﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb2.162" soort="beschik" publtype="tepl">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2002-162/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="prod1.5" markup="Xa"></versie>
    <ordernr>STB7033</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="2002">Jaargang 2002</jaargang>
      <stbjaar>2002</stbjaar>
      <stbnr>162</stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Beschikking</soort> van de Minister van Justitie van 25 maart
2002, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van het Besluit algemene
rechtspositie politie, zoals dit laatstelijk is gewijzigd bij besluit van
11 december 2001, Stb. 660</intitule>
    <aanhef>
      <wie>De Minister van Justitie,</wie>
      <consider>
        <al>Gelet op artikel VIII van het besluit van 11 december 2000, Stb. 559;</al>
      </consider>
      <afkondig>Besluit:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <besluit>
      <al>de tekst van het Besluit algemene rechtspositie politie, zoals dit laatstelijk
is gewijzigd bij besluit van 11 december 2001, Stb. 660, in het Staatsblad
te plaatsen als bijlage bij deze beschikking.</al>
    </besluit>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>25 maart 2002</onddatum>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>A. H. Korthals</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">vierde</nadruk> april 2002</uitgifte-regel>
        <uitdag>vierde</uitdag>
        <uitmaand>april</uitmaand>
        <uitjaar>2002</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>A. H. Korthals</naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <tekstpl>
      <kop>
        <titel status="off">TEKST VAN HET BESLUIT ALGEMENE RECHTSPOSITIE POLITIE, ZOALS DIT LAATSTELIJK
IS GEWIJZIGD BIJ BESLUIT VAN 11 DECEMBER 2001, STB. 660</titel>
      </kop>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK I.</nr>
          <titel status="off">ALGEMENE BEPALING</titel>
        </kop>
        <art id="a1">
          <kop>
            <nr>Artikel 1</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>In dit besluit wordt verstaan onder:</al>
            <al>a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;</al>
            <al>b. aspirant: degene die door het bevoegd gezag is aangesteld als aspirant
en die is toegelaten tot een initiële opleiding;</al>
            <al>c. ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak: de ambtenaar,
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Politiewet 1993, met
uitzondering van de aspirant gedurende het theoretisch opleidingsdeel;</al>
            <al>d. ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve
en andere taken ten dienste van de politie: de ambtenaar, bedoeld in artikel
3, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet 1993, waarbij voor de toepassing
van dit besluit de ambtenaar, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen
a tot en met e, van de LSOP-wet, werkzaam bij het LSOP en de ambtenaar werkzaam
bij ITO, worden gelijkgesteld met ambtenaren van politie, bedoeld in artikel
3, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet 1993;</al>
            <al>e. bijzondere ambtenaar van politie: de ambtenaar, bedoeld in artikel
3, tweede lid, van de Politiewet 1993;</al>
            <al>f. vakantiewerker: een scholier of student die ten tijde van onderbreking
van zijn opleiding wegens vakantie, voor een periode van ten hoogste acht
weken is aangesteld voor het verrichten van ondersteunende werkzaamheden;</al>
            <al>g. ITO: de Organisatie Informatie- en communicatietechnologie OOV;</al>
            <al>h. het LSOP: het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, bedoeld
in artikel 2 van de LSOP-wet;</al>
            <al>i. ambtenaar: de aspirant, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering
van de politietaak, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische,
administratieve en andere taken ten dienste van de politie, de bijzondere
ambtenaar van politie en de vakantiewerker;</al>
            <al>j. volledige betrekking: een betrekking die een arbeidstijd van gemiddeld
36 uur per week omvat;</al>
            <al>k. deelbetrekking: een betrekking die een arbeidstijd van gemiddeld minder
dan 36 uur per week omvat;</al>
            <al>l. bevoegd gezag:</al>
            <al>1°. de korpsbeheerder, voor zover het betreft de aspirant, de ambtenaar,
aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de ambtenaar, aangesteld
voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste
van de politie, die werkzaam is bij een regionaal politiekorps;</al>
            <al>2°. Onze Minister, voor zover het betreft de aspirant, de ambtenaar,
aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de ambtenaar, aangesteld
voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste
van de politie, die werkzaam is bij het Korps landelijke politiediensten of
bij ITO;</al>
            <al>3°. Onze Minister van Justitie, voor zover het betreft de bijzondere
ambtenaar van politie;</al>
            <al>4°. de bestuursraad van het LSOP, voor zover het betreft de ambtenaren,
bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen a en b, van de LSOP-wet;</al>
            <al>5°. de directie van het LSOP, voor zover het betreft de ambtenaren,
bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de LSOP-wet;</al>
            <al>m. salaris: hetgeen daaronder in het Besluit bezoldiging politie wordt
verstaan;</al>
            <al>n. bezoldiging: hetgeen daaronder in het Besluit bezoldiging politie wordt
verstaan;</al>
            <al>o. detachering: tijdelijke tewerkstelling elders dan bij het regionale
korps waarbij de ambtenaar is aangesteld, bij het Korps landelijke politiediensten,
bij het LSOP dan wel bij ITO;</al>
            <al>p. Arbo-dienst: een dienst als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel
j, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;</al>
            <al>q. Lisv: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk
4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;</al>
            <al>r. zijn arbeid: hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge artikel 19
van de Ziektewet;</al>
            <al>s. arts: een in Nederland gevestigde arts, die als arts is ingeschreven
in het register als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg;</al>
            <al>t. passende arbeid: arbeid als bedoeld in artikel 30 van de Ziektewet;</al>
            <al>u. gangbare arbeid: arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;</al>
            <al>v. plaats van tewerkstelling:</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>het gebouw, gebouwencomplex of terrein dat de ambtenaar voor de normale
uitoefening van zijn ambt is aangewezen;</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>de aangewezen aanlegplaats van het vaartuig dat de ambtenaar voor de normale
uitoefening van zijn taak gebruikt of</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>bij gebrek aan een aanwijzing, bedoeld in het eerste en tweede onderdeel,
het gebouw, gebouwencomplex, of terrein, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn
werkzaamheden verricht, het gebouwencomplex waar hij kantoor houdt, dan wel
de aanlegplaats waar hij gewoonlijk het vaartuig aanlegt;</al>
            <al>w. hoofdplaats van tewerkstelling: de plaats van tewerkstelling, bedoeld
in artikel 10, tweede lid;</al>
            <al>x. werkgebied:</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>indien het betreft een ambtenaar die werkzaam is bij een regionaal politiekorps:
de desbetreffende regio, het door het bevoegd gezag aangewezen gedeelte van
die regio waarin de plaats van tewerkstelling van die ambtenaar is gelegen,
dan wel een plaats van tewerkstelling waarover dit bevoegd gezag het medebeheer
uitoefent, indien deze plaats van tewerkstelling is gelegen buiten de regio;</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>indien het betreft een ambtenaar die werkzaam is bij het Korps landelijke
politiediensten, of een bijzondere ambtenaar van politie: Nederland dan wel
het door het bevoegd gezag aangewezen gedeelte van Nederland waarin de plaats
van tewerkstelling is gelegen of</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>indien het betreft een ambtenaar, werkzaam bij het LSOP of bij ITO: het
door het bevoegd gezag aangewezen gedeelte van Nederland waarin de plaats
van tewerkstelling is gelegen;</al>
            <al>y. beroepsziekte: een ziekte, welke in overwegende mate haar oorzaak vindt
in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere
omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn
schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;</al>
            <al>z. dienstongeval: een ongeval, welk in overwegende mate zijn oorzaak vindt
in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere
omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en dat niet aan zijn
schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;</al>
            <al>aa. Pensioenreglement: het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds
ABP;</al>
            <al>bb. Stichting Pensioenfonds ABP: de Stichting Pensioenfonds ABP, bedoeld
in artikel 6 van de Wet privatisering ABP;</al>
            <al>cc. AFUP-opbouwreglement: het reglement bedoeld in artikel 2.4b, tweede
lid, van het pensioenreglement;</al>
            <al>dd. AFUP: de in het AFUP-opbouwreglement neergelegde regeling;</al>
            <al>ee. initiële opleiding: een door Onze Minister in overeenstemming
met Onze Minister van Justitie aangewezen opleiding, gericht op de voorbereiding
van de uitvoering van algemene politietaken;</al>
            <al>ff. theoretisch opleidingsdeel: de periode of perioden waarin de aspirant
aan een opleidingsinstituut in het kader van de initiële opleiding onderwijs
volgt;</al>
            <al>gg. praktisch opleidingsdeel: de periode of perioden waarin de aspirant
de politietaak bij een regionaal politiekorps of bij het Korps landelijke
politiediensten uitvoert in het kader van de initiële opleiding.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Voor de toepassing van dit besluit wordt onder echtgenote of echtgenoot
mede verstaan de geregistreerde partner alsmede de levenspartner met wie de
niet-gehuwde ambtenaar samenwoont – en met het oogmerk duurzaam samen
te leven – een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een
notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten
en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding.
Onder weduwe of weduwnaar wordt mede begrepen de achtergebleven geregistreerde
partner alsmede de achtergebleven partner. Tot gezinslid wordt in voorkomend
geval mede gerekend de geregistreerde partner alsmede de levenspartner. Tegelijkertijd
kan slechts een persoon als echtgenoot of echtgenote dan wel weduwe of weduwnaar
worden aangemerkt. Het bevoegd gezag kan verlangen dat een schriftelijke verklaring
van een notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract
als bedoeld in de eerste volzin is gesloten.</al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK II.</nr>
          <titel status="off">AANSTELLING</titel>
        </kop>
        <art id="a2">
          <kop>
            <nr>Artikel 2</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De aanstelling geschiedt in tijdelijke of in vaste dienst.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Een aanstelling in tijdelijke dienst geschiedt voor bepaalde of voor onbepaalde
tijd.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a2a">
          <kop>
            <nr>Artikel 2a</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Indien betrokkene direct voorafgaand aan de aanstelling nog geen ambtenaar
in de zin van dit besluit was, kan op zijn aanvraag en na consultatie van
de ondernemingsraad in zeer bijzondere gevallen een aanstelling in tijdelijke
dienst voor bepaalde tijd plaatsvinden waarbij dit besluit gedeeltelijk, of
andere algemene maatregelen van bestuur als bedoeld in artikel 50, eerste
lid, van de Politiewet 1993, die specifiek betrekking hebben op ambtenaren
in de zin van dit besluit, geheel of gedeeltelijk, buiten toepassing kunnen
worden verklaard.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het betreft het Besluit
geneeskundige verzorging politie 1994.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onverminderd het eerste lid, bedraagt de aanspraak op vakantie ten minste
144 uur per kalenderjaar bij een volledige betrekking en naar evenredigheid
bij een andere betrekkingsomvang.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, geschiedt
voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent het eerste lid.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a2b">
          <kop>
            <nr>Artikel 2b</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Indien betrokkene direct voorafgaand aan de aanstelling nog geen ambtenaar
in de zin van dit besluit was en hij krachtens de artikelen 25, 42,
eerste lid, en 52 van de Politiewet 1993 bij koninklijk besluit wordt benoemd,
kan op zijn aanvraag aanstelling plaatsvinden in tijdelijke dienst voor bepaalde
tijd waarbij dit besluit gedeeltelijk, of andere algemene maatregelen van
bestuur als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993, die
specifiek betrekking hebben op ambtenaren in de zin van dit besluit, geheel
of gedeeltelijk, buiten toepassing kunnen worden verklaard. Na benoeming wordt
aan de ondernemingsraad gemotiveerd aangegeven dat bij het werven zowel de
interne als de externe arbeidsmarkt in ogenschouw is genomen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het betreft het Besluit
geneeskundige verzorging politie 1994.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onverminderd het eerste lid, bedraagt de aanspraak op vakantie ten minste
144 uur per kalenderjaar bij een volledige betrekking en naar evenredigheid
bij een andere betrekkingsomvang.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, geschiedt
voor een periode van ten hoogste zeven jaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent het eerste lid.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a3">
          <kop>
            <nr>Artikel 3</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De aanstelling van de aspirant geschiedt in tijdelijke dienst voor de
duur van de initiële opleiding met een maximum van twee jaar. In bijzondere
gevallen kan de maximale duur van de aanstelling in tijdelijke dienst op aanvraag
van de aspirant of ambtshalve worden verlengd met een periode van maximaal
één jaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien de aspirant voldoet aan de gestelde kwalificatie-eisen, wordt hij
aansluitend aan de aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste
lid, aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd van één
jaar, op aanvraag van de aspirant in bijzondere gevallen te verlengen of zonodig
ambtshalve te verlengen met de tijd gedurende welke de ambtenaar de proeftijd
niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Na afloop van de proeftijd, bedoeld in het tweede lid, vindt aanstelling
in vaste dienst plaats, tenzij tegen een aanstelling in vaste dienst bedenkingen
bestaan.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>In afwijking van het derde lid kan een aanstelling van een ambtenaar,
aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die de initiële opleiding
alsmede de daarop volgende proeftijd heeft voltooid, in tijdelijke dienst
plaatsvinden:</al>
            <al>a. ter vervanging van een wegens ziekte of uit anderen hoofde afwezige
ambtenaar,</al>
            <al>b. ter uitvoering van werkzaamheden van kennelijk tijdelijk karakter,
of</al>
            <al>c. indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4a.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Zodra de omstandigheid die leidde tot een aanstelling in tijdelijke dienst
als bedoeld in het vierde lid, onderdelen a en b, zich niet meer voordoet,
wordt de desbetreffende ambtenaar zo mogelijk in vaste dienst aangesteld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>In het geval, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, wordt in ieder geval
aangenomen dat de omstandigheid die leidde tot aanstelling in tijdelijke dienst
zich niet meer voordoet, wanneer de ambtenaar sinds twee jaar zonder onderbreking
van langer dan één maand in politiedienst, waarvan laatstelijk
gedurende ten minste één jaar in zijn huidige betrekking, in
dienst is. Dit geldt echter niet in die gevallen waarin vaststaat dat zijn
werkzaamheden in de door hem vervulde betrekking binnen het jaar zullen worden
beëindigd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7.</nr>
            <al>Bij ministeriële regeling worden criteria gegeven op grond waarvan
de in het zesde lid genoemde periode van twee jaar kan worden verlengd tot
vijf jaar.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a3a">
          <kop>
            <nr>Artikel 3a</nr>
          </kop>
          <al>Na het voltooien van de initiële opleiding wordt de aspirant aangesteld
als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak.</al>
        </art>
        <art id="a4">
          <kop>
            <nr>Artikel 4</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Een aanstelling van een ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische,
administratieve en andere taken ten dienste van de politie kan in tijdelijke
dienst plaatsvinden</al>
            <al>a. voor een proeftijd van één jaar, zonodig in bijzondere
gevallen op aanvraag van de ambtenaar met één jaar te verlengen
en zonodig ambtshalve te verlengen met de tijd, gedurende welke de ambtenaar
de proeftijd niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht;</al>
            <al>b. ter vervanging van een wegens ziekte of uit anderen hoofde afwezige
ambtenaar;</al>
            <al>c. ter uitvoering van werkzaamheden van kennelijk tijdelijk karakter;</al>
            <al>d. indien het een ambtenaar betreft die in dienst wordt genomen als leerling
ter opleiding tot een functie binnen de politie-organisatie dan wel in verband
met zijn verdere praktische opleiding of vorming,</al>
            <al>e. indien een wijziging in de taak van het betrokken dienstvak is voorgenomen,
of</al>
            <al>f. indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4a.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Zodra de omstandigheid die leidde tot een aanstelling in tijdelijke dienst
als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, zich niet meer voordoet,
wordt de desbetreffende ambtenaar zo mogelijk in vaste dienst aangesteld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en e, wordt in
ieder geval aangenomen dat de omstandigheid die leidde tot een aanstelling
in tijdelijke dienst zich niet meer voordoet, wanneer de ambtenaar sinds twee
jaar zonder onderbreking van langer dan één maand in politiedienst,
waarvan laatstelijk gedurende ten minste één jaar in zijn huidige
betrekking, in dienst is. Dit geldt echter niet in die gevallen waarin vaststaat
dat zijn werkzaamheden in de door hem vervulde betrekking binnen het jaar
zullen worden beëindigd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Bij ministeriële regeling worden criteria gegeven op grond waarvan
de in het derde lid genoemde periode van twee jaar kan worden verlengd tot
vijf jaar.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a4a">
          <kop>
            <nr>Artikel 4a</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De ambtenaar die in vaste dienst is aangesteld, kan in tijdelijke dienst
voor bepaalde tijd worden aangesteld bij een ander regionaal politiekorps,
bij het Korps landelijke politiediensten, bij het LSOP of bij ITO, onder de
voorwaarde dat na afloop van de aanstelling in tijdelijke dienst de ambtenaar
hernieuwd wordt aangesteld in vaste dienst bij het regionale politiekorps,
bij het Korps landelijke politiediensten, bij het LSOP of bij ITO, waar hij
was aangesteld direct voorafgaand aan de aanstelling in tijdelijke dienst.
De artikelen 7, 8 en 8a, tweede lid, zijn niet van toepassing op de in de
eerste volzin genoemde hernieuwde aanstelling in vaste dienst.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, kan slechts
plaatsvinden ten behoeve van het LSOP, ITO of een bovenregionaal samenwerkingsverband
waarvoor in overeenstemming met de Commissie Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken
regels zijn gegeven.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag bij wie de ambtenaar in vaste dienst is aangesteld,
het bevoegd gezag bij wie de ambtenaar in tijdelijke dienst wordt aangesteld,
en de ambtenaar maken, voorafgaand aan de in het eerste lid bedoelde
aanstelling in tijdelijke dienst, schriftelijke afspraken over de aanstelling
in tijdelijke dienst en de terugkeer in vaste dienst.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>De in het derde lid bedoelde afspraken omvatten in ieder geval de duur
van de aanstelling in tijdelijke dienst, de voorwaarden waaronder de duur
van de tijdelijke aanstelling kan worden verkort of verlengd, en de voorwaarden
waaronder de in het eerste lid bedoelde hernieuwde aanstelling in vaste dienst
plaatsvindt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Onze Minister kan bij ministeriële regeling de maximumduur van de
tijdelijke aanstelling, bedoeld in het eerste lid, vaststellen, alsmede nadere
richtlijnen voor de toepassing van het vierde lid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Bij een hernieuwde aanstelling in vaste dienst, bedoeld in het eerste
lid, wordt er van uitgegaan dat het dienstverband niet onderbroken is geweest.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7.</nr>
            <al>Alleen indien de ambtenaar gedurende de aanstelling in tijdelijke dienst
wordt ontslagen op grond van artikel 77, eerste lid, onderdeel j, kan de hernieuwde
aanstelling in vaste dienst, bedoeld in het eerste lid, komen te vervallen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a5">
          <kop>
            <nr>Artikel 5</nr>
          </kop>
          <al>De bijzondere ambtenaar van politie wordt in vaste dienst aangesteld.</al>
        </art>
        <art id="a6">
          <kop>
            <nr>Artikel 6</nr>
          </kop>
          <al>[Vervallen.]</al>
        </art>
        <art id="a7">
          <kop>
            <nr>Artikel 7</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Voor de aanstelling als aspirant-ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering
van de politietaak en bijzondere ambtenaar van politie komt uitsluitend in
aanmerking degene die:</al>
            <al>a. Nederlander is;</al>
            <al>b. de door Onze Minister vast te stellen minimum leeftijd heeft bereikt;</al>
            <al>c. voldoet aan bij regeling van Onze Minister te stellen eisen met betrekking
tot het opleidingsniveau, de psychologische keuring en een geneeskundige keuring
als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de medische keuringen;</al>
            <al>d. voldoet aan overige bij regeling van Onze Minister te stellen eisen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Teneinde vast te stellen of de persoon, bedoeld in de aanhef van het eerste
lid, in voldoende mate geschikt en bekwaam is voor de vervulling van de functie,
kan het bevoegd gezag de gegevens die door de betrokkene desgevraagd zijn
verstrekt, verifiëren en zo nodig aanvullen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onze Minister van Justitie kan ten aanzien van de aanstelling als bijzondere
ambtenaar van politie nadere regels vaststellen over het aantal dienstjaren
dat deze ambtenaar werkzaam moet zijn geweest als ambtenaar, aangesteld voor
de uitvoering van de politietaak.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>De betrokkene, die op grond van het eerste lid, onderdeel c, is onderworpen
aan een geneeskundige keuring, wordt bij aanstelling in een andere functie
opnieuw aan een geneeskundige keuring onderworpen, indien betrokkene voor
het vervullen van die functie aan andere medische eisen dient te voldoen dan
voor de tot dusverre vervulde functie.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a8">
          <kop>
            <nr>Artikel 8</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Voor de aanstelling als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische,
administratieve en andere taken ten dienste van de politie komt in aanmerking
degene die:</al>
            <al>a. voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen eisen met betrekking
tot het opleidingsniveau;</al>
            <al>b. voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen eisen met betrekking tot een psychologische keuring, indien daaraan naar het oordeel van
het bevoegd gezag behoefte bestaat;</al>
            <al>c. voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen eisen met betrekking
tot een geneeskundige keuring als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet
op de medische keuringen, indien aan de vervulling van de functie bijzondere
eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld.</al>
            <al>Het bevoegd gezag stelt vast voor welke functies een onderzoek naar de
medische geschiktheid noodzakelijk is;</al>
            <al>d. voldoet aan overige door het bevoegd gezag te stellen eisen die specifiek
gerelateerd zijn aan de functie binnen het politiekorps dan wel binnen het
LSOP of ITO.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Teneinde vast te stellen of de persoon, bedoeld in de aanhef van het eerste
lid, in voldoende mate geschikt en bekwaam is voor de vervulling van de functie,
kan het bevoegd gezag de gegevens die door de betrokkene desgevraagd zijn
verstrekt, verifiëren en zonodig aanvullen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De betrokkene die op grond van het eerste lid, onderdeel c, is onderworpen
aan een geneeskundige keuring, wordt bij aanstelling in een andere functie
opnieuw aan een geneeskundige keuring onderworpen, indien betrokkene voor
het vervullen van die functie aan andere medische eisen dient te voldoen dan
voor de tot dusverre vervulde functie.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a8a">
          <kop>
            <nr>Artikel 8a</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Aanstelling als aspirant, ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van
de politietaak, en bijzondere ambtenaar van politie is slechts mogelijk, indien
op grond van een ten aanzien van de betrokkene ingesteld antecedentenonderzoek
tegen diens aanstelling geen bezwaar blijkt te bestaan.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Aanstelling in een functie waarin technische, administratieve en andere
taken ten dienste van de politie worden uitgevoerd dan wel in een functie
bij het LSOP of ITO als bedoeld in artikel 8, eerste lid, is slechts mogelijk,
indien op grond van een ten aanzien van de betrokkene ingesteld antecedentenonderzoek
tegen diens aanstelling geen bezwaar blijkt te bestaan.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien het een functie
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken,
betreft.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Het tweede lid is niet van toepassing indien het bevoegd gezag heeft bepaald
dat voor de functie slechts een verklaring omtrent het gedrag is vereist.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Een antecedentenonderzoek of een veiligheidsonderzoek wordt ingesteld,
nadat het bevoegd gezag de betrokkene overigens bekwaam en geschikt acht.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a8b">
          <kop>
            <nr>Artikel 8b</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de aard van de functie of
van de werkzaamheden hiertoe aanleiding geeft, kan ten aanzien van de ambtenaar
in de volgende gevallen opnieuw een antecedentenonderzoek worden uitgevoerd:</al>
            <al>a. bij wijziging van werkzaamheden;</al>
            <al>b. bij aanstelling in een andere functie;</al>
            <al>c. bij de vervulling van een functie gedurende ten minste vijf dienstjaren,
of</al>
            <al>d. bij een redelijk vermoeden van ernstig plichtsverzuim dat de integriteit
of de verantwoordelijkheid van de betrokkene raakt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het eerste lid is niet van toepassing indien het een functie als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken,
of een functie waarvan het bevoegd gezag heeft bepaald dat slechts een verklaring
omtrent het gedrag is vereist, betreft.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a8c">
          <kop>
            <nr>Artikel 8c</nr>
          </kop>
          <al>Onze Minister stelt nadere regels vast ter uitvoering van het antecedentenonderzoek,
bedoeld in de artikelen 8a en 8b. Deze nadere regels bevatten in ieder geval
waarborgen omtrent een voldoende bescherming van de persoonlijke levenssfeer
van betrokkene.</al>
        </art>
        <art id="a9">
          <kop>
            <nr>Artikel 9</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Voor de aanvaarding van zijn ambt legt de aspirant die aanvangt met het
praktische opleidingsdeel, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van
de politietaak of de bijzondere ambtenaar van politie de volgende eed dan
wel verklaring en belofte van zuivering af: 'Ik zweer (verklaar), dat ik middellijk
of onmiddellijk, onder welke vorm of voorwendsel ook, tot het verkrijgen mijner
aanstelling aan niemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, of
zal geven of beloven. Ik zweer (beloof), dat ik, om iets hoegenaamd in mijn
betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd, middellijk of onmiddellijk,
enige beloften of geschenken zal aannemen. Zo waarlijk helpe mij God almachtig
(Dat verklaar en beloof ik!)' Daarna wordt door de ambtenaar de volgende eed
of belofte afgelegd: 'Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan de Grondwet
en aan de wetten des Rijks. Ik zweer (beloof) dat ik de krachtens de wet uitgevaardigde
voorschriften en verordeningen zal nakomen en handhaven, dat ik de mij verstrekte
opdrachten zal volbrengen en de zaken, waarvan ik door mijn ambt kennis draag
en die mij als geheim zijn toevertrouwd, of waarvan ik het vertrouwelijk karakter
moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie ik volgens
de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht ben, en dat ik mij als een nauwgezet
en ijverig politieambtenaar zal gedragen. Zo waarlijk helpe mij God almachtig
(Dat beloof ik)!'</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Voor de aanvaarding van zijn ambt, legt de ambtenaar, aangesteld voor
de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste
van de politie de volgende eed dan wel verklaring en belofte van zuivering
af: 'Ik zweer (verklaar) dat ik middellijk of onmiddellijk onder welke vorm
of voorwendsel ook, tot het verkrijgen mijner aanstelling aan niemand, wie
hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, of zal geven of beloven. Ik zweer
(beloof), dat ik, om iets hoegenaamd in mijn betrekking te doen of na te laten,
van niemand hoegenaamd, middellijk of onmiddellijk, enige beloften of geschenken
zal aannemen. Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat verklaar en beloof
ik!)' Daarna wordt door de ambtenaar de volgende eed of belofte afgelegd:
'Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan de Grondwet en aan de wetten des
Rijks. 'Ik zweer (beloof) dat ik de mij verstrekte opdrachten zal volbrengen
en de zaken, waarvan ik door mijn ambt kennis draag en die mij als geheim
zijn toevertrouwd of waarvan ik het vertrouwelijk karakter moet begrijpen,
niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie ik volgens de wet of ambtshalve
tot mededeling verplicht ben en dat ik mij als een nauwgezet en ijverig politieambtenaar
zal gedragen. Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat beloof ik!')</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De korpschef van een regionaal korps of van het Korps landelijke politiediensten,
legt de eden dan wel verklaringen en beloften af ten overstaan van de commissaris
van de Koning respectievelijk van Onze Minister.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>De ambtenaren, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen a en b, van
de LSOP-wet, leggen de eden dan wel verklaringen en beloften af ten overstaan
van de voorzitter van de bestuursraad van het LSOP.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>De overige ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak
en de overige ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve
en andere taken ten dienste van de politie, leggen de eden dan wel verklaringen
en beloften af ten overstaan van het bevoegd gezag.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>De bijzondere ambtenaren van politie leggen de eden dan wel verklaringen
en beloften af ten overstaan van Onze Minister van Justitie.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a10">
          <kop>
            <nr>Artikel 10</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Aan de ambtenaar wordt, zo mogelijk voor de aanvaarding van zijn ambt,
maar in ieder geval binnen een maand na aanvang van zijn werkzaamheden, een
akte van aanstelling door of vanwege het bevoegd gezag uitgereikt waarin in
elk geval worden vermeld:</al>
            <al>a. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de ambtenaar;</al>
            <al>b. of de aanstelling geschiedt in vaste of in tijdelijke dienst al dan
niet met een proeftijd en de duur van de eventuele proeftijd, waarbij, indien
de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst, bovendien in de akte wordt
vermeld of de aanstelling geschiedt voor bepaalde tijd en, zo ja, voor hoe
lang – of voor onbepaalde tijd en de toepasselijke grond voor aanstelling
in tijdelijke dienst.</al>
            <al>c. de functie waarin de ambtenaar wordt aangesteld;</al>
            <al>d. de plaats of de plaatsen van tewerkstelling en het werkgebied;</al>
            <al>e. de datum van ingang van de aanstelling;</al>
            <al>f. voor zover van toepassing, de rang waarin hij wordt aangesteld;</al>
            <al>g. de salarisschaal en de voor de bepaling van die schaal in acht genomen
regels, alsmede het salarisnummer en het salaris die de ambtenaar zijn toegekend
of, indien het een aspirant betreft, het salaris;</al>
            <al>h. de arbeidstijd die zijn betrekking omvat en</al>
            <al>i. het gegeven dat de eden dan wel de verklaringen en beloften zijn afgelegd,
en de datum waarop dit is gebeurd.</al>
            <al>j. de aanspraak op vakantie of de wijze van berekening van de aanspraak;</al>
            <al>k. de duur van de ontslag- respectievelijk opzegtermijnen of de wijze
waarop die termijnen worden vastgesteld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien aan de ambtenaar meerdere plaatsen als plaats van tewerkstelling
zijn aangewezen, wordt in de akte van aanstelling tevens een hoofdplaats van
tewerkstelling vermeld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Indien de ambtenaar is aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve
en andere taken ten dienste van de politie en een door het bevoegd gezag aangewezen
functie vervult waaraan volgens door Onze Minister gestelde criteria het deelnemerschap
in het specifiek deel van het AFUP-opbouwreglement is verbonden, wordt dit
in de akte van aanstelling vermeld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Voor zover deze gegevens niet reeds in de akte van aanstelling zijn vermeld,
deelt het bevoegd gezag de ambtenaar zo spoedig mogelijk schriftelijk andere
hem mogelijk toegekende voordelen mee, onder verwijzing naar de regeling waarop
de toekenning berust en de eventuele voorwaarden die aan de toekenning verbonden
zijn.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Indien de aanstelling afloopt voor het einde van de termijn van een maand
vanaf het begin van het dienstverband, moeten de gegevens, bedoeld in het
eerste lid, uiterlijk bij het aflopen van de aanstelling worden verstrekt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Wijziging van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, wordt de ambtenaar
binnen een maand schriftelijk medegedeeld, behoudens de wijziging van een
algemeen verbindend voorschrift waarnaar is verwezen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a11">
          <kop>
            <nr>Artikel 11</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De ambtenaar wordt bij zijn aanstelling schriftelijk door het bevoegd
gezag op de hoogte gesteld van de hoofdlijnen van zijn rechtspositie.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Regelingen waarin zijn rechtspositie is neergelegd, worden op een voor
de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd. Hij kan kosteloos
hiervan afschriften maken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De schriftelijk vastgestelde en voor hem geldende regelingen en instructies,
die hij bij de vervulling van zijn dienst heeft na te leven, worden eveneens
op een voor de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd.
Hij kan kosteloos hiervan afschriften maken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Over wijzigingen in regelingen betreffende zijn rechtspositie wordt de
ambtenaar schriftelijk op de hoogte gesteld.</al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK III.</nr>
          <titel status="off">ARBEIDS- EN RUSTTIJDEN</titel>
        </kop>
        <art id="a12">
          <kop>
            <nr>Artikel 12</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag stelt de arbeids- en rusttijden vast.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag kan in een regeling als bedoeld in artikel 1:4, eerste
lid, van de Arbeidstijdenwet afspraken maken inzake rusttijd en pauze, de
arbeidstijd, arbeid op zondag en arbeid in nachtdienst.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De arbeidstijd bedraagt gemiddeld 36 uur per week.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te
werken uren per jaar: het aantal kalenderdagen per jaar, verminderd met:</al>
            <al>a. het aantal zaterdagen en zondagen, en</al>
            <al>b. Nieuwjaarsdag, Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Tweede Pinksterdag,
de beide kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd,
en 5 mei, dan wel een andere door het bevoegd gezag aangewezen kerkelijke,
nationale, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdag, voor zover
deze dagen niet vallen op een zaterdag of een zondag, vermenigvuldigd met
7,2.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Voor de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking
bedraagt het aantal te werken uren per jaar een evenredig deel van het aantal
te werken uren volgens de systematiek van de in het vierde lid opgenomen berekeningswijze.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Het aantal te werken uren, bedoeld in het vierde en vijfde lid, wordt
rekenkundig op hele uren afgerond.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag deelt een voor de bij hem werkzame ambtenaren vastgesteld
rooster uiterlijk een week voor de aanvang van de periode waarop het betrekking
heeft, aan de ambtenaar mee.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>8.</nr>
            <al>Uiterlijk op de vierde dag, voorafgaande aan die waarop dienst moet worden
gedaan, wordt een dagrooster vastgesteld en aan de ambtenaar kenbaar gemaakt,
waarin is aangegeven welke de tijdstippen zijn van aanvang en einde van de
dienst. Van de vastgestelde tijdstippen kan uitsluitend worden afgeweken:</al>
            <al>a. met instemming van de betrokken ambtenaar of</al>
            <al>b. indien op grond van artikel 2:5 van de Arbeidstijdenwet die wet niet
van toepassing is.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>9.</nr>
            <al>De ambtenaar heeft in een kalenderjaar recht op tenminste 26 vrije zondagen
waarvan 22 aansluitend aan een vrije dag, dan wel op tenminste 22 periodes
van twee aaneengesloten vrije dagen waarbij de aaneengesloten periode een
zaterdag of een zondag omvat.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>10.</nr>
            <al>Onze Minister kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels stellen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a13">
          <kop>
            <nr>Artikel 13</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Voor de ambtenaar geldt een arbeidstijd van gemiddeld 38 uur per week,
tenzij de ambtenaar eenmalig kiest voor de volledige betrekking van gemiddeld
36 uur per week.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De aspirant maakt zijn keuze bij zijn aanstelling op grond van artikel
3a.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onverminderd het eerste lid is bij een aanvraag tot uitbreiding van de
betrekkingsomvang artikel 2, negende lid, van de Wet aanpassing arbeidsduur
van toepassing.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a13a">
          <kop>
            <nr>Artikel 13a</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, wordt op aanvraag van de
ambtenaar</al>
            <al>a. van 55 jaar en ouder de gemiddelde arbeidstijd per week met 11,1% verminderd;</al>
            <al>b. van 58 jaar en ouder de gemiddelde arbeidstijd per week met 33,3% verminderd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, wordt op aanvraag van de
ambtenaar de gemiddelde arbeidstijd per week voor een lager percentage verminderd
dan genoemd in het eerste lid, met dien verstande dat het aantal uren waarmee
de arbeidstijd wordt verminderd ten minste 2 uren per week bedraagt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De ingevolge het eerste en tweede lid verminderde arbeidstijd wordt rekenkundig
afgerond.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>De uren waarmee de gemiddelde arbeidstijd per week wordt verminderd, worden
aangemerkt als verlof.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Over de uren waarmee de gemiddelde arbeidstijd per week wordt verminderd,
wordt 50% ingehouden van het door de ambtenaar over die uren genoten salaris.
De inhouding op het salaris bedraagt 25% indien de ambtenaar, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, op 15 maart 1999 ten minste de 49-jarige leeftijd
heeft bereikt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Bij regeling van Onze Minister worden omtrent de verrekening van extra
inkomsten uit arbeid of bedrijf met het salaris van de in het eerste en tweede
lid bedoelde ambtenaar regels vastgesteld.</al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK III.A.</nr>
          <titel status="off">TIJDELIJKE OUDERENREGELING</titel>
        </kop>
        <art id="a13b">
          <kop>
            <nr>Artikel 13b</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Op aanvraag van de in de eerste volzin van artikel 88, eerste lid, bedoelde
ambtenaar die op 15 maart 1999 ten minste de 49-jarige leeftijd heeft bereikt,
verleent het bevoegd gezag non-activiteit, tenzij hier ernstige bezwaren voor
de bedrijfsvoering uit voortvloeien.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De periode van non-activiteit bedraagt ten hoogste 21 maanden op basis
van het volgende overzicht:</al>
            <al>
              <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
                <tgroup align="left" charoff="75" cols="2" tgroupstyle="sdu1">
                  <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="35mm"></colspec>
                  <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="77.5mm"></colspec>
                  <thead valign="bottom">
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1"> leeftijd:</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">periode: </entry>
                    </row>
                  </thead>
                  <tbody valign="bottom">
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0">55 jaar</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">1 maand </entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0">56 jaar</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">2 maanden </entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0">57 jaar</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">4 maanden </entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0">58 jaar</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">6 maanden</entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0">59 jaar</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">8 maanden</entry>
                    </row>
                  </tbody>
                </tgroup>
              </table>
            </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De non-activiteit wordt verleend in een aaneengesloten periode direct
voorafgaande aan het ontslag op grond van artikel 88, eerste lid, dan wel
direct voorafgaande aan het ontslag voor het bereiken van de 60-jarige leeftijd,
op grond van artikel 87a, tweede lid, en eindigt op de datum dat het ontslag
ingaat, dan wel op de dag van overlijden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>De ambtenaar aan wie non-activiteit is verleend, kan tot de datum waarop
de non-activiteit zou ingaan hiervan geheel of gedeeltelijk afzien, tenzij
hier ernstige bezwaren voor de bedrijfsvoering uit voortvloeien. De ambtenaar
kan geen vergoeding worden toegekend voor de niet genoten periode van non-activiteit.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Indien de ambtenaar voorafgaand aan de periode van non-activiteit ongeschikt
wordt tot het verrichten van zijn arbeid wegens beroepsziekte dan wel ziekte
als gevolg van een dienstongeval, dan wordt de periode van non-activiteit
opgeschort tot de datum waarop de ambtenaar weer in staat is arbeid te verrichten.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Onverminderd het negende lid, kan de periode van non-activiteit direct
worden voorafgegaan door een aaneengesloten periode waarin vakantie of verlof
wordt genoten.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7.</nr>
            <al>Tijdens de periode van non-activiteit kan de ambtenaar geen aanvraag doen
tot vermindering van de arbeidstijd conform artikel 13a, dan wel komt de ingevolge
artikel 13a verminderde arbeidstijd te vervallen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>8.</nr>
            <al>Het zevende lid is van overeenkomstige toepassing gedurende de vakantie
of het verlof, bedoeld in het zesde lid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>9.</nr>
            <al>Tijdens de periode van non-activiteit is artikel 19, vierde lid, niet
van toepassing. De aanspraak op vakantie die wordt opgebouwd gedurende de
periode van non-activiteit, wordt genoten in een aaneengesloten periode direct
voorafgaand aan de periode van non-activiteit.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>10.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag kan de in artikel 26, eerste lid, bedoelde vergoeding
toekennen op het moment dat de periode van non-activiteit ingaat dan wel op
het moment dat het verlof of de vakantie, bedoeld in het zesde lid, ingaat.</al>
            <al>11. Het tiende lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van het moment van toekennen van de gratificatie, bedoeld in artikel 75, derde
lid.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a13c">
          <kop>
            <nr>Artikel 13c</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De aanvraag, bedoeld in artikel 13b, eerste lid, dient uiterlijk een dag
voor het bereiken van de 56-jarige leeftijd te worden ingediend bij het bevoegd
gezag. In geval van ziekte kan het bevoegd gezag toestaan dat de aanvraag
wordt ingediend na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De ambtenaar die in aanmerking komt voor een periode van non-activiteit,
bedoeld in artikel 13b, eerste lid, maakt gedurende het 56-ste levensjaar
afspraken met het bevoegd gezag. De afspraken worden schriftelijk vastgelegd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De afspraken, bedoeld in het tweede lid, bevatten in ieder geval de wensen
van het bevoegd gezag en de ambtenaar ten aanzien van de datum waarop de periode
van non-activiteit zal ingaan, dan wel een afspraak over het tijdstip waarop
definitief moet worden vastgelegd vanaf welke datum de periode van non-activiteit
zal ingaan.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Indien het bevoegd gezag voornemens is de aanvraag niet of niet volledig
in te willigen, vraagt het bevoegd gezag binnen vier weken advies van een
door Onze Minister in te stellen commissie.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>De commissie, bedoeld in het vierde lid, wordt paritair samengesteld en
brengt binnen zes weken na ontvangst van de adviesaanvraag een schriftelijk
advies uit aan het bevoegd gezag en aan de betrokken ambtenaar.</al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK IV.</nr>
          <titel status="off">VAKANTIE</titel>
        </kop>
        <art id="a14">
          <kop>
            <nr>Artikel 14</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het LSOP roostert voor de aspirant gedurende de initiële opleiding
165,6 vakantie-uren per kalenderjaar in. Per kalenderjaar worden ten minste
twee kalenderweken aaneengesloten ingeroosterd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien het bevoegd gezag ingeroosterde vakantie-uren intrekt en deze uren
niet op een ander tijdstip in dat kalenderjaar kunnen worden genoten, wordt
de aspirant voor ieder uur vakantie dat hij niet heeft genoten
een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur. Door andere
omstandigheden niet genoten vakantie-uren vervallen aan het einde van het
desbetreffende kalenderjaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Na afloop van het laatste opleidingsjaar zullen de niet ingeroosterde
vakantie-uren die nog resteren in dat kalenderjaar bij voortzetting van de
aanstelling in het desbetreffende kalenderjaar kunnen worden opgenomen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>De aspirant die in deeltijd is aangesteld, heeft recht op een evenredig
aantal vakantie-uren.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a15">
          <kop>
            <nr>Artikel 15</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Aan de ambtenaar wordt, al dan niet op zijn aanvraag, in elk kalenderjaar
vakantie met behoud van bezoldiging verleend met inachtneming van de regels,
gesteld in dit hoofdstuk.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Deze vakantie wordt verleend door het bevoegd gezag.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a16">
          <kop>
            <nr>Artikel 16</nr>
          </kop>
          <al>[Vervallen.]</al>
        </art>
        <art id="a17">
          <kop>
            <nr>Artikel 17</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De aanspraak op vakantie bedraagt 165,6 uren per kalenderjaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien de ambtenaar in een kalenderjaar geen arbeidsverzuim heeft gehad
wegens ziekte, met uitzondering van arbeidsverzuim in verband met een dienstongeval
of zwangerschap, wordt in het daaropvolgende kalenderjaar, de in het eerste
lid bedoelde aanspraak vermeerderd met 7,2 uur.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Indien de ambtenaar zich in een kalenderjaar wegens ziekte, anders dan
door een dienstongeval of zwangerschap meer dan vijf maal ziek meldt, wordt
de in het eerste lid bedoelde aanspraak verminderd met 7,2 uur, tenzij het
bevoegd gezag bijzondere omstandigheden aanwezig acht.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a18">
          <kop>
            <nr>Artikel 18</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De volgens artikel 17 vastgestelde aanspraak op vakantie wordt, afhankelijk
van de leeftijd die de ambtenaar in het desbetreffende kalenderjaar bereikt,
verhoogd overeenkomstig de hierna volgende tabel:</al>
            <al>
              <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
                <tgroup align="left" charoff="75" cols="2" tgroupstyle="sdu1">
                  <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="60mm"></colspec>
                  <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="52.5mm"></colspec>
                  <thead valign="bottom">
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1"> leeftijd</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">verhoging </entry>
                    </row>
                  </thead>
                  <tbody valign="bottom">
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0">18 jaar
en jonger</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">21,6 uren</entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0">19 jaar</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">14,4 uren </entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0">20 jaar</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">7,2 uren </entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0">van 45 tot en met 49 jaar</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">7,2 uren </entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0">van 50 tot en met 54 jaar</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">14,4 uren </entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0">van 55 tot en met 59 jaar</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">21,6 uren </entry>
                    </row>
                    <row valign="top">
                      <entry morerows="0" rotate="0">60 jaar en ouder</entry>
                      <entry morerows="0" rotate="0">28,8 uren</entry>
                    </row>
                  </tbody>
                </tgroup>
              </table>
            </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De verhoging, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op de
ambtenaar die op grond van artikel 13a zijn gemiddelde arbeidstijd per week
vermindert.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a19">
          <kop>
            <nr>Artikel 19</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Voor de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking
wordt de ingevolge de artikelen 17 en 18 geldende aanspraak op vakantie vastgesteld
op een evenredig deel van de aanspraak bij een volledige betrekking.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien de diensttijd van de ambtenaar in de loop van een kalenderjaar
wordt gewijzigd, wordt de aanspraak op vakantie over het resterend gedeelte
van het jaar opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de nieuwe diensttijd.
De tot aan de datum van ingang van de wijziging van de diensttijd verworven
aanspraak op vakantie blijft ongewijzigd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Bij beëindiging of aanvang van het dienstverband in de loop van een
kalenderjaar, wordt de aanspraak op vakantie als bedoeld in de artikelen 17,
eerste lid, en 18 vastgesteld naar evenredigheid van de dienst, die de ambtenaar
in dat jaar verricht heeft of zal verrichten.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in het geheel geen dienst
verricht, met uitzondering van de eerste kalendermaand, heeft hij geen aanspraak
op vakantie. Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar gedeeltelijk
dienst verricht, heeft hij slechts aanspraak op vakantie naar evenredigheid
van het gedeelte van het aantal uren waarop hij feitelijk dienst verricht.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Het vierde lid is niet van toepassing indien:</al>
            <al>a. geheel of gedeeltelijk geen dienst wordt verricht wegens:</al>
            <al>1°. teveel gewerkte uren;</al>
            <al>2°. verleende vakantie;</al>
            <al>3°. niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar te wijten ziekte,
voor zover de verhindering tot dienstverrichting korter duurt dan 26 weken,
dan wel 52 weken in geval van ziekte als gevolg van een dienstongeval, waarbij
een hervatting van de dienstverrichting gedurende dertig kalenderdagen of
minder geen nieuwe periode van 26 respectievelijk 52 weken inluidt;</al>
            <al>4°. ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 41;</al>
            <al>5°. zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 55;</al>
            <al>6°. verblijf in militaire dienst wegens herhalingsoefeningen;</al>
            <al>7°. verlof van korte duur verleend op basis van de artikelen 31, 33,
35, 36 of 37;</al>
            <al>8°. adoptieverlof als bedoeld in artikel 41a;</al>
            <al>9°. partieel uittreden als bedoeld in artikel 13a;</al>
            <al>10°. minder werken als bedoeld in artikel 28b;</al>
            <al>b. het bevoegd gezag daartoe aanleiding aanwezig acht.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a20">
          <kop>
            <nr>Artikel 20</nr>
          </kop>
          <al>[Vervallen.]</al>
        </art>
        <art id="a21">
          <kop>
            <nr>Artikel 21</nr>
          </kop>
          <al>[Vervallen.]</al>
        </art>
        <art id="a22">
          <kop>
            <nr>Artikel 22</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Over de tijdstippen waarop de vakantie zal ingaan, alsmede over de tijdvakken
waarin deze eventueel zal worden gesplitst, beslist het bevoegd gezag in goed
overleg met de ambtenaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De ambtenaar met een volledige betrekking dient in elk kalenderjaar ten
minste 108 uur vakantie op te nemen waarvan ten minste 72 uur over een aaneengesloten
periode. Voor een ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking
wordt het aantal in de eerste volzin genoemde uren vastgesteld op een evenredig
deel van het aantal uren bij een volledige betrekking.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a23">
          <kop>
            <nr>Artikel 23</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Indien de ambtenaar in een kalenderjaar de aanspraak op vakantie niet
geheel heeft genoten, wordt de niet genoten vakantie naar het volgende kalenderjaar
overgeboekt tot een maximum van de aanspraak van de ambtenaar
over een vol kalenderjaar berekend volgens de artikelen 17 tot en met 19,
verminderd met het minimaal op te nemen aantal uren vakantie, genoemd in artikel
22, tweede lid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>In individuele gevallen kan het bevoegd gezag toestaan dat in een bepaald
jaar wordt afgeweken van de overeenkomstig het eerste lid maximaal naar een
volgend kalenderjaar over te boeken vakantie-aanspraken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Indien het bevoegd gezag ingeroosterde vakantie-uren intrekt dan wel de
ambtenaar de overeenkomstig artikel 22, tweede lid, minimaal op te nemen vakantie
niet of niet geheel kan verlenen vanwege ernstige bezwaren voor de bedrijfsvoering,
is het eerste lid niet van toepassing.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a24">
          <kop>
            <nr>Artikel 24</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Indien de ambtenaar in een kalenderjaar meer vakantie heeft genoten dan
hem ingevolge dit hoofdstuk toekomt, wordt dit meerdere verrekend met de hem
over een of meer volgende kalenderjaren toekomende vakantie.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het eerste lid geldt met dien verstande dat uit dien hoofde in een kalenderjaar
de vakantie niet met meer dan een derde gedeelte van hetgeen de ambtenaar
ingevolge de artikelen 17 tot en met 19 toekomt, mag worden verminderd.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a25">
          <kop>
            <nr>Artikel 25</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van
dienstbelang dat noodzakelijk maken. In dat geval komt een dag, waarop de
ambtenaar dientengevolge slechts gedeeltelijk vakantie heeft genoten, niet
in aanmerking bij het berekenen van het aantal genoten vakantie-uren.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke
schade lijdt, wordt deze hem vergoed.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a26">
          <kop>
            <nr>Artikel 26</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Indien de ambtenaar op de datum van zijn ontslag nog aanspraak heeft op
vakantie, wordt hem voor ieder uur vakantie dat hij niet heeft opgenomen een
vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat de ambtenaar
direct voorafgaand aan zijn ontslag genoot.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien op de dag van zijn ontslag blijkt dat de ambtenaar teveel vakantie
heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten vakantie een bedrag schuldig
ten bedrage van het salaris per uur.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a27">
          <kop>
            <nr>Artikel 27</nr>
          </kop>
          <al>[Vervallen.]</al>
        </art>
        <art id="a28">
          <kop>
            <nr>Artikel 28</nr>
          </kop>
          <al>Het bevoegd gezag kan nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk vaststellen.</al>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK IV.A</nr>
          <titel status="off">INDIVIDUELE KEUZEMOGELIJKHEDEN IN ARBEIDSVOORWAARDEN</titel>
        </kop>
        <art id="a28a">
          <kop>
            <nr>Artikel 28a</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De ambtenaar kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om gedurende
het eerstvolgende kalenderjaar meer uren te werken dan het aantal
uren dat op grond van artikel 12, vierde en vijfde lid, voor hem is vastgesteld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal uren
dat meer gewerkt kan worden ten hoogste 200 uren per kalenderjaar. Voor een
ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking wordt dit
maximum vastgesteld op een evenredig deel van het maximaal aantal uren bij
een volledige betrekking, waarbij het aantal te werken uren op jaarbasis gemiddeld
per week niet meer mag bedragen dan 40 uur.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt door het bevoegd gezag toegewezen
tenzij hiertegen ernstige bezwaren bestaan. Artikel 2, negende lid, van de
Wet aanpassing arbeidsduur is van toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Per meer te werken uur ontvangt de ambtenaar maandelijks een vergoeding
ter grootte van zijn salaris per uur.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a28b">
          <kop>
            <nr>Artikel 28b</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De ambtenaar kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om gedurende
het eerstvolgende kalenderjaar minder uren te werken dan het aantal uren dat
op grond van artikel 12, vierde en vijfde lid, voor hem is vastgesteld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal uren
dat minder kan worden gewerkt ten hoogste 80 uren per kalenderjaar. Voor een
ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking wordt dit
maximum vastgesteld op een evenredig deel van het maximaal aantal uren bij
een volledige betrekking.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt door het bevoegd gezag toegewezen
tenzij hiertegen ernstige bezwaren bestaan. Artikel 2, achtste lid, van de
Wet aanpassing arbeidsduur is van toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Per minder te werken uur wordt maandelijks een inhouding op het salaris
van de ambtenaar toegepast ter grootte van zijn salaris per uur.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a28c">
          <kop>
            <nr>Artikel 28c</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Artikel 28a is niet van toepassing op de ambtenaar:</al>
            <al>a. van wie de gemiddelde wekelijkse werktijd met toepassing van artikel
13a is verminderd;</al>
            <al>b. die op grond van artikel 13b non-activiteit geniet dan wel direct voorafgaande
aan de non-activiteit verlof geniet;</al>
            <al>c. die betaald ouderschapsverlof geniet als bedoeld in artikel 41;</al>
            <al>d. die buitengewoon verlof van lange duur geniet als bedoeld in de artikelen
42, 43, 46 en 47, of</al>
            <al>e. die gedeeltelijk ontslag is verleend als bedoeld in artikel 87a.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Artikel 28b is niet van toepassing op de ambtenaar:</al>
            <al>a. die op grond van artikel 13b non-activiteit geniet dan wel direct voorafgaande
aan de non-activiteit verlof geniet, of</al>
            <al>b. die buitengewoon verlof van lange duur geniet als bedoeld in de artikelen
42, 43, 46 en 47.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a28d">
          <kop>
            <nr>Artikel 28d</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag stelt jaarlijks vast voor welke datum een aanvraag als
bedoeld in de artikelen 28a en 28b, moet worden ingediend.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag beslist op alle aanvragen die zijn ingediend voor de
datum, bedoeld in het eerste lid, binnen drie maanden na die datum, doch uiterlijk
een maand voor het kalenderjaar waarop de aanvraag ziet.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a28e">
          <kop>
            <nr>Artikel 28e</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Indien het bevoegd gezag een fiscale regeling heeft getroffen, kan op
aanvraag van de ambtenaar ten behoeve van deze fiscale regeling geheel of
gedeeltelijk worden afgezien van</al>
            <al>a. ten hoogste het recht op 21,6 uren vakantie per kalenderjaar bij een
volledige betrekking, dan wel, indien de ambtenaar een andere betrekking dan
een volledige betrekking heeft, een evenredig deel hiervan,</al>
            <al>b. een vergoeding als bedoeld in artikel 28a, vierde lid,</al>
            <al>c. een toelage als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van het Besluit
bezoldiging politie,</al>
            <al>d. een uitkering als bedoeld in artikel 25a van het Besluit bezoldiging
politie, mits met toepassing van het tweede lid van dat artikel door Onze
Minister is bepaald dat de uitkering niet behoort tot de bezoldiging of tot
het inkomen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds
ABP, of</al>
            <al>e. een uitkering als bedoeld in artikel 26 van het Besluit bezoldiging
politie tenzij er sprake is van ernstige bezwaren voor de bedrijfsvoering.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien de ambtenaar afziet van de in het eerste lid genoemde aanspraken,
wordt de waarde van die aanspraken vastgesteld op de waarde op de dag waarop
de ambtenaar aan de fiscale regeling gaat deelnemen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a28f">
          <kop>
            <nr>Artikel 28f</nr>
          </kop>
          <al>Onze Minister kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit hoofdstuk.</al>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK V.</nr>
          <titel status="off">VERLOF</titel>
        </kop>
        <art id="a29">
          <kop>
            <nr>Artikel 29</nr>
          </kop>
          <al>Onverminderd hoofdstuk VII van dit besluit en hoofdstuk 9 van het Besluit
bezoldiging politie geniet verlof:</al>
          <al>a. de ambtenaar die als militair in werkelijke dienst is;</al>
          <al>b. de ambtenaar die zich bevindt in één der omstandigheden,
bedoeld in artikel 37 van het Besluit bezoldiging politie of</al>
          <al>c. de ambtenaar die uit hoofde van ziekte of ongeval verhinderd is dienst
te verrichten.</al>
        </art>
        <art id="a30">
          <kop>
            <nr>Artikel 30</nr>
          </kop>
          <al>[Vervallen.]</al>
        </art>
        <art id="a31">
          <kop>
            <nr>Artikel 31</nr>
          </kop>
          <al>[Vervallen.]</al>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK VI.</nr>
          <titel status="off">BUITENGEWOON VERLOF</titel>
        </kop>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 1.</nr>
            <titel status="off">Algemene bepaling</titel>
          </kop>
          <art id="a32">
            <kop>
              <nr>Artikel 32</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Aan de ambtenaar wordt in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd
in de volgende artikelen van dit hoofdstuk, buitengewoon verlof verleend.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Buitengewoon verlof wordt verleend door het bevoegd gezag.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 2.</nr>
            <titel status="off">Buitengewoon verlof van korte duur</titel>
          </kop>
          <art id="a33">
            <kop>
              <nr>Artikel 33</nr>
            </kop>
            <al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt, voor
zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van de dienst niet
mogelijk is, buitengewoon verlof verleend:</al>
            <al>a. voor de uitoefening van het kiesrecht of</al>
            <al>b. voor het voldoen aan een wettelijke verplichting.</al>
          </art>
          <art id="a34">
            <kop>
              <nr>Artikel 34</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Indien de ambtenaar een vaste vergoeding ontvangt uit de functie waarvoor
hem het in artikel 125c, tweede lid, van de Ambtenarenwet bedoelde verlof
wordt verleend, wordt op zijn bezoldiging een inhouding toegepast over de
tijd dat hij verlof geniet. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden
te ontvangen als vaste vergoeding voor de met verlof overeenkomende tijd in
de bedoelde functie niet te boven.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Onze Minister kan nadere regels ter uitvoering van het eerste lid vaststellen.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a35">
            <kop>
              <nr>Artikel 35</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt jaarlijks
ten hoogste 120 uren buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging
verleend voor het bijwonen van vergaderingen van statutaire organen van verenigingen
van ambtenaren, van centrale organisaties waarbij deze verenigingen zijn aangesloten,
of van internationale ambtenarenorganisaties, mits de ambtenaar hieraan deelneemt:</al>
              <al>a. voor zover het betreft vergaderingen van verenigingen van ambtenaren
als bestuurslid van die vereniging dan wel als afgevaardigde of bestuurslid
van een onderdeel daarvan;</al>
              <al>b. voor zover het betreft vergaderingen van centrale organisaties waarbij
verenigingen van ambtenaren zijn aangesloten, als bestuurslid van die centrale
organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie
aangesloten vereniging van ambtenaren;</al>
              <al>c. voor zover het betreft vergaderingen van een internationale ambtenarenorganisatie,
als bestuurslid van deze organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid
van een bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt tot ten
hoogste 208 uren per jaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging
verleend aan de ambtenaar die door een bond, vereniging of centrale als bedoeld
in artikel 2, tweede lid, 12, tweede en zesde lid, dan wel door een bond,
vereniging of centrale waarmee ingevolge artikel 22, 22a of 22b overleg
wordt gepleegd, van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 is
aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien
binnen zijn bond, vereniging of centrale dan wel binnen de organisatie van
de werkgever, die ertoe strekken de doelstellingen van zijn bond, vereniging
of centrale te ondersteunen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de
ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor
het deelnemen aan een cursus op uitnodiging van een organisatie van ambtenaren
als bedoeld in het tweede lid, met dien verstande dat dit verlof ten hoogste
48 uren per twee jaar bedraagt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Het aantal uren dat op grond van het eerste, tweede en derde lid, alsmede
op grond van artikel 18, eerste en tweede lid, van de Wet op de ondernemingsraden
aan een ambtenaar mag worden verleend, bedraagt tezamen ten hoogste 240 uren
per jaar, met dien verstande dat ten hoogste 320 uren worden
verleend aan leden van hoofdbesturen van de in het tweede lid bedoelde organisaties.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Het verlof, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, wordt slechts
verleend aan ambtenaren die lid zijn van de in het tweede lid bedoelde organisaties.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Tenzij zwaarwegende belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen
van vergaderingen van de commissies, bedoeld in de artikelen 2, eerste lid,
12, eerste lid, 21, eerste lid, 22, eerste lid, 22a, eerste lid en 22b, eerste
lid, alsmede voor vergaderingen van de werkgroepen, bedoeld in artikel 18
van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994. Dit geldt eveneens
voor één voorvergadering per in de eerste volzin bedoelde vergadering.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>7.</nr>
              <al>Voor de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking
wordt de ingevolge dit artikel geldende aanspraak op verlof vastgesteld op
een evenredig deel van de aanspraak bij een volledige betrekking.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>8.</nr>
              <al>Dit artikel is van toepassing voor zover artikel 35a geen toepassing heeft
gevonden.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a35a">
            <kop>
              <nr>Artikel 35a</nr>
            </kop>
            <al>Het bevoegd gezag kan, in overeenstemming met een of meer hoofdbesturen
van de verenigingen van ambtenaren die zijn toegelaten tot het overleg met
de commissie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, 21, eerste lid, 22, eerste
lid, 22a, eerste lid, en 22b, eerste lid, van het Besluit overleg en medezeggenschap
politie 1994, regels stellen inzake het toekennen van buitengewoon verlof
voor vakbondsfaciliteiten.</al>
          </art>
          <art id="a36">
            <kop>
              <nr>Artikel 36</nr>
            </kop>
            <al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon
verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:</al>
            <al>a. voor het zoeken van een woning, indien het dienstbelang verhuizing
vordert: ten hoogste twee dienstdagen;</al>
            <al>b. voor verhuizing uit hoofde van dienstbelang: ten hoogste twee dienstdagen,
zonodig, indien de ambtenaar een eigen huishouding heeft, te verlengen tot
drie dienstdagen en in zeer bijzondere gevallen tot vier dienstdagen.</al>
          </art>
          <art id="a37">
            <kop>
              <nr>Artikel 37</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de
ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:</al>
              <al>a. bij zijn huwelijk: 3 dienstdagen;</al>
              <al>b. tot het bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten in de
eerste en tweede graad: 1 dienstdag;</al>
              <al>c. bij overlijden van</al>
              <al>1. zijn echtgenote, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen,
stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen: vier dienstdagen;</al>
              <al>2. bloed- of aanverwanten in de tweede graad: twee dienstdagen;</al>
              <al>d. bij bevalling van zijn echtgenote: ten hoogste vijf dienstdagen;</al>
              <al>e. bij zijn 25- of 40-jarig ambtsjubileum: één dienstdag.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder huwelijk mede verstaan
het aangaan van een geregistreerd partnerschap alsmede het sluiten van een
samenlevings-contract als bedoeld in artikel 1, tweede lid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Buitengewoon verlof dat aan de ambtenaar op grond van het eerste lid wordt
verleend in verband met aanverwantschap die door zijn huwelijk is
ontstaan met bloedverwanten van zijn echtgenote wordt op dezelfde wijze verleend
aan de ambtenaar met betrekking tot dezelfde bloedverwanten van zijn geregistreerde
partner alsmede aan de ambtenaar, die ongehuwd samenwoont als bedoeld in artikel
1, tweede lid, met betrekking tot dezelfde bloedverwanten van zijn levenspartner.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a38">
            <kop>
              <nr>Artikel 38</nr>
            </kop>
            <al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de
ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend:</al>
            <al>a. voor het afleggen van een examen voor het behalen van een diploma dat
voor de uitoefening van zijn functie van belang kan worden geacht of</al>
            <al>b. voor het zitting nemen in examencommissies op politiegebied voor ten
hoogste tien dienstdagen per kalenderjaar.</al>
          </art>
          <art id="a39">
            <kop>
              <nr>Artikel 39</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Buitengewoon verlof van korte duur, al dan niet met behoud van bezoldiging,
kan bovendien worden verleend, indien het bevoegd gezag van oordeel is dat
daartoe aanleiding bestaat.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Onze Minister kan nadere regels stellen in welke gevallen het eerste lid
kan worden toegepast.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a40">
            <kop>
              <nr>Artikel 40</nr>
            </kop>
            <al>Het bevoegd gezag kan nadere procedurele regels stellen omtrent het aanvragen
en verlenen van buitengewoon verlof van korte duur.</al>
          </art>
          <art id="a40a">
            <kop>
              <nr>Artikel 40a</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De ambtenaar heeft aanspraak op buitengewoon verlof met behoud van zijn
volledige bezoldiging voor de opvang bij calamiteiten in zijn persoonlijke
levenssfeer.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Onder calamiteit wordt verstaan:</al>
              <al>a. ziekte of andere onverwachte gebeurtenissen waardoor een noodsituatie
ontstaat in de verzorging van een of meer van de in het vierde lid bedoelde
personen;</al>
              <al>b. een onverwachte gebeurtenis waardoor het noodzakelijk is dat de ambtenaar
zelf onverwijld maatregelen moet treffen ter voorkoming of beperking van schade
of onheil.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Het verlof is bedoeld voor de eerste opvang en het treffen van noodzakelijke
voorzieningen en bedraagt ten hoogste 1 dienstdag per calamiteit voor ten
hoogste 3 calamiteiten per jaar.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De personen voor wie verzorging kan worden verleend als bedoeld in het
tweede lid, onderdeel a, zijn: de echtgenote of echtgenoot, ouders, stiefouders,
pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde
kinderen van de ambtenaar.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>De ambtenaar informeert het bevoegd gezag vooraf over het opnemen van
het verlof onder vermelding van de reden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Het bevoegd gezag kan verlangen dat de ambtenaar achteraf aannemelijk
maakt dat daadwerkelijk sprake was van een calamiteit. Indien de ambtenaar
daar redelijkerwijs niet in slaagt, kunnen de opgenomen uren in mindering
worden gebracht op het vakantieverlof.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>7.</nr>
              <al>Voor de toepassing van dit artikel is artikel 37, derde lid, van overeenkomstige
toepassing.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a40b">
            <kop>
              <nr>Artikel 40b</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet wordt aan de
ambtenaar verlof met behoud van volledige bezoldiging verleend voor de noodzakelijke
verzorging in verband met ziekte van:</al>
              <al>a. de echtgenote of echtgenoot;</al>
              <al>b. een inwonend kind tot wie de ambtenaar als ouder in een familierechtelijke
betrekking staat;</al>
              <al>c. een inwonend kind van de echtgenote of echtgenoot;</al>
              <al>d. een pleegkind dat blijkens verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie
op hetzelfde adres woont als de ambtenaar en door hem duurzaam wordt verzorgd
en opgevoed op basis van een pleegcontract als bedoeld in artikel 39 van de
Wet op de jeugdhulpverlening.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet wordt aan de
ambtenaar verlof met behoud van volledige bezoldiging verleend voor de noodzakelijke
verzorging in verband met ernstige ziekte van:</al>
              <al>a. ouders;</al>
              <al>b. stiefouders;</al>
              <al>c. pleegouders;</al>
              <al>d. schoonouders;</al>
              <al>e. een niet-inwonend kind tot wie de ambtenaar in een familierechtelijke
betrekking staat;</al>
              <al>f. een niet-inwonend kind van de echtgenote of echtgenoot.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt per kalenderjaar
ten hoogste tweemaal de arbeidsduur per week.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De ambtenaar meldt vooraf onder opgave van de reden aan het bevoegd gezag
dat hij het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, opneemt. Indien deze
melding voorafgaand aan het verlof niet mogelijk is, geschiedt dit zo spoedig
mogelijk. Bij de melding geeft de ambtenaar ook de omvang, de wijze van opnemen
en de vermoedelijke duur van het verlof aan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Het bevoegd gezag kan achteraf van de ambtenaar verlangen dat hij aannemelijk
maakt dat hij zijn arbeid niet heeft verricht in verband met de noodzakelijke
verzorging, bedoeld in het eerste en tweede lid. Indien de ambtenaar daar
redelijkerwijs niet in slaagt, kunnen de opgenomen uren in mindering worden
gebracht op het vakantieverlof.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Voor de toepassing van dit artikel is artikel 37, derde lid, van overeenkomstige
toepassing.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a41">
            <kop>
              <nr>Artikel 41</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De ambtenaar die als ouder in een familierechtelijke betrekking staat
tot een kind, heeft aanspraak op ouderschapsverlof. Indien de ambtenaar met
ingang van hetzelfde tijdstip tot meer dan één kind in een familierechtelijke
betrekking komt te staan, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen
aanspraak op ouderschapsverlof.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De ambtenaar die blijkens verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie
op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam de verzorging en de opvoeding
van dat kind als eigen kind op zich heeft genomen, heeft aanspraak op ouderschapsverlof.
Indien het op hetzelfde tijdstip meer dan één kind betreft,
bestaat aanspraak op ouderschapsverlof als betrof het één kind.
Indien de ambtenaar met het oog op adoptie met ingang van hetzelfde tijdstip
de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft
genomen, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op ouderschapsverlof.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Geen aanspraak op ouderschapsverlof bestaat na de datum waarop het kind
de leeftijd van acht jaren heeft bereikt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Het verlof wordt uitsluitend verleend aan de ambtenaar wiens dienstbetrekking
ten minste een jaar heeft geduurd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Het aantal uren verlof waarop de ambtenaar ten hoogste aanspraak heeft, bedraagt een kwart van het aantal door de ambtenaar te werken
uren in het kalenderjaar waarin het verlof aanvangt uitgaande van zijn arbeidsduur
op het tijdstip waarop het verlof aanvangt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Het verlof wordt opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten
hoogste zes maanden en gelijkmatig over deze periode verdeeld. De ambtenaar
kan het bevoegd gezag verzoeken in afwijking van de eerste volzin het verlof
op een andere wijze aaneengesloten te genieten of het verlof op te delen in
ten hoogste drie niet aaneengesloten perioden, waarbij iedere periode ten
minste één maand bedraagt. Het bevoegd gezag stemt in met het
verzoek tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich daartegen verzetten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>7.</nr>
              <al>Over de uren waarop de ambtenaar verlof is verleend, behoudt hij 75% van
zijn bezoldiging.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>8.</nr>
              <al>De ambtenaar is verplicht tot terugbetaling van de bezoldiging over de
genoten verlofuren wanneer hem tijdens de verlofperiode of binnen een jaar
na afloop van het verlof ontslag wordt verleend op aanvraag dan wel niet op
aanvraag op grond van aan de ambtenaar te wijten feiten of omstandigheden.
Ontslag op aanvraag gevolgd door een overgang binnen vier weken binnen de
politiedienst wordt niet als ontslag beschouwd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>9.</nr>
              <al>Het bevoegd gezag is verplicht in te stemmen met een aanvraag van de ambtenaar
het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van onvoorziene
omstandigheden, tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen
verzetten. Het bevoegd gezag behoeft aan de aanvraag niet met ingang van een
vroeger tijdstip gevolg te geven dan vier weken na de aanvraag. In het geval
het verlof met toepassing van de eerste volzin, na het tijdstip van ingang
daarvan niet wordt voortgezet, vervalt de aanspraak op het overige deel van
dat verlof.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>10.</nr>
              <al>Het bevoegd gezag kan, na overleg met de ambtenaar, de spreiding van de
verlofuren over de week op grond van gewichtige redenen van dienstbelang wijzigen
tot vier weken voor het tijdstip van ingang van het verlof.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>11.</nr>
              <al>Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen over de wijze waarop ouderschapsverlof
wordt aangevraagd.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a41a">
            <kop>
              <nr>Artikel 41a</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De ambtenaar heeft in verband met de adoptie van een kind aanspraak op
verlof met behoud van bezoldiging.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De aanspraak op verlof in verband met adoptie bedraagt ten hoogste drie
aaneengesloten weken. De aanspraak bestaat gedurende een tijdvak van zestien
weken vanaf de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang
heeft genomen of zal nemen zoals die dag is aangeduid in een door de ambtenaar
aan het bevoegd gezag overgelegd document waaruit blijkt dat een kind ter
adoptie is of zal worden opgenomen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Indien als gevolg van een adoptieverzoek tegelijkertijd twee of meer kinderen
feitelijk ter adoptie worden opgenomen, bestaat de aanspraak op verlof slechts
ten aanzien van één van die kinderen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De ambtenaar meldt aan het bevoegd gezag het verlof in verband met adoptie
uiterlijk drie weken voor de dag van ingang van het verlof onder opgave van
de omvang van het verlof. Bij de melding worden documenten gevoegd waaruit
blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 3.</nr>
            <titel status="off">Buitengewoon verlof van lange duur</titel>
          </kop>
          <art id="a42">
            <kop>
              <nr>Artikel 42</nr>
            </kop>
            <al>De ambtenaar die als militair in werkelijke dienst is, is met buitengewoon
verlof van lange duur.</al>
          </art>
          <art id="a43">
            <kop>
              <nr>Artikel 43</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Aan de ambtenaar kan op zijn aanvraag buitengewoon verlof worden verleend,
al dan niet met behoud van bezoldiging en al dan niet onder bepaalde voorwaarden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het verlof, bedoeld in het eerste lid, gaat niet in dan na aanvaarding
van dat verlof met de daaraan verbonden voorwaarden door de ambtenaar.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a44">
            <kop>
              <nr>Artikel 44</nr>
            </kop>
            <al>Indien het verlof, bedoeld in artikel 43, uitsluitend strekt tot het persoonlijk
belang van de ambtenaar, kan hem dit slechts worden verleend zonder behoud
van bezoldiging en voor ten hoogste zes maanden.</al>
          </art>
          <art id="a45">
            <kop>
              <nr>Artikel 45</nr>
            </kop>
            <al>Indien het verlof, bedoeld in artikel 43, ten doel heeft de ambtenaar
in de gelegenheid te stellen een andere functie te vervullen en met verlofverlening
naar het oordeel van het bevoegd gezag niet uitsluitend het persoonlijk belang
van de ambtenaar, maar ook het algemeen belang wordt gediend, kan het verlof
in beginsel voor ten hoogste een jaar, zonder behoud van bezoldiging, worden
verleend.</al>
          </art>
          <art id="a46">
            <kop>
              <nr>Artikel 46</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Aan de ambtenaar, benoemd tot bezoldigd bestuurder van een vereniging
van ambtenaren, van een centrale of van een internationale organisatie van
zodanige verenigingen, kan uit dien hoofde voor ten hoogste twee jaren buitengewoon
verlof, zonder behoud van bezoldiging, worden verleend.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Artikel 35, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a47">
            <kop>
              <nr>Artikel 47</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Indien het verlof, bedoeld in artikel 43, ten doel heeft de ambtenaar
in de gelegenheid te stellen anders dan in vaste dienst hetzij een functie
in dienst van een volkenrechtelijke organisatie te vervullen hetzij ten behoeve
van de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel als deskundige tijdelijk ten
behoeve van een vreemde mogendheid werkzaam te zijn en met verlofverlening
naar het oordeel van Onze Minister het algemeen belang in overwegende mate
wordt gediend, kan het verlof voor een door het bevoegd gezag te bepalen periode,
al dan niet met behoud van bezoldiging, worden verleend.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>In afwijking van het eerste lid kan aan de ambtenaar, die wenst te worden
uitgezonden om in de burgerlijke landsdienst van de Nederlandse Antillen of
Aruba tijdelijk een betrekking te vervullen, buitengewoon verlof worden verleend
op basis van het West-Indisch Detacheeringsbesluit 1930.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a48">
            <kop>
              <nr>Artikel 48</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De ambtenaar die na afloop van een hem verleend buitengewoon verlof van
lange duur en zonder dat dit is verlengd, zijn dienst niet hervat, wordt gelijk
behandeld als de ambtenaar die een aanvraag tot ontslag heeft ingediend.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het eerste lid is niet van toepassing, indien de ambtenaar binnen een
redelijke termijn ten genoege van het bevoegd gezag aannemelijk maakt dat
hij geldige redenen had zijn dienst niet te hervatten in welk geval het verlof
wordt verlengd tot het tijdstip waarop de bedoelde geldige redenen hebben
opgehouden te bestaan.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK VII.</nr>
          <titel status="off">ARBEIDSGEZONDHEIDSKUNDIGE BEGELEIDING EN VOORZIENINGEN IN VERBAND MET
ZIEKTE EN ZWANGERSCHAP</titel>
        </kop>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 1.</nr>
            <titel status="off">Arbeidsgezondheidskundige begeleiding</titel>
          </kop>
          <art id="a49">
            <kop>
              <nr>Artikel 49</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het bevoegd gezag verricht zijn taak met betrekking tot begeleiding van
verzuim en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding op grond van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 en de bepalingen in dit hoofdstuk.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Onze Minister kan regels vaststellen met betrekking tot de wijze waarop
invulling wordt gegeven aan de begeleiding van verzuim, de arbeidsgezondheidskundige
begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De ambtenaar is in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte verplicht dit zo spoedig mogelijk, doch in elk geval
niet later dan op de tweede dag van die ongeschiktheid, te melden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Het bevoegd gezag kan ten aanzien van de ambtenaar die korter dan een
jaar volledig ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten, bepalen dat
hij zijn arbeid slechts mag hervatten, nadat het bevoegd gezag hiervoor uitdrukkelijk
toestemming heeft verleend.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>De ambtenaar die wegens ziekte gedurende een jaar of langer volledig ongeschikt
is geweest zijn arbeid te verrichten, mag zijn arbeid slechts hervatten, nadat
het bevoegd gezag hiervoor uitdrukkelijk toestemming heeft verleend.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Het bevoegd gezag verleent de toestemming, bedoeld in het vierde en vijfde
lid, eerst nadat de Arbodienst een op de desbetreffende ambtenaar betrekking
hebbend medisch advies heeft gegeven.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a49a">
            <kop>
              <nr>Artikel 49a</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Indien de ambtenaar bedoeld in de eerste volzin van artikel 88, eerste
lid, te kennen heeft gegeven dat hij na het bereiken van de leeftijd van zestig
jaar zijn functie wil blijven uitoefenen, is hij indien hij is ingedeeld in
een salarisschaal lager dan salarisschaal 10, verplicht om uiterlijk één
jaar voor het bereiken van de leeftijd van zestig jaar een vragenlijst met
betrekking tot zijn gezondheidstoestand in te vullen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Aan de hand van de beantwoorde vragenlijst bepaalt het bevoegd gezag,
daartoe geadviseerd door de Arbodienst, of het noodzakelijk is dat de ambtenaar
een arbeidsgezondheidskundig onderzoek moet ondergaan ten einde vast te stellen
of de ambtenaar lichamelijk en psychisch in staat is zijn functie te blijven
uitoefenen, nadat hij de leeftijd van zestig jaar heeft bereikt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Onze Minister stelt regels met betrekking tot de inhoud van de in het
eerste lid genoemde vragenlijst en de procedures omtrent de vragenlijst.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a50">
            <kop>
              <nr>Artikel 50</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De ambtenaar kan worden verplicht om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek
te ondergaan:</al>
              <al>a. indien het bevoegd gezag gegronde redenen heeft om te twijfelen aan
de goede gezondheidstoestand van de ambtenaar;</al>
              <al>b. indien de ambtenaar niet meer volledig geschikt is gebleken voor het
verrichten van zijn arbeid;</al>
              <al>c. ter beantwoording van de vraag of de ambtenaar tijdens het tijdvak
waarin hij wegens ziekte ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten, in het
belang van zijn genezing arbeid mag verrichten en om vast te stellen welke
arbeid wenselijk wordt geacht;</al>
              <al>d. voor zover dit noodzakelijk is ter voorbereiding van een beslissing
naar aanleiding van de aanvraag om een hernieuwd onderzoek als bedoeld in
artikel 51;</al>
              <al>e. indien de ambtenaar in contact staat of kort geleden heeft gestaan
met een persoon die een ziekte heeft waarvoor ingevolge de Wet bestrijding
infectieziekten en opsporing ziekteoorzaken, een aangifteplicht geldt;</al>
              <al>f. om te beoordelen of de ambtenaar die de functie heeft van vlieger bij
het Korps landelijke politiediensten lichamelijk en psychisch in staat is
de functie van vlieger te blijven uitoefenen, nadat hij de voor zijn functie
vastgestelde leeftijdsgrens heeft bereikt;</al>
              <al>g. als, gelet op artikel 49a, de Arbodienst van oordeel is dat dit noodzakelijk
is;</al>
              <al>h. om te beoordelen of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel
94, derde lid;</al>
              <al>i. om te beoordelen of de ambtenaar die wegens ziekte volledig ongeschikt
is geweest zijn arbeid te verrichten, zijn arbeid mag hervatten;</al>
              <al>j. voor zover dit voortvloeit uit enige wettelijke verplichting;</al>
              <al>k. indien hij in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan
bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat, of hij is benoemd in een
functie waarvoor bij aanstelling een geneeskundige keuring is vereist als
bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het bevoegd gezag stelt de ambtenaar buiten dienst indien na een arbeidsgezondheidskundig
onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 dan
wel een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in het eerste lid,
wanneer blijkt dat sprake is van een zodanige lichamelijke of geestelijke
toestand dat de belangen van de ambtenaar, van de dienst of van bij het verrichten
van de arbeid betrokken derden zich er tegen verzetten dat de ambtenaar zijn
arbeid blijft verrichten. De ambtenaar wordt niet buiten dienst gesteld, indien
hem andere passende arbeid kan worden opgedragen. Indien de ambtenaar buiten
dienst wordt gesteld, wordt hij aangemerkt als ambtenaar die wegens ziekte
ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, in welk geval hoofdstuk
10 van het Besluit bezoldiging politie van toepassing is.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a51">
            <kop>
              <nr>Artikel 51</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het advies dat door de Arbodienst wordt uitgebracht naar aanleiding van
een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 en artikel 50 van dit besluit, wordt zo spoedig mogelijk aan de ambtenaar
en het bevoegd gezag bekendgemaakt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De ambtenaar kan de Arbodienst binnen drie dagen na ontvangst van het
medisch advies, schriftelijk een hernieuwd onderzoek vragen indien hij bedenkingen
heeft tegen het medisch advies. Gedurende de behandeling van zijn bedenkingen,
behoeft de ambtenaar aan het medisch advies geen gevolg te geven. De Arbodienst
stelt het bevoegd gezag in kennis van een ingediend verzoek om een hernieuwd
onderzoek.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Zo spoedig mogelijk na ontvangst van het verzoek om een hernieuwd onderzoek,
doch uiterlijk binnen vier weken, vindt het hernieuwd onderzoek door een commissie
van drie artsen plaats.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Op verzoek van de ambtenaar wordt zijn behandelend arts in de gelegenheid
gesteld mondeling of schriftelijk zijn mening aan de commissie van drie artsen
kenbaar te maken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>De kosten van het hernieuwde onderzoek komen voor rekening van het bevoegd
gezag. Eventuele reis- en verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed
volgens de geldende regels ter zake van dienstreizen.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a52">
            <kop>
              <nr>Artikel 52</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De leden van de commissie bedoeld in artikel 51, derde en vierde lid,
worden per verzoek om een hernieuwd onderzoek aangewezen door het bevoegd
gezag. De arts die het medisch advies heeft uitgebracht waarvan herziening
wordt gevraagd, heeft in de commissie geen zitting.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De commissie deelt haar oordeel schriftelijk mee aan:</al>
              <al>a. de ambtenaar,</al>
              <al>b. het bevoegd gezag, en</al>
              <al>c. de behandelend arts, bedoeld in artikel 51, vierde lid.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
        <par>
          <kop>
            <nr>§ 2.</nr>
            <titel status="off">Overige bepalingen</titel>
          </kop>
          <art id="a53">
            <kop>
              <nr>Artikel 53</nr>
            </kop>
            <al>In bijzondere gevallen kan aan de ambtenaar een tegemoetkoming worden
verleend in noodzakelijk gemaakte kosten die verband houden met ziekte die
de ambtenaar voor zichzelf en zijn medebelanghebbenden heeft gemaakt, indien
hierin niet ingevolge een andere regeling wordt voorzien en deze kosten redelijkerwijze
niet te zijnen laste kunnen blijven. Het bevoegd gezag kan over de uitvoering
van dit artikel regels vaststellen.</al>
          </art>
          <art id="a54">
            <kop>
              <nr>Artikel 54</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>In geval van dienstongeval of beroepsziekte worden aan de desbetreffende
ambtenaar vergoed de noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling
of verzorging.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere voorschriften
vaststellen met betrekking tot het eerste lid.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a54a">
            <kop>
              <nr>Artikel 54a</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>In geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een
beroepsziekte, wordt aan de desbetreffende ambtenaar smartengeld vergoed tot
een netto maximum bedrag van € 136 100,–.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>In geval de ambtenaar is komen te overlijden ten gevolge van een dienstongeval,
wordt aan de weduwe of weduwnaar van wie de overleden ambtenaar niet duurzaam
gescheiden leefde een netto bedrag van € 68 100,– uitgekeerd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Artikel 46, derde en vierde lid, van het Besluit bezoldiging politie is
van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Onze Minister stelt nadere regels vast omtrent de toekenning van de uitkering,
bedoeld in het eerste lid.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a55">
            <kop>
              <nr>Artikel 55</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De vrouwelijke ambtenaar heeft in verband met haar bevalling aanspraak
op zwangerschaps- en bevallingsverlof.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op zwangerschapsverlof vanaf de dag
waarop de bevalling blijkens een verklaring van een arts of van een verloskundige
waarin de vermoedelijke datum van de bevalling wordt aangegeven, binnen zes
weken is te verwachten. Het verlof begint in ieder geval vier weken vóór
deze datum.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op bevallingsverlof van tien weken
vanaf de dag volgend op die van de bevalling. Dit verlof wordt verlengd tot
ten hoogste zestien weken, voor zover het zwangerschapsverlof om andere redenen
dan wegens ziekte minder dan zes weken heeft bedragen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt gelijkgesteld met
verhindering wegens ziekte.</al>
            </lid>
          </art>
        </par>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK VIII.</nr>
          <titel status="off">OVERIGE RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN DE AMBTENAAR</titel>
        </kop>
        <art id="a56">
          <kop>
            <nr>Artikel 56</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De verstrekking van uniformkleding aan de aspirant, de ambtenaar, aangesteld
voor de uitvoering van de politietaak en de ambtenaar, aangesteld voor de
uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van
de politie, die door het bevoegd gezag is aangewezen, alsmede het onderhoud
daarvan geschieden door de zorg van het bevoegd gezag. De verstrekking van
uniformkleding geschiedt kosteloos. Onze Minister stelt ter zake van de verstrekking
van uniformkleding nadere regels vast.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De verstrekking van dienstkleding aan de aspirant, de ambtenaar aangesteld
voor de uitvoering van de politietaak, de bijzondere ambtenaar van politie
en de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve
en andere taken ten dienste van de politie, die door het bevoegd gezag is
aangewezen, alsmede het onderhoud daarvan geschieden door de zorg van het
bevoegd gezag. De verstrekking van dienstkleding geschiedt kosteloos.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is verplicht het uniform en de
onderscheidingstekenen te dragen, voor zover dit voor hem voorgeschreven is.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Het buiten dienst gekleed gaan in uniform is geoorloofd, behalve tijdens
het vervullen van een nevenbetrekking of bij het verrichten van werkzaamheden
ten behoeve van derden, in welke vorm dan ook. Van dit verbod kan alleen ten
aanzien van uit de openbare kas bezoldigde ambten door Onze Minister ontheffing
worden verleend.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a57">
          <kop>
            <nr>Artikel 57</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het is de ambtenaar, bedoeld in artikel 56, eerste lid, verboden in dienst
uniformkledingstukken te dragen, tenzij deze van dienstwege zijn verstrekt
of voorgeschreven.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het is de ambtenaar, bedoeld in artikel 56, eerste lid, verboden bij gekleed
gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens te dragen, tenzij
deze van regeringswege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen
daarvan door het bevoegd gezag vergunning is verleend.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a58">
          <kop>
            <nr>Artikel 58</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of
voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste
van de politie en de bijzondere ambtenaar van politie kunnen studiefaciliteiten
worden verleend.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag kent studiefaciliteiten toe voor functiegerichte opleidingen tenzij zwaarwegende redenen van dienstbelang zich hiertegen
verzetten.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag kan studiefaciliteiten toekennen voor opleidingen die
niet functiegericht zijn of voor opleidingen die zijn gericht op een functie
buiten de politieorganisatie.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag stelt nadere regels met betrekking tot het tweede en
derde lid.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a59">
          <kop>
            <nr>Artikel 59</nr>
          </kop>
          <al>De aspirant, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak
en de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve
en andere taken ten dienste van de politie, die opsporingsbevoegdheid bezit,
of de bijzondere ambtenaar van politie kunnen zich niet beroepen op de omstandigheid
niet in dienst te zijn, in die gevallen, waarin hun optreden redelijkerwijze
is vereist.</al>
        </art>
        <art id="a60">
          <kop>
            <nr>Artikel 60</nr>
          </kop>
          <al>Indien de ambtenaar verhinderd is zijn dienst te verrichten, is hij verplicht
daarvan, onder opgave van redenen, zo spoedig mogelijk mededeling te doen
op de door het bevoegd gezag aangegeven wijze.</al>
        </art>
        <art id="a61">
          <kop>
            <nr>Artikel 61</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De ambtenaar kan worden verplicht te gaan of te blijven wonen in of nabij
de gemeente waarbinnen de plaats van tewerkstelling is gelegen, indien dit
naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is in verband met de goede
vervulling van zijn functie.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De ambtenaar aan wie de verplichting is opgelegd in of nabij de in het
eerste lid bedoelde gemeente te gaan wonen, is gehouden zo spoedig mogelijk,
maar uiterlijk twee jaar nadat die verplichting is opgelegd, daaraan gevolg
te geven.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a62">
          <kop>
            <nr>Artikel 62</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag kan in het belang van de dienst, in overeenstemming
met de ambtenaar, met ingang van een door het ter zake bevoegd gezag te bepalen
tijdstip, een ambtenaar detacheren:</al>
            <al>a. bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mits
de detachering op aanvraag van of in overeenstemming met Onze Minister plaatsvindt;</al>
            <al>b. bij het Ministerie van Justitie, mits de detachering, indien het een
ambtenaar, werkzaam bij een regionaal politiekorps of bij het Korps landelijke
politiediensten betreft, op aanvraag van of in overeenstemming met Onze Minister
van Justitie plaatsvindt;</al>
            <al>c. bij een regionaal politiekorps of bij het Korps landelijke politiediensten,
mits de detachering op aanvraag van of in overeenstemming met de desbetreffende
korpsbeheerder respectievelijk Onze Minister plaatsvindt;</al>
            <al>d. bij het LSOP, mits de detachering op aanvraag van of in overeenstemming
met de bestuursraad van het instituut plaatsvindt;</al>
            <al>e. bij ITO, mits de detachering op aanvraag van of in overeenstemming
met de algemeen directeur van de organisatie plaatsvindt;</al>
            <al>f. bij een door Onze Minister aan te wijzen organisatie.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, bij koninklijk besluit
is aangesteld, is voor de detachering de instemming van Onze Minister vereist.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a63">
          <kop>
            <nr>Artikel 63</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De ambtenaar die in een deelbetrekking is aangesteld en die op aanwijzing
of met goedkeuring van het bevoegd gezag een opleiding volgt, is verplicht
aan die opleiding deel te nemen als ware hij in een volledige betrekking aangesteld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Voor zolang het eerste lid meebrengt dat de arbeidstijd die de betrekking
van de ambtenaar omvat, wordt overschreden, wordt hem een vergoeding toegekend
met toepassing van artikel 27 van het Besluit bezoldiging politie.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De in het eerste lid gestelde verplichting geldt niet ten aanzien van
die opleidingen, waarvoor een programma is vastgesteld dat uitdrukkelijk voorziet
in de mogelijkheid van deelname door ambtenaren, die een deelbetrekking vervullen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a64">
          <kop>
            <nr>Artikel 64</nr>
          </kop>
          <al>Indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, is
de ambtenaar verplicht zijn functie op een andere dan de hem aangewezen plaats
van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied uit
te oefenen of, al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van
tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied, een
andere functie dan die waarin hij is aangesteld, mits dit redelijk is in verband
met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten.</al>
        </art>
        <art id="a64a">
          <kop>
            <nr>Artikel 64a</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte kan een andere functie worden opgedragen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Gedurende het eerste jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten
van zijn arbeid wegens ziekte is hij verplicht een hem aangeboden functie
te aanvaarden indien sprake is van passende arbeid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Gedurende het tweede jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten
van zijn arbeid wegens ziekte is hij verplicht een hem aangeboden functie
te aanvaarden indien sprake is van gangbare arbeid. Deze verplichting geldt
eveneens na afloop van het tweede jaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Dit artikel is op overeenkomstige wijze van toepassing indien aan de ambtenaar
de eigen functie wordt opgedragen onder andere voorwaarden.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a65">
          <kop>
            <nr>Artikel 65</nr>
          </kop>
          <al>Op aanvraag van de ambtenaar kan hem een andere functie worden opgedragen,
al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling
of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied, of kan hem op aanvraag
worden opgedragen zijn functie op een andere dan de aangewezen plaats van
tewerkstelling dan wel een ander dan het aangewezen werkgebied uit te oefenen.</al>
        </art>
        <art id="a65a">
          <kop>
            <nr>Artikel 65a</nr>
          </kop>
          <al>Indien het belang van de dienst dit vordert, is de ambtenaar in het kader
van een door het bevoegd gezag vastgesteld personeels- en organisatiebeleid,
verplicht zijn functie al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats
van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied uit
te oefenen, of al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van
tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied, een
andere functie dan die waarin hij is aangesteld, uit te oefenen.</al>
        </art>
        <art id="a66">
          <kop>
            <nr>Artikel 66</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De ambtenaar is verplicht aan het bevoegd gezag, op een door dit gezag
te bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht
of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst voor zover
deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag voert een registratie op basis van de ingevolge het
eerste lid gedane opgaven.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor
de goede vervulling van zijn functie of een goede functionering van de dienst,
voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid
zou zijn verzekerd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen omtrent het verbod, bedoeld
in het derde lid.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a66a">
          <kop>
            <nr>Artikel 66a</nr>
          </kop>
          <al>Het is de ambtenaar verboden, anders dan met goedvinden van het bevoegd
gezag, geld, geschenken, diensten of kortingen aan te nemen of te bedingen
in verband met zijn ambtelijke hoedanigheid.</al>
        </art>
        <art id="a67">
          <kop>
            <nr>Artikel 67</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De ambtenaar die geheel of gedeeltelijk op kosten van de regio, het Rijk,
het LSOP of ITO een opleiding heeft verkregen en tijdens die opleiding dan
wel binnen drie jaar na het beëindigen daarvan de dienst verlaat, kan
worden verplicht deze kosten geheel of gedeeltelijk aan de regio, aan het
Rijk, het LSOP of ITO terug te betalen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die een
opleiding waarvoor studiefaciliteiten zijn verleend, voortijdig afbreekt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Indien het bevoegd gezag de verplichting, bedoeld in het eerste en tweede
lid, oplegt, geschiedt dit binnen drie maanden na de datum van het ontslag
uit de dienst.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag stelt over de uitvoering van het eerste en tweede lid
nadere regels vast.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a68">
          <kop>
            <nr>Artikel 68</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag kan de ambtenaar verplichten de door de dienst geleden
schade, voor zover deze aan de ambtenaar is te wijten, geheel of gedeeltelijk
te vergoeden. Ten aanzien van gevallen waarin de schade minder bedraagt dan € 226,89
kan de korpschef dan wel, indien het een aspirant betreft, de directeur van
een instelling, de in de eerste volzin bedoelde bevoegdheid uitoefenen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het bedrag van de schadevergoeding wordt niet vastgesteld dan nadat de
ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a69">
          <kop>
            <nr>Artikel 69</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Aan de ambtenaar wordt de schade aan zijn goederen vergoed die hij buiten
zijn schuld lijdt ten gevolge van de uitoefening van zijn dienst, voor zover
die schade niet bestaat uit de normale slijtage van die goederen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De ambtenaar heeft geen aanspraak, bedoeld in het eerste lid, indien hij
ter zake van die schade rechten tegenover derden kan doen gelden. Indien de
ambtenaar zijn rechten tegenover derden aan de regio, het Rijk, het LSOP dan
wel aan ITO cedeert, wordt hij in het genot gesteld van het in geld uitgedrukte
bedrag van de schade. </al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Aan de ambtenaar wordt de immateriële schade die hij ten gevolge
van de uitoefening van zijn dienst lijdt in geld vergoed, voor zover hij terzake
van deze schade op basis van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak tegenover
derden rechten op betaling van een geldsom kan doen gelden en mits hij deze
rechten binnen zes maanden na de definitieve rechterlijke uitspraak cedeert
aan de regio, de Staat der Nederlanden dan wel aan het LSOP.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Indien de regio, het Rijk, het LSOP dan wel ITO ter zake van de door voornoemde
cessies verkregen rechten een civiele vordering instelt, worden de kosten
die hieruit voor de regio, het Rijk, het LSOP dan wel ITO voortvloeien, niet
op de ambtenaar verhaald.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a69a">
          <kop>
            <nr>Artikel 69a</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Indien de ambtenaar wegens de uitvoering van de politietaak aansprakelijk
wordt gesteld naar burgerlijk recht of als verdachte wordt aangemerkt naar
strafrecht, kent het bevoegd gezag hem een tegemoetkoming in de kosten van
rechtskundige hulp toe, tenzij hij naar het oordeel van het bevoegd gezag
opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos
heeft gehandeld, of grof nalatig is geweest.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien de ambtenaar schadevergoeding vordert op grond van onrechtmatige
daad, jegens hem gepleegd tijdens de uitoefening van de politietaak, kent
het bevoegd gezag hem een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp
toe, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de vordering kennelijk onvoldoende
grond heeft of kennelijk onredelijk is.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag kan verdere tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige
hulp staken of de tegemoetkoming in de kosten van de rechtskundige hulp terugvorderen,
indien</al>
            <al>a de aan een derde toegebrachte schade blijkens rechterlijk vonnis het
gevolg is van opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk
of bewust roekeloos handelen van de ambtenaar, of</al>
            <al>b indien de ambtenaar strafrechtelijk wordt veroordeeld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>In bijzondere gevallen, gelet op de aard van de zaak of de omstandigheden
van de ambtenaar, kan het bevoegd gezag, overwegend dat de handeling geen
gevolg is van de taakuitoefening van de ambtenaar, besluiten tot een tegemoetkoming
in de kosten van rechtskundige hulp.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag stelt een regeling vast met betrekking tot tegemoetkoming
in de kosten van rechtskundige hulp.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a70">
          <kop>
            <nr>Artikel 70</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De ambtenaar die in contact staat of kort geleden heeft gestaan met een
persoon die een ziekte heeft waarvoor krachtens de Wet bestrijding infectieziekten
en opsporing ziekteoorzaken een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn
dienst niet verrichten en heeft geen toegang tot dienstgebouwen, -lokalen
en -terreinen dan met toestemming van het bevoegd gezag, dat deze toestemming
slechts kan verlenen na een positief medisch advies als bedoeld in hoofdstuk
VII.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De ambtenaar die verkeert in de situatie, bedoeld in het eerste lid, is
verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan de bedrijfsgeneeskundige
dienst. Hij is gehouden zich te gedragen naar de vanwege de Arbodienst gegeven
aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig
onderzoek.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Gedurende de periode dat de ambtenaar ingevolge dit artikel zijn dienst
niet verricht, geniet hij volle bezoldiging.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a71">
          <kop>
            <nr>Artikel 71</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Met inachtneming van de door het bevoegd gezag ter zake vastgestelde regels
wordt met de ambtenaar ten minste eenmaal per jaar een gesprek gehouden over
de vervulling van zijn functie in de afgelopen en komende periode en een gesprek
over een persoonlijk ontwikkelingsplan. De hoofdzaken van beide gesprekken
worden in overeenstemming met de ambtenaar in afzonderlijke, door de ambtenaar
medeondertekende documenten vastgelegd. De ambtenaar ontvangt een afschrift
van deze documenten.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Met inachtneming van de door het bevoegd gezag ter zake vastgestelde regels
wordt de ambtenaar die een aanvraag daartoe indient dan wel ten aanzien van
wie dit door het bevoegd gezag nodig wordt geacht, beoordeeld over de wijze
waarop hij zijn functie vervult en zijn gedragingen tijdens de uitoefening
van die functie. Aan de aanvraag van de ambtenaar om overeenkomstig dit lid
te worden beoordeeld, wordt niet eerder voldaan dan na het verstrijken van
één jaar sedert de vastlegging van de voorafgaande over hem
uitgebrachte beoordeling.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Met inachtneming van de door het bevoegd gezag ter zake vastgestelde regels
worden toekomstverwachtingen opgemaakt over de ambtenaar die in beschouwing
wordt genomen voor een naar verwachting binnen afzienbare tijd vrijkomende
hogere functie in het korps dan wel binnen het LSOP of ITO. Ook kunnen toekomstverwachtingen
worden opgemaakt voor een ambtenaar die in de nabije toekomst een verplaatsing
naar een andere niet hogere functie in het korps dan wel binnen het LSOP of
ITO aanvraagt of ten aanzien van wie een dergelijke verplaatsing wenselijk
wordt geacht, mits de mogelijkheid tot een dergelijke verplaatsing reëel
aanwezig is en de korpschef, de directie van het LSOP dan wel de algemeen
directeur van ITO instemt met de wens van de ambtenaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Onder toekomstverwachting wordt in dit verband verstaan: een systematische
bezinning op de behoeften en potentiële capaciteiten van de ambtenaar,
bekeken in het kader van de mogelijkheden binnen het desbetreffende korps,
het LSOP dan wel ITO, welke bezinning uitmondt in concrete afspraken alsmede
het daarop tijdig actie ondernemen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>De ambtenaar wordt van de inhoud van de over hem opgemaakte beoordeling,
bedoeld in het tweede lid, of de over hem opgemaakte toekomstverwachting,
bedoeld in het derde en vierde lid, in kennis gesteld nadat deze door het
bevoegd gezag is bekrachtigd. Hij ontvangt een afschrift van het document
dat de over hem opgemaakte beoordeling of de toekomstverwachting bevat. Hij
ondertekent dit document voor kennisgeving van de inhoud en voor ontvangst
ervan. Hij kan zijn bezwaren tegen de over hem opgemaakte beoordeling of toekomstverwachting
overeenkomstig de door het bevoegd gezag vastgestelde regels aan het bevoegd
gezag kenbaar maken en om herziening verzoeken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Onze Minister kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels vaststellen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a72">
          <kop>
            <nr>Artikel 72</nr>
          </kop>
          <al>[Vervallen.]</al>
        </art>
        <art id="a73">
          <kop>
            <nr>Artikel 73</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Aan de ambtenaar kan door het bevoegd gezag de toegang tot de dienstlokalen,
dienstgebouwen, dienstterreinen, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Hij is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde die ten
aanzien van het verblijf op voornoemde plaatsen zijn vastgesteld.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a74">
          <kop>
            <nr>Artikel 74</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De ambtenaar kan wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke
dienstverrichtingen worden beloond.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De beloningen zijn:</al>
            <al>a. tevredenheidsbetuiging;</al>
            <al>b. extra verlof;</al>
            <al>c. gratificatie;</al>
            <al>d. verhoging van het salaris tot het naasthogere bedrag in de salarisschaal
of</al>
            <al>e. indeling in een hogere salarisschaal.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a75">
          <kop>
            <nr>Artikel 75</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag verstrekt aan de ambtenaar bij zijn twaalfeneenhalf-,
25-, 40-, of 50-jarig ambtsjubileum een huldeblijk, bestaande uit een
gratificatie of geschenk, dan wel uit een combinatie van beide.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De aan het huldeblijk verbonden uitgaven bedragen bij de in het eerste
lid genoemde ambtsjubilea respectievelijk niet meer dan vijfentwintig, vijftig,
honderd en honderd procent van de som van de bezoldiging en de vakantieuitkering
van de ambtenaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag kent aan de ambtenaar die een diensttijd bij politie
heeft van tien jaar of meer en aan wie ontslag is verleend op grond van artikel
91 of op grond van artikel 94, eerste lid, onderdeel e, een gratificatie toe,
tenzij bij voortduring van het dienstverband niet binnen een termijn van vijf
jaar aanspraak op een gratificatie bij ambtsjubileum zou bestaan. De gratificatie
bedraagt een in verhouding tot de doorgebrachte diensttijd evenredig gedeelte
van de eerstvolgende gratificatie bij ambtsjubileum waarop hij bij het voortduren
van het dienstverband aanspraak zou maken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag kent aan de ambtenaar die de zestigjarige leeftijd heeft
bereikt en aan wie ontslag is verleend op grond van artikel 88 een gratificatie
toe op voet van het tweede lid, indien hij bij het voortduren van het dienstverband
tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd aanspraak zou maken op een gratificatie
bij 40- of 50-jarig ambtsjubileum.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Onze Minister stelt regels over de diensttijd die voor de vaststelling
van de in het eerste lid genoemde ambtsjubilea in aanmerking komt.</al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK IX.</nr>
          <titel status="off">STRAFFEN</titel>
        </kop>
        <art id="a76">
          <kop>
            <nr>Artikel 76</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens
aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair worden gestraft.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het
doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden
behoort na te laten of te doen.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a77">
          <kop>
            <nr>Artikel 77</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De straffen die kunnen worden opgelegd, zijn:</al>
            <al>a. schriftelijke berisping;</al>
            <al>b. buitengewone dienst op andere dagen dan op zondag en de voor de ambtenaar
geldende kerkelijke feestdagen en vrije dagen zonder beloning of tegen een
lagere dan de normale beloning en wel voor ten hoogste zes uren met een maximum
van drie uren per dag;</al>
            <al>c. vermindering van het recht op een jaarlijkse vakantie met ten hoogste een vierde gedeelte van het aantal dagen, bedoeld in artikel
17, waarop in het desbetreffende kalenderjaar aanspraak bestaat;</al>
            <al>d. geldboete van ten hoogste € 22;</al>
            <al>e. gedeeltelijke inhouding van salaris tot een bedrag van ten hoogste
het salaris over een halve maand;</al>
            <al>f. vermindering van het salarisnummer met ten hoogste twee jaren, voor
de tijd van niet langer dan twee jaren;</al>
            <al>g. het niet meetellen van een verdere diensttijd van ten hoogste vier
jaren voor de vaststelling van het salarisnummer;</al>
            <al>h. schorsing voor een bepaalde tijd met gehele of gedeeltelijke inhouding
van de bezoldiging of</al>
            <al>i. plaatsing in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt;</al>
            <al>j. ontslag.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Aan aspiranten kan tevens worden opgelegd de straf van verwijdering voor
ten hoogste veertien dagen van de instelling waar de aspirant zijn opleiding
geniet, met dien verstande dat deze straf niet wordt opgelegd op de dagen
waarop de opleidingsresultaten van de aspiranten volgens de ter zake vastgestelde
regels worden getoetst of beoordeeld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Onverminderd het vierde lid, worden de straffen, bedoeld in het eerste
lid, opgelegd door het bevoegd gezag, met dien verstande dat van de bevoegdheid
tot het opleggen van de straffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a
tot en met g, mandaat kan worden verleend aan de korpschef, aan de directie
van het LSOP dan wel aan de algemeen directeur van ITO.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Indien het een ambtenaar betreft die bij koninklijk besluit is benoemd,
worden de straffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met f,
opgelegd door het bevoegd gezag en worden de straffen, bedoeld in het eerste
lid, onderdelen h tot en met j, opgelegd bij koninklijk besluit. Indien het
een ambtenaar betreft, werkzaam bij een regionaal politiekorps, bij het Korps
landelijke politiediensten of bij ITO, die bij koninklijk besluit is benoemd,
worden de straffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en g, opgelegd
door Onze Minister. Indien het een bijzondere ambtenaar van politie betreft,
die bij koninklijk besluit is benoemd, worden de straffen, bedoeld in het
eerste lid, onderdelen a en g, opgelegd door Onze Minister van Justitie. Indien
het een ambtenaar betreft, werkzaam bij het LSOP, die bij koninklijk besluit
is benoemd, worden de straffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en
g, opgelegd door Onze Minister van Justitie en Onze Minister.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Indien een straf als bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, is opgelegd,
kan het bevoegd gezag de positie van de ambtenaar met ingang van een bepaald
tijdstip geheel of ten dele in overeenstemming brengen met de positie zoals
deze zonder strafoplegging zou zijn geweest, indien het verdere gedrag van
de ambtenaar naar het oordeel van het bevoegd gezag daartoe aanleiding heeft
gegeven.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a78">
          <kop>
            <nr>Artikel 78</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald dat deze niet ten uitvoer
zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende de bij het opleggen
van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim
als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim
en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere
voorwaarden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Indien met toepassing van het eerste lid de straf van ontslag wordt opgelegd,
kan tegelijk met deze straf één van de in artikel 77, eerste
lid, onderdelen a tot en met e genoemde straffen worden opgelegd.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a79">
          <kop>
            <nr>Artikel 79</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Indien de ambtenaar gebruik maakt van de mogelijkheid zich te verantwoorden
in het geval dat het bevoegd gezag voornemens is hem een straf op te leggen,
geschiedt de verantwoording ten overstaan van het gezag dat tot strafoplegging
bevoegd is. Indien de bevoegdheid tot strafoplegging bij Ons berust, geschiedt
de verantwoording bij Onze Minister en Onze Minister van Justitie. Het gezag
ten overstaan waarvan de verantwoording plaats zal hebben, bepaalt of deze
verantwoording mondeling of schriftelijk zal plaatsvinden. Bij schriftelijke
verantwoording wordt de ambtenaar op zijn verzoek de gelegenheid gegeven tot
nadere mondelinge toelichting.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Van de mondelinge verantwoording wordt direct een verslag opgemaakt, dat
na voorlezing wordt getekend door degene tegenover wie de verantwoording heeft
plaatsgevonden en door de ambtenaar. Indien de ambtenaar het verslag weigert
te ondertekenen, wordt dit in het verslag, zo mogelijk met opgave van de redenen,
vermeld. De ambtenaar ontvangt een afschrift van het verslag.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Indien de ambtenaar dit verlangt, worden hem of zijn raadsman afschriften
verstrekt van de ambtelijke rapporten of andere geschriften die op de hem
ten laste gelegde feiten betrekking hebben.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a80">
          <kop>
            <nr>Artikel 80</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De ambtenaar kan niet worden gestraft wegens overtreding van artikel 125a,
eerste lid, van de Ambtenarenwet, dan nadat daarover advies is ingewonnen
van de commissie bedoeld in artikel 2 van het Besluit van 13 oktober
1992, houdende regelen met betrekking tot de instelling, de taak, de samenstelling
en de werkwijze van de commissie bedoeld in de artikelen 82a, eerste lid,
en 97b, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, de artikelen
117a, eerste lid, en artikel 128, eerste lid van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal,
en artikel 55a, eerste lid, van het Arbeidsovereenkomstenbesluit (Stb. 565).</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag geeft bij zijn besluit tot strafoplegging te kennen
of dit in overeenstemming is met het ingewonnen advies.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a81">
          <kop>
            <nr>Artikel 81</nr>
          </kop>
          <al>De ambtenaar dient van de ontvangst van een besluit inzake strafoplegging
te doen blijken door onmiddellijke terugzending van een door hem ondertekend
en gedateerd ontvangstbewijs.</al>
        </art>
        <art id="a82">
          <kop>
            <nr>Artikel 82</nr>
          </kop>
          <al>De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer
gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij het opleggen
van de straf is bevolen dat deze onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.</al>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK X.</nr>
          <titel status="off">SCHORSING EN ONTSLAG</titel>
        </kop>
        <art id="a83">
          <kop>
            <nr>Artikel 83</nr>
          </kop>
          <al>De ambtenaar is van rechtswege in zijn ambt geschorst wanneer hem rechtmatig
zijn vrijheid is ontnomen, tenzij de vrijheidsontneming het gevolg is van
een maatregel, anders dan op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische
ziekenhuizen, genomen in het belang van de volksgezondheid.</al>
        </art>
        <art id="a84">
          <kop>
            <nr>Artikel 84</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onverminderd artikel 77, eerste lid, onderdeel h, kan de ambtenaar in
zijn ambt worden geschorst:</al>
            <al>a. indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf tegen
hem is ingesteld;</al>
            <al>b. wanneer hem door het bevoegd gezag dan wel door Ons, indien het een
ambtenaar betreft die bij koninklijk besluit is benoemd, het voornemen tot
bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is meegedeeld dan wel wanneer hem
die straf is opgelegd of</al>
            <al>c. wanneer naar het oordeel van het bevoegd gezag dan wel naar Ons oordeel
indien het betreft een ambtenaar die bij koninklijk besluit is benoemd, het
belang van de dienst dit vereist.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Tenzij bij wet is bepaald dat schorsing bij koninklijk besluit geschiedt,
geschiedt schorsing door het bevoegd gezag. In afwachting van de schorsing
kan de ambtenaar buiten functie worden gesteld door het bevoegd gezag, met
dien verstande dat ten aanzien van de bij koninklijk besluit benoemde ambtenaren
die werkzaam zijn bij een regionaal politiekorps of bij ITO machtiging van
Onze Minister is vereist en ten aanzien van de bij koninklijk besluit benoemde
ambtenaren die werkzaam zijn bij het LSOP machtiging van Onze Minister van
Justitie en Onze Minister is vereist.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De duur van de schorsing bedraagt maximaal zes maanden. In uitzonderlijke
gevallen kan deze termijn nog eenmaal met drie maanden worden verlengd.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a85">
          <kop>
            <nr>Artikel 85</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Tijdens de schorsing kan de bezoldiging voor een derde gedeelte worden
ingehouden; na verloop van zes weken kan een verdere inhouding, ook van het
volle bedrag van de bezoldiging, plaatsvinden. Geen inhouding vindt plaats
ingeval van een schorsing in het belang van de dienst als bedoeld in artikel
84, eerste lid, onderdeel c, van opneming in een psychiatrisch ziekenhuis,
bedoeld in artikel 1 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen,
dan wel van politiebewaring of inverzekeringstelling als bedoeld in artikel
57 van het Wetboek van Strafvordering, mits niet gevolgd door inbewaringstelling.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De ingehouden bezoldiging kan alsnog geheel of gedeeltelijk aan de ambtenaar
worden uitbetaald, indien de schorsing niet wordt gevolgd door een onvoorwaardelijk
ontslag bij wijze van straf of ontslag op grond van artikel 94, eerste lid,
onderdeel d. Op de aldus uit te keren bezoldiging worden in mindering gebracht
de inkomsten die de ambtenaar sedert de schorsing heeft genoten uit arbeid
die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij dit naar
het oordeel van het bevoegd gezag onredelijk of onbillijk is.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Het niet ingehouden gedeelte van de bezoldiging van de geschorste ambtenaar
kan aan anderen worden uitbetaald.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bezoldiging verstaan de
bezoldiging in de zin van artikel 1, onderdeel s, van het Besluit bezoldiging
politie dan wel ingeval van schorsing tijdens ziekte van de ambtenaar, hetgeen
daaronder voor de toepassing van hoofdstuk 10 van het Besluit bezoldiging
politie wordt verstaan.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a86">
          <kop>
            <nr>Artikel 86</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Tenzij bij wet is bepaald dat ontslag wordt gegeven bij koninklijk besluit,
wordt ontslag gegeven door het bevoegd gezag.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 89, artikel 90, artikel 91, eerste
lid, artikel 92 of artikel 94, eerste lid, onderdeel f, wordt schriftelijk
medegedeeld dat toekenning van een bovenwettelijke uitkering als bedoeld
in het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie, pas plaatsvindt,
nadat door hem een aanvraag daartoe is ingediend.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a87">
          <kop>
            <nr>Artikel 87</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De ambtenaar wordt op zijn aanvraag ontslag verleend.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Behoudens het geval, bedoeld in artikel 48, eerste lid, wordt dit ontslag
verleend met ingang van een dag die niet vroeger dan een maand of later dan
drie maanden ligt na de dag waarop de aanvraag om ontslag is ontvangen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Van het eerste lid kan worden afgeweken indien een strafrechtelijke vervolging
ter zake van een misdrijf tegen de ambtenaar is ingesteld of indien wordt
overwogen de straf van ontslag op te leggen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Van het tweede lid kan worden afgeweken:</al>
            <al>a. indien wordt overwogen de ambtenaar een straf als bedoeld in artikel
77 op te leggen;</al>
            <al>b. indien het belang van de dienst dit vereist, met dien verstande dat
de termijn van drie maanden, bedoeld in het tweede lid, tot ten hoogste zes
maanden kan worden verlengd en dat bij de verlenging in redelijkheid met het
belang van de ambtenaar rekening wordt gehouden, of</al>
            <al>c. op aanvraag van de ambtenaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Indien een ontslag op aanvraag wordt verleend aan een aspirant, gaat dit
ontslag, in afwijking van het tweede lid, onmiddellijk in.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Het ontslag op aanvraag van de ambtenaar wordt eervol verleend.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a87a">
          <kop>
            <nr>Artikel 87a</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onder de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel, genoemd
in dit artikel, wordt verstaan de overeenkomst, die is aangegaan op grond
van artikel 2 van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel. Onder het Pensioenreglement
van de Stichting Pensioenfonds ABP, genoemd in dit artikel, wordt verstaan
het reglement van die stichting dat is vastgesteld met inachtneming van de
overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet privatisering ABP.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met hetoog op een uitkering op grond
van de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de
Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5
van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, wordt ontslag
verleend indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden
overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP
op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na dat te
verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering op grond van die regeling.
Het ontslag gaat niet eerder in dan met ingang van de dag waarop het recht
op de in de vorige volzin bedoelde uitkering ontstaat.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Op aanvraag van de ambtenaar kan het ontslag, bedoeld in het tweede lid,
ook voor een gedeelte van zijn arbeidstijd worden verleend, tenzij het belang
van de dienst zich hiertegen verzet. Het gedeelte van dit ontslag bedraagt
ten minste 10% van de omvang van de betrekking. Ontslag voor een gedeelte
uit een betrekking waaruit reeds eerder gedeeltelijk ontslag met het oog op
de in het tweede lid bedoelde uitkering heeft plaatsgevonden, bedraagt ten
minste 10% van de oorspronkelijke arbeidstijd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Artikel 87, tweede tot en met vierde en zesde lid, is van overeenkomstige
toepassing.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a88">
          <kop>
            <nr>Artikel 88</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Aan de ambtenaar:</al>
            <al>a. aangesteld voor de uitvoering van technische administratieve en andere taken ten dienste van de politie die een door het bevoegd gezag
aangewezen functie vervult waaraan bij door Onze Minister gestelde regels
tot 1 januari 2001 een leeftijdsgrens was verbonden,</al>
            <al>b. aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, wordt indien de ambtenaar
op 12 maart 1999 en op 31 december 2000 ook als zodanig was aangesteld
en op 1 januari 2001 50 jaar of ouder is, met ingang van de eerste dag
van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van zestig jaar bereikt,
eervol ontslag verleend. Indien de in de eerste volzin bedoelde ambtenaar
de functie heeft van vlieger bij het Korps landelijke politiediensten, wordt
aan hem met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij
de 55-jarige leeftijd bereikt, eervol ontslag verleend.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het in het eerste lid bedoelde ontslag op zestigjarige leeftijd kan op
verzoek van de ambtenaar worden uitgesteld, mits met toepassing van artikel
49a dan wel met toepassing van artikel 50, eerste lid, onderdeel g, is vastgesteld
dat hiertegen geen bezwaar bestaat.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Na het in het tweede lid bedoelde uitstel vindt op aanvraag van de ambtenaar
eervol ontslag plaats.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Het ontslag, bedoeld in het derde lid, wordt verleend met ingang van de
eerste dag van een maand. Dit ontslag wordt niet eerder verleend dan een maand
en niet later dan drie maanden na de dag waarop de aanvraag om ontslag is
ontvangen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Indien de ambtenaar na het in het tweede lid bedoelde uitstel blijkens
de uitslag van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek lichamelijk en psychisch
niet meer in staat kan worden geacht zijn functie te blijven vervullen, vindt
eervol ontslag plaats.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Het ontslag, bedoeld in het vijfde lid, wordt verleend met ingang van
de eerste dag van een maand.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7.</nr>
            <al>Indien de ambtenaar na het in het tweede lid bedoelde uitstel ongeschikt
wordt tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, vindt met ingang van
de eerste dag van een maand eervol ontslag plaats indien sprake is van ongeschiktheid
wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van 52 weken. Voor het bepalen
van de periode van 52 weken worden perioden van ongeschiktheid tot werken
wegens ziekte samengeteld, indien de perioden van ongeschiktheid elkaar met
een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>8.</nr>
            <al>De ambtenaar aan wie op grond van het eerste, derde, vijfde of zevende
lid, ontslag is verleend, heeft recht op een uitkering overeenkomstig door
Onze Minister te stellen regels.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>9.</nr>
            <al>Het ontslag op grond van het eerste, derde, vijfde of zevende lid, is
een ontslag als bedoeld in artikel 87a, tweede lid, indien ten aanzien van
dat ontslag wordt voldaan aan de in dat artikel genoemde voorwaarden.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a88a">
          <kop>
            <nr>Artikel 88a</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Aan de ambtenaar die op grond van artikel B3, eerste en tweede lid, van
het AFUP-opbouwreglement deelnemer is aan de AFUP en de functie heeft van
vlieger bij het Korps landelijke politiediensten en direct voorafgaande aan
ontslag op grond van dit artikel een diensttijd van ten minste tien jaren
als zodanig heeft, wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgend
op die waarin hij de 55-jarige leeftijd bereikt, eervol ontslag verleend.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag kan van het verlenen van het ontslag, bedoeld in het
eerste lid alsmede het ontslag bedoeld in artikel 88, eerste lid, aan de ambtenaar
die de functie heeft van vlieger bij het Korps landelijke politiediensten,
voor de duur van telkens ten hoogste één jaar afzien, indien
de ambtenaar zulks heeft aangevraagd of daarmee instemt en hij blijkens de
uitslag van een door de Arbodienst ingesteld arbeidsgezondheidskundig onderzoek,
als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onderdeel f, lichamelijk
en psychisch in staat kan worden geacht de functie van vlieger te blijven
vervullen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Indien niet meer wordt voldaan aan een of beide van de voorwaarden genoemd
in het tweede lid, vindt eervol ontslag plaats.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Het ontslag, bedoeld in het derde lid, wordt verleend met ingang van de
eerste dag van een maand. Indien dit ontslag plaats vindt op aanvraag van
de ambtenaar wordt dit ontslag niet eerder verleend dan een maand en niet
later dan drie maanden na de dag waarop de aanvraag om ontslag is ontvangen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>De ambtenaar aan wie op grond van het eerste of derde lid ontslag is verleend,
heeft recht op een uitkering overeenkomstig door Onze Minister te stellen
regels.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Het ontslag op grond van het eerste of derde lid, is een ontslag als bedoeld
in artikel 87a, tweede lid, indien ten aanzien van dat ontslag wordt voldaan
aan de in dat artikel genoemde voorwaarden.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a88b">
          <kop>
            <nr>Artikel 88b</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Aan:</al>
            <al>a. de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische administratieve
en andere taken ten dienste van de politie die een door het bevoegd gezag
aangewezen functie vervult waaraan bij door Onze Minister gestelde regels
tot 1 januari 2001 de leeftijdsgrens van 60 jaar was verbonden, of</al>
            <al>b. de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak zoals
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Politiewet 1993, die
op 12 maart 1999 en op 31 december 2000 ook als zodanig was aangesteld en
op 1 januari 2001 jonger is dan 50 jaar, en die ontslag vraagt met het oog
op een uitkering op grond van het AFUP-opbouwreglement, wordt eervol ontslag
verleend indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden
overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP
op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na dat te
verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering op grond van het AFUP-opbouwreglement.
Het ontslag gaat niet eerder in dan met ingang van de dag waarop het recht
op de ingevolge de eerste volzin bedoelde uitkering ontstaat.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De ambtenaar aan wie op grond van het eerste lid ontslag is verleend,
heeft recht op een aanvulling op de uitkering op grond van het AFUP-opbouwreglement
overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a89">
          <kop>
            <nr>Artikel 89</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Aan de aspirant die aan het einde van de aanstelling in tijdelijke dienst,
bedoeld in artikel 3, eerste lid, niet voldoet aan de gestelde kwalificatie-eisen,
wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag, volgend op die waarop
de aanstelling in tijdelijke dienst is verstreken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Aan de aspirant en de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak, die tegen het einde van de proeftijd, bedoeld in artikel 3, tweede
lid, niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid of geschiktheid, wordt eervol
ontslag verleend met ingang van de dag, volgend op die waarop de proeftijd
is verstreken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve
of andere taken ten dienste van politie, die tegen het einde van de proeftijd,
bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, niet voldoet aan de eisen van
bekwaamheid of geschiktheid, wordt eervol ontslag verleend met ingang van
de dag, volgend op die waarop de proeftijd is verstreken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Aan de aspirant die gedurende de initiële opleiding en aan de ambtenaar
aangesteld voor de uitvoering van de politietaak dan wel de ambtenaar
aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve of andere taken
ten dienste van de politie, die gedurende de proeftijd niet de geschiktheid
blijkt te bezitten die voor de dienst wordt vereist, kan eervol ontslag worden
verleend, mits een opzeggingstermijn in acht wordt genomen van:</al>
            <al>a. drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct
daaraan voorafgaand ten minste twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest;</al>
            <al>b. twee maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct
daaraan voorafgaand ten minste zes maanden maar korter dan twaalf maanden
ononderbroken in dienst is geweest of</al>
            <al>c. één maand, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging
direct daaraan voorafgaand korter dan zes maanden ononderbroken in dienst
is geweest.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan vóór
de afloop van de opzeggingstermijn. Indien dit niet op aanvraag van de ambtenaar
geschiedt, wordt hem over de tijd die aan de opzeggingstermijn ontbreekt,
een bedrag uitbetaald gelijk aan de laatstgenoten bezoldiging, vermeerderd
met de vakantieuitkering, berekend op voet van hoofdstuk 6 van het Besluit
bezoldiging politie.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Aan de aspirant die is aangesteld op grond van artikel 3, tweede of derde
lid, en die aan het einde van de initiële opleiding niet aan de gestelde
kwalificatie-eisen voldoet, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de
dag, volgend op die waarop de initiële opleiding is verstreken.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a90">
          <kop>
            <nr>Artikel 90</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die
blijkens zijn akte van aanstelling is benoemd voor bepaalde tijd, als bedoeld
in artikel 3, vierde lid, en aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering
van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie,
die blijkens zijn akte van aanstelling is benoemd voor bepaalde tijd, als
bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen b, c, d en e, is, tenzij het
tegendeel blijkt, van rechtswege eervol ontslag verleend zodra die tijd is
verstreken. Bij voortduring van het dienstverband na het verstrijken van de
bepaalde tijd is de ambtenaar van rechtswege aangesteld voor onbepaalde tijd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Het eerste lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van de ambtenaar die blijkens zijn akte van aanstelling is benoemd voor bepaalde
tijd overeenkomstig artikel 3, vierde lid, onderdeel c, of artikel 4, eerste
lid, onderdeel f.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of voor
de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste
van de politie, die is aangesteld voor onbepaalde tijd, kan ontslag worden
verleend mits een opzegtermijn in acht wordt genomen van:</al>
            <al>a. drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct
daaraan voorafgaand ten minste twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest;</al>
            <al>b. twee maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct
daaraan voorafgaand ten minste zes maanden doch korter dan twaalf maanden
ononderbroken in dienst is geweest of</al>
            <al>c. één maand, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging
direct daaraan voorafgaand korter dan zes maanden ononderbroken in dienst
is geweest.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Opzegging als bedoeld in het derde lid, kan niet geschieden gedurende
de zwangerschap van de vrouwelijke ambtenaar noch gedurende het verlof bedoeld
in artikel 55 noch, indien zij de dienst heeft hervat, gedurende een periode
van zes weken volgend op dat verlof. Ter staving van de zwangerschap
kan het bevoegd gezag een verklaring van een arts of van een verloskundige
verlangen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Opzegging als bedoeld in het derde lid, kan niet geschieden wegens de
omstandigheid dat de ambtenaar in of buiten rechte een beroep heeft gedaan
op het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Opzegging als bedoeld in het derde lid, kan niet geschieden wegens de
omstandigheid dat de ambtenaar geplaatst is op een kandidatenlijst als bedoeld
in artikel 9 van de Wet op de ondernemingsraden, noch vanwege het lidmaatschap
of het korter dan twee jaar geleden beëindigde lidmaatschap van de ambtenaar
van de ondernemingsraad of van een commissie van die raad.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7.</nr>
            <al>Opzegging als bedoeld in het derde lid, kan niet geschieden wegens de
omstandigheid dat de ambtenaar door een Centrale als bedoeld in artikel 1,
onder i, van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 of door een
daarbij aangesloten bond of vereniging is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende
activiteiten te ontplooien binnen zijn Centrale of een daarbij aangesloten
bond of vereniging, dan wel binnen de organisatie van de werkgever, die er
toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en
de daarbij aangesloten bonden of verenigingen te ondersteunen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>8.</nr>
            <al>Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden wegens de
omstandigheid dat de ambtenaar zijn recht op ouderschapsverlof geldend maakt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>9.</nr>
            <al>Aan de ambtenaar in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, kan
ontslag worden verleend met ingang van de dag, gelegen binnen de bepaalde
tijd. In dat geval zijn het derde tot en met achtste lid van overeenkomstige
toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>10.</nr>
            <al>Onverminderd artikel 4a, zevende lid, en artikel 87, kan aan de ambtenaar
in tijdelijke dienst, bedoeld in het tweede lid, ontslag worden verleend met
ingang van de dag, gelegen binnen de bepaalde tijd, mits de ambtenaar aansluitend
hernieuwd in vaste dienst wordt aangesteld bij het regionaal politiekorps,
het Korps landelijke politiediensten, het LSOP of ITO, waar hij was aangesteld
direct voorafgaand aan de aanstelling in tijdelijke dienst. Het derde tot
en met achtste lid zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>11.</nr>
            <al>Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan vóór
de afloop van de opzeggingstermijn. Indien dit niet op aanvraag van de ambtenaar
geschiedt, wordt hem over de tijd die aan de opzeggingstermijn ontbreekt,
een bedrag betaald gelijk aan de laatst genoten bezoldiging, vermeerderd met
de vakantie-uitkering, berekend op de voet van het Besluit bezoldiging politie.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a91">
          <kop>
            <nr>Artikel 91</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Aan de ambtenaar kan eervol ontslag worden verleend:</al>
            <al>a. wegens opheffing van zijn betrekking of</al>
            <al>b. wegens overtolligheid van personeel als gevolg van verandering in de
inrichting van de dienst dan wel wegens inkrimping van de personeelssterkte
als gevolg van vermindering der werkzaamheden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Ontslag op één van de in het eerste lid genoemde gronden
kan slechts plaatsvinden indien:</al>
            <al>a. het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar,
andere mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem
passende werkzaamheden op te dragen binnen het gezagsbereik van:</al>
            <al>1e. Onze Minister, indien Wij tot ontslagverlening bevoegd zijn, en</al>
            <al>2e. degene die tot ontslagverlening bevoegd is in alle overige gevallen,
of</al>
            <al>b. de ambtenaar weigert deze werkzaamheden te aanvaarden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Bij het opdragen van passende werkzaamheden zal ten einde het ontstaan
dan wel het vergroten van feitelijke ongelijkheden tegen te gaan, uitgangspunt
zijn dat voorrang wordt gegeven aan vrouwelijke ambtenaren.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Ontslag van ambtenaren wegens overtolligheid van personeel geschiedt in
de volgende rangorde:</al>
            <al>a. zij die dit wensen;</al>
            <al>b. zij die vijfendertig of meer voor pensioen geldige dienstjaren hebben,
waarbij ouderen in leeftijd vóór jongeren gaan;</al>
            <al>c. zij die de leeftijd van vijfendertig jaar nog niet hebben overschreden,
te beginnen met hen die het geringste aantal jaren in burgerlijke overheidsdienst
hebben doorgebracht;</al>
            <al>d. zij die het geringst aantal jaren in burgerlijke overheidsdienst hebben
doorgebracht.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Voor de berekening van het aantal jaren in burgerlijke overheidsdienst
wordt mede in aanmerking genomen de tijd die is gewijd aan de verzorging van
tot het huishouden van de ambtenaar behorende 0–4-jarige eigen, stief-
of pleegkinderen tot een maximum van in totaal zes jaren.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Indien het dienstbelang dit vereist, kan bij de verlening van ontslag
van de rangorde, bedoeld in het vierde lid, worden afgeweken. Omvat de afvloeiing
in dat geval meer dan 1% van het aantal ambtenaren dan wel ten hoogste 20
ambtenaren, werkzaam bij een regionaal politiekorps, bij het Korps landelijke
politiediensten, bij het LSOP of bij ITO dan geschiedt zij naar een bepaald
vooraf vastgesteld plan. Betreft de afvloeiing bijzondere ambtenaren, dan
wordt een dergelijk plan slechts vastgesteld indien de omvang van het aantal
ambtenaren dat moet afvloeien daartoe aanleiding geeft.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7.</nr>
            <al>Bij een ontslagverlening op grond van het eerste lid wordt een opzeggingstermijn
van drie maanden in acht genomen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>8.</nr>
            <al>Een ontslagverlening op grond van het eerste lid kan betrekking hebben
op een gedeelte van de tijd waarvoor de ambtenaar is aangesteld.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a92">
          <kop>
            <nr>Artikel 92</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Aan de ambtenaar die een benoeming als minister of staatssecretaris aanvaardt,
wordt met ingang van de dag van het aanvaarden van deze betrekking, eervol
ontslag verleend.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in
een publiekrechtelijk college waarin hij is aangesteld of verkozen, tijdelijk
is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige
functie te bekleden en hij naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in
actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Tenzij artikel 48, eerste lid, van toepassing is, wordt eervol ontslag
eveneens verleend aan de ambtenaar die na afloop van het verlof, verleend
met toepassing van artikel 45 dan wel van artikel 47, eerste lid, naar het
oordeel van het bevoegd gezag niet in actieve dienst kan worden hersteld.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a93">
          <kop>
            <nr>Artikel 93</nr>
          </kop>
          <al>Indien een ontslag als bedoeld in artikel 125e, tweede lid, van de Ambtenarenwet
door het bevoegd gezag of bij koninklijk besluit wordt verleend, is de medewerking
vereist van Onze Minister en Onze Minister van Justitie.</al>
        </art>
        <art id="a94">
          <kop>
            <nr>Artikel 94</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Anders dan op aanvraag van de ambtenaar, bij wijze van straf of ingevolge
artikel 7 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees
Parlement, artikel 88, 89, 90, 91, 92, of 93 kan de ambtenaar worden
ontslagen op grond van:</al>
            <al>a. het verlies van een vereiste voor de aanstelling, gesteld bij een regeling
aan de benoeming voorafgegaan, tenzij het vereiste alleen voor de aanvang
van het ambt geldt;</al>
            <al>b. onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waarbij de ambtenaar
onder curatele is gesteld;</al>
            <al>c. het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk
geworden rechterlijke uitspraak;</al>
            <al>d. onherroepelijk geworden veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens
misdrijf;</al>
            <al>e. ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;</al>
            <al>f. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders
dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken;</al>
            <al>g. het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd of</al>
            <al>h. het bij of in verband met indiensttreding of keuring verstrekken van
onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder welke handelwijze niet tot indienstneming
of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt
dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Een ontslag op grond van het eerste lid, onderdelen a, e, f en g wordt
steeds eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan de dag, volgende
op die waarop de reden van het ontslag voor het eerst aanwezig was, met dien
verstande dat een ontslag op grond van het eerste lid, onderdeel f, eerst
kan ingaan vier weken nadat het ontslagbesluit aan de ambtenaar is bekendgemaakt,
tenzij sprake is van dringende redenen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, kan slechts plaatsvinden
indien:</al>
            <al>a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,</al>
            <al>b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na
de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en</al>
            <al>c. na een zorgvuldig onderzoek het niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar,
indien Wij tot ontslagverlening bevoegd zijn, binnen het gezagsbereik van
Onze Minister, indien de korpsbeheerder tot ontslag bevoegd is, binnen de
regio dan wel indien Onze Minister, onderscheidenlijk Onze Minister van Justitie
tot ontslag bevoegd is, binnen zijn gezagsbereik andere arbeid aan te bieden,
dan wel indien de ambtenaar geweigerd heeft deze arbeid te aanvaarden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Onder arbeid als bedoeld in het derde lid, onder c, wordt gedurende het
eerste jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte passende, en gedurende de periode daarna gangbare arbeid verstaan.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>Voor het bepalen van het in het derde lid, onder a, bedoelde tijdvak van
twee jaar worden tijdvakken van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van
minder dan vier weken opvolgen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>6.</nr>
            <al>Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde
lid, onderdelen a en b, vraagt het bevoegd gezag het oordeel van een daartoe
door de uitvoeringsinstelling, die de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
uitvoert ten aanzien van de ambtenaar, aangewezen arts.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>7.</nr>
            <al>De in het zesde lid bedoelde arts betrekt bij zijn beoordeling een door
het bevoegd gezag aangewezen arts en, indien de ambtenaar dit wenst, een door
de ambtenaar aangewezen arts.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>8.</nr>
            <al>Het bevoegd gezag stelt de ambtenaar er schriftelijk van in kennis dat
de procedure, bedoeld in het zesde lid, wordt ingesteld. Daarbij wijst het
bevoegd gezag de ambtenaar op de mogelijkheid om een arts van zijn keuze te
laten deelnemen aan de procedure.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>9.</nr>
            <al>De kennisgeving, bedoeld in het achtste lid, geschiedt niet eerder dan
nadat de ambtenaar gedurende een onafgebroken periode van 18 maanden
ongeschikt is geweest tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Het
vijfde lid is hierbij van overeenkomstige toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>10.</nr>
            <al>De in het zesde lid bedoelde arts stelt naar aanleiding van zijn bevindingen
een rapport op. Hij zendt dit rapport aan het bevoegd gezag. Tevens zendt
hij een afschrift van dit rapport aan de ambtenaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>11.</nr>
            <al>Indien herplaatsing als bedoeld in het derde lid, onder c, plaatsvindt
in een betrekking voor minder uren dan het aantal waarvoor de ambtenaar was
aangesteld, heeft het ontslag uitsluitend betrekking op het meerdere aantal
uren.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a95">
          <kop>
            <nr>Artikel 95</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Een ambtenaar kan ook op andere gronden, dan die welke in artikel 94 zijn
geregeld of waarnaar in dat artikel wordt verwezen, worden ontslagen. Voor
een ontslagverlening als bedoeld in de eerste volzin, van een ambtenaar werkzaam
bij een regionaal politiekorps, bij het Korps landelijke politiediensten,
bij het LSOP of bij ITO is de medewerking vereist van Onze Minister, indien
bij wet is bepaald dat ontslag bij koninklijk besluit wordt verleend. Voor
een ontslagverlening, bedoeld in de eerste volzin, van een bijzondere ambtenaar
van politie is de medewerking vereist van Onze Minister van Justitie, indien
bij wet is bepaald dat ontslag bij koninklijk besluit wordt verleend. Het
ontslag wordt eervol verleend.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>In geval van ontslag ingevolge het eerste lid wordt een regeling getroffen
waarbij de ambtenaar een uitkering wordt toegekend die met het oog op de omstandigheden
redelijk is te achten. Deze uitkering zal in geen geval minder mogen zijn
dan die welke de ambtenaar op grond van artikel 97 zou toekomen in geval van
ontslag als daar bedoeld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>De regeling, bedoeld in het tweede lid, wordt getroffen:</al>
            <al>a. bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister in overeenstemming
met Onze Minister van Justitie, indien het een ambtenaar betreft, werkzaam
bij een regionaal politiekorps, bij het Korps landelijke politiediensten of
bij ITO, die bij koninklijk besluit is benoemd;</al>
            <al>b. bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister van Justitie
in overeenstemming met Onze Minister, indien het een bijzonder ambtenaar van
politie betreft, die bij koninklijk besluit is benoemd;</al>
            <al>c. door Onze Minister, indien het een ambtenaar betreft, werkzaam bij
een regionaal politiekorps, bij het Korps landelijke politiediensten of bij
ITO die niet bij koninklijk besluit is benoemd en</al>
            <al>d. door Onze Minister van Justitie, indien het een bijzonder ambtenaar
van politie betreft, die niet bij koninklijk besluit is benoemd.</al>
            <al>e. bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister van Justitie
en van Onze Minister, indien het een ambtenaar betreft, werkzaam bij het LSOP
die bij koninklijk besluit is benoemd;</al>
            <al>f. door de bestuursraad van het LSOP of de directie van het LSOP, indien
het een ambtenaar betreft, werkzaam bij het LSOP, die niet bij koninklijk
besluit is benoemd.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a96">
          <kop>
            <nr>Artikel 96</nr>
          </kop>
          <al>[Vervallen.]</al>
        </art>
        <art id="a97">
          <kop>
            <nr>Artikel 97</nr>
          </kop>
          <al>Aan de ambtenaar die als gevolg van een ontslag op grond van de artikelen
89, eerste tot en met vierde lid en zesde lid, 90, met uitzondering van het
tweede lid, 91, eerste lid, 92, of 94, eerste lid, onderdeel e of f,
van dit besluit, werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet, kan
een bovenwettelijke aanvulling op zijn WW-uitkering worden toegekend krachtens
het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie. Bij samenloop
van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie met het Besluit
suppletie gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie, wordt laatstgenoemd
besluit uitgevoerd. Het recht op grond van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering
politie leidt in dat geval niet tot uitkering en de berekening van de periode
daarvan wordt niet gewijzigd.</al>
        </art>
        <art id="a98">
          <kop>
            <nr>Artikel 98</nr>
          </kop>
          <al>[Vervallen.]</al>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK XI.</nr>
          <titel status="off">OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel>
        </kop>
        <art id="a99">
          <kop>
            <nr>Artikel 99</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Een ambtenaar die op grond van afdeling 1, hoofdstuk 2, artikel 1, van
de Invoeringswet Politiewet 1993 naar een politieregio dan wel het Korps landelijke
politiediensten is overgegaan en die op de dag voorafgaande aan de datum van
inwerkingtreding van de Politiewet 1993 aanspraken had op grond van het Ambtenarenreglement
voor de rijkspolitie 1975, het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie
1958, de Rechtstoestandsregeling opleiding ter verkrijging van het diploma
van inspecteur van gemeentepolitie of van officier der rijkspolitie, of artikel
VII van het Besluit van 24 juni 1992, houdende wijziging van het Ambtenarenreglement
voor de rijkspolitie 1975, het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie
1958, het Bezoldigingsreglement politie 1958, het Besluit geneeskundige verzorging
politie 1984 en het Besluit overleg en medezeggenschap politie in verband
met het tot stand brengen van een eenvormige rechtspositie voor alle politieambtenaren,
behoudt deze aanspraken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Een ambtenaar, werkzaam bij het LSOP, die op de dag voorafgaande aan de
datum van inwerkingtreding van de LSOP-wet aanspraken op grond van het Ambtenarenreglement
LSOP had, behoudt deze aanspraken.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a99a">
          <kop>
            <nr>Artikel 99a</nr>
          </kop>
          <al>Ten aanzien van degene die voor 1 april 1994 op grond van artikel 7 van
de Rechtspositieregeling opleiding ter verkrijging van het diploma van inspecteur
van gemeentepolitie of van officier der rijkspolitie benoemd was door Onze
Minister als ambtenaar in tijdelijke dienst, is met ingang van 1 april 1994
Onze Minister het bevoegd gezag gedurende de tijd dat deze ambtenaar zijn
opleiding volgt.</al>
        </art>
        <art id="a100">
          <kop>
            <nr>Artikel 100</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De artikelen 12, 13, eerste en derde lid, 15 tot en met 25, 28, 43 tot
en met 48, 58, 61, 62, 64, en 71 zijn op de aspirant niet van toepassing,
met dien verstande dat artikel 12 wel van toepassing is op de aspirant gedurende
het praktische opleidingsdeel.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De artikelen 13, 15 tot en met 28, 43 tot en met 48, 58, 59, 61, 64, en
71 zijn op de vakantiewerker niet van toepassing.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a101">
          <kop>
            <nr>Artikel 101</nr>
          </kop>
          <al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen genoemd
in dit besluit, met uitzondering van die, genoemd in artikel 51, tweede en
derde lid.</al>
        </art>
        <art id="a102">
          <kop>
            <nr>Artikel 102</nr>
          </kop>
          <al>Het Ambtenarenreglement voor de rijkspolitie 1975, het Ambtenarenreglement
voor de gemeentepolitie 1958, het Besluit benoemingseisen politieambtenaren
1958, het Besluit bevorderingseisen hoger politiepersoneel 1958, het Besluit
bekwaamheidseisen bevordering politie 1964, en de Rechtspositieregeling opleiding
ter verkrijging van het diploma van inspecteur van gemeentepolitie of officier
der rijkspolitie worden ingetrokken.</al>
        </art>
        <art id="a103">
          <kop>
            <nr>Artikel 103</nr>
          </kop>
          <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 1994.</al>
        </art>
        <art id="a104">
          <kop>
            <nr>Artikel 104</nr>
          </kop>
          <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit algemene rechtspositie politie.</al>
        </art>
      </hfdst>
    </tekstpl>
  </backm>
</staatsbl>