﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb2.256" soort="beschik" publtype="besc">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2002-256/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="prod1.5" markup="Xa"></versie>
    <ordernr>STB7174</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="2002">Jaargang 2002</jaargang>
      <stbjaar>2002</stbjaar>
      <stbnr>256</stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Beschikking</soort> van de Minister van Justitie van 28 mei
2002, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren zoals deze luidt met ingang van 1 juli 2002</intitule>
    <aanhef>
      <wie>De Minister van Justitie,</wie>
      <consider>
        <al>Gelet op artikel VI van de wet van 30 januari 2002, Stb.102;</al>
      </consider>
      <afkondig>Besluit:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <besluit>
      <al>de tekst van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, zoals deze luidt
met ingang van 1 juli 2002, in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij
deze beschikking.</al>
    </besluit>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>28 mei 2002</onddatum>
        <koning>Beatrix</koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>A. H. Korthals</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">vierde</nadruk> juni 2002</uitgifte-regel>
        <uitdag>vierde</uitdag>
        <uitmaand>juni</uitmaand>
        <uitjaar>2002</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>A. H. Korthals</naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <tekstpl>
      <kop>
        <titel status="off">TEKST VAN DE WET VERONTREINIGING OPPERVLAKTEWATEREN ZOALS DEZE LUIDT
MET INGANG VAN 1 JULI 2002</titel>
      </kop>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK I.</nr>
          <titel status="off">ALGEMENE BEPALINGEN</titel>
        </kop>
        <art id="a1">
          <kop>
            <nr>Artikel 1</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het is verboden zonder vergunning met behulp van een werk afvalstoffen,
verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, te brengen in
oppervlaktewateren.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een lozing met
behulp van een werk dat op een ander werk is aangesloten. Deze uitzondering
geldt niet voor lozingen waarbij door Ons bij algemene maatregel van bestuur
aan te wijzen stoffen in oppervlaktewateren worden gebracht en voor lozingen
vanuit door Ons bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soorten van
inrichtingen, voor lozingen van ten minste een door ons bij algemene maatregel
van bestuur vast te stellen hoeveelheid verontreinigende stoffen of afvalwater,
alsmede voor lozingen met behulp van een werk, niet zijnde een voorziening
als bedoeld in artikel 10.15, eerste lid, van de Wet milieubeheer, dat is
aangesloten op een inrichting voor het zuiveren van afvalwater, in beheer
bij een waterschap of gemeente of in exploitatie bij een rechtspersoon die
door het bestuur van een waterschap is belast met de zuivering van stedelijk
afvalwater als bedoeld in artikel 15a.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur bepalen dat het zonder vergunning
verboden is de in het eerste lid bedoelde stoffen op andere wijze dan met
behulp van een werk in oppervlaktewateren te brengen. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen Wij mede bepalen dat ten aanzien van alle of van bepaalde
oppervlaktewateren het brengen op welke wijze ook van daarbij aan te geven
soorten van stoffen als bedoeld in het eerste lid in oppervlaktewateren is
verboden. Voorzover hierin door Ons niet bij algemene maatregel van bestuur
is voorzien, kunnen provinciale staten bepalen dat het zonder vergunning verboden
is de in het eerste lid bedoelde stoffen op andere wijze dan met behulp van
een werk te brengen in oppervlaktewateren, als bedoeld in artikel 3, tweede
lid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Het is verboden zonder vergunning van of vanwege Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat stoffen als bedoeld in het eerste lid met behulp van een werk
vanaf of over het grondgebied van Nederland in het water van de volle zee
te brengen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Aan een vergunning worden voorschriften verbonden tot bescherming van
de belangen, waarvoor het vereiste van vergunning is gesteld. De voorschriften
kunnen mede strekken tot bescherming van het belang van een doelmatige werking
van het betrokken zuiveringtechnische werk. Bij het stellen van de voorschriften
worden de op grond van artikel 1a van toepassing zijnde grenswaarden in acht
genomen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Bij het verlenen, wijzigen of intrekken van een vergunning, als bedoeld
in het eerste en derde lid, wordt rekening gehouden met de in de artikelen
5 en 9 van de Wet op de waterhuishouding bedoelde beheersplannen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a1a">
          <kop>
            <nr>Artikel 1a</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van daarbij
aan te wijzen stoffen grenswaarden vaststellen voor het brengen van die stoffen
in oppervlaktewateren, alsmede regels vaststellen ten aanzien van de wijze
van meten van die stoffen. Deze grenswaarden kunnen met name betrekking hebben
op:</al>
            <al>a. de hoogst toelaatbare concentratie van die stoffen, en</al>
            <al>b. de hoogst toelaatbare gewichtshoeveelheid van die stoffen per in die
algemene maatregel van bestuur aan te geven eenheid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt
ten aanzien van iedere grenswaarde een termijn vastgesteld na het verstrijken
waarvan die grenswaarde van toepassing is op het brengen in oppervlaktewateren
van stoffen, waarvoor op het tijdstip van het in werking treden van die maatregel
een vergunning van kracht is.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>In afwijking van het eerste en het tweede lid geschiedt de vaststelling
van grenswaarden, regels inzake metingen van stoffen en termijnen ter uitvoering
van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend
regeling van een volkenrechtelijke organisatie door Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij in het Staatsblad bekend te maken
regeling.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Op de voorbereiding van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld
in het eerste lid, is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht
van toepassing. De terinzagelegging van de stukken geschiedt op het ministerie
van elk van beide ministers. Van de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12,
eerste lid, van genoemde wet, wordt onverwijld mededeling gedaan aan de Staten-Generaal.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a1b">
          <kop>
            <nr>Artikel 1b</nr>
          </kop>
          <al>Het is verboden bij het in oppervlaktewateren brengen van de in artikel
1, eerste lid, bedoelde stoffen een op grond van artikel 1a van toepassing
zijnde grenswaarde te overschrijden.</al>
        </art>
        <art id="a1c">
          <kop>
            <nr>Artikel 1c</nr>
          </kop>
          <al>Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur ter bescherming van bijzondere
levensgemeenschappen of soorten voor daarbij aan te wijzen typen watersystemen
bijzondere eisen stellen ten aanzien van de kwaliteit van die watersystemen
vanaf een daarbij te bepalen tijdstip. De artikelen 5.1, tweede tot en met
vijfde lid, en 5.2 tot en met 5.4, alsmede artikel 21.6, tweede en vierde
tot en met zevende lid, van de Wet milieubeheer zijn van overeenkomstige toepassing.
Voor de toepassing van artikel 21.6, zesde lid, van die wet wordt een maatregel
als bedoeld in de eerste volzin, gelijkgesteld met een algemene maatregel
van bestuur krachtens artikel 5.1, eerste lid, van die wet.</al>
        </art>
        <art id="a1d">
          <kop>
            <nr>Artikel 1d</nr>
          </kop>
          <al>Het is verboden afvalstoffen waarop de EEG-verordening overbrenging van
afvalstoffen van toepassing is, binnen Nederlands grondgebied te brengen,
indien dat naar het oordeel van Onze Minister, in overeenstemming met Onze
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in strijd
zou zijn met het belang van de bescherming van het milieu.</al>
        </art>
        <art id="a2">
          <kop>
            <nr>Artikel 2</nr>
          </kop>
          <al>(Vervallen)</al>
        </art>
        <art id="a2a">
          <kop>
            <nr>Artikel 2a</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het brengen
in oppervlaktewater van daarbij aangewezen afvalstoffen, verontreinigende
of schadelijke stoffen met behulp van een werk of op een andere daarbij aangegeven
wijze, regels worden gesteld, die nodig zijn ter bescherming van het oppervlaktewater
tegen verontreiniging, dan wel met het oog op een doelmatige werking van de
betrokken zuiveringstechnische werken. Bij de maatregel kan worden
bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën
van gevallen. Artikel 8.40, tweede lid, van de Wet milieubeheer is van overeenkomstige
toepassing. Ten aanzien van bij de regels te stellen voorschriften zijn de
artikelen 8.11, derde lid, 8.12, 8.13, 8.15, 8.16 en 8.22, eerste en tweede
lid, van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens het eerste lid kan worden
bepaald dat de bij of krachtens artikel 1 gestelde verboden niet gelden met
betrekking tot het brengen van stoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
in het oppervlaktewater in gevallen, behorende tot een bij die maatregel aangewezen
categorie.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>In afwijking van het eerste lid stellen Onze Ministers van Verkeer en
Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tezamen,
regels als bedoeld in het eerste lid vast bij ministeriële regeling indien
zij uitsluitend strekken ter uitvoering van een voor Nederland verbindend
besluit van een volkenrechtelijke organisatie, tenzij voor een juiste uitvoering
wijziging van een algemene maatregel van bestuur of de wet noodzakelijk is.
Indien wijziging van een algemene maatregel van bestuur noodzakelijk is, wordt
daarvan, gelijktijdig met de voordracht aan Ons, gemotiveerd kennis gegeven
aan de Staten-Generaal, onder vermelding van de korte inhoud van de voorgenomen
algemene maatregel van bestuur.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a2b">
          <kop>
            <nr>Artikel 2b</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 2a, eerste lid,
waarbij toepassing is gegeven aan artikel 2a, tweede lid, wordt de verplichting
opgelegd het betrokken brengen van stoffen in het oppervlaktewater of het
brengen van verandering daarin te melden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>In gevallen als bedoeld in het eerste lid wordt bij de maatregel aangegeven:</al>
            <al>a. het bestuursorgaan waaraan de melding wordt gericht;</al>
            <al>b. het tijdstip, voorafgaand aan het betrokken brengen van stoffen in
het oppervlaktewater of het brengen van verandering daarin, waarop de melding
uiterlijk moet zijn gedaan;</al>
            <al>c. de gegevens die bij de melding moeten worden verstrekt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan nadere regels stellen met
betrekking tot de in het tweede lid, onder c, bedoelde gegevens en de wijze
waarop zij moeten worden verstrekt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>De melding wordt – behoudens in gevallen als bedoeld in artikel
7, tweede lid, waarin de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene
wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing
zouden zijn – openbaar gemaakt in één of meer dag-, nieuws-
of huis-aan-huisbladen. Indien op grond van een algemene maatregel van bestuur
krachtens artikel 2a, eerste lid, ook anderszins gegevens moeten worden verstrekt,
kunnen bij de maatregel regels over het bekend maken daarvan worden gesteld.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bestuursorganen worden aangewezen,
waaraan een exemplaar van de melding of de anderszins verstrekte gegevens
moet worden gezonden.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a2c">
          <kop>
            <nr>Artikel 2c</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 2a kan –
behoudens in gevallen waarin toepassing is gegeven aan artikel 2a, tweede
lid – worden bepaald dat het orgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens
artikel 1 te verlenen, bij het verlenen of wijzigen van de vergunning met
betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen in de beperkingen waaronder
de vergunning wordt verleend, of in de daaraan verbonden voorschriften van
bij de maatregel gestelde regels kan afwijken. In dat geval wordt
aangegeven in hoeverre het bevoegd gezag van de regels kan afwijken. Bij de
maatregel kan tevens worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken slechts
geldt in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 2a kan de verplichting
worden opgelegd te voldoen aan nadere eisen met betrekking tot daarbij aangegeven
onderwerpen. Daarbij kan worden bepaald dat de bevoegdheid tot het stellen
van nadere eisen slechts geldt in daarbij aangegeven categorieën van
gevallen. Bij de maatregel wordt het bestuursorgaan aangegeven, dat die eisen
kan stellen. Een nadere eis kan worden gesteld als beperking waaronder de
vergunning wordt verleend, of als voorschrift dat daaraan wordt verbonden.
Bij de maatregel worden de categorieën van gevallen aangegeven, waarin –
voor zover dat niet gebeurt - de beschikking waarbij de nadere eis wordt gesteld,
mededeling wordt gedaan in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 2a worden regels
gésteld met betrekking tot hetgeen in verband met het gaan gelden van
de maatregel regeling behoeft.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a2d">
          <kop>
            <nr>Artikel 2d</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld, inhoudende
de verplichting voor het orgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel
1 te verlenen, beperkingen of voorschriften, die nodig zijn ter bescherming
van het oppervlaktewater tegen verontreiniging, dan wel met het oog op een
doelmatige werking van de betrokken zuiveringstechnische werken, en waarvan
de inhoud in die maatregel is aangegeven, aan te brengen onderscheidenlijk
te verbinden aan de vergunningen voor het brengen van bij de maatregel aangewezen
afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het oppervlaktewater.
Bij de maatregel kan worden bepaald dat de daarbij gestelde regels slechts
gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. Artikel 8.40,
tweede lid, van de Wet milieubeheer is van overeenkomstige toepassing. Ten
aanzien van bij de regels te stellen voorschriften zijn de artikelen 8.11,
derde lid, 8.12, 8.13, 8.15, 8.16 en 8.22, eerste en tweede lid, van de Wet
milieubeheer van overeenkomstige toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens het eerste lid wordt
bepaald in hoeverre het in het eerste lid bedoelde orgaan met betrekking tot
daarbij aangegeven onderwerpen van bij de maatregel gestelde regels kan afwijken
of nadere eisen kan stellen. Daarbij kan worden bepaald dat de bevoegdheid
tot afwijken of tot het stellen van nadere eisen slechts geldt in bij de maatregel
aangegeven categorieën van gevallen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Bij de maatregel wordt voor de daarbij opgelegde verplichtingen het tijdstip
aangegeven, waarop zij met betrekking tot de al verleende vergunningen moeten
zijn uitgevoerd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Artikel 2a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a2e">
          <kop>
            <nr>Artikel 2e</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Bij de provinciale milieuverordening, bedoeld in artikel 1.2 van de Wet
milieubeheer, kunnen regels worden gesteld inhoudende de verplichting voor
het orgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 1 te verlenen,
beperkingen of voorschriften, die nodig zijn ter bescherming van het oppervlaktewater
tegen verontreiniging, dan wel met het oog op een doelmatige werking van de
betrokken zuiveringstechnische werken, en waarvan de inhoud in die verordening
is aangegeven, aan te brengen onderscheidenlijk te verbinden aan de vergunningen
voor het brengen van bij de verordening aangewezen afvalstoffen, verontreinigende
of schadelijke stoffen in het oppervlaktewater. Bij de verordening
kan worden bepaald dat de daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij
aangewezen categorieën van gevallen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Regels als bedoeld in het eerste lid kunnen niet betrekking hebben op
beslissingen inzake vergunningen ten aanzien waarvan Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat het bevoegd gezag is.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Artikel 2d, eerste lid, laatste volzin, en tweede tot en met vierde lid,
is van overeenkomstige toepassing.</al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK II.</nr>
          <titel status="off">DE VERGUNNING</titel>
        </kop>
        <art id="a3">
          <kop>
            <nr>Artikel 3</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Ten aanzien van oppervlaktewateren in beheer bij het Rijk, de territoriale
wateren hieronder begrepen, wordt voorzover die oppervlaktewateren niet bij
of krachtens een algemene maatregel van bestuur als in het tweede lid bedoeld
zijn aangewezen, een vergunning als in artikel 1, eerste en derde lid, bedoeld
verleend, geweigerd, gewijzigd of ingetrokken door of vanwege onze Minister
van Verkeer en Waterstaat. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze
wet bepaalde worden tot de oppervlaktewateren in beheer bij het Rijk mede
gerekend de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen door
anderen beheerde oppervlaktewateren die met de oppervlaktewateren in beheer
bij het Rijk in open verbinding staan. Over een voordracht voor een zodanige
algemene maatregel van bestuur stelt Onze Minister de besturen van de waterschappen
die het bevoegde gezag zijn voor de betrokken oppervlaktewateren in de gelegenheid
hun oordeel te geven.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Ten aanzien van andere dan de in het eerste lid bedoelde oppervlaktewateren,
alsmede ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde oppervlaktewateren welke
daartoe na overleg met gedeputeerde staten bij algemene maatregel van bestuur
zijn aangewezen, wordt een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste en
derde lid, verleend, geweigerd, gewijzigd of ingetrokken door de besturen
van de waterschappen waarbij die oppervlaktewateren in beheer zijn onderscheidenlijk
door de besturen van de waterschappen in het gebied waarvan de bij die algemene
maatregel van bestuur aangewezen oppervlaktewateren zijn gelegen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Ten aanzien van een lozing in de zin van artikel 1, tweede lid, waarvoor
een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, is vereist, wordt die
vergunning verleend, geweigerd, gewijzigd of ingetrokken:</al>
            <al>– indien de lozing plaats vindt na zuivering in een inrichting in
beheer bij een waterschap: door het bestuur van dat waterschap dan wel, indien
dat waterschap door een ander waterschap met die zuivering is belast, door
het bestuur van dat andere waterschap na overleg met het bestuur van eerstbedoeld
waterschap</al>
            <al>– indien de lozing plaats vindt na zuivering in een inrichting in
exploitatie bij een rechtspersoon, die door het bestuur van een waterschap
met die zuivering is belast: door het bestuur van dat waterschap</al>
            <al>– indien de lozing plaats vindt na zuivering in een inrichting buiten
de hiervoor bedoelde gevallen: door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
onderscheidenlijk het bestuur van het waterschap als het ingevolge het eerste
onderscheidenlijk tweede lid voor het ontvangende oppervlaktewater bevoegde
gezag.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a4">
          <kop>
            <nr>Artikel 4</nr>
          </kop>
          <al>Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen vastgesteld met
betrekking tot het onderwerp dezer wet voor de in artikel 3, eerste lid, bedoelde
oppervlaktewateren, alsmede voor de volle zee.</al>
        </art>
        <art id="a5">
          <kop>
            <nr>Artikel 5</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Provinciale staten stellen met betrekking tot het onderwerp dezer wet
verordeningen vast voor de in artikel 3, tweede lid bedoelde oppervlaktewateren.
In die verordeningen geven provinciale staten onder meer regelen met betrekking
tot de doelmatige samenwerking op chemisch en technisch gebied. Daarbij wordt
rekening gehouden met de mogelijkheid tot inschakeling van het Rijksinstituut
voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Op de voorbereiding van een verordening als bedoeld in het eerste lid,
is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure
van toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De verordeningen bedoeld in het eerste lid behoeven de goedkeuring van
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. De beslissing omtrent de goedkeuring
wordt genomen in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a6">
          <kop>
            <nr>Artikel 6</nr>
          </kop>
          <al>(Vervallen)</al>
        </art>
        <art id="a7">
          <kop>
            <nr>Artikel 7</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5. van de Algemene wet bestuursrecht
en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer zijn van toepassing met betrekking
tot de totstandkoming van een beschikking op een aanvrage om verlening van
een vergunning krachtens:</al>
            <al>a. artikel 1, eerste of vierde lid;</al>
            <al>b. een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 1, derde
lid, eerste volzin, voorzover dit bij die maatregel is bepaald.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>In afwijking van het eerste lid, onder a, zijn de paragrafen 3.5.2 tot
en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet
milieubeheer niet van toepassing, indien de beschikking betrekking heeft op
afvalwater van huishoudelijke aard, waarvan met betrekking tot de vervuiling
met zuurstofbindende stoffen de vervuilingswaarde geringer is dan honderd
inwonerequivalenten, tenzij dat afvalwater wordt gebracht in bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur aangewezen oppervlaktewateren.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Een inwonerequivalent vertegenwoordigt het verbruik van 136 gram zuurstof
per etmaal.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Het orgaan dat bevoegd is de beschikking op de aanvrage te geven, stelt
de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bestuursorganen in de gelegenheid
hem van advies te dienen omtrent het ontwerp van de beschikking.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>De artikelen 8.8 tot en met 8.13, 8.15 tot en met 8.20, 8.21, voorzover
het gevallen betreft waarop artikel 31a niet van toepassing is, 8.22, 8.27
en 21.1 van de Wet milieubeheer zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking
tot een vergunning als bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat voor
die toepassing onder «Onze Minister» wordt verstaan: Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>In gevallen waarin een vergunning krachtens deze wet wordt aangevraagd
voor het brengen in het oppervlaktewater van stoffen als bedoeld in artikel
1, vanuit een inrichting met betrekking waartoe een algemene maatregel van
bestuur geldt, vastgesteld krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer,
draagt het bevoegd gezag er bij de beslissing op de aanvrage zorg voor dat
er geen strijd ontstaat met bij die maatregel gestelde regels.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a7a">
          <kop>
            <nr>Artikel 7a</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Met betrekking tot het wijzigen en intrekken van een vergunning is afdeling
8.1.2 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien ingevolge artikel 7 met betrekking tot het verlenen van de vergunning
de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht en
afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing zijn, zijn met betrekking
tot de totstandkoming van een beschikking tot wijziging of intrekking van
toepassing:</al>
            <al>a. in gevallen waarin de artikelen 8.22, 8.23, 8.25, eerste lid, onder
a, en 8.26 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing zijn: paragraaf 3.5.6
van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer;</al>
            <al>b. in gevallen waarin artikel 8.24 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige
toepassing is: de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht
en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer;</al>
            <al>c. in gevallen waarin artikel 8.25, eerste lid, onder b, c en d, en tweede
lid, van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing is: artikel 8.25,
achtste lid, van de Wet milieubeheer.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>In gevallen als bedoeld in het tweede lid, onder a en b, kan bij algemene
maatregel van bestuur worden bepaald dat in daarbij aangegeven gevallen artikel
8.25, achtste lid, van de Wet milieubeheer van toepassing is in plaats van
de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 of paragraaf 3.5.6 van de Algemene
wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>De krachtens artikel 7, derde lid, aangewezen bestuursorganen worden in
de gelegenheid gesteld advies uit te brengen met betrekking tot het wijzigen
en intrekken van een vergunning.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Met betrekking tot het wijzigen en intrekken van een vergunning is artikel
8.27 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat voor die toepassing onder «Onze Minister» wordt verstaan:
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a7b">
          <kop>
            <nr>Artikel 7b</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De aanvrage om verlening of wijziging van een vergunning krachtens artikel
1, eerste, derde of vierde lid, wordt in een geval als bedoeld in artikel
8.28 van de Wet milieubeheer dan wel in de Kernenergiewet juncto dat artikel,
ingediend tegelijk met de aanvraag om een vergunning krachtens de betrokken
wet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>In een geval als bedoeld in het eerste lid wordt de aanvrage overeenkomstig
hoofdstuk 14 van de Wet milieubeheer gecoördineerd voorbereid en behandeld
met de betrokken aanvraag om een vergunning krachtens die wet of de Kernenergiewet.
Daarbij worden in ieder geval de in artikel 14.3, tweede lid, van de Wet milieubeheer
genoemde handelingen gelijktijdig verricht.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>In een geval als bedoeld in het eerste lid wordt de aanvraag in ieder
geval buiten behandeling gelaten, indien:</al>
            <al>a. de aanvraag om verlening of wijziging van een vergunning krachtens
de Wet milieubeheer of de Kernenergiewet niet is ingediend binnen zes weken
na het tijdstip waarop de aanvrage om verlening of wijziging van de vergunning
krachtens deze wet is ingediend;</al>
            <al>b. de aanvraag om verlening of wijziging van de vergunning krachtens de
Wet milieubeheer of de Kernenergiewet buiten behandeling wordt gelaten.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>In een geval als bedoeld in het eerste lid brengt het orgaan dat krachtens
de betrokken wet bevoegd is op de aanvraag om vergunning te beslissen, binnen
acht weken na ontvangst van de aanvrage krachtens deze wet advies
uit met het oog op de samenhang tussen de beschikkingen op de onderscheidene
aanvragen om een vergunning. Dat orgaan wordt voorts in de gelegenheid gesteld
advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvrage.
In een geval als bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht kan het orgaan, dat krachtens deze wet bevoegd is de beschikking
op de aanvrage te geven, besluiten de in de eerste volzin bedoelde termijn
met een bij zijn besluit te bepalen redelijke termijn te verlengen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Indien in een geval als bedoeld in het eerste lid in de vergunning krachtens
de Wet milieubeheer overeenkomstig artikel 8.17 van die wet een bepaling is
opgenomen over de termijn waarvoor zij geldt, wordt een gelijke bepaling opgenomen
in de vergunning krachtens deze wet.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a7c">
          <kop>
            <nr>Artikel 7c</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Ten aanzien van een wijziging van een vergunning overeenkomstig artikel
7a, tweede lid, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 8.22, tweede
lid, en 8.23 van de Wet milieubeheer is artikel 7b, tweede lid, vierde lid,
eerste en tweede volzin, en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat voor de in het vierde lid, eerste volzin, genoemde termijn
de overeenkomstig artikel 3:30, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht
vastgestelde termijn in de plaats treedt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>In een geval als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 14.3, eerste
lid, en 14.4 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>In een geval als bedoeld in het eerste lid dragen gedeputeerde staten
er tevens ten minste zorg voor dat:</al>
            <al>a. van de betrokken voornemens gezamenlijk overeenkomstig artikel 3:30,
tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt kennisgegeven;</al>
            <al>b. van de betrokken ontwerp-besluiten gezamenlijk overeenkomstig de artikelen
3.30, eerste lid, en 3:31 van die wet mededeling wordt gedaan;</al>
            <al>c. de betrokken beschikkingen gezamenlijk overeenkomstig die wet worden
bekendgemaakt en daarvan gezamenlijk overeenkomstig die wet mededeling wordt
gedaan.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Indien in een geval als bedoeld in artikel 7b, eerste lid, de betrokken
andere vergunning wordt ingetrokken, kan de vergunning krachtens deze wet
eveneens worden ingetrokken. Met betrekking tot de totstandkoming van de beschikking
is artikel 8.25, achtste lid, van de Wet milieubeheer van overeenkomstige
toepassing.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a7d">
          <kop>
            <nr>Artikel 7d</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>In een geval als bedoeld in artikel 7b, eerste lid, waarin gedeputeerde
staten of een van Onze Ministers bevoegd zijn de krachtens de betrokken wet
vereiste vergunning te verlenen, kunnen gedeputeerde staten, onderscheidenlijk
Onze betrokken Minister, indien dat met het oog op de samenhang tussen de
beschikkingen op de onderscheidene aanvragen in het belang van de bescherming
van het milieu geboden is, en zo nodig in afwijking van regels, gesteld krachtens
artikel 2e, eerste lid, aan het orgaan dat krachtens deze wet bevoegd is de
beschikking op de aanvrage te geven, een bindende aanwijzing geven ter zake
van de inhoud van die beschikking.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Een aanwijzing wordt gegeven binnen acht weken na de dag waarop het ontwerp
van de beschikking op de aanvrage overeenkomstig artikel 3:19, tweede lid,
van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage is gelegd. Zij wordt niet gegeven
dan na overleg met het bevoegd gezag.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>In een geval als bedoeld in artikel 7c, eerste lid, zijn het eerste en
het tweede lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor
de in het tweede lid, eerste volzin, genoemde termijn de overeenkomstig artikel 3:30, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht vastgestelde
termijn in de plaats treedt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>De aanwijzing wordt vermeld in de beschikking van het bevoegd gezag, ter
zake waarvan zij is gegeven. Een exemplaar ervan wordt gevoegd bij ieder exemplaar
van die beschikking.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a7e">
          <kop>
            <nr>Artikel 7e</nr>
          </kop>
          <al>In een geval als bedoeld in artikel 7b, eerste lid, waarin burgemeester
en wethouders bevoegd zijn de krachtens de betrokken wet vereiste vergunning
te verlenen, is artikel 7d van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat gedeputeerde staten op een daartoe strekkend verzoek van burgemeester
en wethouders een bindende aanwijzing kunnen geven aan het orgaan dat krachtens
deze wet bevoegd is de beschikking op de aanvrage te geven.</al>
        </art>
        <art id="a8">
          <kop>
            <nr>Artikel 8</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Indien een vergunning wordt gevraagd of indien wordt overwogen een verleende
vergunning te wijzigen of in te trekken en het orgaan dat bevoegd is terzake
te beslissen, het wenselijk acht, dat de handeling waartoe de vergunning is
vereist of is verleend, verricht wordt in een oppervlaktewater ten aanzien
waarvan een orgaan van een ander openbaar lichaam bevoegd is, wordt zij verleend,
geweigerd, gewijzigd of ingetrokken na overleg tussen beide organen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien het in het eerste lid bedoelde overleg niet tot overeenstemming
leidt, wordt de aanvrage om vergunning geacht mede te zijn ingediend bij het
andere daarbij betrokken openbaar lichaam. Het orgaan van dat andere openbaar
lichaam beslist eveneens op de aanvrage.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a9">
          <kop>
            <nr>Artikel 9</nr>
          </kop>
          <al>Indien en voorzover blijkt dat een houder van een vergunning door wijziging
of intrekking van zijn vergunning schade lijdt, die redelijkerwijs niet of
niet geheel te zijnen laste behoort te komen, zal hem een naar billijkheid
te bepalen schadevergoeding worden toegekend ten laste van het openbaar lichaam,
dat die beschikking in eerste aanleg heeft gegeven. Het besluit inzake de
toekenning van schadevergoeding wordt genomen bij afzonderlijke beschikking.</al>
        </art>
        <art id="a9a">
          <kop>
            <nr>Artikel 9a</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aan
wie gevaarlijke afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer worden afgegeven,
is verplicht met betrekking tot elke aan hem verrichte afgifte aan een door
de provincie waarin hij die afvalstoffen in ontvangst neemt, aan te wijzen
instantie te melden, met inachtneming van de provinciale milieuverordening,
bedoeld in artikel 1.2 van die wet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Van de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt op diens verzoek mededeling
gedaan aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Het is een persoon als bedoeld in het eerste lid, verboden gevaarlijke
afvalstoffen in ontvangst te nemen zonder dat hem daarbij een omschrijving
als bedoeld in artikel 10.32, onder a, van de Wet milieubeheer en een begeleidingsbrief
als bedoeld in artikel 10.34 van die wet, worden verstrekt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aan
wie bedrijfsafvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer worden afgegeven,
is, in gevallen waarin de provinciale milieuverordening, bedoeld in artikel
1.2 van die wet, de verplichting inhoudt tot melding van de ontvangst
van de betrokken afvalstoffen, verplicht elke zodanige ontvangst te melden,
met inachtneming van de verordening.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>De verplichtingen bedoeld in het eerste en het vierde lid, zijn niet van
toepassing op gevaarlijke afvalstoffen,onderscheidenlijk bedrijfsafvalstoffen
als bedoeld in de Wet milieubeheer, die worden afgegeven aan een beheerder
van een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater als
bedoeld in artikel 10.15, eerste lid, van de Wet milieubeheer, of vanuit een
zodanige voorziening worden afgegeven aan een beheerder van een zuiveringstechnisch
werk. Het verbod bedoeld in het derde lid, is niet van toepassing op gevaarlijke
afvalstoffen die in ontvangst worden genomen door een beheerder van een voorziening
voor de inzameling en het transport van afvalwater, of vanuit een zodanige
voorziening door een beheerder van een zuiveringstechnisch werk.</al>
            <tuskop letat="vet">Artikelen 10–13</tuskop>
            <al>(Deze artikelen zijn vervallen).</al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK IIB.</nr>
          <titel status="off">INVENTARISATIE EN METINGEN</titel>
        </kop>
        <art id="a14">
          <kop>
            <nr>Artikel 14</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Voor de oppervlaktewateren met betrekking tot welke Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat ingevolge artikel 3, eerste lid, het bevoegde gezag
is, stelt deze een inventarisatie op van het brengen in oppervlaktewateren
van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen stoffen, een en ander
volgens bij die maatregel te stellen regels. Deze inventarisatie wordt tenminste
eens in de drie jaar herzien.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van oppervlaktewateren
voor welke besturen van waterschappen het bevoegde gezag zijn, met dien verstande
dat gedeputeerde staten de inventarisatie doen opstellen door die besturen
en de uitkomst van die inventarisatie ter beschikking stellen van Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a14a">
          <kop>
            <nr>Artikel 14a</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onze Minister stelt iedere twee jaar een rapport op, waarin de stand van
zaken wordt beschreven met betrekking tot lozingen als bedoeld in artikel
1, eerste lid, vanuit een inrichting voor het zuiveren van afvalwater, in
beheer bij een waterschap of gemeente of in exploitatie bij een rechtspersoon
die door het bestuur van een waterschap is belast met de zuivering van stedelijk
afvalwater als bedoeld in artikel 15a.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Van de vaststelling van het rapport wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de toepassing van het eerste lid. Deze regels kunnen voor
openbare lichamen de verplichting inhouden jaarlijks op een daarbij aangegeven
wijze gegevens te verstrekken, die voor de opstelling van het rapport nodig
zijn.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a15">
          <kop>
            <nr>Artikel 15</nr>
          </kop>
          <al>Wij stellen bij algemene maatregel van bestuur regelen omtrent het verrichten
van metingen van de waterkwaliteit in oppervlaktewateren.</al>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK IIC.</nr>
          <titel status="off">ZUIVERING STEDELIJK AFVALWATER</titel>
        </kop>
        <art id="a15a">
          <kop>
            <nr>Artikel 15a</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Zuivering van stedelijk afvalwater geschiedt in een inrichting voor de
zuivering van rioolwater in beheer bij een waterschap dan wel in exploitatie
bij een rechtspersoon die door het bestuur van het waterschap met die zuivering
is belast.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Voor het in dit artikel bepaalde wordt onder stedelijk afvalwater verstaan
huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater en afvloeiend hemelwater, gebracht
in een voorziening voor inzameling en transport van afvalwater, als bedoeld
in artikel 10.15, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in beheer van een gemeente.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>In afwijking van het eerste lid kunnen het bestuur van het betrokken waterschap
en het bestuur van een betrokken gemeente op voorstel van één
van beide besturen besluiten, dat de zuivering van daarbij aangewezen stedelijk
afvalwater in die gemeente, vanaf een daarbij te bepalen tijdstip, geschiedt
in een inrichting voor de zuivering van rioolwater in beheer bij die gemeente.
Een besluit als bedoeld in de vorige volzin kan slechts worden genomen op
grond dat zulks aantoonbaar doelmatiger is voor de zuivering van stedelijk
afvalwater.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Het bestuur van het waterschap en het bestuur van de betrokken gemeente
beslissen op een voorstel als bedoeld in het derde lid, binnen één
jaar na de dag waarop het door het bestuur van de betrokken gemeente dan wel
door het bestuur van het waterschap is ontvangen. Bij gebreke van overeenstemming
binnen die termijn beslissen, de beide besturen gehoord, gedeputeerde staten.</al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK III.</nr>
          <titel status="off">BEROEP OP DE ADMINISTRATIEVE RECHTER</titel>
        </kop>
        <art id="a16">
          <kop>
            <nr>Artikel 16</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Beroep op de administratieve rechter staat open overeenkomstig hoofdstuk
20 van de Wet milieubeheer.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien in een geval als bedoeld in artikel 8.28 van de Wet milieubeheer,
dan wel in de Kernenergiewet juncto dat artikel, beroep is ingesteld tegen
een beschikking inzake een vergunning krachtens een van die wetten, en krachtens
artikel 7 of 7a van deze wet een daarmee samenhangende beschikking is
gegeven, kan de uitspraak in beroep ook op de laatstbedoelde beschikking betrekking
hebben.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a16a">
          <kop>
            <nr>Artikelen 16a-16b</nr>
          </kop>
          <al>(Deze artikelen zijn vervallen).</al>
        </art>
        <art id="a16c">
          <kop>
            <nr>Artikel 16c</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Niet vatbaar voor afzonderlijk beroep is een beschikking houdende een
aanwijzing als bedoeld in artikel 7d of in artikel 7e.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>In afwijking van het eerste lid kan tegen een beschikking als daar bedoeld
beroep worden ingesteld door het ten aanzien van de beschikking waarop de
aanwijzing betrekking heeft, bevoegde gezag. Het beroep kan eerst worden ingesteld
nadat de beschikking waarop de aanwijzing betrekking heeft, is gegeven.</al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK IV.</nr>
          <titel status="off">HEFFINGEN EN SUBSIDIES</titel>
        </kop>
        <art id="a17">
          <kop>
            <nr>Artikel 17</nr>
          </kop>
          <al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen
wordt verstaan onder:</al>
          <al>a. de Algemene wet: de Algemene wet inzake rijksbelastingen;</al>
          <al>b. het hoofd: het hoofd van het Bureau verontreinigingsheffing rijkswateren;</al>
          <al>c. woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als
een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen
blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in
gebruik te worden gegeven;</al>
          <al>d. bedrijfsruimte: een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel
te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch
werk of een riolering;</al>
          <al>e. riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport van
afvalwater die bij een gemeente in beheer is;</al>
          <al>f. zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van afvalwater
of het transport van afvalwater, niet zijnde een riolering;</al>
          <al>g. kwaliteitsbeheerder: het openbaar lichaam waarvan een orgaan bevoegd
is tot vergunningverlening ingevolge deze wet;</al>
          <al>h. rijkswater: oppervlaktewater ten aanzien waarvan het Rijk kwaliteitsbeheerder
is;</al>
          <al>i. afvoeren: direct of indirect brengen als bedoeld in artikel 18, eerste
lid;</al>
          <al>j. ingenomen water: geleverd drink- en industriewater, onttrokken grond-
en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;</al>
          <al>k. stoffen: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke
vorm dan ook als bedoeld in artikel 1, eerste lid;</al>
          <al>l. drinkwater: water als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b,
van de Waterleidingwet;</al>
          <al>m. waterleidingbedrijf: een bedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel c, van de Waterleidingwet.</al>
        </art>
        <art id="a18">
          <kop>
            <nr>Artikel 18</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Een kwaliteitsbeheerder niet zijnde het Rijk, is bevoegd ter bestrijding
van zijn kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging
van oppervlaktewateren een heffing in te stellen ter zake van het direct of
indirect brengen van stoffen in oppervlaktewater waarvoor de kwaliteitsbeheerder
bevoegd is, of op een zuiveringtechnisch werk dat bij die kwaliteitsbeheerder
in beheer is.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Onder de kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging
van oppervlaktewateren worden mede geacht te zijn begrepen, de verschuldigde
heffingen en de verschuldigde verontreinigingsheffing rijkswateren.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Aan een heffing kunnen onderworpen worden:</al>
            <al>a. ter zake van het afvoeren van stoffen vanuit een bedrijfsruimte of
woonruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;</al>
            <al>b. ter zake van het afvoeren van stoffen met behulp van een riolering
of van een zuiveringtechnisch werk: degene bij wie die riolering of dat zuiveringtechnisch
werk in beheer is;</al>
            <al>c. ter zake van het afvoeren van stoffen anders dan bedoeld onder a of
b: degene die de stoffen afvoert.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel a, wordt:</al>
            <al>a. gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden aangemerkt
als gebruik door het door de kwaliteitsbeheerder aangewezen lid van dat huishouden;</al>
            <al>b. gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel
in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is
bevoegd de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik
is gegeven;</al>
            <al>c. het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte voor
volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die ruimte ter beschikking
heeft gesteld; degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld is bevoegd
de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking
is gesteld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Indien stoffen door middel van een zuiveringtechnisch werk waarop geen
voorafgaande zuivering plaatsvindt of door middel van een riolering worden
afgevoerd kan de kwaliteitsbeheerder de beheerder van dat werk slechts voor
de stoffen die de beheerder zelf op dat werk heeft gebracht aan een heffing
onderwerpen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>De kwaliteitsbeheerder kan voor de stoffen die door middel van een zuiveringtechnisch
werk worden afgevoerd slechts de beheerder van dat werk aan een heffing onderwerpen
indien:</al>
            <al>a. op dat werk voorafgaande zuivering plaatsvindt; of</al>
            <al>b. dat werk in beheer is bij een andere kwaliteitsbeheerder.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a19">
          <kop>
            <nr>Artikel 19</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Voor een heffing geldt als grondslag de hoeveelheid en de hoedanigheid
van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Voor een heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de
stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking tot:</al>
            <al>a. het zuurstofverbruik het jaarlijks verbruik van 49,6 kilogram zuurstof;</al>
            <al>b. de gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen chroom, koper, lood,
nikkel, zilver en zink 1,00 kilogram;</al>
            <al>c. de gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen arseen, kwik en cadmium
0,100 kilogram;</al>
            <al>d. de gewichtshoeveelheden van de stof chloride 650 kilogram;</al>
            <al>e. de gewichtshoeveelheden van de stof sulfaat 650 kilogram;</al>
            <al>f. de gewichtshoeveelheden van de stof fosfor 20,0 kilogram.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Een kwaliteitsbeheerder kan bepalen dat:</al>
            <al>a. de gewichtshoeveelheden met betrekking tot één of meer
van de in het vierde lid, onderdelen b tot en met f bedoelde stoffen niet
worden onderworpen aan de heffing;</al>
            <al>b. het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de gewichtshoeveelheden
van één of meer van de in het vierde lid, onderdelen b tot en
met f bedoelde stoffen tot minimaal nihil wordt verminderd op een door hem
vast te stellen wijze;</al>
            <al>c. het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de gewichtshoeveelheden
van één of meer van de in het vierde lid, onderdelen b tot en
met f bedoelde stoffen op nihil wordt gesteld indien dit aantal, na toepassing
van het bepaalde krachtens de onderdelen a en b, niet uitgaat boven een door
hem vast te stellen aantal vervuilingseenheden.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a19a">
          <kop>
            <nr>Artikel 19a</nr>
          </kop>
          <al>(Vervallen).</al>
        </art>
        <art id="a20">
          <kop>
            <nr>Artikel 20</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met behulp van door meting,
bemonstering en analyse verkregen gegevens.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Meting, bemonstering en analyse geschieden door de heffingplichtige
gedurende elk etmaal van het kalenderjaar overeenkomstig het door de kwaliteitsbeheerder
krachtens het derde lid bepaalde.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Nadere regels omtrent meting, bemonstering, analyse en berekening worden
gegeven bij belastingverordening van de kwaliteitsbeheerder.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Op aanvraag van de gebruiker staat de kwaliteitsbeheerder onder nader
te stellen voorwaarden toe dat voor het aantal etmalen dat meting, bemonstering
en analyse geschieden, wordt afgeweken van het tweede lid indien door de gebruiker
aannemelijk wordt gemaakt dat voor de berekening van de vervuilingswaarde
met gegevens over meting, bemonstering en analyse van een beperkt aantal etmalen
kan worden volstaan.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Het in het vierde lid bedoelde besluit wordt genomen bij voor bezwaar
vatbare beschikking.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>De bepaling van het zuurstofverbruik van de stoffen welke in een kalenderjaar
worden afgevoerd, geschiedt op basis van de som van het chemisch zuurstofverbruik
en het zuurstofverbruik door omzetting van stikstofverbindingen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7.</nr>
            <al>Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik
in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet
afbreekbare stoffen, wordt op die uitkomst een correctie toegepast. De kwaliteitsbeheerder
geeft omtrent die correctie nadere regels bij belastingverordening.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>8.</nr>
            <al>De kwaliteitsbeheerder kan het aantal vervuilingseenheden in een kalenderjaar
geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen indien door de
heffingplichtige:</al>
            <al>a. zonder de in het vierde lid bedoelde toestemming niet is voldaan aan
de in het tweede lid genoemde verplichting;</al>
            <al>b. niet is voldaan aan de in het eerste lid bedoelde verplichting en de
bepaling op basis van artikel 21, eerste, derde of zesde lid of van artikel
22, eerste of vierde lid, van de vervuilingswaarde niet mogelijk is dan wel
bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel 22, vierde lid, van
de vervuilingswaarde wel mogelijk is en door de heffingplichtige gedurende
het heffingsjaar geen verzoek als bedoeld in artikel 22, vierde lid, is gedaan;</al>
            <al>c. niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de
in het vierde lid bedoelde toestemming;</al>
            <al>d. meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in
overeenstemming met het daaromtrent door de kwaliteitsbeheerder krachtens
het derde lid bepaalde.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a21">
          <kop>
            <nr>Artikel 21</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>In afwijking van artikel 20, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd gesteld op een gelijk
aantal vervuilingseenheden per woonruimte, met dien verstande dat dit aantal
ten hoogste drie bedraagt. De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit
een door één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd bedraagt
één vervuilingseenheid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde
woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein
dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde
woonruimten worden tezamen aangemerkt als één bedrijfsruimte
dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>In afwijking van artikel 20, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
de stoffen, die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringtechnisch
werk voor het zuiveren van afvalwater worden afgevoerd, gesteld op drie vervuilingseenheden
indien door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde
minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid
indien door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat die
één vervuilingseenheid of minder bedraagt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Indien in de loop van een kalenderjaar het gebruik van een woonruimte
door een gebruiker aanvangt of eindigt wordt deze voor een evenredig gedeelte
van het op basis van het eerste lid bepaalde aantal vervuilingseenheden aan
een heffing onderworpen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>In afwijking van artikel 20, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel van een bedrijfsruimte
bestemd om in het kader van de uitoefening van een beroep of een bedrijf onder
een permanente opstand van glas of kunststof gewassen te telen, bepaald op
basis van het zesde lid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare vloeroppervlak
waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per deel van een hectare vloeroppervlak
een evenredig deel van drie vervuilingseenheden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7.</nr>
            <al>Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het vijfde
lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte dan wel van
een deel daarvan door de gebruiker aanvangt of eindigt wordt hij in dat kalenderjaar
voor die bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor dat deel voor een evenredig
gedeelte van het op basis van het zesde lid bepaald aantal vervuilingseenheden
aan een heffing onderworpen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>8.</nr>
            <al>Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van een
bedrijfsruimte, berekend op basis van het zesde of zevende lid van minder
dan vijf vervuilingseenheden wordt op drie vervuilingseenheden, en van één
of minder dan één vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid
gesteld.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a21a">
          <kop>
            <nr>Artikel 21a</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Ten behoeve van een experiment met de bepaling van de vervuilingswaarde
van de vanuit woonruimten afgevoerde stoffen, op basis van de door het waterleidingbedrijf
geleverde hoeveelheid drinkwater kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
gebieden aanwijzen waarin het derde tot en met zevende lid van toepassing
is.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geschiedt slechts op aanvraag
van de kwaliteitsbeheerder en met instemming van de één of meer
betrokken gemeenten en van het betrokken waterleidingbedrijf.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De vervuilingswaarde van de stoffen die worden afgevoerd vanuit een woonruimte,
die is voorzien van een uitsluitend daaraan dienstbare watermeter, wordt bepaald
aan de hand van de formule 0,0213 vervuilingseenheid X A waarbij,</al>
            <al>A = het aantal m<sup>3</sup> drinkwater dat door het waterleidingbedrijf
in het in het vijfde lid bedoelde tijdvak ten behoeve van die woonruimte is
geleverd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Voor de toepassing van het derde lid wordt hoogstens een door het waterleidingbedrijf
in het in het vijfde lid bedoelde tijdvak ten behoeve van die woonruimte geleverde
hoeveelheid drinkwater van 141 m<sup>3</sup> en indien de woonruimte wordt
gebruikt door één persoon van 47 m<sup>3</sup> in aanmerking
genomen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>De heffing met betrekking tot de in het derde lid bedoelde woonruimten
wordt geheven over het tijdvak van 12 maanden zoals dat door het betrokken
waterleidingbedrijf bij de levering van drinkwater ten behoeve van die woonruimten
wordt gehanteerd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Indien het in het vijfde lid bedoelde tijdvak in twee kalenderjaren is
gelegen worden de voor de kalenderjaren geldende tarieven per vervuilingseenheid
van de kwaliteitsbeheerder naar tijdsevenredigheid toegepast.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7.</nr>
            <al>De vervuilingswaarde over het gedeelte van het eerste kalenderjaar waarin
de kwaliteitsbeheerder dit artikel toepast, dat voor de aanvang in dat kalenderjaar
van het in het vijfde lid bedoelde tijdvak is gelegen, wordt gesteld
op een evenredig gedeelte van het op basis van artikel 21, eerste lid, bepaalde
aantal vervuilingseenheden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>8.</nr>
            <al>Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zendt voor 1 januari 2006 aan
de Staten-Generaal een verslag over de ervaringen die met de toepassing van
dit artikel zijn gedaan.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>9.</nr>
            <al>Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2006. Indien voor die datum
bij Koninklijke Boodschap een voorstel van wet wordt ingediend dat tot strekking
heeft de invoering van een stelsel tot bepaling van de vervuilingswaarde van
de vanuit woonruimten afgevoerde stoffen op basis van de door het waterleidingbedrijf
geleverde hoeveelheid drinkwater blijft het derde tot en met zevende lid van
toepassing op de woonruimten die zich bevinden in de gebieden die voor 1 januari
2006 door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zijn aangewezen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a22">
          <kop>
            <nr>Artikel 22</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Indien door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat het aantal
vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar
voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan, die hij gebruikt, 1000 of
minder bedraagt, en dat dit aantal aan de hand van de hoeveelheid ten behoeve
van die bedrijfsruimte of dat onderdeel van die bedrijfsruimte ingenomen water
bepaald kan worden, wordt dat aantal in afwijking van artikel 20, eerste lid,
vastgesteld volgens de formule: A X B, waarbij,</al>
            <al>A = het aantal m<sup>3</sup> in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte
of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water;</al>
            <al>B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de
in het derde lid opgenomen tabel met de klassegrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde
met betrekking tot het zuurstofverbruik per m<sup>3</sup> ten behoeve van
de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water
is gelegen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor de
bepaling van de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik
per m<sup>3</sup> ten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel van de
bedrijfsruimte ingenomen water.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De onderstaande tabel bevat klassen met bijbehorende klassegrenzen en
afvalwatercoëfficiënten:</al>
            <al>
              <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
                <tgroup align="left" charoff="75" cols="4" tgroupstyle="sdu1">
                  <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="12.5mm"></colspec>
                  <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="25mm"></colspec>
                  <colspec colname="c3" colnum="3" colwidth="25mm"></colspec>
                  <colspec colname="c4" colnum="4" colwidth="50mm"></colspec>
                  <thead valign="bottom">
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"> Klasse</entry>
                      <entry morerows="0" nameend="c3" namest="c2" rotate="0" valign="top">Klassegrenzen uitgedrukt in aantal
vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik per m<sup>3</sup>
ingenomen water </entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">Afvalwatercoëfficiënt
uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden per m<sup>3</sup> ingenomen water
in het heffingsjaar</entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1"></entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">ondergrens</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">bovengrens</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1"></entry>
                    </row>
                  </thead>
                  <tbody valign="bottom">
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0"> 1</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">&gt; 0</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,0013</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,0010 </entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0"> 2</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">&gt; 0,0013</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,0020</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,0016</entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0"> 3</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">&gt; 0,0020</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,0031</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,0025</entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0"> 4</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">&gt; 0,0031</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,0048</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,0039</entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0"> 5</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">&gt; 0,0048</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,0075</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,0060</entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0"> 6</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">&gt; 0,0075</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,012</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,0094</entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0"> 7</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">&gt; 0,012</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,018</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,015</entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0"> 8</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">&gt; 0,018</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,029</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,023</entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0"> 9</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">&gt; 0,029</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,045</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,036 </entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0">10</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">&gt; 0,045</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,070</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,056</entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0">11</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">&gt; 0,070</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,11</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,088 </entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0">12</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">&gt; 0,11</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,17</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,14</entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0">13</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">&gt; 0,17</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,27</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,21 </entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0">14</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">&gt; 0,27</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,42</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,33</entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0">15</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">&gt; 0,42</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">0,5</entry>
                    </row>
                  </tbody>
                </tgroup>
              </table>
            </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik
in een kalenderjaar voor de bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte
meer dan 1000 bedraagt en door de heffingplichtige aannemelijk
is gemaakt dat de berekening van dit aantal overeenkomstig het eerste lid
niet resulteert in een lager aantal vervuilingseenheden dan de berekening
van dit aantal overeenkomstig artikel 20, eerste lid, is het eerste lid op
verzoek van de heffingplichtige van overeenkomstige toepassing.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a23">
          <kop>
            <nr>Artikel 23</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onder de naam verontreinigingsheffing rijkswateren vindt een heffing plaats
ter bestrijding van de kosten van het Rijk van maatregelen tot het tegengaan
en voorkomen van verontreiniging van rijkswater.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De artikelen 17, 19, 20, 21 derde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid
en 22 zijn van overeenkomstige toepassing op de verontreinigingsheffing rijkswateren.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De verontreinigingsheffing rijkswateren wordt geheven ter zake van het
direct of indirect brengen van stoffen in rijkswater.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Aan de verontreinigingsheffing rijkswateren zijn onderworpen:</al>
            <al>a. ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in rijkswater
vanuit een bedrijfs-, of woonruimte: degene die het gebruik heeft van die
ruimte;</al>
            <al>b. ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in rijkswater
met behulp van een riolering of van een zuiveringtechnisch werk: degene bij
wie die riolering onderscheidenlijk dat zuiveringtechnisch werk in beheer
is.</al>
            <al>c. ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in rijkswater
anders dan bedoeld onder a of b: degene die de stoffen in rijkswater heeft
gebracht.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel a, wordt:</al>
            <al>a. gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden aangemerkt
als gebruik door het door het hoofd aangewezen lid van dat huishouden;</al>
            <al>b. gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik
is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft
gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de verontreinigingsheffing
rijkswateren als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik
is gegeven;</al>
            <al>c. het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte voor
volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die ruimte ter beschikking
heeft gesteld; degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld is bevoegd
de verontreinigingsheffing rijkswateren als zodanig te verhalen op degene
aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Degene bij wie een zuiveringtechnisch werk waarop geen voorafgaande zuivering
plaatsvindt in beheer is is slechts voor de met behulp daarvan in rijkswater
gebrachte stoffen aan de verontreinigingsheffing rijkswateren onderworpen
voorzover hij die zelf op dat zuiveringtechnisch werk heeft gebracht. Indien
stoffen met behulp van een zuiveringtechnisch werk waar voorafgaande zuivering
plaatsvindt in rijkswater worden gebracht is degene bij wie dat zuiveringtechnisch
werk in beheer is voor al die stoffen aan de verontreinigingsheffing rijkswateren
onderworpen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7.</nr>
            <al>Indien stoffen met behulp van een riolering of van een zuiveringtechnisch
werk, dat bij een openbaar lichaam in beheer is, in rijkswater worden gebracht
is, in afwijking van het zesde lid, degene bij wie die riolering onderscheidenlijk
dat zuiveringtechnisch werk in beheer is, voor die stoffen aan de verontreinigingsheffing
rijkswateren onderworpen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>8.</nr>
            <al>De verontreinigingsheffing rijkswateren wordt niet geheven ter zake van
de gewichtshoeveelheden van de in artikel 19, vierde lid, onderdelen d, e
en f, bedoelde stoffen en van de stof zilver.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>9.</nr>
            <al>Het aantal vervuilingseenheden, met betrekking tot de gewichtshoeveelheden
van de onderstaande groepen van stoffen, die in een kalenderjaar
in rijkswater worden gebracht, wordt per bedrijfsruimte, riolering en per
zuiveringtechnisch werk tot minimaal nihil verminderd met het product van
het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik van
de in dat kalenderjaar vanuit die bedrijfsruimte, riolering of dat zuiveringtechnisch
werk in rijkswater gebrachte stoffen, en:</al>
            <al>a. voor de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, en zink: 0,04;</al>
            <al>b. voor de groep van stoffen kwik, cadmium en arseen: 0,006.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>10.</nr>
            <al>Het aantal vervuilingseenheden, berekend na toepassing van het negende
lid, wordt voor elk van de in het negende lid bedoelde groepen van stoffen
op nihil gesteld indien dat aantal minder bedraagt dan 10.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>11.</nr>
            <al>De vervuilingswaarde ten aanzien van de stoffen, die vanuit een woonruimte,
op rijkswater worden gebracht wordt gesteld op drie vervuilingseenheden en
op één vervuilingseenheid indien de woonruimte op 1 januari
van het desbetreffende kalenderjaar wordt gebruikt door één
persoon.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>12.</nr>
            <al>Het elfde lid vindt geen toepassing met betrekking tot de voor recreatiedoeleinden
bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd
terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde
woonruimten worden tezamen aangemerkt als één bedrijfsruimte
dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>13.</nr>
            <al>Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een woonruimte
door een gebruiker aanvangt of eindigt, is deze voor een evenredig gedeelte
van het op basis van het elfde lid bepaald aantal vervuilingseenheden aan
de verontreinigingsheffing rijkswateren onderworpen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>14.</nr>
            <al>Nadere regels met betrekking tot meting, bemonstering, analyse en berekening
en de in artikel 20, zevende lid, bedoelde correctie worden voor de verontreinigingsheffing
rijkswateren gegeven bij algemene maatregel van bestuur.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a24">
          <kop>
            <nr>Artikel 24</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het tarief voor de verontreinigingsheffing rijkswateren bedraagt € 31,76
per vervuilingseenheid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het tarief per vervuilingseenheid voor de verontreinigingsheffing rijkswateren
ter zake van de stoffen, die vanuit een zuiveringtechnisch werk, voor het
biologisch zuiveren van huishoudelijk afvalwater, dat bij een provincie, een
gemeente, een waterschap of bij een ander openbaar lichaam in beheer is, in
rijkswater worden gebracht, bedraagt 50% van het in het eerste lid genoemde
bedrag.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a25">
          <kop>
            <nr>Artikel 25</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De verontreinigingsheffing rijkswateren wordt door Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat geheven.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De verontreinigingsheffing rijkswateren wordt geheven over het kalenderjaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onverminderd het overigens in dit hoofdstuk bepaalde, wordt de verontreinigingsheffing
rijkswateren geheven met overeenkomstige toepassing van de Algemene wet, met
dien verstande dat van die wet buiten toepassing blijven de artikelen 2, vierde
lid, 37 tot en met 39, 47a, 48, 52, 53, 54, 76, 80, tweede, derde en vierde
lid, 82, 84, 86 en 87.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Voor de toepassing van de Algemene wet treedt Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat in de plaats van Onze Minister van Financiën.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Voor de toepassing van de Algemene wet treden in de plaats:</al>
            <al>a. voor het bestuur van 's Rijksbelastingen en de inspecteur: het hoofd;</al>
            <al>b. voor de ambtenaren van de rijksbelastingdienst: de ambtenaren van het
Bureau verontreinigingsheffing rijkswateren, de ambtenaren van het Rijksinstituut
voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling en de door Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat aangewezen ambtenaren van de regionale en specialistische
directies van de Rijkswaterstaat.</al>
            <al>Een aanwijzing als vorenbedoeld wordt bekend gemaakt in de Nederlandse
Staatscourant.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Een ambtenaar als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, is voor zover
dit voor de heffing van de verontreinigingsheffing rijkswateren redelijkerwijs
nodig is, bevoegd:</al>
            <al>a. elke plaats met medeneming van de benodigde apparatuur, zo nodig met
behulp van de sterke arm, met uitzondering van een woonruimte zonder toestemming
van de gebruiker of de gebruikers, te betreden;</al>
            <al>b. monsters te nemen van het afvalwater dat direct of indirect in rijkswater
wordt gebracht.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7.</nr>
            <al>De verontreinigingsheffing rijkswateren wordt geheven bij wege van aanslag.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>8.</nr>
            <al>Indien een bedrijfs- of woonruimte of een zuiveringtechnisch werk bij
meer dan één persoon in gebruik onderscheidenlijk in beheer
is, kan het hoofd een belastingaanslag inzake de verontreinigingsheffing rijkswateren
ter zake van die ruimte of van dat zuiveringtechnisch werk ten name van één
van die personen stellen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>9.</nr>
            <al>Het hoofd is bevoegd voor eenzelfde in artikel 23, vierde lid, bedoelde
heffingplichtige, bestemde belastingaanslagen van dezelfde soort op één
aanslagbiljet te verenigen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>10.</nr>
            <al>Artikel 55 van de Algemene wet is met betrekking tot de omvang van de
geleverde hoeveelheid drinkwater van overeenkomstige toepassing op waterleidingbedrijven.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>11.</nr>
            <al>Het hoofd neemt ten aanzien van de verontreinigingsheffing rijkswateren
het besluit, bedoeld in artikel 20, vierde lid.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a26">
          <kop>
            <nr>Artikel 26</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De verontreinigingsheffing rijkswateren wordt ingevorderd met toepassing
van de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als
was deze heffing een rijksbelasting in de zin van artikel 2, eerste lid, onderdeel
a, van de Invorderingswet 1990 en geschiedt door de zorg van de ontvanger,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990,
alsmede door de overige in die wet genoemde functionarissen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Een voorlopige aanslag in de verontreinigingsheffing rijkswateren waarvan
het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze
is vastgesteld, is invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er na de maand,
die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, nog maanden van het
jaar overblijven. De eerste termijn vervalt één maand na de
dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens
een maand later. Indien de toepassing van de eerste volzin niet leidt tot
meer dan twee maandelijkse termijnen, is de in de eerste volzin bedoelde belastingaanslag
twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet invorderbaar.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a27">
          <kop>
            <nr>Artikel 27</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De kwaliteitsbeheerder besteedt de opbrengsten van de heffing slechts:</al>
            <al>a. voor de bestrijding van verontreiniging van oppervlaktewateren ten
aanzien waarvan hij bevoegd is;</al>
            <al>b. ter betaling van door andere kwaliteitsbeheerders opgelegde heffingen
en van de door de kwaliteitsbeheerder verschuldigde verontreinigingsheffing
rijkswateren;</al>
            <al>c. voor het eventueel verstrekken van subsidies ter tegemoetkoming in de kosten van maatregelen tot het tegengaan en het voorkomen van verontreiniging
van oppervlaktewateren aan diegenen die tot het treffen van die maatregelen
zijn gehouden;</al>
            <al>d. voor het verstrekken van subsidies aan heffingplichtigen tot behoud
van het gebruik van de bij de kwaliteitsbeheerder in beheer zijnde zuiveringtechnische
werken teneinde een stijging van het tarief van de heffing zoveel mogelijk
te voorkomen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de besteding door
het Rijk van de opbrengsten van de verontreinigingsheffing rijkswateren.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a28">
          <kop>
            <nr>Artikel 28</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Nadere regels met betrekking tot de verontreinigingsheffing rijkswateren
worden gesteld bij algemene maatregel van bestuur.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Nadere regels met betrekking tot de heffing worden gesteld bij belastingverordening
van de kwaliteitsbeheerder.</al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK V.</nr>
          <titel status="off">VERDERE BEPALINGEN</titel>
        </kop>
        <art id="a29">
          <kop>
            <nr>Artikel 29</nr>
          </kop>
          <al>Het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 1 te
verlenen, dan wel ingevolge artikel 2b, tweede lid, onder a, het orgaan is
waaraan de melding wordt gericht, heeft tot taak:</al>
          <al>a. zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bij of
krachtens deze wet en van het bij of krachtens titel 12.1 van de Wet milieubeheer
bepaalde met betrekking tot het betrokken brengen van stoffen in oppervlaktewater;</al>
          <al>b. gegevens, die met het oog op de uitoefening van de taak als bedoeld
onder a van belang zijn, te verzamelen en te registreren;</al>
          <al>c. klachten, die betrekking hebben op de naleving van het bij of krachtens
deze wet bepaalde, te behandelen.</al>
        </art>
        <art id="a30">
          <kop>
            <nr>Artikel 30</nr>
          </kop>
          <al>Met betrekking tot de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde
zijn de artikelen 18.3 tot en met 18.16 van de Wet milieubeheer van toepassing.</al>
        </art>
        <art id="a30a">
          <kop>
            <nr>Artikel 30a</nr>
          </kop>
          <al>Een gedraging in strijd met een aan een vergunning verbonden voorschrift,
is verboden.</al>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK VI.</nr>
          <titel status="off">OVERGANGSBEPALINGEN</titel>
        </kop>
        <art id="a31">
          <kop>
            <nr>Artikel 31</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Bepalingen in verordeningen van provinciën, in reglementen voor en
in verordeningen van waterschappen, veenschappen en veenpolders en in verordeningen
van gemeenten betreffende het onderwerp dezer wet, bij de inwerkingtreding
dezer wet van kracht, blijven in stand totdat deswege op de wijze in deze
wet bepaald voorzieningen zullen zijn getroffen en zulks uiterlijk vier jaren
na de dag van inwerkingtreding.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Een vergunning vóór de inwerkingtreding dezer wet verleend
op grond van enige wettelijke bepaling voor lozingen met behulp van werken als bedoeld in artikel 1 , eerste lid, wordt voor de toepassing van
deze wet beschouwd als een vergunning als bedoeld in dat artikel.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Voor lozingen welke vóór het tijdstip van inwerkingtreding
dezer wet onafgebroken rechtmatig hebben plaats gevonden, wordt voor de toepassing
van deze wet een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, geacht te
zijn verleend, voorzover die lozingen althans naar hun aard niet aanmerkelijk
verschillen van of niet van aanmerkelijk grotere omvang zijn dan lozingen
die plaats vonden vóór het tijdstip van inwerkingtreding dezer
wet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Door Ons worden bij algemene maatregel van bestuur stoffen of soorten
van inrichtingen aangewezen voor de lozing waarvan onderscheidenlijk voor
de lozingen van waaruit het derde lid niet meer geldt na het verstrijken van
één jaar na afloop van de maand waarin die algemene maatregel
van bestuur in het Staatsblad is geplaatst, tenzij binnen die termijn een
vergunning, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, is aangevraagd, in welk
geval het derde lid nog geldt gedurende één jaar nadat de op
die aanvraag genomen beschikking onherroepelijk is geworden. Artikel 9 is
van overeenkomstige toepassing in geval van gehele of gedeeltelijke weigering
van de vergunning.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a31a">
          <kop>
            <nr>Artikel 31a</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Voor lozingen, waarop de in artikel 1, tweede lid, bedoelde algemene maatregel
van bestuur betrekking heeft en die op het tijdstip van het in werking treden
van die algemene maatregel van bestuur plaatsvinden, dient binnen één
jaar na dat tijdstip een vergunning te worden aangevraagd. Deze lozingen kunnen
voor de duur van de hiervoor bedoelde termijn op dezelfde wijze en in dezelfde
mate worden voortgezet, en, indien binnen die termijn een aanvraag voor een
vergunning is ingediend, gedurende een jaar nadat de op die aanvraag genomen
beschikking onherroepelijk is geworden. Artikel 9, is van overeenkomstige
toepassing in geval van gehele of gedeeltelijke weigering van de vergunning.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>In afwijking van het eerste lid wordt een op grond van een gemeentelijke
lozingsverordening verleende vergunning voor de toepassing van deze wet aangemerkt
als een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, mits die gemeentelijke
vergunning daartoe aan het bevoegde gezag is overgelegd binnen één
jaar na de inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld
in artikel 1, tweede lid, waarbij de desbetreffende stof of soort van inrichting
voor de eerste maal is aangewezen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a31b">
          <kop>
            <nr>Artikel 31b</nr>
          </kop>
          <al>Een voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel V van de wet tot
invoering van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne ingevolge artikel
7 van deze wet, zoals dit luidde tot dat tijdstip, gegeven beschikking, wordt
na die inwerkingtreding beschouwd als een vergunning krachtens artikel 1,
eerste, derde of vierde lid, van deze wet.</al>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK VII.</nr>
          <titel status="off">SLOTBEPALINGEN</titel>
        </kop>
        <art id="a32">
          <kop>
            <nr>Artikel 32</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Er is het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling,
belast met het wetenschappelijke en praktische onderzoek van de hoedanigheid
van oppervlaktewateren en van de wijze waarop deze kunnen worden beschermd
tegen verontreiniging in welke vorm ook en voorts met het geven van adviezen
betreffende de met het oog op die bescherming te treffen voorzieningen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Aan het hoofd van dit instituut staat een hoofdingenieur-directeur. De
algemene leiding van het instituut berust bij de directeur-generaal van de
Rijkswaterstaat.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft regelen omtrent de inrichting
en werkwijze van het instituut en omtrent de aan dit instituut te betalen
vergoedingen voor bewezen diensten.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a33">
          <kop>
            <nr>Artikel 33</nr>
          </kop>
          <al>Het ontwerp van een ministeriële regeling, vast te stellen krachtens
of met overeenkomstige toepassing van artikel 2a, derde lid, wordt ten minste
een maand voor de regeling wordt vastgesteld, toegezonden aan de Staten-Generaal.</al>
        </art>
        <art id="a33a">
          <kop>
            <nr>Artikel 33a</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel
1, tweede of derde lid, 1a, 2a, 2d, 4, 14,15, 19, zesde, zevende of achtste
lid, of 31, vierde lid, wordt Ons gedaan door Onze Ministers van Verkeer
en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 1,
tweede of derde lid, 1a, 2a, 2d of 4 wordt overgelegd aan de beide kamers
der Staten-Generaal en in de Staatscourant bekendgemaakt. Aan een ieder wordt
de gelegenheid geboden binnen een bij die bekendmaking te stellen termijn
van ten minste vier weken opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis
van Onze genoemde Ministers te brengen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid wordt,
nadat hij is vastgesteld, toegezonden aan beide Kamers der Staten-Generaal.
Hij treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin hij is geplaatst.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a34">
          <kop>
            <nr>Artikel 34</nr>
          </kop>
          <al>De bevoegdheid tot het maken van verordeningen door gemeenten en waterschappen,
veenschappen en veenpolders blijft ten aanzien van het onderwerp waarin deze
wet voorziet, gehandhaafd voor zover deze verordeningen niet met deze wet
in strijd zijn.</al>
        </art>
        <art id="a35">
          <kop>
            <nr>Artikel 35</nr>
          </kop>
          <al>Geen vergunning als bedoeld in deze wet is vereist voor het brengen in
oppervlaktewateren en voor het brengen vanuit of over het grondgebied van
Nederland in het water van de volle zee van splijtstoffen, ertsen of radioactieve
andere stoffen, voorzover het brengen van die stoffen in oppervlaktewateren
en in het water van de volle zee aan een vergunning krachtens artikel 15 of
artikel 29 van de Kernenergiewet, dan wel aan krachtens artikel 21 of artikel
32 van die wet gestelde regelen gebonden is.</al>
        </art>
        <art id="a36">
          <kop>
            <nr>Artikelen 36–37</nr>
          </kop>
          <al>(Deze artikelen zijn vervallen).</al>
        </art>
        <art id="a38">
          <kop>
            <nr>Artikel 38</nr>
          </kop>
          <al>In het opschrift van Titel Ila alsmede in artikel 72a, eerste lid, van
de onteigeningswet worden vóór de woorden «en terreinen
en werken voor de luchtvaart« ingevoegd de woorden: werken ten behoeve
van de bestrijding van verontreiniging van oppervlaktewateren.</al>
        </art>
        <art id="a38a">
          <kop>
            <nr>Artikel 38a</nr>
          </kop>
          <al>De vaststelling van regelen bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld
in de artikelen 1, tweede en derde lid, 1 a, eerste lid, 2a, eerste lid, 2d,
eerste lid, 13, 14, 15 en 31, vierde lid, geschiedt mede ter uitvoering van
door de Raad van Ministers der Europese Gemeenschappen vastgestelde richtlijnen
en de ter uitvoering daarvan door die Raad genomen besluiten.</al>
        </art>
        <art id="a39">
          <kop>
            <nr>Artikel 39</nr>
          </kop>
          <al>Deze wet kan worden aangehaald als Wet verontreiniging oppervlaktewateren.</al>
        </art>
        <art id="a40">
          <kop>
            <nr>Artikel 40</nr>
          </kop>
          <al>Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. </al>
        </art>
      </hfdst>
    </tekstpl>
  </backm>
</staatsbl>