﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<!DOCTYPE staatsbl PUBLIC "-//SDU//DTD staatsblad xml 1.1//NL" "../../dtd/staatsbl-11.dtd"[]>
<staatsbl id="sb000.62" soort="kb" publtype="kobe">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2000-62/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel status="off">Staatsblad</titel>
    <subtitel>van het Koninkrijk der Nederlanden</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.4" conv="port1.2" markup="c1xa"></versie>
    <ordernr>STB5329</ordernr>
    <stb>
      <jaargang jaar="2000">Jaargang 2000</jaargang>
      <stbjaar>2000</stbjaar>
      <stbnr>62 </stbnr>
    </stb>
    <intitule>
      <soort>Besluit</soort> van 28 januari 2000, houdende tijdelijke
voorzieningen voor de medezeggenschap van de bij de gerechten werkzame rechterlijke
ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding (Tijdelijk besluit medezeggenschap
rechters)</intitule>
    <aanhef>
      <wie>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wie>
      <consider>
        <al>Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 21 oktober 1999,
Directie Wetgeving, nr. 795959/99/6;</al>
        <al>Gelet op <grslag>artikel 54, tweede lid, onder e, van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren</grslag>;</al>
        <al>De Raad van State gehoord (advies van 10 december 1999, nr. W03.99.0526/I);</al>
        <al>Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 24 januari
2000, Directie Wetgeving, nr. 770493/99/6;</al>
      </consider>
      <afkondig>Hebben goedgevonden en verstaan:</afkondig>
    </aanhef>
  </frontm>
  <body>
    <par>
      <kop>
        <nr>Par. 1. </nr>
        <titel status="off">Algemeen </titel>
      </kop>
      <art id="a1">
        <kop>
          <nr>Artikel 1</nr>
        </kop>
        <al>In dit besluit wordt verstaan onder:</al>
        <al>a. bestuurders:</al>
        <al>1. ten aanzien van de rechtersvertegenwoordiging: de president van de
arrondissementsrechtbank, de directeur beheer gerechten in eerste aanleg,
en de coördinerend kantonrechter in het arrondissement;</al>
        <al>2. ten aanzien van de raadsherenvertegenwoordiging: de president van het
gerechtshof en de directeur beheer bij het gerechtshof;</al>
        <al>b. gerechtsvertegenwoordiging: rechtersvertegenwoordiging onderscheidenlijk
raadsherenvertegenwoordiging;</al>
        <al>c. geschillencommissie: de Geschillencommissie Tijdelijk besluit medezeggenschap
rechters, bedoeld in artikel 23;</al>
        <al>d. raadsherenvertegenwoordiging: de raadsherenvertegenwoordiging, bedoeld
in artikel 4;</al>
        <al>e. rechtersvertegenwoordiging: de rechtersvertegenwoordiging, bedoeld
in artikel 3. </al>
      </art>
      <art id="a2">
        <kop>
          <nr>Artikel 2</nr>
        </kop>
        <al>In dit besluit worden onder raadsheren, rechters en kantonrechters hun
bezoldigde plaatsvervangers, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren, mede begrepen.</al>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>Par. 2.</nr>
        <titel status="off">Rechters- en raadsherenvertegenwoordiging </titel>
      </kop>
      <art id="a3">
        <kop>
          <nr>Artikel 3</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De president van de arrondissementsrechtbank en de coördinerend kantonrechter
in het arrondissement dragen ervoor zorg dat er een rechtersvertegenwoordiging
is.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De rechtersvertegenwoordiging bestaat uit leden die rechtstreeks worden
gekozen door en uit het midden van de kiesgerechtigde leden van de arrondissementsrechtbank
en van de kantongerechten in het arrondissement.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>De kiesgerechtigde leden zijn: de bij de in het tweede lid bedoelde gerechten
benoemde kantonrechters – niet zijnde coördinerend kantonrechter –,
coördinerend vice-presidenten, vice-presidenten, rechters, gerechtsauditeurs
en de rechterlijke ambtenaren in opleiding.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>Ten minste één van de leden van de rechtersvertegenwoordiging
is, indien een of meer van hen zich kandidaat hebben gesteld, afkomstig uit
het midden van de kantonrechters die binnen het arrondissement zijn benoemd.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5.</nr>
          <al>Ten minste één van de leden van de rechtersvertegenwoordiging
is, indien een of meer van hen zich kandidaat hebben gesteld, afkomstig uit
het midden van de gerechtsauditeurs en rechterlijke ambtenaren in opleiding,
tenzij zij gezamenlijk minder dan een tiende deel van de kiesgerechtigde leden
uitmaken.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>6.</nr>
          <al>In het laatste geval wijst de rechtersvertegenwoordiging, met instemming
van de gerechtsauditeurs en rechterlijke ambtenaren in opleiding, een van
haar leden aan als degene die in het bijzonder de gerechtsauditeurs en rechterlijke
ambtenaren in opleiding vertegenwoordigt.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>7.</nr>
          <al>De rechtersvertegenwoordiging maakt de namen van haar leden terstond bekend
aan de kiesgerechtigde leden. Indien van toepassing wordt daarbij aangegeven
wie is aangewezen als bedoeld in het zesde lid.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a4">
        <kop>
          <nr>Artikel 4</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De president van het gerechtshof draagt ervoor zorg dat er een raadsherenvertegenwoordiging
is.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De raadsherenvertegenwoordiging bestaat uit leden die rechtstreeks worden
gekozen door en uit het midden van de kiesgerechtigde leden van het gerechtshof.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>De kiesgerechtigde leden zijn: de bij het gerechtshof benoemde coördinerend
vice-presidenten, vice-presidenten, raadsheren en gerechtsauditeurs.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>Ten minste één van de leden van de raadsherenvertegenwoordiging
is, indien een of meer van hen zich kandidaat hebben gesteld, afkomstig uit
het midden van de gerechtsauditeurs, tenzij zij minder dan een tiende deel
van de kiesgerechtigde leden uitmaken.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5.</nr>
          <al>In het laatste geval wijst de raadsherenvertegenwoordiging, met instemming
van de gerechtsauditeurs, een van haar leden aan als degene die in het bijzonder
de gerechtsauditeurs vertegenwoordigt.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>6.</nr>
          <al>De raadsherenvertegenwoordiging maakt de namen van haar leden terstond
bekend aan de kiesgerechtigde leden. Indien van toepassing wordt daarbij aangegeven
wie is aangewezen als bedoeld in het vijfde lid. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a5">
        <kop>
          <nr>Artikel 5</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Het aantal leden van de gerechtsvertegenwoordiging wordt door haar bepaald
op een aantal van ten minste drie en ten hoogste negen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De gerechtsvertegenwoordiging kan commissies instellen. Artikel 15, tweede
tot en met vierde lid, van de Wet op de ondernemingsraden is van overeenkomstige
toepassing.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a6">
        <kop>
          <nr>Artikel 6</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De gerechtsvertegenwoordiging stelt een reglement vast. In het reglement
worden de onderwerpen geregeld die in dit besluit ter regeling aan de gerechtsvertegenwoordiging
zijn opgedragen of overgelaten.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Alvorens het reglement vast te stellen, stelt de gerechtsvertegenwoordiging
de bestuurders in de gelegenheid hun zienswijze over een ontwerp voor het
reglement kenbaar te maken.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a7">
        <kop>
          <nr>Artikel 7</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De gerechtsvertegenwoordiging regelt in het reglement haar werkwijze.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Het reglement bevat in ieder geval regels omtrent:</al>
          <al>a. de gevallen waarin de gerechtsvertegenwoordiging ten behoeve van de
uitoefening van haar taak bijeenkomt,</al>
          <al>b. de wijze van bijeenroeping van de gerechtsvertegenwoordiging,</al>
          <al>c. het aantal leden dat aanwezig moet zijn om een vergadering te kunnen
houden,</al>
          <al>d. de uitoefening van het stemrecht in de vergaderingen,</al>
          <al>e. de voorziening in het secretariaat,</al>
          <al>f. het opmaken en het bekend maken aan de bestuurders, de leden van de
gerechtsvertegenwoordiging en de kiesgerechtigde leden van de agenda van de
vergaderingen van de gerechtsvertegenwoordiging,</al>
          <al>g. het tijdstip waarop de bestuurders, de leden van de gerechtsvertegenwoordiging
en de kiesgerechtigde leden uiterlijk in kennis dienen te worden gesteld van
de agenda, welk tijdstip niet later kan worden gesteld dan zeven dagen voor
de vergadering, behoudens in spoedeisende gevallen, en</al>
          <al>h. het opmaken en het bekend maken aan de bestuurders, de leden van de
gerechtsvertegenwoordiging en de kiesgerechtigde leden van de verslagen van
de vergaderingen van de gerechtsvertegenwoordiging en van het jaarverslag
van de gerechtsvertegenwoordiging.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a8">
        <kop>
          <nr>Artikel 8</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De bestuurders zijn verplicht de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies
het gebruik toe te staan van de voorzieningen waarover zij als zodanig kunnen
beschikken en die de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies voor de
vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig hebben.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies vergaderen zoveel mogelijk
tijdens de normale werktijd.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a9">
        <kop>
          <nr>Artikel 9</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van
de taak van de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies komen ten laste
van het arrondissement onderscheidenlijk het gerechtshof.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Met inachtneming van het eerste lid komen de kosten van het raadplegen
van een deskundige door de gerechtsvertegenwoordiging of een van haar commissies
slechts ten laste van het arrondissement onderscheidenlijk het
gerechtshof indien de bestuurders van de te maken kosten vooraf in kennis
zijn gesteld.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>De bestuurders kunnen een regeling treffen waarin, onverminderd de artikelen
8 en 10, de kosten die de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies in
een bepaald jaar zullen maken, worden vastgesteld op een bepaald bedrag, dat
de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies naar eigen inzicht kunnen
besteden. Kosten waardoor het vastgestelde bedrag zou worden overschreden,
komen slechts ten laste van het arrondissement onderscheidenlijk het gerechtshof
voor zover de bestuurders daarin toestemmen.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a10">
        <kop>
          <nr>Artikel 10</nr>
        </kop>
        <al>De bestuurders treffen een regeling waarin:</al>
        <al>a. aan de leden van de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies gedurende
een bepaald aantal uren per jaar in werktijd de gelegenheid wordt geboden
voor onderling beraad en overleg met andere personen over aangelegenheden
waarbij zij in de uitoefening van hun taak zijn betrokken, alsmede voor kennisneming
van de arbeidsomstandigheden bij de gerechten, en</al>
        <al>b. aan de leden van de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies gedurende
een bepaald aantal dagen per jaar in werktijd de gelegenheid wordt geboden
voor het ontvangen van de scholing en vorming die zij in verband met de vervulling
van hun taak nodig oordelen.</al>
      </art>
      <art id="a11">
        <kop>
          <nr>Artikel 11</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De leden van de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies, alsmede
de geraadpleegde deskundigen zijn verplicht tot geheimhouding van alle gegevens
die zij in hun hoedanigheid vernemen en ten aanzien waarvan de bestuurders
dan wel de gerechtsvertegenwoordiging of de betrokken commissie hun geheimhouding
hebben opgelegd of waarvan zij, in verband met opgelegde geheimhouding, het
vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden. Het voornemen
om geheimhouding op te leggen wordt zoveel mogelijk voor de behandeling van
de betrokken aangelegenheid medegedeeld. Degene die de geheimhouding oplegt,
deelt daarbij tevens mede welke schriftelijk of mondeling verstrekte gegevens
onder de opgelegde geheimhouding vallen en hoe lang deze dient te duren, alsmede
of er personen zijn ten aanzien van wie de opgelegde geheimhouding niet in
acht behoeft te worden genomen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degenen
die zijn belast met het secretariaat van de gerechtsvertegenwoordiging of
een van haar commissies.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet ten opzichte van
degene die door een lid van de gerechtsvertegenwoordiging of een van haar
commissies wordt benaderd voor overleg, mits de bestuurders onderscheidenlijk
degene die geheimhouding heeft opgelegd, vooraf toestemming hebben gegeven
voor het overleg met de betrokken persoon en deze laatste schriftelijk heeft
verklaard dat hij zich ten aanzien van de betrokken aangelegenheid tot geheimhouding
verplicht. In dat geval is ten aanzien van de betrokken persoon het eerste
lid van overeenkomstige toepassing.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>De in het eerste lid bedoelde verplichting vervalt niet door beëindiging
van het lidmaatschap van de gerechtsvertegenwoordiging of van haar betrokken
commissie, noch door het ophouden kiesgerechtigd lid te zijn. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a12">
        <kop>
          <nr>Artikel 12</nr>
        </kop>
        <al>De bestuurders dragen ervoor zorg, dat de kiesgerechtigde leden die zich
kandidaat stellen of hebben gesteld voor verkiezing tot lid van de gerechtsvertegenwoordiging,
alsmede de leden en de gewezen leden van de gerechtsvertegenwoordiging en
haar commissies niet uit hoofde van hun kandidaatstelling of hun lidmaatschap
worden benadeeld in hun positie bij het desbetreffende gerecht of gerechten.</al>
      </art>
      <art id="a13">
        <kop>
          <nr>Artikel 13</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De bestuurders en de gerechtsvertegenwoordiging komen met elkaar bijeen
in een overlegvergadering binnen twee weken nadat hetzij de gerechtsvertegenwoordiging
hetzij de bestuurders daarom gemotiveerd hebben verzocht.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Het overleg wordt voor de bestuurders gevoerd door degene die daartoe
door hen uit hun midden is aangewezen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>In een overlegvergadering worden de aangelegenheden, de gerechten onderscheidenlijk
het gerecht betreffende, aan de orde gesteld ten aanzien waarvan hetzij de
bestuurder hetzij de gerechtsvertegenwoordiging overleg wenselijk acht of
waarover op grond van dit besluit overleg tussen de bestuurder en de gerechtsvertegenwoordiging
moet plaatsvinden. De gerechtsvertegenwoordiging is bevoegd omtrent de bedoelde
aangelegenheden voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>In ieder geval is onder de aangelegenheden, bedoeld in het derde lid,
begrepen het desbetreffende projectplan voor de uitvoering van het Programma
Versterking Rechterlijke Organisatie op lokaal niveau, bedoeld in artikel
9 van het Convenant Programma Versterking Rechterlijke Organisatie (Stcrt.
1999, 171).</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>5.</nr>
          <al>Onder de in het derde lid bedoelde aangelegenheden zijn niet begrepen
de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van, alsmede
de beslissing in een concrete zaak of in categorieën van zaken. Evenmin
zijn daaronder begrepen de publiekrechtelijke vaststelling van taken van publiekrechtelijke
lichamen en onderdelen. Het beleid ten aanzien daarvan en de uitvoering daarvan
zijn evenmin onder die aangelegenheden begrepen, behoudens voor zover het
betreft de gevolgen daarvan voor de werkaamheden van de in de desbetreffende
gerechten werkzame personen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>6.</nr>
          <al>De gerechtsvertegenwoordiging is ook buiten de overlegvergadering bevoegd
aan de bestuurders voorstellen te doen omtrent de in het derde lid bedoelde
aangelegenheden. Een dergelijk voorstel wordt schriftelijk en voorzien van
een toelichting aan de bestuurders voorgelegd. De bestuurders beslissen over
het voorstel niet dan nadat daarover ten minste eenmaal overleg is gevoerd
in een overlegvergadering. Na het overleg delen de bestuurders zo spoedig
mogelijk schriftelijk en gemotiveerd aan de gerechtsvertegenwoordiging mede
of, en zo ja in hoeverre, zij overeenkomstig het voorstel zullen besluiten.
Wanneer de bestuurders of de gerechtsvertegenwoordiging te kennen geven daarop
prijs te stellen, wordt het besluit in een overlegvergadering kenbaar gemaakt.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a14">
        <kop>
          <nr>Artikel 14</nr>
        </kop>
        <al>In de overlegvergadering wordt ten minste twee maal per jaar de algemene
gang van zaken van de desbetreffende gerechten onderscheidenlijk het gerechtshof
besproken. De bestuurders doen in dit kader mededeling over besluiten die
zij in voorbereiding hebben met betrekking tot de aangelegenheden als bedoeld
in de artikelen 15 en 16. Daarbij worden afspraken gemaakt wanneer en op welke
wijze de gerechtsvertegenwoordiging in de besluitvorming wordt betrokken. </al>
      </art>
      <art id="a15">
        <kop>
          <nr>Artikel 15</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De bestuurders behoeven de instemming van de gerechtsvertegenwoordiging
voor elk door een of meer van hen voorgenomen besluit tot vaststelling, wijziging
of intrekking van:</al>
          <al>a. een regeling inzake werktijden,</al>
          <al>b. een regeling inzake vakantie en verlof,</al>
          <al>c. een regeling inzake de veiligheid, de gezondheid of het welzijn in
verband met de werkzaamheden of het ziekteverzuim,</al>
          <al>d. een regeling inzake opleiding en verdere vorming,</al>
          <al>e. een regeling inzake loopbaanvorming,</al>
          <al>f. een regeling inzake werkoverleg,</al>
          <al>g. een regeling als bedoeld in artikel 9, derde lid,</al>
          <al>h. een regeling als bedoeld in artikel 10, en</al>
          <al>i. een regeling omtrent de persoonsgegevens van de bij de gerechten werkzame
personen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De gerechtsvertegenwoordiging beslist niet dan nadat over de betrokken
aangelegenheid ten minste eenmaal overleg is gepleegd in een overlegvergadering.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Artikel 27, derde lid, van de Wet op de ondernemingsraden, is van overeenkomstige
toepassing.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>Hebben de bestuurders voor het voorgenomen besluit geen instemming van
de gerechtsvertegenwoordiging verkregen, dan kunnen zij de geschillencommissie
toestemming vragen om het besluit te nemen. Artikel 27, vierde , vijfde en
zesde lid van de Wet op de ondernemingsraden is van overeenkomstige toepassing.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a16">
        <kop>
          <nr>Artikel 16</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De gerechtsvertegenwoordiging wordt door de bestuurders in de gelegenheid
gesteld advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit tot:</al>
          <al>a. belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere wijziging van de werkzaamheden
van een gerecht;</al>
          <al>b. belangrijke wijziging in de organisatie van een gerecht, dan wel in
de verdeling van bevoegdheden binnen een gerecht;</al>
          <al>c. wijziging van de plaats waar een gerecht, of onderdeel daarvan, haar
werkzaamheden uitoefent;</al>
          <al>d. het groepsgewijze werven of inlenen van arbeidskrachten;</al>
          <al>e. het doen van een belangrijke investering ten behoeve van een gerecht;</al>
          <al>f. het aantrekken van een belangrijk krediet ten behoeve van een gerecht;</al>
          <al>g. het verstrekken van een belangrijk krediet en het stellen van zekerheid
voor belangrijke schulden van een ander gerecht;</al>
          <al>h. invoering of wijziging van een belangrijke technologische voorziening;</al>
          <al>i. het treffen van een belangrijke maatregel in verband met de zorg voor
het milieu, waaronder begrepen het treffen of wijzigen van een beleidsmatige,
organisatorische en administratieve voorziening in verband met het milieu;</al>
          <al>j. het verstrekken en het formuleren van een adviesopdracht aan een deskundige
buiten een gerecht betreffende een der hiervoor bedoelde aangelegenheden;</al>
          <al>k. overdracht van de zeggenschap over een of meer van de gerechten;</al>
          <al>l. het vestigen van, dan wel het overnemen of afstoten van de zeggenschap
over, een ander gerecht, alsmede het aangaan van, het aanbrengen van een belangrijke
wijziging in of het verbreken van duurzame samenwerking met een ander gerecht,
waaronder begrepen het aangaan, in belangrijke mate wijzigen of
verbreken van een belangrijke financiële deelneming vanwege of ten behoeve
van een dergelijk gerecht;</al>
          <al>m. beëindiging van de werkzaamheden van een gerecht of van een belangrijk
onderdeel daarvan;</al>
          <al>n. vaststelling van een regeling met betrekking tot het zelf dragen van
het risico, bedoeld in artikel 75, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Een advies als bedoeld in het eerste lid wordt op een zodanig tijdstip
gevraagd, dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>De gerechtsvertegenwoordiging brengt met betrekking tot een voorgenomen
besluit als bedoeld in het eerste lid geen advies uit dan nadat over de betrokken
aangelegenheid ten minste eenmaal overleg is gepleegd in een overlegvergadering.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>4.</nr>
          <al>De gerechtsvertegenwoordiging kan bij de geschillencommissie beroep instellen
tegen een besluit van de bestuurders, hetzij wanneer dat besluit niet in overeenstemming
is met het advies van de gerechtsvertegenwoordiging, hetzij wanneer feiten
of omstandigheden bekend zijn geworden die, waren zij aan de gerechtsvertegenwoordiging
bekend geweest ten tijde van het uitbrengen van haar advies, aanleiding zouden
kunnen zijn geweest om dat advies niet uit te brengen zoals het is uitgebracht.
Artikel 26, tweede tot en met achtste lid, van de Wet op de ondernemingsraden
is van overeenkomstige toepassing.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a17">
        <kop>
          <nr>Artikel 17</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De gerechtsvertegenwoordiging wordt tijdig in de gelegenheid gesteld een
profielschets op te stellen voor een te benoemen bestuurder als bedoeld in
artikel 1, onderdeel a.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De gerechtsvertegenwoordiging wordt tijdig in de gelegenheid gesteld advies
uit te brengen omtrent de benoeming van een bestuurder als bedoeld in artikel
1, onderdeel a.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a18">
        <kop>
          <nr>Artikel 18</nr>
        </kop>
        <al>De gerechtsvertegenwoordiging bevordert zoveel als in haar vermogen ligt
de naleving van de voor de gerechten onderscheidenlijk het gerecht geldende
voorschriften op het gebied van de rechtspositie en van de veiligheid, de
gezondheid en het welzijn in verband met de werkzaamheden.</al>
      </art>
      <art id="a19">
        <kop>
          <nr>Artikel 19</nr>
        </kop>
        <al>De gerechtsvertegenwoordiging stelt jaarlijks over het voorgaande jaar
een jaarverslag op en zendt voor 1 april een afschrift daarvan in ieder geval
aan Onze Minister van Justitie en aan de vergadering van presidenten van de
appèlcolleges en de vergadering van rechtbankpresidenten.</al>
      </art>
      <art id="a20">
        <kop>
          <nr>Artikel 20</nr>
        </kop>
        <al>De artikelen 31 tot en met 31c van de Wet op de ondernemingsraden zijn
van overeenkomstige toepassing.</al>
      </art>
      <art id="a21">
        <kop>
          <nr>Artikel 21</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De gerechtsvertegenwoordiging en de bij de gerechten onderscheidenlijk
het gerecht ingestelde ondernemingsraad of onderdeelscommissie kunnen gezamenlijk
vergaderen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De gerechtsvertegenwoordiging en de ondernemingsraad of onderdeelscommissie
kunnen gezamenlijk het overleg met de bestuurders voeren.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a22">
        <kop>
          <nr>Artikel 22</nr>
        </kop>
        <al>De bestuurders en de gerechtsvertegenwoordiging kunnen de geschillencommissie
verzoeken te bepalen dat de bestuurders, onderscheidenlijk de gerechtsvertegenwoordiging
gevolg dienen te geven aan hetgeen bij of krachtens deze regeling is bepaald,
een en ander voor zover dit van de bestuurders, onderscheidenlijk de gerechtsvertegenwoordiging
afhangt. Artikel 36, vijfde, zesde en zevende lid, van de Wet op de ondernemingsraden
is van overeenkomstige toepassing.</al>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>Par. 3.</nr>
        <titel status="off">Geschillencommissie </titel>
      </kop>
      <art id="a23">
        <kop>
          <nr>Artikel 23</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Er is een Geschillencommissie Tijdelijk besluit medezeggenschap rechters.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De geschillencommissie is belast met de krachtens dit besluit aan haar
opgedragen beslissing van geschillen.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Bij of krachtens regeling van Onze Minister van Justitie worden regels
vastgesteld omtrent de samenstelling, inrichting en werkwijze van de geschillencommissie.</al>
        </lid>
      </art>
    </par>
    <par>
      <kop>
        <nr>Par. 4.</nr>
        <titel status="off">Slotbepalingen </titel>
      </kop>
      <art id="a24">
        <kop>
          <nr>Artikel 24</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>Voor de overeenkomstige toepassing van dit besluit worden het College
van Beroep Studiefinanciering, het College van Beroep voor het bedrijfsleven
en de Centrale Raad van Beroep gelijkgesteld met een gerechtshof.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>Voor de overeenkomstige toepassing van dit besluit worden de voorzitter,
de coördinerend ondervoorzitter, de ondervoorzitters en de leden van
de Tariefcommissie begrepen onder de kiesgerechtigde leden van het gerechtshof
Amsterdam.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>3.</nr>
          <al>Ten minste één van de leden van de raadsherenvertegenwoordiging
van het gerechtshof Amsterdam is, indien een of meer van hen zich kandidaat
hebben gesteld, afkomstig uit het midden van de kiesgerechtigde leden, bedoeld
in het vorige lid, van de Tariefcommissie.</al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a25">
        <kop>
          <nr>Artikel 25</nr>
        </kop>
        <lid>
          <nr>1.</nr>
          <al>De president van de arrondissementsrechtbank en de coördinerend kantonrechter
in het arrondissement onderscheidenlijk de president van het gerechtshof dragen
ervoor zorg, dat er uiterlijk op de eerste dag van de derde kalendermaand
na de maand waarin dit besluit in werking is getreden, een gerechtsvertegenwoordiging
is.</al>
        </lid>
        <lid>
          <nr>2.</nr>
          <al>De kiesgerechtigde leden maken binnen 30 dagen na de dag van inwerkingtreding
van dit besluit schriftelijk aan de president van de arrondissementsrechtbank
en de coördinerend kantonrechter in het arrondissement onderscheidenlijk
de president van het gerechtshof bekend op welk aantal leden als bedoeld in
artikel 5, eerste lid, de omvang van de eerste gerechtsvertegenwoordiging
dient te worden vastgesteld. Bij gebreke daarvan stellen de president van
de arrondissementsrechtbank en de coördinerend kantonrechter in het arrondissement
onderscheidenlijk de president van het gerechtshof zelf dat aantal leden vast. </al>
        </lid>
      </art>
      <art id="a26">
        <kop>
          <nr>Artikel 26</nr>
        </kop>
        <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de eerste
kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt
geplaatst.</al>
      </art>
      <art id="a27">
        <kop>
          <nr>Artikel 27</nr>
        </kop>
        <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk besluit medezeggenschap rechters.</al>
        <al>Het kan worden afgekort als: Tbmr.</al>
      </art>
    </par>
  </body>
  <backm>
    <nawerk>
      <slotform>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.</slotform>
      <histnoot>
        <al>Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging
bij het Ministerie van Justitie.</al>
        <al>Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden
 opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 14 maart 2000,  nr.
52.</al>
      </histnoot>
      <ondertek>
        <ondplts>'s-Gravenhage, </ondplts>
        <onddatum>28 januari 2000</onddatum>
        <koning>Beatrix </koning>
        <minister>
          <minvan>De Staatssecretaris van Justitie,</minvan>
          <naam>M. J. Cohen</naam>
        </minister>
      </ondertek>
      <uitgifte>
        <uitgifte-regel>Uitgegeven de <nadruk type="cur">tiende</nadruk> februari 2000</uitgifte-regel>
        <uitdag>tiende</uitdag>
        <uitmaand>februari</uitmaand>
        <uitjaar>2000</uitjaar>
        <door>
          <minvan>De Minister van Justitie,</minvan>
          <naam>A. H. Korthals </naam>
        </door>
      </uitgifte>
    </nawerk>
    <notatoe>
      <kop>
        <titel status="off">NOTA VAN TOELICHTING </titel>
      </kop>
      <tuskop letat="vet">1. Algemeen </tuskop>
      <tuskop letat="cur">1.1. Achtergronden</tuskop>
      <al>Dit besluit bevat een tijdelijke medezeggenschapsregeling voor de bij
de gerechten werkzame rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in
opleiding (raio's).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Sinds de inwerkingtreding op 5 mei 1995 van de Wet van 13 april 1995 (Stb.
231) is de Wet op de ondernemingsraden (Wor) ook van toepassing op ambtenaren.
In artikel 53b Wor wordt echter op de toepasselijkheid van de Wor een uitzondering
gemaakt voor de rechterlijke ambtenaren en de raios. Rechterlijke ambtenaren
zijn: de met rechtspraak belaste rechterlijke ambtenaren in de Hoge Raad,
de hoven, de rechtbanken, de kantongerechten, de Centrale Raad van Beroep,
het College van Beroep voor het bedrijfsleven, de Tariefcommissie en het College
van beroep studiefinanciering; de leden van het openbaar ministerie (OM);
de gerechtsauditeurs en griffiers bij de genoemde gerechten.</al>
      <al>Bij de parlementaire behandeling van bedoelde wijziging van de Wor is
ten aanzien van deze uitzondering, aangekondigd dat de Minister van Justitie
voor de in artikel 53b Wor uitgezonderde ambtenaren specifieke medezeggenschapsregelingen
tot stand zal brengen. Voor het openbaar ministerie is inmiddels een regeling
van de medezeggenschap tot stand gebracht. Sinds 1 april 1996, de aanvang
van de reorganisatie van het openbaar ministerie, geldt de Tijdelijke regeling
medezeggenschap openbaar ministerie. Voor de andere rechterlijke ambtenaren
en de raio's bij de gerechten is, gelet op het voornemen de bestuursstructuur
van de gerechten te vernieuwen, gewacht met het regelen van de medezeggenschap.
Nu ook bij de gerechten de feitelijke reorganisatie een aanvang neemt, is
het tijd om ook daar een tijdelijke regeling te treffen. Daartoe strekt dit
besluit. </al>
      <tuskop letat="cur">1.2. Korte inhoud van de regeling</tuskop>
      <al>Het gaat hier om een tijdelijke regeling van de medezeggenschap voor de
duur van het vernieuwingsproces in de rechtspraak. De definitieve medezeggenschapsregeling
voor zowel de bij de gerechten werkzame rechterlijke ambtenaren en raio's
(hierna tezamen ook kortweg aan te duiden als: rechters) als voor de niet-rechterlijke
ambtenaren werkzaam bij de gerechten (ofwel: de ondersteuning) wordt meegenomen
in de wetgeving die het bestuur van de gerechten en de invoering van integraal
management regelt. Dat zal een geïntegreerde medezeggenschapsregeling
zijn. Dat wil zeggen dat er een gemeenschappelijk medezeggenschapsorgaan wordt
ingesteld voor zowel de rechters als de ondersteuning. Het bestuur zal in
de nieuwe organisatie immers hoofd van dienst zijn van beide geledingen. Thans
is de directeur beheer gerechten nog hoofd van dienst voor de ondersteuning.
Op hen is de Wor van toepassing. Dat kan en zal door de onderhavige algemene
maatregel van bestuur niet veranderen. Deze regeling beoogt niet meer en niet
minder dan naast de bestaande medezeggenschapsregeling voor de ondersteuning
een tijdelijke medezeggenschapsregeling voor de rechters in het leven te roepen.
Daarbij is voorts van belang, dat de in formele wetgeving verankerde bevoegdheden
van de collegevergadering, onderscheidenlijk kantonrechtersvergadering, evenals
de besluitvorming tussen de Minister van Justitie en de Sectorcommissie rechterlijke
macht, prevaleren boven de besluitvorming in het kader van de in deze algemene
maatregel van bestuur opgenomen medezeggenschapsregeling. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De kern van de regeling wordt gevormd door de introductie van de gerechtsvertegenwoordiging,
het tijdelijke medezeggenschapsorgaan voor de rechterlijke ambtenaren, dat
wil zeggen de met rechtspraak belaste leden van de rechterlijke macht en de
gerechtsauditeurs, en de raio's, werkzaam bij de gerechten. Bij elke arrondissementsrechtbank
met bijbehorende kantongerechten en bij elk gerechtshof wordt een gerechtsvertegenwoordiging
ingesteld. De eerste wordt rechtersvertegenwoordiging genoemd (artikel 3)
en de tweede raadsherenvertegenwoordiging (artikel 4). Het overkoepelende
begrip is gerechtsvertegenwoordiging (artikel 1, onderdeel b). De in artikel
1, onderdeel a, gedefinieerde bestuurders zijn de overlegpartner van de gerechtsvertegenwoordiging,
met dien verstande dat de bestuurders om praktische redenen een van hen aanwijzen
om feitelijk het overleg te voeren (artikel 13, tweede lid). Als bestuurders
worden aangemerkt de president en de directeur beheer, voor de rechtersvertegenwoordiging
nog aangevuld met de coördinerend kantonrechter in het arrondissement.
Zij hebben een positie vergelijkbaar met die van de bestuurder in de Wor.
Die oefent, al dan niet samen met anderen, de hoogste zeggenschap uit bij
de leiding van de arbeid in de onderneming (artikel 1 Wor) en vertegenwoordigt
de ondernemer in het overleg met de medezeggenschap (artikel 23, vierde lid,
Wor). De ondernemer is in de Wor degene die de onderneming, onder meer met
financiële middelen, in stand houdt. In de gerechtelijke organisatie
vervult de Staat die rol.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een rechtersvertegenwoordiging wordt samengesteld vanuit de arrondissementsrechtbank
en de kantongerechten in het arrondissement. Bij elk van de vijf gerechtshoven
is een raadsherenvertegenwoordiging. Ingevolge artikel 24 valt de Tariefcommissie
onder de raadsherenvertegenwoordiging bij het gerechtshof Amsterdam. Het College
van beroep studiefinanciering, het College van Beroep voor het bedrijfsleven
en de Centrale Raad van Beroep hebben een eigen raadsherenvertegenwoordiging.
Er zijn, kortom, 19 rechtersvertegenwoordigingen en acht raadsherenvertegenwoordigingen. </al>
      <tuskop letat="cur">1.3. Vorm van de regeling</tuskop>
      <al>Het onderhavige besluit berust op artikel 54, tweede lid, onderdeel e,
Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra). Deze bepaling maakt het
mogelijk dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor rechterlijke
ambtenaren en raios voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot medezeggenschap.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Als de definitieve, geïntegreerde, medezeggenschapsregeling in werking
treedt, kan de Tijdelijke regeling medezeggenschap rechters komen te vervallen.
Dat er thans voor gekozen wordt om, vooruitlopend op de definitieve regeling,
een tijdelijke regeling te treffen, is het gevolg van de constatering dat
het handhaven van het bestaande vacuüm onwenselijk is gelet op het vernieuwingsproces
bij de gerechten. Juist in een periode waarin bij de gerechten de voorbereidingen
zullen worden getroffen voor de invoering per 2002 van de wetgeving inzake
het bestuur bij de gerechten en integraal management, alsmede die inzake de
bestuurlijke onderbrenging van de kantongerechten bij de rechtbanken, is het
noodzakelijk dat de medezeggenschap voor de rechterlijke ambtenaren en raios
geregeld is. </al>
      <tuskop letat="cur">1.4. Adviezen en overleg</tuskop>
      <al>Deze regeling is totstandgekomen in overleg met betrokkenen uit het veld.
Tevens is overeenkomstig hoofdstuk III Wrra overeenstemming bereikt met de
Sectorcommissie rechterlijke macht. Van de Directeur beheer
gerechten Groningen, de Coördinerend ondervoorzitter van de Tariefcommissie,
de Commissie RO namens de Gemeenschappelijke presidentenvergadering en van
de Directeuren beheer gerechten zijn met betrekking tot een concept van de
regeling adviezen ontvangen. De adviezen luidden instemmend ten aanzien van
de hoofdlijnen van de regeling. De daarbij gemaakte kanttekeningen zijn, evenals
die van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR), in regeling en
toelichting overgenomen, met uitzondering van de volgende. De Gemeenschappelijke
presidentenvergadering meende dat, behalve voor de hoven en de rechtbanken
ook voor de kantongerechten eigen gerechtsvertegenwoordigingen in het leven
moeten worden geroepen. Deze suggestie kon niet worden overgenomen, omdat
dit te zeer de (voorbereiding van) de bestuurlijke onderbrenging van de kantongerechten
zou belemmeren. Bovendien kan desgewenst voor een of meer kantongerechten
een onderdeelscommissie worden ingesteld (artikel 5).</al>
      <al>De suggestie van de Directeuren beheer gerechten om elk gerecht de vrijheid
te geven de voorliggende regeling al dan niet in te voeren, kon uiteraard
niet worden overgenomen. Dat zou in strijd zijn met de, door onder meer de
NVvR gesteunde, gemaakte keuze voor een bij algemene maatregel van bestuur
vast te leggen landelijke regeling.</al>
      <al>De wel overgenomen suggesties hebben in hoofdzaak geleid tot aanpassing
van de regeling in die zin, dat naast de Centrale Raad van Beroep ook het
College van Beroep voor het bedrijfsleven en het College van beroep studiefinanciering
een eigen gerechtsvertegenwoordiging krijgen, terwijl de Tariefcommissie recht
krijgt op ten minste één zetel in de raadsherenvertegenwoordiging
van het gerechtshof Amsterdam (artikel 24). </al>
      <tuskop letat="cur">1.5. Financiële gevolgen</tuskop>
      <al>Deze regeling heeft geen gevolgen voor de rijksbegroting. De kosten zullen
worden opgevangen binnen de begroting van de Dienst rechtspleging van het
Ministerie van Justitie. </al>
      <tuskop letat="vet">2. Artikelsgewijs </tuskop>
      <tuskop letat="vet">Par. 1. Algemeen </tuskop>
      <tuskop letat="rom">Artikel 1</tuskop>
      <al>Artikel 1 bevat definities.</al>
      <al>In artikel 1, onder a, ten 1<sup>e</sup>, wordt, behalve de president
en de directeur beheer gerechten, de coördinerend kantonrechter aangemerkt
als bestuurder ten opzichte van de rechtersvertegenwoordiging. Momenteel is
immers voor de gezamenlijke kantongerechten in elk arrondissement door de
Minister van Justitie, op voordracht van de gezamenlijke kantonrechters in
dat arrondissement, een coördinerend kantonrechter aangewezen, die in
de praktijk onder meer de taken van kantonrechters oudste in rang heeft overgenomen.
Het lag daarom niet meer voor de hand in deze regeling de wettelijke figuur
van kantonrechter oudste in rang als bestuurder aan te wijzen. </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel 2</tuskop>
      <al>Artikel 2 verzekert dat de in dit besluit geregelde inspraak ook toekomt
aan de bezoldigde plaatsvervangers. Zij maken immers voor langere tijd deel
uit van de vaste bezetting van een gerecht. Dit is niet het geval bij de zogenaamde
honoraire plaatsvervangers, bedoeld in het tweede lid van artikel 9 van de
Wrra.  </al>
      <tuskop letat="vet">Par. 2. Rechters- en raadsherenvertegenwoordiging </tuskop>
      <tuskop letat="rom">Artikel 3</tuskop>
      <al>In artikel 3 zijn de bepalingen neergelegd die specifiek voor de rechtersvertegenwoordiging,
dus niet voor de gerechtsvertegenwoordiging in het algemeen, gelden.</al>
      <al>De president van de arrondissementsrechtbank en de coördinerend kantonrechter
in het arrondissement zijn ervoor verantwoordelijk dat er in hun arrondissement
een rechtersvertegenwoordiging is. Zij zorgen dat de eerste verkiezingen worden
gehouden. In het tweede en derde lid van artikel 3 wordt bepaald dat alle
rechterlijke ambtenaren, met uitzondering van de honoraire plaatsvervangers
(zie artikel 2) en degenen die als bestuurder zijn aangemerkt, en raios actief
en passief kiesgerechtigd zijn. De wijze van verkiezing of aanwijzing is vrijgelaten.
Het is denkbaar dat de gerechtsvertegenwoordiging daaromtrent een bijzondere
regeling treft in het reglement, bedoeld in artikel 6. De gerechtsauditeurs
en raio's waren en zijn geen lid van de collegevergadering. In het vijfde
en zesde lid is nu geregeld dat ook hun stem in de gerechtelijke organisatie
gehoord wordt. </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel 4</tuskop>
      <al>In artikel 4 zijn bepalingen als in artikel 3, maar dan gespecificeerd
voor de raadsherenvertegenwoordiging, neergelegd. </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel 5 </tuskop>
      <tuskop letat="cur">Eerste lid</tuskop>
      <al>Om recht te doen aan lokale verschillen in bij voorbeeld schaalgrootte
van gerechten heeft de gerechtsvertegenwoordiging de vrijheid haar ledental
te bepalen op een aantal tussen drie en negen. </al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>De gerechtsvertegenwoordiging kan vaste commissies, onderdeelscommissies
en voorbereidingscommissies instellen. Artikel 15, tweede tot en met vierde
lid, van de Wet op de ondernemingsraden is van overeenkomstige toepassing.
Om verschillende redenen kan een commissie worden ingesteld. Zo kan bij voorbeeld
gedacht worden aan het instellen van één gezamenlijk medezeggenschapsorgaan
door de medezeggenschapsorganen van rechters en ondersteuning, waaraan voorbereidende
of verdergaande bevoegdheden worden opgedragen ten aanzien van aangelegenheden
die beide geledingen aangaan. Wat de ondersteuning betreft kan dit worden
gezien als een voorbereidende of vaste commissie als bedoeld in artikel 15
Wor. </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel 6</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan artikel 4 van de Tijdelijke regeling medezeggenschap
openbaar ministerie.</al>
      <al>De gerechtsvertegenwoordiging dient een reglement vast te stellen. Naast
de ingevolge artikel 7 verplichte onderwerpen kunnen in het reglement zaken
worden geregeld die aan de gerechtsvertegenwoordiging ter regeling zijn overgelaten,
zoals de wijze van verkiezing van de gerechtsvertegenwoordiging.</al>
      <al>Als direct betrokkenen worden de bestuurders vooraf in de gelegenheid
gesteld hun zienswijze over een ontwerp voor een reglement kenbaar te maken.  </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel 7</tuskop>
      <al>In het reglement van de gerechtsvertegenwoordiging is ingevolge artikel
7 in ieder geval haar werkwijze geregeld. De achterban, maar ook de overlegpartner
dienen zich hiervan immers in het belang van een goede werking van de medezeggenschap
op de hoogte te kunnen stellen. Deze bepaling is ontleend aan artikel 9 Tijdelijke
regeling medezeggenschap openbaar ministerie en artikel 14 Wor. </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel 8</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan de artikelen 14 Tijdelijke regeling medezeggenschap
openbaar ministerie en 17, eerste en tweede lid, Wor. </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel 9</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan artikel 15 van de Tijdelijke regeling medezeggenschap
openbaar ministerie en bevat, in vereenvoudigde vorm, die onderdelen van artikel
22 Wor waaraan in de gerechten behoefte bestaat. De in artikel 22, tweede
lid, tweede volzin, Wor opgenomen verfijningen zijn niet overgenomen.</al>
      <al>In het derde lid is niet gekozen voor een stelsel waarin de bestuurders
en de ondernemingsraad gezamenlijk het budget vaststellen, maar voor een –
beter in de systematiek van de onderhavige regeling passend – stelsel
waarin de bestuurders daarover beslissen, ten aanzien van welke beslissing
aan de gerechtsvertegenwoordiging een instemmingsrecht toekomt (vgl. art.
15, onderdeel g).</al>
      <al>In vergelijking met de systematiek van de Wor is deze bepaling overigens
naar voren gehaald en geplaatst bij de andere bepalingen over de zogenoemde
faciliteiten voor de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies. </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel 10</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan artikel 16 van de Tijdelijke regeling medezeggenschap
openbaar ministerie. Zij bevat, in vereenvoudigde vorm, die onderdelen van
artikel 18 Wor waaraan in de gerechtelijke organisatie behoefte bestaat. In
het bijzonder de in artikel 18, derde en vierde lid, opgenomen verfijningen
zijn niet overgenomen. Ook is niet gekozen voor een stelsel waarin de bestuurders
en de gerechtsvertegenwoordiging gezamenlijk het aantal uren (onderdeel a)
onderscheidenlijk het aantal dagen (onderdeel b) vaststellen, maar voor een –
beter in de systematiek van de onderhavige regeling passend – stelsel
waarin de bestuurders daarover beslissen, ten aanzien van welke beslissing
aan de gerechtsvertegenwoordiging een instemmingsrecht toekomt (vgl. art.
15, onderdeel h). </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel 11</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan artikel 17 van de Tijdelijke regeling medezeggenschap
openbaar ministerie, dat grotendeels is gebaseerd op artikel 20, eerste, tweede,
vierde en zesde lid, Wor. Zij regelt de geheimhoudingsplicht rondom de vervulling
van de taak van de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies. In plaats
van de hier minder adequate term «zaken- en bedrijfsgeheimen»
(vgl. art. 20, eerste lid, eerste volzin, Wor) wordt in het eerste lid, eerste
volzin, de – ruimere – term «gegevens» (vgl. art.
2:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) gebruikt.</al>
      <al>Artikel 20, vijfde lid, Wor is niet overgenomen, omdat artikel 3:46 Awb
reeds voorziet in het daarin bepaalde.  </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel 12</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan artikel 18 van de Tijdelijke regeling medezeggenschap
openbaar ministerie, dat weer is gebaseerd op artikel 21, eerste lid, eerste
volzin, Wor, met dien verstande dat hier niet wordt gesproken van kandidatenlijsten.
Aan de overige onderdelen van artikel 21 Wor bestaat in de gerechtelijke organisatie
geen behoefte. </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel 13</tuskop>
      <al>De regeling van de overlegvergadering is ontleend aan artikel 23, eerste
tot en met vierde lid, Wor. De bepaling geeft de gerechtsvertegenwoordiging
onder meer een algemeen recht op overleg jegens de bestuurders. </al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>Zoals gezegd wijzen de bestuurders om praktische redenen een van hen aan
om het overleg te voeren.</al>
      <al>De bestuurders zijn vrij om omtrent bij voorbeeld de vervanging van en
bijstand aan de bestuurder bij het overleg en de verdere werkwijze van de
bestuurders bij reglement regels te stellen. </al>
      <tuskop letat="cur">Vierde lid</tuskop>
      <al>In overeenstemming met een van de doelstellingen van deze regeling, te
weten het voorzien in inspraak van de rechters met betrekking tot de reorganisatie,
wordt in het vierde lid bepaald, dat de door de lokale veranderteams uit te
voeren projectplannen PVRO in ieder geval onderwerp van overleg kunnen zijn. </al>
      <tuskop letat="cur">Vijfde lid</tuskop>
      <al>In het vijfde lid wordt, evenals in de artikelen 23, derde lid, en 46d,
onderdeel b, Wor, het zogenaamde «primaat van de politiek» veiliggesteld.
Daarnaast worden hier, in verband met de onafhankelijkheid van de rechtspraak,
de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van, alsmede
de beslissing in een concrete zaak of in categorieën van zaken, uitgesloten
van de aangelegenheden waarover overleg kan worden gevoerd. Personele gevolgen
van de uitvoering van politieke besluiten of van de rechtspraak dienen wel
te worden aangemerkt als aangelegenheden die voorwerp van overleg kunnen zijn.
Dit is geregeld in de tweede volzin. Uit de samenhang van deze bepaling met
de artikelen 15, tweede lid, en 16, derde lid, volgt overigens, dat de beide
van overleg uitgesloten onderwerpen ook geen voorwerp van instemmings- of
adviesrecht kunnen zijn. </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel 14</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan artikel 24, eerste lid, Wor en legt, in
aanvulling op artikel 13, uitdrukkelijk vast dat ten minste twee keer per
jaar overleg wordt gevoerd over de algemene gang van zaken van de rechtbank
en de kantongerechten respectievelijk het gerechtshof. </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel 15</tuskop>
      <al>In het eerste lid wordt aangegeven ten aanzien van welke punten de gerechtsvertegenwoordiging
een instemmingsrecht heeft. Het gaat om regelingen die betrekking hebben op
het personeelsbeleid. Daarbij is gekeken naar de in artikel 27, eerste lid,
Wor opgesomde onderwerpen. Voor zover relevant zijn deze in het onderhavige
artikel – al dan niet in aangepaste vorm – overgenomen. Voor veel
van de niet overgenomen onderwerpen geldt dat zij in de rechterlijke organisatie
niet op het niveau van de afzonderlijke gerechten worden geregeld maar dat,
nadat daarover overeenstemming is bereikt met de Sectorcommissie
rechterlijke macht, daaromtrent algemeen verbindende voorschriften zijn en
worden vastgesteld. In verband daarmee is in het derde lid artikel 27, derde
lid, Wet op de ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing verklaard.
Daarnaast geldt voor enkele onderwerpen (met name artikel 27, onderdelen a
en 1, Wor) dat zij in de gerechtelijke organisatie niet van toepassing zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Geschillen kunnen ingevolge het vierde lid worden voorgelegd aan de Geschillencommissie
Tijdelijk besluit medezeggenschap rechters, bedoeld in artikel 23. </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel 16</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan artikel 25 Wor. Bij de opsomming van de
adviesplichtige voorgenomen besluiten is overwogen dat het ongewenst zou zijn
als de gerechtsvertegenwoordiging ten aanzien van een bepaald onderwerp niet
mocht adviseren terwijl dat recht ingevolge de Wor aan de ondernemingsraad
van de ondersteuning wel toekomt. Daarom is de opsomming van onderwerpen uit
de Wor hier geheel overgenomen.</al>
      <al>Met betrekking tot de onderdelen f, g en h van artikel 16 van dit besluit
is het van belang, dat het afhangt van hetgeen bij of krachtens de Comptabiliteitswet
en lagere comptabele regelgeving omtrent de wijze van bekostiging en besturing
van de rechtspraak is bepaald, in hoeverre door (bestuurders van) gerechten
besluiten kunnen worden genomen ten aanzien van kredieten en investeringen.</al>
      <al>Voorts zij opgemerkt dat in de praktijk van de gerechtelijke organisatie
een aantal van de onderwerpen, zoals die genoemd in artikel 16, onder n, van
dit besluit doorgaans onder de uitzondering van het «primaat van de
politiek» (artikel 13, zesde lid) vallen. Daarmee zijn de desbetreffende
voorgenomen besluiten van overleg en dus ook van het adviesrecht uitgesloten,
behoudens voor zover het de personele gevolgen van de uitvoering betreft. </al>
      <tuskop letat="cur">Vierde lid</tuskop>
      <al>Geschillen over adviesplichtige besluiten kunnen ingevolge het vierde
lid in bepaalde gevallen worden voorgelegd aan de Geschillencommissie Tijdelijk
besluit medezeggenschap rechters, bedoeld in artikel 23. Op de behandeling
van deze geschillen is artikel 26, tweede tot en met achtste lid, Wor van
overeenkomstige toepassing. De geschillencommissie heeft dus de bevoegdheden
die de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam heeft in de overeenkomstige
beroepszaken onder de Wor. Indien de gerechtsvertegenwoordiging van mening
is dat haar ten onrechte niet om advies is gevraagd, kan zij de geschillencommissie
op grond van artikel 22 (algemene geschillenregeling) vragen te bepalen dat
de bestuurders dit alsnog doen. In dat geval gelden ingevolge artikel 22 overigens
andere procedureregels, namelijk de regels zoals die krachtens artikel 36,
vijfde, zesde en zevende lid, van de Wet op de ondernemingsraden gelden voor
de procedure voor de kantonrechter. </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel 17</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan de artikelen 26 van de Tijdelijke regeling
medezeggenschap openbaar ministerie en 30 van de Wet op de ondernemingsraden.
Zij voorziet in de mogelijkheid van inspraak door de gerechtsvertegenwoordiging
bij de benoeming van een bestuurder, dat wil zeggen van de president, coördinerend
kantonrechter of directeur beheer gerechten. Overigens moet in dit verband
een aanwijzing als coördinerend kantonrechter als benoeming worden aangemerkt.
In het eerste lid wordt het recht toegekend om een profielschets op te stellen voor een te benoemen bestuurder. Ingevolge het tweede lid kan de
gerechtsvertegenwoordiging adviseren omtrent de kandidaten die meedingen naar
de vacante functie. Daartoe kan bijvoorbeeld een lid van de gerechtsvertegenwoordiging
plaatsnemen in een eventuele benoemingsadviescommissie. De profielschets en
het advies worden aangeboden aan Onze Minister van Justitie. </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel 18</tuskop>
      <al>Deze bepaling is ontleend aan artikel 27 van de Tijdelijke regeling medezeggenschap
openbaar ministerie en artikel 28, eerst lid, Wor.</al>
      <al>De bepaling brengt mede tot uitdrukking dat de gerechtsvertegenwoordiging
een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de goede gang van zaken bij de gerechten. </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel 19</tuskop>
      <al>De jaarverslagen van de gerechtsvertegenwoordigingen vormen een bron van
informatie over de wijze van uitvoering van dit besluit. Om zijn verantwoordelijkheid
voor het functioneren van de medezeggenschap te kunnen waarmaken dient de
Minister van Justitie over deze jaarverslagen te beschikken. </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel 20</tuskop>
      <al>Dit artikel regelt de informatieplicht. De bestuurders zijn verplicht
om aan de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies tijdig bepaalde gegevens
te verstrekken. Het gaat om gegevens die de gerechtsvertegenwoordiging nodig
heeft om haar werk goed te kunnen doen. Een en ander is geregeld door de artikelen
31 tot en met 31c van de Wet op de ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing
te verklaren. Uit deze artikelen volgt onder meer welke gegevens de bestuurders
uit eigen beweging en welke zij op verzoek moeten verschaffen. </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel 21</tuskop>
      <al>Het is bevorderlijk voor de reorganisatie en de invoering van het zogenaamde
integraal management bij de gerechten als rechters en de ondernemingsraad
van de ondersteuning samenwerken. Bij sommige gerechten gebeurt dit thans
reeds. Deze bepaling beoogt in ieder geval het gezamenlijk vergaderen zowel
als het gezamenlijk overleg voeren met de bestuurder uitdrukkelijk mogelijk
te maken. Aangelegenheden die rechtstreeks verband houden met de reorganisatie
van de rechtspraak lenen zich bijvoorbeeld goed voor gezamenlijke bespreking.
Deze bepaling sluit overigens verdergaande of andere (bijvoorbeeld landelijke)
vormen van samenwerking niet uit. </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel 22</tuskop>
      <al>De algemene geschillenregeling is ontleend aan artikel 36 Wor, met dien
verstande dat niet de bedrijfscommissie en de kantonrechter bevoegd zijn,
maar de Geschillencommissie Tijdelijk besluit medezeggenschap rechters ex
artikel 23 van dit besluit. De wijze van behandeling geschiedt overeenkomstig
de regels zoals die krachtens artikel 36, vijfde, zesde en zevende lid, van
de Wet op de ondernemingsraden gelden voor de procedure voor de kantonrechter.  </al>
      <tuskop letat="vet">Par. 3. Geschillencommissie </tuskop>
      <tuskop letat="rom">Artikel 23</tuskop>
      <al>De beslissing van geschillen als bedoeld in artikel 15, vierde lid, 16,
vierde lid, en 22 is opgedragen aan de Geschillencommissie Tijdelijk besluit
medezeggenschap rechters. Overwogen is om in navolging van de Wor de kantonrechter
en de Ondernemingskamer bevoegd te verklaren. Alleen al in verband met artikel
112 Grondwet was het echter niet mogelijk om dat in deze algemene maatregel
van bestuur te doen. Daarom is voor deze tijdelijke regeling gekozen voor
een geschillencommissie. Over de samenstelling, inrichting en werkwijze zal
de Minister van Justitie, uiteraard in overleg met de rechterlijke macht,
regels stellen. </al>
      <tuskop letat="vet">Par. 4. Slotbepalingen </tuskop>
      <tuskop letat="rom">Artikel 24</tuskop>
      <al>Deze regeling is van overeenkomstige toepassing op de rechterlijke ambtenaren
bij de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven,
het College van beroep studiefinanciering en de Tariefcommissie. Dit volgt
uit de artikelen 4 van de Beroepswet, 5 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie,
112 Wet op de studiefinanciering en artikel 4 van de Tariefcommissiewet. In
artikel 24 wordt uitgewerkt wat de overeenkomstige toepassing concreet betekent.
De drie eerstgenoemde colleges krijgen een eigen gerechtsvertegenwoordiging.
Voor de Tariefcommissie is het echter vanwege haar geringe omvang niet zinvol
en haalbaar om een eigen gerechtsvertegenwoordiging te hebben. De voorzitter,
de coördinerend ondervoorzitter, de ondervoorzitters en de leden van
de Tariefcommissie zijn kiesgerechtigd en verkiesbaar voor de raadsherenvertegenwoordiging
Amsterdam. Zij hebben daarin recht op een zogenaamde kwaliteitszetel, zoals
de kantonrechters die ingevolge artikel 3, vierde lid, in de rechtersvertegenwoordiging
hebben.</al>
      <al>Verwezen zij ook naar het algemeen gedeelte van deze nota van toelichting,
par. 1.2. </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel 25</tuskop>
      <al>Voor de periode direct na inwerkingtreding van dit besluit, waarin er
nog geen gerechtsvertegenwoordiging is, dienden enkele minimale voorzieningen
te worden getroffen. Dit is gebeurd in artikel 25. Om te beginnen is in het
eerste lid van artikel 25 de invoeringsperiode van deze regeling bepaald op
drie maanden. De president van de arrondissementsrechtbank en de coördinerend
kantonrechter in het arrondissement onderscheidenlijk de president van het
gerechtshof zijn ervoor verantwoordelijk dat er drie maanden na inwerkingtreding
een gerechtsvertegenwoordiging is (en ingevolge het eerste lid van de artikelen
3 en 4 blijft). Dit betekent overigens niet noodzakelijkerwijze dat deze bestuurders
kunnen bepalen hoe de eerste gerechtsvertegenwoordiging eruit ziet. In het
tweede lid is bepaald dat de kiesgerechtigde leden, grotendeels samenvallend
met de leden van de bestaande college- of rechtersvergadering, een maand de
gelegenheid krijgen om het aantal leden van de eerste gerechtsvertegenwoordiging
te bepalen op een getal tussen drie en negen. Zodra de eerste gerechtsvertegenwoordiging
is gekozen, kan zij dit aantal uiteraard desgewenst wijzigen. In de invoeringsperiode
kan voorts eventueel een voorlopig reglement worden vastgesteld en dienen
de eerste verkiezingen te worden gehouden. Het ligt voor de hand dat de kiesgerechtigde
leden een voorlopig reglement ten aanzien van met name de wijze van verkiezen
vaststellen. Daarbij zou goed aansluiting gezocht kunnen worden bij het door
de zogenaamde WOR-kamer van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid
ontwikkelde Voorbeeldreglement voor de ondernemingsraad bij de overheid. Voorgeschreven
is dit alles echter niet, zodat elk gerecht een en ander op bij de lokale
omstandigheden passende wijze kan regelen. Een voorlopig reglement vervalt
uit zijn aard op het moment dat de gerechtsvertegenwoordiging zelf een reglement
vaststelt conform artikel 6. </al>
      <tuskop letat="rom">Artikel 26</tuskop>
      <al>Zodra eerdergenoemde, thans nog in voorbereiding zijnde, definitieve geïntegreerde
medezeggenschapsregeling in werking treedt, zal het onderhavige besluit worden
ingetrokken. </al>
      <minister>
        <minvan>De Staatssecretaris van Justitie,</minvan>
        <naam>M. J. Cohen</naam>
      </minister>
    </notatoe>
  </backm>
</staatsbl>