﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb2.1" soort="beschik" publtype="besc">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2002-1/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="prod1.5" markup="Xa"></versie>
    <ordernr>STB6850</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="2002">Jaargang 2002</jaargang>
      <stbjaar>2002</stbjaar>
      <stbnr>1</stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Beschikking</soort> van de Minister van Justitie van 21 december
2001, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Wet op de rechterlijke
organisatie, zoals deze luidt met ingang van 1 januari 2002</intitule>
    <aanhef>
      <wie>De Minister van Justitie,</wie>
      <consider>
        <al>Gelet op artikel 4, eerste lid van hoofdstuk 15 van de Aanpassingswet
modernisering rechterlijke organisatie;</al>
      </consider>
      <afkondig>Besluit:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <besluit>
      <al>de tekst van de Wet op de rechterlijke organisatie, zoals deze luidt met
ingang van 1 januari 2002, in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze
beschikking.</al>
    </besluit>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>21 december 2001</onddatum>
        <koning>Beatrix</koning>
        <minister>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>A. H. Korthals</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">achtste</nadruk> januari 2002</uitgifte-regel>
        <uitdag>achtste</uitdag>
        <uitmaand>januari</uitmaand>
        <uitjaar>2002</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>A. H. Korthals</naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <tekstpl>
      <kop>
        <titel status="off">TEKST VAN DE WET OP DE RECHTERLIJKE ORGANISATIE, ZOALS DEZE LUIDT MET
INGANG VAN 1 JANUARI 2002</titel>
      </kop>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK 1.</nr>
          <titel status="off">ALGEMENE BEPALINGEN</titel>
        </kop>
        <art id="a1">
          <kop>
            <nr>Artikel 1</nr>
          </kop>
          <al>In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:</al>
          <al>a. gerechten: de gerechten, genoemd in artikel 2;</al>
          <al>b. rechterlijke ambtenaren:</al>
          <al>1°. de coördinerend vice-presidenten van, de vice-presidenten
van, de raadsheren in, de raadsheren in buitengewone dienst van, de raadsheren-plaatsvervangers
in, de rechters in en de rechters-plaatsvervangers in de gerechten;</al>
          <al>2°. de president van de Hoge Raad;</al>
          <al>3°. de procureur-generaal bij de Hoge Raad, alsmede de plaatsvervangend
procureur-generaal, de advocaten-generaal en de advocaten-generaal in buitengewone
dienst;</al>
          <al>4°. de procureurs-generaal die het College van procureurs-generaal
vormen, bedoeld in artikel 130;</al>
          <al>5°. de advocaten-generaal en de plaatsvervangende advocaten-generaal
bij de ressortsparketten;</al>
          <al>6°. de officieren van justitie, de plaatsvervangende officieren van
justitie, de officieren enkelvoudige zittingen en de plaatsvervangende officieren
enkelvoudige zittingen bij de arrondissementsparketten en het landelijk parket;</al>
          <al>7°. de gerechtsauditeurs bij de gerechten;</al>
          <al>8°. de griffier en substituut-griffiers bij de Hoge Raad;</al>
          <al>c. rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast: de rechterlijke ambtenaren,
genoemd in onderdeel b, onder 1° en 2°;</al>
          <al>d. gerechtsambtenaren: burgerlijke rijksambtenaren op basis van een aanstelling
werkzaam bij een gerecht;</al>
          <al>e. Hoge Raad: Hoge Raad der Nederlanden;</al>
          <al>f. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;</al>
          <al>g. de Raad: de Raad voor de rechtspraak, bedoeld in artikel 84.</al>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK 2.</nr>
          <titel status="off">RECHTSPRAAK</titel>
        </kop>
        <afd>
          <kop>
            <nr>AFDELING 1.</nr>
            <titel status="off">ALGEMENE BEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <art id="a2">
            <kop>
              <nr>Artikel 2</nr>
            </kop>
            <al>De tot de rechterlijke macht behorende gerechten zijn:</al>
            <al>a. de rechtbanken;</al>
            <al>b. de gerechtshoven; en</al>
            <al>c. de Hoge Raad.</al>
          </art>
          <art id="a3">
            <kop>
              <nr>Artikel 3</nr>
            </kop>
            <al>De afdelingen 2 en 6 zijn niet van toepassing op de Hoge Raad.</al>
          </art>
          <art id="a4">
            <kop>
              <nr>Artikel 4</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Tenzij bij de wet anders is bepaald, zijn, op straffe van nietigheid,
de zittingen openbaar.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Om gewichtige redenen kan het onderzoek ter zitting geheel of gedeeltelijk
plaatsvinden met gesloten deuren. In het proces-verbaal van de zitting worden
de redenen vermeld.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a5">
            <kop>
              <nr>Artikel 5</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Op straffe van nietigheid geschiedt de uitspraak van vonnissen en arresten
in burgerlijke zaken en strafzaken in het openbaar en bevatten deze beslissingen
de gronden waarop zij berusten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Op straffe van nietigheid worden de beschikkingen, vonnissen en arresten
in burgerlijke zaken en strafzaken gewezen en de uitspraken in bestuursrechtelijke
zaken gedaan met het in deze wet bepaalde aantal rechterlijke ambtenaren met
rechtspraak belast.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Indien bij de wet is bepaald dat ook anderen dan rechterlijke ambtenaren
deel uitmaken van een meervoudige kamer, zijn de beslissingen van de desbetreffende
meervoudige kamer tevens nietig, indien deze beslissingen niet zijn genomen
met het in deze wet bepaalde aantal personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a6">
            <kop>
              <nr>Artikel 6</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het bestuur van een gerecht vormt voor het behandelen en beslissen van
zaken enkelvoudige en meervoudige kamers en bepaalt de bezetting daarvan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Tenzij in deze wet anders is bepaald, bestaan de meervoudige kamers uit
drie rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, van wie een als voorzitter
optreedt. Indien ook anderen dan rechterlijke ambtenaren deel uitmaken van
een meervoudige kamer, treedt een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast
op als voorzitter.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Het bestuur kan bepalen dat in een zaak in verband met de veiligheid van
personen dan wel indien de zitting langer dan een dag zal duren, een of meer
rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast zich met het oog op mogelijke
vervanging van een van de leden van een meervoudige kamer gereed houden. Deze
rechterlijke ambtenaren zijn bij de behandeling ter terechtzitting van die
zaak aanwezig, maar nemen aan het onderzoek in en de beraadslaging en beslissing
over die zaak niet deel, tenzij zij op verzoek van de voorzitter van de meervoudige
kamer in de plaats treden van een van de afwezige leden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Dit artikel is niet van toepassing op de Hoge Raad.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a7">
            <kop>
              <nr>Artikel 7</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De voorzitter van de meervoudige kamer doet in raadkamer hoofdelijk omvraag.
De voorzitter geeft als laatste zijn oordeel.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Ieder lid is verplicht aan de besluitvorming deel te nemen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, de gerechtsauditeurs,
de rechterlijke ambtenaren in opleiding, de griffier, substituut-griffiers
en waarnemend griffiers bij de Hoge Raad, gerechtsambtenaren en buitengriffiers,
bedoeld in artikel 14, vierde lid, zijn tot geheimhouding verplicht van hetgeen
in de raadkamer over aanhangige zaken is geuit.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a8">
            <kop>
              <nr>Artikel 8</nr>
            </kop>
            <al>Raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers kunnen door het
bestuur worden opgeroepen voor de behandeling en beslissing van zaken.</al>
          </art>
          <art id="a9">
            <kop>
              <nr>Artikel 9</nr>
            </kop>
            <al>De Raad kan in overeenstemming met het lid van een gerechtshof of rechtbank
en het bestuur van het gerecht waar hij werkzaam is, dat lid belasten met
de waarneming van een ander rechterlijk ambt bij een ander gerechtshof of
andere rechtbank.</al>
          </art>
          <art id="a10">
            <kop>
              <nr>Artikel 10</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>In de hoofdplaats en de nevenvestigingsplaats is de griffie alle werkdagen
gedurende ten minste zes uren per dag geopend.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>In de nevenzittingsplaats is de griffie niet alle werkdagen, of minder
dan zes uren per dag, geopend.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a11">
            <kop>
              <nr>Artikel 11</nr>
            </kop>
            <al>Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de orde
van dienst binnen de gerechten.</al>
          </art>
          <art id="a12">
            <kop>
              <nr>Artikel 12</nr>
            </kop>
            <al>De rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, de gerechtsauditeurs,
de rechterlijke ambtenaren in opleiding en de griffier en substituut-griffiers
bij de Hoge Raad mogen zich niet op enige wijze inlaten met partijen of hun
advocaten, procureurs of gemachtigden over enige voor hen aanhangige geschillen
of geschillen waarvan zij weten of vermoeden dat die voor hen aanhangig zullen
worden.</al>
          </art>
          <art id="a13">
            <kop>
              <nr>Artikel 13</nr>
            </kop>
            <al>De rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, de gerechtsauditeurs,
de rechterlijke ambtenaren in opleiding, de griffier, substituut-griffiers
en waarnemend griffiers bij de Hoge Raad, gerechtsambtenaren en buitengriffiers,
bedoeld in artikel 14, vierde lid, zijn verplicht tot geheimhouding van de
gegevens waarover zij bij de uitoefening van hun taak de beschikking krijgen
en waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs moeten
vermoeden, behoudens voorzover enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling
verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.</al>
          </art>
        </afd>
        <afd>
          <kop>
            <nr>AFDELING 2.</nr>
            <titel status="off">DE ORGANISATIE VAN DE GERECHTEN</titel>
          </kop>
          <par>
            <kop>
              <nr>Paragraaf 1.</nr>
              <titel status="off">Inrichting</titel>
            </kop>
            <art id="a14">
              <kop>
                <nr>Artikel 14</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Bij een gerecht zijn werkzaam:</al>
                <al>a. rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, en</al>
                <al>b. gerechtsambtenaren.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Bij een gerecht kunnen gerechtsauditeurs en rechterlijke ambtenaren in
opleiding werkzaam zijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>De daartoe door het bestuur van een gerecht aangewezen gerechtsambtenaren,
rechterlijke ambtenaren in opleiding en gerechtsauditeurs verrichten de werkzaamheden
die bij of krachtens de wet aan de griffier zijn opgedragen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>Het bestuur van een gerecht kan personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar
met rechtspraak belast, gerechtsambtenaar, rechterlijk ambtenaar in opleiding
of gerechtsauditeur, benoemen tot buitengriffier. Zij kunnen in die hoedanigheid
door het bestuur worden opgeroepen voor het verrichten van werkzaamheden die
bij of krachtens de wet aan de griffier zijn opgedragen. Alvorens voor de
eerste keer te worden opgeroepen leggen zij voor het gerecht de eed of belofte
af. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt het formulier voor
de eed of belofte vastgesteld en kunnen nadere regels worden gesteld over
hun beëdiging. Zij ontvangen een vergoeding volgens bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te stellen regels.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>5.</nr>
                <al>Indien een gerechtsambtenaar, rechterlijk ambtenaar in opleiding, gerechtsauditeur of buitengriffier griffierswerkzaamheden verricht
ter ondersteuning van een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast, is
hij verplicht te voldoen aan de aanwijzingen van die rechterlijk ambtenaar.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a15">
              <kop>
                <nr>Artikel 15</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Bij elk gerecht is een bestuur, dat bestaat uit een voorzitter, de sectorvoorzitters
en een niet-rechterlijk lid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De voorzitter van het bestuur is een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak
belast en draagt de titel van president.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>De sectorvoorzitter is een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>Het niet-rechterlijk lid is een gerechtsambtenaar en draagt de titel van
directeur bedrijfsvoering.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>5.</nr>
                <al>De bestuursleden worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze
Minister benoemd voor een periode van zes jaar. Zij kunnen worden herbenoemd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>6.</nr>
                <al>Voor de benoeming van een bestuurslid stelt de Raad een aanbeveling op
van drie personen. Voordat de Raad de aanbeveling opstelt, hoort hij het bestuur
van het desbetreffende gerecht. Het bestuur stelt de Raad daarbij tevens op
de hoogte van de zienswijze van de ondernemingsraad.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>7.</nr>
                <al>Een lid van het bestuur kan niet tevens zijn lid van de Raad dan wel lid
van het bestuur van een ander gerecht.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>8.</nr>
                <al>Een lid van het bestuur kan niet tevens zijn:</al>
                <al>a. lid van de Staten-Generaal;</al>
                <al>b. minister;</al>
                <al>c. staatssecretaris;</al>
                <al>d. lid van de Raad van State;</al>
                <al>e. lid van de Algemene Rekenkamer;</al>
                <al>f. Nationale ombudsman of substituut-ombudsman;</al>
                <al>g. advocaat, procureur of notaris, dan wel anderszins van het verlenen
van rechtskundige bijstand een beroep maken;</al>
                <al>h. ambtenaar bij een ministerie, alsmede de daaronder ressorterende instellingen,
diensten en bedrijven.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>9.</nr>
                <al>De voorzitter en de sectorvoorzitters zijn rechterlijke ambtenaren met
rechtspraak belast die zijn aangesteld overeenkomstig artikel 2, eerste lid,
van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Zij kunnen niet tevens rechterlijk
ambtenaar, genoemd in artikel 1, onder b, onder 2° tot en met 8°,
vice-president van de Hoge Raad, raadsheer in de Hoge Raad of raadsheer in
buitengewone dienst bij de Hoge Raad zijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>10.</nr>
                <al>De directeur bedrijfsvoering kan niet tevens rechterlijk ambtenaar zijn.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a16">
              <kop>
                <nr>Artikel 16</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>De voorzitter onderscheidenlijk de sectorvoorzitter ontvangt in verband
met het verrichten van de werkzaamheden als voorzitter onderscheidenlijk sectorvoorzitter
een toelage op het salaris dat hij als rechterlijk ambtenaar geniet. Het bedrag
van de toelage is gelijk aan het verschil tussen dat salaris en de bij algemene
maatregel van bestuur voor de functie van voorzitter onderscheidenlijk sectorvoorzitter
vast te stellen salarishoogte.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Een lid van het bestuur wordt bij koninklijk besluit op voordracht van
Onze Minister ontslagen bij de aanvaarding van een ambt dat of een betrekking
die ingevolge artikel 15 onverenigbaar is met het zijn van lid van het bestuur
van het gerecht.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>De voorzitter en de sectorvoorzitter worden bij koninklijk besluit op
voordracht van Onze Minister ontslagen onderscheidenlijk geschorst als lid
van het bestuur indien zij als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast worden ontslagen onderscheidenlijk geschorst, tenzij dat ontslag
of die schorsing alleen een rechtsprekend ambt betreft waarin zij niet zijn
aangesteld overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>De voorzitter en de sectorvoorzitter worden op eigen verzoek bij koninklijk
besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>5.</nr>
                <al>De directeur bedrijfsvoering wordt disciplinair gestraft, geschorst en
ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister. Onze Minister
doet zijn voordracht op voorstel van de Raad.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>6.</nr>
                <al>Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de
rechtspositie van de bestuursleden, waaronder in ieder geval regels betreffende
de in het eerste lid bedoelde toelage van de voorzitter en de sectorvoorzitter
alsmede de bezoldiging van de directeur bedrijfsvoering.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a17">
              <kop>
                <nr>Artikel 17</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur kan slechts beslissingen nemen indien ten minste de helft
van het aantal leden aanwezig is.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Het bestuur beslist bij meerderheid van stemmen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Indien de stemmen staken, geeft de stem van de president de doorslag.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a18">
              <kop>
                <nr>Artikel 18</nr>
              </kop>
              <al>Het bestuur kan een of meer leden van het bestuur machtigen een of meer
van zijn bevoegdheden uit te oefenen. Afdeling 10.1.1 van de Algemene wet
bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.</al>
            </art>
            <art id="a19">
              <kop>
                <nr>Artikel 19</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur stelt bij reglement in ieder geval nadere regels vast met
betrekking tot zijn werkwijze, besluitvorming en taakverdeling, de organisatiestructuur,
de machtiging, bedoeld in artikel 18, de vervanging van zijn leden in geval
van ziekte of andere verhindering, de indeling in kamers, bedoeld in artikel
6, eerste lid, de verdeling van zaken over de sectoren, bedoeld in artikel
20, tweede lid, alsmede de verdeling van zaken over de hoofdplaats en nevenvestigings-
en nevenzittingsplaatsen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Het reglement behoeft de instemming van de Raad. De artikelen 10:28 tot
en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>De instemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht
of het belang van een goede bedrijfsvoering van het gerecht.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>Het reglement wordt gepubliceerd in de Staatscourant.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a20">
              <kop>
                <nr>Artikel 20</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur stelt binnen het gerecht ten hoogste vier organisatorische
eenheden in onder de benaming sectoren.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Binnen een sector als bedoeld in het eerste lid worden in de enkelvoudige
en meervoudige kamers de soorten zaken behandeld en beslist die door het bestuur
aan die sector zijn opgedragen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Met uitzondering van de raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers,
die niet zijn aangewezen voor het vervullen van een gehele of gedeeltelijke
taak, vormen de binnen een sector werkzame rechterlijke ambtenaren, rechterlijke
ambtenaren in opleiding en gerechtsambtenaren tezamen de sectorvergadering.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>De raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers die ingevolge
het derde lid niet van de sectorvergadering deel uitmaken, kunnen daar op
uitnodiging aan deelnemen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>5.</nr>
                <al>Gerechtsambtenaren nemen niet deel aan een stemming over de juridische
kwaliteit en uniforme rechtstoepassing, bedoeld in artikel 23, derde lid.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a21">
              <kop>
                <nr>Artikel 21</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>De sectorvoorzitter is belast met de dagelijkse leiding van de sector.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De sectorvoorzitter is voorzitter van de sectorvergadering.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a22">
              <kop>
                <nr>Artikel 22</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Met uitzondering van de raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers,
die niet zijn aangewezen voor het vervullen van een gehele of gedeeltelijke
taak, vormen de bij een gerecht werkzame rechterlijke ambtenaren met rechtspraak
belast, de gerechtsauditeurs, die tevens raadsheer-plaatsvervanger of rechter-plaatsvervanger
zijn, en de rechterlijke ambtenaren in opleiding tezamen de gerechtsvergadering.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De president is voorzitter van de gerechtsvergadering.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>De bij het gerecht werkzame gerechtsambtenaren, gerechtsauditeurs, die
niet tevens raadsheer-plaatsvervanger of rechter-plaatsvervanger zijn, en
de raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers, die niet zijn
aangewezen voor het vervullen van een gehele of gedeeltelijke taak, kunnen
op uitnodiging deelnemen aan de gerechtsvergadering.</al>
              </lid>
            </art>
          </par>
          <par>
            <kop>
              <nr>Paragraaf 2.</nr>
              <titel status="off">Taken en bevoegdheden</titel>
            </kop>
            <art id="a23">
              <kop>
                <nr>Artikel 23</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur is belast met de algemene leiding, de organisatie en de bedrijfsvoering
van het gerecht. In het bijzonder draagt het bestuur zorg voor:</al>
                <al>a. automatisering en bestuurlijke informatievoorziening;</al>
                <al>b. de voorbereiding, vaststelling en uitvoering van de begroting;</al>
                <al>c. huisvesting en beveiliging;</al>
                <al>d. de kwaliteit van de bestuurlijke en organisatorische werkwijze van
het gerecht;</al>
                <al>e. personeelsaangelegenheden;</al>
                <al>f. overige materiële voorzieningen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, treedt het
bestuur niet in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling
van alsmede de beslissing in een concrete zaak of in categorieën van
zaken.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Het bestuur heeft voorts tot taak binnen het gerecht de juridische kwaliteit
en de uniforme rechtstoepassing te bevorderen. Het voert daarover overleg
met een sectorvergadering of de gerechtsvergadering. Bij de uitvoering van
deze taak treedt het bestuur niet in de procesrechtelijke behandeling van,
de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>De bestuursleden geven elkaar inlichtingen die voor de uitvoering van
de taken, bedoeld in het eerste en derde lid, noodzakelijk zijn.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a24">
              <kop>
                <nr>Artikel 24</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur kan ter uitvoering van zijn taken, genoemd in artikel 23,
eerste lid, alle bij het gerecht werkzame ambtenaren algemene en bijzondere
aanwijzingen geven.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Bij het geven van aanwijzingen treedt het bestuur niet in de procesrechtelijke
behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in
een concrete zaak of in categorieën van zaken.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a25">
              <kop>
                <nr>Artikel 25</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Met uitzondering van de directeur bedrijfsvoering worden de gerechtsambtenaren
aangesteld, disciplinair gestraft, geschorst en ontslagen door het bestuur.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Ten aanzien van de gerechtsambtenaren worden de in de Ambtenarenwet aan
het bevoegd gezag toegekende bevoegdheden uitgeoefend door het bestuur, met
dien verstande dat deze bevoegdheden ten aanzien van de directeur bedrijfsvoering
worden uitgeoefend door het bestuur uitgezonderd de directeur bedrijfsvoering.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
omtrent de uitoefening van rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van
de gerechtsambtenaren door het bestuur onderscheidenlijk het bestuur uitgezonderd
de directeur bedrijfsvoering en door de Raad voor de rechtspraak.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>Het bestuur is functionele autoriteit als bedoeld in de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren en de daarop berustende bepalingen ten aanzien van
de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij het gerecht en de rechterlijke
ambtenaren in opleiding, voorzover zij de opleiding bij het gerecht doorbrengen.
In afwijking hiervan worden de bij en krachtens de wet aan het bestuur als
functionele autoriteit toegekende bevoegdheden ten aanzien van een rechterlijk
ambtenaar met rechtspraak belast die tevens lid van het bestuur is, uitgeoefend
door het bestuur uitgezonderd die rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a26">
              <kop>
                <nr>Artikel 26</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur stelt een regeling vast voor de behandeling van klachten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De regeling of een wijziging daarvan behoeft de instemming van de Raad.
De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn
van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>De instemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht
of het belang van een goede bedrijfsvoering van het gerecht.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>Klachten zijn niet mogelijk ten aanzien van gedragingen waartegen ingevolge
een wettelijk geregelde voorziening een procedure bij een rechterlijke instantie
aanhangig is, dan wel beroep openstaat tegen een uitspraak die in een zodanige
procedure is gedaan. Klachten kunnen evenmin een rechterlijke beslissing betreffen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>5.</nr>
                <al>De regeling wordt gepubliceerd in de Staatscourant.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>6.</nr>
                <al>Afdeling 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige
toepassing.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a27">
              <kop>
                <nr>Artikel 27</nr>
              </kop>
              <al>De president vertegenwoordigt het gerecht.</al>
            </art>
            <art id="a28">
              <kop>
                <nr>Artikel 28</nr>
              </kop>
              <al>Een sectorvergadering of de gerechtsvergadering kan het bestuur gevraagd
of ongevraagd adviseren over de uitvoering van de in artikel 23, derde lid,
genoemde taak.</al>
            </art>
          </par>
          <par>
            <kop>
              <nr>Paragraaf 3.</nr>
              <titel status="off">Planning en bekostiging</titel>
            </kop>
            <art id="a29">
              <kop>
                <nr>Artikel 29</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Met inachtneming van de regels, bedoeld in artikel 97, eerste lid, kent
de Raad jaarlijks aan elk gerecht een algemeen budget toe ten laste van de
rijksbegroting. De Raad kan aan de toekenning van het budget voorschriften
verbinden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>In aanvulling op het algemene budget kan de Raad een gerecht financiële
middelen verstrekken voor specifiek omschreven activiteiten die gericht zijn
op verbetering van de organisatie of de werkwijze van de gerechten of het
desbetreffende gerecht. De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a30">
              <kop>
                <nr>Artikel 30</nr>
              </kop>
              <al>De Raad deelt aan elk gerecht zo spoedig mogelijk na de mededeling, bedoeld
in artikel 101 mede welk budget, met inbegrip van de daaraan te verbinden
voorschriften, voor het komende begrotingsjaar voorlopig kan worden verwacht.
Hij deelt daarbij tevens mede op welke wijze het geraamde budget is berekend.</al>
            </art>
            <art id="a31">
              <kop>
                <nr>Artikel 31</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur stelt jaarlijks een jaarplan voor het gerecht vast. Het plan
bevat:</al>
                <al>a. een omschrijving van de voorgenomen activiteiten ter uitvoering van
de in artikel 23, eerste lid, genoemde taken voor het jaar volgend op het
jaar waarin het plan is vastgesteld;</al>
                <al>b. een begroting voor het komende begrotingsjaar;</al>
                <al>c. een meerjarenraming voor ten minste vier op het begrotingsjaar volgende
jaren.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>In afwijking van artikel 17, tweede lid, stelt het bestuur het jaarplan
vast met meerderheid van stemmen, waaronder de stem van de president.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>De Raad kan omtrent de inrichting van het plan algemene aanwijzingen geven.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>Het bestuur zendt het plan voor een door de Raad te bepalen tijdstip aan
de Raad.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>5.</nr>
                <al>Binnen het bestuur ziet de president toe op de uitvoering van het jaarplan.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a32">
              <kop>
                <nr>Artikel 32</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur stelt de begroting van het gerecht als onderdeel van het jaarplan
vast in overeenstemming met het door de Raad geraamde budget, bedoeld in artikel
30.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De begroting van het gerecht behoeft de instemming van de Raad. De artikelen
10:28 tot en met 10:30 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige
toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>De instemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht
of het belang van een goede bedrijfsvoering van het gerecht.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>De Raad beslist binnen acht weken na ontvangst van de begroting van het
gerecht. De instemming wordt geacht te zijn verleend indien binnen deze termijn
geen beslissing van de Raad is ontvangen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>5.</nr>
                <al>In gevallen van dringende spoed kan het bestuur een uitgave doen voordat
de desbetreffende begroting de instemming van de Raad heeft verkregen. De
Raad wordt daarvan terstond in kennis gesteld.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a33">
              <kop>
                <nr>Artikel 33</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>De Raad maakt aan elk gerecht zo spoedig mogelijk na de vaststelling van
hoofdstuk VI van de rijksbegroting bekend, welk budget hij aan het gerecht
toekent. Indien het budget afwijkt van het geraamde budget, bedoeld in artikel
30 is de tweede volzin van dat artikel van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Indien het budget afwijkt van het geraamde budget, bedoeld in artikel
30, wijzigt het bestuur de begroting van het gerecht. </al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Beslissingen tot andere wijzigingen van de begroting kunnen uiterlijk
tot het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>De Raad wordt van de wijzigingen, bedoeld in het tweede en derde lid,
terstond in kennis gesteld.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>5.</nr>
                <al>Het bestuur doet de noodzakelijke uitgaven binnen de grenzen van de vastgestelde
of gewijzigde begroting.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a34">
              <kop>
                <nr>Artikel 34</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Indien de begroting niet de instemming van de Raad heeft verkregen, behoeft
het bestuur tot het doen van uitgaven steeds de instemming van de Raad.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Een verzoek van het bestuur om instemming kan door de Raad slechts worden
afgewezen wegens strijd met het recht of het belang van een goede bedrijfsvoering
van het gerecht. De artikelen 10:28 tot en met 10:30 van de Algemene wet bestuursrecht
zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>De Raad beslist op het verzoek binnen acht weken na ontvangst van het
verzoek. De instemming wordt geacht te zijn verleend indien binnen deze termijn
geen beslissing van de Raad is ontvangen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>De Raad kan aan de instemming voorschriften verbinden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>5.</nr>
                <al>De Raad kan bepalen voor welke posten en tot welk bedrag het bestuur geen
instemming behoeft.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a35">
              <kop>
                <nr>Artikel 35</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur dient jaarlijks voor een door de Raad te bepalen tijdstip
bij de Raad een verslag in.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Het verslag bestaat uit de jaarrekening met bijbehorende begroting, de
daarin aangebrachte wijzigingen, het jaarverslag en overige financiële
gegevens.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>In de jaarrekening wordt rekening en verantwoording afgelegd van het financiële
beheer van het gerecht over het voorafgaande begrotingsjaar.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>De jaarrekening behoeft de instemming van de Raad. De instemming kan slechts
worden onthouden wegens strijd met het recht. De artikelen 10:28 tot en met
10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>5.</nr>
                <al>In het jaarverslag wordt vermeld op welke wijze de werkzaamheden ten behoeve
waarvan het budget ten laste van de rijksbegroting is verleend, zijn uitgevoerd.
Daarbij wordt aangegeven op welke wijze deze werkzaamheden zich verhouden
tot het plan zoals dit overeenkomstig artikel 31 voor het desbetreffende jaar
is vastgesteld en tot de in het desbetreffende jaar geldende financieringsregels,
bedoeld in artikel 97, eerste lid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>6.</nr>
                <al>Het verslag omvat een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid,
afgegeven door een door het bestuur aangewezen accountant als bedoeld in artikel
393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De accountant voegt
bij de verklaring een rapport naar aanleiding van de controle op het financiële
beheer. Bij de aanwijzing van de accountant wordt bedongen dat aan de Raad
op diens verzoek inzicht wordt geboden in de controle-rapporten van de accountant.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>7.</nr>
                <al>De Raad kan een aanwijzing vaststellen inzake de reikwijdte en de intensiteit
van de accountantscontrole. Deze aanwijzing is in overeenstemming met de aanwijzing,
bedoeld in artikel 104, zesde lid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>8.</nr>
                <al>In afwijking van artikel 17, tweede lid, stelt het bestuur het jaarverslag
vast met meerderheid van stemmen, waaronder de stem van de president.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>9.</nr>
                <al>De Raad kan omtrent de inrichting van het verslag algemene aanwijzingen
geven.</al>
              </lid>
            </art>
          </par>
          <par>
            <kop>
              <nr>Paragraaf 4.</nr>
              <titel status="off">Toezicht</titel>
            </kop>
            <art id="a36">
              <kop>
                <nr>Artikel 36</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur verstrekt desgevraagd aan de Raad de voor de uitoefening van
zijn taak benodigde inlichtingen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De Raad kan omtrent de verstrekking van inlichtingen algemene aanwijzingen
geven voorzover de gevraagde inlichtingen betrekking hebben op beslissingen
en handelingen ter uitvoering van de taken, genoemd in artikel 23, eerste
lid.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a37">
              <kop>
                <nr>Artikel 37</nr>
              </kop>
              <al>Een beslissing van het bestuur ter uitvoering van de in artikel 23, eerste
lid, genoemde taken kan door de Raad worden vernietigd indien de beslissing
kennelijk in strijd is met het recht of het belang van een goede bedrijfsvoering
van het gerecht. De artikelen 10:36, 10:37, 10:38, 10:40, 10:41, 10:42, eerste
en tweede lid, 10:43, 10:44 en 10:45 van de Algemene wet bestuursrecht zijn
van overeenkomstige toepassing.</al>
            </art>
            <art id="a38">
              <kop>
                <nr>Artikel 38</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>In geval van ongeschiktheid anders dan wegens ziekte kan de Raad Onze
Minister voorstellen om een of meer leden van het bestuur voor te dragen voor
ontslag als lid van het bestuur. In geval van een ernstig vermoeden voor het
bestaan van ongeschiktheid anders dan wegens ziekte, kan de Raad Onze Minister
voorstellen om een of meer leden van het bestuur voor te dragen voor schorsing
als lid van het bestuur.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De schorsing of het ontslag geschiedt bij koninklijk besluit op voordracht
van Onze Minister.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Indien alle leden van het bestuur zijn geschorst of ontslagen, kan de
Raad bij het desbetreffende gerecht een of meer tijdelijke bewindvoerders
aanstellen. Artikel 15, zevende tot en met tiende lid, zijn van overeenkomstige
toepassing. Bij de aanstelling wordt een termijn bepaald voor de bewindvoering.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a39">
              <kop>
                <nr>Artikel 39</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Tegen een besluit op grond van artikel 38, eerste en tweede lid, kan een
belanghebbende beroep instellen bij de Hoge Raad.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De Hoge Raad beoordeelt of de Kroon in redelijkheid tot het oordeel heeft
kunnen komen dat sprake is van ongeschiktheid anders dan wegens ziekte, onderscheidenlijk
een ernstig vermoeden voor het bestaan daarvan, alsmede of Onze Minister bij
zijn voordracht in strijd met artikel 109 heeft gehandeld.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Op het beroep is hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering
van afdeling 8.1.1 en de artikelen 8:10, 8:11, 8:13 en 8:86, van overeenkomstige
toepassing.</al>
              </lid>
            </art>
          </par>
        </afd>
        <afd>
          <kop>
            <nr>AFDELING 3.</nr>
            <titel status="off">DE RECHTBANKEN</titel>
          </kop>
          <par>
            <kop>
              <nr>Paragraaf 1.</nr>
              <titel status="off">Algemene bepalingen</titel>
            </kop>
            <art id="a40">
              <kop>
                <nr>Artikel 40</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, werkzaam bij de rechtbanken
zijn:</al>
                <al>a. coördinerend vice-presidenten;</al>
                <al>b. vice-presidenten;</al>
                <al>c. rechters;</al>
                <al>d. rechters-plaatsvervangers.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast in een rechtbank zijn
van rechtswege rechter-plaatsvervanger in de overige rechtbanken.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a41">
              <kop>
                <nr>Artikel 41</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>De rechtbank is gevestigd in de hoofdplaats van het arrondissement.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De nevenvestigingsplaatsen van de rechtbank zijn vermeld in de bij deze
wet behorende bijlage. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nevenzittingsplaatsen
worden aangewezen. Tevens kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels
worden gesteld voor de verdeling van zaken over de hoofdplaats en de nevenvestigings-
en nevenzittingsplaatsen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene
maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp
aan beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>Het bestuur verdeelt de zaken over de hoofdplaats en de nevenvestigingsen
nevenzittingsplaatsen, met inachtneming van de regels, bedoeld in het tweede
lid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>5.</nr>
                <al>De rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, de niet-rechterlijke
leden van een meervoudige kamer, de gerechtsambtenaren, de rechterlijke ambtenaren
in opleiding, de gerechtsauditeurs en de buitengriffiers kunnen in de nevenvestigings-
en nevenzittingsplaatsen alle werkzaamheden, ook buiten de terechtzitting,
verrichten waartoe zij in de hoofdplaats bevoegd zijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>6.</nr>
                <al>De griffie van de hoofdplaats is voor de zaken die in de nevenvestigings-
en nevenzittingsplaatsen worden behandeld, mede daar gevestigd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>7.</nr>
                <al>Stukken en zaken kunnen worden ingediend en gedeponeerd bij de griffie
in de plaats waar de zaak wordt behandeld, met dien verstande dat in nevenzittingsplaatsen
geen zaken kunnen worden gedeponeerd. Het bestuur kan in het bestuursreglement
bepalen dat in een nevenzittingsplaats geen stukken kunnen worden ingediend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>8.</nr>
                <al>Onze Minister kan, na overleg met het bestuur van de rechtbank, bepalen
dat in een zaak de terechtzitting zal worden gehouden op een door hem aan
te wijzen locatie in de hoofdplaats van het arrondissement, buiten de hoofdplaats
van het arrondissement of buiten het arrondissement, indien dit noodzakelijk
is in verband met de veiligheid van personen.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a42">
              <kop>
                <nr>Artikel 42</nr>
              </kop>
              <al>De rechtbanken nemen in eerste aanleg kennis van alle burgerlijke zaken,
behoudens bij de wet bepaalde uitzonderingen.</al>
            </art>
            <art id="a43">
              <kop>
                <nr>Artikel 43</nr>
              </kop>
              <al>De rechtbanken nemen in eerste aanleg kennis van de bestuursrechtelijke
zaken waarvan de kennisneming bij de wet aan hen is opgedragen.</al>
            </art>
            <art id="a44">
              <kop>
                <nr>Artikel 44<voetref refid="v1"></voetref></nr>
              </kop>
              <al>De rechtbanken nemen in eerste aanleg kennis van de belastingzaken waarvan
de kennisneming bij de wet aan hen is opgedragen.</al>
            </art>
            <art id="a45">
              <kop>
                <nr>Artikel 45</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>De rechtbanken nemen in eerste aanleg kennis van alle strafzaken, behoudens
bij de wet bepaalde uitzonderingen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De rechtbanken nemen ook kennis van de vordering tot vergoeding van kosten
en schaden ten behoeve van de benadeelde partij in strafzaken.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a46">
              <kop>
                <nr>Artikel 46</nr>
              </kop>
              <al>Het bestuur van de rechtbank wijst uit de bij het gerecht werkzame rechterlijke
ambtenaren met rechtspraak belast rechters-commissarissen aan, belast met
de behandeling van strafzaken.</al>
            </art>
          </par>
          <par>
            <kop>
              <nr>Paragraaf 2.</nr>
              <titel status="off">De sector kanton</titel>
            </kop>
            <art id="a47">
              <kop>
                <nr>Artikel 47</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Er is een sector kanton waarbinnen in enkelvoudige kamers kantonzaken
worden behandeld en beslist.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De sector kanton verricht zijn taken in de arrondissementshoofdplaats
alsmede in de nevenvestigingsplaatsen die zijn vermeld in de bijlage, bedoeld
in artikel 41, tweede lid, en in de nevenzittingsplaatsen die krachtens artikel
41, tweede lid, zijn aangewezen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Het bestuur hoort de sectorvergadering van de sector kanton over:</al>
                <al>a. het opmaken van een lijst van aanbeveling voor een opengevallen plaats
binnen de sector kanton als bedoeld in artikel 1e, eerste lid, van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren;</al>
                <al>b. het houden van zittingen door de sector kanton in nevenzittingsplaatsen;</al>
                <al>c. de verdeling van kantonzaken over de hoofdplaats en nevenvestigings-
en nevenzittingsplaatsen.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a48">
              <kop>
                <nr>Artikel 48</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur van de rechtbank vormt binnen de sector kanton enkelvoudige
kamers en bepaalt de bezetting daarvan. Degene die zitting heeft in de enkelvoudige
kamer draagt de titel van kantonrechter dan wel kantonrechter-plaatsvervanger.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>In afwijking van artikel 47, eerste lid, vormt het bestuur van de rechtbank
binnen de sector kanton meervoudige kamers onder de benaming van pachtkamers
en bepaalt de bezetting daarvan.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Een pachtkamer wordt bezet door twee personen, niet zijnde rechterlijk
ambtenaar, als deskundige leden en een kantonrechter. Op de deskundige leden
zijn de artikelen 7, derde lid, 12 en 13 van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a49">
              <kop>
                <nr>Artikel 49</nr>
              </kop>
              <al>Het bestuur van de rechtbank te Arnhem vormt binnen de sector kanton een
enkelvoudige kamer voor het behandelen en beslissen van militaire kantonzaken
en bepaalt de bezetting daarvan. Degene die zitting heeft in deze kamer draagt
de titel van militaire kantonrechter.</al>
            </art>
          </par>
          <par>
            <kop>
              <nr>Paragraaf 3.</nr>
              <titel status="off">Vorming en bezetting van kamers</titel>
            </kop>
            <art id="a50">
              <kop>
                <nr>Artikel 50</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van zaken waarvoor
in verband met onverwijlde spoed een voorziening wordt gevraagd enkelvoudige
kamers en bepaalt de bezetting daarvan. Deze kamers kunnen ook andere bij
de wet aan hen toebedeelde zaken behandelen en beslissen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer als bedoeld in het
eerste lid draagt de titel van voorzieningenrechter.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>In kort geding als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
draagt de voorzieningenrechter ter terechtzitting de aanspreektitel van president
in kort geding.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a51">
              <kop>
                <nr>Artikel 51</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van strafzaken in eerste
aanleg, niet zijnde kantonzaken als bedoeld in artikel 47, eerste lid, enkelvoudige
kamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer als bedoeld in het
eerste lid draagt de titel van politierechter.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a52">
              <kop>
                <nr>Artikel 52</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van zaken betreffende
economische delicten enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming
van economische kamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Degene die zitting heeft in een enkelvoudige economische kamer draagt
de titel van economische politierechter.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a53">
              <kop>
                <nr>Artikel 53</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van kinderzaken enkelvoudige
kamers en bepaalt de bezetting daarvan.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer voor kinderzaken draagt
de titel van kinderrechter.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a54">
              <kop>
                <nr>Artikel 54</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur van de rechtbank te 's-Gravenhage vormt voor het behandelen
en beslissen van zaken op grond van de Militaire Ambtenarenwet 1931 enkelvoudige
en meervoudige kamers en bepaalt de bezetting daarvan.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer als bedoeld in het
eerste lid draagt de titel van militaire ambtenarenrechter.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Een meervoudige kamer bestaat uit twee rechterlijke ambtenaren met rechtspraak
belast en een militair lid, dat bij voorkeur afkomstig is uit het krijgsmachtdeel
waartoe degene die beroep heeft ingesteld behoort of behoorde. Op het militaire
lid zijn de artikelen 7, derde lid, 12 en 13 van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a55">
              <kop>
                <nr>Artikel 55</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur van de rechtbank te Arnhem vormt voor het behandelen en beslissen
van zaken als bedoeld in artikel 2 van de Wet militaire strafrechtspraak,
enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van militaire kamers.
Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Een meervoudige kamer bestaat uit twee rechterlijke ambtenaren met rechtspraak
belast en een militair lid, dat bij voorkeur afkomstig is uit het krijgsmachtdeel
waartoe de verdachte behoort of behoorde. Bij de behandeling van een zaak
tegen verdachten van verschillende krijgsmachtdelen bepaalt de voorzitter
van de kamer uit welk krijgsmachtdeel het militaire lid afkomstig is. Op het
militaire lid zijn de artikelen 7, derde lid, 12 en 13 van overeenkomstige
toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Degene die zitting heeft in een enkelvoudige militaire kamer draagt de
titel van militaire politierechter.</al>
              </lid>
            </art>
          </par>
        </afd>
        <afd>
          <kop>
            <nr>AFDELING 4.</nr>
            <titel status="off">DE GERECHTSHOVEN</titel>
          </kop>
          <par>
            <kop>
              <nr>Paragraaf 1.</nr>
              <titel status="off">Algemene bepalingen</titel>
            </kop>
            <art id="a58">
              <kop>
                <nr>Artikel 58</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, werkzaam bij de gerechtshoven
zijn:</al>
                <al>a. coördinerend vice-presidenten;</al>
                <al>b. vice-presidenten;</al>
                <al>c. raadsheren;</al>
                <al>d. raadsheren-plaatsvervangers.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast in een gerechtshof zijn
van rechtswege raadsheer-plaatsvervanger in de overige gerechtshoven.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a59">
              <kop>
                <nr>Artikel 59</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het gerechtshof is gevestigd in de hoofdplaats van het ressort.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nevenzittingsplaatsen worden
aangewezen. Tevens kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden
gesteld voor de verdeling van zaken over de hoofdplaats en de nevenzittingsplaatsen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene
maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp
aan beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>Het bestuur verdeelt de zaken over de hoofdplaats en de nevenzittingsplaatsen,
met inachtneming van de regels, bedoeld in het tweede lid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>5.</nr>
                <al>De rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, de niet-rechterlijke
leden van een meervoudige kamer, de gerechtsambtenaren, de gerechtsauditeurs
en de buitengriffiers kunnen in de nevenzittingsplaatsen alle werkzaamheden,
ook buiten de terechtzitting, verrichten waartoe zij in de hoofdplaats bevoegd
zijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>6.</nr>
                <al>De griffie van de hoofdplaats is voor de zaken die in de nevenzittingsplaatsen
worden behandeld, mede daar gevestigd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>7.</nr>
                <al>Stukken en zaken kunnen worden ingediend en gedeponeerd bij de griffie
in de plaats waar de zaak wordt behandeld, met dien verstande dat in nevenzittingsplaatsen
geen zaken kunnen worden gedeponeerd. Het bestuur kan in het bestuursreglement
bepalen dat in een nevenzittingsplaats geen stukken kunnen worden ingediend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>8.</nr>
                <al>Onze Minister kan, na overleg met het bestuur van het gerechtshof, bepalen
dat in een zaak de terechtzitting zal worden gehouden op een door hem aan
te wijzen locatie in de hoofdplaats van het ressort, buiten de hoofdplaats
van het ressort of buiten het ressort, indien dit noodzakelijk is in verband
met de veiligheid van personen.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a60">
              <kop>
                <nr>Artikel 60</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>De gerechtshoven oordelen in hoger beroep over de daarvoor vatbare vonnissen
en beschikkingen in burgerlijke zaken, strafzaken <nadruk type="cur">en belastingzaken</nadruk><voetref refid="v2"></voetref> van de rechtbanken in hun ressort.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het aan hoger beroep
onderworpen deel van het vonnis van een rechtbank in een strafzaak dat betrekking
heeft op de vordering van de benadeelde partij indien de vordering meer dan €
1 750 bedraagt.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a60a">
              <kop>
                <nr>Artikel 60a<voetref refid="v3"></voetref></nr>
              </kop>
              <al>De gerechtshoven nemen in eerste aanleg, tevens in hoogste ressort, kennis
van de belastingzaken waarvan de kennisneming bij de wet aan hen is opgedragen.</al>
            </art>
            <art id="a61">
              <kop>
                <nr>Artikel 61</nr>
              </kop>
              <al>De gerechtshoven nemen in eerste aanleg, tevens in hoogste ressort, kennis
van jurisdictiegeschillen tussen rechtbanken binnen hun rechtsgebied, met
uitzondering van geschillen als bedoeld in artikel 8:9 van de Algemene wet
bestuursrecht.</al>
            </art>
            <art id="a62">
              <kop>
                <nr>Artikel 62</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>De gerechtshoven nemen in eerste aanleg, tevens in hoogste ressort, kennis
van de voor hoger beroep vatbare burgerlijke zaken waarin partijen zijn overeengekomen
deze bij de aanvang van het geding bij wege van prorogatie aanhangig te maken
bij het gerechtshof dat in hoger beroep bevoegd zou zijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Het eerste lid is niet van toepassing op zaken die niet ter vrije bepaling
van partijen staan.</al>
              </lid>
            </art>
          </par>
          <par>
            <kop>
              <nr>Paragraaf 2.</nr>
              <titel status="off">Vorming en bezetting van kamers</titel>
            </kop>
            <art id="a63">
              <kop>
                <nr>Artikel 63</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van zaken waarvoor
in verband met onverwijlde spoed een voorziening wordt gevraagd enkelvoudige
kamers en bepaalt de bezetting daarvan. Deze kamers kunnen ook andere bij
de wet aan hen toebedeelde zaken behandelen en beslissen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer als bedoeld in het
eerste lid draagt de titel van voorzieningenrechter.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a64">
              <kop>
                <nr>Artikel 64</nr>
              </kop>
              <al>Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van zaken waarin door
de economische kamers van de rechtbanken vonnis is gewezen dan wel een bevel
of een beschikking is gegeven meervoudige kamers onder de benaming van economische
kamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers.</al>
            </art>
            <art id="a65">
              <kop>
                <nr>Artikel 65</nr>
              </kop>
              <al>Het bestuur van het gerechtshof te Amsterdam vormt voor het behandelen
van en beslissen op beroepen, bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming
van douanekamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers.</al>
            </art>
            <art id="a66">
              <kop>
                <nr>Artikel 66</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur van het gerechtshof te Amsterdam vormt voor het behandelen
en beslissen van zaken als bedoeld in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de
artikelen 6c en 23m van de Pensioen- en spaarfondsenwet, artikel 5 van de
Wet op de Europese ondernemingsraden, artikel 26 van de Wet op de ondernemingsraden
en de artikelen 997 en 1000 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
een meervoudige kamer onder de benaming van ondernemingskamer
en bepaalt de bezetting daarvan.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De ondernemingskamer bestaat uit drie rechterlijke ambtenaren met rechtspraak
belast en twee personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar, als deskundige
leden. Op de deskundige leden zijn de artikelen 7, derde lid, 12 en 13 van
deze wet en de artikelen 46c tot en met 46q van de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Het bestuur van het gerechtshof te 's-Gravenhage vormt voor het behandelen
en beslissen van zaken als bedoeld in artikel 46d, onderdeel i, van de Wet
op de ondernemingsraden een meervoudige kamer en bepaalt de bezetting daarvan.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a67">
              <kop>
                <nr>Artikel 67</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur van het gerechtshof te Arnhem vormt een meervoudige kamer
die is belast met het behandelen van en beslissen op vorderingen als bedoeld
in de artikelen 15a en 15c van het Wetboek van Strafrecht en het behandelen
en beslissen van zaken in beroep als bedoeld in de artikelen 502 en 509v van
het Wetboek van Strafvordering. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze
kamer.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Deze kamer is voorts belast met het verstrekken van adviezen ingevolge
artikel 43, derde lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Deze kamer wordt voor de behandeling van vorderingen ingevolge artikel
15a, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht en de beslissing
in zaken in beroep als bedoeld in de artikelen 502 en 509v van het Wetboek
van Strafvordering aangevuld met twee personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar,
als deskundige leden. In de overige zaken kan de voorzitter van de kamer deze
leden toevoegen. Op de deskundige leden zijn de artikelen 7, derde lid, 12
en 13 van deze wet en de artikelen 46c tot en met 46q van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a68">
              <kop>
                <nr>Artikel 68</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur van het gerechtshof te Arnhem vormt voor het behandelen en
beslissen van zaken waarin door de militaire kamer van de rechtbank te Arnhem
vonnis is gewezen een meervoudige kamer onder de benaming van militaire kamer.
Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamer.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De militaire kamer bestaat uit twee rechterlijke ambtenaren met rechtspraak
belast en een militair lid, dat bij voorkeur behoort tot het krijgsmachtdeel
waartoe de verdachte behoort of behoorde. Bij de behandeling van een zaak
tegen verdachten van verschillende krijgsmachtdelen bepaalt de voorzitter
van de kamer uit welk krijgsmachtdeel het militaire lid afkomstig is. Op het
militaire lid zijn de artikelen 7, derde lid, 12 en 13 van overeenkomstige
toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>De militaire kamer oordeelt ook over het beklag over niet vervolging in
militaire zaken als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a69">
              <kop>
                <nr>Artikel 69</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur van het gerechtshof te Arnhem vormt voor het behandelen en
beslissen van zaken als bedoeld in artikel 132 van de Pachtwet, een meervoudige
kamer onder de benaming van pachtkamer. Het bestuur bepaalt de bezetting van
deze kamer.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De pachtkamer bestaat uit drie rechterlijke ambtenaren met rechtspraak
belast en twee personen, niet zijnde rechterlijke ambtenaar, als
deskundige leden. Op de deskundige leden zijn de artikelen 7, derde lid, 12
en 13 van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a70">
              <kop>
                <nr>Artikel 70</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het bestuur van het gerechtshof te 's-Gravenhage vormt voor het behandelen
en beslissen van zaken als bedoeld in artikel 60 van de Zaaizaad- en plantgoedwet,
een meervoudige kamer onder de benaming van kamer voor het kwekersrecht. Het
bestuur bepaalt de bezetting van deze kamer.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De kamer voor het kwekersrecht bestaat uit drie rechterlijke ambtenaren
met rechtspraak belast en twee personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar,
als deskundige leden. Op de deskundige leden zijn de artikelen 7, derde lid,
12 en 13 van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a71">
              <kop>
                <nr>Artikel 71</nr>
              </kop>
              <al>Het bestuur van het gerechtshof te Leeuwarden vormt enkelvoudige en meervoudige
kamers voor het behandelen en beslissen van zaken op basis van de Wet administratiefrechtelijke
handhaving verkeersvoorschriften. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze
kamers.</al>
            </art>
          </par>
        </afd>
        <afd>
          <kop>
            <nr>AFDELING 5.</nr>
            <titel status="off">DE HOGE RAAD</titel>
          </kop>
          <art id="a72">
            <kop>
              <nr>Artikel 72</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De Hoge Raad bestaat uit een president, ten hoogste zeven vice-presidenten,
ten hoogste dertig raadsheren en ten hoogste vijftien raadsheren in buitengewone
dienst.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De raadsheren in buitengewone dienst verrichten, als raadsheer, werkzaamheden
voorzover zij daartoe door de president worden opgeroepen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Bij de Hoge Raad wordt een griffier benoemd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Bij de Hoge Raad kunnen gerechtsauditeurs worden benoemd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Voor de toepassing van het eerste lid worden de president van, de vice-presidenten
van en de raadsheren in de Hoge Raad aan wie buitengewoon verlof zonder behoud
van bezoldiging is verleend, voor de duur van dat verlof en gedurende ten
hoogste een jaar daarna buiten beschouwing gelaten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Voor de toepassing van het eerste lid worden rechterlijke ambtenaren die
zijn aangesteld voor het vervullen van een gedeeltelijke werktijd, geteld
overeenkomstig de breuk die hun werktijd aangeeft.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a73">
            <kop>
              <nr>Artikel 73</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>In geval van ziekte of andere verhindering wordt de president vervangen
door een vice-president.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>In geval van ziekte of andere verhindering van de griffier wordt hij,
bij gebreke van een substituut-griffier, vervangen door een waarnemend griffier.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De waarnemend griffiers worden door Onze Minister benoemd op aanbeveling
van de Hoge Raad. Alvorens in dienst te treden, leggen zij voor de Hoge Raad
de eed of belofte af. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt
het formulier voor de eed of belofte vastgesteld en kunnen nadere regels worden
gesteld over hun beëdiging. Zij ontvangen een vergoeding volgens bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a74">
            <kop>
              <nr>Artikel 74</nr>
            </kop>
            <al>De Hoge Raad geeft advies of inlichtingen wanneer dat vanwege de regering
wordt gevraagd.</al>
          </art>
          <art id="a75">
            <kop>
              <nr>Artikel 75</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De Hoge Raad vormt, op voorstel van de president, een of meer meervoudige
kamers en, voor de gevallen waarin de wet dat voorschrijft, een of meer enkelvoudige
kamers en bepaalt de bezetting daarvan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Bij de Hoge Raad worden zaken, behoudens bij de wet bepaalde uitzonderingen,
behandeld en beslist door vijf leden van een meervoudige kamer, van wie een
als voorzitter optreedt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De voorzitter van een meervoudige kamer kan bepalen dat een zaak die daarvoor
naar zijn oordeel geschikt is, wordt behandeld en beslist door drie leden
van die kamer. Indien de zaak naar het oordeel van een van deze leden ongeschikt
is voor behandeling en beslissing door drie leden, wordt de behandeling voortgezet
door vijf leden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De Hoge Raad stelt, op voorstel van de president, een reglement van inwendige
dienst vast. In dit reglement wordt de indeling in kamers vastgelegd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Het reglement wordt gepubliceerd in de Staatscourant.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a76">
            <kop>
              <nr>Artikel 76</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De Hoge Raad neemt in eerste instantie, tevens in hoogste ressort, kennis
van de ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen begaan door de leden van de Staten-Generaal,
de ministers en de staatssecretarissen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Onder ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen worden hier begrepen strafbare
feiten begaan onder een der verzwarende omstandigheden omschreven in artikel
44 van het Wetboek van Strafrecht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>In de gedingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, is de Hoge Raad tevens
bevoegd kennis te nemen van de vordering tot vergoeding van kosten en schaden
ten behoeve van de benadeelde partij.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>In de gedingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, oordeelt de Hoge
Raad met een aantal van tien raadsheren. Bij het staken der stemmen wordt
een uitspraak ten voordele van de verdachte gedaan.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a77">
            <kop>
              <nr>Artikel 77</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De Hoge Raad neemt in eerste aanleg, tevens in hoogste ressort, kennis
van jurisdictiegeschillen tussen:</al>
              <al>a. rechtbanken, tenzij artikel 61 van toepassing is;</al>
              <al>b. gerechtshoven;</al>
              <al>c. een gerechtshof en een rechtbank;</al>
              <al>d. een tot de rechterlijke macht behorend gerecht en een niet tot de rechterlijke
macht behorend gerecht;</al>
              <al>e. administratieve rechters, tenzij een andere administratieve rechter
daartoe bevoegd is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Indien het jurisdictiegeschil is gerezen tussen de Hoge Raad en een ander
in het eerste lid genoemd gerecht, wordt de Hoge Raad ter beslissing daarvan
zoveel mogelijk samengesteld uit raadsheren die van de zaak nog geen kennis
genomen hebben.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a78">
            <kop>
              <nr>Artikel 78</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De Hoge Raad neemt kennis van het beroep in cassatie tegen de handelingen,
arresten, vonnissen en beschikkingen van de gerechtshoven en de rechtbanken,
ingesteld hetzij door een partij, hetzij «in het belang der wet»
door de procureur-generaal bij de Hoge Raad. </al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het eerste lid is niet van toepassing op de handelingen en uitspraken
van de rechtbanken in zaken waarvan zij als administratieve rechter kennis
nemen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Het eerste lid is voorts niet van toepassing ten aanzien van de handelingen
en beslissingen van de rechtbanken en van het gerechtshof te Leeuwarden in
zaken met betrekking tot de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften,
met dien verstande dat de Hoge Raad wel kennis neemt van de eis tot «cassatie
in het belang der wet» door de procureur-generaal.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De Hoge Raad neemt kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken
van de administratieve rechter voorzover dit bij wet is bepaald.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>Een partij kan geen beroep in cassatie instellen indien voor haar een
ander gewoon rechtsmiddel openstaat of heeft opengestaan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Cassatie «in het belang der wet» kan niet worden ingesteld
indien voor partijen een gewoon rechtsmiddel openstaat en brengt geen nadeel
toe aan de rechten door partijen verkregen</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a79">
            <kop>
              <nr>Artikel 79</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De Hoge Raad vernietigt handelingen, arresten, vonnissen en beschikkingen:</al>
              <al>a. wegens verzuim van vormen voorzover de niet-inachtneming daarvan uitdrukkelijk
met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard
van de niet in acht genomen vorm;</al>
              <al>b. wegens schending van het recht met uitzondering van het recht van vreemde
staten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Feiten waaruit het gelden of niet gelden van een regel van gewoonterecht
wordt afgeleid, worden voorzover zij bewijs behoeven, alleen op grond van
de bestreden beslissing als vaststaande aangenomen.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a80">
            <kop>
              <nr>Artikel 80</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Tegen een vonnis van een kantonrechter in een burgerlijke zaak waartegen
geen hoger beroep kan of kon worden ingesteld, kan een partij slechts beroep
in cassatie instellen wegens:</al>
              <al>a. het niet inhouden van de gronden waarop het vonnis berust;</al>
              <al>b. het niet in het openbaar gedaan zijn van het vonnis;</al>
              <al>c. onbevoegdheid; of</al>
              <al>d. overschrijding van rechtsmacht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Een vonnis van een kantonrechter in een strafzaak kan, afgezien van het
geval van cassatie «in het belang der wet», wegens geen ander
verzuim van vormen worden vernietigd dan wegens:</al>
              <al>a. het niet inhouden van het ten laste gelegde dan wel, in geval van een
bewezenverklaring, het ten laste gelegde alsmede de gronden waarop het vonnis
berust;</al>
              <al>b. het niet beslissen op de grondslag van de tenlastelegging;</al>
              <al>c. het niet geven van de beslissing, bedoeld in artikel 358, derde lid,
van het Wetboek van Strafvordering, dan wel het niet geven van de redenen
voor deze beslissing; of</al>
              <al>d. het niet in het openbaar gewezen zijn van het vonnis.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a81">
            <kop>
              <nr>Artikel 81</nr>
            </kop>
            <al>Indien de Hoge Raad oordeelt dat een aangevoerde klacht niet tot cassatie
kan leiden en niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang
van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, kan hij zich bij de vermelding
van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel.</al>
          </art>
          <art id="a82">
            <kop>
              <nr>Artikel 82</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De Hoge Raad is belast met de beëdiging van functionarissen ten aanzien
van wie zulks bij of krachtens de wet is bepaald.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde taak wordt uitgeoefend door de president
van de Hoge Raad. De beëdiging geschiedt op vordering van de procureur-generaal.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a83">
            <kop>
              <nr>Artikel 83</nr>
            </kop>
            <al>De rechtbanken, de gerechtshoven en de presidenten geven inlichtingen
wanneer die door de Hoge Raad voor de behandeling van een zaak noodzakelijk
worden geacht.</al>
          </art>
        </afd>
        <afd>
          <kop>
            <nr>AFDELING 6.</nr>
            <titel status="off">RAAD VOOR DE RECHTSPRAAK</titel>
          </kop>
          <par>
            <kop>
              <nr>Paragraaf 1.</nr>
              <titel status="off">Inrichting</titel>
            </kop>
            <art id="a84">
              <kop>
                <nr>Artikel 84</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Er is een Raad voor de rechtspraak.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De Raad bestaat uit vijf leden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>De leden van de Raad worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze
Minister benoemd voor een periode van zes jaar. Zij kunnen eenmaal worden
herbenoemd voor een periode van drie jaar.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>Van de vijf leden van de Raad zijn drie leden rechterlijke ambtenaren
met rechtspraak belast dan wel met rechtspraak belaste leden van de Centrale
Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven. De overige
twee leden van de Raad zijn geen rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast,
dan wel met rechtspraak belaste leden van de Centrale Raad van Beroep of het
College van Beroep voor het bedrijfsleven.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>5.</nr>
                <al>Een van de rechterlijke leden wordt bij koninklijk besluit op voordracht
van Onze Minister tot voorzitter van de Raad benoemd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>6.</nr>
                <al>De rechterlijke leden zijn rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast
dan wel met rechtspraak belaste leden van de Centrale Raad van Beroep of het
College van Beroep voor het bedrijfsleven die zijn aangesteld overeenkomstig
artikel 2, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>7.</nr>
                <al>De leden kunnen niet tevens zijn:</al>
                <al>a. lid van de Staten-Generaal;</al>
                <al>b. minister;</al>
                <al>c. staatssecretaris;</al>
                <al>d. lid van de Raad van State;</al>
                <al>e. lid van de Algemene Rekenkamer;</al>
                <al>f. Nationale ombudsman of substituut-ombudsman;</al>
                <al>g. ambtenaar bij een ministerie, alsmede de daaronder ressorterende instellingen,
diensten en bedrijven;</al>
                <al>h. rechterlijk ambtenaar, als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder
2° tot en met 8°;</al>
                <al>i. vice-president van, raadsheer in of raadsheer in buitengewone dienst
bij de Hoge Raad;</al>
                <al>j. lid van het College van afgevaardigden, bedoeld in artikel 90.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a85">
              <kop>
                <nr>Artikel 85</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Voorafgaand aan de voordracht, bedoeld in artikel 84, derde lid, stelt
Onze Minister in overeenstemming met de Raad een lijst vast van maximaal zes
personen die voor de vervulling van de desbetreffende vacature in aanmerking
lijken te komen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De lijst wordt ter beschikking gesteld aan een commissie van aanbeveling.
Deze bestaat uit een president van een gerecht, een vertegenwoordiger van
de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, een lid van het College van afgevaardigden,
een directeur bedrijfsvoering van een gerecht en een door Onze Minister aangewezen
persoon. De president is voorzitter.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>De commissie stelt uit de lijst een aanbeveling op van maximaal drie personen.
Zij zendt deze uiterlijk acht weken na vaststelling van de lijst aan Onze
Minister.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent
de procedure, bedoeld in dit artikel.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a86">
              <kop>
                <nr>Artikel 86</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>De rechterlijke leden van de Raad ontvangen in verband met het verrichten
van de werkzaamheden als lid van de Raad een toelage op het salaris dat zij
als rechterlijk ambtenaar, lid van de Centrale Raad van Beroep of lid van
het College van Beroep voor het bedrijfsleven genieten. Het bedrag van de
toelage is gelijk aan het verschil tussen dat salaris en de bij algemene maatregel
van bestuur voor de functie van rechterlijk lid van de Raad vast te stellen
salarishoogte.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Een lid van de Raad wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze
Minister ontslagen bij de aanvaarding van een ambt dat of een betrekking die
volgens artikel 84 onverenigbaar is met het lidmaatschap van de Raad. Een
niet-rechterlijk lid van de Raad wordt tevens als lid van de Raad ontslagen
indien hij wordt benoemd als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast,
met rechtspraak belast lid van de Centrale Raad van Beroep of met rechtspraak
belast lid van het College van Beroep voor het bedrijfsleven.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Een rechterlijk lid van de Raad wordt bij koninklijk besluit op voordracht
van Onze Minister ontslagen onderscheidenlijk geschorst als lid van de Raad
indien hij als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast dan wel met rechtspraak
belast lid van de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor
het bedrijfsleven wordt ontslagen onderscheidenlijk geschorst, tenzij dat
ontslag of die schorsing alleen een rechtsprekend ambt betreft waarin hij
niet is aangesteld overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>Een rechterlijk lid van de Raad wordt op eigen verzoek bij koninklijk
besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>5.</nr>
                <al>Een niet-rechterlijk lid van de Raad wordt disciplinair gestraft, geschorst
en ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>6.</nr>
                <al>Ten aanzien van een niet-rechterlijk lid van de Raad worden de in de Ambtenarenwet
aan het bevoegd gezag toegekende bevoegdheden uitgeoefend door de Raad. Bij
algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de uitoefening
van rechtspositionele bevoegdheden door de Raad ten aanzien van een niet-rechterlijk
lid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>7.</nr>
                <al>Ten aanzien van een rechterlijk lid van de Raad worden de in de artikelen
21, 27a tot en met 30, 34, 35, 37 tot en met 39, 45 en 46 van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren aan de functionele autoriteit toegekende bevoegdheden
uitgeoefend door de Raad. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld omtrent de uitoefening van rechtspositionele bevoegdheden door
de Raad ten aanzien van een rechterlijk lid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>8.</nr>
                <al>Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de
rechtspositie van de leden van de Raad, waaronder in ieder geval regels betreffende
de in het eerste lid bedoelde toelage van de rechterlijke leden alsmede de
bezoldiging van een niet-rechterlijk lid.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a87">
              <kop>
                <nr>Artikel 87</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>De Raad kan alleen beslissingen nemen indien ten minste drie leden aanwezig
zijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De Raad beslist bij meerderheid van stemmen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Indien de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de doorslag.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>De Raad stelt bij reglement nadere regels vast met betrekking tot zijn
werkwijze en besluitvorming. Het reglement wordt aan Onze Minister gezonden
en gepubliceerd in de Staatscourant.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a88">
              <kop>
                <nr>Artikel 88</nr>
              </kop>
              <al>De Raad kan een of meer leden machtigen een of meer van zijn bevoegdheden
uit te oefenen. Afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige
toepassing.</al>
            </art>
            <art id="a89">
              <kop>
                <nr>Artikel 89</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Te zijner ondersteuning beschikt de Raad over een bureau.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De tot het bureau behorende ambtenaren worden door de Raad aangesteld,
disciplinair gestraft, geschorst en ontslagen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Ten aanzien van de tot het bureau behorende ambtenaren worden de in de
Ambtenarenwet aan het bevoegd gezag toegekende bevoegdheden uitgeoefend door
de Raad.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
omtrent de uitoefening van rechtspositionele bevoegdheden door de Raad ten
aanzien van de tot het bureau behorende ambtenaren.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a90">
              <kop>
                <nr>Artikel 90</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Er is een College van afgevaardigden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Het College bestaat uit vertegenwoordigers van de gerechten, de Centrale
Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Bij algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de samenstelling
en inrichting van het College en de afvaardiging van de leden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Het College heeft tot taak de Raad gevraagd of ongevraagd te adviseren
omtrent de uitvoering van zijn taken.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>De Raad verstrekt desgevraagd aan het College de voor de uitoefening van
zijn taak benodigde inlichtingen.</al>
              </lid>
            </art>
          </par>
          <par>
            <kop>
              <nr>Paragraaf 2.</nr>
              <titel status="off">Taken en bevoegdheden</titel>
            </kop>
            <art id="a91">
              <kop>
                <nr>Artikel 91</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>De Raad is belast met:</al>
                <al>a. de voorbereiding van de begroting voor de Raad en de gerechten gezamenlijk;</al>
                <al>b. de toekenning van budgetten ten laste van de rijksbegroting aan de
gerechten;</al>
                <al>c. de ondersteuning van de bedrijfsvoering bij de gerechten;</al>
                <al>d. het toezicht op de uitvoering van de begroting door de gerechten;</al>
                <al>e. het toezicht op de bedrijfsvoering bij de gerechten;</al>
                <al>f. landelijke activiteiten op het gebied van werving, selectie, aanstelling,
benoeming en opleiding van het personeel bij de gerechten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Ter uitvoering van de in het eerste lid, onder c en e, genoemde taken
is de zorg van de Raad in het bijzonder gericht op:</al>
                <al>a. automatisering en bestuurlijke informatievoorziening; </al>
                <al>b. huisvesting en beveiliging;</al>
                <al>c. de kwaliteit van de bestuurlijke en organisatorische werkwijze van
de gerechten;</al>
                <al>d. personeelsaangelegenheden;</al>
                <al>e. overige materiële voorzieningen.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a92">
              <kop>
                <nr>Artikel 92</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>De Raad kan ter uitvoering van de in artikel 91 genoemde taken algemene
aanwijzingen geven aan de besturen van de gerechten voorzover dit noodzakelijk
is met het oog op een goede bedrijfsvoering van de gerechten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Alvorens een aanwijzing te geven stelt de Raad het College van afgevaardigden
in de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken. In de motivering van de
aanwijzing geeft de Raad aan op welke wijze hij de zienswijze van het College
in zijn beoordeling heeft betrokken.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Een aanwijzing wordt gepubliceerd in de Staatscourant.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a93">
              <kop>
                <nr>Artikel 93</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Onze Minister kan algemene aanwijzingen geven betreffende de uitvoering
van de in artikel 91 genoemde taken door de Raad voorzover dit noodzakelijk
is met het oog op een goede bedrijfsvoering van de rechterlijke organisatie.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Alvorens een aanwijzing te geven als bedoeld in het eerste lid, stelt
Onze Minister de Raad in de gelegenheid schriftelijk zijn zienswijze kenbaar
te maken.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Onze Minister deelt de Raad de voorgenomen aanwijzing en de motivering
daarvan schriftelijk mede. Onze Minister kan de Raad voor het kenbaar maken
van zijn zienswijze een termijn stellen. De zienswijze van de Raad wordt schriftelijk
en gemotiveerd gegeven.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>Indien de zienswijze van de Raad luidt dat de aanwijzing in strijd zal
zijn met artikel 109, wordt de aanwijzing niet gegeven.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>5.</nr>
                <al>De aanwijzing wordt gepubliceerd in de Staatscourant.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>6.</nr>
                <al>Artikel 8:2, onderdelen a en b, van de Algemene wet bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a94">
              <kop>
                <nr>Artikel 94</nr>
              </kop>
              <al>De Raad heeft tot taak ondersteuning te bieden aan activiteiten van de
gerechten die gericht zijn op uniforme rechtstoepassing en bevordering van
de juridische kwaliteit.</al>
            </art>
            <art id="a95">
              <kop>
                <nr>Artikel 95</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>De Raad heeft tot taak regering en Staten-Generaal te adviseren omtrent
algemeen verbindende voorschriften en te voeren beleid van het Rijk op het
terrein van de rechtspleging. De adviezen van de Raad worden vastgesteld na
overleg met de gerechten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Hoofdstuk 4 van de Kaderwet adviescolleges is van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a96">
              <kop>
                <nr>Artikel 96</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in de artikelen 94 en 95, treedt
de Raad niet in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling
van alsmede de beslissing in een concrete zaak.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Bij de uitvoering van de overige taken en bevoegdheden, toegedeeld bij
of krachtens deze wet, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing met
dien verstande dat de Raad ook niet treedt in de procesrechtelijke
behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in
categorieën van zaken.</al>
              </lid>
            </art>
          </par>
          <par>
            <kop>
              <nr>Paragraaf 3.</nr>
              <titel status="off">Planning en bekostiging</titel>
            </kop>
            <art id="a97">
              <kop>
                <nr>Artikel 97</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking
tot de financiering van de rechtspraak. Daartoe behoren in elk geval regels
betreffende:</al>
                <al>a. de objectieve meting van de werklast bij de gerechten;</al>
                <al>b. de vergoeding van de gerechtskosten;</al>
                <al>c. de voorschriften die aan de financiering kunnen worden verbonden in
verband met de activiteiten van de gerechten en de daaraan verbonden werklast;</al>
                <al>d. de wijze waarop bij de financiering rekening kan worden gehouden met
de naleving van de in onderdeel c bedoelde voorschriften in de voorafgaande
periode;</al>
                <al>e. het door de Raad en de gerechten toe te passen begrotingsstelsel.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Voordat een voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt gedaan, stelt Onze Minister de Raad in
de gelegenheid schriftelijk zijn zienswijze kenbaar te maken. In de nota van
toelichting bij de algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven in hoeverre
en op welke gronden van de zienswijze van de Raad is afgeweken.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene
maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp
aan beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>In het verslag, bedoeld in artikel 104, eerste lid, besteedt de Raad aandacht
aan de wijze waarop de algemene maatregel van bestuur is toegepast. Daarbij
geeft de Raad aan op welke wijze de toepassing van de regeling zich verhoudt
tot de kwaliteit van de taakuitvoering door de gerechten en doet hij zo nodig
voorstellen tot wijziging.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a98">
              <kop>
                <nr>Artikel 98</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Met inachtneming van de regels, bedoeld in artikel 97, eerste lid, stelt
de Raad jaarlijks, voorafgaand aan het desbetreffende begrotingsjaar, een
voorstel vast voor een begroting van de Raad en de gerechten gezamenlijk,
met inbegrip van de aan het toe te kennen budget te verbinden voorschriften,
alsmede een meerjarenraming voor ten minste vier op het begrotingsjaar volgende
jaren.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Alvorens de Raad het begrotingsvoorstel en de meerjarenraming vaststelt,
voert de Raad overleg met de gerechten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>De Raad zendt het begrotingsvoorstel en de meerjarenraming voor een door
Onze Minister te bepalen tijdstip aan Onze Minister.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de voorbereiding en de inrichting van het begrotingsvoorstel
en de meerjarenraming, met inbegrip van de daarbij behorende toelichting en
bijlagen.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a99">
              <kop>
                <nr>Artikel 99</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Het voorstel van wet, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Comptabiliteitswet,
wordt door Onze Minister opgesteld in overeenstemming met het begrotingsvoorstel
van de Raad, tenzij zich het geval voordoet, bedoeld in het derde lid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Indien Onze Minister zich met het oog op een rechtmatig en doelmatig beheer
van 's Rijks gelden niet kan verenigen met het begrotingsvoorstel
van de Raad of een onderdeel daarvan, deelt hij dit mede aan de Raad en voert
hij hierover met de Raad overleg.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Indien het in het tweede lid bedoelde overleg niet tot overeenstemming
leidt en Onze Minister overwegende bezwaren houdt, wordt het begrotingsvoorstel
van de Raad of het desbetreffende onderdeel daarvan in gewijzigde vorm opgenomen
in het voorstel van wet, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Comptabiliteitswet.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>In de toelichting op het voorstel van wet geeft Onze Minister aan welke
voorschriften hij voornemens is aan het krachtens artikel 100 toe te kennen
budget te verbinden. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige
toepassing.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a100">
              <kop>
                <nr>Artikel 100</nr>
              </kop>
              <al>Met inachtneming van de regels, bedoeld in artikel 97, eerste lid, kent
Onze Minister jaarlijks aan de Raad een budget toe ten laste van de rijksbegroting
ten behoeve van de activiteiten van de Raad en de gerechten gezamenlijk. Aan
de toekenning kan Onze Minister voorschriften verbinden.</al>
            </art>
            <art id="a101">
              <kop>
                <nr>Artikel 101</nr>
              </kop>
              <al>Onze Minister deelt zo spoedig mogelijk na de aanhangigmaking van het
voorstel van wet tot vaststelling van hoofdstuk VI van de rijksbegroting bij
de Raad van State, aan de Raad mede welk budget, met inbegrip van de daaraan
te verbinden voorschriften, voor het komende begrotingsjaar voorlopig kan
worden verwacht. Hij deelt daarbij mede op welke wijze het geraamde budget
is berekend.</al>
            </art>
            <art id="a102">
              <kop>
                <nr>Artikel 102</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>De Raad stelt jaarlijks een jaarplan vast voor de Raad en de gerechten
gezamenlijk. Het plan omvat:</al>
                <al>a. een omschrijving van de voorgenomen activiteiten ter uitvoering van
de in artikel 91 genoemde taken voor het jaar volgend op het jaar waarin het
plan is vastgesteld;</al>
                <al>b. een begroting voor het komende begrotingsjaar.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De Raad stelt de begroting vast in overeenstemming met het geraamde budget,
bedoeld in artikel 101.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>De Raad zendt het jaarplan voor een door Onze Minister te bepalen tijdstip
aan Onze Minister. Onze Minister zendt het jaarplan onverwijld aan de beide
kamers der Staten-Generaal.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de inrichting van het jaarplan.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a103">
              <kop>
                <nr>Artikel 103</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Onze Minister maakt aan de Raad zo spoedig mogelijk na de vaststelling
van hoofdstuk VI van de rijksbegroting bekend, welk budget hij toekent aan
de Raad en de gerechten gezamenlijk. Indien het budget afwijkt van het geraamde
budget, bedoeld in artikel 101, is de tweede volzin van dat artikel van overeenkomstige
toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Indien het budget afwijkt van het geraamde budget, bedoeld in artikel
101, wijzigt de Raad de begroting.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Beslissingen tot andere wijzigingen van de begroting kunnen tot uiterlijk
het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>De Raad doet de noodzakelijke uitgaven binnen de grenzen van de vastgestelde
of gewijzigde begroting.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a104">
              <kop>
                <nr>Artikel 104</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>De Raad dient jaarlijks voor een door Onze Minister te bepalen tijdstip
bij Onze Minister een verslag in. Onze Minister zendt het verslag onverwijld
aan beide kamers der Staten-Generaal.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Het verslag bestaat uit de jaarrekening met bijbehorende begroting, de
daarin aangebrachte wijzigingen, het jaarverslag en overige financiële
gegevens.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>In de jaarrekening wordt rekening en verantwoording afgelegd van het financiële
beheer van de Raad en de gerechten gezamenlijk over het voorafgaande begrotingsjaar.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>4.</nr>
                <al>In het jaarverslag wordt vermeld op welke wijze de werkzaamheden ten behoeve
waarvan het budget ten laste van de rijksbegroting is verleend, zijn uitgevoerd.
Daarbij wordt aangegeven op welke wijze deze werkzaamheden zich verhouden
tot het plan zoals dit overeenkomstig artikel 102 voor het desbetreffende
jaar is vastgesteld, de plannen, bedoeld in de artikelen 31, eerste lid, en
de verslagen, bedoeld in artikel 35, eerste lid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>5.</nr>
                <al>Het verslag omvat een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid,
afgegeven door een door de Raad aangewezen accountant als bedoeld in artikel
393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De accountant voegt
bij de verklaring een rapport naar aanleiding van de controle op het financiële
beheer. Bij de aanwijzing van de accountant wordt bedongen dat aan Onze Minister
op diens verzoek inzicht wordt geboden in de controle-rapporten van de accountant.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>6.</nr>
                <al>Onze Minister kan een aanwijzing vaststellen inzake de reikwijdte en de
intensiteit van de accountantscontrole.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>7.</nr>
                <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
omtrent de inrichting van het verslag.</al>
              </lid>
            </art>
          </par>
          <par>
            <kop>
              <nr>Paragraaf 4.</nr>
              <titel status="off">Toezicht</titel>
            </kop>
            <art id="a105">
              <kop>
                <nr>Artikel 105</nr>
              </kop>
              <al>De Raad verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening
van zijn taak benodigde inlichtingen.</al>
            </art>
            <art id="a106">
              <kop>
                <nr>Artikel 106</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Een beslissing van de Raad ter uitvoering van de in artikel 91 genoemde
taken kan op voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit worden vernietigd
indien de beslissing kennelijk in strijd is met het recht of het belang van
een goede bedrijfsvoering van de rechterlijke organisatie. De artikelen 10:36,
10:37, 10:38, 10:40, 10:41, 10:42, eerste en tweede lid, 10:43, 10:44 en 10:45
van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>Artikel 8:4, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige
toepassing.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a107">
              <kop>
                <nr>Artikel 107</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>In geval van ongeschiktheid anders dan wegens ziekte kan Onze Minister
een of meer leden van de Raad voordragen voor ontslag als lid van de Raad.
In geval van een ernstig vermoeden voor het bestaan van ongeschiktheid anders
dan wegens ziekte, kan Onze Minister een of meer leden van de Raad voordragen
voor schorsing als lid van de Raad.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De schorsing of het ontslag geschiedt bij koninklijk besluit.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Indien alle leden van de Raad zijn geschorst of ontslagen, kan Onze Minister
bij de Raad een of meer tijdelijke bewindvoerders aanstellen. Artikel
84, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. Bij de aanstelling
wordt een termijn bepaald voor de bewindvoering.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a108">
              <kop>
                <nr>Artikel 108</nr>
              </kop>
              <lid>
                <nr>1.</nr>
                <al>Tegen een besluit op grond van artikel 107, eerste en tweede lid, kan
een belanghebbende beroep instellen bij de Hoge Raad.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>2.</nr>
                <al>De Hoge Raad beoordeelt of de Kroon in redelijkheid tot het oordeel heeft
kunnen komen dat sprake is van ongeschiktheid anders dan wegens ziekte, onderscheidenlijk
een ernstig vermoeden voor het bestaan daarvan, alsmede of Onze Minister bij
zijn voordracht in strijd met artikel 109 heeft gehandeld.</al>
              </lid>
              <lid>
                <nr>3.</nr>
                <al>Op het beroep is hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht met uitzondering
van afdeling 8.1.1 en de artikelen 8:10, 8:11, 8:13 en 8:86, van overeenkomstige
toepassing.</al>
              </lid>
            </art>
            <art id="a109">
              <kop>
                <nr>Artikel 109</nr>
              </kop>
              <al>Bij de uitvoering van de bevoegdheden, toegedeeld bij of krachtens deze
wet, treedt Onze Minister niet in de procesrechtelijke behandeling van, de
inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak of
in categorieën van zaken.</al>
            </art>
          </par>
        </afd>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK 3.</nr>
          <titel status="off">DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD</titel>
        </kop>
        <art id="a111">
          <kop>
            <nr>Artikel 111</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Er is een parket bij de Hoge Raad, aan het hoofd waarvan de procureur-generaal
bij de Hoge Raad staat.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De procureur-generaal bij de Hoge Raad is belast met:</al>
            <al>a. de vervolging van ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen begaan door
de leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen;</al>
            <al>b. het nemen van aan de Hoge Raad uit te brengen conclusies in de bij
de wet bepaalde gevallen;</al>
            <al>c. de instelling van cassatie «in het belang der wet»;</al>
            <al>d. de instelling van vorderingen tot het door de Hoge Raad nemen van beslissingen
als bedoeld in hoofdstuk 6A van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>In de gevallen waarin de Hoge Raad ten principale recht doet, neemt de
procureur-generaal bij de Hoge Raad de taken en bevoegdheden van het openbaar
ministerie, bedoeld in artikel 125, waar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Bij de wet kan de procureur-generaal bij de Hoge Raad ook met andere taken
worden belast.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>De bevoegdheden van de procureur-generaal kunnen, tenzij de aard van de
bevoegdheden zich daartegen verzet, mede worden uitgeoefend door de plaatsvervangend
procureur-generaal en door advocaten-generaal.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a113">
          <kop>
            <nr>Artikel 113</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Het parket bij de Hoge Raad bestaat uit een procureur-generaal, een plaatsvervangend
procureur-generaal, ten hoogste zestien advocaten-generaal en ten hoogste
acht advocaten-generaal in buitengewone dienst.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>De advocaten-generaal in buitengewone dienst nemen, als advocaat-generaal,
conclusies voorzover zij daartoe door de procureur-generaal worden opgeroepen.
Zij nemen in zodanig geval, wanneer de Hoge Raad ten principale recht doet,
de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 125,
waar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Voor de toepassing van het eerste lid worden de procureur-generaal, de
plaatsvervangend procureur-generaal, en de advocaten-generaal bij de Hoge
Raad aan wie buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging is verleend,
voor de duur van dat verlof en gedurende ten hoogste een jaar daarna buiten
beschouwing gelaten.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Voor de toepassing van het eerste lid worden rechterlijke ambtenaren die
zijn aangesteld voor het vervullen van een gedeeltelijke werktijd, geteld
overeenkomstig de breuk die hun werktijd aangeeft.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a116">
          <kop>
            <nr>Artikel 116</nr>
          </kop>
          <al>De procureur-generaal geeft leiding aan het parket bij de Hoge Raad.</al>
        </art>
        <art id="a117">
          <kop>
            <nr>Artikel 117</nr>
          </kop>
          <al>In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis wordt de procureur-generaal
vervangen door de plaatsvervangend procureur-generaal en, bij afwezigheid,
belet of ontstentenis ook van deze, door de advocaat-generaal oudste in rang.</al>
        </art>
        <art id="a118">
          <kop>
            <nr>Artikel 118</nr>
          </kop>
          <al>Onze Minister van Justitie kan de plaatsvervangend procureur-generaal
of een advocaat-generaal belasten met de waarneming van het ambt van procureur-generaal.</al>
        </art>
        <art id="a119">
          <kop>
            <nr>Artikel 119</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onze Minister van Justitie kan, op aanbeveling van de procureur-generaal,
als plaatsvervangend advocaat-generaal bij de Hoge Raad een lid van een rechtbank
of een gerechtshof of een lid van het openbaar ministerie aanwijzen. De aanwijzing
geschiedt voor een daarbij te bepalen termijn. De artikelen 46c, eerste lid,
46d, eerste lid, onderdeel d, en 46e van de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren zijn op de plaatsvervangend advocaat-generaal van overeenkomstige
toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Aanwijzing van een lid van een rechtbank of een gerechtshof tot plaatsvervangend
advocaat-generaal geschiedt slechts met diens toestemming.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>3.</nr>
            <al>Plaatsvervangende advocaten-generaal nemen, op de voet van een advocaat-generaal,
conclusies voor zover zij daartoe door de procureur-generaal worden opgeroepen.
Zij nemen in zodanig geval, wanneer de Hoge Raad ten principale recht doet,
de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 125,
waar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>4.</nr>
            <al>Artikel 12 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren is niet van
toepassing op de plaatsvervangende advocaten-generaal.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>5.</nr>
            <al>De president van de Hoge Raad kan, op aanbeveling van de procureur-generaal,
als waarnemend advocaat-generaal bij de Hoge Raad aanwijzen een lid of lid
in buitengewone dienst van de Hoge Raad, die daarmee heeft ingestemd. Een
waarnemend advocaat-generaal neemt, op de voet van een advocaat-generaal,
conclusies voor zover zij daartoe door de procureur-generaal worden opgeroepen.
Hij neemt in zodanig geval, wanneer de Hoge Raad ten principale recht doet,
de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 125,
waar.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a120">
          <kop>
            <nr>Artikel 120</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>De artikelen 12, 13 en 74 zijn op de in artikel 111 genoemde rechterlijke
ambtenaren van overeenkomstige toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 111, tweede lid, is artikel 83 van overeenkomstige toepassing op de procureur-generaal
bij de Hoge Raad.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a121">
          <kop>
            <nr>Artikel 121</nr>
          </kop>
          <al>De procureur-generaal bij de Hoge Raad waakt in het bijzonder voor de
handhaving en uitvoering van wettelijke voorschriften bij de Hoge Raad, de
gerechtshoven en de rechtbanken.</al>
        </art>
        <art id="a122">
          <kop>
            <nr>Artikel 122</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Indien naar het oordeel van de procureur-generaal bij de Hoge Raad het
openbaar ministerie bij de uitoefening van zijn taak de wettelijke voorschriften
niet naar behoren handhaaft of uitvoert, kan hij Onze Minister van Justitie
daarvan in kennis stellen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <nr>2.</nr>
            <al>Op verzoek van de procureur-generaal worden hem vanwege het College van
procureurs-generaal de inlichtingen verstrekt die hij nodig acht en worden
hem de desbetreffende stukken overgelegd.</al>
          </lid>
        </art>
        <art id="a123">
          <kop>
            <nr>Artikel 123</nr>
          </kop>
          <al>Het College van procureurs-generaal verleent de procureur-generaal bij
de Hoge Raad de bijstand van het openbaar ministerie, die deze ter uitvoering
van de aan hem opgedragen taken verlangt.</al>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK 4.</nr>
          <titel status="off">HET OPENBAAR MINISTERIE</titel>
        </kop>
        <afd>
          <kop>
            <nr>AFDELING 1.</nr>
            <titel status="off">TAKEN EN BEVOEGDHEDEN</titel>
          </kop>
          <art id="a124">
            <kop>
              <nr>Artikel 124</nr>
            </kop>
            <al>Het openbaar ministerie is belast met de strafrechtelijke handhaving van
de rechtsorde en met andere bij de wet vastgestelde taken.</al>
          </art>
          <art id="a125">
            <kop>
              <nr>Artikel 125</nr>
            </kop>
            <al>De taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie worden, op de wijze
bij of krachtens de wet bepaald, uitgeoefend door:</al>
            <al>a. het College van procureurs-generaal;</al>
            <al>b. de officieren van justitie, de plaatsvervangende officieren van justitie,
de officieren enkelvoudige zittingen en de plaatsvervangende officieren enkelvoudige
zittingen;</al>
            <al>c. de advocaten-generaal en de plaatsvervangende advocaten-generaal.</al>
          </art>
          <art id="a126">
            <kop>
              <nr>Artikel 126</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De uitoefening van een of meer bevoegdheden van de officier van justitie,
de officier enkelvoudige zittingen of de advocaat-generaal kan worden opgedragen
aan een andere bij het parket werkzame ambtenaar voor zover het hoofd van
het parket daarmee heeft ingestemd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De opgedragen bevoegdheid wordt in naam en onder verantwoordelijkheid
van de officier van justitie, de officier enkelvoudige zittingen, onderscheidenlijk
de advocaat-generaal, uitgeoefend.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid, kan
niet aan een andere bij het parket werkzame ambtenaar worden opgedragen indien
de regeling waarop de bevoegdheid steunt of de aard van de bevoegdheid zich
daartegen verzet. Daarvan is in elk geval sprake voor zover het gaat om het
optreden ter terechtzitting in strafzaken en de toepassing van
de dwangmiddelen als bedoeld in Titel IV van het Eerste Boek van het Wetboek
van Strafvordering.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Bij algemene maatregel van bestuur worden omtrent de toepassing van dit
artikel nadere regels gesteld.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a127">
            <kop>
              <nr>Artikel 127</nr>
            </kop>
            <al>Onze Minister van Justitie kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven
betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie.</al>
          </art>
          <art id="a128">
            <kop>
              <nr>Artikel 128</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Onze Minister van Justitie stelt het College van procureurs-generaal in
de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken voordat hij in een concreet
geval een aanwijzing geeft inzake de opsporing of vervolging van strafbare
feiten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Onze Minister deelt het College de voorgenomen aanwijzing en de motivering
daarvan schriftelijk mede. Onze Minister kan het College voor het kenbaar
maken van zijn zienswijze een termijn stellen. De zienswijze van het College
wordt schriftelijk en gemotiveerd gegeven.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, wordt schriftelijk en gemotiveerd
gegeven.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Slechts indien de aanwijzing in verband met de vereiste spoed niet schriftelijk
kan worden gegeven, kan zij mondeling worden gegeven. In dat geval wordt zij
zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen een week daarna op schrift gesteld.
Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing op het mededelen van een
voorgenomen aanwijzing door Onze Minister en voor het geven van de zienswijze
door het College.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde aanwijzing wordt, tezamen met de voorgenomen
aanwijzing en de zienswijze van het College, door de officier van justitie
bij de processtukken gevoegd. Voor zover het belang van de staat zich naar
het oordeel van Onze Minister daartegen verzet, blijft voeging bij de processtukken
achterwege, met dien verstande dat in dat geval bij de processtukken een verklaring
wordt gevoegd waaruit blijkt dat een aanwijzing is gegeven.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Indien het betreft een aanwijzing tot het niet of niet verder opsporen
of vervolgen, stelt Onze Minister de beide Kamers der Staten-Generaal zo spoedig
mogelijk in kennis van de aanwijzing, de voorgenomen aanwijzing en de zienswijze
van het College, voor zover het verstrekken van de desbetreffende stukken
niet in strijd is met het belang van de staat.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a129">
            <kop>
              <nr>Artikel 129</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het College verstrekt Onze Minister de inlichtingen die deze nodig heeft.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De leden van het openbaar ministerie verstrekken het College de inlichtingen
die het College nodig heeft.</al>
            </lid>
          </art>
        </afd>
        <afd>
          <kop>
            <nr>AFDELING 2.</nr>
            <titel status="off">INRICHTING</titel>
          </kop>
          <art id="a130">
            <kop>
              <nr>Artikel 130</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Er is een College van procureurs-generaal.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het College staat aan het hoofd van het openbaar ministerie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Het College bestaat uit een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
aantal van ten minste drie en ten hoogste vijf procureurs-generaal. Bij koninklijk
besluit wordt een van de procureurs-generaal benoemd tot voorzitter van het
College voor een periode van ten hoogste drie jaar. Hij kan eenmaal worden
herbenoemd. </al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Het College kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende
de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a131">
            <kop>
              <nr>Artikel 131</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het College van procureurs-generaal kan geen beslissingen nemen indien
niet ten minste drie leden aanwezig zijn.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Het College neemt beslissingen bij meerderheid van stemmen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Indien de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de doorslag.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>Bij reglement stelt het College nadere regels met betrekking tot zijn
werkwijze en besluitvorming. Het reglement en wijzigingen daarvan behoeven
de goedkeuring van Onze Minister van Justitie. Het reglement of een wijziging
daarvan wordt na de goedkeuring gepubliceerd in de <nadruk type="cur">Staatscourant</nadruk>.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>In het reglement wordt in ieder geval geregeld in welke gevallen de voorzitter
een voorgenomen beslissing aan Onze Minister van Justitie voorlegt, daaronder
zijn in ieder geval begrepen de beslissingen bedoeld in artikel 140<nadruk type="cur">a</nadruk> van het Wetboek van Strafvordering.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a132">
            <kop>
              <nr>Artikel 132</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het College van procureurs-generaal verdeelt de werkzaamheden onder de
procureurs-generaal.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Onze Minister van Justitie kan bepaalde werkzaamheden opdragen aan de
voorzitter van het College.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a133">
            <kop>
              <nr>Artikel 133</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het College van procureurs-generaal kan een procureur-generaal machtigen
een of meer van zijn bevoegdheden uit te oefenen, tenzij de regeling waarop
de bevoegdheid steunt of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De uitoefening van een bevoegdheid door een procureur-generaal overeenkomstig
het eerste lid geschiedt in naam en onder verantwoordelijkheid van het College.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Het College kan ten aanzien van de uitoefening van de bevoegdheid algemene
en bijzondere aanwijzingen geven.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a134">
            <kop>
              <nr>Artikel 134</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Het openbaar ministerie bestaat uit:</al>
              <al>a. het parket-generaal;</al>
              <al>b. de arrondissementsparketten;</al>
              <al>c. het landelijk parket;</al>
              <al>d. de ressortsparketten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De arrondissementsparketten en de ressortsparketten zijn gevestigd in
de plaatsen van vestiging van de rechtbanken respectievelijk van de gerechtshoven.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a135">
            <kop>
              <nr>Artikel 135</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij het parket-generaal zijn werkzaam:</al>
              <al>a. de procureurs-generaal die het College vormen;</al>
              <al>b. andere ambtenaren.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Bij het parket-generaal kunnen ambtenaren werkzaam zijn in alle rangen,
bedoeld in de artikelen 136 tot en met 138.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Aan het hoofd van het parket-generaal staat het College.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De procureurs-generaal zijn van rechtswege plaatsvervangend advocaat-generaal
bij de ressortsparketten, plaatsvervangend officier van justitie bij de arrondissementsparketten
en plaatsvervangend officier van justitie bij het landelijk parket.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a136">
            <kop>
              <nr>Artikel 136</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij een arrondissementsparket zijn werkzaam:</al>
              <al>a. officieren van justitie;</al>
              <al>b. plaatsvervangende officieren van justitie;</al>
              <al>c. officieren enkelvoudige zittingen;</al>
              <al>d. plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen;</al>
              <al>e. andere ambtenaren.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Aan het hoofd van een arrondissementsparket staat een officier van justitie
in de rang van hoofdofficier en met de titel hoofd van het arrondissementsparket.
Hij kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan de bij zijn parket werkzame
ambtenaren betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het
parket.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Bij een arrondissementsparket wordt tevens een officier van justitie benoemd
hetzij – indien in het arrondissement twee politieregio's gelegen zijn –
in de rang van fungerend hoofdofficier, hetzij – indien dat niet het
geval is – in de rang van plaatsvervangend hoofdofficier. In geval van
afwezigheid, belet of ontstentenis van het hoofd van het arrondissementsparket
wordt hij vervangen door de fungerend onderscheidenlijk door de plaatsvervangend
hoofdofficier.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De overige officieren van justitie worden benoemd in de rang van officier
eerste klasse, officier of substituut-officier.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>De officieren van justitie en de officieren enkelvoudige zittingen bij
een arrondissementsparket zijn van rechtswege plaatsvervangend officier van
justitie, onderscheidenlijk plaatsvervangend officier van justitie enkelvoudige
zittingen bij de overige arrondissementsparketten en bij het landelijk parket.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Het College van procureurs-generaal kan een officier van justitie bij
een arrondissementsparket benoemen tot plaatsvervangend advocaat-generaal.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>7.</nr>
              <al>De officier enkelvoudige zittingen en de plaatsvervangende officier enkelvoudige
zittingen hebben de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de
wet aan de officier van justitie worden toegekend, met uitzondering van de
bevoegdheid om op te treden ter terechtzitting van een meervoudige kamer van
de arrondissementsrechtbank.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a137">
            <kop>
              <nr>Artikel 137</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij het landelijk parket zijn werkzaam:</al>
              <al>a. officieren van justitie;</al>
              <al>b. plaatsvervangende officieren van justitie;</al>
              <al>c. officieren enkelvoudige zittingen;</al>
              <al>d. plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen;</al>
              <al>e. andere ambtenaren.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Aan het hoofd van het landelijk parket staat een officier van justitie
in de rang van hoofdofficier en met de titel hoofd van het landelijk parket.
Hij kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan de bij zijn parket werkzame
ambtenaren betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het
parket.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Bij het landelijk parket wordt tevens een officier van justitie benoemd
in de rang van plaatsvervangend hoofdofficier. In geval van afwezigheid, belet
of ontstentenis van het hoofd van het landelijk parket wordt hij vervangen
door de plaatsvervangend hoofdofficier.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De overige officieren van justitie worden benoemd in de rang van officier
eerste klasse, officier of substituut-officier.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>De officieren van justitie en de officieren enkelvoudige zittingen bij het landelijk parket zijn van rechtswege plaatsvervangend officier
van justitie, onderscheidenlijk plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen
bij de arrondissementsparketten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Het College van procureurs-generaal kan een officier van justitie bij
het landelijk parket benoemen tot plaatsvervangend advocaat-generaal.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>7.</nr>
              <al>De officier enkelvoudige zittingen en de plaatsvervangende officier enkelvoudige
zittingen hebben de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de
wet aan de officier van justitie worden toegekend, met uitzondering van de
bevoegdheid om op te treden ter terechtzitting van een meervoudige kamer van
de arrondissementsrechtbank.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a138">
            <kop>
              <nr>Artikel 138</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>Bij een ressortsparket zijn werkzaam:</al>
              <al>a. advocaten-generaal;</al>
              <al>b. plaatsvervangende advocaten-generaal;</al>
              <al>c. andere ambtenaren.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Aan het hoofd van een ressortsparket staat een advocaat-generaal in de
rang van hoofdadvocaat-generaal en met de titel hoofd van het ressortsparket.
Hij kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan de bij zijn parket werkzame
ambtenaren betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het
parket.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>Bij een ressortsparket wordt tevens een advocaat-generaal benoemd in de
rang van plaatsvervangend hoofdadvocaat-generaal. Bij afwezigheid, belet of
ontstentenis van het hoofd van het ressortsparket wordt hij vervangen door
de plaatsvervangend hoofdadvocaat-generaal.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>4.</nr>
              <al>De overige advocaten-generaal worden benoemd in de rang van ressorts-advocaat-generaal.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>5.</nr>
              <al>De advocaten-generaal zijn van rechtswege plaatsvervangend advocaat-generaal
bij de overige ressortsparketten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>6.</nr>
              <al>Het College van procureurs-generaal kan een advocaat-generaal benoemen
tot plaatsvervangend officier van justitie.</al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a139">
            <kop>
              <nr>Artikel 139</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De hoofden van de parketten zijn in hun ambtsuitoefening ondergeschikt
aan het College.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>De andere bij een parket werkzame ambtenaren zijn in hun ambtsuitoefening
ondergeschikt aan het hoofd van het parket.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>3.</nr>
              <al>De bij het parket-generaal werkzame ambtenaren zijn in hun ambtsuitoefening
ondergeschikt aan het College.</al>
            </lid>
          </art>
        </afd>
        <afd>
          <kop>
            <nr>AFDELING 3.</nr>
            <titel status="off">OVERIGE BEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <art id="a142">
            <kop>
              <nr>Artikel 142</nr>
            </kop>
            <al>Onze Minister van Justitie kan een rechterlijk ambtenaar als bedoeld in
artikel 1, onderdeel b, onder 4° tot en met 6°, belasten met de waarneming
van een ander ambt bij het openbaar ministerie.</al>
          </art>
          <art id="a143">
            <kop>
              <nr>Artikel 143</nr>
            </kop>
            <lid>
              <nr>1.</nr>
              <al>De in artikel 142 bedoelde rechterlijke ambtenaren zijn verplicht tot
het geven van inlichtingen wanneer de procureur-generaal bij de Hoge Raad
op grond van artikel 122, tweede lid, daarom vraagt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <nr>2.</nr>
              <al>Artikel 25 is op de in artikel 142 bedoelde rechterlijke ambtenaren van
overeenkomstige toepassing. </al>
            </lid>
          </art>
          <art id="a144">
            <kop>
              <nr>Artikel 144</nr>
            </kop>
            <al>Artikel 13 is op de in artikel 142 bedoelde rechterlijke ambtenaren van
overeenkomstige toepassing.</al>
          </art>
        </afd>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK 5.</nr>
          <titel status="off">RECHTERLIJKE AMBTENAREN IN OPLEIDING</titel>
        </kop>
        <art id="a145">
          <kop>
            <nr>Artikel 145</nr>
          </kop>
          <lid>
            <nr>1.</nr>
            <al>Onze Minister kan rechterlijke ambtenaren in opleiding aanstellen.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">2</nadruk>. Bij algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld met betrekking tot de selectie, de aanstelling, de opleiding
en overige aangelegenheden die de rechtspositie van de rechterlijke ambtenaren
in opleiding betreffen.</al>
          </lid>
        </art>
      </hfdst>
      <hfdst>
        <kop>
          <nr>HOOFDSTUK 6.</nr>
          <titel status="off">OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel>
        </kop>
        <art id="a146">
          <kop>
            <nr>Artikel 146</nr>
          </kop>
          <al>Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de rechterlijke organisatie.</al>
          <al>Bijlage als bedoeld in artikel 41, tweede lid.</al>
          <al>De nevenvestigingsplaatsen van de rechtbanken zijn:</al>
          <al>
            <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
              <tgroup align="left" charoff="75" cols="2" tgroupstyle="sdu1">
                <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="40mm"></colspec>
                <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="72.5mm"></colspec>
                <tbody valign="bottom">
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0"> rechtbank Alkmaar:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">Hoorn,
Den Helder </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0">rechtbank Almelo:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">Enschede </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0">rechtbank Amsterdam:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">Hilversum </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0">rechtbank Arnhem:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">Wageningen, Tiel, Nijmegen </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0">rechtbank Assen:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">Emmen</entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0">rechtbank Breda:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">Tilburg, Bergen op Zoom </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0">rechtbank Dordrecht:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">Gorinchem </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0">rechtbank 's-Gravenhage</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">Delft, Leiden, Gouda, Alphen
aan den Rijn </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0">rechtbank Groningen:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">Winschoten</entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0">rechtbank Haarlem:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">Zaanstad </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0">rechtbank 's-Hertogenbosch:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">Eindhoven,
Helmond, Boxmeer </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0">rechtbank Leeuwarden:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">Heerenveen </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0">rechtbank Maastricht:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">Heerlen, Sittard-Geleen </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0">rechtbank Middelburg:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">Terneuzen </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0">rechtbank Roermond:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">Venlo </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0">rechtbank Rotterdam:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">Schiedam,
Brielle</entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0">rechtbank Utrecht:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">Amersfoort </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0">rechtbank Zutphen:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">Apeldoorn, Harderwijk,
Groenlo, Wisch </entry>
                  </row>
                  <row valign="top">
                    <entry morerows="0" rotate="0">rechtbank Zwolle:</entry>
                    <entry morerows="0" rotate="0">Deventer, Lelystad</entry>
                  </row>
                </tbody>
              </tgroup>
            </table>
          </al>
        </art>
      </hfdst>
    </tekstpl>
    <voetnoot id="v1">
      <nootnr>1</nootnr>
      <noottkst>
        <al>Treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, zie
Wet OBG, ARTIKEL XVIII</al>
      </noottkst>
    </voetnoot>
    <voetnoot id="v2">
      <nootnr>1</nootnr>
      <noottkst>
        <al>Zie voetnoot bij artikel 44, «en belastingzaken» wordt ingevoegd
in artikel 60 met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.</al>
      </noottkst>
    </voetnoot>
    <voetnoot id="v3">
      <nootnr>1</nootnr>
      <noottkst>
        <al>Zie voetnoten bij de artikelen 44 en 60, artikel 60a vervalt op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip.</al>
      </noottkst>
    </voetnoot>
  </backm>
</staatsbl>