die niet volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats
waar en onder de omstandigheden waaronder wordt toegepast. Aan die
maatstaven wordt onder meer inhoud gegeven door technische inzichten,
normen, producteisen mede met het oog op verwachte ruimtelijke
ontwikkeling van een bepaald gebied. Zo wordt een geluidswal in een
gebied zonder geluidsgevoelige objecten gezien als een middel om zich
te ontdoen van afvalstoffen.</al>
      <al>In de derde plaats is in
onderdeel c een koppeling gemaakt met nuttige toepassingen in de zin
van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Dit vereiste komt
slechts in beeld indien een werk of een toepassing van grond of
baggerspecie als bedoeld in artikel 35 toch geen nuttige toepassing
blijkt te zijn, hoewel is voldaan aan de onderdelen a en b van dit
artikel en de overige eisen die daaraan zijn gesteld bij of krachtens
dit besluit.</al>
      <al>In de praktijk betekent dit artikel dat altijd
een goede civieltechnische, bouwtechnische, geluidstechnische, of zelfs
esthetische onderbouwing beschikbaar moet zijn, afhankelijk van het
doel van het werk of de toepassing van grond of baggerspecie. Indien
niet aan de criteria voor functionaliteit wordt voldaan is geen sprake
van nuttige toepassing, maar van het verwijderen van afvalstoffen.
Hiervoor geldt het stortregime van de Wm.</al>
      <al>In
paragraaf 5.3.3 is voor wat betreft het toepassen van bouwstoffen en in
de toelichting op artikel 35 voor wat betreft het toepassen van grond
of baggerspecie onderbouwd welke nuttige toepassingen als bedoeld in
voornoemde richtlijn het betreft. Uitgangspunt is dan ook dat het
bevoegd gezag ingeval van werken als bedoeld in artikel 1 en
toepassingen als bedoeld in artikel 35 van dit besluit er vanuit mag
gaan dat sprake is van een nuttige toepassing, mits dat werk of die
toepassing voldoet aan de daaraan gestelde eisen bij of krachtens dit
besluit.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede
lid</tuskop>
      <al>In dit lid wordt gebruik
gemaakt van de in de artikelen 2 a en 2b van de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren (Wvo) geboden mogelijkheid om de vergunningplicht te
vervangen door algemene regels. Het lid bepaalt dat een
vergunningplicht niet geldt voor toepassingen die onder de reikwijdte
van dit besluit vallen en voldoen aan de in het eerste lid gestelde
eisen. Voor zover een toepassing niet aan het eerste lid voldoet geldt
de vergunningplicht op grond van de Wvo onverkort. Voor toepassing van
bouwstoffen, grond of baggerspecie is dan ingevolge de Wm sprake van
storten en moet worden bezien of – voor zover de Wm storten
mogelijk maakt – hiervoor ook een vergunning op grond van de Wvo
kan worden verleend.</al>
      <al>In een aantal gevallen kan niet worden
teruggevallen op de vergunningplicht. In de eerste plaats geldt dit
voor toepassingen die weliswaar onder de reikwijdte van het eerste lid
vallen, maar die krachtens de artikelen 28, vijfde lid en 37, eerste
lid, zijn verboden. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de
(nuttige) toepassing van grond of baggerspecie, waarbij het zogenaamde
saneringscriterium wordt overschreden. Daarnaast kan voor de volgende
twee situaties niet alsnog een vergunning worden verleend. Voor
IBC-bouwstoffen en het verspreiden in oppervlaktewater buiten
aangewezen verspreidingsvakken of boven aangewezen hoeveelheden is
expliciet bepaald, dat toepassing daarvan verboden is, waardoor
regulering hiervan niet via een Wvo-vergunning kan plaatsvinden. Voor
dergelijke toepassingen kan niet alsnog een vergunning worden verleend,
maar dient op basis van dit besluit handhavend te worden
opgetreden.</al>
      <tuskop letat="cur">Derde
lid</tuskop>
      <al>Door de wijziging van de Wet
milieubeheer met ingang van 1 januari 2008 (Stb. 2006, 606) is het
stelsel van de Wet milieubeheer aangepast in die zin dat de
vergunningplicht ingevolge die wet alleen geldt, indien het een
inrichting betreft die is aangewezen op grond van artikel 8.1 van die
wet.</al>
      <al>Dit noopt tot aanpassing van het ontwerp om het tot nog
toe gevolgde stelsel, te weten algemene regels voor de toepassing om de
vergunningplicht te omzeilen, te behouden.</al>
      <al>De
afvalstoffenrichtlijn noopt tot het opnemen van een stelsel dat
neerkomt op een systeem van algemene regels dan wel een
vergunningplicht. Deze voorgestelde bepaling beoogt een aanvulling van
het besluit om het in overeenstemming te brengen met de genoemde
wijziging van de Wet milieubeheer.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 6</tuskop>
      <al>In
dit artikel wordt bepaald dat het stellen van regels en het toetsen aan
maximale waarden dienen te voldoen aan artikel 4 van de KRA. De regels
die zijn vastgelegd in de in dit artikel genoemde artikelen zijn
zodanig opgesteld dat wordt voldaan aan art. 4 van de KRA, indien
bouwstoffen, grond of baggerspecie worden toegepast volgens deze regels
in samenhang met de overige artikelen in dit besluit inclusief de
ruimte die het lokale bevoegd gezag wordt geboden bij de toetsing van
de toepassingen in het gebiedsspecifieke kader.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 7</tuskop>
      <al>In
het kader van de toepassing van bouwstoffen en grond of baggerspecie op
of in de bodem of in oppervlaktewater gelden de algemene
zorgplichtbepalingen van artikel 13 Wbb, artikel 1.1a Wm en artikel 2
van de Wms. Zij zijn bedoeld als vangnet voor situaties waarin sprake
is van kennelijk onzorgvuldig handelen waardoor schade kan ontstaan
voor de mens en het ecosysteem, zonder dat een specifiek wettelijk
voorschrift wordt overtreden. De onderhavige bepaling heeft dezelfde
klassieke vangnetfunctie, maar ziet anders dan de eerder genoemde
bepalingen speciaal op oppervlaktewater.</al>
      <al>De
vangnetfunctie brengt met zich mee dat het bevoegd gezag op basis van
de onderhavige bepaling handhavend kan optreden, indien (potentieel)
nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater optreden
als gevolg van een toepassing in het kader van het besluit. Dit kan
zich bijvoorbeeld voordoen bij parameters die niet op de lijst van
bijlage 1 van het besluit voorkomen of bij parameters die wel op deze
lijst voorkomen, maar waarvoor in de ministeriële regeling bij
het besluit geen eisen zijn opgenomen, zoals voor nutriënten,
zwevend stof, pH en reducerend vermogen. Hierbij kan worden gedacht aan
een geval waarin bemeste landbouwgrond in oppervlaktewater wordt
toegepast voor het verondiepen van een put. Hierdoor kunnen blijvende
negatieve effecten op de kwaliteit van het oppervlaktewater optreden,
ondanks dat met het verondiepen juist een verbetering van de
waterkwaliteit wordt beoogd. Een ander voorbeeld is een plotselinge
verandering van de pH van het oppervlaktewater door toepassing van te
grote hoeveelheden van bepaalde typen bouwstoffen in te korte tijd in
een kleine oppervlaktewateren, waardoor vissterfte kan optreden.</al>
      <al>Om in zulke situaties nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het
oppervlaktewater zoveel mogelijk te voorkomen kan het bevoegd gezag
toepassers vooraf om informatie vragen en zo nodig bij voorbaat in de
vorm van een beleidsregel aangeven in welke gevallen zich nadelige
gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater voordoen. Indien
desondanks sprake is van zodanige nadelige gevolgen en de toepasser
voldoet niet aan de verplichting om deze ongedaan te maken of zoveel
mogelijk te beperken, kan het bevoegd gezag tot handhaving
overgaan.</al>
      <al>Overtreding van de zorgplicht is een economisch
delict dat strafbaar is gesteld op grond van de Wet op de economische
delicten.</al>
      <al>Naast de klassieke vangnetfunctie
heeft de onderhavige bepaling ook een deregulerende functie. Dit wil
zeggen dat de bepaling ook kan fungeren als aanvulling op de algemene
regels voor toepassingen van bouwstoffen, grond en baggerspecie in het
besluit. Voor toepassingen in oppervlaktewater is op grond van artikel
5, tweede lid, van het besluit geen vergunning krachtens de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren vereist, mits wordt voldaan aan de
voorwaarden die worden genoemd in het eerste lid van dat artikel.
Artikel 5, tweede lid, geldt niet voor toepassingen van bouwstoffen,
grond en baggerspecie op of in landbodem. Voor een toepassing op of in
landbodem die nadelige gevolgen kan hebben voor het oppervlaktewater,
zou – zonder de zorgplichtbepaling – een vergunning op
grond van de Wvo zijn vereist. Hierbij moet worden gedacht aan
toepassingen die op grond van het besluit zijn toegestaan, waarbij
stoffen in het oppervlaktewater komen die niet in de lijst in bijlage 1
van het besluit worden genoemd of krachtens het besluit zijn
genormeerd. Indien bij een zodanige toepassing de in de onderhavige
zorgplichtbepaling omschreven maatregelen worden genomen, treedt deze
bepaling echter als algemene regel in de plaats van een
vergunningplicht. Mede om die reden is de onderhavige bepaling in het
besluit opgenomen.</al>
      <al>De deregulerende functie kan bijvoorbeeld
aan de orde zijn bij het vrijkomen van overtollig verzilt water als
gevolg het toepassen van zeezand. Voor de lozing van dit overtollige
water diende onder vigeur van het Bouwstoffenbesluit (naast een melding
op grond van het Bouwstoffenbesluit voor de toepassing zelf) een
vergunning op grond van de Wvo te worden verleend (vgl. onder meer
ABRvS 15 februari 2006, nr. 200506339/1). Aangezien deze lozing
onlosmakelijk verbonden is met de toepassing van zeezand, is een
afzonderlijke vergunning, mede vanwege het streven naar reductie van de
administratieve lasten niet gewenst. De onderhavige bepaling
bewerkstelligt dat, indien wordt voldaan aan de zorgplicht, voor een
dergelijke lozing geen Wvo-vergunning nodig is.</al>
      <al>Voor toepassingen op of in de landbodem met gevolgen voor de
kwaliteit van het oppervlaktewater, waarbij de zorgplicht niet wordt
nagekomen, kan geen vergunning op grond van de Wet verontreiniging
oppervlaktewater worden verleend. In artikel 28, vijfde lid, en artikel
37 van dit besluit is namelijk een (absoluut) verbod opgenomen om
bouwstoffen respectievelijk grond of baggerspecie in strijd met artikel
7 toe te passen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel
8</tuskop>
      <al>Dit artikel is de uitwerking voor dit
besluit van artikel 71 van de Wet bodembescherming.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 9 tot en met 23, derde lid, 24 en
25</tuskop>
      <al>Deze artikelen zijn toegelicht in het
Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 23, vierde lid</tuskop>
      <al>Dit lid is nieuw ten opzichte van het Besluit
uitvoeringskwaliteit bodembeheer. Een erkenning kan worden geschorst of
ingetrokken, indien in verband met activiteiten met betrekking tot
bodem, grond, baggerspecie of bouwstoffen een van de wettelijke
voorschriften wordt overtreden die zijn genoemd in het eerste lid onder
e. De informatie waaruit blijkt dat er sprake is van dergelijke
overtredingen kan afkomstig zijn uit zowel bestuurlijke als
strafvorderlijke en justitiële dossiers. Voor het verstrekken
van dergelijke informatie gelden de artikelen 9 en 39 sub f van de Wet
justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en artikel 13 van
het Besluit justitiële gegevens (Bjg). Nu deze bepalingen het
niet mogelijk maken om justitiële en strafvorderlijke gegevens
te verstrekken die verband houden met werkzaamheden in het bodembeheer,
kunnen Onze Ministers op grond van dit lid, voor zover er aanwijzingen
zijn dat er sprake is van een overtreding, de betrokken persoon of
instelling verzoeken om een VOG over te leggen en op die manier bij hun
besluit rekening houden met dergelijke gegevens.</al>
      <al>Indien de
desbetreffende persoon of instelling binnen de door Onze Ministers
gestelde termijn geen VOG overlegt, kan een erkenning voor maximaal
twee jaar worden geschorst.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 26</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Eerste
lid</tuskop>
      <al>Dit besluit stelt regels aan
(steenachtige) bouwstoffen. In de meeste gevallen zal in de praktijk
direct duidelijk zijn wanneer sprake is van een (steenachtige)
bouwstof. In gevallen van twijfel kan gebruik worden gemaakt van de
bepalingsmethode die bij ministeriële regeling is geregeld,
waarmee het percentage silicium, calcium of aluminium wordt bepaald
waaruit het steenachtige karakter kan worden afgeleid. Vlakglas,
metallisch aluminium, grond en baggerspecie zijn in de
definitiebepaling uitgezonderd van het begrip «bouwstof».
Deze kunnen derhalve niet als bouwstof worden toegepast.</al>
      <al>Ook
asbest is volgens de definitie een steenachtige bouwstof. Gezien de
milieuhygiënische eigenschappen van asbest mag deze echter niet
meer als bouwstof worden toegepast. Dit is geregeld in het
Productenbesluit asbest. Asbest kan nog wel als verontreiniging
voorkomen in secundaire materialen, bijvoorbeeld in puingranulaat. Bij
ministeriële regeling zullen hiervoor samenstellingseisen worden
opgenomen, die eveneens volgen uit het Productenbesluit
asbest.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede
lid</tuskop>
      <al>Een bouwstof geldt als
vormgegeven als deze in de toepassing een minimale grootte heeft van 50
cm<sup>3</sup>, dan wel voldoet aan de bij ministeriële regeling
opgenomen regels omtrent de vereiste korrelverdeling. Vormgegeven
bouwstoffen vertonen onder normale gebruiksomstandigheden nagenoeg geen
erosie of slijtage (i.e. duurzame vormvastheid). Het bepalen van de
duurzame vormvastheid is verder geregeld in de ministeriële
regeling. Voorbeelden van vormgegeven bouwstoffen zijn bakstenen,
betonklinkers, asfaltbeton en heipalen. Ook slakken uit bijvoorbeeld
een metaalbereidingsproces kunnen hieronder vallen, indien deze slakken
de vereiste voldoende volume hebben.</al>
      <al>Bouwstoffen die niet
voldoen aan de vereisten voor vormgegeven bouwstoffen gelden als
niet-vormgegeven bouwstoffen. Het onderscheid tussen deze twee soorten
bouwstoffen is mede van belang voor de wijze waarop de emissie moet
worden bepaald en voor de normstelling.</al>
      <tuskop letat="cur">Derde lid</tuskop>
      <al>In een partij bouwstoffen kan grond of baggerspecie
zijn terechtgekomen (bijvoorbeeld bij ontgraving van bouwpuin
voorafgaand aan het breken). Dit is niet meteen een reden om de partij
bouwstoffen als zodanig af te keuren, hoewel grond en baggerspecie zijn
uitgezonderd in de definitie van een bouwstof. Wel geldt dat de partij
bouwstoffen met niet meer dan 20 gewichtsprocenten grond of
baggerspecie mag zijn vermengd. De desbetreffende grond of baggerspecie
mag niet bewust worden toegevoegd. Dit is onder meer geregeld in de
regelgeving voor inrichtingen of in die voor afvalstoffen. Indien
teveel grond in de bouwstof is terechtgekomen kan dit bijvoorbeeld
worden afgezeefd.</al>
      <al>Het gaat bij deze bepaling niet om grond of
baggerspecie die als grondstof wordt toegepast voor het maken van een
bouwstof (zoals in beton), die inherent in de bouwstof aanwezig is
(zoals in geïmmobiliseerde grond of drinkwaterreststoffen), of
die om civieltechnische redenen aanwezig is in de bouwstof (zoals in
BSA-granulaat). Dit is tot uitdrukking gebracht door te spreken over:
«voor zover deze geen functioneel onderdeel uitmaakt van de
bouwstof».</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 27</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Eerste
lid</tuskop>
      <al>Toepassing van bouwstoffen aan
de binnenkant van gebouwen, zoals binnenvloeren en tussenmuren, leiden
niet tot emissies richting de bodem of het oppervlaktewater en zijn
daarom uitgezonderd van de bepalingen van dit besluit (zie ook
paragraaf 3.2.3). Bouwstoffen die slechts in Nederland aanwezig zijn om
te worden doorgevoerd naar een ander land, vallen evenmin onder dit
besluit.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede
lid</tuskop>
      <al>Dit besluit is van toepassing
op elke handeling waarbij bouwstoffen in een werk worden aangebracht.
Hieronder valt ook het tijdelijk verwijderen van bouwstoffen om deze
vervolgens op de oorspronkelijke plaats weer aan te brengen, zoals bij
werkzaamheden aan ondergrondse kabels en leidingen of het hergebruiken
van bouwstoffen bij een verbreding van een (vaar)weg. In dergelijke
situaties worden er in beginsel geen nieuwe verontreinigingen in het
milieu gebracht en verandert er in feite weinig tot niets aan de
milieubelasting door de bouwstoffen. Om die reden en met het oog op het
streven naar een sterke vermindering van de administratieve lasten is
er in lijn met het Bouwstoffenbesluit voor gekozen om in die gevallen
de verplichtingen op grond van artikel 28 tot en met 32 niet van
toepassing te laten zijn. Hierdoor leidt de tijdelijke verplaatsing van
de bouwstoffen niet tot een voor het besluit relevante wijziging, in
die zin dat het geen nieuwe verplichtingen voor de toepasser van de
bouwstof oplevert. De regel ziet niet alleen op werken die op grond van
dit besluit worden gerealiseerd, maar ook op werken die tot stand zijn
gebracht onder meer onder het regime van het Bouwstoffenbesluit, het
daaraan voorafgegane IPO-interimbeleid, of voor die tijd zonder dat ze
als een werk werden betiteld. Het moet wel nuttige toepassingen
betreffen die in het kader van dit besluit als een werk in de zin van
artikel 1 kunnen worden gezien.</al>
      <al>Met het oog op de
controleerbaarheid moet het gaan om bouwstoffen die in hetzelfde werk
worden teruggebracht, of voor zover het oude «werken»
betreft dezelfde toepassing. Bij het terugbrengen van de bouwstoffen is
wel enige speelruimte is. De volgende voorbeelden kunnen daarbij worden
gegeven:</al>
      <al>– het tijdelijk uitnemen en weer terugplaatsen
van stortsteen (oeverbescherming) bij het verbreden van een vaarweg
(oeverbescherming wordt weer oeverbescherming, maar niet exact op
dezelfde plaats);</al>
      <al>– het bij
wegreconstructies tijdelijk uitnemen van puingranulaatfundering onder
een wegverharding, en het na reconstructie van dezelfde weg weer
toepassen van het puingranulaat als fundering van die weg
(puingranulaatfundering wordt weer puingranulaatfundering, niet op
exact dezelfde plaats, maar wel als onderdeel van de
reconstructie).</al>
      <al>Daarnaast wordt
aan deze tijdelijke uitname een aantal aanvullende voorwaarden gesteld.
In de eerste plaats moeten de bouwstoffen onder dezelfde condities
opnieuw worden aangebracht, opdat de bouwstof qua samenstelling en
emissie niet verandert. Het emissiegedrag van bouwstoffen kan
bijvoorbeeld ongunstig worden beïnvloed door wisseling tussen
zuurstofrijke en zuurstofarme omstandigheden. Bouwstoffen met een hoge
pH-waarde of sterk reducerende eigenschappen kunnen als
funderingsmateriaal weinig effect hebben op de bodem, maar kunnen in
een open toepassing zonder de afschermende werking van een
wegverharding of in oppervlaktewater wel tot ongewenste effecten
leiden.</al>
      <al>In de tweede plaats mag geen sprake zijn van bewerking
van de bouwstof vanaf de uitname tot het opnieuw aanbrengen daarvan.
Onder bewerken wordt in dit verband verstaan het verrichten van
handelingen met de betrokken bouwstof, waardoor die bouwstof qua
samenstelling of emissie verandert. Hierbij kan bijvoorbeeld worden
gedacht aan het breken van de bouwstoffen.</al>
      <al>Dit artikel brengt
weliswaar geen nieuwe verplichtingen (bijvoorbeeld het wederom melden
van de opnieuw aan te brengen bouwstoffen) met zich mee, maar de
overige verplichtingen ten aanzien van het toepassen van de bouwstoffen
in een werk gelden onverminderd. Hierbij moet onder meer worden gedacht
aan de verwijderingsplicht en de zorgplicht in artikel 7. Daarnaast is
andere regelgeving, bijvoorbeeld Arbo-regelgeving betreffende het
werken met bouwstoffen, onverminderd van toepassing.</al>
      <al>Tot slot
wordt over de verhouding tot artikel 29, eerste lid, onder c nog het
volgende opgemerkt.</al>
      <al>In de eerste plaats dient te worden
beoordeeld of de toepassing van bouwstoffen valt onder de reikwijdte
van artikel 27, tweede lid. Indien dit niet het geval is, moet worden
bezien of de uitzondering van artikel 29, eerste lid, onder c van
toepassing is.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 28</tuskop>
      <al>Dit
artikel bepaalt wat de voorwaarden zijn voor het vervaardigen,
invoeren, in Nederland toepassen of voor handelsdoeleinden voor de
Nederlandse markt voorhanden hebben, vervoeren, aan een ander ter
beschikking stellen of toepassen van bouwstoffen.</al>
      <al>De Regeling
bodemkwaliteit bevat een nadere uitwerking van deze
bepaling.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel
29</tuskop>
      <al>In dit artikellid wordt voor zowel het
toepassen van bouwstoffen in de bodem, als in oppervlaktewater de
verplichting de samenstellings- en emissiewaarden te bepalen, alsmede
het overleggen van een milieuhygiënische verklaring uitgezonderd
voor een aantal specifieke bouwstoffen, dan wel toepassingen daarvan.
Deze bouwstoffen, dan wel toepassingen daarvan moeten evenwel
onverminderd aan de samenstellings- en immissiewaarden als bedoeld in
artikel 28, eerste lid, onder b voldoen. In verband hiermee is in het
tweede lid een expliciete zorgplicht opgenomen. Het benodigde onderzoek
dient ingevolge dit besluit aan strikte eisen te voldoen en brengt
dientengevolge de nodige kosten met zich mee. Gebleken is dat die zich
voor bepaalde bouwstoffen, dan wel toepassingen niet verhouden tot het
gegeven dat die bouwstoffen (vrijwel) altijd aan de
milieuhygiënische grenzen van dit besluit voldoen.</al>
      <tuskop letat="cur">Eerste lid, onderdeel a</tuskop>
      <al>Metselmortel en de meeste soorten
natuursteenproducten zijn uitgezonderd van de verplichting de
samenstellings- en emissiewaarden te bepalen. De branches van deze
bouwstoffen kenmerken zich door een groot aantal kleine
productiebedrijven.</al>
      <al>In het kader van het Bouwstoffenbesluit
zijn in 1999 de economische effecten van certificering voor onder meer
de metselmortelbranche onderzocht, ter uitvoering van de motie Udo c.s.
van 17 december 1998. Uit deze analyse bleek dat voor kleine bedrijven
in de metselmortelbranche grote negatieve economische gevolgen te
verwachten waren. Deze zouden kunnen leiden tot ongewenste
marktverschuivingen met mogelijk negatieve milieu-effecten. Ook in
later onderzoek bleek certificering in deze branche niet wenselijk. In
dit besluit wordt de uitzonderingspositie die metselmortel reeds had in
het Bouwstoffenbesluit gehandhaafd.</al>
      <al>In de natuursteenbranche
geldt eenzelfde beeld met veel kleinschalige bedrijven, die de
financiële last van verklaringen niet kunnen dragen. Deze last
staat voor deze bedrijven ook niet in verhouding tot het milieubezwaar
dat het gebruik van deze bouwstof met zich meebrengt. De uitzondering
geldt niet voor breuksteen en steenslag, die niet-vormgegeven
bouwstoffen zijn en die veel grootschaliger zijn van
opzet.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel
b</tuskop>
      <al>De uitzondering voor het
hergebruik van vormgegeven bouwstoffen van beton, keramiek, natuursteen
en bakstenen was in de Wijziging Bouwstoffenbesluit 2005 reeds
opgenomen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat mijnsteen niet onder het
begrip natuursteen valt. Het onderzoeken van de
milieuhygiënische kwaliteit van deze bouwstoffen wordt te
kostbaar gevonden in verhouding tot de milieuhygiënische
risico’s. Gebleken is namelijk dat deze bouwstoffen ook na
eerste toepassing vrijwel altijd aan de eisen van het besluit voldoen.
De uitzondering is gezien de milieuhygiënische doelstelling van
het onderhavige besluit niet van toepassing als de bouwstof is bewerkt,
omdat hierdoor de samenstelling en emissie kunnen wijzigen. Ten
overvloede wordt opgemerkt dat de onderzoeksverplichting wel geldt bij
bouwstoffen die nieuw op de markt worden gezet en voor de eerste keer
in een werk worden toegepast.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel c</tuskop>
      <al>Het doel van deze uitzondering is om de
administratieve lasten te beperken voor bouwstoffen die zich reeds in
het milieu bevinden en die niet van eigenaar wisselen. Deze
uitzondering betekent ook dat bouwstoffen kunnen worden vervoerd naar
een andere werk zonder dat hiervoor een nieuwe verklaring nodig is. De
verplichting blijft wel gelden als de bouwstof van eigenaar verwisselt,
in navolging van de Europese Richtlijn Bouwproducten. Daarnaast mogen
de bouwstoffen geen bewerking ondergaan en moeten ze onder dezelfde
condities worden toegepast (zie hieromtrent de toelichting bij artikel
27, tweede lid). Dan kunnen namelijk de samenstelling of
emissie-eigenschappen veranderen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de
hergebruikte bouwstoffen wel aan de overige eisen van het besluit
moeten voldoen.</al>
      <al>De uitzondering komt niet in de plaats van de
zogenaamde tijdelijke uitname van bouwstoffen, bedoeld in artikel 27,
tweede lid, bijvoorbeeld het tijdelijk openbreken van een straat met
het doel om kabels te leggen, waarna de bouwstoffen voor de bestrating
weer op dezelfde plek terug gelegd worden. Voor dergelijke
werkzaamheden gelden niet opnieuw de verplichtingen op grond van dit
besluit.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel
d</tuskop>
      <al>Naar schatting worden jaarlijks
enkele honderdduizenden tonnen asfalt opnieuw warm in situ hergebruikt
als asfalt. Dit betekent dat het asfalt in één procesgang
wordt gefreesd en opnieuw wordt aangebracht, zonder tussenkomst van een
asfaltcentrale. Asfalt en asfaltbeton voldoen normaal gesproken aan de
eisen van het besluit, tenzij oude teerhoudende lagen aanwezig zijn. In
die gevallen worden de samenstellingseisen voor PAK’s
overschreden. Het gebruik van teer in asfalt is niet meer toegestaan en
teerhoudende asfaltgranulaat (TAG) moet apart worden afgevoerd. Dit is
geregeld in de Tijdelijke vrijstellingsregeling Bouwstoffenbesluit
2004.</al>
      <al>Om de teerhoudende delen te identificeren, moet asfalt
dat warm in situ wordt hergebruikt worden onderzocht op basis van het
hiervoor ontwikkelde CROW-publicatie 210 «Richtlijn omgaan met
vrijkomend asfalt», april 2007. In deze publicatie wordt aan de
hand van een stappenplan geïnventariseerd of teerhoudende lagen
aanwezig zijn. Hiertoe wordt gekeken naar de leeftijd van de weg
(recent asfalt is teervrij), zonodig indicatief bemonsterd en zonodig
uiteindelijk een intensief onderzoek uitgevoerd.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel e</tuskop>
      <al>Voor particuliere toepassers van bouwstoffen (zoals
doe-het-zelvers) of particuliere eigenaars (zoals huizenbezitters)
geldt geen verplichting om de kwaliteit van bouwstoffen te bepalen, of
om een milieuhygiënische verklaring te kunnen overhandigen (zie
ook paragraaf 3.6.3). Dit ligt alleen dan anders indien het toepassen
in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geschiedt. De
reden voor deze vrijstelling van genoemde verplichtingen is dat dit een
onevenredige zware lastendruk legt bij particulieren, terwijl deze
tegelijkertijd de kennis en positie missen om de kwaliteit van
toegepaste bouwstoffen daadwerkelijk te kunnen beïnvloeden. Wel
geldt dat de toepassing van bouwstoffen moet voldoen aan de overige
regels die zijn gesteld bij of krachtens dit besluit, zodat het bevoegd
gezag kan ingrijpen als de situatie dit vereist.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>De bouwstoffen die van de verplichtingen uit
artikel 28, eerste lid zijn uitgezonderd, moeten wel voldoen aan de
samenstellings- en immissiewaarden. De uitzondering brengt met zich mee
dat in beginsel mag worden aangenomen dat aan die vereisten wordt
voldaan. De uitzondering is op grond van dit artikellid echter niet van
toepassing als er aanwijzingen zijn dat niet wordt voldaan aan de
samenstellings- en immissiewaarden. Dit doet zich bijvoorbeeld voor bij
waarneembare verontreinigingen, zoals olievlekken, bij bouwstoffen
waarvan bekend is dat die in het verleden wel zijn toegepast maar
vrijwel nooit voldoen en indien informatie omtrent het vorige gebruik
daartoe aanleiding geeft.</al>
      <al>Met organoleptische waarneming wordt
zowel visuele waarneming als het waarnemen van geur bedoeld. Gelet op
ARBO-regelgeving is het echter niet de bedoeling om actief aan de
bouwstof te ruiken, maar wordt gedoeld op de situatie dat passief, bij
bijvoorbeeld overslaghandelingen, een geur wordt waargenomen die kan
wijzen op verontreiniging. Bij de beoordeling of al dan niet gebruik
kan worden gemaakt van de uitzondering van de onderzoeksverplichtingen
is het raadzaam om vroegtijdig contact op te nemen met het bevoegd
gezag en in het bijzonder voorzichtig te zijn met bouwstoffen die niet
onder het regime van dit besluit zijn
gebruikt.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel
30</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Eerste
lid</tuskop>
      <al>De meeste niet-vormgegeven
bouwstoffen voldoen aan de emissie-eisen voor ongeïsoleerde
toepassingen. Bouwstoffen die meer uitlogen, maar die nog wel aan de
emissie-eisen voor geïsoleerde toepassingen voldoen, worden
IBC-bouwstoffen genoemd. Deze mogen alleen worden toegepast met
isolerende voorzieningen, om daarmee de bodem toch afdoende te
beschermen (zie ook paragraaf 3.5). De IBC-bouwstof mag slechts vanaf
een minimumvolume worden toegepast om de beheersbaarheid van de
toepassingen te vergroten. In de praktijk van het Bouwstoffenbesluit is
gebleken dat een goed ontwerp en een juiste uitvoering van
IBC-voorzieningen kritische factoren zijn voor de bescherming van de
bodem. Daarom is gekozen een aangewezen instantie te laten toezien op
het ontwerp, de aanleg en het beheer (de staat van het werk tijdens de
gebruiksfase). In alle gevallen is goedkeuring van deze instantie nodig
om het werk te mogen uitvoeren, danwel in de huidige staat te
laten.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede
lid</tuskop>
      <al>In het kader van het
Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewateren betrof de IBC-bouwstof
een zogenaamde categorie 2-bouwstof. In praktijk is een dergelijke
bouwstof voor zover bekend nooit in oppervlaktewater toegepast. Dit had
met name te maken met de ondoenlijkheid om de effectiviteit van de
isolatiemaatregel in oppervlaktewater te kunnen garanderen. Om die
reden is het in oppervlaktewater toepassen van IBC-bouwstoffen
verboden. Dit brengt met zich mee dat hiervoor ook geen vergunning op
grond van de Wvo kan worden verleend.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 31</tuskop>
      <al>Dit
artikel beoogt ruimte te geven voor innovatie en flexibiliteit binnen
de generiek geldende regels van dit besluit. Zo wordt het mogelijk om
isolerende voorzieningen toe te passen die niet voldoen aan de daarvoor
door Onze Ministers gestelde eisen, mits daarbij de bodem, met
uitzondering van de bodem onder oppervlaktewater, ten minste in
dezelfde mate wordt beschermd als door de de standaardmethode. Een
andere voorwaarde om van de standaardmethode af te kunnen wijken is dat
het een generiek toepasbare methode moet betreffen, niet om een
locatiespecifieke methode (afhankelijk van de bodem). Dit betekent ook
dat als een alternatieve methode eenmaal is goedgekeurd, deze breder
beschikbaar wordt voor de markt als bruikbare methode.</al>
      <al>Het
initiatief voor het gebruik van een gelijkwaardige methode ligt bij de
toepasser. De aanvraag hiertoe wordt in de praktijk namens de Minister
van VROM door SenterNovem/Bodem+ in behandeling genomen. Het agentschap
kan een gelijkwaardigheidsverklaring afgeven.</al>
      <al>De aanvrager
dient in een onderzoeksrapport te onderbouwen dat sprake is van een
hooguit gelijkwaardige belasting van bodem en oppervlaktewater. Het
onderbouwende rapport wordt beoordeeld door het agentschap
SenterNovem.</al>
      <al>De beslissing van het agentschap SenterNovem is
een beschikking die vatbaar is voor bezwaar en beroep. Ingevolge
artikel 87 van de Wet bodembescherming in samenhang met artikel 20.1
van de Wet mileubeheer kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling
Bestuursrechtspraak van de Raad van State.</al>
      <al>Indien bij
toepassing van een IBC-bouwstof gebruik is gemaakt van het
gelijkwaardigheidsartikel, dient dit aan het bevoegd gezag te worden
gemeld (zie de toelichting bij artikel 32).</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 32</tuskop>
      <al>Alleen het voornemen tot hergebruik van bouwstoffen, bedoeld
in artikel 29, eerste lid, onder c, en het toepassen van
IBC-bouwstoffen worden gemeld. De melding geschiedt aan de Minister van
VROM, die de gegevens doorzendt aan het bevoegd gezag. Voor het overige
is de melding van een voorgenomen toepassing van bouwstoffen niet
vereist. Het bevoegd gezag heeft ten aanzien van deze toepassingen wel
de bevoegdheid om tot vijf jaar na het tijdstip waarop de bouwstof is
toegepast, degene die de bouwstof heeft toegepast te verzoeken de
milieuhygiënische verklaring of voor zover van toepassing de
erkende kwaliteitsverklaring die is verstrekt voor de desbetreffende
toepassing te overleggen. Dit geldt eveneens voor de afleveringsbon en
is als zodanig voorgeschreven in artikel 28, derde lid.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 33</tuskop>
      <al>Deze
bepaling ziet op de tijdelijke aard van een werk. Wanneer een werk zijn
functie verliest, moet het werk worden verwijderd. De bouwstoffen
moeten dan worden teruggenomen, omdat deze anders tot fysische en op
termijn ook tot chemische verontreiniging van de bodem zouden kunnen
leiden.</al>
      <al>Het is de taak van de toepasser van bouwstoffen om
deze op zodanige wijze toe te passen dat ze later weer terugneembaar
zijn. Het is de taak van de eigenaar om zijn werk zodanig te beheren en
te onderhouden, dat geen vermenging met de bodem of het
oppervlaktewater plaatsvindt zo lang het werk bestaat. Gewoonlijk zal
hierbij kunnen worden volstaan met het normale beheer, gericht op de
instandhouding van het werk.</al>
      <al>Verder is de eigenaar
verantwoordelijk voor het verwijderen van alle bouwstoffen bij het
slopen van (een deel van) het werk. Gemeenten kunnen handhavend
optreden op grond van artikel 4, derde lid, wanneer zij constateren dat
de toepasser heeft nagelaten de bouwstoffen te verwijderen. Een
niet-functioneel werk blijft in het dichtbevolkte Nederland nooit lang
onopgemerkt en zal vrijwel altijd worden gesloopt om plaats te maken
voor iets anders. Hiervoor dienen de normale vergunningsprocedure in
acht te worden genomen, waardoor het bevoegd gezag meestal op de hoogte
zal zijn van een dergelijke situatie.</al>
      <al>In het geval dat het
verwijderen van een bouwstof meer schade toebrengt aan de bodem dan het
laten zitten, mag de eigenaar deze in de bodem achterlaten. Het gaat
dan bijvoorbeeld om betonnen heipalen die in de bodem een
waterafsluitende laag doorboren.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 34</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Eerste
lid</tuskop>
      <al>Dit artikellid biedt de
grondslag om bij ministeriële regeling om een onderzoekmethode
voor te schrijven op basis waarvan kan worden getoetst of het materiaal
voldoet aan de criteria die in de definitie voor grond, dan wel
baggerspecie, zijn vastgelegd in artikel 1 van dit
besluit.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede en derde
lid</tuskop>
      <al>In grond of baggerspecie
bevindt zich vaak bodemvreemd materiaal, zoals puin, hout of
baksteenscherven, dat al in de bodem zit als het wordt afgegraven. Het
gaat nadrukkelijk niet om het bijmengen van bodemvreemd materiaal in
grond of baggerspecie. Doorgaans is de aanwezigheid van bodemvreemd
materiaal in grond of baggerspecie niet bezwaarlijk, maar het is wel
noodzakelijk dit te begrenzen. Grond of baggerspecie met maximaal 20
gewichtsprocenten bodemvreemd materiaal, wordt in het kader van dit
besluit mede beschouwd als grond of baggerspecie. Dit laat onverlet dat
bij ontgravings- en sloopwerkzaamheden zorgvuldig moet worden gewerkt.
Dat betekent het scheiden van grond en baggerspecie die al dan niet
zijn vermengd met ander materiaal, het apart ontgraven en afvoeren van
bijvoorbeeld puinlagen in de bodem, en het daar waar mogelijk afzeven
en apart verwerken van bodemvreemd materiaal. Waar nodig of zinvol kan
het percentage bodemvreemd materiaal door zeven onder de 20
gewichtsprocenten worden gebracht.</al>
      <al>Afhankelijk van de
kwaliteit van de ontvangende bodem kunnen beperkingen van toepassing
zijn. Het kan daarbij zowel gaan om beperkingen ten aanzien van het
percentage bodemvreemd materiaal in grond en baggerspecie als om
beperkingen ten aanzien van de aard van het bodemvreemd materiaal. Bij
ministeriële regeling kan op grond van milieuhygienische
overwegingen de grens voor bodemvreemd materiaal voor specifieke
toepassingen lager worden vastgesteld dan 20 gewichtsprocent,
bijvoorbeeld voor gebieden met een bijzonder beschermingsniveau. Dit
betekent niet dat het materiaal niet als grond of baggerspecie wordt
beschouwd, maar dat de desbetreffende grond of baggerspecie in de
gegeven context niet mag worden toegepast. Voor gebieden waarin
standaard hoge percentages bodemvreemd materiaal voorkomen, kunnen de
op grond van dit vierde lid bij ministeriele regeling vastgestelde
lagere maximale gewichtspercentages tot het maximum van 20
gewichtsprocenten worden verhoogd indien dit noodzakelijk is vanuit
milieuhygienisch oogpunt. Het bevoegd gezag kan hiertoe overgaan op
grond van het gebiedsspecifiek toetsingskader (artikelen 44, 45 en 46)
in de Nota bodembeheer voor bijvoorbeeld gebieden met veel puinhoudende
stedelijke ophooglagen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 35</tuskop>
      <al>De
voorschriften voor de toepassing van grond of baggerspecie zijn zodanig
vormgegeven dat wordt voldaan aan de eisen die gelden voor het omgaan
met afvalstoffen. De reden hiervoor is dat grond en baggerspecie in het
licht van de Kaderrichtlijn afvalstoffen en de jurisprudentie inzake
afvalstoffen als afvalstof kunnen worden beschouwd. Door in het besluit
reeds rekening te houden met de eisen die voor afvalstoffen gelden,
hoeft degene die grond of baggerspecie toepast zich zo min mogelijk af
te vragen of de afvalstoffenregelgeving van toepassing is.</al>
      <al>Op
grond van de Kaderrichtlijn afvalstoffen is voor handelingen met
afvalstoffen een vergunning vereist, tenzij lidstaten toepassing hebben
gegeven aan artikel 11 van die richtlijn. Dat artikel schept de
mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van de vergunningplicht binnen
de in dat artikel genoemde voorwaarden. Dit besluit beoogt gebruik te
maken van de mogelijkheid die artikel 11 van de Kaderrichtlijn
afvalstoffen biedt. Dit artikel strekt hiertoe.</al>
      <al>Er zijn twee
vormen van zich ontdoen van afvalstoffen, te weten verwijdering en
nuttige toepassing. Het onderscheid tussen deze twee begrippen is van
belang in het licht van artikel 11 van de Kaderichtlijn en dit besluit.
Verwijdering kan in het algemeen aldus worden gekarakteriseerd dat een
verwijderingshandeling elke verdere toepassing van een stof uitsluit,
hetgeen het meest duidelijk is in geval van lozing, verbranding of
storten op een stortplaats. De juridische term «nuttige
toepassing» roept niet zelden vraagtekens op in de praktijk,
maar mag niet worden verward met de taalkundige betekenis van die
woorden: er gelden specifieke juridische criteria voor het beoordelen
of een handeling als nuttige toepassing mag worden aangemerkt of niet.
Een onderbouwing dat een handeling milieuhygiënisch verantwoord
of zelfs nuttig is voor het milieu, of anderszins nuttig, is dan ook
niet zonder meer relevant.</al>
      <al>Het onderscheid tussen
«verwijdering» en «nuttige toepassing»
wordt gemaakt in artikel 1 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. De
begrippen verwijdering en nuttige toepassing sluiten elkaar uit: een
handeling kan nooit beide zijn, maar altijd slechts één
van beide. Voor de definitie van verwijdering wordt verwezen naar de
handelingen die zijn opgesomd in bijlage IIA bij de Kaderrrichtlijn
afvalstoffen, voor nuttige toepassing naar bijlage IIB.</al>
      <al>Als
een lidstaat een beroep doet op dat artikel 11 (en dus, althans voor
wat betreft dit besluit, stelt dat sprake is van nuttige toepassing)
heeft de lidstaat de volledige bewijslast. Van sommige handelingen die
in dit besluit zijn gereguleerd, is niet op het eerste gezicht
duidelijk of het verwijdering of nuttige toepassing is, omdat de
betreffende handeling zowel op een handeling in bijlage IIA
(verwijdering) als bijlage IIB (nuttige toepassing) van de
Kaderrichtlijn afvalstoffen lijkt. Als een lidstaat een handeling als
nuttige toepassing interpreteert, die niet in bijlage IIB staat, ligt
de bewijslast volledig bij de lidstaat. Daarom is voor elke in dit
besluit gereguleerde handeling die in het eerste lid van dit artikel is
opgenomen, gemotiveerd beoordeeld of die handeling kan worden
gekwalificeerd als nuttige toepassing. Daarbij is tevens aangegeven
waarom een toepassing die schijnt te lijken op een
verwijderingshandeling in bijlage IIA desondanks niet als
verwijderingshandeling, maar toch als nuttige toepassing moet worden
gekwalificeerd. Zie paragraaf 5.4.8 voor een uitgebreide
toelichting.</al>
      <al>Hierna is per handeling een
gemotiveerde beoordeling opgenomen, aan de hand van de criteria van de
Kaderrichtlijn afvalstoffen. Daarbij wordt zoveel mogelijk verwezen
naar een specifieke categorie van nuttige toepassing die voorkomt in
bijlage IIB bij de Kaderrichtlijn afvalstoffen.</al>
      <al>Daarnaast
dienen de toepassingen met het oog op de Kaderrichtlijn afvalstoffen te
voldoen aan de voorwaarden van artikel 5 van die richtlijn.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel a</tuskop>
      <al>Dit onderdeel betreft bouwconstructies en
wegconstructies die op of in de bodem worden aangelegd. Deze –
veelal infrastructurele – constructies zijn in een moderne
samenleving noodzakelijk en worden op grote schaal aangelegd of
gereconstrueerd. Grond en baggerspecie zijn hiertoe geschikte
materialen. Indien geen grond of baggerspecie beschikbaar zou zijn, zou
materiaal speciaal voor deze doelen moeten worden gewonnen, zoals in
het verleden vaak gebruikelijk was. Door hiertoe grond of baggerspecie
te gebruiken wordt de schade aan natuur, landschap en milieu ten
gevolge van de winning van (primaire) materialen tot een noodzakelijk
minimum beperkt. Het gebruik van grond of baggerspecie strekt dan ook
tot vervanging van primaire grondstoffen en kan daarom als nuttige
toepassing (categorie R5) worden gekwalificeerd. Vanzelfsprekend dient
daarbij ook te worden voldaan aan de andere criteria van het besluit,
waaronder de kwaliteitscriteria.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel b</tuskop>
      <al>Dit onderdeel heeft enkel betrekking op handelingen
op of in de landboden, hetgeen tot uitdrukking is gebracht door het
begrip «op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder
oppervlaktewater». Als gevolg van de bodemgesteldheid in
Nederland wordt er van oudsher regelmatig opgehoogd. Dit heeft tot doel
de fysieke bodemgesteldheid te verbeteren, het maaiveld te verhogen ten
opzichte van het grondwaterniveau en te compenseren voor zakkingen en
zettingen. Vooral in het veenweidegebied treedt bodemdaling op als
gevolg van inklinking.</al>
      <al>Voor het realiseren van
woningbouw en het vestigen van bedrijven is het vaak noodzakelijk om de
bodem op te hogen in verband met de grondwaterstand, met name in
voormalig agrarisch gebied. Indien geen grond en baggerspecie
beschikbaar zouden zijn voor dit doel, zou elders materiaal speciaal
moeten worden ontgraven met het oog op de noodzakelijke ophoging, zoals
in het verleden vaak gebruikelijk was. Het gebruik van grond en
baggerspecie in deze toepassingen strekt dan ook tot vervanging van
primaire grondstoffen en is om die reden een nuttige toepassing
(categorie R5). Opmerking verdient dat deze handeling niet ziet op het
vervolgens (na ophoging) toepassen van grond of baggerspecie in het
kader van de (her)inrichting van het specifieke terrein, dan wel de
locatie.</al>
      <al>Voor landbouw en natuurgebieden heeft de ophoging een
ander doel. Op landbouwlocaties is het om landbouwkundige redenen
noodzakelijk dat het maaiveld een bepaalde hoogte heeft ten opzichte
van het grondwater, omdat gewassen anders te droog of juist te nat
worden. Door inklinking en uitspoeling daalt het niveau van het
maaiveld, zodat het periodiek moet worden opgehoogd.</al>
      <al>In
natuurgebieden wordt onder meer grond verzet met het oog op
natuurontwikkeling die gebaat is bij variëteit in biotopen. Deze
ophogingen kunnen worden uitgevoerd met grond en baggerspecie zodat
daarvoor geen gebruik gemaakt hoeft te worden van primaire
grondstoffen.</al>
      <al>In het verlengde van het
bovenstaande wordt ook het gebruik van grond of baggerspecie voor het
ophogen van tuinen ter verbetering van de bodemgesteldheid als een
toepassing als bedoeld in dit onderdeel beschouwd.</al>
      <al>Het gebruik van grond en baggerspecie in natuur- en agrarische
gebieden en in tuinen strekt dan ook tot vervanging van primaire
grondstoffen en is, indien ook is voldaan aan de overige eisen die in
dit besluit worden gesteld, een nuttige toepassing (categorie
R11).</al>
      <al>Voor deze handelingen kan geen gebruik
worden gemaakt van het toetsingskader voor grootschalige toepassingen
als bedoeld in de artikelen 62 tot en met 64.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel c</tuskop>
      <al>Saneringslocaties en stortplaatsen worden afgedekt
met een duurzame afdeklaag, zoals leeflagen of bovenafdichtingen.
Hierbij gaat het om het zoveel mogelijk voorkomen van risico’s
voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de
verontreinigde grond of baggerspecie. De leeflaag maakt het mogelijk om
weer normale activiteiten op die locatie te ondernemen, zoals
bijvoorbeeld wonen, werken of recreatie. Doorgaans verplicht een
saneringsbeschikking of de Wet milieubeheer hiertoe. Daarnaast moet
worden gedacht aan de stortplaatsen die onder het Stortbesluit
bodembescherming vallen. Voor al deze situaties voorziet dit besluit in
een uniform milieuhygiënisch toetsingskader voor de op grond van
die wetten aan te brengen afdeklaag. Met betrekking tot stortplaatsen
en voormalige stortplaatsen sluit het begrip afdeklaag aan bij het
begrip bovenafdichtingsconstructie in de zin van artikel 5, onderdeel
c, van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag. De
zogeheten egalisatie- of steunlaag wordt dus niet tot de afdeklaag
gerekend.</al>
      <al>Indien geen grond en baggerspecie beschikbaar zouden
zijn voor dit doel, zou het afdekmateriaal speciaal moeten worden
ontgraven met het oog op deze toepassing. Het gebruik van grond en
baggerspecie in deze toepassingen strekt dan ook tot vervanging van
primaire grondstoffen en dient als ook is voldaan aan de overige eisen
die in het besluit worden gesteld als nuttige toepassing (categorie R5)
te worden gekwalificeerd.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel d</tuskop>
      <al>In dit onderdeel zijn de toepassingsvormen
opgenomen die voortvloeien uit de water(bodem)opgave ten behoeve van
het klimaatbestendig maken van watersystemen, de doelstellingen op
grond van artikel 4 van de Kaderrichtlijn Water en het bevorderen van
de natuurwaarden, waaronder de instandhoudingsdoelstellingen op grond
van artikel 10a, tweede lid van de Natuurbeschermingswet 1998) en de
instandhouding van de afvoer- en scheepvaartfunctie van watersystemen.
De toepassingen omvatten ophogingen, verondiepingen en dempingen. Naast
toepassingen in het oppervlaktewater, kan het hierbij ook toepassingen
op of in de bodem betreffen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan
noodzakelijke toepassingen aan de binnendijkse zijde van een
gebiedsontwikkelingsproject ter realisering van de
wateropgave.</al>
      <al>Zo is met het oog op de klimaatverandering in
Nederland ter voorkoming van wateroverlast noodzakelijk om op grote
schaal (her)inrichtingsmaatregelen uit te voeren. Voorbeelden hiervan
zijn de herprofilering van het buitendijkse gebied in de vorm van de
aanleg van terpen en compartimenteringsdijken, in samenhang met
maatregelen ter bevordering van de waterafvoer of vergroting van de
waterberging. Enerzijds is bij de herprofilering dus sprake van een
behoefte aan materiaal (ophogingen) en anderzijds komt er materiaal
vrij (verdiepingen). Door de bij de verdiepingen vrijkomende grond of
baggerspecie te gebruiken voor de benodigde ophogingen, dan wel
waterbouwkundige constructies wordt voorkomen dat onnodig primaire
grondstoffen gewonnen moeten worden. Het gebruik van grond en
baggerspecie in deze toepassingen strekt dan ook tot vervanging van
primaire grondstoffen en kan, voor zover ook aan de overige criteria
van dit besluit wordt voldaan, als nuttige toepassing worden
gekwalificeerd. Dit geldt evenzeer voor de situaties dat in het te
herprofileren gebied zelf onvoldoende grond of baggerspecie vrijkomt
voor de realisering van de benodigde ophogingen en derhalve gebruik
gemaakt wordt van grond of baggerspecie die elders vrijkomt bij
noodzakelijke ontgravingen. In dit onderdeel is tot uitdrukking
gebracht, dat dit geen betrekking heeft op eventuele ophogingen op of
in de bodem als bedoeld in onderdeel b. Voor zover dergelijke
ophogingen in oppervlaktewater worden gerealiseerd, vallen deze wel
onder dit onderdeel en kan ook gebruik worden gemaakt van het
toetsingskader voor grootschalige toepassingen.</al>
      <al>Zo is met het
oog op de klimaatverandering in Nederland ter voorkoming van
wateroverlast noodzakelijk om op grote schaal
(her)inrichtingsmaatregelen uit te voeren. Voorbeelden hiervan zijn de
herprofilering van het buitendijkse gebied in de vorm van de aanleg van
terpen en compartimenteringsdijken, in samenhang met maatregelen ter
bevordering van de waterafvoer of vergroting van de waterberging.
Enerzijds is bij de herprofilering dus sprake van een behoefte aan
materiaal (ophogingen) en anderzijds komt er materiaal vrij
(verdiepingen). Door de bij de verdiepingen vrijkomende grond of
baggerspecie te gebruiken voor de benodigde ophogingen, dan wel
waterbouwkundige constructies wordt voorkomen dat onnodig primaire
grondstoffen gewonnen moeten worden. Het gebruik van grond en
baggerspecie in deze toepassingen strekt dan ook tot vervanging van
primaire grondstoffen en kan, voor zover ook aan de criteria van
artikel 5 van dit besluit wordt voldaan, als nuttige toepassing worden
gekwalificeerd. Dit geldt evenzeer voor de situaties dat in het te
herprofileren gebied zelf onvoldoende grond of baggerspecie vrijkomt
voor de realisering van de benodigde ophogingen en derhalve gebruik
gemaakt wordt van grond of baggerspecie die elders vrijkomt bij
noodzakelijke ontgravingen. In dit onderdeel is tot uitdrukking
gebracht, dat dit geen betrekking heeft op eventuele ophogingen op of
in de bodem als bedoeld in onderdeel b. Voor zover dergelijke
ophogingen in oppervlaktewater worden gerealiseerd, vallen deze wel
onder dit onderdeel en kan ook gebruik worden gemaakt van het
toetsingskader voor grootschalige toepassingen.</al>
      <al>De winning van
bouwgrondstoffen betekent veelal dat (diepe) putten ontstaan die
aangemerkt worden als oppervlaktewater in de zin van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren. Voor een duurzame vervulling van
gebruiksfuncties is het vaak nodig dat dergelijke putten worden
verondiept of gedempt. Dit gebeurt veelal in samenhang met een breder
pakket aan maatregelen dat in het gebied nodig is voor de realisering
van een veilig en gezond leef- en woonmilieu. Denk hierbij aan
maatregelen in het rivierengebied in het kader van
hoogwaterbescherming, landschapsherstel, inrichtingsmaatregelen ten
behoeve van de Kaderrichtlijn Water en maatregelen voor de vlotte en
veilige afwikkeling van de scheepvaartfunctie. Bij deze maatregelen
komen grote hoeveelheden grond en baggerspecie vrij. Door deze grond en
baggerspecie te gebruiken voor het functioneel verondiepen of dempen
van putten wordt voorkomen dat hiertoe onnodig primaire grondstoffen
moeten worden gewonnen.</al>
      <al>Daarnaast kan het dempen van
oppervlaktewater nodig zijn ten behoeve van de transitie van
havengebieden tot bijvoorbeeld woon-, werkgebieden of
recreatiegebieden. Dit kan ook aan de hand zijn bij de herontwikkeling
van bijvoorbeeld polders in de zin dat hiertoe watergangen gedempt
moeten worden. Indien geen grond of baggerspecie beschikbaar zouden
zijn voor deze doelen, zou materiaal speciaal moeten worden ontgraven
met het oog op deze toepassingen. Het gebruik van grond of baggerspecie
conform de criteria van dit besluit strekt in deze toepassingen dan ook
tot vervanging van primaire grondstoffen en kan daarom als nuttige
toepassing (categorie R5 en voor wat betreft zandwinputten R11) worden
gekwalificeerd.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel
e</tuskop>
      <al>In de eerste plaats kan bij dit
onderdeel worden gedacht aan voormalige winplaatsen die door de winning
van delfstoffen zijn ontstaan. Voor een duurzame en veilige vervulling
van gebruiksfuncties is het vaak nodig dat dergelijke groeves weer
worden aangevuld (stabilisatie met het oog op de veiligheid,
herinrichting ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit).</al>
      <al>Voor het behoud van de functionele eigenschappen van de
toepassingen, als bedoeld in de onderdelen a tot en met d, kan het
nodig zijn dat onderhouds- of herstelwerkzaamheden worden uitgevoerd.
Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij schade als gevolg van extreme
weeromstandigheden. Het ligt in de rede dat hiertoe
vergelijkbare materialen worden gebruikt als de materialen (in casu
grond en baggerspecie) die ten behoeve van de toepassing zelf zijn
benut, alsmede dat deze materialen van vergelijkbare kwaliteit
zijn.</al>
      <al>Door grond of baggerspecie te gebruiken voor de
benodigde aanvullingen wordt voorkomen dat onnodig primaire
grondstoffen gewonnen moeten worden. Het gebruik van grond en
baggerspecie in deze toepassingen strekt dan ook tot vervanging van
primaire grondstoffen en kan, voor zover ook aan de overige criteria
van dit besluit wordt voldaan, als nuttige toepassing (categorie R5)
worden gekwalificeerd.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel f</tuskop>
      <al>Met dit onderdeel wordt de mogelijkheid tot het
verspreiden van (onderhouds)baggerspecie op de kant voortgezet. Het
verspreiden van baggerspecie over aan de watergang grenzende percelen
is een eeuwenoude vorm van actief bodembeheer. Het gaat daarbij in
hoofdzaak om materiaal dat door afspoeling van naastliggende gronden in
de betreffende watergang terecht is gekomen en hierop weer wordt
teruggebracht. Dit terugbrengen is nodig voor een verantwoord
bodembeheer en bodemgebruik. De relevantie van het opbrengen van
baggerspecie gelegen in de instandhouding van de voor het bodemgebruik
benodigde hoogteligging en de verbetering van de bodemvruchtbaarheid.
De hiervoor genoemde handelingen zouden ook met primaire grondstoffen
kunnen worden ondernomen en aldus kan de baggerspecie deze grondstoffen
vervangen. Het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen
binnen de criteria van dit besluit is daarom een nuttige toepassing
(categorie R11).</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel
g</tuskop>
      <al>Met dit onderdeel wordt de
bestaande mogelijkheid tot het verspreiden van (onderhouds)baggerspecie
in oppervlaktewater voorgezet. Sediment maakt een natuurlijk onderdeel
uit van het watersysteem en vervult hierin waardevolle ecologische en
(hydro)morfologische functies. Het beleid is er daarom op gericht om
zoveel mogelijk te voorkomen dat sediment vrijkomend bij werkzaamheden
ten behoeve van het waterbeheer (zoals het op diepte brengen en houden
van havens en vaarwegen) onnodig wordt onttrokken aan het
watersysteem.</al>
      <al>Zo heeft bijvoorbeeld de aanleg
van havengebieden en vaarwegen in beginsel een verstorende invloed op
de sedimenthuishouding en hiermee op de optimale vervulling van de
sedimentfuncties. Verstorend in de zin dat in havengebieden en een
aantal vaarwegen veel grotere hoeveelheden sediment worden
«ingevangen» dan onder meer natuurlijke omstandigheden
het geval zou zijn. Het periodiek baggeren van havens en vaarwegen en
het weer in oppervlaktewater verspreiden van de hierbij vrijkomende
baggerspecie bevordert zoveel mogelijk de natuurlijke
sedimenthuishouding: ingevangen riviersediment kan zijn riviergang
verder vervolgen, vanuit zeehavengebieden alsnog de zee bereiken en de
extra onttrokken hoeveelheden zeesediment worden weer toegevoegd aan de
kuststroom. Hiermee kan het sediment zijn natuurlijke ecologische en
(hydro)morfologische functies weer ten volle vervullen. Zo is de
kraamkamerfunctie van Waddenzee, Zeeuwse en Zuid-Hollandse Delta
afhankelijk van voldoende natuurlijke slibtoevoer. Tevens wordt door
het verspreiden van baggerspecie de zand- en slibhonger van het water
beperkt, hetgeen bijdraagt aan de bescherming van het achterland bij
hoogwaters.</al>
      <al>Behalve in rivieren en de kustgebieden wordt
baggerspecie ook verspreid in meren en plassen, zij het op veel
kleinere schaal maar wel vanuit vergelijkbare ecologische en
morfologische oogmerken.</al>
      <al>Mede vanuit het perspectief van
herstel van de natuurlijke functies van het sediment in watersystemen
wordt het verspreiden van baggerspecie in de Vierde Nota
Waterhuishouding als structurele, nuttige en dus duurzame
bestemmingsoptie beschouwd.</al>
      <al>Verspreiding op
uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden en platen, is niet toegestaan.
De reden van deze uitzondering is dat het in de regel in grote
oppervlaktewateren waarin deze aanwezig zijn, gaat om grote
hoeveelheden baggerspeciewerk. Veelal is er geen noodzaak voor het
opbrengen van dit soort hoeveelheden onderhoudsbaggerspecie ten behoeve
van de verbetering van de bodemvruchtbaarheid, of het herstel van de
uiterwaarden. Bovendien kan het (ongecontroleerd) verspreiden van grote
hoeveelheden baggerspecie schadelijk zijn voor de aanwezige natuur door
afdekking ervan..Voor zover daarbinnen sprake is van watergangen als
bedoeld in onderdeel f (verspreiden op aangrenzend perceel), is het
aldaar bedoelde verspreiden van baggerspecie wel toegestaan. Hierbij
kan worden gedacht aan baggerspecie die vrijkomt bij
onderhoudswerkzaamheden in kleinere watergangen, niet betreffende de
hoofdgeul, binnen deze gebieden.</al>
      <al>De hiervoor genoemde
handelingen zouden ook met primaire grondstoffen kunnen worden
ondernomen en aldus kan de baggerspecie deze grondstoffen vervangen.
Het verspreiden van baggerspecie in oppervlaktewater binnen de criteria
van dit besluit, kan daarom als nuttige toepassing (categorie R11)
worden gekwalificeerd.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel h</tuskop>
      <al>Het besluit regelt de tijdelijke opslag van grond
en baggerspecie, zoals deze tot de inwerkingtreding van het onderhavige
besluit viel onder het regime van de Wet milieubeheer en de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren. De nieuwe regeling komt tegemoet
aan de wens tot deregulering door de vergunningverlening te vervangen
door algemene regels. Geconstateerd is dat een vergunning op grond van
de Wet milieubeheer en voor zover relevant de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren een zwaar middel kan zijn voor de bestaande vormen
van tijdelijke opslag.</al>
      <al>Voor opslag in afwachting van
toepassing op een geplande en gemelde eindbestemming, kan voortaan
gebruik worden gemaakt van dezelfde voorschriften als voor de algemene
toepassingen, met dien verstande dat vanwege de aard van de handeling
(tijdelijke opslag) niet behoeft te worden getoetst aan de
bodemfunctie. Voorwaarde is dat de opslag op de bodem maximaal drie
jaar duurt en opslag in oppervlaktewater 10 jaar en dat de opgeslagen
grond en baggerspecie vervolgens nuttig wordt toegepast. De afwijkende
termijn van tien jaar voor toepassing in oppervlaktewater houdt verband
met de Europese richtlijn Storten en wordt nader toegelicht bij artikel
70.</al>
      <al>Voor zover de uiteindelijke toepassing kan worden
aangemerkt als nuttige toepassing, geldt dit ook voor de daaraan
voorafgaande tijdelijke opslag van grond en baggerspecie (categorie
R13).</al>
      <al>De reikwijdte van dit onderdeel is beperkt tot de
toepassingen, bedoeld in de onderdelen a tot en met e.</al>
      <al>Indien
niet wordt voldaan aan de voorschriften en voorwaarden, geldt voor de
tijdelijke opslag net als voorheen een vergunningplicht op grond van de
Wet milieubeheer en voor zover relevant de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel i</tuskop>
      <al>Het komt voor dat waterschappen baggerspecie uit
een watergang tijdelijk opslaan op één van de
naastliggende percelen in (weiland)depots om de baggerspecie te
ontwateren en te laten rijpen alvorens het materiaal op dezelfde
locatie of elders toe te passen. Deze vorm van tijdelijke opslag van
baggerspecie op het naast de watergang gelegen perceel in
(weiland)depots vindt plaats conform de toetsingsregels voor
verspreiden van baggerspecie. Voorwaarde is dat de opslag maximaal drie
jaar duurt en dat de opgeslagen baggerspecie vervolgens in een nuttige
toepassing als bedoeld in de onderdelen a tot en met f wordt
aangebracht. Voor zover dat gebruik kan worden aangemerkt als nuttige
toepassing, kan ook de tijdelijke opslag van afvalstoffen die daarvoor
bestemd zijn als nuttige toepassing worden aangemerkt (categorie R13).
De reikwijdte van dit onderdeel is daarom beperkt tot de toepassingen
bedoeld in de onderdelen a tot en met f, die als nuttige toepassingen
moeten worden aangemerkt.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 36</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Eerste
lid</tuskop>
      <al>Het toepassen van gevaarlijke
afvalstoffen, zoals gedefinieerd in de Wet milieubeheer op grond van
het Europese recht, kunnen onaanvaardbare risico’s voor mens,
plant of dier met zich meebrengen. Om deze reden is het niet toegestaan
grond en baggerspecie toe te passen die gevaarlijke afvalstoffen
zijn.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid, onderdeel
a</tuskop>
      <al>Het toepassen van grond of
baggerspecie waarin stoffen aanwezig zijn in een concentratie hoger dan
de interventiewaarde is niet toegestaan, omdat die onaanvaardbare
risico’s voor mens, plant of dier met zich mee kunnen brengen.
Hierop zijn uitzonderingen geformuleerd in artikel 44 en 45. Die komen
er op neer dat het niet is toegestaan ernstig verontreinigde grond en
baggerspecie toe te passen, tenzij de samenstelling van de grond of
baggerspecie is bepaald door stoffen die verspreid in de bodem
voorkomen als gevolg van diffuse verontreiniging. Het bevoegd gezag kan
dan de maximale waarden voor het toepassen van grond en baggerspecie
boven de interventiewaarden vaststellen.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel b</tuskop>
      <al>Hoofdstuk 4 van het besluit geldt niet voor het
toepassen van op grond gelijkende producten die overeenkomstig de
krachtens artikel 4 van de Meststoffenwet gestelde regels als meststof
mogen worden verhandeld. Dit betreft in ieder geval het product compost
dat aan in hoofdstuk III van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet
opgenomen landbouwkundige en milieukundige eisen
voldoet.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel
c</tuskop>
      <al>Het toepassen van ernstig
verontreinigde grond valt niet onder de reikwijdte van dit besluit. Het
Besluit uniforme saneringen regelt onder meer de tijdelijke uitname van
ernstig verontreinigde grond. De afbakening van dit besluit met het
Besluit uniforme saneringen is in dit onderdeel expliciet
geregeld.</al>
      <tuskop letat="cur">Derde
lid</tuskop>
      <al>Dit artikel komt nagenoeg
overeen met artikel 27, tweede lid, van hoofdstuk 3 met betrekking tot
bouwstoffen. De tijdelijke uitname van de grond en baggerspecie uit een
toepassing leidt niet tot een voor het besluit relevante wijziging, in
die zin dat het geen nieuwe verplichtingen voor de toepasser van de
grond of baggerspecie oplevert. Om die reden worden de artikelen 38 tot
en met 64 niet van toepassing verklaard. Dit is in lijn met de
uitzondering op grond van artikel 28, derde lid, onder 2°, van
de Wet bodembescherming, op grond waarvan voor een tijdelijke
verplaatsing van grond geen meldingsplicht geldt. De gedachte bij beide
uitzonderingen is dat in deze situaties er weinig tot niets verandert
aan de milieubelasting van de grond of baggerspecie. Dit artikel geldt
niet alleen voor toepassingen die op grond van dit besluit worden
gerealiseerd, maar ook voor toepassingen die onder meer onder het
regime van het Bouwstoffenbesluit, het daaraan voorafgegane
IPO-interimbeleid, of voor die tijd tot stand zijn gebracht. Daarbij
moet het wel nuttige toepassingen betreffen.</al>
      <al>Met het oog op de
controleerbaarheid moet de grond of baggerspecie wel in dezelfde
toepassing worden teruggebracht. Bij het terugbrengen van de grond of
bagger is wel enige speelruimte. Indien sprake is van dezelfde
toepassing en aan de andere voorwaarden wordt voldaan, dan hoeft de
grond of baggerspecie niet precies weer op de plaats van uitname te
worden aangebracht. Hierbij kunnen de volgende voorbeelden worden
gegeven:</al>
      <al>– het in het kader van de (spoor)wegenbouw of
-reconstructie wegnemen van bermgrond voorafgaand aan
(spoor)wegverbreding en het opnieuw terugbrengen als bermgrond in de
nieuwe berm (zelfde soort toepassing: berm wordt berm, maar niet op de
exact zelfde plaats);</al>
      <al>– bij het
verplaatsen van een sloot wordt de grond die vrijkomt uit de nieuw te
graven sloot gebruikt om de bestaande sloot mee te vullen (bodem wordt
weer bodem).</al>
      <al>Toetsing aan
kwaliteit en functie kan achterwege blijven omdat de betreffende
handelingen ter plaatse niet tot (extra) aantasting van de
bodem(functie) leiden. Om dit te waarborgen spreekt het artikel
daarnaast over «onder dezelfde condities» en
«zonder te zijn bewerkt». Voor een toelichting op deze
voorwaarden wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 27, tweede
lid. In aanvulling daarop worden hieronder een aantal voorbeelden
gegeven die niet aan de voorwaarde «onder dezelfde
condities»
voldoen:</al>
      <al>– het toepassen van (niet gerijpte)
baggerspecie op landbodem (natte toepassing wordt droge
toepassing);</al>
      <al>– het toepassen van
grond afkomstig uit de kern van een weglichaam of geluidswal als
afdeklaag van respectievelijk het weglichaam of de geluidswal
(onderlaag wordt
toplaag).</al>
      <al>Onder
«bewerken» vallen de volgende
voorbeelden:</al>
      <al>– rijpen van
baggerspecie, voor zover de tijdelijke verplaatsing hierop gericht
is;</al>
      <al>– ontwateren van
baggerspecie, voor zover de tijdelijke verplaatsing hierop gericht
is;</al>
      <al>– zandscheiding.</al>
      <al>De
eerste twee voorbeelden betreffen niet tijdelijke verplaatsing die
enkel en alleen om logistieke redenen plaatsvindt. Ook daarbij kunnen
(bijkomende) natuurlijke chemische en fysische processen optreden die
onontkoombaar zijn, zonder dat er be- of verwerkingsactiviteiten
plaatsvinden die dergelijke processen zouden bevorderen.</al>
      <al>De
volgende voorbeelden vallen niet onder het begrip
«bewerken»:</al>
      <al>– het uitzeven van bodemvreemde
bestanddelen;</al>
      <al>– louter
natuurlijke, niet gestimuleerde processen of omstandigheden, zoals
verdamping, microbiële afbraak, natuurlijke oxidatie en
reductie;</al>
      <al>– wijziging van de
structuur van de grond of bagger, zoals ten gevolge van
graafwerkzaamheden of het ploegen van
landbouwgronden.</al>
      <al>De gedachte
bij het eerste en derde voorbeeld is dat de grove bestanddelen veelal
bouwstoffen betreffen, die als zodanig weer kunnen worden toegepast. De
kwaliteit van de grond en baggerspecie zelf blijft hierdoor
onveranderd.</al>
      <al>Hoewel dit artikel een
uitzondering maakt voor de verplichtingen op grond van artikel 38 tot
en met 64 (bijvoorbeeld het wederom melden van de opnieuw aan te
brengen grond of baggerspecie), gelden de overige verplichtingen ten
aanzien van het toepassen van grond of baggerspecie onverminderd.
Hierbij moet onder meer worden gedacht aan de zorgplicht in artikel 7.
Daarnaast is andere regelgeving, bijvoorbeeld Arbo-regelgeving
betreffende het werken met verontreinigde grond, onverminderd van
toepassing.</al>
      <al>Anders dan artikel 29, eerste lid, onder c,
voorziet dit artikel niet in een uitzondering op de
onderzoeksverplichting van de kwaliteit van de te hergebruiken grond of
baggerspecie. De belangrijkste reden hiervoor is dat voor grond of
baggerspecie geen landelijk uniform toetsingskader geldt, maar de
toepassingsmogelijkheden per gebied kunnen verschillen omdat deze
afhankelijk zijn van de bodemfunctieklasse en de kwaliteit van de
ontvangende bodem.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 37</tuskop>
      <al>Zie
omtrent de consequenties van dit verbod de toelichting bij artikel
5.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 38, 39 en
40</tuskop>
      <al>Degene die voornemens is grond of
baggerspecie toe te passen moet de kwaliteit van de partij grond of
baggerspecie en voorzover de kwaliteit van de grond of baggerspecie
niet aan de achtergrondwaarden voldoet, de kwaliteit van de ontvangende
bodem (laten) vaststellen. Dit kan alleen door een erkende persoon of
instelling, die hiertoe een milieuhygiënische verklaring
verstrekt en moet conform het van toepassing zijnde toetsingskader
geschieden.</al>
      <al>Grond of baggerspecie zijn in verschillende
kwaliteitsklassen onder te brengen, hetgeen in de Regeling
bodemkwaliteit is uitgewerkt. Deze indeling is relevant voor de
toepassing van grond of baggerspecie in het generieke kader.</al>
      <al>Het zesde lid, onderdeel b, van artikel 38, sluit aan bij de
indeling van gewassen zoals deze krachtens artikel 10 van de
Meststoffenwet bij ministeriële regeling is vastgesteld. Er
wordt onderscheid gemaakt in akkerbouw-, blad-, kool-, vrucht-,
stengel-, knol-, wortel-, bloembollen- en fruitteeltgewassen, kruiden,
enz. De wet onderscheidt grofweg de verschillende sectoren en biedt een
handvat om onderscheid te maken naar gewassen op basis van bemesting.
Vergelijkbare gewassen zullen hierbij een vergelijkbare
«verontreiniging», dus bodemkwaliteit, hebben.</al>
      <al>In artikel 39 is bepaald dat de toetsingskaders van dit besluit
niet gelden en dat het (laten) vaststellen van de kwaliteit van de
ontvangende bodem niet is vereist indien de grond of baggerspecie de
achtergrondwaarden niet overschrijdt. Grond of baggerspecie die aan de
achtergrondwaarden voldoen kunnen in feite overal worden
toegepast.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel
41</tuskop>
      <al>In bijlage 1 bij dit besluit is een lijst
met 122 parameters opgenomen en is daarmee gelimiteerd. Het gaat om een
groslijst van bekende potentiële probleemstoffen voor de bodem.
Hiervan zal bij ministeriële regeling een selectie worden
gemaakt van de meest relevante stoffen waaraan grenswaarden zullen
worden verbonden, eventueel aangevuld met andere stoffen als daar
vanuit de productie- of locatiespecifieke omstandigheden aanleiding toe
bestaat.</al>
      <al>Met het oog op toekomstige ontwikkelingen is ook een
groslijst van stoffen opgenomen, waarop parameters staan waarvoor nog
geen grenswaarden is vastgesteld. Ter verduidelijking een voorbeeld.
Van een aantal bouwstoffen met specifieke toepassingen is bekend dat er
problemen zijn met de pH. Nu ontbreekt nog een normstelling voor pH. In
de toekomst is het denkbaar dat er wel een grenswaarde komt. Dit is
relatief eenvoudig realiseerbaar, omdat de pH ook op de groslijst in
het besluit staat.</al>
      <al>Een parameter die niet op de groslijst
voorkomt kan milieuhygiënisch wel een probleem vormen. Degene
die grond of baggerspecie toepast dient ook in dit geval voldoende zorg
in acht te nemen (zorgplicht). Zie onder meer de toelichting bij
artikel 7.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel
42</tuskop>
      <al>In dit artikel is de melding van de
voorgenomen toepassing van grond of baggerspecie op of in de bodem
geregeld. Eventueel kan bij ministeriële regeling worden
geregeld dat aanvullende gegevens dienen te worden verstrekt.</al>
      <al>De melding geschiedt via een centraal meldsysteem dat wordt beheerd
door SenterNovem, hiertoe gemandateerd door de Minister van VROM. Elke
melding die binnenkomt wordt direct aan het bevoegd gezag doorgegeven.
Ook voor tijdelijke opslag geldt een meldingsplicht met uitzondering
van de situaties die zijn beschreven in paragraaf 4.3.2. Hierbij is het
melden van de eindbestemming noodzakelijk voor zover de tijdelijke
opslag langer dan zes maanden duurt.</al>
      <al>De meldingsplicht is niet
van toepassing op hoeveelheden schone grond en baggerspecie kleiner dan
50 m<sup>3</sup>. In dat geval wordt alleen de toepassingslocatie
gemeld.</al>
      <al>De plicht tot bewaren van kwaliteitsgegevens is
beperkt tot die toepassingen waarvoor geen meldingsplicht geldt, dan
wel de melding is beperkt tot de toepassingslocatie.</al>
      <al>De
beperking in het tiende lid hangt samen met afspraken die zijn gemaakt
in het kader van het London Protocol</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 43</tuskop>
      <al>Tot
de inwerkingtreding van dit besluit maakte een aantal
waterkwaliteitsbeheerders gebruik van de mogelijkheid om in de
Wvo-vergunning of Wvz-ontheffing waarmee het verspreiden van
baggerspecie in oppervlaktewater werd gereguleerd, tevens de vakken aan
te wijzen waarin de verspreiding moest plaatsvinden. Dit droeg bij aan
optimalisering van het verspreiden van baggerspecie met het oog op de
versterking van de gebiedskwaliteit.</al>
      <al>Vanwege de bevordering
van de baten van het verspreiden van baggerspecie als nuttige
toepassingsvorm en hiermee het versterken van de gebiedskwaliteit is
het van belang dat de waterkwaliteitsbeheerder de mogelijkheid van
aanwijzing van verspreidingsvakken alsmede de aldaar maximaal te
verspreiden hoeveelheden blijft behouden. Hiertoe is in het besluit een
regeling opgenomen.</al>
      <al>De aanwijzing geschiedt bij
besluit als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) door
het bevoegd gezag. Deze kan bij de vaststelling daarvan –
afhankelijk van de specifieke situatie – gebruik maken van de
zogenaamde Uniforme openbare voorbereidingsprocedure (Afdeling 3.4,
Awb), dan wel de verkorte procedure op grond van titel 4.1 Awb. Hierbij
kan overigens sprake zijn van een eigenstandig besluit, dan wel een
besluit waarin op grond van het eerste lid van dit artikel lokale
maximale waarden zijn gesteld. Voorzover tot aanwijzing van
verspreidingsvakken is overgegaan brengt het derde lid met zich mee,
dat daar buiten geen baggerspecie mag worden verspreid. Indien hiertoe
wel zou worden overgegaan, kan op grond van deze bepaling handhavend
worden opgetreden.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel
44 en 45, eerste lid</tuskop>
      <al>In het eerste lid van
de artikelen 44 en 45 is bepaald dat de decentrale overheid voor
respectievelijk de landbodem en de waterbodem van een specifiek gebied
voor bepaalde toepassingen lokale maximale waarden kan vaststellen voor
de ontvangende bodem, dan wel voor het percentage bodemvreemd materiaal
een ander percentage kan vaststellen dan dat bedoeld in artikel 34,
tweede en derde lid. Dit percentage bodemvreemd materiaal mag echter
nooit meer zijn dan 20 gewichtsprocent. Het gebiedsspecifieke
toetsingskader is nader toegelicht in paragraaf 4.6.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 44 en 45, tweede
lid</tuskop>
      <al>Het is mogelijk dat de kwaliteit van de
bodem voor enkele stoffen boven de maximale waarden van de
bodemfunctieklasse industrie (landbodem) of de interventiewaarden
(waterbodem) ligt. De lokale maximale waarden kunnen onder voorwaarden
daarboven worden vastgesteld. In deze leden zijn die voorwaarden
opgenomen, dan wel wordt er naar verwezen. De voorwaarden in artikel
44, tweede lid, onder a en b gelden daarnaast in het geval dat een
ander percentage bodemvreemd materiaal wordt afgeleid dan generiek op
grond van artikel 34, tweede en derde lid is toegestaan.</al>
      <al>In
onderdeel c van het tweede lid van artikel 44 en het derde lid van
artikel 45 is het zogenaamde saneringscriterium bedoeld. Laatstgenoemde
voorwaarde is niet relevant voor het vast te stellen andere percentage
bodemvreemd materiaal.</al>
      <al>De mogelijkheid tot vaststelling van
lokale maximale waarden die minder streng zijn dan de maximale waarden
van de bodemfunctieklasse industrie of interventiewaarden beperkt zich
tot de grond of baggerspecie die afkomstig is uit het gebied waarvoor
de lokale maximale waarden zijn opgesteld. Op deze wijze wordt
voorkomen dat het gebied wordt belast met «nieuwe» of
«extra» verontreiniging.</al>
      <al>De hiermee geboden
toepassingsmogelijkheden voor grond of baggerspecie beperken zich dus
tot de functionele verplaatsing van verontreinigingen binnen het
gebied. Hiermee wordt nadere invulling gegeven aan het
standstill-beginsel op gebiedsniveau (zie ook de toelichting bij
artikel 52). Door slimme toepassingsvormen of -locaties te kiezen kan
per saldo de kwaliteit van het gebied worden verbeterd. Hierbij dient
zoveel mogelijk aansluiten te worden gezocht met andere maatschappelijk
noodzakelijke maatregelen in het gebied.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 46 en 48</tuskop>
      <al>Voor het verspreiden van baggerspecie in oppervlaktewater is
een apart gebiedsspecifiek kader opgenomen, hetgeen is verwoord in deze
artikelen.</al>
      <al>Voor de toepassing van dit gebiedsspecifieke kader
is in artikel 46 een tweetal beperkingen opgenomen. Indien gewenst kan
voor daarbij aan te wijzen stoffen gebiedsgericht alleen lagere waarden
worden vastgesteld dan generiek is bepaald in artikel 60.</al>
      <al>Voor
de Nederlandse territoriale zee geldt voor alle stoffen dat
gebiedsgericht alleen lagere waarden kunnen worden vastgesteld. Deze
laatste beperking vloeit voort uit de inhoud en strekking van het
London Protocol.</al>
      <al>In artikel 48 is bepaald wat het besluit van
de decentrale overheid waarin de maximale waarden voor verspreiden in
oppervlaktewater zijn vastgelegd, tenminste dient te bevatten.
Belangrijk onderdeel is de onderbouwing voor de maximale waarden in
relatie tot de gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en
de maatschappelijke noodzaak van deze waarden. Voor de onderbouwing van
de gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater wordt een
relatie gelegd met het herverontreinigingsniveau ten gevolge van de
actuele kwaliteit van het zwevend stof in het oppervlaktewater van het
bodembeheergebied. De risicotoolbox, zoals geregeld bij
ministeriële regeling op grond van artikel 47, is in deze niet
relevant.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel
47</tuskop>
      <al>In dit artikel is bepaald wat het besluit
van de decentrale overheid waarin de lokale maximale waarden voor de
ontvangende bodem zijn vastgelegd tenminste dient te bevatten.</al>
      <tuskop letat="cur">Eerste lid, onderdeel a</tuskop>
      <al>In dit onderdeel wordt gedoeld op de zogenaamde
bodemkwaliteitskaart. Voor het opstellen van deze kaart is een een
richtlijn ontwikkeld.</al>
      <al>Voor de toepassing in oppervlaktewater
gelden geen bodemfuncties. Gezien het dynamische karakter van het
watersysteem, wordt bij toepassingen in oppervlaktewater uitsluitend
rekening gehouden met de actuele kwaliteit van de ontvangende
waterbodem.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel
d</tuskop>
      <al>Met de methoden die in de
Regeling bodemkwaliteit zijn opgenomen wordt gedoeld op de zogenoemde
Risicotoolbox.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 52</tuskop>
      <al>Dit
artikel beschrijft de situaties waarin grondverzet en baggerverzet
uitsluitend binnen het eigen beheergebied is toegestaan.</al>
      <al>In
het eerste lid is de algemene regel opgenomen dat de kwaliteit van de
grond en baggerspecie nooit de lokale maximale waarden, zoals
vastgesteld in de nota bodembeheer, mag overschrijden. Het tweede lid
geeft aan dat de mogelijkheid van vaststelling van lokale maximale
waarden die minder streng zijn dan de maximale waarden die op grond van
het generieke kader voor de betreffende bodemkwaliteitsklasse zouden
gelden, zich beperkt tot de grond of baggerspecie die afkomstig is uit
het bodembeheergebied waarvoor de lokale maximale waarden zijn
vastgesteld.Zo wordt invulling gegeven aan het standstill-beginsel op
gebiedsniveau.</al>
      <al>In het derde lid is de regel opgenomen dat een
verslechtering van de bodemkwaliteit, door toepassing van een slechtere
kwaliteit op een schonere bodem, alleen mag plaatsvinden met grond en
baggerspecie afkomstig uit hetzelfde bodembeheergebied. Via een
bodembeheernota kan namelijk invulling worden gegeven aan standstill op
gebiedsniveau: de bodemkwaliteit mag plaatselijk verslechteren, mits
dit elders in het gebied tot een kwaliteitsverbetering leidt. Door
grond en baggerspecie van slechtere kwaliteit, afkomstig van buiten het
gebied waarop de bodembeheernota op van toepassing is, toe te staan op
een betere kwaliteit bodem in het gebied, wordt namelijk geen invulling
gegeven aan standstill op gebiedsniveau. Conform het vierde lid bestaat
te alle tijde het verbod waarin is geregeld dat grond met een kwaliteit
boven de referentiewaarde industrie niet mag worden toegepast in
oppervlaktewater. Via een gebiedsspecifiek kader is deze laatste regel
niet te verruimen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel
53</tuskop>
      <al>Dit artikel beoogt met het oog op een
goed bodembeheer het actualiseren van de besluiten van het bevoegd
gezag ter vaststelling van lokale maximale waarden. Dit is te
vergelijken met de herziening van de waarden, bedoeld in artikel
61.</al>
      <al>Bij de herziening worden in ieder geval betrokken de
gevolgen van de lokale maximale waarden voor de
milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het
oppervlaktewater, de feitelijke toepassingsvormen en -locaties, het
aantal toepassingen over de periode waarop de herziening betrekking
heeft. Ook moet hierbij worden ingegaan op de plek van herkomst van de
toegepaste grond of baggerspecie in vergelijking met de nieuwe
toepassingslocatie, waarbij de oude en nieuwe bodemfuncties en het
aantal mensen dat aan de grond of baggerspecie is blootgesteld van
belang zijn.</al>
      <al>De gegevens met betrekking tot de bodem en het
oppervlaktewater worden verkregen met inachtneming van de eisen die
daaraan bij of krachtens hoofdstuk 2 van het besluit.</al>
      <al>Het
bevoegd gezag kan indien het onderzoek uitwijst dat er geen sprake is
van een verbetering of gelijk blijven van de kwaliteit van de bodem of
het oppervlaktewater in zijn bodembeheergebied onder meer besluiten om
andere lokale maximale waarden vast te stellen of bepalen dat
toepassingen binnen het betreffende gebied voortaan binnen het
generieke toetsingskader vallen. Hiervoor geldt artikel 51 van het
besluit.</al>
      <al>Het bevoegd gezag dat nalaat om het lokale
bodembeheer actueel te houden schendt de beginselen vanbehoorlijk
bestuur en kan daarop op grond van de Algemene wet bestuursrecht worden
aangesproken.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel
54</tuskop>
      <al>In dit artikel wordt tot uitdrukking
gebracht dat het generieke toetsingskader alleen geldt in geval de
decentrale overheid geen lokaal bodembeleid (op grond van het
gebiedsspecifiek toetsingskader) voert.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 55 en 56</tuskop>
      <al>Voor een zo transparant mogelijke toepassing van grond en
baggerspecie wordt het wenselijk geacht dat de gemeenten op een kaart
voor hun gebied de bodemfunctieklassen hebben vastgelegd. Het bevoegd
gezag dient deze kaart binnen een half jaar na inwerkingtreding van dit
besluit te hebben vastgesteld. Er wordt blijkens dit artikel uitgegaan
van de indeling in twee klassen van de bodem die de verschillende
bodemfuncties omvatten. Dit is nader uitgewerkt in de Regeling
bodemkwaliteit. De maximale waarden van deze bodemfunctieklassen zijn
bepalend voor de vraag aan welke kwaliteit de toe te passen grond of
baggerspecie moet voldoen. Gebieden, zoals landbouw en natuurgronden,
waaraan de achtergrondwaarden zijn gekoppeld, hoeven niet te worden
ingetekend. Het systeem is zo opgesteld dat de gebieden waar geen
bodemfunctieklasse is vastgesteld, alleen grond beneden de norm van de
achtergrondwaarden kan worden toegepast.</al>
      <al>De bodemfuncties die
behoren tot de hierboven genoemde bodemfunctieklassen zijn afgeleid van
de bestemming in het vigerende bestemmingsplan.</al>
      <al>Het
vaststellen van de functiekaart wordt beschouwd als een besluit als
bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 57 en 58</tuskop>
      <al>In het generieke toetsingskader geldt in tegenstelling tot
het gebiedsspeciefieke toetsingskader niet de verplichting voor het
bevoegd gezag een bodemkwaliteitskaart op te stellen. Bij gebreke van
een dergelijke kaart dient degene die voornemens is grond of
baggerspecie toe te passen zelf de bodemkwaliteitsklasse vast te
stellen. De criteria hiervoor zijn uitgewerkt in de Regeling
bodemkwaliteit.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel
59</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Eerste
lid</tuskop>
      <al>In het generieke kader geldt
voor de landbodem dat getoetst wordt aan de bodemfunctieklasse en aan
de bodemkwaliteitsklasse. Uit deze toetsing volgt dat de strengste norm
geldt.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede
lid</tuskop>
      <al>Bij de toepassing of
tijdelijke opslag van grond of baggerspecie op of in de bodem onder
oppervlaktewater wordt alleen getoetst aan de maximale waarden van de
bodemkwaliteitsklassen. Bij tijdelijke opslag op de landbodem kan
eveneens worden volstaan met toetsing aan de
bodemkwaliteitsklasse.</al>
      <tuskop letat="cur">Derde lid</tuskop>
      <al>Dit lid is opgenomen om te voorkomen dat grond die
niet op de bodem kan worden toegepast wel in oppervlaktewater kan
worden toegepast.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 60</tuskop>
      <al>In
de Regeling bodemkwaliteit zijn de maximale waarden opgenomen waaraan
baggerspecie moet voldoen bij verspreiding en tijdelijke opslag op een
aan een watergang grenzend perceel en bij verspreiding in
oppervlaktewater.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede
lid</tuskop>
      <al>Opgemerkt zij dat hier onder
weg verstaan moet worden een smalle strook, zoals een landweg of een
schouwpad, niet een provinciale weg of
rijkswegen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 61</tuskop>
      <al>De
herziening van de waarden, bedoeld in dit artikel, is geregeld met het
oog op het voortschrijdend karakter van het
milieukwaliteitsbeleid.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 63</tuskop>
      <al>Dit
artikel geeft de criteria aan op basis waarvan grond en baggerspecie
grootschalig mag worden toegepast en die ook gelden voor de
instandhouding van de toepassing. De optie grootschalige toepassingen
neemt een aparte positie in dit besluit in. Indien voor de optie
grootschalige toepassingen wordt gekozen gelden niet de besluiten die
door een bevoegd gezag voor een bodembeheergebied zijn genomen conform
afdeling 2, paragraaf 1 of de normstelling die geldt voor het generieke
kader conform afdeling 2, paragraaf 2. Uitzondering hierop wordt
gevormd voor de toepassing van de leeflaag die bovenop de laag grond of
baggerspecie moet worden toegepast. Deze grond of baggerspecie moet wel
voldoen aan afdeling 2, paragraaf 1 of 2, terwijl er op grond van
milieuhygienische overwegingen nadere regels met betrekking tot de
dikte van de leeflaag of de laag bouwstoffen kunnen worden gesteld. Dit
betekent dat met in achtneming van het vereiste beschermingsniveau de
gestelde eisen kunnen worden aangescherpt of versoepeld.</al>
      <al>Het
bevoegd gezag mag het gebruik van de optie grootschalige toepassingen
ook niet verbieden in een nota bodembeheer of anderszins. De keuze voor
de optie grootschalige toepassingen moet in de melding op grond van
artikel 42, tweede lid, onderdeel b, kenbaar worden gemaakt. Conform
artikel 62 is de optie wel uitgesloten voor toepassing in de
Nederlandse territoriale zee. Deze beperking vloeit voort uit afspraken
die gemaakt zijn in het London Protocol. Beleidsmatig is er ook voor
gekozen om de optie voor grootschalige toepassingen niet toe te staan
voor ophogingen conform artikel 35, onder b.</al>
      <al>Voor
grootschalige toepassingen geldt geen toetsing aan de kwaliteit van de
ontvangende bodem, zoals geldend bij de algemene toepassingen. In
plaats van een vergelijking van de toe te passen grond en baggerspecie
met de ontvangende bodemkwaliteit, staat bij grootschalige toepassingen
de emissie van stoffen uit de toe te passen grond en baggerspecie
centraal. De toetsing van grond- en baggertoepassingen richt zich op de
risico’s van verspreiding vanuit de toepassingslocatie. Toetsing
aan de kwaliteit en functie van de ontvangende bodem is niet relevant
en vindt niet plaats. De emissie-eisen vormen de maximale grens van
toelaatbare uitloging naar de bodem en het grondwater. Dit is
vergelijkbaar met de systematiek die ook voor bouwstoffen geldt en
eerder ook in het Bouwstoffenbesluit is gehanteerd. Bepaling van de
emissie is echter niet altijd noodzakelijk, zoals in situaties waarvan
in de praktijk uit onderzoek is vastgesteld dat bij een bepaald niveau
van stoffen in de bodem of onder bepaalde omstandigheden de
emissie-eisen die in de Regeling bodemkwaliteit zijn opgenomen, niet
worden overschreden.</al>
      <al>De kwaliteit van de toe te passen grond
en baggerspecie mag verder bij toepassing op de landbodem nooit boven
de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie uitkomen en
dienen bij toepassing in het watersysteem te voldoen aan de
interventiewaarden waterbodem. Dit is consistent met de algemene regels
van het generieke kader.</al>
      <al>Voor toepassing van grond en bagger
als leeflaag geldt wel het algemene toetsingskader. Indien de leeflaag
bestaat uit bouwstoffen, dan gelden de voorwaarden uit hoofdstuk 3 van
het Besluit.</al>
      <al>Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar
paragraaf 4.9.</al>
      <tuskop letat="cur">Vijfde en zesde
lid</tuskop>
      <al>In deze leden is voor de dikte
van in wegen en spoorwegen toe te passen grond en baggerspecie een
uitzondering gemaakt, mits wordt voldaan aan de criteria die zijn
genoemd. Voor dit soort goed zichtbare objecten met een aanwijsbare
beheerder, geldt een minimale toepassingshoogte van 0,5 meter. De
bermen en taluds van gemeentelijke wegen worden getoetst aan de
kwaliteit en functie van de naastliggende bodem, vergelijkbaar met de
regels voor de leeflaag zoals opgenomen in artikel 63, gezien de
omstandigheid dat gemeentelijke wegen vaak door bewoond gebied gaan. In
het besluit is geregeld dat de bermen of taluds van rijkswegen,
provinciale wegen en spoorwegen, begrensd tot een fysieke afscheiding
met een maximum van hemelsbreed gemeten 10 meter vanaf de rand
van de verharding of ballastbed, alleen getoetst worden aan de maximale
waarden voor de bodemfunctieklasse industrie en er geen toets geldt aan
(ontvangende) bodemkwaliteit. Hiervoor is gekozen vanwege het feit dat
de milieubelasting van het verkeer (nog steeds) een bron vormt voor
vervuiling van de berm. Bij wegen vindt sterke beïnvloeding van
de kwaliteit van de berm plaats door afstromend en verstoven wegwater
en door belasting via de lucht. Bij spoorwegen met name via depositie
van stoffen van bovenleidingen. De grootste belasting beperkt zich tot
de eerste 10 meter naast de verharding. Voor dit deel van de berm is
het daarom niet zinvol te strenge eisen te stellen aan de
bodemkwaliteit. Bij kleinere wegen kan de berm smaller zijn dan de
vermelde 10 meter en geldt een fysieke afscheiding tot een naastgelegen
perceel of naastgelegen bodemgebruik als grens. Bij autowegen beperken
fysieke afscheidingen als geluidsschermen en grondwallen de
verspreiding van verontreinigingen. In deze gevallen houdt de
uitzondering op tot achter de voorziening. Indien de grootschalige
toepassing zich verder strekt dan deze fysieke afscheiding of de 10
meter vanaf de rand van de verharding of ballastbed, dan blijven de
regels van kracht voor leeflagen, zoals opgenomen in het vierde
lid.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel
64</tuskop>
      <al>De subdelegatie in dit artikel moet
waarborgen dat de kwaliteit van het grondwater en het oppervlaktewater
wordt beschermd conform de Europese Grondwaterrichtlijn en de
Kaderrichtlijn Water. Ook de kwaliteit van de omliggende bodem moet
worden gewaarborgd.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel
65</tuskop>
      <al>Het Bouwstoffenbesluit bodem- en
oppervlaktewaterenbescherming wordt met de inwerkingtreding van dit
besluit ingetrokken. Het Bouwstoffenbesluit blijft echter van kracht
voor zover het betreft de Tijdelijke Stimuleringsregeling verwerking
baggerspecie. Op grond van deze regeling kon een verzoek tot het
verstrekken van subsidie worden ingediend ter tegemoetkoming van de
kosten van verwerking van baggerspecie tot bouwstof. De Tijdelijke
Stimuleringsregeling verwerking baggerspecie is vervallen op 21 juli
2006. In artikel 12, tweede lid, van de Tijdelijke Stimuleringsregeling
verwerking baggerspecie is echter geregeld dat op voor de vervaldatum
ingediende aanvragen voor een subsidie de regeling van toepassing
blijft. Op de datum van inwerkingtreding van dit besluit is de
afhandeling van alle subsidieverzoeken op grond van de Tijdelijke
Stimuleringsregeling verwerking baggerspecie nog niet afgerond. Om die
reden is in dit artikel van dit besluit geregeld dat het
Bouwstoffenbesluit van toepassing blijft op alle op het moment van
inwerkingtreding van het besluit nog lopende subsidieprocedures op
grond van de Tijdelijke Stimuleringsregeling verwerking
baggerspecie.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel
66</tuskop>
      <al>Het Besluit uitvoeringskwaliteit
bodembeheer wordt ingetrokken en gaat op in hoofdstuk 2 van dit
besluit.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel
67</tuskop>
      <al>De tekst van paragraaf 1.2.5, onderdeel e
en paragraaf 3.2.6, onderdeel e, van de bijlage bij het Besluit
indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning is afgestemd op de
voorschriften die ten aanzien van het bodemonderzoek(srapport) sinds de
wijziging van de Woningwet van 1 april 2007 zijn opgenomen in
artikel 8, derde en vierde lid, van die wet, op het Besluit
bodemkwaliteit en op de model-voorschriften over bodemonderzoek van de
Modelbouwverordening 1992 van de VNG, zoals dat model na de 9e serie
wijzigingen luidt.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel
68</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel
A</tuskop>
      <al>Omdat het Bouwstoffenbesluit
bodem- en oppervlaktewaterenbescherming met dit besluit wordt
ingetrokken, moet onderdeel c van categorie 28.3 worden gewijzigd. Een
toepassing van bouwstoffen, grond of baggerspecie waarop het Besluit
bodemkwaliteit van toepassing is, zou kunnen worden aangemerkt als een
inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Daarmee zou er een
vergunningplicht gaan gelden voor activiteiten die zijn gereguleerd in
het onderhavige besluit. Aangezien dat niet gewenst is, wordt dit
onderdeel van categorie 28.3 zodanig gewijzigd dat deze toepassingen
zijn uitgezonderd van het inrichtingenbegrip met dien verstande dat de
vergunningplicht herleeft indien en voorzover binnen de inrichting niet
wordt gehandeld in overeenstemming met de bepalingen van dat
besluit.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel
B</tuskop>
      <al>Sinds de wijziging van het
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer van 5 juli 2001, Stb.
2001, nr. 336 wordt blijkens de bijbehorende nota van toelichting
verondersteld dat niet langer sprake kan zijn van een inrichting voor
het opslaan van baggerspecie. Deze wijziging had tot doel in de
noodzakelijke regelgeving te voorzien ter implementatie van de Europese
richtlijn Storten (richtlijn 1999/31/EG). Hierbij werd aangenomen dat
de tijdelijke opslag van baggerspecie altijd kan worden aangemerkt als
een vorm van bewerken of verwerken van baggerspecie (de richtlijn
spreekt over «behandeling»). Hiermee is onbedoeld voorbij
gegaan aan de uitvoeringspraktijk waarbij in het geval van tijdelijke
opslag van (natte) baggerspecie weliswaar sprake kan zijn van
natuurlijke chemische en fysische processen, maar de opslag lang niet
altijd gericht is op het bevorderen daarvan. De opslag heeft dan de
daadwerkelijk ver- of bewerking niet tot doel, maar vindt puur om
logistieke redenen plaats (zie ook de toelichting bij artikel 70). Deze
processen zijn nu eenmaal onontkoombaar bij tijdelijke opslag, maar
vinden ook bij andere toepassingen met baggerspecie plaats. Bovendien
kan in het geval van baggerspecie afkomstig uit bijvoorbeeld
uiterwaarden sprake zijn van droge baggerspecie, waardoor dergelijke
processen zich niet voordoen. Dit artikel heeft tot doel categorie 28
van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
in overeenstemming te brengen met de uitvoeringspraktijk. Daartoe is de
bovenstaande wijziging van voornoemd besluit terug gedraaid en wordt in
categorie 28.4, onder a tot uitdrukking gebracht dat ook sprake kan
zijn van tijdelijke opslag van baggerspecie. Meer specifiek wordt
hiermee de bevoegd gezagverdeling tussen burgemeester en wethouders
enerzijds en provinciale staten anderzijds gelijk getrokken met die
voor de tijdelijke opslag van grond.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 69</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel
B</tuskop>
      <al>Gelet op het nieuwe artikel 2,
onderdeel b, van het Besluit vrijstellingen stortverboden buiten
inrichtingen geldt het verbod van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer
niet voor het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie als
bedoeld in dit besluit. Het onderscheidt dat in deze amvb werd gemaakt
in verschillende klassen van onderhoudsspecie vervalt, omdat de
milieuhygiënische kwaliteit van baggerspecie volledig wordt
gereguleerd door het onderhavige besluit.</al>
      <al>Met opzet is er voor
gekozen om niet op te nemen dat de vrijstelling van artikel 2, onder b,
alleen geldt voor bouwstoffen, grond of baggerpecie die aan de eisen
van het onderhavige besluit voldoen. Dergelijke bouwstoffen, grond of
baggerspecie vallen hierdoor alleen onder de reikwijdte van het
onderhavige besluit. Hierdoor is het niet mogelijk om bouwstoffen,
grond of baggerspecie die niet aan de eisen van het onderhavige besluit
voldoen alsnog toe te passen, maar dan onder verlening van een
ontheffing op grond van artikel 10.63 van de Wet milieubeheer. Dit
laatste zou kunnen leiden tot werken met bouwstoffen die wél en
tot werken met bouwstoffen die niet aan het onderhavige besluit
voldoen. Deze keuze wordt uit milieuhygiënisch oogpunt
onwenselijk geacht. Alleen bouwstoffen, grond of baggerspecie die aan
de milieuhygiënische eisen van dit besluit voldoen, mogen
derhalve worden toegepast.</al>
      <al>Op grond van het gewijzigde vijfde
lid kan bouw- en sloopafval als bouwstof in het kader van het
onderhavige besluit worden toegepast, voor zover het granulaat betreft.
Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan ballastgrind dat wordt
toegepast bij de aanleg en het onderhoud van spoorwegen.</al>
      <al>Categorie 24 is toegevoegd om het mogelijk te maken grond die
verontreinigingen bevat die de interventiewaarden als bedoeld in de
Regeling bodemkwaliteit te boven gaan, onder strikte voorwaarden bij of
krachtens hoofdstuk 4 van dit besluit, toe te kunnen
passen.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel
D</tuskop>
      <al>De vraag of avi-bodemas als
bouwstof kan worden toegepast, wordt volledig gereguleerd door het
onderhavige besluit. Artikel 4a vervalt
daarom.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel
70</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel
A</tuskop>
      <al>Artikel 3, tweede lid, van het
Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen is op eenzelfde
wijze aangepast als artikel 2, vijfde lid, van het Besluit
vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen. Verwezen zij naar de
toelichting bij artikel 69.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel B</tuskop>
      <al>In artikel 11e van het Besluit stortplaatsen en
stortverboden afvalstoffen is de verplichting voor het bevoegd gezag
opgenomen om aan een Wm-vergunning voor de tijdelijke opslag van
afvalstoffen een uiterste termijn van één of drie jaar op
te nemen. Na die termijn is dan niet langer sprake van opslag maar van
storten en dus van een stortplaats met de daarbij behorende
verplichtingen. Deze verplichting bestaat op grond van de Europese
richtlijn Storten (Richtlijn 1999/31/EG). Deze richtlijn is echter niet
van toepassing op het storten van ongevaarlijke specie in
oppervlaktewater, met inbegrip van de bedding en haar ondergrond
(artikel 3, tweede lid, derde gedachtestreepje). Blijkens de
toelichting op het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen
is voornoemde verplichting onbedoeld ook van toepassing op de
tijdelijke opslag van baggerspecie in oppervlaktewater.</al>
      <al>Er is
daarbij namelijk uitgegaan van de veronderstelling, dat de tijdelijke
opslag van baggerspecie altijd kan worden aangemerkt als een vorm van
bewerken, of verwerken van baggerspecie (de richtlijn spreekt over
«behandeling»), waardoor voornoemde verplichting om die
reden niet van toepassing zou zijn. Dit kan inderdaad opgaan voor
zogenaamde doorgangdepots, voor zover de «opslag» mede
het bewerken, dan wel verwerken van de baggerspecie tot doel heeft.
Daarnaast is echter veelvuldig sprake van tijdelijke opslag van
baggerspecie in het kader van de uitvoering van (grond)werken, zoals de
aanleg van dijken en terpen en de herinrichting van watersystemen.
Hierbij kan weliswaar ook sprake zijn van het optreden van (bijkomende)
natuurlijke chemische en fysische processen die nu eenmaal
onontkoombaar zijn bij tijdelijk opslag; er vinden echter geen be- of
verwerkingsactiviteiten plaats die dergelijke processen zouden
bevorderen. De tijdelijke opslag heeft met andere woorden niet mede be-
of verwerken tot doel. Deze opslag vindt puur om logistieke redenen
plaats; de baggerspecie kan na ontgraving niet direct worden toegepast
en wordt voorafgaand daaraan nabij de plaats van definitieve bestemming
opgeslagen. Er is derhalve nog steeds sprake van tijdelijke opslag van
baggerspecie (categorie 28.1, onder a, onder 2°, van het Ivb),
waardoor de verplichting van artikel 11e hierop ondanks eerdergenoemde
uitzondering in de Europese richtlijn Storten van toepassing is. Aan
die onwenselijke situatie is – voor zover het de tijdelijke
opslag in oppervlaktewater betreft – met deze wijziging een
einde gekomen.</al>
      <al>Om vooral juridische redenen
dient in een (alternatieve) uiterste termijn voor deze tijdelijke
opslag van baggerspecie in oppervlaktewater te worden voorzien. De
opslag zal immers een eindig karakter dienen te hebben, aangezien
anders sprake is van het zich ontdoen van afvalstoffen, oftewel het
verwijderen van afvalstoffen als bedoeld in de Kaderrichtlijn
afvalstoffen (Richtlijn 2006/12/EG). Hiervoor wordt een uiterste
termijn van tien jaar aangehouden. Deze termijn is afgestemd op de duur
van tijdelijke opslag zoals deze in het bijzonder bij de uitvoering van
grote (rivierverruimings)projecten op of in de waterbodem gebruikelijk
is. De gezondheid van de mens en de toestand van het milieu zijn
hierbij niet in het geding (artikel 4 Kaderrichtlijn afvalstoffen). De
algemene criteria op grond van dit Besluit voor het toepassen van
baggerspecie zijn immers ook van toepassing op de tijdelijke opslag van
baggerspecie in oppervlaktewater («standstill» om te
voorkomen dat de kwaliteit van de ontvangende bodem verslechtert). Daar
komt nog bij dat de baggerspecie op een relatief beperkte oppervlakte
wordt opgeslagen ten opzichte van de oppervlakte van de
ontgravingslocatie(s). Het op deze wijze concentreren van de
baggerspecie draagt significant bij aan het verder reduceren van
blootstellings- en verspreidingsrisico’s van eventuele
baggerspecieverontreiniging. Deze risicoreductie neemt in de tijd
alleen maar toe vanwege steeds verdergaande immobilisatie van de
eventueel in de baggerspecie aanwezige verontreiniging door een
samenspel van chemische, biochemische en fysische processen. Vanuit
louter milieuhygiënische redenen zou het dus niet nodig zijn de
tijdsduur van tijdelijke opslag van baggerspecie in oppervlaktewater te
limiteren.</al>
      <al>Door over «ten hoogste tien jaar» te
spreken, wordt tot uitdrukking gebracht dat er voor de beoogde termijn
van opslag aantoonbaar een noodzaak moet bestaan. Het feit dat deze
termijn is gekoppeld aan de uiteindelijke eindbestemming van de
baggerspecie en deze eindbestemming in de melding op grond van dit
besluit moet worden aangegeven, biedt hiervoor een waarborg.</al>
      <al>Ten slotte verdient opmerking, dat voornoemde uitzondering in
Europese richtlijn Storten tevens betrekking heeft op het verspreiden
van ongevaarlijke baggerspecie langs kleine waterwegen als bedoeld in
artikel 35, onder g. Dit omvat echter niet het voorafgaand daaraan
opslaan van die baggerspecie. Hiervoor geldt derhalve wel een uiterste
termijn van drie jaar op grond van artikel 11e, tweede lid, van het
Besluit stortplaatsen en stortverboden
afvalstoffen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 72</tuskop>
      <al>Op
grond van artikel 12, tweede lid, van de Wet belastingen op
milieugrondslag (hierna: Wbm) en artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit
belastingen op milieugrondslag (hierna: het uitvoeringsbesluit) wordt
een aantal stoffen, preparaten en andere producten voor de toepassing
van de Wbm niet tot afvalstoffen gerekend. Dit heeft tot gevolg dat
over deze stoffen geen afvalstoffenbelasting verschuldigd is wanneer
zij worden afgegeven aan een afvalverwijderingsinrichting om te worden
verwijderd (gestort).</al>
      <al>In artikel 5 van het uitvoeringsbesluit
werd verwezen naar bepalingen in het Bouwstoffenbesluit bodem- en
oppervlaktewaterenbescherming. Omdat het Bouwstoffenbesluit bij
onderhavig besluit is ingetrokken, is artikel 5 van het
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag aangepast. Het
uitgangspunt is daarbij gehanteerd dat bouwstoffen en grond die tot op
heden voor de op basis van de Wbm geheven afvalstoffenbelasting niet
als afvalstoffen werden aangemerkt en daarom niet onder de heffing van
afvalstoffenbelasting vielen, ook na de aanpassing buiten de heffing
vallen.</al>
      <al>In onderdeel l wordt thans verwezen
naar bepalingen in het Besluit bodemkwaliteit, onder meer naar de
definitie van bouwstoffen in artikel 1. Naast een kwaliteitsverklaring
en een partijkeuring wordt in het vervolg ook een
fabrikant-eigenverklaring in de zin van het Besluit bodemkwaliteit als
bewijsmiddel geaccepteerd om aan te tonen dat sprake is van bouwstoffen
die voor de Wbm niet tot afvalstoffen worden gerekend.</al>
      <al>Het
nieuwe onderdeel m strekt ertoe grond die aan bepaalde eisen voldoet en
die wordt toegepast in voorzieningen binnen een inrichting, buiten het
begrip afvalstoffen te plaatsen. Uit de bewijsmiddelen
(kwaliteitsverklaring, partijkeuring of fabrikant-eigenverklaring) moet
blijken dat de grond voldoet aan de generieke eisen uit het Besluit
bodemkwaliteit voor de bodemfunctieklasse industrie.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 73</tuskop>
      <al>Het
Besluit overige niet-meldingsplichtige gevallen bodemsanering heeft tot
doel een meldingsplicht als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de
Wet bodembescherming achterwege te laten indien het bevoegd gezag reeds
over de noodzakelijke informatie beschikt om vast te stellen dat geen
sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Naast de
situaties waarbij het bevoegd gezag op grond van aanvragen voor
vergunningen op grond van onder meer de Wet milieubeheer of Wet
verontreiniging oppervlaktewateren (artikel 2, eerste lid onder a) over
die informatie beschikt, waren in de onderdelen b en c van dat lid een
tweetal specifieke situaties genoemd. Het betrof de volgende
situaties:</al>
      <al>b. indien de uitvoering van een openbaar werk of van
baggerwerkzaamheden waarbij baggerspecie klasse 1, 2 of 3 wordt
verplaatst:</al>
      <al>1°. geschiedt op last van, door of vanwege, of
met instemming van het bevoegde gezag, en</al>
      <al>2°. het bevoegde gezag heeft vastgesteld dat
geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging,
of</al>
      <al>c. indien het
verspreiden van onderhoudsspecie klasse 1 of 2 op land met inachtneming
van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen en de
daarop gebaseerde ministeriële regeling
geschiedt.</al>
      <al>De situaties worden ondervangen door
de toepassingen als genoemd in artikel 35 van dit besluit. Om die reden
worden de onderdelen b en c vervangen door een nieuw onderdeel b waarin
wordt verwezen naar de bij een melding op grond van het Besluit
bodemkwaliteit te verstrekken gegevens. Indien op grond daarvan door
het bevoegd gezag kan worden vastgesteld dat geen sprake is van een
geval van ernstige verontreiniging kan een melding op grond van artikel
28 achterwege blijven.</al>
      <al>In artikel 1 waren ten behoeve van de
in onderdelen b en c genoemde situaties definities opgenomen voor
klassen van baggerspecie en onderhoudsbaggerspecie. Deze zijn niet
langer noodzakelijk en derhalve vervallen. Bovendien wordt met de
inwerkingtreding van dit besluit een nieuwe klasse indeling
gehanteerd.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel
74</tuskop>
      <al>Met dit besluit wordt de tot nu toe
aangehouden klasse indeling voor (onderhouds)baggerspecie vervangen
door een nieuwe klasse indeling en daarnaast een aantal wijzigingen
doorgevoerd met betrekking tot de tijdelijke opslag van baggerspecie.
Deze wijziging werkt ook door naar de onderdelen C en D van de bijlage
bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 en wel specifiek voor wat
betreft categorie 18.3. Op grond deze categorie is een stortplaats voor
baggerspecie mer-plichtig respectievelijk mer-beoordelingsplichtig
indien zich de gevallen voordoen als omschreven in de bijbehorende
Kolom 2. Daarvoor is in dit kader van belang dat sprake moet zijn van
het storten van baggerspecie van de klasse 3 of 4. Klasse B uit de
nieuwe klasse indeling komt grotendeels overeen met klasse 3 en 4
baggerspecie en wordt derhalve ter vervanging daarvan in onderdeel
1°.in de tweede kolom voor beide activiteiten
opgenomen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel
75</tuskop>
      <al>Dit artikel bevat een
overgangsrechtelijke bepalingen met betrekking tot het
Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming. Hoewel
grond en baggerspecie expliciet worden genoemd, is dat strikt genomen
niet noodzakelijk. Grond en baggerspecie zijn namelijk bouwstoffen in
de zin van het Bouwstoffenbesluit. Ter voorkoming van misverstanden
worden ze hier apart genoemd, omdat in het onderhavige besluit wel een
onderscheid tussen bouwstoffen en grond of baggerspecie wordt
gemaakt.</al>
      <al>Dit artikel heeft betrekking op ten tijde van de
inwerkingreding van dit besluit bestaande werken. Het
Bouwstoffenbesluit blijft van toepassing op het houden van bouwstoffen
in een werk, indien de bouwstoffen voor dit tijdstip in het betreffende
werk zijn gebruikt.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel
76</tuskop>
      <al>De Vrijstellingregeling grondverzet maakt
het hergebruik van licht verontreinigde grond en baggerspecie als bodem
mogelijk naast de toepassing in werken als bedoeld in het
Bouwstoffenbestoffenbesluit, onder de voorwaarde dat het bevoegd gezag
een bodemkwaliteitskaart heeft vastgesteld. Voor toepassingen op grond
van de Vrijstellingsregeling grondverzet geldt geen
verwijderingsplicht, zoals voor toepassingen in een werk. De grond of
baggerspecie kan dus blijvend deel uitmaken van, en vermengd raken met
de bodem. Feitelijk vormt de Vrijstellingsregeling grondverzet de
voorbode van de regeling van de toepassing van grond of baggerspecie in
dit besluit. Indien het bevoegd gezag voor een specifiek gebied
gebiedsspecifiek beleid heeft vastgesteld op grond van dit besluit,
gaat het bevoegd gezag na in hoeverre de bestaande
bodemkwaliteitskaart herziening behoeft. De
Vrijstellingsregeling grondverzet ziet niet op het verspreiden van
baggerspecie, de tijdelijke opslag van grond of baggerspecie en de
grootschalige toepassingen. Dit artikel geldt daarom niet voor
dergelijke toepassingen. Deze overgangsbepaling geldt voor de duur van
de bodemkwaliteitskaart met een maximum van vijf jaar na het tijdstip
van inwerkingtreding van dit besluit.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 77</tuskop>
      <al>Partijkeuringen, erkende kwaliteitsverklaringen of andere
bewijsmiddelen die voor het tijdstip van inwerkingtreding van het
besluit zijn afgegeven op grond van het Bouwstoffenbesluit, blijven
gelden voor de duur van de betreffende verklaring, tot ten hoogste drie
jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit.</al>
      <al>Dit
betekent dat de partij waarop de verklaring betrekking heeft mag worden
toegepast, mits op de wijze zoals aangegeven op de verklaring. De op de
verklaring aangeduide maximale toepassingshoogte en eventuele andere
technische eisen die waren gekoppeld aan het Bouwstoffenbesluit blijven
derhalve onverkort van kracht op de partij. Indien de verklaring
aangeeft dat sprake is van een categorie 2-bouwstof, dient deze onder
IBC-voorzieningen te worden aangebracht. Voor de specifieke
IBC-voorzieningen geldt het nieuwe besluit wel, tenzij het gaat om een
situatie als bedoeld in artikel 79.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 78</tuskop>
      <al>Het
Bouwstoffenbesluit van toepassing op het gebruiken van bouwstoffen,
indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit een
melding is gedaan krachtens artikel 11, eerste lid, artikel 18, tweede
lid of artikel 21, tweede lid, van het Bouwstoffenbesluit en binnen een
half jaar na dit tijdstip is begonnen met de toepassing, tot ten
hoogste drie jaar na dit tijdstip.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 79</tuskop>
      <al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding, dan wel
uiterlijk een half jaar na inwerkingtreding van het besluit een
vergunning is verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, Wm of artikel
1, Wvo, voor handelingen die vallen onder de reikwijdte van het
besluit, blijft het recht van toepassing dat geldt voor het tijdstip
van inwerkingtreding van het besluit tot ten hoogste drie jaar na dit
tijdstip.</al>
      <al>Dit overgangsrecht geldt niet voor het verspreiden
van baggerspecie in oppervlaktewater, met uitzondering van de
voorschriften die betrekking hebben op de aanwijzing van
verspreidingsvakken. Deze voorschriften blijven gelden tot ten hoogste
een half jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van het
besluit.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel
80</tuskop>
      <al>Het besluit zal gedurende twee jaar na de
datum van inwerkingtreding niet van toepassing zijn op tarragrond. Tot
die tijd geldt voor tarragrond de Vrijstellingsregeling plantenresten
en tarragrond.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel
81</tuskop>
      <al>Dit besluit treedt pas in werking voor
toepassingen van grond en baggerspecie in de Nederlandse territoriale
zee als de wijziging van de Wvz in werking is getreden. Op grond van de
Wvz, zoals die thans luidt, is voor deze toepassingen een ontheffing
vereist. Na de wetswijziging vallen zij niet meer onder het
toepassingsbereik van de Wvz, maar onder de Wvo. Zij worden dan
krachtens de Wvo gereguleerd in dit besluit. Wanneer de wijziging van
de Wvz in werking treedt is nog niet bekend.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 82</tuskop>
      <al>Het
besluit zal binnen drie jaar na inwerkingtreding worden
geëvalueerd.</al>
      <minister>
        <minvan>De Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer, </minvan>
        <naam>J.
M. Cramer</naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>