﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb4.8" soort="kb" publtype="stbd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2004-8/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="prod1.5" markup="Xa"></versie>
    <ordernr>STB8307</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="2004">Jaargang 2004</jaargang>
      <stbjaar>2004</stbjaar>
      <stbnr>8</stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 18 december 2003, houdende bepalingen
over het Kabinet van de Koning</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
van 16 december 2003, nr. 03M461900;</al>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 42 van de Grondwet</grslag>;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <art id="a1">
      <kop>
        <nr>Artikel 1</nr>
      </kop>
      <al>Het Kabinet van de Koning heeft tot taak de Koning ten behoeve van de
uitoefening van diens constitutionele taken te ondersteunen inzake:</al>
      <al>a. het verkeer tussen de Koning en de overige leden van de regering;</al>
      <al>b. contacten met andere organen van de overheid, ontvangsten, bezoeken
en overige toegang tot de Koning;</al>
      <al>c. verzoekschriften aan de Koning;</al>
      <al>d. de zorg voor het registeren, bewaren en overdragen van wetten, koninklijke
besluiten en andere staatsstukken.</al>
    </art>
    <art id="a2">
      <kop>
        <nr>Artikel 2</nr>
      </kop>
      <lid>
        <nr>1.</nr>
        <al>Aan het hoofd van het Kabinet van de Koning staat een directeur.</al>
      </lid>
      <lid>
        <nr>2.</nr>
        <al>De directeur wordt benoemd en ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht
van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming
met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.</al>
      </lid>
    </art>
    <art id="a3">
      <kop>
        <nr>Artikel 3</nr>
      </kop>
      <al>De directeur van het Kabinet van de Koning verschaft Onze Minister wie
het aangaat tijdig alle inlichtingen die voor de uitvoering van de taak van
Onze Minister van belang kunnen zijn.</al>
    </art>
    <art id="a4">
      <kop>
        <nr>Artikel 4</nr>
      </kop>
      <al>Het Kabinet van de Koning verricht zijn werkzaamheden binnen het raam
van de middelen die jaarlijks ingevolge de begrotingswet ter beschikking worden
gesteld.</al>
    </art>
    <art id="a5">
      <kop>
        <nr>Artikel 5</nr>
      </kop>
      <al>De besluiten van 22 december 1840, nr. 44, en 14 december 1893, nr. 17,
worden ingetrokken.</al>
    </art>
    <art id="a6">
      <kop>
        <nr>Artikel 6</nr>
      </kop>
      <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.</al>
    </art>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is belast
met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting
in het Staatsblad zal worden geplaatst.</slotform>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>18 december 2003</onddatum>
        <koning>Beatrix</koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,</minvan>
          <naam>J. P. Balkenende</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">achtste</nadruk> januari 2004</uitgifte-regel>
        <uitdag>achtste</uitdag>
        <uitmaand>januari</uitmaand>
        <uitjaar>2004</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>J. P. H. Donner</naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING</titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">Algemeen</tuskop>
      <al>De geschiedenis van het Kabinet van de Koning gaat terug naar 1813, het
moment waarop de erfprins Willem de soevereiniteit over de Nederlanden aanvaardde.
De vorst beschikte over twee ambtelijke organisaties: een Algemene Staatssecretarie,
ook wel genoemd de Secretarie van Staat, en een Kabinetssecretarie, vanaf 1815
Kabinet des Konings genaamd. Bij koninklijk besluit van 22 december 1840,
nr. 44 werden de Algemene Staatssecretarie en het Kabinet des Konings met
ingang van 1 januari 1841 samengevoegd onder de naam Kabinet des Konings,
onder leiding van een directeur. In de considerans van dit besluit wordt verwezen
naar enkele taken van het Kabinet. In de tekst van het besluit zelf wordt
echter enkel de archieftaak ten aanzien van wetten, besluiten en andere regeringsstukken
genoemd (eerder behartigd door de Algemene Staatssecretarie). Voor het overige
wordt gesproken van taken die ook na de vereenvoudiging van de afdoening van
regeringszaken en de invoering van de ministeriële verantwoordelijkheid
nog overblijven voor het Kabinet. Bij koninklijk besluit van 14 december 1893,
nr. 17 werd bepaald dat de directeur van het Kabinet ten aanzien van het beheer
van het archiefdepot verantwoording schuldig is aan de Minister van Binnenlandse
Zaken.</al>
      <al>De positie en de taken van het Kabinet van de Koning zijn naar aanleiding
van de notitie «Het Kabinet der Koningin» van 1 oktober 2003 (kamerstukken
II, 29 200 III, nr. 4) en de uitspraken van de Tweede Kamer daarover
(handelingen II, 29 200 III, nr. 7–8) in dit besluit opnieuw vastgelegd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dit besluit heeft als strekking, een op de huidige tijd toegesneden regeling
te bieden voor het Kabinet van de Koning. Het treedt in de plaats van de oude
besluiten van 22 december 1840, nr. 44, en 14 december 1893, nr. 17. Overigens
hebben in elk geval de artikelen 1 en 3 van laatstgenoemd besluit sinds de
inwerkingtreding van de Archiefwet 1962 geen gelding meer.</al>
      <al>Vanaf zijn ontstaan draagt het Kabinet zorg voor de ambtelijke ondersteuning
van de Koning ten behoeve van de uitoefening van diens constitutionele taken
en is het in dit kader ook belast met het voorbereiden en uitvoering geven
aan het verkeer tussen de Koning en de bewindslieden, de bewaring van oorspronkelijke
wetten, koninklijke besluiten en soortgelijke regeringsbescheiden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het Kabinet ontleent zijn plaats en taak aan die van de Koning. Hij is
de onschendbare component van de regering voor wie de ministers verantwoordelijk
zijn zoals dit volgt uit artikel 42, tweede lid, van de Grondwet («De
Koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk.»). De plaats
van de Koning in het staatsbestel houdt ook in dat hij niet hiërarchisch
ondergeschikt is aan de ministers. Hij staat boven de partijen.</al>
      <al>Het Kabinet is er ter ondersteuning van de Koning bij de uitoefening van
diens constitutionele taken. De geschiedenis van het Kabinet en het overzicht
van zijn huidige taken bevestigen dit.</al>
      <al>Er bestaat voor deze ambtelijke organisatie daarom volledige ministeriële
verantwoordelijkheid, zoals deze altijd heeft gegolden sinds de invoering
daarvan. Daarmee zijn de ministers dus ook voor de uitoefening van de taken
van het Kabinet verantwoordelijk.</al>
      <al>Er is een verantwoordingsrelatie van de directeur van het Kabinet aan
de ministers wie het aangaat. Deze heeft betrekking op de ministers in het
algemeen en – gelet op diens verantwoordelijkheid voor de Koning –
de Minister-President in het bijzonder. De in dit besluit geregelde onderdelen,
met name (a) bepaling van de taken van het Kabinet, (b) benoeming en ontslag van de directeur op voordracht van de Minister-President in
overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
en (c) inlichtingenplicht van de directeur om de ministers die het aangaat
tijdig alle inlichtingen te verschaffen die voor de uitoefening van hun ministeriële
verantwoordelijkheid van belang kunnen zijn, instrumenteren de verantwoordingsrelatie
en geven ten volle invulling aan de ministeriële verantwoordelijkheid.
Indien de directeur van het Kabinet van de Koning twijfelt welke minister
hij moet inlichten, dient hij altijd de Minister-President in kennis te stellen.
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is verantwoordelijk voor
het beheer van de begroting van het Kabinet van de Koningin dat onderdeel
vormt van begroting III van de rijksbegroting. Hij zal over de aan dit beheer
te geven inhoud afspraken maken met het Kabinet der Koningin, waarin recht
wordt gedaan aan de staatsrechtelijke positie van dit Kabinet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Aldus is er met betrekking tot het Kabinet van de Koning sprake van een
sluitend stelsel van ministeriële verantwoordelijkheid en daarmee ook
van parlementaire controle. In ons staatsbestel geldt dat iedere minister
verantwoordelijk is voorzover het het taakgebied van zijn ministerie betreft,
terwijl de Minister-President de algemene verantwoordelijkheid voor de (onschendbare)
Koning draagt. Hij heeft in dezen een bijzondere verantwoordelijkheid op grond
van artikel 42 en 45 van de Grondwet. In de praktijk effectueert de Minister-President
veelal in eerste instantie, afhankelijk van het geval samen met andere ministers,
de ministeriële verantwoordelijkheid en legt daarover verantwoording
af aan de Staten-Generaal.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In dit besluit en de nota van toelichting is het begrip «Koning»
gehanteerd in de zin van de constitutionele Koning, ongeacht de vraag of deze
positie wordt bekleed door een man of een vrouw. In het verlengde hiervan
wordt de aanduiding «Kabinet van de Koning» gebruikt. Overigens
is in de wet van 22 juni 1891, Stb. 125, bepaald dat zolang een Koningin de
Kroon draagt, bij het gebruik van alle wettelijk vastgestelde formulieren,
ambtstitels en officiële benamingen, waarin het woord «Koning»
voorkomt, in plaats daarvan het woord «Koningin» wordt gebruikt.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikelsgewijs</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1</tuskop>
      <al>In dit artikel wordt in algemene termen de taakomschrijving van het Kabinet
van de Koning vastgelegd, zoals deze van oudsher bestaat.</al>
      <al>Meer specifiek laten de huidige taken van het Kabinet van de Koning bij
de ondersteuning van de uitoefening van de constitutionele taken van het staatshoofd
zich als volgt opsommen:</al>
      <tuskop letat="cur">a. Trait d'union tussen Koning en bewindspersonen</tuskop>
      <al>– onderhouden van contacten met bewindspersonen namens de Koning;</al>
      <al>– schriftelijk en mondeling informeren van de Koning ten behoeve
van zijn gesprekken met bewindslieden;</al>
      <al>– registreren van ingekomen staatsstukken (onder andere voorstellen
van wet, ontwerp-algemene maatregelen van bestuur en overige ontwerp-besluiten,
nadere rapporten bij voorstellen van wet en bekrachtiging van verdragen) en
toetsen daarvan op formele voorschriften (juistheid, volledigheid en tijdigheid);</al>
      <al>– tijdig en in correcte vorm ter tekening voorleggen van alle
door de ministeries aangeboden staatsstukken;</al>
      <al>– maken van samenvattingen en toelichtingen bij de aan de Koning
voor te leggen tekenstukken;</al>
      <al>– namens de Koning voorleggen van wetsvoorstellen en ontwerp-algemene
maatregelen van bestuur aan de Raad van State en het informeren van ministeries
hierover;</al>
      <al>– verzorgen van bij officiële stukken behorende correspondentie.</al>
      <tuskop letat="cur">b. Ondersteuning bij contacten, ontvangsten, bezoeken
en kabinetsformaties</tuskop>
      <al>– schriftelijk en mondeling informeren ten behoeve van gesprekken
met binnenlandse en buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders en ten behoeve
van staatsbezoeken, andere buitenlandse bezoeken, bezoeken aan andere landen
van het koninkrijk en werkbezoeken;</al>
      <al>– begeleiden van de Koning tijdens staatsbezoeken en andere
buitenlandse bezoeken;</al>
      <al>– opstellen en overbrengen van boodschappen aan staatshoofden
van vreemde mogendheden via het ministerie van Buitenlandse Zaken en ambassades;</al>
      <al>– overige bemiddeling bij de totstandkoming van contacten met
andere organen van de overheid, en zorg voor ontvangsten van en toegang tot
(de directe omgeving van) het staatshoofd;</al>
      <al>– andere vormen van ambtelijke ondersteuning, zoals het uitgeven
van communiqués bij kabinetsformaties.</al>
      <tuskop letat="cur">c. Behandeling van verzoekschriften</tuskop>
      <al>Artikel 5 van de Grondwet geeft ieder het recht schriftelijke verzoeken
in te dienen bij het bevoegd gezag. Ook de Koning ontvangt op basis hiervan
jaarlijks vele verzoekschriften, die doorgaans worden overgedragen aan de
voor het beleidsterrein waarop het verzoekschrift betrekking heeft verantwoordelijke
minister. De ambtelijke ondersteuning hiervan houdt onder andere in:</al>
      <al>– registreren van verzoekschriften en het informeren van de
Koning over ontvangen verzoekschriften;</al>
      <al>– verzoekschriften voor behandeling overdragen aan de bewindspersoon
die voor het desbetreffende beleidsterrein verantwoordelijk is;</al>
      <al>– indieners informeren over de overdracht;</al>
      <al>– volgen van de afhandeling van het verzoekschrift.</al>
      <tuskop letat="cur">d. Archivering</tuskop>
      <al>– registreren, bewaren en overdragen van wetten, koninklijke
besluiten en andere staatsstukken overeenkomstig de bestaande regelgeving
(Archiefwet, Archiefbesluit en Besluit uitgifte Staatsblad en Staatscourant).</al>
      <tuskop letat="cur">Beheer van de eigen organisatie</tuskop>
      <al>Zoals bij elke instelling worden bij het Kabinet ondersteunende handelingen
verricht ten behoeve van het beheer van de eigen organisatie. De directeur
van het Kabinet van de Koning heeft ook beheerstaken op grond van de Archiefwet.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2</tuskop>
      <al>De directeur van het Kabinet van de Koning wordt afzonderlijk in dit besluit
genoemd, omdat hij belast is met de ambtelijke leiding van het Kabinet. Daarnaast
heeft hij bepaalde taken op grond van de Archiefwet en het Archiefbesluit.
Om de bestaande ministeriële verantwoordelijkheid voor het
Kabinet van de Koning tot uiting te brengen, schrijft dit artikel voor dat
de directeur wordt benoemd en ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht
van de Minister-President in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 3</tuskop>
      <al>Het Kabinet van de Koning valt onder het bereik van de ministeriële
verantwoordelijkheid. Dit artikel stelt in het eerste lid buiten twijfel dat
dit ook inhoudt dat er een inlichtingenplicht bestaat van de directeur om
de ministers die het aangaat tijdig alle inlichtingen te verschaffen die voor
de uitoefening van hun ministeriële verantwoordelijkheid van belang kunnen
zijn. Het is evident dat de directeur van het Kabinet de ministers die het
aangaat inlicht alvorens hij contacten met derden legt, in het bijzonder met
andere binnenen buitenlandse overheidsorganen. De ministers die het aangaat
zijn aldus in de gelegenheid om, indien nodig, nader in overleg te treden
met de Koning. De Koning zal vervolgens de directeur dienovereenkomstig opdragen.</al>
      <al>De voor werkzaamheden van het Kabinet van de Koning verantwoordelijke
minister kan bijvoorbeeld de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
zijn wanneer het de archieffunctie betreft.</al>
      <al>Indien de directeur van het Kabinet van de Koning twijfelt welke minister
hij moet inlichten, dient hij altijd de Minister-President in kennis te stellen
en daarbij aan hem de vraag voor te leggen, of daarnaast een of meer andere
ministers moeten worden geïnformeerd.</al>
      <al>Uit de aard der zaak geldt ook voor ministers en hun ambtenaren dat zij
zich bij contacten met de directeur en andere medewerkers van het Kabinet
van de Koning bewust moeten zijn van de ministeriële verantwoordelijkheid
voor een goede uitoefening van de Koninklijke functie en voor de ondersteuning
die daarvoor nodig is.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4</tuskop>
      <al>De begroting van het Kabinet van de Koning is – als afzonderlijke
begrotingsstaat – onderdeel van begroting III van de Rijksbegroting,
waarin ook het ministerie van Algemene Zaken en de Commissie van Toezicht
op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten zijn opgenomen. Het Kabinet noch
de Commissie zijn onderdeel van de ambtelijke organisatie van het ministerie
van Algemene Zaken. Dit laat onverlet dat de Minister-President, Minister
van Algemene Zaken, verantwoordelijk is voor het beheer van de gehele begroting
III en mitsdien ook voor de begroting van het Kabinet van de Koning. De Comptabiliteitswet
2001 regelt de wijze waarop aan deze verantwoordelijkheid inhoud wordt gegeven.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5</tuskop>
      <al>Dit besluit treedt in de plaats van de besluiten van 22 december 1840,
nr. 44, en 14 december 1893, nr. 17. Deze besluiten kunnen derhalve worden
ingetrokken.</al>
      <minister>
        <minvan>De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,</minvan>
        <naam>J. P. Balkenende </naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>