﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb2.426" soort="beschik" publtype="besc">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2002-426/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="prod1.5" markup="Xa"></versie>
    <ordernr>STB7346</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="2002">Jaargang 2002</jaargang>
      <stbjaar>2002</stbjaar>
      <stbnr>426</stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Beschikking</soort> van de Minister van Justitie van 16 augustus
2002, houdende plaatsing in het Staatsblad van de vernummerde tekst van de
wet van 3 juni 1999, Stb. 300 tot vaststelling van de Invoeringswet Boek 4
en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, eerste gedeelte</intitule>
    <aanhef>
      <wie>De Minister van Justitie,</wie>
      <consider>
        <al>Gelet op Artikel I, vierde en vijfde lid van Hoofdstuk VI van de wet van
18 april 2002, Stb. 230:</al>
      </consider>
      <afkondig>Besluit:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <besluit>
      <al>de vernummerde tekst van de wet van 3 juni 1999, Stb. 300 tot vaststelling
van de Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk
Wetboek, eerste gedeelte, in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze
beschikking.</al>
    </besluit>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>16 augustus 2002</onddatum>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>J. P. H. Donner</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">tweeëntwintigste</nadruk> augustus 2002</uitgifte-regel>
        <uitdag>tweeëntwintigste</uitdag>
        <uitmaand>augustus</uitmaand>
        <uitjaar>2002</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>J. P. H. Donner </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <tekstpl>
      <kop></kop>
      <wart id="ai">
        <kop>
          <nr>ARTIKEL I</nr>
        </kop>
        <al>In Boek 4, zoals vastgesteld bij de Wet van 11 september 1969, Stb. 392,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:</al>
        <al>
          <nadruk type="vet">TITEL 1 ALGEMENE BEPALINGEN</nadruk>
        </al>
        <al>
          <nadruk type="vet">Artikel 2</nadruk> wordt gelezen als volgt:</al>
        <wlichaam>
          <art>
            <kop>
              <nr>Artikel 2.</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Wanneer de volgorde waarin twee of meer personen zijn overleden niet kan
worden bepaald, worden die personen geacht gelijktijdig te zijn overleden
en valt aan de ene persoon geen voordeel uit de nalatenschap van de andere
ten deel.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Indien een belanghebbende ten gevolge van omstandigheden die hem niet
kunnen worden toegerekend, moeilijkheden ondervindt bij het bewijs van de
volgorde van overlijden, kan de rechter hem een of meermalen uitstel verlenen,
zulks voor zover redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het bewijs binnen
de termijn van het uitstel kan worden geleverd.</al>
            </lid>
          </art>
        </wlichaam>
        <al>
          <nadruk type="vet">Artikel 3</nadruk> wordt als volgt gewijzigd:</al>
        <wond>
          <nr>a.</nr>
          <al>In lid 1 wordt in onderdeel a voor het woord «veroordeeld»
ingevoegd: onherroepelijk. In onderdeel a worden verder de woorden «of
daaraan medeplichtig is geweest» vervangen door: dat feit heeft voorbereid
of daaraan heeft deelgenomen.</al>
        </wond>
        <wond>
          <nr>b.</nr>
          <al>In lid 1 wordt na onderdeel a, onder verlettering van de onderdelen b,
c en d tot c, d en e, een nieuw onderdeel b toegevoegd, luidende:</al>
          <arttkst>
            <al>b. hij die onherroepelijk veroordeeld is wegens een opzettelijk tegen
de erflater gepleegd misdrijf waarop naar de Nederlandse wettelijke omschrijving
een vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van ten minste vier jaren, dan
wel wegens poging tot, voorbereiding van, of deelneming aan een dergelijk
misdrijf;.</al>
          </arttkst>
          <al>Onderdeel c van lid 1 komt te luiden:</al>
          <arttkst>
            <al>c. hij van wie bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is vastgesteld
dat hij tegen de erflater lasterlijk een beschuldiging van een misdrijf heeft
ingebracht, waarop naar de Nederlandse wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf
met een maximum van ten minste vier jaren is gesteld;</al>
          </arttkst>
        </wond>
        <wond>
          <nr>c.</nr>
          <al>Onder vernummering van lid 2 tot lid 3 wordt een nieuw lid 2 ingevoegd,
luidende:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Rechten door derden te goeder trouw verkregen voordat de onwaardigheid
is vastgesteld worden geëerbiedigd. In geval echter de goederen om niet
zijn verkregen, kan de rechter aan de rechthebbenden, en ten laste van hem
die daardoor voordeel heeft genoten, een naar billijkheid te bepalen vergoeding
toekennen.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 4.1.3a</nadruk> vervalt.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 4.</nadruk> Voor de tekst van artikel 4 wordt
het cijfer 1. geplaatst. Toegevoegd wordt een tweede lid, luidende als volgt:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Overeenkomsten strekkende tot beschikking over nog niet opengevallen nalatenschappen
in hun geheel of over een evenredig deel daarvan, zijn nietig.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>Toegevoegd worden vier nieuwe artikelen, luidende: </al>
          <wlichaam>
            <art>
              <kop>
                <nr>Artikel 5.</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Op verzoek van de schuldenaar kan de rechtbank wegens gewichtige redenen
bepalen dat een geldsom die krachtens dit Boek of, in verband met de verdeling
van de nalatenschap, krachtens titel 7 van Boek 3 is verschuldigd, al dan
niet vermeerderd met een in de beschikking te bepalen rente, eerst na verloop
van zekere tijd, hetzij ineens, hetzij in termijnen behoeft te worden voldaan.
Hierbij let de rechtbank op de belangen van beide partijen; aan een inwilliging
kan de voorwaarde worden verbonden dat binnen een bepaalde tijd een door de
rechtbank goedgekeurde zakelijke of persoonlijke zekerheid voor de voldoening
van hoofdsom en rente wordt gesteld.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Een in het vorige lid bedoelde beschikking kan op verzoek van een der
partijen, gegrond op ten tijde van die beschikking niet voorziene omstandigheden,
door de in het vorige lid genoemde rechtbank worden gewijzigd.</al>
              </lid>
            </art>
            <art>
              <kop>
                <nr>Artikel 6.</nr>
              </kop>
              <al>In dit Boek wordt onder de waarde van de goederen der nalatenschap verstaan
de waarde van die goederen op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden
van de erflater, waarbij geen rekening wordt gehouden met het vruchtgebruik
dat daarop krachtens afdeling 1 of 2 van titel 3 kan komen te rusten.</al>
            </art>
            <art>
              <kop>
                <nr>Artikel 7.</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Schulden van de nalatenschap zijn:</al>
                <al>a. de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan, voor
zover niet begrepen in onderdeel i;</al>
                <al>b. de kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn
met de omstandigheden van de overledene;</al>
                <al>c. de kosten van vereffening van de nalatenschap, met inbegrip van het
loon van de vereffenaar;</al>
                <al>d. de kosten van executele, met inbegrip van het loon van de executeur;</al>
                <al>e. de schulden uit belastingen die ter zake van het openvallen der nalatenschap
worden geheven, voor zover zij op de erfgenamen komen te rusten;</al>
                <al>f. de schulden die ontstaan door toepassing van afdeling 2 van titel 3;</al>
                <al>g. de schulden ter zake van legitieme porties waarop krachtens artikel
80 aanspraak wordt gemaakt;</al>
                <al>h. de schulden uit legaten welke op een of meer erfgenamen rusten;</al>
                <al>i. de schulden uit giften die voor de toepassing van hetgeen in dit Boek
is bepaald betreffende inkorting en vermindering worden aangemerkt als een
legaat.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Bij de voldoening van de schulden ten laste van de nalatenschap worden
de artikelen 14 lid 2, 37 lid 4 en lid 5, 80 lid 2 en 120 inachtgenomen.</al>
              </lid>
            </art>
            <art>
              <kop>
                <nr>Artikel 8.</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>In dit Boek worden met echtgenoten gelijkgesteld geregistreerde partners.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Voor de toepassing van lid 1 is mede begrepen onder:</al>
                <al>a. huwelijk: geregistreerd partnerschap;</al>
                <al>b. gehuwd: als partner geregistreerd;</al>
                <al>c. huwelijksgemeenschap: gemeenschap van een geregistreerd partnerschap;</al>
                <al>d. trouwbeloften: beloften tot het aangaan van een geregistreerd partnerschap;</al>
                <al>e. echtscheiding: beëindiging van een geregistreerd partnerschap
op de wijze als bedoeld in artikel 80c onder c of d van Boek 1.</al>
              </lid>
            </art>
          </wlichaam>
          <al>TITEL 2 ERFOPVOLGING BIJ VERSTERF</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 10.</nadruk> Lid 3 wordt gelezen als volgt: </al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Alleen zij die tot de erflater in familierechtelijke betrekking stonden,
worden tot de in de vorige leden genoemde bloedverwanten gerekend.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 11.</nadruk> De leden 3 en 4 worden vervangen
door een nieuw lid 3, luidende:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Het erfdeel bij versterf van een halfbroer of halfzuster die naast een
of meer ouders, volle broers of zusters, of afstammelingen van een volle broer
of zuster van de erflater erft, is de helft van het erfdeel bij versterf van
een volle broer of zuster of, indien geen volle broers of zusters noch afstammelingen
van hen erven, ten hoogste de helft van het erfdeel bij versterf van een ouder.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 4.2.3a</nadruk> vervalt.</al>
          <al>Na Titel 2 wordt ingevoegd:</al>
          <wlichaam>
            <titeldl>
              <kop>
                <nr>TITEL 3</nr>
                <titel status="off">HET ERFRECHT BIJ VERSTERF VAN DE NIET VAN TAFEL EN BED GESCHEIDEN ECHTGENOOT
EN VAN DE KINDEREN ALSMEDE ANDERE WETTELIJKE RECHTEN</titel>
              </kop>
              <afd>
                <kop>
                  <nr>AFDELING 1</nr>
                  <titel status="off">Het erfrecht bij versterf van de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot
en van de kinderen</titel>
                </kop>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 13.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De nalatenschap van de erflater die een echtgenoot en een of meer kinderen
als erfgenamen achterlaat, wordt, tenzij de erflater bij uiterste wilsbeschikking
heeft bepaald dat deze afdeling geheel buiten toepassing blijft, overeenkomstig
de volgende leden verdeeld.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>De echtgenoot verkrijgt van rechtswege de goederen van de nalatenschap.
De voldoening van de schulden van de nalatenschap komt voor zijn rekening.
Onder schulden van de nalatenschap zijn hier tevens begrepen de ten laste
van de gezamenlijke erfgenamen komende uitgaven ter voldoening aan testamentaire
lasten.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Ieder van de kinderen verkrijgt als erfgenaam van rechtswege een geldvordering
ten laste van de echtgenoot, overeenkomend met de waarde van zijn erfdeel.
Deze vordering is opeisbaar:</al>
                    <al>a. indien de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard;</al>
                    <al>b. wanneer de echtgenoot is overleden.</al>
                    <al>De vordering is ook opeisbaar in door de erflater bij uiterste wilsbeschikking
genoemde gevallen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>4.</nr>
                    <al>De in lid 3 bedoelde geldsom wordt, tenzij de erflater, dan wel de echtgenoot
en het kind tezamen, anders hebben bepaald, vermeerderd met een percentage
dat overeenkomt met dat van de wettelijke rente, voor zover dit percentage
hoger is dan zes, berekend per jaar vanaf de dag waarop de nalatenschap is
opengevallen, bij welke berekening telkens uitsluitend de hoofdsom in aanmerking
wordt genomen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>5.</nr>
                    <al>In deze titel wordt onder echtgenoot niet begrepen een van tafel en bed
gescheiden echtgenoot.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 14.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Indien de nalatenschap overeenkomstig artikel 13 is verdeeld, is de echtgenoot
van de erflater tegenover de schuldeisers en tegenover de kinderen verplicht
tot voldoening van de schulden der nalatenschap.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Voor andere schulden van de echtgenoot neemt de schuldeiser in zijn verhaal
op de aan de echtgenoot krachtens artikel 13 lid 2 toebehorende goederen rang
na degenen die verhaal nemen wegens een schuld der nalatenschap. </al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Indien de nalatenschap overeenkomstig artikel 13 is verdeeld, kunnen de
goederen van een kind niet voor de schulden van de nalatenschap worden uitgewonnen.
Uitwinning is wel mogelijk indien het de in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering
betreft, alsmede voor zover de geldvordering van het kind is verminderd door
betaling of door overdracht van goederen.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 15.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Voor zover de erfgenamen over de vaststelling van de omvang van de in
artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering niet tot overeenstemming kunnen komen,
wordt deze op verzoek van de meest gerede partij door de kantonrechter vastgesteld.
De artikelen 677 tot en met 679 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Indien bij de vaststelling van de in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering:</al>
                    <al>a. omtrent de waarde van de goederen en de schulden van de nalatenschap
is gedwaald en daardoor een erfgenaam voor meer dan een vierde is benadeeld,</al>
                    <al>b. het saldo van de nalatenschap anderszins onjuist is berekend, dan wel</al>
                    <al>c. de geldvordering niet is berekend overeenkomstig het deel waarop het
kind aanspraak kon maken, wordt de vaststelling op verzoek van een kind of
de echtgenoot dienovereenkomstig door de kantonrechter gewijzigd. Op de vaststelling
is hetgeen omtrent verdeling is bepaald in de artikelen 196 leden 2, 3 en
4, 199 en 200 van Boek 3 van overeenkomstige toepassing.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Bij de vaststelling van de geldvordering zijn de artikelen 4.5.4.3 en
16–20 van overeenkomstige toepassing.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>4.</nr>
                    <al>De artikelen 187 en 188 van Boek 3 zijn op de verdeling van overeenkomstige
toepassing.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 16.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De echtgenoot en ieder kind kunnen verlangen dat een boedelbeschrijving
wordt opgemaakt. De boedelbeschrijving bevat een waardering van de goederen
en de schulden van de nalatenschap.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Heeft de echtgenoot of een kind niet het vrije beheer over zijn vermogen,
dan levert zijn wettelijk vertegenwoordiger binnen een jaar na het overlijden
van de erflater een ter bevestiging van haar deugdelijkheid door hem ondertekende
boedelbeschrijving in ter griffie van het kantongerecht van de woonplaats
van de echtgenoot onderscheidenlijk het kind. De kantonrechter kan bepalen,
dat de boedelbeschrijving bij notariële akte dient te geschieden.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Op de boedelbeschrijving en de waardering zijn de artikelen 673–676
en 679 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige
toepassing. De echtgenoot en ieder kind zijn voor de toepassing van de in
de vorige volzin genoemde bepalingen partij bij de boedelbeschrijving.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>4.</nr>
                    <al>De echtgenoot en ieder kind hebben jegens elkaar recht op inzage in en
afschrift van alle bescheiden en andere gegevensdragers, die zij voor de vaststelling
van hun aanspraken behoeven. De daartoe strekkende inlichtingen worden door
hen desverzocht verstrekt. Zij zijn jegens elkaar gehouden tot medewerking
aan de verstrekking van inlichtingen door derden.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 17.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De echtgenoot kan, behoudens het bepaalde in de leden 2 en 3, de in artikel
13 lid 3 bedoelde geldvordering te allen tijde geheel of gedeeltelijk voldoen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Indien een kind een bevoegdheid toekomt tot het doen van een verzoek als
in artikel 19 of 21 bedoeld, dient de echtgenoot alvorens tot voldoening
over te kunnen gaan, te handelen overeenkomstig artikel 25 lid 4. </al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Is het in lid 2 bedoelde kind minderjarig, of meerderjarig doch heeft
dit niet het vrije beheer over zijn vermogen, dan behoeft de voldoening de
goedkeuring van de kantonrechter. Deze beslist naar de maatstaf van artikel
26 lid 1.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 18.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De echtgenoot kan binnen drie maanden vanaf de dag waarop de nalatenschap
is opengevallen, door middel van een verklaring bij notariële akte, binnen
die termijn gevolgd door inschrijving in het boedelregister, de verdeling
overeenkomstig artikel 13 ongedaan maken. In naam van de echtgenoot kan de
verklaring slechts krachtens uitdrukkelijke voor dit doel afgegeven schriftelijke
volmacht worden afgelegd.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>De verklaring werkt terug tot het tijdstip van het openvallen der nalatenschap.
Voor het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn verkregen rechten van
derden, mede-erfgenamen daaronder begrepen, worden geëerbiedigd. Indien
de echtgenoot voor het afleggen van de verklaring op de voet van artikel 13
lid 2 betalingen heeft gedaan, worden deze tussen de echtgenoot en de kinderen
verrekend.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>De omstandigheid dat de echtgenoot onder curatele staat of dat de goederen
die deze uit de nalatenschap van de erflater verkrijgt onder een bewind vallen,
staat aan uitoefening van de in lid 1 bedoelde bevoegdheid niet in de weg.
De bevoegdheid wordt alsdan uitgeoefend overeenkomstig de regels die voor
de curatele onderscheidenlijk het desbetreffende bewind gelden. Is de echtgenoot
in staat van faillissement verklaard dan wel is aan hem surséance van
betaling verleend, dan wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de curator,
onderscheidenlijk door de echtgenoot met medewerking van de bewindvoerder.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>4.</nr>
                    <al>Indien ten aanzien van de erflater afdeling 2 of 3 van titel 18 van
Boek 1 is toegepast, loopt de in lid 1 genoemde termijn van drie maanden vanaf
de dag waarop de beschikking, bedoeld in artikel 417 lid 1 onderscheidenlijk
artikel 427 lid 1 van Boek 1, in kracht van gewijsde is gegaan.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 19.</nr>
                  </kop>
                  <al>Indien een kind overeenkomstig artikel 13 lid 3 een geldvordering op zijn
langstlevende ouder ter zake van de nalatenschap van zijn eerst overleden
ouder heeft verkregen, en die ouder aangifte heeft gedaan van zijn voornemen
opnieuw een huwelijk te willen aangaan, is deze verplicht aan het kind op
diens verzoek goederen over te dragen met een waarde van ten hoogste die geldvordering,
vermeerderd met de in lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging. De overdracht
vindt, tenzij de ouder daarvan afziet, plaats onder voorbehoud van het vruchtgebruik
van de goederen.</al>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 20.</nr>
                  </kop>
                  <al>Indien een kind overeenkomstig artikel 13 lid 3 een geldvordering op zijn
langstlevende ouder ter zake van de nalatenschap van zijn eerst overleden
ouder heeft verkregen en de langstlevende ouder bij diens overlijden gehuwd
was, is de stiefouder verplicht aan het kind op diens verzoek goederen over
te dragen met een waarde van ten hoogste die geldvordering, vermeerderd met
de in lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging. Wordt de nalatenschap van
de langstlevende ouder niet overeenkomstig artikel 13 verdeeld, dan rust de
in de vorige zin bedoelde verplichting op de erfgenamen van de langstlevende
ouder.</al>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 21.</nr>
                  </kop>
                  <al>Indien een kind overeenkomstig artikel 13 lid 3 een geldvordering op zijn
stiefouder ter zake van de nalatenschap van zijn overleden ouder heeft verkregen,
is de stiefouder verplicht aan het kind op diens verzoek goederen over te
dragen met een waarde van ten hoogste die geldvordering, vermeerderd met de
in lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging. De overdracht vindt, tenzij de
stiefouder daarvan afziet, plaats onder voorbehoud van het vruchtgebruik van
de goederen. </al>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 22.</nr>
                  </kop>
                  <al>Indien een kind overeenkomstig artikel 13 lid 3 een geldvordering op zijn
stiefouder ter zake van de nalatenschap van zijn overleden ouder heeft verkregen,
en de stiefouder is overleden, zijn diens erfgenamen verplicht aan het kind
op diens verzoek goederen over te dragen met een waarde van ten hoogste die
geldvordering, vermeerderd met de in lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging.</al>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 23.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Op het in de artikelen 19 en 21 bedoelde vruchtgebruik zijn de bepalingen
van titel 8 van Boek 3 van toepassing, met dien verstande dat:</al>
                    <al>a. de echtgenoot is vrijgesteld van de jaarlijkse opgave als bedoeld in
artikel 205 lid 4, alsmede van het stellen van zekerheid als bedoeld in artikel
206 lid 1, en artikel 206 lid 2 niet van toepassing is;</al>
                    <al>b. een machtiging als bedoeld in artikel 212 lid 3 ook gegeven kan worden
voor zover de verzorgingsbehoefte van de echtgenoot of de nakoming van zijn
verplichtingen overeenkomstig artikel 13 lid 2 dit nodig maakt.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>De kantonrechter kan op de in lid 1 onder b bedoelde grond, op verzoek
van de echtgenoot aan deze de bevoegdheid tot gehele of gedeeltelijke vervreemding
en vertering als bedoeld in artikel 215 van Boek 3 toekennen. De hoofdgerechtigde
wordt in het geding geroepen. Bij de beschikking kan de kantonrechter nadere
regelingen treffen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>In afwijking van de eerste zin van artikel 213 lid 1 van Boek 3 en van
artikel 215 lid 1 van Boek 3 verkrijgt de hoofdgerechtigde, tenzij hij met
de echtgenoot anders overeenkomt, op het tijdstip van vervreemding een vordering
op de echtgenoot ter grootte van de waarde die het goed op dat tijdstip had.
Op de vordering zijn de leden 3 en 4 van artikel 13 van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat de in artikel 13 lid 4 bedoelde vermeerdering wordt
berekend vanaf het tijdstip van het ontstaan van de vordering.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>4.</nr>
                    <al>Bij de vestiging van het vruchtgebruik of daarna kunnen nadere regelingen
worden getroffen door de echtgenoot en de hoofdgerechtigde, dan wel door de
kantonrechter op verzoek van een van hen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>5.</nr>
                    <al>De echtgenoot is niet bevoegd het vruchtgebruik over te dragen of te bezwaren.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>6.</nr>
                    <al>Het vruchtgebruik kan niet worden ingeroepen tegen schuldeisers die zich
op de daaraan onderworpen goederen verhalen ter zake van schulden als bedoeld
in artikel 7 onder a-f. De uitwinning is echter niet toegelaten, indien de
echtgenoot of een hoofdgerechtigde niet met vruchtgebruik belaste goederen,
uit de nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap afkomstig, aanwijst
die voldoende verhaal bieden.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 25.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De in de artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoelde verplichting tot overdracht
betreft goederen die deel hebben uitgemaakt van de nalatenschap van de erflater
of van de door diens overlijden ontbonden huwelijksgemeenschap of voor zodanige
goederen in de plaats zijn gekomen. Indien een goed is verkregen met middelen
die voor minder dan de helft afkomstig zijn uit de nalatenschap of de ontbonden
huwelijksgemeenschap, valt het niet onder de in de vorige zin bedoelde verplichting.
Een goed dat behoort tot het vermogen van degene die tot overdracht is verplicht
of tot de huwelijksgemeenschap waarin deze is gehuwd, wordt vermoed deel te
hebben uitgemaakt van die nalatenschap of ontbonden huwelijksgemeenschap of
voor zodanig goed in de plaats te zijn gekomen. De verplichting tot overdracht
heeft geen betrekking op goederen die van de zijde van de stiefouder in de
gemeenschap zijn gevallen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>De waarde van de goederen, vast te stellen naar het tijdstip van de overdracht,
wordt in de eerste plaats in mindering gebracht op de aan het kind verschuldigde
geldsom, vervolgens op de verhoging. Voor de toepassing van de
artikelen 19 en 21 wordt de waarde van de goederen vastgesteld zonder daarbij
het vruchtgebruik in aanmerking te nemen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Een kind dat voornemens is een in de artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoeld
verzoek te doen, is gehouden de andere kinderen die een dergelijk verzoek
kunnen doen, op een zodanig tijdstip van zijn voornemen in kennis te stellen
dat zij tijdig kunnen beslissen eveneens een verzoek te doen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>4.</nr>
                    <al>Degene die tot overdracht van goederen verplicht kan worden, kan een kind
een redelijke termijn stellen waarbinnen een verzoek als bedoeld in de artikelen
19, 20, 21 en 22 kan worden gedaan. Gaat hij daartoe over dan stelt hij ook
de andere kinderen die een zodanig verzoek kunnen doen daarvan in kennis.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>5.</nr>
                    <al>Bestaat tussen degene die tot overdracht van goederen verplicht is en
het kind, of tussen twee of meer kinderen geen overeenstemming over de overdracht
van een goed, dan beslist op verzoek van een hunner de kantonrechter, rekening
houdende naar billijkheid met de belangen van ieder van hen. Tegen de beslissing
staat geen ander rechtsmiddel open dan cassatie in het belang der wet.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>6.</nr>
                    <al>Voor zover een kind de in artikel 13 lid 3 bedoelde vordering aan een
andere persoon overdraagt, gaat de in de artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoelde
bevoegdheid teniet.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>7.</nr>
                    <al>Bij uiterste wilsbeschikking kan de erflater de verplichtingen, bedoeld
in de artikelen 19 tot en met 22, uitbreiden, beperken of opheffen.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 26.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Indien een minderjarig kind een bevoegdheid heeft als in de artikelen
19, 20, 21 en 22 bedoeld, dient zijn wettelijke vertegenwoordiger binnen drie
maanden na het verkrijgen van de bevoegdheid aan de kantonrechter schriftelijk
zijn voornemen met betrekking tot de uitoefening van die bevoegdheid mede
te delen. Heeft het kind geen wettelijke vertegenwoordiger, dan loopt deze
termijn vanaf de dag van de benoeming. De kantonrechter verleent zijn goedkeuring
aan het voornemen of onthoudt deze daaraan, rekening houdende naar billijkheid
met de belangen van het kind, de andere kinderen aan wie de bevoegdheid eveneens
toekomt en van degene jegens wie de bevoegdheid bestaat. Hij kan aan de goedkeuring
voorwaarden verbinden. Zo nodig neemt de kantonrechter een eigen beslissing.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Hetzelfde geldt indien het kind meerderjarig is doch het vrije beheer
over zijn vermogen niet heeft. Staat de in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering
onder een bewind, dan wordt een in lid 1 bedoelde bevoegdheid uitgeoefend
overeenkomstig de regels die voor het desbetreffende bewind gelden. Is het
kind in staat van faillissement verklaard dan wel aan hem surséance
van betaling verleend, dan rust de verplichting op de curator, onderscheidenlijk
op het kind met medewerking van de bewindvoerder.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Indien met goedkeuring van de kantonrechter is afgezien van het doen van
een verzoek als genoemd in de artikelen 19, 20, 21 en 22, kan zodanig verzoek
nadien niet alsnog worden gedaan. Bij zijn goedkeuring kan de kantonrechter
anders bepalen.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 27.</nr>
                  </kop>
                  <al>Bij uiterste wilsbeschikking kan de erflater bepalen dat een stiefkind
in een verdeling als bedoeld in artikel 13 als eigen kind wordt betrokken.
In dat geval is deze afdeling van toepassing, behoudens voor zover de erflater
anders heeft bepaald. De afstammelingen van het stiefkind worden bij plaatsvervulling
geroepen. </al>
                </art>
              </afd>
              <afd>
                <kop>
                  <nr>AFDELING 2</nr>
                  <titel status="off">Andere wettelijke rechten</titel>
                </kop>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 28.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Indien de woning die de echtgenoot van de erflater bij diens overlijden
bewoont, tot de nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort
of de erflater, anders dan krachtens huur, ten gebruike toekwam, is de echtgenoot
jegens de erfgenamen bevoegd tot voortzetting van de bewoning gedurende een
termijn van zes maanden onder gelijke voorwaarden als tevoren. De echtgenoot
is op gelijke wijze en voor gelijke duur bevoegd tot voortzetting van het
gebruik van de inboedel, voor zover die tot de nalatenschap of de ontbonden
huwelijksgemeenschap behoort of de erflater ten gebruike toekwam.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Jegens de erfgenamen en de echtgenoot van de erflater hebben degenen die
tot diens overlijden met hem een duurzame gemeenschappelijke huishouding hadden,
overeenkomstige bevoegdheden met betrekking tot het gebruik van de woning
en de inboedel die tot de nalatenschap behoren.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 29.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Voor zover de echtgenoot van de erflater tengevolge van uiterste wilsbeschikkingen
van de erflater niet of niet enig rechthebbende is op de tot de nalatenschap
van de erflater behorende woning, die ten tijde van het overlijden door de
erflater en zijn echtgenoot tezamen of door de echtgenoot alleen bewoond werd,
of op de tot de nalatenschap behorende inboedel daarvan, zijn de erfgenamen
verplicht tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik op die woning
en die inboedel ten behoeve van de echtgenoot, voor zover deze dit van hen
verlangt.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Zolang de echtgenoot een beroep op lid 1 toekomt, zijn de erfgenamen niet
bevoegd tot beschikking over die goederen, noch tot verhuring of verpachting
daarvan; gedurende dat tijdsbestek kunnen die goederen slechts worden uitgewonnen
voor de in artikel 7 onder a–f genoemde schulden.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op de legatarissen
en de door een testamentaire last bevoordeelden met betrekking tot de goederen
die zij als zodanig uit de nalatenschap hebben verkregen.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 30.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De erfgenamen zijn verplicht tot medewerking aan de vestiging van een
vruchtgebruik op andere goederen van de nalatenschap dan bedoeld in artikel
29 ten behoeve van de echtgenoot van de erflater, voor zover de echtgenoot
daaraan, de omstandigheden in aanmerking genomen, voor zijn verzorging –
daaronder begrepen de nakoming van de overeenkomstig artikel 35 lid 2 op hem
rustende verplichtingen – behoefte heeft en die medewerking van hen
verlangt.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Lid 1 is mede van toepassing met betrekking tot hetgeen moet worden geacht
in de plaats te zijn gekomen van goederen van de nalatenschap.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op de legatarissen
en de door een testamentaire last bevoordeelden met betrekking tot de goederen
die zij als zodanig uit de nalatenschap hebben verkregen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>4.</nr>
                    <al>De erflater kan bij uiterste wilsbeschikking goederen aanwijzen die vóór
of na andere voor bezwaring met het vruchtgebruik in aanmerking komen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>5.</nr>
                    <al>Voor zover de erflater de in het vorige lid toegekende bevoegdheid niet
heeft uitgeoefend, komen gelegateerde en krachtens een testamentaire last
verkregen goederen slechts voor bezwaring met vruchtgebruik in aanmerking,
indien de overige goederen der nalatenschap tot verzorging van de echtgenoot
onvoldoende zijn. Voor zover een making is te beschouwen als voldoening aan
een natuurlijke verbintenis van de erflater, komt zij pas na
de andere makingen voor bezwaring met vruchtgebruik in aanmerking.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>6.</nr>
                    <al>Voor zover de echtgenoot en degenen die hun medewerking aan de vestiging
van het vruchtgebruik moeten verlenen, niet tot overeenstemming kunnen komen
over de goederen waarop dit zal komen te rusten, gelast op verzoek van een
hunner de kantonrechter de aanwijzing van die goederen of wijst hij deze zelf
aan, rekening houdende naar billijkheid met de belangen van ieder van hen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>7.</nr>
                    <al>Bij de bepaling van de behoefte aan verzorging wordt op hetgeen de echtgenoot
toekomt, in mindering gebracht hetgeen hij krachtens erfrecht aan goederen
uit de nalatenschap had kunnen verkrijgen met uitzondering van het vruchtgebruik
dat hij ingevolge het vorige artikel had kunnen doen vestigen. Voorts komt
daarop in mindering hetgeen hij had kunnen verkrijgen uit een sommenverzekering
die door het overlijden van de erflater tot uitkering komt.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 31.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Op het vruchtgebruik ingevolge de artikelen 29 en 30 zijn de leden 1,
2, 4, 5 en 6 van artikel 23 van overeenkomstige toepassing.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>De mogelijkheid om aanspraak te maken op vestiging van het vruchtgebruik
vervalt, indien de echtgenoot niet binnen een redelijke, hem door een belanghebbende
gestelde termijn, en uiterlijk voor de toepassing van artikel 29 zes maanden
en voor de toepassing van artikel 30 een jaar na het overlijden van de erflater
heeft verklaard op de vestiging van het vruchtgebruik aanspraak te maken.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>De rechtsvordering ingevolge de artikelen 29 en 30 verjaart door verloop
van een jaar en drie maanden na het openvallen der nalatenschap.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 33.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De kantonrechter kan op verzoek van een hoofdgerechtigde, mits daardoor
een zwaarwegend belang van deze wordt gediend en in vergelijking hiermede
het belang van de echtgenoot niet ernstig wordt geschaad:</al>
                    <al>a. aan die hoofdgerechtigde een met vruchtgebruik belast goed uit de nalatenschap,
al dan niet onder de last van het vruchtgebruik, toedelen;</al>
                    <al>b. het vruchtgebruik van een of meer goederen beëindigen;</al>
                    <al>c. aan het vruchtgebruik verbonden bevoegdheden van de echtgenoot beperken
of hem deze ontzeggen;</al>
                    <al>d. het vruchtgebruik in het belang van de hoofdgerechtigde onder bewind
stellen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>De kantonrechter kan onverminderd lid 1 op verzoek van een hoofdgerechtigde
het vruchtgebruik ook beëindigen, voor zover de echtgenoot daaraan, de
omstandigheden in aanmerking genomen, voor zijn verzorging, daaronder begrepen
de nakoming van de overeenkomstig artikel 35 lid 2 op hem rustende verplichtingen,
geen behoefte heeft.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>De andere hoofdgerechtigden worden in het geding geroepen. Bij zijn beschikking
kan de kantonrechter nadere regelingen treffen.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 35.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Een kind van de erflater kan aanspraak maken op een som ineens, voor zover
deze nodig is voor:</al>
                    <al>a. zijn verzorging en opvoeding tot het bereiken van de leeftijd van achttien
jaren, indien op de erflater ten tijde van zijn overlijden een afdwingbare
verplichting rustte om in de kosten daarvan te voorzien; en voorts voor:</al>
                    <al>b. zijn levensonderhoud en studie tot het bereiken van de leeftijd van
een en twintig jaren, indien op de erflater op grond van artikel 395a lid
1 van Boek 1 de verplichting rustte of zou komen te rusten om te voorzien
in de kosten daarvan.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>De som ter zake van de verzorging en opvoeding komt het kind niet toe,
voor zover de echtgenoot of een erfgenaam van de erflater krachtens wet of
overeenkomst is gehouden om in de kosten daarvan te voorzien. De
som ter zake van levensonderhoud en studie komt het kind niet toe, voor zover
de echtgenoot van de erflater krachtens artikel 395a van Boek 1 verplicht
is om in de kosten daarvan te voorzien.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Op de som ineens komt in mindering hetgeen de rechthebbende had kunnen
verkrijgen krachtens erfrecht of krachtens een sommenverzekering die door
het overlijden van de erflater tot uitkering komt.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 36.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Een kind, stiefkind, pleegkind, behuwdkind of kleinkind van de erflater
dat in diens huishouding of in het door hem uitgeoefende beroep of bedrijf
gedurende zijn meerderjarigheid arbeid heeft verricht zonder een voor die
arbeid passende beloning te ontvangen, kan aanspraak maken op een som ineens,
strekkend tot een billijke vergoeding.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Op de som komt in mindering hetgeen de rechthebbende van de erflater heeft
ontvangen of krachtens making of sommenverzekering op het leven van de erflater
verkrijgt of had kunnen verkrijgen, voor zover dat als een beloning voor zijn
werkzaamheden kan worden beschouwd.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 37.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Degene die krachtens de artikelen 35 en 36 aanspraak maakt op een som
ineens, heeft een vordering op de gezamenlijke erfgenamen. De mogelijkheid
om aanspraak te maken op een som ineens vervalt, indien de rechthebbende niet
binnen een redelijke, hem door een belanghebbende gestelde termijn, en uiterlijk
negen maanden na het overlijden van de erflater, heeft verklaard dat hij de
som ineens wenst te ontvangen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>De vordering is niet opeisbaar totdat zes maanden zijn verstreken na het
overlijden van de erflater. Indien de erflater een echtgenoot achterlaat,
is de vordering van degene die krachtens artikel 36 aanspraak op een som ineens
heeft gemaakt, niet opeisbaar totdat zes maanden zijn verstreken na het overlijden
van die echtgenoot.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>De rechtsvordering verjaart door verloop van een jaar na het overlijden
van de erflater. Indien die erflater een echtgenoot achterlaat, wordt voor
degene die krachtens artikel 36 aanspraak op een som ineens heeft gemaakt,
deze termijn verlengd tot een jaar na het overlijden van die echtgenoot.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>4.</nr>
                    <al>De sommen ineens bedragen gezamenlijk ten hoogste de helft van de waarde
der nalatenschap; voor zoveel nodig ondergaan zij elk een evenredige vermindering.
Onder de waarde der nalatenschap wordt in dit artikel verstaan de waarde van
de goederen der nalatenschap, verminderd met de in artikel 7 lid 1 onder a–e
vermelde schulden.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>5.</nr>
                    <al>De voldoening van de sommen ineens komt ten laste van het gedeelte der
nalatenschap waarover niet bij uiterste wilsbeschikking is beschikt, en vervolgens,
zo dit onvoldoende is, van de makingen; artikel 87 lid 2, aanhef en onder
a, is op een inkorting van overeenkomstige toepassing.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 8a.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Voor zover de waarde der nalatenschap niet toereikend is tot voldoening
van hetgeen de echtgenoot, dan wel de echtgenoot en een of meer kinderen gezamenlijk
overeenkomstig artikel 30, 35 of 36 toekomt, kan de rechthebbende overgaan
tot inkorting van de daarvoor vatbare giften, met overeenkomstige toepassing
van de leden 2 en 3 van artikel 89 en de leden 1 en 3 van artikel 90; de artikelen
66, 68 en 69 zijn van overeenkomstige toepassing. Verkrijgt de rechthebbende
ook door deze inkorting niet hetgeen hem toekomt, dan kan hij zich verhalen
op hetgeen een legitimaris door inkorting heeft verkregen. De echtgenoot verkrijgt
door uitoefening van deze bevoegdheden het vruchtgebruik van de geldsom waarvoor
de inkorting is geschied of waarvoor hij verhaal heeft genomen. </al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Zo nodig kan het vruchtgebruik van de echtgenoot zich uitstrekken over
alle goederen der nalatenschap en alle geldsommen waarvoor de in lid 1 bedoelde
giften kunnen worden ingekort.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Geschillen over de toepassing van de artikelen 35 tot en met 37 en het
onderhavige artikel worden op verzoek van de meest gerede partij beslist door
de kantonrechter.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 38.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Op verzoek van een kind of stiefkind van de erflater kan de kantonrechter,
mits daardoor een zwaarwegend belang van het kind of stiefkind wordt gediend
en in vergelijking hiermede het belang van de rechthebbende niet ernstig wordt
geschaad, de rechthebbende verplichten tot overdracht tegen een redelijke
prijs aan het kind of stiefkind, dan wel diens echtgenoot, van de tot de nalatenschap
of de ontbonden huwelijksgemeenschap behorende goederen die dienstbaar waren
aan een door de erflater uitgeoefend beroep of bedrijf dat door het kind of
stiefkind dan wel diens echtgenoot wordt voortgezet. Bij zijn beschikking
kan de kantonrechter nadere regelingen treffen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van aandelen
in een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
waarvan de erflater bestuurder was en waarin deze alleen of met zijn medebestuurders
de meerderheid der aandelen hield, indien het kind of stiefkind, dan wel diens
echtgenoot ten tijde van het overlijden bestuurder van die vennootschap is
of nadien die positie van de erflater voortzet.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Het vorige lid is slechts van toepassing voor zover de statutaire regels
omtrent overdracht van aandelen zich daartegen niet verzetten.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>4.</nr>
                    <al>Het recht om een overdracht als in de leden 1 en 2 bedoeld te vorderen,
vervalt na verloop van een jaar na het overlijden van de erflater.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>5.</nr>
                    <al>De leden 1 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de
echtgenoot van de erflater een door de erflater uitgeoefend beroep of bedrijf
voortzet, ook indien de echtgenoot ingevolge deze afdeling het vruchtgebruik
van de desbetreffende goederen heeft of kan verkrijgen.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 39.</nr>
                  </kop>
                  <al>Degene aan wie een in de artikelen 29–36 en 39 bedoeld recht toekomt
en niet erfgenaam is, heeft dezelfde bevoegdheden als in artikel 78 aan een
legitimaris worden toegekend.</al>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 40.</nr>
                  </kop>
                  <al>Indien ten aanzien van de erflater afdeling 2 of 3 van titel 18 van
Boek 1 is toegepast, lopen de termijnen, genoemd in lid 1 van artikel 28,
de leden 2 en 3 van artikel 32, de tweede zin van het eerste lid, de eerste
zin van het tweede lid en de eerste zin van het derde lid van artikel 37,
alsmede het vierde lid van artikel 38 vanaf de dag waarop de beschikking,
bedoeld in artikel 417 lid 1 onderscheidenlijk artikel 427 lid 1 van Boek
1, in kracht van gewijsde is gegaan.</al>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 41.</nr>
                  </kop>
                  <al>Bij uiterste wilsbeschikking kan van het in deze afdeling bepaalde niet
worden afgeweken.</al>
                </art>
              </afd>
            </titeldl>
          </wlichaam>
          <al>AFDELING 1 VAN TITEL 4 Uiterste wilsbeschikkingen in het algemeen</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 43</nadruk> wordt als volgt gewijzigd:</al>
        </wond>
        <wond>
          <nr>a.</nr>
          <al>Lid 1 komt te luiden:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Een uiterste wilsbeschikking is niet vatbaar voor vernietiging op de grond
dat zij door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen.</al>
            </lid>
          </arttkst>
        </wond>
        <wond>
          <nr>b.</nr>
          <al>Aan het artikel wordt een lid toegevoegd:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Een uiterste wilsbeschikking kan niet op grond van bedreiging, bedrog
of een onjuiste beweegreden worden vernietigd, wanneer de erflater haar heeft
bevestigd nadat de invloed van de bedreiging heeft opgehouden
te werken of het bedrog of de onjuistheid van de beweegreden is ontdekt.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel</nadruk> 4.3.1.5 vervalt.</al>
          <al>Voor de tekst van <nadruk type="vet">artikel 45</nadruk> wordt het cijfer
1. geplaatst. Aan het artikel wordt een tweede lid toegevoegd, luidende:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Een voorwaarde of last die de strekking heeft de bevoegdheid tot vervreemding
of bezwaring van goederen uit te sluiten, wordt voor niet geschreven gehouden.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>Na <nadruk type="vet">artikel 53</nadruk> wordt een artikel 54 ingevoegd,
luidende:</al>
          <wlichaam>
            <art>
              <kop>
                <nr>Artikel 54.</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Rechtsvorderingen tot vernietiging van een uiterste wilsbeschikking verjaren
een jaar nadat de dood van de erflater alsmede de uiterste wilsbeschikking
en de vernietigingsgrond ter kennis zijn gekomen van hem die een beroep op
deze grond kan doen, dan wel van zijn rechtsvoorganger.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De bevoegdheid om ter vernietiging van een uiterste wilsbeschikking een
beroep op een vernietigingsgrond te doen vervalt buiten het geval bedoeld
in artikel 51 lid 3 van Boek 3 uiterlijk drie jaren nadat de dood van de erflater
en de uiterste wilsbeschikking ter kennis zijn gekomen van degene aan wie
deze bevoegdheid toekomt, dan wel van zijn rechtsvoorganger.</al>
              </lid>
            </art>
          </wlichaam>
          <al>AFDELING 2 VAN TITEL 4 Wie uiterste wilsbeschikkingen kunnen maken en
wie daaruit voordeel kunnen genieten</al>
          <al>In <nadruk type="vet">artikel 55</nadruk> lid 1 wordt in plaats van «achttien»
gelezen: zestien.</al>
          <al>Onder vernummering van lid 2 tot lid 3 wordt een nieuw lid 2 ingevoegd,
luidende:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Hij die wegens een geestelijke stoornis onder curatele staat, kan slechts
met toestemming van de kantonrechter uiterste wilsbeschikkingen maken. De
kantonrechter kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>In <nadruk type="vet">artikel 56</nadruk> lid 2 wordt in plaats van «een
afstammeling van zijn ouders» gelezen: een afstammeling van zijn vader
of moeder.</al>
          <al>Voor de tekst van <nadruk type="vet">artikel 59</nadruk> wordt het cijfer
1. geplaatst. De zinsnede beginnend met «De geneesheren» en eindigend
met «hebben behandeld» wordt vervangen door: De beroepsbeoefenaren
op het gebied van de individuele gezondheidszorg, die iemand gedurende de
ziekte waaraan hij is overleden, bijstand hebben verleend. De woorden «bedienaars
van de godsdienst» worden vervangen door: geestelijk verzorgers.</al>
          <al>Toegevoegd wordt een tweede lid, luidende:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Ook kan degene die een voor de verzorging of verpleging van bejaarden
of geestelijk gestoorden bestemde instelling exploiteert of die daarvan de
leiding heeft of daarin werkzaam is, geen voordeel trekken uit de uiterste
wilsbeschikkingen, welke zodanig persoon gedurende een verblijf in die instelling
te zijnen behoeve heeft gemaakt.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 62</nadruk> lid 1 wordt gelezen als volgt:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Een uiterste wilsbeschikking die in strijd is met het in de artikelen
57–61 bepaalde, is vernietigbaar. De vernietiging vindt slechts plaats
voor zover deze nodig is tot opheffing van het nadeel van degene die zich
op de vernietigingsgrond beroept.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>Aan het artikel wordt een vierde lid toegevoegd, luidende: </al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Indien een legataris in verband met een krachtens de vorige leden vernietigbaar
legaat gehouden is een tegenprestatie te verrichten, is artikel 54 van Boek
3 van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Afdeling 3 van titel 4</nadruk> wordt gelezen als volgt:</al>
          <wlichaam>
            <afd>
              <kop>
                <nr>AFDELING 3 VAN TITEL 4</nr>
                <titel status="off">Legitieme portie</titel>
              </kop>
              <par>
                <kop>
                  <nr>Paragraaf 1.</nr>
                  <titel status="off">Algemene bepalingen</titel>
                </kop>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 63.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De legitieme portie van een legitimaris is het gedeelte van de waarde
van het vermogen van de erflater, waarop de legitimaris in weerwil van giften
en uiterste wilsbeschikkingen van de erflater aanspraak kan maken.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Legitimarissen zijn de afstammelingen van de erflater die door de wet
als erfgenamen tot zijn nalatenschap worden geroepen, hetzij uit eigen hoofde,
hetzij bij plaatsvervulling met betrekking tot personen die op het ogenblik
van het openvallen der nalatenschap niet meer bestaan of die onwaardig zijn.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>De legitimaris die de nalatenschap verwerpt, verliest zijn recht op de
legitieme portie, tenzij hij bij het afleggen van de verklaring bedoeld in
artikel 191, tevens verklaart dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 64.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De legitieme portie van een kind van de erflater bedraagt de helft van
de waarde waarover de legitieme porties worden berekend, gedeeld door het
aantal in artikel 10 lid 1 onder a genoemde, door de erflater achtergelaten
personen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Afstammelingen van een kind van de erflater dat op het ogenblik van het
openvallen van de nalatenschap niet meer bestaat, worden voor de toepassing
van het eerste lid tezamen als een door de erflater achtergelaten kind geteld.
Afstammelingen van een kind van de erflater die legitimaris zijn, kunnen ieder
slechts voor hun deel opkomen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Voor zover door makingen ten behoeve van een stiefkind, daaronder begrepen
een uiterste wilsbeschikking als bedoeld in artikel 27, afbreuk wordt gedaan
aan de legitieme portie van een kind van de erflater, wordt de legitieme portie
verminderd, doch niet tot minder dan de waarde die het erfdeel bij versterf
van de legitimaris zou hebben belopen indien het stiefkind een eigen kind
van de erflater was geweest.</al>
                  </lid>
                </art>
              </par>
              <par>
                <kop>
                  <nr>Paragraaf 2.</nr>
                  <titel status="off">De omvang van de legitieme portie</titel>
                </kop>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 65.</nr>
                  </kop>
                  <al>De legitieme porties worden berekend over de waarde van de goederen der
nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in
aanmerking te nemen giften en verminderd met de in artikel 7 onder a–c
en f vermelde schulden. Buiten beschouwing blijven giften als bedoeld in artikel
7 lid 1 onder i.</al>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 66.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Voor de toepassing van deze afdeling worden giften gewaardeerd naar het
tijdstip van de prestatie, behoudens het in de volgende leden bepaalde. Met
een mogelijkheid dat de erflater de gift had kunnen herroepen wordt geen rekening
gehouden.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Giften waarbij de erflater zich het genot van het geschonkene gedurende
zijn leven heeft voorbehouden, en andere giften van een voordeel bestemd om
pas na zijn overlijden ten volle te worden genoten, worden geschat naar de
waarde onmiddellijk na zijn overlijden. Hetzelfde geldt voor giften van prestaties
die de erflater bij zijn overlijden nog niet had verricht, met dien verstande
dat met deze giften, evenals met de uit dien hoofde nagelaten
schulden, geen rekening wordt gehouden voor zover de nalatenschap niet toereikend
is. Een gift die bestaat in de aanwijzing van een begunstigde bij sommenverzekering,
wordt in aanmerking genomen tot haar waarde overeenkomstig artikel 188 van
Boek 7.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Giften, bestaande in de vervreemding van een goed door de erflater tegen
verschaffing door de wederpartij van een aan het leven van de erflater gebonden
recht, worden gewaardeerd als een gift van dat goed, verminderd met de waarde
van de door de erflater ontvangen of hem bij zijn overlijden nog verschuldigde
prestaties, voor zover deze niet bestonden in genot van dat goed.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 67.</nr>
                  </kop>
                  <al>Bij de berekening van de legitieme porties worden de volgende door de
erflater gedane giften in aanmerking genomen:</al>
                  <al>a. giften die kennelijk gedaan en aanvaard zijn met het vooruitzicht dat
daardoor legitimarissen worden benadeeld;</al>
                  <al>b. giften die de erflater gedurende zijn leven te allen tijde had kunnen
herroepen of die hij bij de gift voor inkorting vatbaar heeft verklaard;</al>
                  <al>c. giften van een voordeel, bestemd om pas na zijn overlijden ten volle
te worden genoten;</al>
                  <al>d. giften, door de erflater aan een afstammeling gedaan, mits deze of
een afstammeling van hem legitimaris van de erflater is;</al>
                  <al>e. andere giften, voor zover de prestatie binnen vijf jaren voor zijn
overlijden is geschied.</al>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 68.</nr>
                  </kop>
                  <al>Giften van de erflater aan zijn echtgenoot worden voor de toepassing van
deze afdeling buiten beschouwing gelaten voor zover zich, ten gevolge van
een gemeenschap van goederen of een deelgenootschap waarin de erflater en
de echtgenoot ten tijde van de gift gehuwd waren, geen verrijking ten koste
van het vermogen van de gever heeft voorgedaan.</al>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 69.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Voor de toepassing van deze afdeling worden niet als giften beschouwd:</al>
                    <al>a. giften aan personen ten aanzien van wie de erflater moreel verplicht
was bij te dragen in hun onderhoud tijdens zijn leven of na zijn dood, voor
zover zij als uitvloeisel van die verplichting zijn aan te merken en in overeenstemming
waren met het inkomen en het vermogen van de erflater;</al>
                    <al>b. gebruikelijke giften voor zover zij niet bovenmatig waren.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Lid 1 is niet van toepassing op giften als bedoeld in artikel 7 lid 1
onder i.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 70.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De waarde van giften, door de erflater aan een legitimaris gedaan, komt
in mindering van diens legitieme portie.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Voor de toepassing van het vorige lid worden giften aan een afstammeling
die legitimaris zou zijn geweest indien hij de erflater had overleefd of niet
onwaardig was geweest, aangemerkt als giften aan de van hem afstammende legitimarissen,
naar evenredigheid van hun legitieme portie.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Met een gift wordt gelijkgesteld hetgeen een legitimaris verkrijgt of
kan verkrijgen uit een door de erflater ter nakoming van een natuurlijke verbintenis
gesloten sommenverzekering die geen pensioenverzekering is en die door het
overlijden van de erflater tot uitkering komt.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 71.</nr>
                  </kop>
                  <al>De waarde van al hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt,
komt in mindering van zijn legitieme portie. </al>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 72.</nr>
                  </kop>
                  <al>De waarde van hetgeen een legitimaris als erfgenaam kan verkrijgen, komt
ook in mindering van zijn legitieme portie wanneer hij de nalatenschap verwerpt,
tenzij</al>
                  <al>a. de goederen onder een voorwaarde, een last of een bewind zijn nagelaten,
of</al>
                  <al>b. ten laste van de legitimaris legaten zijn gemaakt die verplichten tot
iets anders dan betaling van een geldsom of overdracht van goederen der nalatenschap,
en de verwerping binnen drie maanden na het overlijden van de erflater geschiedt.</al>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 73.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De waarde van een legaat aan een legitimaris van een bepaalde geldsom
of van niet in een vorderingsrecht bestaande goederen der nalatenschap komt
ook in mindering van zijn legitieme portie wanneer hij het legaat verwerpt,
tenzij</al>
                    <al>a. het legaat onder een voorwaarde, een last of een bewind is gemaakt,
of</al>
                    <al>b. ten laste van de legitimaris sublegaten zijn gemaakt die verplichten
tot iets anders dan betaling van een geldsom, of</al>
                    <al>c. het legaat later dan zes maanden na het overlijden van de erflater,
of indien de legitimaris mede-erfgenaam is, pas na de verdeling der nalatenschap
opeisbaar wordt, of</al>
                    <al>d. het legaat ten laste komt van een of meer erfgenamen wier erfdelen
ontoereikend zijn om het legaat daaruit te voldoen, en de verwerping binnen
drie maanden na het overlijden van de erflater geschiedt.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Heeft de erflater de in artikel 125 lid 2 bedoelde bevoegdheid ontzegd
aan een legitimaris, dan kan deze het legaat binnen drie maanden na het overlijden
van de erflater verwerpen, zonder dat de waarde ervan in mindering komt van
zijn legitieme portie.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 74.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De contante waarde van een aan een legitimaris gemaakt legaat van een
in termijnen te betalen geldsom komt ook bij verwerping in mindering van zijn
legitieme portie, indien in de uiterste wil is vermeld dat zonder deze beschikking
de voortzetting van een beroep of bedrijf van de erflater in ernstige mate
zou worden bemoeilijkt.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Is de vermelde grond onjuist, dan kan de legitimaris binnen drie maanden
na het overlijden van de erflater verklaren dat hij betaling van de contante
waarde ineens verlangt. Degene die de juistheid van de grond staande houdt,
moet haar bewijzen. Is de opgegeven grond juist, doch laat deze een snellere
afbetaling toe, dan kan de rechter de verbintenis uit het legaat in die zin
wijzigen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Indien de legitimaris zulks binnen drie maanden na het overlijden van
de erflater verzoekt, kan de kantonrechter de met het legaat belaste personen
bevelen zekerheid te stellen; de kantonrechter stelt het bedrag en de aard
van de zekerheid vast. Wordt daaraan niet voldaan binnen de door de kantonrechter
daarvoor gestelde termijn, dan komt het legaat niet in mindering van zijn
legitieme portie indien de legitimaris het alsnog verwerpt.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 75.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De waarde van hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht onder bewind
kan verkrijgen, komt ook bij verwerping in mindering van zijn legitieme portie,
indien het bewind is ingesteld op de in de uiterste wil vermelde grond:</al>
                    <al>a. dat de legitimaris ongeschikt of onmachtig is in het beheer te voorzien,
of</al>
                    <al>b. dat zonder bewind de goederen hoofdzakelijk diens schuldeisers zouden
ten goede komen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>De legitimaris die de nalatenschap of het legaat heeft aanvaard is gedurende
drie maanden na het overlijden van de erflater bevoegd de juistheid van de
opgegeven grond te betwisten; alsdan moet degene die haar staande houdt haar
bewijzen. Is de opgegeven grond juist, doch rechtvaardigt dit
de door de erflater vastgestelde regels van het bewind niet, dan kan de rechter
die regels wijzigen of zelfs ten dele opheffen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Is vermelde grond onjuist, dan kan de legitimaris binnen een maand nadat
de uitspraak waarbij de onjuistheid is vastgesteld, in kracht van gewijsde
is gegaan, schriftelijk aan de bewindvoerder verklaren dat hij zijn legitieme
in geld wenst te ontvangen. De bewindvoerder maakt daartoe het onder bewind
gestelde met overeenkomstige toepassing van artikel 147 voor zover nodig te
gelde; het restant van de goederen keert hij uit aan degenen aan wie deze
zouden zijn toegekomen indien de legitimaris de nalatenschap of het legaat
had verworpen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>4.</nr>
                    <al>Staan goederen onder bewind waarvan de waarde krachtens artikel 70 in
mindering van de legitieme komt, dan is lid 3 van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat de aldaar bedoelde verklaring binnen drie maanden na
het overlijden van de erflater moet worden afgelegd. Indien de akte waarbij
het bewind is ingesteld, een grond als bedoeld in lid 1 vermeldt, zijn de
leden 2 en 3 van overeenkomstige toepassing.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>5.</nr>
                    <al>Bij de vaststelling van de op de legitieme portie toe te rekenen waarde
wordt met het bewind slechts rekening gehouden, indien de vermelde grond onjuist
is verklaard doch de legitimaris geen gebruik maakt van de hem in lid 3, eerste
zin, verleende bevoegdheid.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 76.</nr>
                  </kop>
                  <al>Bij de vaststelling van de waarde van hetgeen overeenkomstig de artikelen
70–75 op de legitieme portie in mindering komt, wordt geen rekening
gehouden met het vruchtgebruik dat daarop krachtens afdeling 1 of 2 van
titel 3 kan komen te rusten.</al>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 77.</nr>
                  </kop>
                  <al>De in de artikelen 72, 73 lid 1, laatste zinsnede, en lid 2, 74 leden
2 en 3 en 75 leden 2 en 4 bedoelde termijnen kunnen door de kantonrechter
een of meermalen op grond van bijzondere omstandigheden worden verlengd, zelfs
nadat de termijn reeds was verlopen. Tegen de beschikking houdende verlenging
is geen hogere voorziening toegelaten.</al>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 78.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Een legitimaris die niet erfgenaam is, kan tegenover de erfgenamen en
met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak maken op inzage
en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme
portie behoeft; zij verstrekken hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Op zijn verzoek kan de kantonrechter een of meer der erfgenamen en met
het beheer der nalatenschap belaste executeurs doen oproepen ten einde de
deugdelijkheid van de boedelbeschrijving in tegenwoordigheid van de verzoeker
onder ede te bevestigen.</al>
                  </lid>
                </art>
              </par>
              <par>
                <kop>
                  <nr>Paragraaf 3.</nr>
                  <titel status="off">Het geldend maken van de legitieme portie</titel>
                </kop>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 80.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Een legitimaris die daarop aanspraak maakt, heeft terzake van hetgeen
hem met inachtneming van de artikelen 70 tot en met 76 als legitieme portie
toekomt, een vordering in geld op de gezamenlijke erfgenamen dan wel, wanneer
de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13, op de als erfgenaam
achtergelaten echtgenoot van de erflater.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>De erfgenamen en, na verdeling overeenkomstig artikel 13, de echtgenoot
zijn niet verplicht de vorderingen te voldoen, voor zover deze tezamen de
waarde der nalatenschap te boven gaan; voor zover nodig ondergaan de vorderingen
elk een evenredige vermindering. Onder de waarde van de nalatenschap wordt
hier verstaan de waarde van de goederen van de nalatenschap, verminderd met
de in artikel 7 onder a, b, c en f vermelde schulden. </al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 81.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De vordering is niet opeisbaar voordat zes maanden zijn verstreken na
het overlijden van de erflater.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Voor zover nodig in afwijking van lid 1 is de vordering, indien de nalatenschap
is verdeeld overeenkomstig artikel 13, opeisbaar indien:</al>
                    <al>a. de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard;</al>
                    <al>b. de echtgenoot is overleden.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Zolang goederen der nalatenschap kunnen worden belast met een vruchtgebruik
krachtens artikel 29 of artikel 30, is de vordering niet opeisbaar.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>4.</nr>
                    <al>Zolang een vruchtgebruik krachtens artikel 29 of artikel 30 bestaat, is
de vordering niet opeisbaar, voor zover de echtgenoot daarvoor is verbonden.
In geval van faillissement van de echtgenoot wordt de vordering opeisbaar,
voor zover deze daarvoor is verbonden.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>5.</nr>
                    <al>Voor zover voor de vordering anderen dan de echtgenoot zijn verbonden,
kan, zolang een vruchtgebruik krachtens artikel 29 of artikel 30 bestaat,
van elk van die anderen slechts het gedeelte van de vordering worden opgeëist
dat overeenkomt met het gedeelte dat zijn aandeel in de niet met vruchtgebruik
belaste goederen van de nalatenschap uitmaakt van de goederen van de nalatenschap.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>6.</nr>
                    <al>Goederen die met een vruchtgebruik krachtens artikel 29 of artikel 30
zijn belast, alsmede dat vruchtgebruik, kunnen voor de vordering niet worden
uitgewonnen.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 82.</nr>
                  </kop>
                  <al>Een erflater kan aan een bij uiterste wilsbeschikking gedane making ten
behoeve van zijn niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of zijn geregistreerde
partner de voorwaarde verbinden dat de vordering van een legitimaris, voor
zover deze ten laste zou komen van de making, eerst opeisbaar is na diens
overlijden. Een voorwaarde als bedoeld in de vorige zin kan op overeenkomstige
wijze worden verbonden aan een making ten behoeve van een andere levensgezel,
indien deze met de erflater een gemeenschappelijke huishouding voert en een
notarieel verleden samenlevingsovereenkomst is aangegaan.</al>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 84.</nr>
                  </kop>
                  <al>De vorderingen worden verhoogd met een percentage dat overeenkomt met
dat van de wettelijke rente, voor zover dit percentage hoger is dan zes, berekend
per jaar vanaf de dag waarop aanspraak op de legitieme portie is gemaakt,
bij welke berekening telkens uitsluitend de hoofdsom in aanmerking wordt genomen.</al>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 85.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De mogelijkheid om aanspraak te maken op de legitieme portie vervalt,
indien de legitimaris niet binnen een hem door een belanghebbende gestelde
redelijke termijn, en uiterlijk vijf jaar nadat hij de in artikel 80 lid 1
bedoelde vordering geheel of ten dele had kunnen opeisen, heeft verklaard
dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Indien negen maanden na het overlijden van de erflater niet vaststaat
in hoeverre diens echtgenoot aanspraak zal maken op vestiging van een vruchtgebruik
krachtens artikel 30, vervalt het deel van de vordering dat ten laste van
de echtgenoot zou komen, tenzij de legitimaris binnen die termijn aan de echtgenoot
heeft verklaard dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen. Artikel
77 is op deze termijn van overeenkomstige toepassing.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 86.</nr>
                  </kop>
                  <al>Indien ten aanzien van de erflater afdeling 2 of 3 van titel 18 van
Boek 1 is toegepast, lopen de termijnen, genoemd in lid 1 van artikel 81 en
de leden 1 en 2 van artikel 85 vanaf de dag waarop de beschikking, bedoeld
in artikel 417 lid 1 onderscheidenlijk artikel 427 lid 1 van Boek 1, in kracht
van gewijsde is gegaan.</al>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 87.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De voldoening van de schulden aan de legitimarissen komt, voor zover zij
opeisbaar zijn, ten laste van het gedeelte der nalatenschap dat
niet aan ingestelde erfgenamen toekomt, en vervolgens, zo dit onvoldoende
is, van de makingen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Tenzij uit de uiterste wil iets anders voortvloeit, komen alle erfstellingen
en legaten gelijkelijk naar evenredigheid van hun waarde voor inkorting in
aanmerking, met dien verstande dat</al>
                    <al>a. voor zover een making is te beschouwen als voldoening aan een natuurlijke
verbintenis van de erflater, zij pas na de andere makingen voor inkorting
in aanmerking komt, en</al>
                    <al>b. het gedeelte van een making aan een legitimaris, dat zijn legitieme
portie niet te boven gaat, pas kan worden ingekort na de andere makingen,
de onder a genoemde daaronder begrepen. Alsdan geschiedt de inkorting van
dat gedeelte zodanig dat hij en de inkortende legitimaris een zelfde evenredig
deel van hun legitieme porties verkrijgen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Indien de vordering van een legitimaris, ten gevolge van het bepaalde
in artikel 81 lid 2 of een voorwaarde als bedoeld in artikel 82, niet ten
laste van een legaat kan worden gebracht, gaat het aldus onvoldaan blijvende
deel van de schuld bij voldoening van het legaat over op de legataris.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>4.</nr>
                    <al>Voor de toepassing van de leden 1, 2 en 3 wordt een last die strekt tot
een uitgave van geld of een goed uit de nalatenschap, gelijkgesteld met een
legaat.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 89.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Is hetgeen een legitimaris op grond van het vorige artikel kan verkrijgen
onvoldoende om hem zijn legitieme portie te verschaffen, dan kan hij de daarvoor
vatbare giften inkorten, voor zover zij aan zijn legitieme portie afbreuk
doen. Inkorting van giften geschiedt niet voor het deel van de vordering van
een legitimaris dat ingevolge artikel 85 lid 2 is vervallen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Voor inkorting vatbaar zijn de in artikel 67 bedoelde giften.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Een gift komt voor inkorting slechts in aanmerking, voor zover de legitimaris
zijn legitieme portie niet door inkorting van jongere giften kan verkrijgen.
Giften van een voordeel bestemd om pas na het overlijden van de erflater ten
volle te worden genoten, worden hierbij beschouwd als giften op het tijdstip
van zijn overlijden.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 90.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Inkorting van een gift geschiedt door een verklaring aan de begiftigde.
Deze is verplicht de waarde van het ingekorte gedeelte van de gift aan de
legitimaris te vergoeden, voor zover dit niet, alle omstandigheden in aanmerking
genomen, onredelijk is.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Een gift kan niet worden ingekort voor zover zij in mindering van de legitieme
portie van een mede-legitimaris komt.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>De bevoegdheid van een legitimaris tot inkorting van een gift vervalt
na verloop van een hem daarvoor door de begiftigde gestelde redelijke termijn,
en uiterlijk vijf jaren na het overlijden van de erflater.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 92.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Na het overlijden van de legitimaris komen zijn bevoegdheden toe aan hen
die tot zijn nalatenschap gerechtigd zijn.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>In geval van faillissement van de legitimaris kunnen zijn bevoegdheden
worden uitgeoefend door de curator in het faillissement.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>De bevoegdheden van een legitimaris kunnen slechts tezamen met zijn erfdeel
worden overgedragen.</al>
                  </lid>
                </art>
              </par>
            </afd>
          </wlichaam>
          <al>
            <nadruk type="vet">Afdeling 4.3.4</nadruk> vervalt.</al>
          <al>AFDELING 5 VAN TITEL 4 Vorm van uiterste willen</al>
          <al>Toegevoegd wordt een nieuw <nadruk type="vet">artikel 93</nadruk>, luidende
als volgt: </al>
          <wlichaam>
            <art>
              <kop>
                <nr>Artikel 93.</nr>
              </kop>
              <al>Een uiterste wil die bij dezelfde akte door twee of meer personen is gemaakt,
is nietig.</al>
            </art>
          </wlichaam>
          <al>In <nadruk type="vet">artikel 95</nadruk> lid 3, eerste zin, worden de
woorden «in tegenwoordigheid van twee getuigen» geschrapt.</al>
          <al>Lid 4 wordt gelezen als volgt:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Van de bewaargeving en de verklaringen van de erflater maakt de notaris
een akte op die door de erflater en de notaris wordt ondertekend.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 97</nadruk> komt te luiden:</al>
          <wlichaam>
            <art>
              <kop>
                <nr>Artikel 97.</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Bij een onderhands, door de erflater geheel met de hand geschreven, gedagtekend
en ondertekend stuk kunnen zonder verdere formaliteiten beschikkingen worden
gemaakt, doch uitsluitend die welke in lid 2 van dit artikel en in artikel
19 van de Wet van 7 maart 1991, Stb. 130, worden genoemd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De in het vorige lid bedoelde beschikkingen zijn die tot:</al>
                <al>a. het maken van legaten van:</al>
                <al>1°. kleren, lijfstoebehoren en bepaalde lijfsieraden;</al>
                <al>2°. bepaalde tot de inboedel behorende zaken en bepaalde boeken;</al>
                <al>b. bepaling dat goederen onder a bedoeld, buiten een huwelijksgemeenschap
vallen;</al>
                <al>c. aanwijzing van een persoon als bedoeld in artikel 25 tweede en vierde
lid van de Auteurswet 1912.</al>
              </lid>
            </art>
          </wlichaam>
          <al>In <nadruk type="vet">artikel 103</nadruk> wordt in de tweede zin van
lid 1 tussen de woorden «op schrift gesteld» en «door de
erflater» ingevoegd: en.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 109.</nadruk> Lid 2 wordt gelezen als volgt:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Een uiterste wil die ten overstaan van een notaris moet worden gemaakt
is nietig, indien de akte van uiterste wil niet door een notaris is ondertekend.
Een uiterste wil, die aan een notaris in bewaring moet worden gegeven, is
nietig, indien een door een notaris ondertekende akte van bewaargeving ontbreekt.
Is echter, in dit laatste geval, de akte van uiterste wil door een notaris
ondertekend, dan is de uiterste wil vernietigbaar.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>Lid 5 vervalt.</al>
          <al>Na artikel 109 wordt een <nadruk type="vet">artikel 110</nadruk> ingevoegd
luidende:</al>
          <wlichaam>
            <art>
              <kop>
                <nr>Artikel 110.</nr>
              </kop>
              <al>Het bepaalde in artikel 54 is van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid
tot vernietiging van een uiterste wil.</al>
            </art>
          </wlichaam>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 4.3.5.15</nadruk> vervalt.</al>
          <al>AFDELING 1 VAN TITEL 5 Erfstellingen</al>
          <al>In <nadruk type="vet">artikel 115</nadruk> wordt het woord «ganse»
vervangen door: gehele.</al>
          <al>AFDELING 2 VAN TITEL 5 Legaten</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 117.</nadruk> In lid 1 vervallen de woorden
«daarbij aangewezen».</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 119.</nadruk> In de tweede zin wordt «boedelrechter»
vervangen door: kantonrechter.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 4.4.2.3</nadruk> vervalt. </al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 4.4.2.3a</nadruk> vervalt.</al>
          <al>Toegevoegd wordt een nieuw <nadruk type="vet">artikel 120</nadruk>, luidende:</al>
          <wlichaam>
            <art>
              <kop>
                <nr>Artikel 120.</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Schulden van de nalatenschap uit een legaat worden slechts ten laste van
de nalatenschap voldaan, indien alle andere schulden van de nalatenschap daaruit
ten volle kunnen worden voldaan.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Voor zover de nalatenschap niet toereikend is om de schulden uit legaten
te voldoen uit de erfdelen van de erfgenamen op wie zij rusten, worden zij
verminderd. Op giften die voor de vermindering als een legaat worden aangemerkt,
zijn de artikelen 66 en 68 van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Tenzij uit de uiterste wil een andere wijze van vermindering voortvloeit,
ondergaan deze verplichtingen alle een evenredige vermindering, met dien verstande
dat, voor zover de prestatie is te beschouwen als voldoening aan een natuurlijke
verbintenis van de erflater, die verplichting pas na de andere voor vermindering
in aanmerking komt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>Vermindering geschiedt door een verklaring aan de legataris. Voor zover
de prestatie reeds is verricht, blijft de rechtsgrond daarvoor in stand, behoudens
de mogelijkheid van terugvordering en verhaal als bedoeld in de artikelen
216 en 220 lid 3.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>5.</nr>
                <al>Vermindering heeft met betrekking tot een begunstiging bij sommenverzekering
tot gevolg dat de begunstigde verplicht is tot vergoeding van het in mindering
komende gedeelte aan de gezamenlijke erfgenamen, voor zover de daarmee gemoeide
bedragen nog niet aan hem zijn uitgekeerd. Zij wordt niet verminderd voor
zover dit voor de begiftigde onredelijk benadelend zou zijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>6.</nr>
                <al>Ondanks de vermindering blijven de erfgenamen die met hun gehele vermogen
aansprakelijk zijn, gehouden tot voldoening voor het geheel.</al>
              </lid>
            </art>
          </wlichaam>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 122.</nadruk> Voor de tekst van het artikel
wordt het cijfer 1. geplaatst.</al>
          <al>Toegevoegd wordt een tweede lid, luidende:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Maakt de legataris geen gebruik van deze bevoegdheid, dan kan de wederpartij
ermede volstaan hem de waarde van het ingekorte of verminderde legaat uit
te keren.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 123.</nadruk> In lid 1 wordt het woord «vordering»
vervangen door: verzoek.</al>
          <al>Lid 2 wordt vervangen door twee nieuwe leden, luidende als volgt:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Bij een wijziging of opheffing neemt de rechter zoveel mogelijk de bedoeling
van de erflater in acht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De artikelen 258 leden 1, tweede zin, 2 en 3 van Boek 6 en 260 leden 1
en 2 van Boek 6 zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 125.</nadruk> Lid 3 wordt gelezen als volgt:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Degene op wie de schuld uit een legaat van een geldsom rust, komt niet
in verzuim door het enkele verstrijken van een voor de voldoening bepaalde
termijn.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>Toegevoegd wordt een vierde lid, luidende:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Op legaten van een geldsom is artikel 5 van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>Na <nadruk type="vet">artikel 125</nadruk> wordt een nieuw <nadruk type="vet">artikel 126</nadruk> toegevoegd, luidende:</al>
          <wlichaam>
            <art>
              <kop>
                <nr>Artikel 126.</nr>
              </kop>
              <al>Het bepaalde met betrekking tot legatarissen is voor de toepassing van
de artikelen 29 lid 3, 30 lid 3, 216 en 220 lid 3 van overeenkomstige toepassing
op degenen jegens wie een gift is gedaan die wordt aangemerkt als een legaat
voor de toepassing van het in dit Boek bepaalde betreffende inkorting en vermindering.
Met gelegateerde goederen in artikel 30 lid 5 worden gelijkgesteld goederen
die zijn verkregen krachtens een gift als in de vorige zin bedoeld. </al>
            </art>
          </wlichaam>
          <al>AFDELING 3 VAN TITEL 5 Testamentaire lasten</al>
          <al>Aan <nadruk type="vet">artikel 130</nadruk> wordt een lid toegevoegd,
luidende:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Artikel 120 is van overeenkomstige toepassing op een last die strekt tot
een uitgave van geld of van een goed uit de nalatenschap; deze wordt tegelijk
met een legaat en in gelijke mate verminderd.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 131.</nadruk> Lid 2 wordt gelezen als volgt:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De vervallenverklaring kan door de rechter worden uitgesproken op verzoek
van elke onmiddellijk bij de vervallenverklaring belanghebbende.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 132.</nadruk> Na het woord «belast»
wordt een punt geplaatst; de daaropvolgende zinsnede vervalt.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 4.4.3.2c</nadruk> vervalt.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 134</nadruk> wordt gelezen:</al>
          <wlichaam>
            <art>
              <kop>
                <nr>Artikel 134.</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>De rechter kan op verzoek van degene op wie de last rust, of op vordering
van het openbaar ministerie de last wijzigen of geheel of gedeeltelijk opheffen:</al>
                <al>a. op grond van na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheden
welke van dien aard zijn dat de ongewijzigde instandhouding van de last uit
een oogpunt van de daarbij betrokken persoonlijke en maatschappelijke belangen
ongerechtvaardigd zou zijn;</al>
                <al>b. op grond dat de last door inkorting of vermindering van de making waaraan
hij is verbonden, of door vermindering van de last bezwaarlijk of onmogelijk
uitvoerbaar is geworden;</al>
                <al>c. in geval de last ingevolge artikel 132 op een ander is komen te rusten
dan degenen aan wie hij bij de uiterste wilsbeschikking is opgelegd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Bij een wijziging of opheffing neemt de rechter zoveel mogelijk de bedoeling
van de erflater in acht.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>De artikelen 258 leden 1, tweede zin, 2 en 3 van Boek 6 en 260 leden 1
en 2 van Boek 6 zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
            </art>
          </wlichaam>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 4.4.3.3a</nadruk> vervalt.</al>
          <al>AFDELING 4 VAN TITEL 5 Stichtingen</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 135.</nadruk> Lid 3 wordt gelezen als volgt:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Degene op wie een last om een stichting op te richten rust, kan daartoe
op vordering van het openbaar ministerie worden veroordeeld door de rechtbank
van het sterfhuis of, indien de erflater zijn laatste woonplaats niet in Nederland
had, door de rechtbank te 's-Gravenhage. De rechter kan bepalen dat het vonnis
dezelfde rechtskracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van hem
die tot de rechtshandeling gehouden is, of dat een door de rechter aan te
wijzen vertegenwoordiger de handeling zal verrichten.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>AFDELING 5 VAN TITEL 5 Makingen onder tijdsbepaling en onder voorwaarde</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 138.</nadruk> Lid 2 vervalt; de leden 3 en
4 worden vernummerd tot 2 en 3. Het nieuwe lid 2, eerste zin, wordt gelezen
als volgt: Voor het overige vinden, zolang de vervulling der voorwaarden onzeker
is, de wettelijke voorschriften betreffende het vruchtgebruik,
zoals geregeld in titel 8 van Boek 3, overeenkomstige toepassing.</al>
          <al>AFDELING 6 VAN TITEL 5 Executeurs</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 142.</nadruk> In lid 1 wordt «boedelrechter»
vervangen door: kantonrechter.</al>
          <al>Lid 3 wordt gelezen:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Bij verschil van mening tussen de executeurs beslist op verzoek van een
van hen de kantonrechter. Deze kan een verdeling van de werkzaamheden of van
het hun toekomende loon vaststellen.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 143.</nadruk> In lid 1 wordt «boedelrechter»
vervangen door: kantonrechter, en «erfgenaam» door: belanghebbende.
Toegevoegd wordt een zin, luidende: Tegen deze beschikking is geen hogere
voorziening toegelaten.</al>
          <al>Lid 2 wordt gelezen als volgt:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Handelingsonbekwamen, zij van wie één of meer goederen onder
een bewind als bedoeld in titel 19 van Boek 1 zijn gesteld, en zij die in
staat van faillissement verkeren, kunnen niet executeur worden.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 144.</nadruk> In lid 1 vervalt de zinsnede
«in de zin van artikel 4.5.1.3a».</al>
          <al>Lid 2 wordt vervangen door:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Tenzij bij uiterste wil anders is geregeld, komt de executeur, of als
er meer dan een executeur is, hun tezamen, een ten honderd van de waarde van
het vermogen van de erflater op diens sterfdag toe.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Artikel 159 leden 2 en 3 is van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 145.</nadruk> In lid 1 wordt «boedelrechter»
vervangen door: kantonrechter.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 147.</nadruk> In lid 1 vervalt de zinsnede:
«, behoudens het in de artikelen 4.4.2.3 en 4.4.2.3a bepaalde, en de
nakoming der hem opgelegde lasten.»</al>
          <al>Lid 2 wordt gelezen als volgt:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Tenzij de erflater anders heeft beschikt, treedt de executeur omtrent
de keuze van de te gelde te maken goederen en de wijze van tegeldemaking zoveel
mogelijk in overleg met de erfgenamen en stelt hij, zo bij een erfgenaam bezwaar
bestaat tegen een voorgenomen tegeldemaking, die erfgenaam in de gelegenheid
de beslissing van de kantonrechter in te roepen. Tegen diens beschikking is
geen hogere voorziening toegelaten.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>In lid 3 wordt «boedelrechter» vervangen door: kantonrechter.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 4.4.6.3d</nadruk> vervalt.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 149</nadruk> komt te luiden:</al>
          <wlichaam>
            <art>
              <kop>
                <nr>Artikel 149.</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>De taak van een executeur eindigt:</al>
                <al>a. wanneer hij zijn werkzaamheden als zodanig heeft voltooid;</al>
                <al>b. door tijdverloop, indien hij voor een bepaalde tijd was benoemd;</al>
                <al>c. door zijn dood, faillietverklaring of ondercuratelestelling, door de
instelling van een bewind als bedoeld in titel 19 van Boek 1 over een of meer
van zijn goederen of indien hem surséance van betaling is verleend;</al>
                <al>d. wanneer de nalatenschap overeenkomstig de derde afdeling van de zesde
titel moet worden vereffend;</al>
                <al>e. in de bij de uiterste wil bepaalde gevallen;</al>
                <al>f. door ontslag dat de kantonrechter hem met ingang van een bepaalde dag
verleent. </al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Het ontslag wordt hem verleend, hetzij op eigen verzoek, hetzij om gewichtige
redenen, zulks op verzoek van een mede-executeur of een erfgenaam, op vordering
van het openbaar ministerie of ambtshalve. Hangende het onderzoek kan de kantonrechter
voorlopige voorzieningen treffen en de executeur schorsen. Tegen beschikkingen
van de kantonrechter krachtens de vorige zin staat geen rechtsmiddel open.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Een gewezen executeur blijft verplicht te doen wat niet zonder nadeel
voor de afwikkeling van de nalatenschap kan worden uitgesteld, totdat degene
die na hem tot het beheer van de nalatenschap bevoegd is, dit heeft aanvaard.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>Eindigt de hoedanigheid van executeur door diens faillissement of ondercuratelestelling
dan rust de in het vorige lid bedoelde verplichting op de curator, indien
deze van de executele kennis draagt; eindigt de hoedanigheid van executeur
door een aan hem verleende surséance van betaling of de onderbewindstelling
van zijn goederen, dan geldt hetzelfde voor de in die gevallen optredende
bewindvoerder. Eindigt de hoedanigheid van executeur door diens dood, dan
zijn de erfgenamen verplicht, indien zij van de executele kennis dragen, het
overlijden van de executeur mede te delen aan de erfgenamen van degene die
hem heeft benoemd.</al>
              </lid>
            </art>
          </wlichaam>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 150.</nadruk> Het artikel wordt als volgt gewijzigd:</al>
        </wond>
        <wond>
          <nr>a.</nr>
          <al>Lid 2 onderdeel a komt te luiden:</al>
          <arttkst>
            <al>a. na voldoening van de schulden der nalatenschap en nakoming der lasten,
waarvan de afwikkeling reeds tot zijn taak behoort of nog binnen het jaar
na het overlijden van de erflater tot zijn taak zou kunnen gaan behoren;</al>
          </arttkst>
        </wond>
        <wond>
          <nr>b.</nr>
          <al>In lid 2 onderdeel b wordt «boedelrechter» vervangen door:
kantonrechter. Toegevoegd wordt een zin, luidende: Tegen deze beschikking
is geen hogere voorziening toegelaten.</al>
        </wond>
        <wond>
          <nr>c.</nr>
          <al>In lid 3 wordt de zinsnede «de voldoening van de in het vorige lid
onder a bedoelde schulden der nalatenschap» vervangen door: de in lid
2 onder a bedoelde afwikkeling.</al>
          <al>Na <nadruk type="vet">artikel 151</nadruk> wordt een nieuw artikel toegevoegd,
luidende:</al>
          <wlichaam>
            <art>
              <kop>
                <nr>Artikel 152.</nr>
              </kop>
              <al>Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling wordt de echtgenoot
van de erflater die een recht van vruchtgebruik heeft krachtens afdeling 2
van titel 3, als een erfgenaam aangemerkt. De bevoegdheden, bedoeld in artikel
150 leden 2 en 3, komen mede aan die echtgenoot toe.</al>
            </art>
          </wlichaam>
          <al>
            <nadruk type="vet">Afdeling 7 van titel 5</nadruk> wordt gelezen als volgt:</al>
          <wlichaam>
            <afd>
              <kop>
                <nr>AFDELING 7 VAN TITEL 5</nr>
                <titel status="off">Testamentair bewind</titel>
              </kop>
              <par>
                <kop>
                  <nr>Paragraaf 1.</nr>
                  <titel status="off">Algemene bepalingen</titel>
                </kop>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 153.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Een erflater kan bij uiterste wil bewind instellen over een of meer door
hem nagelaten of vermaakte goederen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Tenzij de erflater anders heeft bepaald, treedt het bewind in werking
op het tijdstip van zijn overlijden.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 154.</nr>
                  </kop>
                  <al>Tenzij bij de instelling anders is bepaald, omvat het bewind ook de goederen
die geacht moeten worden in de plaats van een onder bewind staand goed te
treden, benevens de vruchten en andere voordelen die zulk een goed oplevert,
zolang de vruchten niet zijn uitgekeerd aan degene die daarop recht heeft
ingevolge artikel 162. </al>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 155.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Het bewind over een erfdeel of een legaat wordt vermoed te zijn ingesteld
in het belang van de rechthebbende, tenzij een der volgende leden van toepassing
is.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Het bewind over een vruchtgebruik wordt vermoed zowel in het belang van
de vruchtgebruiker als van de hoofdgerechtigde te zijn ingesteld. Hetzelfde
geldt voor het bewind over de rechten van gebruik en bewoning.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Het bewind over een voorwaardelijke making wordt vermoed te zijn ingesteld
in het belang van zowel degene die het goed bij vervulling der voorwaarde
verkrijgt, als van degene die het alsdan verliest.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>4.</nr>
                    <al>Het bewind over goederen of aandelen in goederen die gemeenschappelijk
beheerd dienen te worden, wordt vermoed te zijn ingesteld in een gemeenschappelijk
belang.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 156.</nr>
                  </kop>
                  <al>Is het bewind uitsluitend of mede ingesteld in het belang van een ander
dan de rechthebbende op de onder bewind gestelde goederen, dan wordt die ander,
zolang niet vaststaat wie hij is, voor de toepassing van deze afdeling aangemerkt
als iemand die niet in staat is zijn wil te bepalen.</al>
                </art>
              </par>
              <par>
                <kop>
                  <nr>Paragraaf 2.</nr>
                  <titel status="off">De bewindvoerder</titel>
                </kop>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 157.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Indien de uiterste wil niet voorziet in de regeling der benoeming van
een bewindvoerder, wijst de kantonrechter een of meer bewindvoerders aan op
verzoek van de rechthebbende, een erfgenaam, legataris of andere belanghebbende
dan wel van de executeur. De kantonrechter vergewist zich van de bereidheid
van de door hem te benoemen personen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Handelingsonbekwamen, zij van wie een of meer goederen onder een bewind
als bedoeld in Titel 19 van Boek 1 zijn gesteld, zij die in staat van faillissement
verkeren of aan wie surséance van betaling is verleend, alsmede de
personen genoemd in artikel 59 kunnen niet tot bewindvoerder worden benoemd.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid kunnen tot bewindvoerder
worden benoemd.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>4.</nr>
                    <al>Zo nodig kan een tijdelijke bewindvoerder worden benoemd; tegen een zodanige
benoeming is geen hogere voorziening toegelaten.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>5.</nr>
                    <al>De door de rechter benoemde wordt bewindvoerder daags nadat de griffier
hem van zijn benoeming mededeling heeft gedaan, tenzij de beschikking een
later tijdstip vermeldt.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>6.</nr>
                    <al>De niet door de rechter benoemde wordt bewindvoerder daags nadat hij de
benoeming heeft aanvaard.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 158.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Zijn er twee of meer bewindvoerders, dan kan ieder van hen alle werkzaamheden
die tot het bewind behoren alleen verrichten, tenzij de uiterste wil of de
kantonrechter anders bepaalt.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Bij verschil van mening tussen de bewindvoerders beslist op verzoek van
een van hen de kantonrechter, tenzij bij uiterste wil een andere regeling
is getroffen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>De kantonrechter kan desverzocht, indien daartoe een gewichtige reden
bestaat, een verdeling van de werkzaamheden vaststellen of wijzigen.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 159.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Tenzij bij uiterste wil anders is geregeld, komt de bewindvoerder, of
als er meer dan een bewindvoerder is, hun tezamen, per jaar een ten honderd
van de waarde aan het einde van dat jaar van het onder bewind staande vermogen
toe.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Zijn er twee of meer bewindvoerders en bevat de uiterste wil geen regeling
omtrent de verdeling van hun beloning, dan ontvangt elk van hen een
gelijke beloning, tenzij de kantonrechter anders bepaalt of zij tezamen anders
overeenkomen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Op grond van onvoorziene omstandigheden kan de kantonrechter, hetzij ambtshalve,
hetzij op verzoek van de bewindvoerder, van de rechthebbende of iemand in
wiens belang het bewind is ingesteld, voor bepaalde of voor onbepaalde tijd
de beloning anders regelen dan bij de uiterste wil of de wet is aangegeven.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 160.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De bewindvoerder moet zo spoedig mogelijk een beschrijving opmaken van
de goederen waarop het bewind betrekking heeft. Is hij door de rechter benoemd,
dan moet hij een afschrift van de beschrijving tegen ontvangstbewijs inleveren
ter griffie van het kantongerecht van de woonplaats van de rechthebbende.
Tot het stellen van zekerheid is hij slechts verplicht, indien dit bij de
instelling van het bewind is bepaald.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Tenzij bij de instelling van het bewind anders is bepaald, moet de bewindvoerder
het bewind en zijn benoeming doen inschrijven</al>
                    <al>a. in de openbare registers indien het bewind betrekking heeft op registergoederen;</al>
                    <al>b. in het aandelenregister indien het bewind betrekking heeft op aandelen
op naam in een naamloze of een besloten vennootschap;</al>
                    <al>c. in het handelsregister indien het bewind betrekking heeft op een onderneming
of een aandeel in een vennootschap;</al>
                    <al>d. in het scheepsregister indien het bewind betrekking heeft op een aandeel
in een rederij.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 161.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De bewindvoerder legt, tenzij andere tijdstippen zijn bepaald, jaarlijks
en aan het einde van zijn bewind, rekening en verantwoording af aan de rechthebbende
en aan degenen in wier belang het bewind is ingesteld. Aan het einde van zijn
bewind legt hij rekening en verantwoording mede af aan degene die hem in het
beheer van de goederen opvolgt. Is de bewindvoerder benoemd door de rechter,
dan legt hij ten overstaan van deze de rekening en verantwoording af.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Indien de rechthebbende of een belanghebbende niet in staat is tot het
opnemen van de rekening, of het onzeker is wie de rechthebbende of belanghebbende
is, wordt de rekening en verantwoording aan de kantonrechter afgelegd, tenzij
de uiterste wil iets anders bepaalt. Goedkeuring van deze rekening en verantwoording
door de kantonrechter belet niet dat de rechthebbende of belanghebbende na
het einde van het bewind nogmaals over dezelfde tijdsruimte rekening en verantwoording
vraagt, voor zover dit niet onredelijk is.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>De kantonrechter kan de bewindvoerder – hetzij op diens verzoek,
hetzij ambtshalve–vrijstelling van de verplichting tot het afleggen
van de periodieke rekening en verantwoording te zijnen overstaan verlenen;
hij kan ook beschikken dat de bewindvoerder de rekening en verantwoording
op deze wijze slechts eens in een bepaald aantal jaren zal afleggen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>4.</nr>
                    <al>Voor het overige vindt het bepaalde aangaande de voogdijrekening in de
afdelingen 12 en 13 van titel 15 van Boek 1 overeenkomstige toepassing.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 162.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Voor zover bij de instelling van het bewind niet anders is bepaald, wordt
telkens bij het afleggen van de rekening en verantwoording hetgeen de goederen
netto aan vruchten hebben opgebracht, onder aftrek van de verschuldigde beloning,
uitgekeerd aan degene die daarop recht heeft. Op verzoek van deze kan de kantonrechter
andere tijdstippen voor de uitkering vaststellen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Zolang er onzekerheid bestaat wie de rechthebbende is of de rechthebbende
niet tot ontvangst in staat is, blijft de netto-opbrengst onder het bewind
van de bewindvoerder, tenzij de uiterste wil of de kantonrechter anders bepaalt. </al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 163.</nr>
                  </kop>
                  <al>De bewindvoerder is jegens de rechthebbende aansprakelijk, indien hij
in de zorg van een goed bewindvoerder tekortschiet, tenzij de tekortkoming
hem niet kan worden toegerekend.</al>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 164.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De hoedanigheid van bewindvoerder eindigt:</al>
                    <al>a. bij het einde van het bewind;</al>
                    <al>b. door tijdsverloop, indien hij voor een bepaalde tijd was benoemd;</al>
                    <al>c. door zijn dood, faillietverklaring of ondercuratelestelling, door de
instelling van een bewind als bedoeld in titel 19 van Boek 1 over een of meer
van zijn goederen of indien hem surséance van betaling is verleend;</al>
                    <al>d. in de bij de uiterste wil bepaalde gevallen;</al>
                    <al>e. door ontslag dat de kantonrechter hem met ingang van een bepaalde dag
verleent.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Het ontslag wordt hem verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens
gewichtige redenen, zulks op verzoek van een medebewindvoerder, van de rechthebbende
of van iemand in wiens belang het bewind is ingesteld, dan wel op vordering
van het openbaar ministerie of ambtshalve. Hangende het onderzoek kan de kantonrechter
voorlopige voorzieningen in het bewind treffen en de bewindvoerder schorsen.
Tegen beschikkingen van de kantonrechter krachtens de vorige zin is geen hogere
voorziening toegelaten.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 165.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De gewezen bewindvoerder draagt de goederen die hij wegens het bewind
beheert af aan degene die na hem tot het beheer daarover bevoegd is. Hij mag
de afdracht opschorten tot de voldoening van een hem toekomend saldo.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>De gewezen bewindvoerder blijft voorts al datgene doen, wat niet zonder
nadeel voor de rechthebbende of de belanghebbende kan worden uitgesteld, totdat
degene die na hem tot het beheer der goederen bevoegd is, dit heeft aanvaard.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Eindigt de hoedanigheid van bewindvoerder door diens faillissement of
ondercuratelestelling dan rust de in lid 2 bedoelde verplichting op de curator,
indien deze van het bewind kennis draagt; eindigt de hoedanigheid van bewindvoerder
door een aan hem verleende surséance van betaling of door de instelling
van een bewind als bedoeld in titel 19 van Boek 1 over een of meer van zijn
goederen, dan geldt hetzelfde voor de in die gevallen optredende bewindvoerder.
Eindigt de hoedanigheid van bewindvoerder door diens dood, dan zijn de erfgenamen
verplicht, indien zij van het bewind kennis dragen, de kantonrechter te verzoeken
een andere bewindvoerder te benoemen.</al>
                  </lid>
                </art>
              </par>
              <par>
                <kop>
                  <nr>Paragraaf 3.</nr>
                  <titel status="off">De gevolgen van het bewind</titel>
                </kop>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 166.</nr>
                  </kop>
                  <al>De rechthebbende is naast de bewindvoerder bevoegd tot handelingen dienende
tot gewoon onderhoud van de goederen die hij in gebruik heeft en tot handelingen
die geen uitstel kunnen lijden. Voor het overige komt het beheer uitsluitend
toe aan de bewindvoerder.</al>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 167.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Indien het bewind is ingesteld in het belang van de rechthebbende, is
deze slechts met medewerking of toestemming van de bewindvoerder bevoegd tot
andere handelingen dan die in het vorige artikel bedoeld, welke een onder
bewind staand goed rechtstreeks betreffen. Hetzelfde geldt voor de bevoegdheden
van een vruchtgebruiker met betrekking tot de goederen waarop onder bewind
gesteld vruchtgebruik rust en die verder gaan dan het gebruik daarvan.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Indien het bewind is ingesteld in het belang van een ander dan de rechthebbende
of in een gemeenschappelijk belang, is de rechthebbende slechts onder voorbehoud
van het bewind bevoegd tot het verrichten van een handeling als bedoeld in
lid 1. </al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Indien het bewind zowel in het belang van de rechthebbende als van een
of meer anderen of in een gemeenschappelijk belang is ingesteld, dan is de
rechthebbende slechts met medewerking of toestemming van de bewindvoerder
en onder voorbehoud van dat bewind bevoegd tot het verrichten van een handeling
als bedoeld in lid 1.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 168.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Een rechtshandeling die ondanks zijn uit de artikelen 166 en 167 voortvloeiende
onbevoegdheid is verricht door of gericht tot de rechthebbende is niettemin
geldig, indien de wederpartij het bewind kende noch behoorde te kennen. Niettemin
is geen veroordeling mogelijk tot nakoming van een uit de rechtshandeling
voortvloeiende verbintenis tot vervreemding of bezwaring van een onder het
bewind staand goed.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>De uit het bewind voortvloeiende ongeldigheid van beschikking door de
rechthebbende over een goed als bedoeld in artikel 88 van Boek 3, staat niet
in de weg aan de geldigheid van een latere overdracht daarvan indien de derde
verkrijger te goeder trouw is. De vorige zin is van overeenkomstige toepassing
op de vestiging, overdracht en afstand van een beperkt recht op zulk een goed.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 169.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De bewindvoerder mag met toestemming van de rechthebbende:</al>
                    <al>a. de in artikel 167 lid 1 bedoelde handelingen verrichten;</al>
                    <al>b. geld lenen of de rechthebbende als borg of hoofdelijk schuldenaar verbinden;</al>
                    <al>c. een overeenkomst tot beëindiging van een geschil aangaan; hij
behoeft deze toestemming niet in het geval van artikel 19 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, of indien het voorwerp van het geschil een
waarde van f 1500 niet te boven gaat.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Is het bewind uitsluitend of mede in het belang van een ander dan de rechthebbende
of in hun gemeenschappelijk belang ingesteld, dan is ook toestemming van die
ander vereist.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>Verleent iemand wiens toestemming is vereist deze niet, dan kan de kantonrechter
haar desverzocht door zijn machtiging vervangen. De kantonrechter kan de machtiging
verlenen onder zodanige voorwaarden als hij geraden acht.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 170.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Behoren de goederen die onder het bewind staan of die met een onder het
bewind staand beperkt recht zijn belast tot een gemeenschap, dan is de bewindvoerder
bevoegd tot het vorderen van verdeling en is hij, met toestemming van de rechthebbende,
bevoegd tot het aangaan van een overeenkomst tot uitsluiting van verdeling
voor een bepaalde tijd.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>De bewindvoerder is met toestemming van de rechthebbende bevoegd tot medewerking
aan de verdeling.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>De leden 2 en 3 van artikel 169 zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 171.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Bij de uiterste wil kunnen de bevoegdheden en verplichtingen van de bewindvoerder
nader worden geregeld; zij kunnen daarbij ruimer of beperkter worden vastgesteld
dan uit de voorgaande bepalingen van deze afdeling voortvloeit.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>De kantonrechter kan op verzoek van de bewindvoerder, de rechthebbende
of een persoon in wiens belang het bewind uitsluitend of mede is ingesteld,
de regels omtrent het voeren van het bewind wijzigen op grond van onvoorziene
omstandigheden. De kantonrechter kan het verzoek toewijzen onder door hem
te stellen voorwaarden.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 172.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De bewindvoerder die, anders dan in de vorm van medewerking of toestemming,
zijn taak uitoefent, is bevoegd daarbij de rechthebbende te vertegenwoordigen
of in eigen naam te zijnen behoeve op te treden. </al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>De bepalingen van titel 3 van Boek 3 zijn in geval van vertegenwoordiging
van overeenkomstige toepassing op de rechten en verplichtingen van een wederpartij.
Regels die de bevoegdheid van de bewindvoerder betreffen, en feiten die voor
een oordeel omtrent zijn bevoegdheid van belang zijn, kunnen niet aan de wederpartij
worden tegengeworpen, indien deze met die regels of feiten niet bekend was
of behoorde te zijn.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 173.</nr>
                  </kop>
                  <al>De bewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbende in gedingen ter zake
van onder het bewind staande goederen. Hij kan zich, alvorens in rechte op
te treden, te zijner verantwoording doen machtigen door de rechthebbende en
degenen in wier belang het bewind uitsluitend of mede is ingesteld. Wordt
de machtiging niet verleend, dan kan de kantonrechter haar door zijn machtiging
vervangen. Tegen een beschikking waarbij de machtiging wordt verleend is geen
hogere voorziening toegelaten.</al>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 174.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De rechthebbende is, onverminderd het bepaalde in artikel 172 van Boek
6, aansprakelijk voor alle schulden die voortspruiten uit rechtshandelingen
die de bewindvoerder in zijn hoedanigheid in naam van de rechthebbende verricht.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Voor zover de rechthebbende onder het bewind staande goederen aanwijst
die voldoende verhaal bieden, kunnen zijn overige goederen niet worden uitgewonnen
voor de in lid 1 bedoelde schulden.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 175.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Tijdens het bewind kunnen de onder het bewind staande goederen ten laste
van de rechthebbende slechts worden uitgewonnen voor:</al>
                    <al>a. de schulden van de nalatenschap, voor zover die schulden ten laste
van die goederen kunnen worden gebracht;</al>
                    <al>b. de schulden die de goederen betreffen;</al>
                    <al>c. de schulden voortvloeiend uit rechtshandelingen die door de rechthebbende
binnen de grenzen van zijn in de artikelen 166 en 167 bedoelde bevoegdheid
zijn verricht;</al>
                    <al>d. de schulden voortvloeiend uit rechtshandelingen die ondanks onbevoegdheid
van de rechthebbende krachtens artikel 168 lid 1 geldig zijn, tenzij de bewindvoerder
goederen van de rechthebbende aanwijst die niet onder bewind staan en die
geheel of gedeeltelijk verhaal bieden;</al>
                    <al>e. de schulden waarvoor de rechthebbende overeenkomstig artikel 174 wegens
gedragingen van de bewindvoerder aansprakelijk is.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>De goederen kunnen voor de in lid 1 onder e bedoelde schulden ook worden
uitgewonnen, nadat ze onder last van het bewind op een andere rechthebbende
zijn overgegaan.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>3.</nr>
                    <al>De goederen worden vrij van het bewind uitgewonnen, tenzij dit uitsluitend
of mede in het belang van een ander dan de rechthebbende of in een gemeenschappelijk
belang is ingesteld.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 176.</nr>
                  </kop>
                  <al>Indien het bewind uitsluitend is ingesteld in het belang van een ander
dan de rechthebbende, dan wel in een gemeenschappelijk belang, kunnen de onder
bewind gestelde goederen ten laste van de rechthebbende ook voor andere schulden
worden uitgewonnen, doch dan slechts onder de last van het bewind.</al>
                </art>
              </par>
              <par>
                <kop>
                  <nr>Paragraaf 4.</nr>
                  <titel status="off">Einde van het bewind</titel>
                </kop>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 177.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Het bewind eindigt door het verstrijken van de termijn waarvoor het werd
ingesteld.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Het bewind eindigt door verwerping van de nalatenschap of het legaat waarbij
de goederen zijn vermaakt, indien het door het bewind gediende belang daarmede
vervalt. De beëindiging door verwerping heeft geen terugwerkende kracht. </al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 178.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Het bewind eindigt door het overlijden van de rechthebbende indien het
uitsluitend in diens belang was ingesteld. Is deze een rechtspersoon, dan
eindigt het door diens ontbinding, en voorts door diens opzegging wanneer
dertig jaren na het overlijden van de erflater zijn verlopen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>De rechtbank kan een zodanig bewind ook opheffen op verzoek van de bewindvoerder
op grond van onvoorziene omstandigheden en voorts indien aannemelijk is dat
de rechthebbende de onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde wijze
zal kunnen besturen. Na verloop van vijf jaren na het overlijden van de erflater
kan het bewind op deze laatste grond ook worden opgeheven op verzoek van de
rechthebbende. Bij afwijzing van een verzoek tot opheffing kan de rechtbank
desverzocht de regels omtrent het bewind, al dan niet onder door haar te stellen
voorwaarden, wijzigen.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 179.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Voor zover het bewind is ingesteld in het belang van een ander dan de
rechthebbende, eindigt het, wanneer dat belang vervalt, alsmede wanneer de
rechthebbende en degene in wiens belang de instelling geschiedde, een gemeenschappelijk
besluit tot opheffing schriftelijk ter kennis van de bewindvoerder brengen.
Het besluit tot opheffing kan ook slechts een of meer der onder bewind gestelde
goederen betreffen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Is het bewind ingesteld in het belang van degene die is bevoordeeld bij
een legaat onder opschortende tijdsbepaling of opschortende voorwaarde of
bij een testamentaire last, dan kan het, wanneer dertig jaren na het overlijden
van de erflater zijn verstreken, door opzegging worden beëindigd.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 180.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>Voor zover het bewind is ingesteld in het gemeenschappelijk belang van
de rechthebbende en een of meer anderen, eindigt het wanneer dat belang vervalt.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>Het bewind kan eveneens worden beëindigd door opzegging, wanneer
vijf jaren na het overlijden van de erflater zijn verstreken.</al>
                  </lid>
                </art>
                <art>
                  <kop>
                    <nr>Artikel 181.</nr>
                  </kop>
                  <lid>
                    <nr>1.</nr>
                    <al>De in de vorige artikelen bedoelde opzegging kan slechts geschieden door
de rechthebbende, en dat wel schriftelijk en met inachtneming van een termijn
van een maand.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <nr>2.</nr>
                    <al>De opzegging moet worden gericht tot de bewindvoerder en tot de belanghebbenden
zo die er zijn.</al>
                  </lid>
                </art>
              </par>
            </afd>
          </wlichaam>
          <al>AFDELING 1 VAN TITEL 6 Algemene bepalingen</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 182</nadruk> lid 1 komt te luiden:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Met het overlijden van de erflater volgen zijn erfgenamen op in zijn voor
overgang vatbare rechten en in zijn bezit en houderschap tenzij de nalatenschap
ingevolge artikel 13 wordt verdeeld.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 183.</nadruk> Vóór lid 1 vervalt
het cijfer «1.». Lid 2 vervalt.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 184</nadruk> lid 2 onder a komt te luiden:</al>
          <arttkst>
            <al>a. zuiver aanvaardt, en onverminderd het bepaalde in artikel 14 lid 3;</al>
          </arttkst>
          <al>Lid 3 wordt vernummerd tot lid 4, waarbij de woorden «het vorige
lid» worden vervangen door «lid 2».</al>
          <al>Toegevoegd wordt een nieuw lid 3, luidende:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>In ieder geval kunnen, wanneer uit de nalatenschap een uitkering heeft
plaatsgevonden aan een erfgenaam die de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard,
de schuldeisers van de nalatenschap zich op het vermogen van die erfgenaam
verhalen tot de waarde van hetgeen hij uit de nalatenschap heeft
verkregen. Artikel 223 lid 1 vindt daarbij overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>Toegevoegd wordt een vijfde lid, luidende:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Lid 2 is van overeenkomstige toepassing op de verplichting van een erfgenaam
tot nakoming van een last die bestaat uit een uitgave van geld of van een
goed dat niet tot de nalatenschap behoort.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 4.5.1.3a</nadruk> vervalt.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 185.</nadruk> In de leden 2 en 3 wordt «boedelrechter»
vervangen door: kantonrechter.</al>
          <al>Aan lid 2 wordt een zin toegevoegd, luidende: Tegen een toewijzende beschikking
is geen hogere voorziening toegelaten.</al>
          <al>Aan lid 3 wordt een zin toegevoegd, luidende: Tegen de beschikking is
geen hogere voorziening toegelaten.</al>
          <al>In <nadruk type="vet">artikel 186</nadruk> wordt lid 2 vernummerd tot
lid 3. Toegevoegd wordt een nieuw lid 2, luidende als volgt:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Een notaris die is betrokken bij de afwikkeling van de nalatenschap, doet
zich in het boedelregister inschrijven.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 187.</nadruk> Lid 2 wordt gelezen:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Een schuldenaar die, afgaande op de in een verklaring van erfrecht vermelde
feiten, heeft betaald aan iemand die niet bevoegd was de betaling te ontvangen,
kan aan degene aan wie betaald moest worden, tegenwerpen dat hij bevrijdend
heeft betaald.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 188.</nadruk> Lid 1 wordt gelezen als volgt:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Een verklaring van erfrecht is een geschrift waarin een notaris een of
meer van de volgende feiten vermeldt:</al>
              <al>a. dat een of meer in de verklaring genoemde personen, al dan niet voor
bepaalde erfdelen, erfgenaam zijn of de enige erfgenamen zijn, met vermelding
of zij de nalatenschap reeds hebben aanvaard;</al>
              <al>b. dat al dan niet aan de echtgenoot van de erflater het vruchtgebruik
van een of meer tot de nalatenschap behorende goederen krachtens afdeling
2 van titel 3 toekomt, met vermelding van zijn bevoegdheden;</al>
              <al>c. dat de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13, met vermelding
of en tot welk moment de echtgenoot de bevoegdheid toekomt als bedoeld in
artikel 18 lid 1;</al>
              <al>d. dat al dan niet het beheer van de nalatenschap aan executeurs, bewindvoerders
of krachtens de derde afdeling van deze titel benoemde vereffenaars is opgedragen,
met vermelding van hun bevoegdheden; of</al>
              <al>e. dat een of meer in de verklaring genoemde personen executeur, bewindvoerder
of vereffenaar zijn.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>AFDELING 2 VAN TITEL 6 Aanvaarding en verwerping van nalatenschappen en
van legaten</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 191.</nadruk> In lid 2 wordt «boedelrechter»
vervangen door: kantonrechter.</al>
          <al>Aan lid 2 wordt een zin toegevoegd, luidende: Tegen een toewijzende beschikking
is geen hogere voorziening toegelaten.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 192.</nadruk> In lid 2 wordt «boedelrechter»
vervangen door: kantonrechter (twee maal). Toegevoegd wordt een zin, luidende:
Tegen de beschikking is geen hogere voorziening toegelaten.</al>
          <al>Lid 4 wordt gelezen:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Een erfgenaam die nog geen keuze heeft gedaan, wordt geacht beneficiair
te aanvaarden, wanneer een of meer zijner mede-erfgenamen door
een verklaring beneficiair aanvaarden, tenzij hij alsnog de nalatenschap zuiver
aanvaardt of verwerpt binnen drie maanden nadat hij van die beneficiaire aanvaarding
kennis heeft gekregen of, indien voor hem op het tijdstip van die beneficiaire
aanvaarding een overeenkomstig het tweede lid gestelde of verlengde termijn
liep, binnen die termijn. De zuivere aanvaarding kan slechts geschieden op
de wijze als bepaald in het eerste lid van het vorige artikel.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 193.</nadruk> In de leden 1 en 2 wordt «boedelrechter»
vervangen door: kantonrechter.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 4.5.2.4a</nadruk> vervalt.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 194.</nadruk> In lid 1 en lid 2 wordt «boedelrechter»
vervangen door: kantonrechter.</al>
          <al>In de eerste zin van lid 1 wordt de zinsnede «de legaten en lasten
waarvoor hij aansprakelijk is» vervangen door: de legaten en lasten
die hij moet voldoen.</al>
          <al>In de tweede zin van lid 1 worden de woorden: «Nochtans blijft hij
dan met zijn gehele vermogen aansprakelijk voor de schulden van de erflater,
alsmede voor hem tevoren reeds bekende legaten en lasten» gewijzigd
in:</al>
          <arttkst>
            <al>Nochtans komen de schulden der nalatenschap met uitzondering van de hem
tevoren niet bekende legaten, alsmede de hem tevoren reeds bekende lasten,
ten laste van zijn gehele vermogen. De tweede zin van lid 2 komt te luiden:
Nochtans moet hij de schulden der nalatenschap en de lasten met zijn gehele
vermogen voldoen, voor zover dat ook zonder die uiterste wil of zonder die
gebeurtenis het geval zou zijn geweest.</al>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 195.</nadruk> Voor de tekst van dit artikel
wordt het cijfer 1. geplaatst. Toegevoegd wordt een tweede lid, luidende:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Voor de toepassing van de bepalingen van deze en de volgende afdeling
inzake vereffening wordt de echtgenoot van de erflater die een recht van vruchtgebruik
heeft krachtens afdeling 2 van titel 3, als een erfgenaam aangemerkt, tenzij
uit de strekking van de bepalingen anders voortvloeit.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 196.</nadruk> Het woord «boedelrechter»
wordt vervangen door: kantonrechter. Toegevoegd wordt een zin, luidende: Tegen
de beschikking is geen hogere voorziening toegelaten.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 197.</nadruk> In lid 2 wordt «boedelrechter»
vervangen door: kantonrechter. Toegevoegd wordt een zin, luidende: Tegen de
beschikking is geen hogere voorziening toegelaten.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 198.</nadruk> Het woord «boedelrechter»
wordt vervangen door: kantonrechter.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 199.</nadruk> In lid 1 (twee maal) en in lid
2 wordt «boedelrechter» vervangen door: kantonrechter.</al>
          <al>Aan <nadruk type="vet">artikel 200</nadruk> lid 3 wordt een zin toegevoegd,
luidende:</al>
          <arttkst>
            <al>De vorige zin is van overeenkomstige toepassing op een last die verplicht
tot een uitgave in geld ten laste van de nalatenschap welke de erfgenaam uit
zijn overige vermogen heeft gedaan.</al>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 201.</nadruk> In lid 2 wordt «boedelrechter»
vervangen door: kantonrechter. Toegevoegd wordt een zin, luidende: Tegen de
beschikking is geen hogere voorziening toegelaten. </al>
          <al>AFDELING 3 VAN TITEL 6 Vereffening van de nalatenschap</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 202.</nadruk> De laatste zinsnede van het onder
a bepaalde wordt gelezen als volgt: geschillen dienaangaande worden door de
kantonrechter beslist, tegen wiens beschikkingen geen hogere voorziening is
toegelaten.</al>
          <al>Voor de tekst van artikel 202 wordt het cijfer «1.» geplaatst.
Toegevoegd worden een tweede en derde lid, luidende:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Indien het saldo van de nalatenschap positief is kan de wettelijke vertegenwoordiger
van een erfgenaam die voor deze beneficiair heeft aanvaard de kantonrechter
verzoeken om ontheffing van de verplichting om te vereffenen volgens de wet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Geen verplichting tot vereffening volgens de wet bestaat indien de nalatenschap
overeenkomstig artikel 13 is verdeeld.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 206.</nadruk> In de leden 2 en 3 wordt «boedelrechter»
vervangen door: kantonrechter. De leden 5 en 6 komen te luiden:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Hij kan worden ontslagen hetzij op eigen verzoek, hetzij om gewichtige
redenen, zulks op verzoek van een medevereffenaar, een erfgenaam of een schuldeiser
van de nalatenschap, dan wel op vordering van het openbaar ministerie of ambtshalve.
Hangende het onderzoek kan de rechtbank voorlopige voorzieningen treffen en
de vereffenaar schorsen; tegen haar beschikking is geen rechtsmiddel toegelaten.
De taak van de vereffenaar eindigt door zijn dood, faillietverklaring, ondercuratelestelling,
indien een bewind als bedoeld in titel 19 van Boek 1 over een of meer van
zijn goederen wordt ingesteld of indien hem surséance van betaling
is verleend. De rechter benoemt een of meer vereffenaars waar dezen ontbreken
voordat de vereffening is geëindigd; hij kan een opengevallen plaats
doen bezetten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>De griffier doet de benoeming van een vereffenaar, alsmede het eindigen
van zijn hoedanigheid onverwijld in het boedelregister inschrijven. De vereffenaar
maakt haar bekend in de Nederlandse Staatscourant en in een of meer bij de
benoeming voorgeschreven nieuwsbladen.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>Na <nadruk type="vet">artikel 207</nadruk> wordt een nieuw artikel ingevoegd,
luidende:</al>
          <wlichaam>
            <art>
              <kop>
                <nr>Artikel 208.</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Bij de benoeming van een vereffenaar of bij een latere beschikking kan
de rechtbank een harer leden tot rechter-commissaris benoemen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Indien een rechter-commissaris is benoemd, worden</al>
                <al>a. de overeenkomstig deze afdeling aan de kantonrechter toekomende taken
en bevoegdheden door de rechter-commissaris uitgeoefend, tenzij de wet anders
bepaalt;</al>
                <al>b. de in de artikelen 211 lid 3, 214 lid 5 en 218 lid 1 bedoelde stukken,
zo een boedelnotaris ontbreekt, ter griffie van de rechtbank neergelegd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Van de beschikkingen van de rechter-commissaris ingevolge deze afdeling
is gedurende vijf dagen hoger beroep op de rechtbank toegelaten, behoudens
voor zover geen hogere voorziening tegen beschikkingen van de kantonrechter
is toegelaten.</al>
              </lid>
            </art>
          </wlichaam>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 209.</nadruk> In de eerste zin van lid 1 wordt
«boedelrechter» vervangen door: kantonrechter. Aan lid 1 wordt
een zin toegevoegd luidende:</al>
          <arttkst>
            <al>Indien een rechter-commissaris is benoemd, komt de in de eerste zin bedoelde
bevoegdheid, op voordracht van de rechter-commissaris, aan de rechtbank toe.</al>
          </arttkst>
          <al>In lid 2 wordt «boedelrechter» vervangen door: kantonrechter
onderscheidenlijk de rechtbank. </al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 210.</nadruk> In lid 1 wordt «boedelrechter»
vervangen door: kantonrechter.</al>
          <al>In lid 2 worden de woorden «De boedelrechter is bevoegd» vervangen
door: Indien een rechter-commissaris is benoemd, is deze bevoegd.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 211.</nadruk> Aan lid 1 wordt de volgende zin
toegevoegd:</al>
          <arttkst>
            <al>Voor de vereffening wordt een last die tot een uitgave van geld of van
een goed uit de nalatenschap verplicht, gelijkgesteld met een legaat.</al>
          </arttkst>
          <al>In de leden 2 en 4 wordt «boedelrechter» telkens vervangen
door: kantonrechter.</al>
          <al>Lid 3 wordt vervangen door:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Hij moet met bekwame spoed een onderhandse of notariële boedelbeschrijving
opmaken of doen opmaken, waarin de schulden der nalatenschap in de vorm van
een voorlopige staat zijn opgenomen. Hij moet deze ten kantore van de boedelnotaris
of, indien deze ontbreekt, ter griffie van het kantongerecht neerleggen, ter
inzage van de erfgenamen en de schuldeisers der nalatenschap; andere schuldeisers
van een erfgenaam, ook indien deze de nalatenschap verworpen heeft, kunnen
tot inzage gemachtigd worden door de kantonrechter.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>Aan lid 4 wordt een zin toegevoegd, luidende: Tegen de beschikking is
geen hogere voorziening toegelaten.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 214.</nadruk> In de leden 1 en 2 wordt «boedelrechter»
vervangen door: kantonrechter.</al>
          <al>In lid 5 worden de woorden «de rechtbank van het sterfhuis»
vervangen door: het kantongerecht.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 215</nadruk> wordt als volgt gewijzigd:</al>
        </wond>
        <wond>
          <nr>a.</nr>
          <al>De tweede zin van lid 2 wordt vervangen door:</al>
          <arttkst>
            <al>Bestaat tegen de voorgenomen tegeldemaking van een goed bezwaar bij een
erfgenaam of een schuldeiser die het goed te vorderen heeft dan stelt de vereffenaar
hem in de gelegenheid de beslissing van de kantonrechter in te roepen. Tegen
deze beslissing is geen hogere voorziening toegelaten.</al>
          </arttkst>
          <al>b. Toegevoegd wordt een vierde lid, luidende:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Artikel 68 van Boek 3 is op de vereffenaar van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 216</nadruk> wordt als volgt gelezen:</al>
          <wlichaam>
            <art>
              <kop>
                <nr>Artikel 216.</nr>
              </kop>
              <al>Een door de rechter benoemde vereffenaar kan hetgeen uit de nalatenschap
aan een legataris is uitgekeerd, binnen drie jaar daarna terugvorderen, voor
zover dit nodig is om schulden als bedoeld in artikel 7 onder a–g te
voldoen.</al>
            </art>
          </wlichaam>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 217.</nadruk> Voor de tekst van het artikel
wordt het cijfer 1. geplaatst. Toegevoegd wordt een tweede lid, luidende als
volgt:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Indien iemand met de erflater deelgenoot was in een gemeenschap die tijdens
de vereffening wordt verdeeld, is artikel 56 van de Faillissementswet van
overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 218.</nadruk> In lid 1, eerste zin, worden
de woorden «de rechtbank van het sterfhuis» vervangen door: het
kantongerecht. In lid 1, tweede zin, wordt «boedelrechter» vervangen
door: kantonrechter.</al>
          <al>Aan lid 1 wordt een zin toegevoegd, luidende: Tegen de beschikking is
geen hogere voorziening toegelaten.</al>
          <al>In lid 3 worden de woorden «bij de boedelrechter» vervangen
door: bij de kantonrechter of, indien een rechter-commissaris is benoemd,
bij de rechtbank.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 4.5.3.11a</nadruk> vervalt. </al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 220.</nadruk> In lid 2 wordt «schuldeisers»
vervangen door: schuldeisers van de nalatenschap.</al>
          <al>In lid 3 worden de woorden «schuldeisers van de erflater»
vervangen door: schuldeisers als bedoeld in artikel 7 onder a–g.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 221.</nadruk> In de leden 1 en 2 wordt «boedelrechter»
vervangen door: kantonrechter.</al>
          <al>Aan lid 2 wordt een zin toegevoegd, luidende: Tegen de beschikking is
geen hogere voorziening toegelaten.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 223.</nadruk> De tweede zin van lid 1 wordt
gelezen als volgt:</al>
          <arttkst>
            <al>De artikelen 57–60 van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de in de artikelen 58 en 60 bedoelde bevoegdheden
van de rechter-commissaris, zo ter zake van de vereffening geen rechter-commissaris
is benoemd, uitgeoefend worden door de kantonrechter; tegen diens beschikkingen
is geen hogere voorziening toegelaten.</al>
          </arttkst>
          <al>Toegevoegd wordt een derde lid, luidende als volgt:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Op verzoek van een vereffenaar kunnen reeds gelegde beslagen, voor zover
dat voor de vereffening nodig is, door de kantonrechter worden opgeheven.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 226.</nadruk> In lid 2 wordt «toebedeeld»
vervangen door: toegedeeld.</al>
          <al>In lid 3 wordt «boedelrechter» vervangen door: kantonrechter.
Toegevoegd wordt een zin, luidende: Tegen deze machtiging is geen hogere voorziening
toegelaten.</al>
          <al>AFDELING 4 VAN TITEL 6 Verdeling van de nalatenschap</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 228.</nadruk> Lid 1, tweede zin, vervalt.</al>
          <al>Lid 2 wordt gelezen als volgt:</al>
          <arttkst>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Ook schulden als bedoeld in artikel 7 onder f-h van een erfgenaam aan
een mede-erfgenaam worden, voor zover zij bij de verdeling opeisbaar zijn,
op verlangen en ten behoeve van de mede-erfgenaam toegerekend op het aandeel
van de schuldenaar.</al>
            </lid>
          </arttkst>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 4.5.4.3</nadruk> wordt gelezen als volgt:</al>
          <wlichaam>
            <art>
              <kop>
                <nr>Artikel 3.</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Tenzij de erflater bij de gift of in zijn uiterste wil anders heeft bepaald,
is een door de wet geroepen erfgenaam in de nederdalende lijn verplicht ten
behoeve van de andere door de wet geroepen erfgenamen de waarde van de hem
door de erflater gedane giften in te brengen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De inbreng is verplicht, onverschillig of door de wet geroepen erfgenamen
bij versterf of krachtens uiterste wil opvolgen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Heeft de erflater voor een stiefkind een beschikking als bedoeld in artikel
27 gemaakt, dan geldt het stiefkind voor de toepassing van de leden 1 en 2
en van artikel 229 als een door de wet geroepen erfgenaam in de nederdalende
lijn.</al>
              </lid>
            </art>
          </wlichaam>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 4.5.4.3a</nadruk> vervalt.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 229</nadruk> wordt gelezen als volgt:</al>
          <wlichaam>
            <art>
              <kop>
                <nr>Artikel 229.</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Andere erfgenamen dan door de wet geroepen erfgenamen in de nederdalende
lijn, zijn, onverschillig of zij krachtens de wet of krachtens uiterste wil
opvolgen, verplicht ten behoeve van hun mede-erfgenamen de waarde van de hun
door de erflater gedane giften in te brengen, voor zover de erflater dit,
hetzij bij de gift hetzij in zijn uiterste wil, heeft voorgeschreven. </al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Een bij de gift opgelegde verplichting tot inbreng kan bij uiterste wil
worden ongedaan gemaakt.</al>
              </lid>
            </art>
          </wlichaam>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 4.5.4.3c</nadruk> vervalt.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 231.</nadruk> Achter «gemeenschap van
goederen» wordt toegevoegd: of deelgenootschap.</al>
          <al>
            <nadruk type="vet">Artikel 233.</nadruk> In lid 1 wordt de tweede zin
gelezen als volgt:</al>
          <arttkst>
            <al>De waarde van de giften wordt berekend op de wijze als uit artikel 66
voortvloeit; deze waarde wordt verhoogd met een rente van zes procent per
jaar.</al>
          </arttkst>
          <al>Aan het lid wordt een zin toegevoegd, luidende:</al>
          <arttkst>
            <al>De artikelen 68 en 70 lid 3 zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
          </arttkst>
        </wond>
      </wart>
      <wart id="aia">
        <kop>
          <nr>ARTIKEL IA</nr>
        </kop>
        <al>Met ingang van het tijdstip dat zowel deze wet wet zal zijn geworden als
het bij koninklijke boodschap van 28 december 1992 ingediende wetsvoorstel
22 969 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering
van schulden van natuurlijke personen, nadat het wet is geworden, in werking
treedt, wordt aan artikel 215 van Boek 4, zoals vastgesteld bij de Wet van
11 september 1969, Stb. 392, en gewijzigd bij deze wet, een nieuw lid toegevoegd,
luidende:</al>
        <arttkst>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Met betrekking tot door de erflater gesloten levensverzekeringen welke
niet door zijn overlijden tot uitkering zijn gekomen, is artikel 21a Faillissementswet
van overeenkomstige toepassing, waarbij dient te worden gelezen voor:</al>
            <al>a. de curator: de vereffenaar</al>
            <al>b. de rechter-commissaris: de kantonrechter</al>
            <al>c. de verzekeringnemer: de erfgenamen dan wel, indien de nalatenschap
is verdeeld overeenkomstig afdeling 1 van titel 3, de echtgenoot van de erflater.</al>
          </lid>
        </arttkst>
      </wart>
      <art id="aii">
        <kop>
          <nr>ARTIKEL II</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Onze Minister van Justitie kan deze wet en andere gedeelten van de Invoeringswetgeving
betreffende Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek
splitsen en samenvoegen tot de Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7
nieuw BW, zulks met de daartoe nodige vernummering.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Onze Minister van Justitie stelt de nummering van de artikelen, afdelingen
en titels van Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zoals
bij deze Invoeringswet gewijzigd, opnieuw vast, en brengt in die boeken en
in de opeenvolgende gedeelten van deze Invoeringswet voorkomende aanhalingen
met de nummering in overeenstemming.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>Hij draagt er zorg voor dat de overeenkomstig het vorige lid bijgewerkte
tekst van Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 en van deze Invoeringswet in het Staatsblad
wordt geplaatst.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="aiii">
        <kop>
          <nr>ARTIKEL III</nr>
        </kop>
        <al>Deze wet kan worden aangehaald als Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van
Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, eerste gedeelte. </al>
      </art>
    </tekstpl>
  </backm>
</staatsbl>